Bijlage 3 TAM-Omgevingsplan hoofdstuk 22c Hoogstraat 8 Toelichting (1139902)
Tekst van het document
5.8.2 Houtopstanden Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. De aanvullende regels vanuit voor het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen zijn daarmee niet van toepassing. In de Omgevingswet staan regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Degene die een dergelijke activiteit uitvoert moet aan die regels voldoen. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Herbeplanten zorgt voor nieuwe houtopstand. De regels voor het vellen van houtopstanden en herbeplanten gelden in beginsel voor alle houtopstanden. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan echter gevallen waarvoor deze regels niet van toepassing zijn, de zogenaamde uitzonderingsgevallen. Gemeenten moeten een bebouwingscontour houtkap vaststellen en opnemen in het omgevingsplan. Houtopstanden binnen deze contour gelden altijd als uitzondering vanuit het Bal. Verder zijn de volgende gevallen uitgezonderd van de regels: Houtopstanden op erven of in tuinen. Bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten zijn geteeld. Houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen. Naaldbomen die duidelijk bedoeld zijn als kerstbomen én niet ouder zijn dan 20 jaar. Kweekgoed.
Populieren of wilgen van: 1. wegbeplantingen; 2. beplantingen langs waterwegen; 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. Het dunnen van een houtopstand om de groei van de overblijvende houtopstand te bevorderen, bijvoorbeeld als onderdeel van het reguliere onderhoud van de houtopstand. Beplantingen die bestaan uit populieren, wilgen, essen of elzen en duidelijk bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa onder de volgende voorwaarden: 1. het oogsten vindt minstens 1 keer per 10 jaar plaats; 2. de beplantingen bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid; 3. een beplantingseenheid moet bestaan uit aaneengesloten beplanting zonder doorsnijding door meer dan 2 m brede onbeplante stroken; 4. de beplantingen zijn aangelegd na 1 januari 2013. Houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel. houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden en/of worden uitsluitend houtopstanden geveld die vanuit het Bal zijn aangemerkt als uitzondering op de regels voor het vellen van houtopstanden.
De aanvullende regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen zijn daarmee niet van toepassing op het initiatief. 5.8.3 Soortenbescherming Voor het initiatief is een onderzoek uitgevoerd naar mogelijk voorkomende soorten flora en fauna en de mogelijk e effecten van het initiatief op deze soorten en/of de leefgebieden daarvan. Uit het onderzoek blijkt dat het initiatief niet zal leiden tot een verstoring en/of aantasting van (leefgebieden van) soorten flora en fauna. In de Omgevingswet zijn regels opgenomen voor de bescherming van soorten flora en fauna. Vanuit deze regels moet de uitvoerder van een zogenaamde flora- en fauna activiteit controleren of en welke soorten dieren en planten aanwezig zijn bij het uitvoeren van de activiteit. Het is daarbij van belang of sprake is van een zogenaamde flora- en fauna activiteit. Een flora- en fauna activiteit is een activiteit die mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten heeft. Concreet betekent dit dat voor iedere 45
activiteit in de fysieke leefomgeving moet worden gecontroleerd of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dit dan zijn. Deze controle moet plaatsvinden voordat de activiteit wordt uitgevoerd. Nadat deze controle heeft plaatsgevonden moet worden bepaald of nadelige effecten op deze mogelijk aanwezige soorten kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten dan moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn en moeten maatregelen genomen worden om nadelige gevolgen voor planten en dieren te voorkomen. Als deze maatregelen ook niet mogelijk blijken of geen effect blijken te hebben dan moet de activiteit stoppen of moeten passende herstelmaatregelen worden getroffen. Voor het initiatief is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, waarin is onderzocht of er ter plaatse mogelijk soorten aanwezig zijn, welke soorten mogelijk aanwezig zijn en wat de eventuele effecten van het initiatief op de (leefgebieden van de) betreffende soorten zijn. Uit deze quickscan blijkt het volgende: “Op basis van uitgevoerd onderzoek zijn geen effecten met werkzaamheden te verwachten die van negatieve invloed zijn op de mogelijk aanwezige beschermde soorten en hun functioneel leefgebied.
Gezien de bio-security binnen het pluimveebedrijf bestaan de te slopen stallen uit gesloten constructies waardoor er geen potentiële openingen aanwezig zijn waar beschermde diersoorten mogelijk nest-, schuilof verblijfplaatsen zouden kunnen vinden. Het plangebied is grotendeels verhard en bebouwd en het ontbreekt aan geschikt biotoop voor beschermde flora.” Het volledige onderzoeksrapport van de uitgevoerde quickscan is opgenomen als “Bijlage 7”. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke verstoring en/of aantasting van (leefgebieden van) mogelijk voorkomende soorten flora en fauna. 5.8.4 Natuurnetwerk Nederland De locatie is niet in het Natuurnetwerk Nederland of binnen 250 meter daarvan gelegen. Er zal daarmee geen sprak e zijn van een mogelijke aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de betreffende gebieden. De natuur maakt vanuit de Omgevingswet deel uit van de fysieke leefomgeving. Voor de bescherming van de natuur en natuurlijke waarden geldt, naast een specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden, houtopstanden en soorten flora en fauna, een algemene zorgplicht. Vanuit deze algemene zorgplicht geldt ook voor de gebieden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) een aanvullende bescherming. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren.
Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor het NNN geldt dat het natuurbelang in deze gebieden prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. Als een ontwikkeling binnen het NNN plaatsvindt dan moet worden aangetoond dat de activiteiten niet leiden tot beperkingen voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken in het gebied. In beginsel wordt in deze gebieden geen nieuwe bebouwing toegelaten. Eventueel kan in overleg met de provincie maatwerk worden toegepast. In dat geval dient het verlies aan ecologische waarden en kenmerken in het gebied te worden gecompenseerd. Als een ontwikkeling niet binnen het NNN plaatsvindt, dan moet worden gekeken of de activiteiten kunnen leiden tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken in het gebied.
Dit wordt ook wel de externe werking genoemd. Als sprake is van mogelijke aantastingen dan moeten de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en moeten overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Dit geldt niet voor eventuele effecten door de verspreiding van stoffen in de lucht of in het water. Nadelige effecten treden vooral op als binnen een afstand van 250 meter van het NNN activiteiten worden 46
uitgevoerd met een uitstraling van licht, een uitstraling van geluid en/of een emissie van fijnstof. Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnde gebied dat is opgenomen in het NNN is op een afstand van ongeveer 700 van de locatie gelegen.
Bron: Quick Scan f&f (BrabantEco) Omdat de locatie niet in het NNN en/of binnen 250 meter daarvan is gelegen zal geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van de ecologische kenmerken en waarden van de betreffende gebieden.
5.9
Volksgezondheid
Vanuit de Omgevingswet moet sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Daarom is het belangrijk dat de mogelijke gevolgen voor de gezondheid van activiteiten in beeld worden gebracht en waar mogelijke zoveel mogelijk moeten worden beperkt. Daarbij moet gevaar voor besmetting zoveel mogelijk worden voorkomen. Vooral veehouderijen kunnen mogelijk gevolgen hebben voor de gezondheid van omwonenden. Dit speelt vooral bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. De gevolgen op de gezondheid kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via direct contact met de dieren, via de lucht, via de mest of via dierlijke voedingsmiddelen. Als sprake is van een veehouderij dan is het belangrijk dat de mogelijke gevolgen van die veehouderij op de volksgezondheid in beeld worden gebracht. De Omgevingswet bevat geen specifieke normen voor volksgezondheid. Wel is het belangrijk dat sprake is van een gezonde leefomgeving. Er is echter nog geen duidelijk resultaat uit de verschillende onderzoeken die zijn uitgevoerd naar de mogelijke gevolgen van veehouderijen op de gezondheid van mensen. Het is daarom nog niet duidelijk op welke manier veehouderijen eventueel kunnen leiden tot mogelijke gevolgen voor de gezondheid.
Tot dat er op basis van een duidelijk onderzoek een specifieke norm wordt vastgelegd moeten gemeenten zelf normen voor volksgezondheid opnemen in het geldende omgevingsplan. De gemeente Gilze en Rijen heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan vastgesteld. Totdat de gemeente een omgevingsplan vaststelt met daarin de normen voor volksgezondheid opgenomen zijn de huidige richtlijnen die worden gevolgd door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) het uitgangspunt voor het in beeld brengen van de mogelijke gevolgen van veehouderijen op de gezondheid van mensen. De GGD volgt de uitgangspunten uit de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid”, het “Endotoxine toetsingskader” en het “onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden”. Deze uitgangspunten zijn verwerkt in het stappenplan uit de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid”.
47
5.9.1 Mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid aan de omgeving Het initiatief zal geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de volksgezondheid in de omgeving. Er is geen verder advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst nodig. Het initiatief is voldoende afgewogen en wordt als aanvaardbaar beschouwd. De gemeente Gilze en Rijen heeft in het geldende omgevingsplan geen specifieke normen opgenomen voor volksgezondheid, waarmee gebruik wordt gemaakt van de zogenaamde “Handreiking veehouderijen en volksgezondheid” voor het in beeld brengen van de mogelijke effecten van veehouderijen op de volksgezondheid. Dit is vooral van belang als sprake is van het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een veehouderij of wanneer bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit plaatsvindt. Met het initiatief is geen sprake van het oprichten, wijzigen en/of uitbreiden van een veehouderij. Daarnaast is geen sprake van het houden van geiten of een combinatie van meerdere diersoorten en vindt geen bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit plaats. Verder advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) is daarmee niet nodig. Met het beëindigen van het pluimveebedrijf verdwijnen ook de emissies van endotoxinen, waardoor het gezondheidsrisico voor de omgeving afneemt.
Het initiatief zal daarmee geen mogelijke gevolgen hebben voor de volksgezondheid en wordt dan ook als aanvaardbaar beschouwd. 5.9.2 Mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie Het initiatief zal geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de volksgezondheid op de locatie. Er is geen verder advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst nodig. Het initiatief is voldoende afgewogen en wordt als aanvaardbaar beschouwd. Als nieuwe gevoelige gebouwen of locaties worden opgericht of als gevoelige gebouwen of locaties worden gewijzigd dan kan mogelijk sprake zijn van gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie. Het is in dat geval dan belangrijk om te bekijken of er sprake is van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid en zo ja, of deze dan aanvaardbaar zijn of dat deze kunnen worden beperkt. Het is daarbij vooral van belang of in de omgeving van de locatie veehouderijen aanwezig zijn en/of bewerking of verwerking van mest als zelfstandige activiteit plaatsvindt. Ligt de locatie nabij een veehouderij of een installatie voor de bewerking of verwerking van mest dan moet een verdere afweging worden gemaakt van de mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid. Hiervoor moet een gemeente normen opnemen in het omgevingsplan.
In sommige gevallen kan een gemeente advies vragen bij de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD), waaruit dan moet blijken of sprake is van een aanvaardbare situatie. Met het initiatief is geen sprake van het oprichten en/of het wijzigen van gevoelige gebouwen en/of locaties. Er is daarmee geen sprake van mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid op de locatie. Daarmee is geen verder advies van de GGD nodig en wordt het initiatief als aanvaardbaar beschouwd.
5.10
Cultureel erfgoed
Vanuit de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving belangrijk. Daarbij staat een gezonde en veilige leefomgeving centraal. De omgang met het cultureel erfgoed in de leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Het gaat dan om bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor rijksmonumenten, het aanstellen van een monumentencommissie, of rekening houden met cultureel erfgoed in omgevingsplannen. De Erfgoedwet en de Omgevingswet zorgen samen voor een integrale bescherming voor een integrale bescherming van het cultureel erfgoed in Nederland. Het Europees beleid is verankerd in de Nederlandse wetgeving. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Onder cultureel erfgoed vallen: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc.. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen het behoud van archeologisch erfgoed in de bodem en de bescherming van cultureel erfgoed en landschap verplicht moet worden meegewogen in de besluitvorming. Als voor het aspect archeologie behoud in de bodem niet mogelijk is, moet het bodemarchief met zorg worden ontsloten via archeologisch onderzoek. 48
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn in artikel 5.130 beginselen geformuleerd voor de bescherming van cultureel erfgoed. Deze beginselen gaan over de omgang met gemeentelijke monumenten (beschermd via het omgevingsplan), archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast staan in afdeling 8.8 van het Bkl regels over de beoordeling van rijksmonumentenactviteiten en voor het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid op het gebied van archeologie en cultuurhistorie is doorgaans vastgelegd op een archeologische beleidskaart en een cultuurhistorische waardenkaart. Deze waarden en verwachtingen zijn in veel gevallen doorvertaald naar archeologische en cultuurhistorische functieaanduidingen in het omgevingsplan. 5.10.1 Archeologische waarden Op basis van het onderzoek voor de gele zone op de advieskaart van Transect de bestaande dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ (40 cm -MV en 100 m2) behouden blijft en dat voor de roze zone is voorzien in een nieuwe dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ (25 cm -Mv).
In verband met het type werkzaamheden, vindt de archeologische afweging met betrekking tot de invulling van het benodigde vervolgonderzoek op een later tijdstip plaats.’ Gemeenten moeten bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels opnemen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. In beginsel moeten gemeenten ontwikkelingen met een oppervlakte van minder dan 100 m² vrijstellen van archeologisch onderzoek. Echter kan een gemeente in een omgevingsplan een grotere of kleinere vrijstellingsgrens vastleggen. Bijvoorbeeld in historische binnensteden, waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is en daarom een kleinere grens nodig is. Zo kan een gemeente in gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde kiezen om een grotere vrijstellingsgrens vast te leggen. De mate van vrijstelling is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied. De gemeente zal daarom goed moeten onderbouwen met inhoudelijke argumenten waarom voor een bepaalde vrijstellingsgrens wordt gekozen. Gemeenten moeten de gekozen vrijstellingsgrenzen in het geldende omgevingsplan opnemen.
De vrijstellingsgrenzen zijn afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde in de verschillende gebieden. In het geldende plan zijn verschillende verwachtingswaarden opgenomen voor archeologie. Afhankelijk van de verwachtingswaarde die van toepassing is op een locatie of in een gebied geldt een specifieke vrijstellingsgrens. De locatie is gelegen in een gebied met de verwachtingswaarde 2a. In deze gebieden geldt een vrijstelling voor ingrepen met een oppervlakte van maximaal 100 m² of een diepte van maximaal 40 centimeter onder het maaiveld. Wanneer deze vrijstellingsgrenzen niet worden overschreden is de kans op het aantasten van mogelijk voorkomende waarden minimaal en is geen verder onderzoek nodig. Voor de beoogde ontwikkeling is een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt het volgende: "er een brede hoge archeologische (verwachtings)waarde geldt vanaf 25 cm -Mv en dat eventueel vervolgonderzoek afhankelijk is van de werkwijze omtrent slopen en de daadwerkelijke bouwtekeningen." Het uitgevoerde onderzoek is beoordeeld door de regioarcheoloog. Zij heeft geadviseerd om wil in te stemmen met de advieskaart uit het rapport, maar anders te besluiten over archeologisch onderzoek in relatie tot de werkzaamheden.
De zuidelijk gelegen loodse, die gesloopt gaan worden, worden vrijgesteld van sloopbegeleiding, maar de dubbelbestemming voor archeologie dient behouden te worden. Rondom de eventueel in een later stadium te slopen loodsen in het noordoosten en nieuwbouw op deze plaats kunnen geen bodemingrepen toegestaan worden die dieper reiken van 25cm-Mv. De uitkomsten van dit onderzoek en het selectiebesluit leiden er toe dat, afhankelijk van de te realiseren loods, waarschijnlijk een aanvullend proefsleuvenonderzoek in combinatie met een PvE (programma van 49
Eisen) is vereist. Het volledige rapport van het uitgevoerde onderzoek is opgenomen als“bijlage 8”. Het selectiebesluit is opgenomen als 'bijlage 9". 5.10.2 Cultuurhistorische waarden De locatie is gelegen in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen. Het initiatief zal echter niet leiden tot een mogelijke aantasting van deze cultuurhistorisch waardevolle elementen. De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder valt ook het cultuurhistorisch erfgoed. Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie in een gebied gelegen waarin cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn. Het is daarom van belang dat deze cultuurhistorische waarden en elementen niet zullen worden aangetast.
Uit snede cultuurhistorische waardenkaart. Bron: Provincie Noord-Brabant. De locatie aan Hoogstraat 8 grenst niet direct aan de Klinkerweg Raakeind, een cultuurhistorisch waardevolle weg met een karakteristieke klinkerverharding, vermoedelijk aangelegd door het Duitse leger tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hoewel de verharding op sommige plekken is aangepast, blijft het historische tracé behouden. Het plan raakt de weg niet en blijft ruim daarbuiten, waardoor de cultuurhistorische waarde van de Klinkerweg niet wordt aangetast. Concluderend leidt het initiatief niet tot aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen. De 50
historische kenmerken van de Klinkerweg en het erf worden gerespecteerd en behouden, waarmee het plan aansluit bij de cultuurhistorische identiteit van het gebied.
5.10.3 Aardkundige waarden De locatie is niet gelegen in een aardkundig waardevol gebied. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting aardkundige waarden. Vanuit de Omgevingswet moet rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook de aardkundig waardevolle gebieden. Voor deze gebieden nemen de provincies aanvullende regels op in de omgevingsverordening. Deze regels moeten gemeenten in acht nemen bij het opstellen van het omgevingsplan. Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen. Binnen deze gebieden is het behoud van de aardkundige waarden van belang. Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen. Het initiatief zal daarmee dan ook niet leiden tot een mogelijke aantasting van aardkundige waarden.
U itsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden. Bron: IPO.
5.11
Water
Het watersysteem is een belangrijk onderdeel van de fysieke leefomgeving. Belangrijke opgaven ten aanzien van water zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. Daarbij dient aandacht te zijn voor zowel het oppervlaktewater als het grondwater. Vanuit de Omgevingswet staat de weging van het waterbelang centraal als het gaat om het watersysteem. Bij het opstellen van een omgevingsplan moeten gemeenten rekening houden met de gevolgen van activiteiten voor het beheer van watersystemen. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Brabantse Delta. Daarmee is het waterschap 51
Brabantse Delta de waterbeheerder en moeten de opvattingen van het waterschap door de gemeente worden betrokken bij het opstellen van het omgevingsplan. Het beleid van het waterschap is al eerder omschreven en afgewogen in de paragraaf “Beleid van het waterschap” (paragraaf 4.3). Wel moet nog een zorgvuldige afweging van het initiatief worden gemaakt ten aanzien van het watersysteem en de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater. Daarbij is ook de eventuele afvoer van hemelwater belangrijk. 5.11.1 Waterveiligheid De locatie is niet in de buurt van een waterkering gelegen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een aantasting van de werking van waterk eringen. Waterveiligheid gaat over de bescherming tegen overstromingen. Dit gebeurt met waterkeringen, zoals bijvoorbeeld dijken en duinen. Daarnaast draagt ook het beheren van de waterwegen, zoals rivieren en meren, bij aan het beschermen tegen overstromingen. Gemeenten moeten in het omgevingsplan regels opnemen over de waterveiligheid. Bij het opstellen van deze regels moeten de gemeenten rekening houden met de uitgangspunten over waterveiligheid zoals zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie van de Rijksoverheid. Daarbij gaat het dan vooral over het toestaan van activiteiten in de omgeving van een waterkering. De gemeente Gilze en Rijen heeft echter nog geen nieuw omgevingsplan opgesteld.
Tot de tijd dat de gemeente een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld waarin zij de regels voor waterveiligheid hebben opgenomen is de zogenaamde "bruidsschat" van toepassing waarin de regels uit de voormalige bestemmingsplannen en eventuele gemeentelijke verordeningen zijn opgenomen. De "bruidsschat" valt onder het zogenaamde "omgevingsplan van rechtswege" en is tot het moment waarop de gemeente een nieuw omgevingsplan vaststelt leidend. De locatie is niet in de buurt van een waterkering gelegen. Het initiatief maakt daarmee geen activiteiten in de omgeving van een waterkering mogelijk. Er is met het initiatief dan ook geen sprake van een mogelijke aantasting van de werking van waterkeringen. 5.11.2 Oppervlaktewater De locatie is in de buurt van een oppervlaktewater gelegen. Er vinden geen activiteiten plaats binnen de eventuele beschermingszones van oppervlaktewateren en/of er wordt maatwerk toegepast, waarbij in voldoende mate is aangetoond dat deze beschermingszones niet worden belemmerd. Daarnaast worden geen activiteiten uitgevoerd die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de kwantiteit en/of de kwaliteit van het oppervlaktewater. Oppervlaktewater is al het water in meren, sloten, plassen, vijvers, kanalen, beekjes en rivieren.
De kwaliteit van het oppervlaktewater is onder andere belangrijk voor zwemmen en drinkwaterwinning. Het is daarbij van belang dat er voldoende oppervlaktewater beschikbaar is (kwantiteit) en dat dit oppervlaktewater chemisch schoon en ecologisch gezond is (kwaliteit). In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn normen opgenomen waaraan de kwaliteit van het water in Nederland moet voldoen, waarbij een onderverdeling is gemaakt tussen het behalen van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand. Dit vertaalt zich vooral in het stellen van regels voor een maximale concentratie aan schadelijke stoffen in het oppervlaktewater. Verder is het belangrijk dat oppervlaktewateren goed beheerd kunnen worden. Voor een aantal oppervlaktewateren is daarom een beschermingszone of zone die vrij moet blijven van obstakels opgenomen. Zoals te zien in de volgende afbeelding is de locatie in de buurt van een oppervlaktewater gelegen. De locatie is echter niet binnen de beschermingszone of zone die vrij moet blijven van obstakels gelegen. Daarmee is geen sprake van een belemmering van de beschermingszone of zone die vrij moet blijven van obstakels.
52
Uitsnede legger oppervlaktewateren. Bron: Waterschap Brabantse Delta. Verder is het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand belangrijk. Het initiatief voorziet niet in activiteiten met stoffen die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen. Er is/wordt daarnaast alleen gebruik gemaakt van duurzame en niet-uitloogbare bouwmaterialen. Het initiatief zal de doelstellingen voor het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand daarmee niet in de weg staan. 5.11.3 Grondwater Met het initiatief is geen sprake van activiteiten waarbij grondwateronttrekking plaatsvindt. Er vinden daarnaast geen activiteiten plaats die kunnen leiden tot een structurele wijziging van het grondwaterpeil. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke aantasting van de kwantiteit van het grondwater. Het initiatief maakt geen activiteiten mogelijk die het grondwater kunnen verontreinigen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijk e aantasting van de kwaliteit van het grondwater. Het grondwater maakt deel uit van de fysieke leefomgeving en verdient daarom bescherming. Meer dan de helft van het drinkwater wordt namelijk bereid uit grondwater. Er moet sprake zijn van voldoende grondwater (kwantiteit) en dat dit grondwater chemisch schoon en ecologisch gezond is (kwaliteit).
Het in stand houden van het peil van het grondwater speelt daarnaast een belangrijke rol. Gemeenten nemen in de omgevingsvisie en in de eventuele programma's doelstellingen op over hoe met het grondwater omgegaan moet worden. Daarbij wordt een afweging gemaakt van de verschillende functies van het grondwater. Deze doelstellingen en afwegingen worden vervolgens vertaald in regels in het geldende omgevingsplan. Gemeenten mogen daarbij aanvullende regels stellen voor de onttrekking van grondwater en voor activiteiten die het grondwater mogelijk kunnen verontreinigen. Met het initiatief is geen sprake van activiteiten die het grondwater onttrekken aan de bodem. Er is daarnaast geen sprake van activiteiten die kunnen leiden tot een structurele wijziging van het grondwaterpeil. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot een mogelijke belemmering voor het in stand houden van het grondwaterpeil. 53
Het initiatief zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben voor de kwantiteit van het grondwater. Het initiatief voorziet niet in activiteiten met stoffen die het grondwater kunnen verontreinigen. Er is/wordt daarnaast alleen gebruik gemaakt van duurzame en niet-uitloogbare bouwmaterialen. Het initiatief zal de doelstellingen voor het behoud van een goede ecologische toestand en een goede chemische toestand daarmee niet in de weg staan. Het initiatief zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van het grondwater. Met het initiatief is sprake van (ver)bouwwerkzaamheden. Daarmee dient voldoende rekening gehouden te worden met de grondwaterstand op de locatie. Zoals te zien in de volgende afbeelding bedraagt de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse tussen de 91 en 250 centimeter onder maaiveld.
U itsnede kaart gemiddeld hoogste grondwaterstanden. Bron: Bodemdata van WUR. De grondwaterstand op de locatie is daarmee relatief laag, waarmee deze niet zal leiden tot mogelijke overlast. Er zijn daarmee dan ook geen aanvullende maatregelen nodig ten aanzien van het grondwater. 5.11.4 Afvoer van hemelwater Op de locatie worden voldoende voorzieningen voor waterberging aangelegd. Daarmee k an aan de normen voor de afvoer van hemelwater worden voldaan en is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot overlast door hemelwater. Gemeenten moeten zorgen voor de inzameling en de verwerking van hemelwater dat afvloeit vanuit het openbaar terrein. De gemeente hoeft niet te zorgen voor de afvoer van hemelwater van particuliere terreinen. Daarvoor zijn de eigenaren van de particuliere terreinen zelf verantwoordelijk. Alleen als het niet redelijk is om aan de eigenaren van een particulier terrein te vragen het hemelwater af te voeren, bijvoorbeeld als er geen oppervlaktewater in de buurt is waarop zij kunnen lozen of als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, dan is de gemeente alsnog verantwoordelijk voor de afvoer van het hemelwater van dat terrein. De gemeente en/of de eigenaren van particuliere terreinen moeten voorzieningen aanbrengen waarin het hemelwater kan worden geloosd.
Het is niet wenselijk om schoon hemelwater af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi). Daarom heeft het de voorkeur om het schone hemelwater terug te brengen in het lokale milieu of, als dat niet mogelijk is, af te voeren via een schoonwaterriool. Als hemelwater verontreinigd raakt, door bijvoorbeeld een verontreinigd terrein, dan moet dit eerst worden gezuiverd met een speciale voorziening voordat dit mag worden teruggebracht in het lokale milieu. Gemeenten maken een afweging van hoe en wanneer hemelwater moet worden afgekoppeld op basis van het lokale beleid voor hemelwater, dat zij opnemen in de gemeentelijke omgevingsvisie of in een gemeentelijk rioleringsprogramma. Zij stemmen dit af met de waterbeheerder in de regio. In veel gevallen zal een gemeente kiezen voor een aansluiting bij het beleid van de waterbeheerder voor het afkoppelen van 54
hemelwater. Gemeenten kunnen er echter voor kiezen om afwijkend beleid op te nemen in het gemeentelijk rioleringsprogramma. In de waterschapsverordening is een verbod opgenomen voor het lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam en voor het onttrekken van water aan een oppervlaktelichaam. Voor de afvoer van hemelwater naar het oppervlaktewater is hiervoor een aantal uitzonderingen opgenomen. Het betreffende verbod geldt niet voor het lozen van water in een oppervlaktelichaam, als er maximaal 100 m3 water per uur wordt geloosd en/of voor het afvoeren van hemelwater van verhard oppervlak naar het oppervlaktewater als: het verhard oppervlak niet toeneemt met meer dan 500 m²; de toename van het verhard oppervlak alleen bestaat uit een groen dak; het verhard oppervlak toeneemt tussen de 500 m² en 10.000 m² en hiervoor compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een bergingsvoorziening met een minimale compensatie die voldoet aan de rekenregel; er maximaal 10.000 m² bestaand verhard oppervlak wordt afgekoppeld.
De rekenregel voor het afvoeren van hemelwater afkomstig van verhard oppervlak bij een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² is daarbij als volgt: "benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x <gevoeligheidsfactor> (normwaarde in geo-object) x 0,06 (in m)." Er is sprake van een enorme afname van verhard oppervlak. Aanvullende compenserende maatregelen zijn niet vereist vanuit het waterschap. De gemeente hanteert echter strenger beleid: 7 mm bergingsnorm voor vervanging; 60 mm voor nieuw verhard oppervlak. Bij de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van de oprichting van vervangende nieuwbouw, namelijk de loods van 1000 m2. Hierdoor geldt er een bergingsverplichting van: 7 mm x 1.000 m2= 7 kuub. Aan deze bergingseis wordt invulling gegeven middels twee (tijdelijke) regenwater opvangputten. Beiden putten hebben een capacitieit van 5 kuub per put. In onderstaand figuur is met twee sterren aangegeven waar deze twee putten zich bevinden.
55
Mochten deze putten vol raken dan zal het regenwater automatisch worden afgevoerd naar de naastgelegen sloot. Dit is verder aangegeven en uitgewerkt in het landschappelijk inrichtingsplan dat voor het initiatief is opgesteld, zoals is opgenomen als bijlage bij deze toelichting.
56
Uitsnede tekening landschappelijk inrichtingsplan met daarop de waterberging aangegeven. Bron: hv8. Op de locatie wordt daarmee voorzien in voldoende mogelijkheden voor de berging van het hemelwater, waarmee sprake is van een zogenaamde hydrologisch neutrale ontwikkeling. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot overlast van hemelwater.
5.12
Duurzaam ontwikkelen
Vanuit de Omgevingswet wordt gestuurd op het bijdragen aan een duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Het op een duurzame manier ontwikkelen is daarbij stevig verankerd in de Omgevingswet. Voor een duurzame ontwikkeling wordt, naast duurzaamheid, ook gekeken naar energietransitie (de omschakeling naar een duurzame manier van energie opwekken) en klimaatadaptatie (omgaan met de gevolgen van de verandering van het klimaat). 5.12.1 Duurzaamheid Met het initiatief is sprake van een duurzame ontwikkeling en/of het initiatief zal de doelstellingen ten aanzien van duurzaamheid niet in de weg staan. Duurzaamheid krijgt een steeds belangrijkere rol in de samenleving. Daarbij is het belangrijk te ontwikkelen op een manier die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in de eigen behoeften te voorzien in gevaar worden gebracht. In de Omgevingswet zijn specifieke doelen voor duurzaamheid opgenomen en zijn mogelijkheden opgenomen voor overheden om duurzaamheid te verankeren in het beleid. Voor ondernemers biedt de Omgevingswet daarnaast kansen om duurzaamheidsprojecten te starten. In het geldende omgevingsplan zijn nog geen specifieke regels of omgevingswaarden voor duurzaamheid opgenomen.
Wel is het van belang dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen al rekening wordt gehouden 57
met duurzaamheid en duurzaam ontwikkelen. De belangrijkste bijdrage aan duurzaamheid is de beëindiging van de intensieve pluimveehouderij. Dit leidt tot een significante reductie van de uitstoot van ammoniak, geur, fijnstof en stikstof. Hierdoor verbetert de luchtkwaliteit in de directe omgeving en neemt de milieubelasting op zowel natuur als omwonenden aanzienlijk af. Dit is in lijn met nationale en provinciale doelstellingen voor de afname van stikstofdepositie en het verbeteren van de leefomgeving in het buitengebied. Daarnaast vermindert de beëindiging van de veehouderij het water- en energieverbruik op de locatie. De behoefte aan drinkwater, die in de intensieve veehouderij hoog was, neemt drastisch af. Ook de energievraag daalt, aangezien klimaatbeheersing en ventilatie in de stallen niet langer nodig zijn. Daarnaast worden de bestaande zonnepanelen hergebruikt en verplaatst naar de nieuwe opslagloods. Hierdoor blijft de locatie voorzien van hernieuwbare energie en wordt een deel van de opgewekte stroom terug geleverd aan het net. Dit draagt bij aan de gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen en maakt de nieuwe bedrijfsactiviteit grotendeels zelfvoorzienend in energie. De herontwikkeling van de locatie zorgt tevens voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en het landschap.
Het bouwvlak wordt met bijna 60% verkleind, waardoor er minder verharding is en meer ruimte ontstaat voor groen en natuurlijke inpassing. Dit versterkt het open en agrarische karakter van het buitengebied. Het initiatief draagt daarmee bij aan de doelstellingen voor duurzaamheid en/of zal deze doelstellingen niet in de weg staan. 5.12.2 Energietransitie Met het initiatief wordt een bijdrage geleverd aan de energietransitie en/of het initiatief zal de doelstellingen voor de energietransitie niet in de weg staan. Het gebruik van fossiele brandstoffen betekent een eindige bron van energie. Daarnaast komt bij het gebruik ervan een grote hoeveelheid schadelijke stoffen voor het klimaat vrij als broeikasgassen. Het is daarom van belang te zoeken naar meer duurzame en schone manieren voor het opwekken van energie. Vanuit Europese wetgeving wordt gestuurd op een energieneutrale samenleving, waarbij alle gebruikte energie op een duurzame en schone manier wordt opgewekt. De gemeente Gilze en Rijen stimuleert deze ontwikkeling onder andere via de Handreiking zonne-energie, waarin uitgangspunten zijn opgenomen voor het inpassen van zonne-energie op daken en in het buitengebied. Hierin wordt onder meer benadrukt dat het gebruik van bestaande bebouwing en constructies (zoals daken van schuren en stallen) de voorkeur heeft boven het realiseren van veldopstellingen.
Ook wordt het belang van landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteit benadrukt. Dit betekent dat er op veel plekken nog een behoorlijke opgave ligt om dit te bereiken. Er is een geleidelijke overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar duurzame energie nodig, een zogenaamde energietransitie. Vanuit een duurzame samenleving biedt de Omgevingswet mogelijkheden om regels voor energietransitie vast te leggen in een omgevingsplan. Het voorgenomen initiatief draagt actief bij aan de energietransitie door het hergebruik van zonnepanelen en het verminderen van de energiebehoefte op de locatie. De beëindiging van de intensieve veehouderij leidt tot een aanzienlijke verlaging van het energieverbruik, terwijl de nieuw te realiseren bedrijfsactiviteiten grotendeels zelfvoorzienend worden door het gebruik van hernieuwbare energiebronnen. Het initiatief sluit aan bij verschillende regionale en nationale doelstellingen voor energietransitie: Klimaatakkoord en RES-doelen: Nederland heeft als doelstelling om in 2050 volledig klimaatneutraal te zijn. Dit initiatief draagt hieraan bij door de overstap van een energie-intensieve activiteit naar een bedrijf met een lage energiebehoefte dat grotendeels op hernieuwbare energie draait. Provinciale duurzaamheidsdoelen: De provincie Noord-Brabant zet sterk in op energiebesparing en duurzame opwekking.
Het behoud en hergebruik van zonnepanelen past binnen deze beleidslijn. Duurzaam gemeentelijk beleid: Hoewel de gemeente Gilze en Rijen nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld met specifieke regels over energietransitie, wordt in het beleid wel nadruk gelegd op duurzame ontwikkelingen. Dit plan draagt bij aan deze ambitie door actief gebruik te maken van hernieuwbare energie en energieverbruik te minimaliseren. 58
Het initiatief draagt daarmee bij aan de doelstellingen voor de energietransitie en/of zal deze doelstellingen niet in de weg staan. 5.12.3 Klimaatadaptatie Met het initiatief is voldoende rekening gehouden met klimaatadaptatie en/of het initiatief zal de doelstellingen voor klimaatadaptatie niet in de weg staan. Het klimaat verandert. Steeds vaker is sprake van perioden van droogte afgewisseld met perioden van hevige regenval. Daarnaast komen hevige buien steeds vaker voor. Het is belangrijk om met ontwikkelingen rekening te houden met het veranderende klimaat. Daarbij is het belangrijk om te ontwikkelen met het oog op de mogelijke risico's van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstromingen, hitte en droogte. Verder is het van belang te ontwikkelen op manieren om verdere opwarming van de aarde door broeikasgassen te voorkomen. Vanuit een duurzame samenleving biedt de Omgevingswet mogelijkheden om regels voor energietransitie vast te leggen in een omgevingsplan. Vermindering van de uitstoot van broeikasgassen: De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de vermindering van broeikasgasuitstoot door de beëindiging van de veehouderij. De veehouderijsector is een van de grootste bronnen van methaan- en CO2-uitstoot. Door de omschakeling naar een statische opslagfunctie en akkerbouw wordt de uitstoot van broeikasgassen op de locatie drastisch verminderd.
Het initiatief draagt daarmee bij aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en/of staat de doelstellingen voor het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen niet in de weg. Voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag: Met het initiatief is, zoals beschreven in de paragraaf “Water” (paragraaf 5.11), sprake van een zogenaamde hydrologisch neutrale ontwikkeling. Dat wil zeggen dat voldoende rekening is gehouden met de afvoer van hemelwater op eigen terrein. Daarbij wordt voldaan aan de richtlijnen hiervoor van de waterbeheerder en/of de gemeente. Het initiatief draagt daarmee bij aan het voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag en/of het initiatief staat de doelstellingen voor het voorkomen van wateroverlast door overvloedige neerslag niet in de weg staan. Overstromingen: De locatie is niet nabij een waterkering of een grote rivier, meer of zee gelegen. Daarnaast is de locatie relatief hoog gelegen (8,5 meter) ten aanzien van het Nieuw Amsterdams Peil (NAP). Daarmee is de kans op overstromingen op de locatie relatief laag. Vanuit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is voor de locatie opgenomen dat de locatie niet zal overstromen. Dat betreft geen grote kans op een overstroming. Er is daarmee met het initiatief geen sprake van onaanvaardbare risico's voor overstromingen.
Voorkomen van hittestress: Hittestress ontstaat vooral in gebieden met veel verharding en weinig groen. Doordat binnen dit initiatief een groot deel van de bestaande verharding verdwijnt en de landschappelijke inpassing wordt versterkt, wordt hittestress op de locatie beperkt. Met het initiatief wordt daarmee voldoende rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van hittestress en/of het initiatief staat de doelstellingen voor het voorkomen van hittestress niet in de weg. Rekening houden met droogte: Door klimaatverandering komen langere perioden van droogte steeds vaker voor. Dit vraagt om slimme omgang met water. Binnen het initiatief wordt hiermee rekening gehouden door: Beperken van verharding, waardoor regenwater beter in de bodem kan trekken en niet onnodig wordt afgevoerd. Behoud van groen en akkerbouw, wat helpt bij het vasthouden van vocht in de bodem. Met het initiatief wordt daarmee voldoende rekening gehouden met het voorkomen van droogte en/of het initiatief staat de doelstellingen voor het voorkomen van droogte niet in de weg. 59
Op basis van het voorgaande wordt met het initiatief voldoende rekening gehouden met klimaatadaptatie en/of staat het initiatief de doelstellingen voor klimaatadaptatie niet in de weg.
5.13
Mobiliteit
Vanuit de Omgevingswet wordt ingezet op een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Mobiliteit maakt deel uit van de fysieke leefomgeving en moet daarom worden meegenomen in de afweging van de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de fysieke leefomgeving. Voor de infrastructuur van de Rijksoverheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels opgenomen voor de provincies en gemeenten. De provincies en gemeenten kunnen het beleid voor mobiliteit verder invullen. Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Er moeten daarnaast voldoende parkeerplaatsen en fietsenstallingen gerealiseerd worden. Wat daarbij voldoende is dat is afhankelijk van de locatie en het gemeentelijke beleid daarvoor. 5.13.1 Infrastructuur Het initiatief zal niet leiden tot mogelijk nadelige effecten op de omliggende wegen. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke gevolgen voor de infrastructuur. Vanuit de Omgevingswet wordt gestuurd op een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem en het in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur. Daarbij mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Het is daarom belangrijk om te kijken naar de mogelijke effecten van een ontwikkeling op de omliggende wegen.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor autosnelwegen, autowegen en hoofdspoorwegen, Rijksvaarwegen en landelijke fiets- en wandelroutes. Daarnaast zijn regels opgenomen over het voorkomen van belemmeringen voor het gebruik en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en de Rijkswegen. De locatie is niet nabij een autosnelweg, autoweg, hoofdspoorweg, Rijksvaarweg en/of landelijke fiets- of wandelroute gelegen. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke belemmeringen voor het gebruik en het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur, Rijksvaarwegen en/of de Rijkswegen. De locatie is niet nabij een provinciale weg gelegen. De locatie is ook niet in een gebied gelegen dat is aangewezen voor eventuele wijzigingen in het provinciale weggennet. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke belemmeringen voor het gebruik en het beheer van de provinciale infrastructuur. Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijke belemmeringen voor het gebruik en het beheer van de provinciale infrastructuur. Voor de overige infrastructuur mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot belemmeringen daarvan. Hiervoor kunnen gemeente, waar nodig, aanvullende regels opnemen in het omgevingsplan. Of aanvullende regels nodig zijn is afhankelijk van het type infrastructuur en de locatie daarvan.
De locatie is niet nabij een van de soorten infrastructuur gelegen waarvoor in het omgevingsplan aanvullende regels zijn opgenomen. Het initiatief zal daarnaast ook niet leiden tot wijzigingen aan de bestaande infrastructuur. Daarmee zal het initiatief niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. 5.13.2 Parkeren Met het initiatief zal sprake zijn van voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein. Met het oog op een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is het belangrijk dat wordt voorzien in een goed beleid voor het parkeren. Hiervoor kunnen gemeenten specifieke regels en normen opnemen in het omgevingsplan. Bij nieuwe ontwikkelingen moet zoveel mogelijk worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein. Daarbij is het belangrijk dat wordt voldaan aan de parkeernormen uit het geldende omgevingsplan. De gemeente Gilze en Rijen heeft in haar parkeernota 2017, parkeernormen opgenomen. Voor opslag in het buitengebied (arbeidsextensief en bezoekersextensief) geldt een parkeernorm van 1,1 parkeerplek per 100 m2 bvo. Dit betekent een maximale parkeerbehoefte van 22 parkeerplekken ten behoeve van de statische opslag. Op eigen terrein is voldoende plek om deze 22 parkeerplekken te 60
realiseren. De parkeerbehoefte van de woning blijft ongewijzigd op 2 parkeerplekken. Voor de akkerbouw is geldt een parkeerbehoefte van 1,1 x 2,5 (250 m2) = 2,75 parkeerplaatsen. De werkzaamheden vinden met name plaats op de percelen. Desondanks is er op de locatie meer dan genoeg ruimte voor dit aantal parkeerplaatsen.
Figuur: ruimte om te parkeren (rood: akkerbouw en woning (5)) (paars: statische opslag (links: 8 vakken + 14 vakken rechterzijde = 22)) Met het initiatief zal daarmee sprake zijn van voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein. 5.13.3 Verkeersbewegingen Het initiatief zal leiden tot een afname van het aantal zware verkeersbewegingen en een kleine toename van het aantal lichte verkeersbewegingen. Er zal daarmee geen sprake zijn van verkeershinder in de omgeving als gevolg van het initiatief. Als met een nieuwe ontwikkeling sprake is van een grote toename van het aantal verkeersbewegingen dan kan dit leiden tot verkeershinder in de omgeving. Het is daarom belangrijk om in beeld te brengen wat voor gevolgen een ontwikkeling heeft op de verkeersgeneratie (het aantal verkeersbewegingen als gevolg van een activiteit). Gemeenten kunnen voor de verkeersgeneratie van activiteiten richtlijnen of normen opnemen in het geldende omgevingsplan. Het initiatief zal niet leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie. Door beëindiging van de intensieve veehouderij zal het aantal verkeersbewegingen zelfs afnemen. De zware verkeersbewegingen zullen nagenoeg verdwijnen. Daarmee zal met het initiatief geen sprake zijn van verkeershinder in de omgeving.
Als een gemeente geen specifieke normen voor verkeersgeneratie heeft opgenomen wordt aangesloten bij de landelijk gebruikte richtlijnen voor verkeersgeneratie die zijn opgenomen in de handreiking “Toekomstbestendig parkeren” van het kennisplatform CROW. Aan de hand van deze richtlijnen kan de verkeersgeneratie van de activiteiten worden bepaald. Met het initiatief wordt de beëindiging van een intensieve veehouderij en omschakeling naar een bedrijfsfunctie met statisch opslag en akkerbouw als nevenactiviteit mogelijk gemaakt. Volgens CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering' valt de betreffende 61
activiteit onder de categorie 'Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)'. Het bijbehorende kengetal voor verkeersgeneratie in het buitengebied (bezoekers) bedraagt 5,7 voertuigbewegingen per 100 m² BVO. Akkerbouwloods: De akkerbouwloods heeft een totale oppervlakte van 250 m². Dit resulteert in: 250 / 100 × 5,7 = circa 15 voertuigbewegingen per etmaal. Statische opslag: De nieuwe loods voor statische opslag heeft (in de maximale toegestane situatie) een oppervlakte van 2000 m². Dit resulteert in: 2000 / 100 × 5,7 = 114 voertuigbewegingen per etmaal. Van verkeersbewegingen van de akkerbouwloods wordt uitgegaan dat 10% zwaar (vracht) verkeer is. Dus in totaal 2 zware verkeersbewegingen en 13 lichte verkeersbewegingen. Voor statische opslag is al het verkeer lichte verkeersbewegingen. De verkeersbewegingen in relatie tot de bedrijfswoning blijven onveranderd. Daarnaast zullen de verkeersbewegingen die in de huidige situatie plaatsvinden ten behoeve van de intensieve pluimveehouderij in zijn geheel komen te vervallen. Daarmee zal de toename van het aantal lichte verkeersbewegingen in vergelijking met de huidige situatie nihil of slechts zeer beperkt zijn. En sprake zijn van een afname van de zware verkeersbewegingen. Bij de huidige pluimveehouderij is sprake van een groot aandeel vrachtverkeer.
Dit aandeel zal bij de gewenste activiteiten aanzienlijk kleiner zijn, waarmee de eventuele hinder vanuit het verkeer ten behoeve van het bedrijf naar de omgeving zal verminderen. Daarnaast vinden in de huidige pluimveehouderij incidenteel (met het laden van het pluimvee) verkeersbewegingen met vrachtverkeer in de avond- en nachtperiode plaats. Bij de gewenste activiteiten zullen deze uitsluitend in de dagperiode plaatsvinden. Ook dit zal leiden tot een verminderde mogelijke hinder aan de omgeving.
5.14
Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen
Met het initiatief zal geen sprake zijn van mogelijke risico's als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden is het belangrijk om bij nieuwe ontwikkelingen rekening te houden met een mogelijk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Momenteel is er nog geen toereikend onderzoek beschikbaar waaruit de effecten blijken van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Daarnaast zijn er nog geen vaste richtlijnen voor het al dan niet hanteren van zogenaamde spuitzones rondom gevoelige gebouwen, waarbinnnen geen gebruik mag worden gemaakt van chemische gewasbeschermingsmiddelen. Wetenschappelijk is het niet aan te geven hoe groot de afstand tussen een perceel waarop wordt gespoten en een gevoelig gebouw zou moeten zijn. Zonder aanvullende maatregelen wordt doorgaans een richtafstand van 50 meter gehanteerd. Dit wordt onderschreven door uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In sommige gevallen kan, wanneer voldoende maatregelen worden getroffen of wanneer het niet aannemlijk is dat op de gronden op agrarische percelen gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen, een afwijkende afstand worden aangehouden. Daarnaast kunnen gemeenten specifieke richtlijnen opnemen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in het omgevingsplan. In het geldende omgevingsplan zijn geen aanvullende regels opgenomen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Tot de tijd dat de gemeente een omgevingsplan heeft vastgesteld met daarin regels over gewasbeschermingsmiddelen is het belangrijk om een afweging te maken op basis van de huidige inzichten. Daarbij is het belangrijk om te kijken naar de afstand tussen de percelen waarop mogelijke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en gevoelige gebouwen. Naast de mogelijke risico's voor de gezondheid van omwonenden als gevolg van de uitgevoerde activiteiten 62
is het belangrijk om ook een afweging te maken van de mogelijke risico's op de locatie als nieuwe gevoelige gebouwen en/of functies worden opgericht in de buurt van percelen waarop mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Met het initiatief is geen sprake van het oprichten of het wijzigen van gevoelige gebouwen of functies. De bestaande bedrijfswoning is en blijft een bedrijfswoning. Er zal daarmee geen sprake zijn van mogelijke risico's op de locatie als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op in de buurt gelegen percelen.
63
Hoofdstuk 6
Beperkingengebieden
Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet omschreven als een gebied dat bij of krachtens de wet (door de Rijksoverheid of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. De Omgevingswet verplicht de Rijksoverheid en provincies om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Binnen deze beperkingengebieden stelt de provincie eisen aan aanduidingen, informatieborden en uitwegen. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk als ook in de daaraan grenzende (beschermings)zones. Een beperkingengebied is in feite wat nu de (beschermings)zones onder de voormalige wetgeving waren en in veel gevallen omvat het beperkingengebied ook de locatie van de weg of het waterstaatswerk of object zelf. Een concreet voorbeeld van een beperkingengebied is een oppervlaktewaterlichaam (bijvoorbeeld een primaire watergang of een A-watergang) inclusief de (beschermings)zones (onderhoudsstroken en eventueel natuurvriendelijke oevers). De locatie is niet in of nabij een van de aangewezen beperkingengebieden gelegen.
Het initiatief zal daarmee geen nadelige gevolgen hebben op werken en/of objecten.
64
Hoofdstuk 7
Uitvoerbaarheid
De Omgevingswet kent geen bepalingen meer over de uitvoerbaarheid van een plan of project. De gemeente hoeft bij het vaststellen of wijzigen van een omgevingsplan niet meer aannemelijk te maken dat een functie die aan een locatie is toegekend ook daadwerkelijk op die locatie zal komen. De gemeente mag bij het opstellen van een omgevingsplan aangeven dat er een functie op een bepaalde locatie kan komen. Of deze functie er dan ook daadwerkelijk komt is minder van belang. Voorheen moesten gemeenten veel mogelijkheden onderzoeken die er misschien nooit zouden komen. In de Omgevingswet wordt het mogelijk gemaakt dit onderzoek in fases uit te voeren. Pas als een initiatief ook daadwerkelijk uitgevoerd gaat worden dat past binnen de aan de locatie toegekende functie hoeft te worden onderzocht hoe dat initiatief op een aanvaardbare manier gerealiseerd kan worden. De gemeente moet echter nog wel onderzoeken of ontwikkeling op de betrokken locatie in beginsel mogelijk is. Als sprake is van een concreet initiatief is het wel belangrijk om na te gaan of het initiatief op de gewenste locatie uitvoerbaar is. Daarbij wordt gekeken naar zowel de economische als de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
7.1
Economische uitvoerbaarheid
Het initiatief wordt als economisch uitvoerbaar beschouwd. De Omgevingswet biedt ruimte voor de ontwikkeling van activiteiten in de fysieke leefomgeving. Voor de ontwikkeling van gebieden zal ook de overheid vaak kosten moeten maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van openbare voorzieningen, en het wijzigen van het omgevingsplan. De aanleg van voorzieningen vindt in veel gevallen plaats voor rekening van de gemeente. De initiatiefnemers van de ontwikkeling profiteren meer van de aanleg van die voorzieningen dan andere burgers en bedrijven. Om die reden is het gerechtvaardigd om deze kosten te verhalen op de initiatiefnemers. De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profiteren van de aan te leggen openbare voorzieningen. De gemeente en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over het kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde "anterieure overeenkomst". De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige financiële bijdrage gebiedsontwikkeling worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.