Bijlage 3 TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22c Hoogstraat 8 Toelichting (1139902)
Tekst van het document
TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22C HOOGSTRAAT 8 bestemmingsplan
T AM -Omgevingsplan hoofdstuk 22c Hoogstraat 8 TAM-Omgevingsplan
Datum: 15-06-2026
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het plan 1.2 Omschrijving van de locatie 1.3 Geldend Omgevingsplan 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Beschrijving van het initiatief 2.1 De gewenste situatie 2.2 Landschappelijke inpassing Hoofdstuk 3 Voorbereiding 3.1 Vooroverleg met de gemeente 3.2 Omgevingsdialoog Hoofdstuk 4 Beleidsmatige afweging 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Beleid van het waterschap 4.4 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 5 Afweging effecten op de fysieke leefomgeving 5.1 M.E.R.-beoordeling 5.2 Activiteiten en milieuzonering 5.3 Geluid 5.4 Geur 5.5 Kwaliteit van de buitenlucht 5.6 Veiligheid in de leefomgeving 5.7 Bodemkwaliteit 5.8 Natuur en natuurlijke waarden 5.9 Volksgezondheid 5.10 Cultureel erfgoed 5.11 Water 5.12 Duurzaam ontwikkelen 5.13 Mobiliteit 5.14 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen Hoofdstuk 6 Beperkingengebieden Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
3 4 4 4 6 7 8 8 11 14 14 14 16 16 18 29 30 32 32 32 33 35 35 39 42 43 47 48 51 57 60 62 64 65 65 65
2
T oelichting
3
Hoofdstuk 1
Inleiding
Voorliggend plan betreft een wijziging op het omgevingsplan van rechtswege van gemeente Gilze en Rijen met toepassing van een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) ten behoeve van de beëindiging van de intensieve veehouderij aan de Hoogstraat 8 te Gilze en deze om te schakelen naar een bedrijfsfunctie met statische opslag en als nevenactiviteit akkerbouw.
1.1
Aanleiding voor het plan
Met het wijzigen van het omgevingsplan van rechtswege, wordt de beëindiging van de intensieve veehouderij aan de Hoogstraat 8 te Gilze mogelijk gemaakt. Het initiatief is verder uitgebreid beschreven in het hoofdstuk “Beschrijving van het initiatief” (hoofdstuk 2). Op de locatie is momenteel een pluimveebedrijf gevestigd, met akkerbouw als nevenactiviteit. De initiatiefnemer heeft besloten de intensieve veehouderij te beëindigen en deel te nemen aan de LBV-regeling. Na de beëindiging wordt de locatie ingericht voor statische opslag. De akkerbouwactiviteiten worden voortgezet als nevenactiviteit. Om het initiatief mogelijk te maken is een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Gilze en Rijen nodig. De gemeente heeft aangegeven dat het initiatief voorstelbaar is, mits de mogelijke effecten van het initiatief op de fysieke leefomgeving goed zijn afgewogen. Deze toelichting dient als motivatie van deze afweging.
1.2
Omschrijving van de locatie
De locatie is gelegen aan de Hoogstraat 8 te Gilze en ligt in het landelijk gebied van de gemeente Gilze en Rijen. De locatie bevindt zich in het buitengebied van Gilze, waar een landelijk karakter wordt gecombineerd met agrarische bedrijfsactiviteiten. De omgeving wordt gekenmerkt door open landbouwgronden, afgewisseld met agrarische bebouwing en verspreide bedrijfsfuncties. Het perceel aan de Hoogstraat 8 is landschappelijk goed ingepast, met een combinatie van bebouwing en agrarische gronden. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Gilze en Rijen, sectie O, nummer 489. In de volgende afbeelding is de topografische ligging van de locatie weergegeven.
U 4
itsnede topografische kaart met locatie aangegeven. Bron: PDOK Op de locatie is momenteel een pluimveebedrijf aanwezig. Bij dit bedrijf bevindt zich een bedrijfswoning met enkele bedrijfsgebouwen. Er zijn vijf pluimveestallen, een loods ten behoeve van opslag, een stal voor het houden van hobbymatig vee en enkele privéopslagen aanwezig. Voor de locatie is een milieutoestemming afgegeven voor het houden van 4 pony's, 35 stuks jongvee en 153.000 stuks vleeskuikens. Recent is er nog een aanvraag gedaan voor het aanpassen van het stalsysteem in de stallen en de realisatie van uitlopen voor kippen. Gezien de omvang van het bedrijf valt het bedrijf onder de categorie IPPC. In de volgende afbeelding is de huidige situatie in een luchtfoto weergegeven.
Luchtfoto huidige situatie locatie. Bron: Omgevingsloket.
5
1.3
Geldend Omgevingsplan
Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Vanuit de Omgevingswet moet iedere gemeente een omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente vaststellen. Veel gemeenten hebben echter nog geen nieuw omgevingsplan vast kunnen stellen. Voor de gemeenten die nog geen nieuw omgevingsplan hebben vastgesteld geldt het zogenaamde omgevingsplan van rechtswege. Dit bestaat uit de regels uit verschillende ruimtelijke instrumenten die met de ingang van de Omgevingswet zijn komen te vervallen (zoals bijvoorbeeld bestemmingsplannen en verordeningen) en uit de regels over activiteiten die vanuit de Rijksoverheid gelden (de zogenaamde bruidsschat). De gemeente Gilze en Rijen heeft nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld, waarmee het zogenaamde omgevingsplan van rechtswege van toepassing is binnen deze gemeente. Voor het toetsen van nieuwe ontwikkelingen wordt vanuit het omgevingsplan van rechtswege nog getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan en, waar nodig, aan de aanvullende bepalingen uit de zogenaamde bruidsschat. Dit wordt dan gezien als een toetsing aan het geldende omgevingsplan. Daarnaast zijn op de locatie zelf de volgende functies en aanduidingen van toepassing: Agrarisch; Waarde Archeologie; Waarde Archeologie 2; Groen; Functieaanduiding: intensieve veehouderij; Gebiedsaanduiding: ihcs -1; Gebiedsaanduiding: agrarisch ontwikkelingsgebied.
Tevens is ter plaatse een bouwvlak aanwezig van 17.732 m2. De agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor een agrarisch grondgebruik en de uitoefening van een intensieve veehouderij. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de kaart van het geldende omgevingsplan ter plaatse van de locatie weergegeven.
U itsnede kaart geldend omgevingsplan ter plaatse van de locatie. Bron: Omgevingsloket. Het initiatief is in strijd met het omgevingsplan van rechtswege op de volgende punten: 6
Een van de voorwaarden vanuit de LBV regeling is het planologisch niet meer mogelijk maken om op bedrijfsmatige wijze landbouwhuisdieren te houden op de locatie. Hierdoor dient de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' verwijdert te worden van de locatie. De omschakeling naar statische opslag en daarmee een bedrijfsfunctie. Het initiatief past daarmee niet binnen het geldende omgevingsplan van rechtswege. In het omgevingsplan van rechtswege zijn daarnaast ook geen mogelijkheden opgenomen om het initiatief met een afwijking mogelijk te maken en het is niet mogelijk gebleken het initiatief met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mogelijk te maken. Om die redenen is een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege met toepassing van een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) nodig. Daarbij is het belangrijk om een goede afweging te maken van de mogelijke effecten van het initiatief op de fysieke leefomgeving. In deze toelichting is deze afweging verder gemotiveerd. Concreet zal er met deze wijziging van het omgevingsplan van rechtswege het volgende worden gewijzigd: Verkleinen bouwvlak; Wijzigen van de agrarische functie naar een bedrijfsfunctie; Verwijderen functieaanduiding: intensieve veehouderij.
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 met daarin de beschrijving van het initiatief. Daarbij wordt het initiatief beschreven en wordt ingegaan op de landschappelijke inpassing van het initiatief. Hoofdstuk 3 met daarin de beschrijving van de voorbereiding op de te doorlopen procedure. Daarin is beschreven welke (procedurele) stappen al zijn gezet ter voorbereiding op de wijziging van het omgevingsplan van rechtswege. Hoofdstuk 4 met daarin de beleidsmatige afweging. Daarbij wordt het initiatief getoetst aan het beleid dat van toepassing is vanuit de Rijksoverheid, de provincie, het waterschap en de gemeente. Hoofdstuk 5 met daarin de afweging van de mogelijke effecten van het initiatief op de fysieke leefomgeving. Daarbij wordt het initiatief getoetst aan de verschillende van belang zijnde regels voor de fysieke leefomgeving en of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoofdstuk 6 met daarin de afweging aan eventuele beperkingengebieden. Daarin wordt gekeken naar eventuele beperkingengebieden ter plaatse van of nabij de locatie en wordt een afweging gemaakt van de eventuele gevolgen van het initiatief op werken of objecten waarop deze beperkingengebieden van toepassing zijn. Hoofdstuk 7 met daarin de uitvoerbaarheid van het initiatief.
Daarbij wordt een afweging gemaakt van de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief.
7
Hoofdstuk 2
Beschrijving van het initiatief
De wijziging van het omgevingsplan van rechtswege maakt de beëindiging van de intensieve veehouderij mogelijk. In dit hoofdstuk wordt het initiatief verder omschreven en toegelicht en wordt ingegaan op de landschappelijke inpassing van het initiatief en de bijdrage daarvan aan de maatschappelijke doelen zoals zijn opgenomen in de Omgevingswet.
2.1
De gewenste situatie
Op de locatie wenst de initiatiefnemer de intensieve veehouderij, te weten een pluimveebedrijf, te beëindigen. Na beëindiging zal de locatie worden ingezet voor een bedrijfsfunctie: statische opslag. Voor deze activiteit zal een nieuwe loods worden opgericht. Naast deze hoofdactiviteit zal de huidige nevenactiviteit, akkerbouw worden voortgezet. Vanwege deelname aan de LBV regeling dienen de pluimveestallen gesaneerd te worden. In onderstaand figuur is weergegeven welke bebouwing gesaneerd (X) zal worden. De overige bebouwing blijft behouden voor de gewenste vervolgfunctie en komt niet voor vergoeding vanuit de LBV regeling in aanmerking.
8
Na beëindiging van de agrarische activiteiten op basis van de LBV-regeling, wenst de initiatiefnemer de locatie om te vormen tot een bedrijfsmatige functie ten behoeve van statische opslag. Daarnaast zal akkerbouw de ondergeschikte nevenactiviteit vormen van de bedrijfsvoering. De zonnepanelen die nu op de achterste stallen zijn geïnstalleerd, worden behouden en opnieuw geplaatst op de nieuwe bebouwing. De akkerbouwactiviteiten blijven behouden en zullen worden voortgezet in een bestaande schuur van 250 m2. De statische opslag wordt gerealiseerd in de bestaande resterende bedrijfsbebouwing en een verlening daarvan. Op termijn zal het oostelijk gelegen opslaggebouw mogelijk vervangen worden door nieuwbouw met een grotere vloeroppervlakte. Dit is wel de uiteindelijk gewenste situatie. De opslag bestaat uit het opslaan van campers, caravans, boten, antiek, etc.. Het betreft uitsluitend goederen die het statische karakter hebben en daardoor zeer beperkte verkeersbewegingen kennen. Op de locatie zullen niet meer op bedrijfsmatige wijze landbouwhuisdieren worden gehouden, slechts hobbymatig. Het aantal te houden dieren blijft altijd onder de meldingsgrens. Ook omdat dit vanuit deelname aan de LBV regeling niet is toegestaan. Hierbij kan gedacht worden aan een paar paarden en enkele stuks droge koeien/jongvee.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling wordt het huidige bouwvlak sterk verkleind met bijna 60% naar 7.815 m2. De gewenste situatie is in de volgende afbeelding in een situatietekening weergegeven. De volledige tekening op schaal is opgenomen als “Bijlage 1”.
9
Situatietekening (niet op schaal) gewenste situatie. 10
Bron: DLV advies.
2.2
Landschappelijke inpassing
Bij nieuwe ontwikkelingen is het belangrijk dat de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat of dat deze, waar mogelijk, juist wordt versterkt. Afhankelijk van de impact die een ontwikkeling heeft op het landschap en de omgeving wordt een tegenprestatie gevraagd om bij te dragen aan het behouden of het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij is het belangrijk om het initiatief op een goede manier landschappelijk in te passen. Ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing van het initiatief is door een landschappelijk deskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Daarin is een nadere afweging gemaakt van het omliggende landschap en hoe de voorgestelde landschappelijke inpassing kan bijdragen aan het behoud en/of de versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Daarnaast is in het landschappelijk inrichtingsplan opgenomen welke landschappelijke elementen worden aangebracht en welke beplanting daarvoor wordt gebruikt. In de volgende afbeelding is de tekening met daarop de voorgestelde landschappelijke inpassing weergegeven. Het volledige landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen als “Bijlage 2”.
Tekening landschappelijke inpassing van het initiatief. Bron: hv8 Met de voorgestelde landschappelijke inpassing wordt aangesloten bij de belangrijke kwaliteiten van het landschap waarin de locatie is gelegen. Daarbij is vanuit het landschap bekeken op welke manier de landschappelijke inpassing kan bijdragen aan de kwaliteit van het landschap, zonder dat dit al te veel ten 11
koste gaat van een efficiënte inrichting van het erf. Daarmee is ter plaatse sprake van een goede landschappelijke inpassing van het initiatief. Omdat het initiatief toch een wat grotere impact zal hebben op het landschap is naast een goede landschappelijke inpassing een aanvullende investering in de ruimtelijke kwaliteit nodig. De aanvullende investering zal leiden tot een verdere verbetering van de ruimtelijke kwaliteit om de impact van het initiatief op het landschap te compenseren. Om te bepalen welke aanvullende tegenprestatie nodig is heeft de gemeente Gilze en Rijen in samenwerking met de provincie Noord-Brabant aanvullend beleid opgesteld. Bij de omschakeling naar een functie dient 20% van de waardevermeerdering te worden geïnvesteerd in de kwaliteitsberekening. De volgende bedragen zijn aangehouden per m2: Agrarisch bouwvlak: € 25 Agrarisch buiten bouwvlak: € 7 Groen/Landschappelijke inpassing: € 3 Bedrijven bouwvlak statische opslag: € 60 Bedrijfswoning: € 125 Voor de bedrijfsfunctie is een lager bedrag aangehouden dan standaard geldt voor een bedrijfsaanduiding. Deze lagere waarde is gerechtvaardigd aangezien de mogelijkheden met de beoogde bedrijfsfunctie vele malen beperkter dan bijvoorbeeld een bedrijfsbestemming op een bedrijventerrein.
Huidige situatie Bedrijfswoning (inclusief bijgebouwen, 1.000 m2): € 125.000 Agrarisch bouwvlak (16.732 m2): € 418.300 Groen (4.665 m2): € 13.995 Totaal: € 557.295 Beoogde situatie Bedrijfswoning (inclusief bijgebouwen, 1.000 m2): € 125.000 Bedrijfsmatig bouwvlak (6.549 m2): € 392.940 Groen (5.461 m2): € 16.383 Totaal: € 534.323 Verschil: € 534.323 - € 557.295 = € -22.972 Op basis van bovenstaande berekening kan geconcludeerd worden dat er geen aanvullende bijdrage geleverd te worden ten behoeve van de kwaliteitsverbetering. 2.2.1 Bijdrage aan maatschappelijke doelen In de Omgevingswet zijn maatschappelijke doelen opgenomen. De Rijksoverheid wil dat wordt bijgedragen aan duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid van het land en bescherming en verbetering van het leefmilieu. Daarvoor wordt ingezet op het bereiken van een balans tussen het beschermen en het benutten van de fysieke leefomgeving. Daarover is in de Omgevingswet het volgende opgenomen: beschermen: het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. benutten: het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen. 12
Het is dus belangrijk dat met een nieuwe ontwikkeling rekening wordt gehouden met de fysieke leefomgeving en de omgevingskwaliteit. Er moet daarbij sprake zijn van een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Daarbij moet worden gelet op de onderlinge verhoudingen tussen onderdelen van de fysieke leefomgeving en de mogelijke gevolgen van activiteiten op de leefomgeving. Met dit initiatief wordt invulling gegeven aan de maatschappelijke doelen zoals geformuleerd in de Omgevingswet. De omschakeling van een intensieve veehouderij naar een bedrijfsfunctie draagt bij aan zowel de bescherming als het benutten van de fysieke leefomgeving. Bescherming van de fysieke leefomgeving De beëindiging van de intensieve veehouderij leidt tot een vermindering van emissies, zoals geur, ammoniak en fijnstof. Dit heeft een positief effect op de luchtkwaliteit en draagt bij aan een gezondere leefomgeving voor omwonenden. Daarnaast wordt de verkeersdruk verminderd, doordat transportbewegingen van en naar de locatie afnemen. Dit draagt bij aan de verkeersveiligheid en vermindert de geluidsoverlast. Ook op het gebied van natuur en landschap is er winst te behalen.
De agrarische bestemming wordt omgezet naar een bedrijfsfunctie met statische opslag en akkerbouw als nevenactiviteit. Hierdoor wordt de landschappelijke structuur versterkt, en blijft het karakter van het buitengebied behouden. Er worden bovendien landschappelijke inpassingsmaatregelen getroffen, waardoor de ruimtelijke kwaliteit en biodiversiteit toenemen. Benutten van de fysieke leefomgeving Door de herbestemming van de locatie wordt er efficiënt gebruikgemaakt van de fysieke leefomgeving. De bestaande gebouwen worden deels hergebruikt en de materialen van de te slopen stallen worden zoveel mogelijk opnieuw ingezet bij de bouw van het nieuwe bedrijfsgebouw. Daarnaast worden de zonnepanelen van de bestaande stal hergebruikt, waardoor het bedrijf grotendeels zelfvoorzienend kan functioneren op het gebied van duurzame energie. Dit sluit aan bij de maatschappelijke behoefte om energieneutraal te opereren en draagt bij aan de energietransitie. Verder wordt met de statische opslag een nieuwe economische functie toegevoegd die past binnen de ruimtelijke structuur van het buitengebied en geen extra overlast veroorzaakt. Dit draagt bij aan de economische vitaliteit van het buitengebied en biedt mogelijkheden voor een duurzame bedrijfsvoering zonder negatieve gevolgen voor de omgeving.
13
Hoofdstuk 3
Voorbereiding
In dit hoofdstuk is een beschrijving opgenomen van de voorbereiding op de wijziging van het omgevingsplan van rechtswege die nodig is om het initiatief mogelijk te maken. Daarbij wordt ingegaan op welke stappen in de procedure al zijn gezet ter voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan van rechtswege.
3.1
Vooroverleg met de gemeente
Zoals in de inleiding van deze toelichting is weergegeven, heeft de initiatiefnemer de wens kenbaar gemaakt om de intensieve veehouderij op de locatie te beëindigen en de locatie een andere invulling te geven. De gemeente heeft dit initiatief in een vroeg stadium beoordeeld middels een vooroverleg. In dat kader is door initiatiefnemer een verzoek ingediend om medewerking te verlenen aan het plan. In dit verzoek zijn de noodzaak en wenselijkheid van het initiatief, evenals de voorgenomen ontwikkeling, uitgebreid onderbouwd. In de oorspronkelijke aanvraag was tevens de realisatie van een extra woning opgenomen. Dit onderdeel maakt geen deel meer uit van het voorliggende initiatief.Op basis van de beoordeling heeft de gemeente onder meer het volgende geconcludeerd: “De omzetting van agrarisch – intensieve veehouderij naar functie Bedrijf – statische opslag vinden we een aanvaardbare ontwikkeling.” “Initiatiefnemer wil naast de bedrijfsfunctie ook op kleine schaal akkerbouwactiviteiten uitvoeren. Voor het toestaan van een nevenactiviteit geldt dat deze in ruimtelijk, functioneel en qua inkomen duidelijk ondergeschikt dient te zijn aan de voor de bestemming toegestane hoofdfunctie.
Verder stellen we als voorwaarde dat initiatiefnemer de schuur voor statische opslag zo positioneert dat een verbetering optreedt voor het landschap.” “De gemeente heeft enkele voorwaarden meegegeven voor het uitwerken van de aanvraag: Initiatiefnemer dient in de motivatie van de vervolgprocedure te onderbouwen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij moeten de diverse planologische en milieu-hygiënische aspecten onderzocht te worden; Er dient een omgevingsdialoog plaats te vinden conform ons gemeentelijk beleid; Initiatiefnemer dient een bedrijfsplan aan te leveren waaruit blijkt hoe de locatie ingericht wordt en hoe de bedrijfsvoering er concreet uit komt te zien; Initiatiefnemer dient een landschappelijk inpassingsplan aan te leveren waaruit blijkt waar de landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd en hoe kwaliteitsverbetering wordt gerealiseerd. Initiatiefnemer dient met de positionering van het gebouw voor statische opslag rek ening te houden met het inperken van het bouwvlak en het omliggende landschap. Met initiatiefnemer moeten afspraken gemaakt worden over de gemeentelijke plankosten en nadeelcompensatie in een anterieure overeenkomst voordat de procedure gestart wordt.
Na afronding van het vooroverleg heeft de gemeente aangegeven in beginsel medewerking te willen verlenen aan een wijziging van het omgevingsplan van rechtswege, onder de voorwaarde dat de effecten van het initiatief op de fysieke leefomgeving zorgvuldig en evenwichtig worden afgewogen. Voorliggende toelichting voorziet in deze motivering en afweging.
3.2
Omgevingsdialoog
Participatie, of met andere woorden het betrekken van anderen bij het initiatief, is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Bij een nieuwe ontwikkeling is het belangrijk dat belangen van anderen die met die ontwikkeling te maken kunnen hebben, zoals bijvoorbeeld de buren, mee worden genomen in de afweging van het initiatief. De participatie moet in een vroeg stadium worden uitgevoerd, zodat op tijd alle belangen en meningen op tafel komen te liggen. Daarmee kan worden voorkomen dat er laat in het traject nog zaken op tafel komen die ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de ontwikkeling. De omwonenden zijn geïnformeerd door de initiatiefnemer zelf. Initiatiefnemer is persoonlijk langs geweest. Men heeft de gelegenheid gehad om vragen te stellen en eventuele bezwaren te uiten. Zodoende is de vraag gesteld of de loods niet verder naar achter gesitueerd kon worden op het terrein. Dit is eerder 14
voorgelegd aan de gemeente maar kreeg geen medewerking. Hierdoor is het ontwerp verder niet aangepast. Verder zijn er geen opmerkingen of bezwaren geuit. Van de uitgevoerde participatie is een verslag gemaakt. Dit verslag is opgenomen als “Bijlage 3”. Vanwege privacy overwegingen zijn de persoonsgegevens in het verslag onherkenbaar gemaakt.
15
Hoofdstuk 4
Beleidsmatige afweging
Een ontwikkeling moet passen binnen het beleid dat door zowel de gemeente als door de Rijksoverheid, de provincie en het waterschap is vastgesteld. Daarbij dient een afweging te worden gemaakt of een initiatief passend is binnen de uitgangspunten en regels die in de verschillende beleidsstukken zijn opgenomen of, wanneer een initiatief daar niet helemaal binnen past, dat met behulp van maatwerk sprake kan zijn van een aanvaardbare of wenselijke ontwikkeling. In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan het beleid dat is vastgesteld door de Rijksoverheid, de provincie, het waterschap en de gemeente.
4.1
Rijksbeleid
4.1.1 Nationale omgevingsvisie Het initiatief zal geen nadelige invloed hebben op de nationale belangen zoals zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie van de Rijksoverheid. Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de visie voor de lange termijn van de Rijksoverheid op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de duurzame leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting door strategische keuzes te maken. Ook maakt de NOVI ruimte voor maatwerk in de regio en werkt gebiedsgericht, dat wil zeggen bij de aanpak van de opgaven worden de kenmerken van het gebied als uitgangspunt genomen. Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving.
Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainports, greenports en valleys; over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed; een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie duurzaam economisch groeipotentieel sterke en gezonde steden en regio's toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in 16
mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van de Rijksoverheid niet worden tegengewerkt wordt de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten gegeven en is er geen sprake van een ontwikkeling in strijd met de NOVI. Het initiatief is kleinschalig van aard en heeft geen gevolgen voor de nationale belangen die zijn opgenomen in de NOVI en werkt de ambities van de Rijksoverheid niet tegen. Het initiatief is daarom niet in strijd met de nationale belangen zoals zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie van de Rijksoverheid. 4.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving Het initiatief zal geen nadelige invloed hebben op de nationale belangen. Het initiatief betreft daarnaast geen nieuwe stedelijke ontwikkeling, waarmee geen nadere afweging van de behoefte hoeft te worden gemaak t. Verdere toetsing aan de normen uit het Bkl vindt plaats bij de toetsing aan het beleid van de provincie, het waterschap en de gemeente. Op 3 juli 2018 heeft de Rijksoverheid het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) vastgesteld. Met ingang van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is ook het Bkl in werking getreden.
Het Bkl is één van de vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) die verdere invulling geven aan de Omgevingswet. In het Bkl zijn inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en de Rijksoverheid opgenomen voor het behalen van de nationale doelstellingen en het voldoen aan de internationale verplichtingen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat onder meer instructieregels voor programma’s, omgevingsplannen en omgevingsverordeningen, regels voor omgevingsvergunningen en regels over monitoring en informatie. Deze instructieregels dienen door provincies, gemeenten en waterschappen te worden doorvertaald in hun eigen beleid en regelgeving. De feitelijke toetsing aan de normen uit het Bkl vindt in de praktijk plaats via de provinciale omgevingsverordening, het gemeentelijk omgevingsplan en, waar relevant, waterschapsbeleid. Een belangrijk onderdeel van het Bkl is de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g Bkl). De Ladder verplicht tot een zorgvuldige afweging van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De Ladder is van toepassing op stedelijke ontwikkelingen die betrekking hebben op onder meer: bedrijventerreinen, woningbouwlocaties, kantoren, detailhandel, of andere stedelijke voorzieningen die voldoende substantieel zijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft daarbij in haar jurisprudentie bepaald dat: bij nieuwe of uitgebreide bedrijfsbebouwing een bruto-vloeroppervlakte van 500 m² in beginsel de ondergrens vormt; bij de ontwikkeling van een terrein een ruimtebeslag van minimaal 500 m² in beginsel als ondergrens geldt. In dit initiatief wordt de locatie van een agrarische functie (niet-stedelijk) naar een bedrijfsfunctie (wel stedelijk) gewijzigd. De beoogde statische opslag omvat maximaal circa 2.000 m² aan bedrijfsbebouwing, waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de omvang die volgens jurisprudentie in beginsel als substantieel wordt aangemerkt. Daarnaast is sprake van een nieuwe functie die voorheen niet planologisch was toegestaan. Daarmee betreft het een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 5.129g Bkl. Toetsing op hoofdlijnen – behoefte Omdat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient op hoofdlijnen te worden onderbouwd dat er 17
een behoefte bestaat aan de ontwikkeling. Voor statische opslaglocaties geldt dat de vraag in de regio structureel hoog is, onder meer vanwege: het beëindigen van agrarische bedrijven, toenemende behoefte aan stallingsruimte voor caravans, campers en overige opslag, de beperkte beschikbare locaties binnen bestaand stedelijk gebied die geschikt en ruim genoeg zijn voor dit type gebruik. De initiatiefnemer zet bestaande agrarische bebouwing (die vrijkomt door beëindiging van de veehouderij) in voor statische opslag. Daarmee wordt voorzien in een reële, aantoonbare regionale behoefte die bovendien past binnen de bestaande ruimtelijke structuur van het erf. Er wordt geen extra bebouwing toegevoegd. Dit maakt de ontwikkeling doelmatig en ruimtelijk logisch.
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1 Provinciale omgevingsvisie Het initiatief past goed binnen de doelstellingen en uitgangspunten die de provincie heeft opgenomen in de provinciale omgevingsvisie. De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de doelstellingen van de provincie voor zover sprake is van een provinciaal belang. De doelstellingen in de omgevingsvisie zijn niet juridisch bindend, maar bieden wel het kader voor de instructieregels die de provincie vastlegt in de provinciale omgevingsverordening, die gemeenten vervolgens moeten verwerken in hun omgevingsplannen. De omgevingsvisie gaat over twee vragen: Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien? Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken? De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zijn in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn. De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen.
In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert. Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom. Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier. Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie. Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendig bouwen centraal.
Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen. Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgave geformuleerd: 18
Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedsspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met kansen vanuit andere hoofdopgaven. In de omgevingsvisie zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Wel is van belang dat op duurzame wijze wordt ontwikkelend en dat rekening wordt gehouden met klimaatsverandering bij ruimtelijke ontwikkelingen. Met name voor bedrijventerreinen liggen grote kansen voor klimaatadaptatie en energietransitie. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Met het beëindigen van de intensieve veehouderij komen de emissies vanuit het bedrijf vrijwel geheel te vervallen. Daarmee zal de milieuhinder aan de omgeving aanzienlijk afnemen, waarmee de kwaliteit van de leefomgeving in de omgeving (aanzienlijk) zal verbeteren. Een kleinschalig bedrijf voor statische opslag en akkerbouw heeft immers een aanzienlijke lagere milieubelasting dan een volwaardige intensieve veehouderij. Dit draagt bij aan een verbeterde omgevingskwaliteit.
Daarnaast zal de emissie van broeikasgassen afnemen met de voorgenomen ontwikkeling. Er zal bij de voorgenomen ontwikkeling namelijk niet langer sprake zijn van het houden van dieren, waarmee de emissie van broeikasgassen (koolstofdioxide en methaan) vanuit de gehouden dieren in zijn geheel zal komen te vervallen. Daarnaast is het bij een volwaardige intensieve veehouderij van belang dat de stallen op de juiste temperatuur worden gehouden, waarmee in de koudere maanden verwarming van de stallen nodig is. Voor statische opslag en akkerbouw is de temperatuur niet van belang, waarmee verwarming van de bedrijfsgebouwen niet langer, of in ieder geval in aanzienlijk mindere mate, noodzakelijk is. Daarnaast is het niet langer nodig om de bedrijfsgebouwen mechanisch te ventileren, waarmee het energieverbruik zal afnemen. Met de verminderde uitstoot van broeikasgassen en de afname van de energiebehoefte die worden behaald door de omschakeling zal de voorgenomen ontwikkeling bijdrage aan de energie- en klimaatdoelstellingen van de overheid. Ten slotte is, zoals nader omschreven in de paragraaf “Landschappelijke inpassing” (paragraaf 2.2) ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan gemaakt (zie bijlage 2), waarin een goede landschappelijke inpassing van de locatie is opgenomen.
Dit draagt bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en omgevingskwaliteit van de omgeving. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant. 4.2.2 Provinciale omgevingsverordening Het initiatief is niet in strijd met de regels die de provincie heeft opgenomen in de provinciale omgevingsverordening. De provincie Noord-Brabant heeft op 5 december 2023 de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld met toepassing van een tijdelijke algemene maatregel (TAM). Daarmee hebben zij de omgevingsverordening, zoals eerder vastgesteld op 11 maart 2022, in overeenstemming gebracht met de Omgevingswet. Voor publicatie in het digitaal stelsel Omgevingswet (DSO) heeft de provincie per 1 januari 2024, met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Noord-Brabant gepubliceerd. Daarin wordt voor de actuele regels en geometrie verwezen naar de TAM-Omgevingsverordening. De meest actuele versie is van 20 spetember 2025. Voor toetsing aan de regels van het provinciale beleid is daarom de TAM-versie van de Omgevingsverordening leidend. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd en omgeschakeld naar een bedrijf voor statische opslag. Daarbij zal als nevenactiviteit sprake zijn van akkerbouw.
Vanuit de verordening is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als Gebieden 'norm wateroverlast buiten stedelijk gebied' 19
Voor gebieden met de aanduiding 'norm wateroverlast buiten stedelijk gebied' gelden aanvullende regels voor regionale wateren. Daarvan is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake, waarmee de aanvullende regels voor deze gebieden niet van toepassing zijn. Gebieden 'diep grondwaterlichaam' Voor gebieden met de aanduiding 'diep grondwaterlichaam' geldt een verbod op het uitvoeren van onconventionele winning van koolwaterstoffen. Ook daarvan is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake, waarmee de aanvullende regels voor deze gebieden eveneens niet van toepassing zijn. Gebied 'stalderingsgebied' Binnen de gebieden met de aanduiding 'stalderingsgebied' gelden aanvullende regels voor een veehouderij waarop hokdieren worden gehouden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een veehouderij waarop hokdieren worden gehouden. De aanvullende regels met betrekking tot deze gebieden zijn daarmee niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Gebied 'geen attentiezone waterhuishouding' Voor deze gebieden zijn in de verordening geen aanvullende regels opgenomen. Gebied 'beperking grootschalige logistiek' Voor gebieden met de aanduiding 'beperking grootschalige logistiek' gelden aanvullende regels voor grootschalige logistiek.
Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van grootschalige logistiek, waarmee de aanvullende regels voor deze gebieden niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Binnen het landelijk gebied gelden specifieke regels voor bepaalde ontwikkelingen. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd en omgeschakeld naar een bedrijfsfunctie voor statische opslag met als nevenactiviteit akkerbouw. Vanuit de verordening wordt dit gezien als vestiging van een niet-agrarische functie. Voor de vestiging van een niet-agrarische functie in het landelijk gebied zijn in de verordening in artikel 5.78 specifieke regels opgenomen. Deze luiden als volgt: “Artikel 5.78 Niet-agrarische activiteit Lid 1 Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied kan bepalen dat de ontwikkeling van een niet-agrarische activiteit binnen een bestaand bouwperceel mogelijk is als: a. b. c. 1. 2. 3.
dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 5.12; aanwezig, overtollig bebouwing wordt gesloopt; en dit geen betrekking heeft op: Een kantoor met baliefunctie; Het toelaten van een nieuwe lawaaisport; en Een toename van de bestaande gebruiksoppervlakte voor mestbehandeling, mestvergisting en mestbewerking.
Lid 2 Het omgevingsplan regelt: a. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; b. een bij de omgeving passende maximale omvang; c. dat de niet-agrarische activiteit, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied als bedoeld in Artikel 5.12; d. dat een ontwikkeling naar een functie met grote publieksaantrekkende werking is uitgesloten; e. dat opslag en stalling van voorwerpen of materialen plaatsvindt in gebouwen, behalve als de activiteit de opslag van zand, grond en grind betreft; en f. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de toegelaten omvang, bedoeld onder a. Lid 3 20
Als uitgangspunt voor een bij de omgeving passende omvang als bedoeld in het tweede lid geldt voor: a. een bedrijfsmatige activiteit, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. Lid 4 Een omgevingsplan kan voorzien in een redelijke uitbreiding van een bestaande niet-agrarische activiteit, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in Artikel 5.75 Mestbewerk ing, als dat vanuit een goede omgevingsk waliteit met een veilige, gezonde leefomgeving qua omvang, effect op omliggende functies en ontsluiting past in de omgeving." Ad. 5.78, lid 1, sub a: Vanuit artikel 5.12 zijn voor het bepalen of een ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van een gebied de volgende zaken van belang: a. welke activiteiten en functies vanuit een gebiedsgerichte benadering passen in de omgeving; b. welke effecten de ontwikkeling van die activiteiten en functies heeft op andere aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving, de te beschermen waarden, bedoeld in artikel 5.2, mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; c.
op welk e wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden, mede gericht op de toepassing van artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap; en d. op welk e wijze de sloop van leegstaande of overtollige bebouwing wordt gerealiseerd. Bij vele gemeenten in Brabant kampt men met geuroverlast door intensieve veehouderijen. Vele gemeenten wensen daarom geuremissies van bedrijven in het landelijk gebied te verminderen. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve pluimveehouderij beëindigd, waarmee de geurbelasting, alsmede de milieubelasting vanuit de andere milieuaspecten, op de omgeving aanzienlijk zal afnemen. Dit past binnen de doelstellingen die de gemeente heeft voor dit gebied. Er is daarmee sprake van een ontwikkeling die past binnen de omgeving. Zoals nader is aangetoond in het hoofdstuk “Mogelijke effecten op de fysieke leefomgeving” (hoofdstuk 5) zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen hebben op de in de omgeving aanwezige functies en/of waarden. Tevens zal met de voorgenomen beëindiging van de intensieve veehouderij sprake zijn van een aanzienlijke afname van de geurbelasting en van de emissie van fijnstof, stikstofoxiden, ammoniak en broeikasgassen. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling een positief effect hebben op de leefbaarheid in de omgeving.
De voorgenomen bedrijvigheid betreft statische opslag en akkerbouw en is van kleinschalige aard. Er is geen sprake van personeel buiten de initiatiefnemer zelf. De omvang van de opslagruimte blijft beperkt en de activiteiten vallen binnen de laagste milieucategorieën, wat betekent dat ze slechts minimale milieubelasting veroorzaken.Gezien de aard, schaal en het geringe verkeer en geluid dat met de activiteiten gepaard gaat, is geen sprake van bedrijvigheid die thuishoort op een bedrijventerrein. De locatie is gelegen in een gemengd gebied met agrarische en woonfuncties en de ontwikkeling past goed binnen dit ruimtelijke karakter. Het doelmatig gebruik van bestaande erven buiten reguliere bedrijventerreinen draagt bovendien bij aan zorgvuldig ruimtegebruik in het buitengebied. Vanuit de maatschappij wordt volksgezondheid steeds meer gezien als belangrijke factor voor het woonen leefgenot van de mens. Met de maatschappelijke discussie die momenteel speelt rondom volksgezondheid in relatie tot veehouderijen en door de campagnes van dierenrechtenorganisaties wordt het beeld op intensieve veehouderijen steeds negatiever. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een intensieve veehouderij beëindigd. Daarmee wordt een deel van de angst bij omwonenden op risico's voor de volksgezondheid vanuit de veehouderij weggenomen.
Er zal immers niet langer meer sprake zijn van een veehouderij met de mogelijk daarbij behorende gezondheidsrisico's. 21
Zoals nader aangetoond in de paragraaf “Activiteiten en milieuzonering” (paragraaf 5.2) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden en/of bedrijfsvoering van omliggende agrarische bedrijven. Tevens zullen ook geen andere functies in de ontwikkelingsmogelijkheden worden geschaad. Er is daarmee geen sprake van een belemmering van de agrarische ontwikkeling van het gebied. Een intensieve veehouderij heeft een grote energiebehoefte. Daarnaast heeft een intensieve veehouderij een grote geurbelasting en grote uitstoot van fijnstof, broeikasgassen en ammoniak. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de intensieve veehouderij ter plaatse worden beëindigd. Daarbij zal deze worden omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf voor statische opslag en akkerbouw. De geurbelasting van het bedrijf komt daarmee in zijn geheel te vervallen. Ook zal de emissie van fijnstof, ammoniak en stikstofoxiden afnemen. De geluidhinder zal met de gewenste ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen, maar eerder afnemen, omdat niet langer sprake zal zijn van statische geluidsbronnen als de ventilatoren op de stallen. De toename van het aantal verkeersbewegingen is beperkt, waarmee de geluidbelasting vanuit het verkeer van en naar de locatie niet onevenredig zal toenemen.
Een dergelijk niet-agrarisch bedrijf heeft daarnaast, een aanzienlijk lagere energiebehoefte dan een volwaardig intensief veehouderijbedrijf. Het energieverbruik op de locatie zal daarmee aanzienlijk lager worden dan in de huidige situatie. Dit komt ten goede aan het klimaat en aan het milieu. Daarnaast zal met de voorgenomen ontwikkeling de uitstoot van broeikasgassen (aanzienlijk) afnemen. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan een verbetering van het klimaat. Door een verminderde uitstoot van broeikasgassen zal minder sprake zijn van een bijdrage aan de klimaatsverandering en de opwarming van de aarde. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf “Mobiliteit” (paragraaf 5.13), geen sprake van aanpassingen aan of van een aantasting van de infrastructuur ter plaatse. Tevens zal parkeren geheel op eigen terrein plaatsvinden. Het aantal verkeersbewegingen zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen. Daarmee zal er geen sprake zijn van nadelige gevolgen op de mobiliteit in het gebied. De gewenste ontwikkeling betreft geen bedrijfsvoering die zal concurreren met functies op het bedrijventerrein. Een bedrijf voor statische opslag is doorgaans niet op een bedrijventerrein gevestigd, maar op voormalige agrarische bedrijven in het buitengebied.
Dit komt voornamelijk door de grote hoeveelheid aan beschikbare voormalige agrarische bedrijfsgebouwen in het buitengebied. Daarnaast is de agrarische grond aanzienlijk goedkoper dan grond op een bedrijventerrein, waardoor het voor veel ondernemers op een bedrijventerrein niet interessant genoeg is om grote gebouwen neer te zetten op bedrijfsgronden voor statische opslag. De voorgenomen ontwikkeling komt met de statische opslag, zoals in het voorgaande omschreven, tegemoet aan een maatschappelijke vraag naar opslagruimte. Daarnaast wordt met de voorgenomen ontwikkeling een nieuwe invulling gegeven aan voormalig agrarische bedrijf. Wanneer aan voormalige agrarische bedrijven geen nieuwe invulling wordt gegeven dan blijven de voormalige bedrijfsgebouwen vaak leeg staan. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt leegstand en verpaupering van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen voorkomen. Ook daarmee wordt invulling gegeven aan een maatschappelijk vraagstuk waar veel gemeenten en provincies in Nederland mee kampen. De locatie aan de Hoogstraat 8 valt binnen de "maatschappelijke as" van de Gebiedsvisie Rimpelaar, een zone tussen Breda en Tilburg die ruimte biedt voor recreatie, natuurbeleving en ontspanning. De visie staat kleinschalige bedrijven toe die passen bij het buitengebied, met een focus op maatschappelijke functies zoals zorg, ontmoeten en boerenbuitenleven.
De voorgenomen ontwikkeling sluit hier goed op aan. Het aanbieden van stallingsruimte voor recreatieve voertuigen versterkt de recreatieve functie van het gebied, wat bijdraagt aan de voorzieningen voor bezoekers. Het bedrijf biedt een maatschappelijke functie en draagt bij aan de natuurbeleving in de regio. Daarnaast ligt de locatie in het agrarisch verbredingsgebied, waar ruimte is voor grondgebonden landbouw en verbredingsactiviteiten. Het behoud van akkerbouw als nevenactiviteit ondersteunt het agrarische karakter, terwijl de statische opslag functie multifunctioneel landgebruik mogelijk maakt dat inspeelt op maatschappelijke behoeften zoals recreatie en duurzaamheid. 22
De ontwikkeling voldoet aan de criteria uit de visie: Aantal werknemers: Beperkt, geen intensieve arbeidsintensieve functie. Milieubelasting: Verlaagd door beëindiging van de pluimveehouderij. Verkeersbewegingen: Beperkt en seizoensgebonden. Intensiteit ruimtegebruik: Lager dan de vorige bedrijfsvoering. Relatie met buitengebied: De opslagfunctie heeft een duidelijke link met de agrarische sector door het behoud van akkerbouw en draagt bij aan de recreatieve functies van het gebied. De ontwikkeling aan de Hoogstraat 8 past goed binnen de uitgangspunten van de Gebiedsvisie Rimpelaar en draagt bij aan de versterking van de recreatieve en agrarische functies in het buitengebied, in lijn met de gemeentelijke doelen voor multifunctioneel ruimtegebruik. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal, zoals nader is omschreven en verder is uitgewerkt in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2), sprake zijn van een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en onderbouwd. Daarmee draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied en de omgeving.
Vanuit artikel 3.9 van de omgevingsverordening wordt landschappelijke inpassing aangemerkt als maatregel voor meerwaardecreatie in het landelijk gebied ten behoeve van de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Verder wordt er aan het agrarische bedrijf een nieuwe invulling gegeven. Wanneer dat niet het geval is dan komt de voormalige agrarische bebouwing vaak leeg te staan en verpaupert deze vaak. Met de voorgenomen ontwikkeling, waarbij wel een nieuwe invulling aan een (voormalig) agrarisch bedrijf wordt gegeven, wordt leegstand en verpaupering van bebouwing in het buitengebied voorkomen. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan de beeldkwaliteit en omgevingskwaliteit van het landelijk gebied. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling worden/zijn de voormalige pluimveestallen in zijn geheel gesloopt. De overige te behouden bebouwing en de nieuwe bebouwing zal geheel worden benut voor de gewenste bedrijfsvoering. Er is daarmee geen sprake van overtollige bebouwing in de gewenste situatie. De overtollige bebouwing wordt/is immers geheel gesloopt. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied zoals is bedoeld in artikel 5.12 van de verordening. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad.
5.78, lid 1, sub b: Bij de voorgenomen ontwikkeling is reeds een grote oppervlakte aan (voormalige) pluimveestallen gesloopt. In ruil daarvoor worden nieuwe bedrijfsgebouwen opgericht, maar deze zijn in oppervlakte vele malen kleiner dan de voormalige stallen. Er is daarmee sprake van sloop van overtollige bebouwing. Deze sloop wordt geborgd door de voorwaarden vanuit de LBV regeling. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 5.78, lid 1, sub c: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van de vestiging van of de omschakeling naar een kantoorfunctie, met een baliefunctie, van activiteiten ten behoeve van een lawaaisport en/of van de bewerking van mest. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 5.78, lid 2, sub a: De gewenste activiteiten, zijnde statische opslag en akkerbouw, worden in de regels behorende bij dit plan nader afgekaderd. Het voorliggende plan maakt daarmee niet meer mogelijk dan de activiteiten die worden aangevraagd. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
23
Ad. 5.78, lid 2, sub b en c: Zoals reeds omschreven bij de toetsing aan lid 1, onder a past de voorgenomen ontwikkeling binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarin de locatie is gelegen. De locatie is daarnaast gelegen in een gebied dat geleidelijk aan het transformeren is naar een meer gemengd gebied in plaats van een overwegend agrarisch gebied. Er zijn immers verschillende agrarische bedrijven in de omgeving reeds beëindigd en omgeschakeld naar een nieuwe, niet-agrarische functie. De verwachting is dat meer agrarische bedrijven op termijn zullen gaan stoppen, waardoor het gebied verder zal transformeren naar een meer gemengd gebied waarin verschillende functies naast de agrarische functies voorkomen. De voorgenomen ontwikkeling sluit goed aan op deze trend. Daarmee past de voorgenomen ontwikkeling ook op langere termijn binnen het gebied waarin de locatie is gelegen. Ad. 5.78, lid 2, sub d: Zoals nader omschreven in de paragraaf "Mobiliteit" (paragraaf 5.13) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen en/of bezoekers. Er is daarmee geen sprake van een onevenredige verkeersaantrekkende en/of publieksaantrekkende werking. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 5.78, lid 2, sub e: De voorgenomen activiteiten, zijnde statische opslag en akkerbouw, zullen geheel in bebouwing plaatsvinden.
Er zal geen sprake zijn van buitenopslag. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 5.78, lid 2, sub f: Bij de gewenste ontwikkeling wordt voorzien in een omvang die ook op termijn voldoende ruimte biedt voor een duurzaam en volwaardig bedrijf. Indien de aangevraagde omvang op de lange termijn niet langer toereikend blijkt te zijn en de maximaal toegestane omvang niet voldoende blijkt dan zal in plaats van een verdere uitbreiding worden gekeken naar een alternatieve locatie. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 5.78, lid 3, sub a: Er is sprake van kleinschalige bedrijvigheid wanneer de bedrijvigheid een relatief kleine weergave betreft van de bedrijvigheid van het gebied en wanneer het oppervlaktebeslag een relatief kleine weergave betreft van het totale gebied. De oppervlakte van het bouwvlak bedraagt 7.549 m2. De locatie is gelegen in een gebied met landbouw- en bedrijfskavels met een relatief grote oppervlakte. Vrijwel elk van deze bedrijven heeft een vergelijkbare of grote omvang dan het bedrijf van de initiatiefnemer. Ook de omvang van de gebouwen is bij de omliggende bedrijven vaak vergelijkbaar of groter dan de gewenste bedrijfsgebouwen van de initiatiefnemer. De huidige bebouwing is passend in de omgeving. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal geen sprake zijn van een uitbreiding van de bebouwing, maar van een afname.
De maximaal toegestane oppervlakte wordt door de gemeente aanvaardbaar en passend geacht in het gebied. Door de afname van het bebouwde oppervlak ter plaatse zal de impact op de ruimtelijke kwaliteit en beeldkwaliteit in de omgeving eveneens afnemen. Op de locatie bevindt zich daarnaast reeds een bedrijf met de daarbij behorende bedrijfsbebouwing. Het bedrijf heeft daarmee al geruime tijd de positie in het landschap die het nu heeft. De oppervlakte aan bedrijfsbebouwing zal met de voorgenomen ontwikkeling niet toenemen, maar juist afnemen. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredig toenemende impact op het landschap. Met de afname van het bebouwd oppervlak en het maximale ruimtebeslag op de locatie wordt bijgedragen aan ontstening van het halfopen landschap waarin de locatie is gelegen. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan het behoud van het landschap en aan de ruimtelijke kwaliteit. Zoals beschreven in het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige 24
verkeersaantrekkende en/of publieksaantrekkende werking. Het aantal bezoekers van het bedrijf is dusdanig klein dat sprake is van een kleinschalige bedrijvigheid. Verder is, zoals nader omschreven in de paragraaf “Besluit kwaliteit leefomgeving” (paragraaf 4.1.2), met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waarmee vestiging in stedelijk gebied niet voor de hand ligt. De initiatiefnemer heeft de grond waarop de gewenste ontwikkeling zal plaatsvinden reeds in eigendom. Als de initiatiefnemer zou moeten verplaatsen naar een bedrijventerrein dan zouden hiervoor nieuwe gronden op een bedrijventerrein moeten worden aangekocht. De gronden op een bedrijventerrein zijn vaak erg duur. Dit zou betekenen dat de initiatiefnemer een aanzienlijke investering zou moeten doen om te kunnen verplaatsen naar een bedrijventerrein. Deze investering is, gezien de prijs van de gronden op een bedrijventerrein, voor de initiatiefnemer niet haalbaar om daarna te leiden tot een rendabele bedrijfsvoering. Zelfs als de huidige locatie verkocht zou worden dan zouden de opbrengsten van de verkoop van de locatie niet voldoende zijn om de aankoop van een locatie op een bedrijventerrein rendabel te maken. Daarmee is de vestiging van het bedrijf op een bedrijventerrein financieel niet haalbaar voor de initiatiefnemer.
Het is daarmee niet doelmatig om het gewenste bedrijf van de initiatiefnemer op een bedrijventerrein te vestigen. Het bouwvlak en de overige gronden worden vastgelegd in concrete functies op de bij dit omgevingsplan behorende verbeelding. De maximale oppervlakte die gebruikt kan worden voor de gewenste bedrijvigheid wordt daarmee vastgelegd en geregeld in een omgevingsplan. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 5.78, lid 3, sub b: Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een voorziening voor detailhandel. Aan deze voorwaarde wordt daarmee voldaan. Ad. 5.78, lid 3, sub c: Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ad. 5.78, lid 4: Het vierde lid voorziet in mogelijkheden voor een redelijke uitbreiding van een bestaande niet-agrarische activiteit in het landelijk gebied. Daarvan is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake. Het vierde lid is derhalve niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Aan de voorwaarden voor vestigen van een niet-agrarische ontwikkeling in het landelijk gebied gelden algemene regels voor het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit.
Hiervoor zijn de volgende regels opgenomen: “Artikel 5.7 Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1 Een omgevingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Lid 2 Voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit wordt toepassing gegeven aan: a. zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in Artikel 5.8; b. de lagenbenadering, bedoeld in artikel 5.9; en c. meerwaardecreatie als bedoeld in artikel 5.10." 25