Bijlage 1- Bestemmingsplan Oranjestraat 100 Gilze
Tekst van het document
|27
Uitsnede algemene Hoogtekaart Nederland
De maaiveldhoogte in plangebied varieert van 16.35 meter +NAP aan de voorzijde (Oranjestraat) tot 16.48 meter +NAP aan de achterzijde van het perceel. In het terrein zit weinig hoogteverschil.
De geohydrologische situatie voor het plangebied is als volgt weer te geven. Diepte (m-mv) 0 – 1,5 1,5 - 5
Formatie(s) Formatie van Boxtel Formatie van Stramproy
5 - 25
Formatie van Waalre
Lithologie Zand Afwisselend zand, leem en kleilagen Zand, soms kleilagen
hydrogeologie Matig tot redelijk doorlatend Slecht doorlatend Matig doorlatend
De grondwaterspiegel ligt volgens het uitgevoerde bodemonderzoek in januari (hoogste grondwaterstand) op 1,4 meter onder maaiveld. Dit is in lijn met de gegevens uit de wateratlas van de provincie Brabant waaruit blijkt dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand zich op deze locatie op circa 1.40 m tot 1.60 m onder maaiveld bevindt. Het grondwater stroomt regionaal gezien, in overwegend noordwestelijke richting. De locatie ligt niet in een grondwaterwinning of –beschermingsgebied. Infiltratie Uit de landbouwliteratuur worden diverse waarden gegeven voor de infiltratiesnelheid van zand. Uit het bodemonderzoek blijkt dat de bodem ter plaatse bestaat uit matig fijn zand met een matige tot redelijke doorlatendheid. Dit correspondeert vanuit de literatuur met een snelheid van wateropname van circa 0,3 tot 0,32 m/d. De eerste laag in de bodemopbouw (tot 1,5 m–mv) geeft mogelijkheden om het hemelwater te laten infiltreren. De diepere tweede laag (1,5-5 m-mv) kent een slechte doorlatendheid, waardoor infiltratie hier beperkt is. Het water zal hier meer horizontaal wegvloeien.
NL.IMRO.0784.BPOranjestraat100-VG01
Bestemmingsplan Oranjestraat 100, Gilze
|28
Oppervlaktewater Het plangebied valt binnen het beheergebied van het waterschap Brabantse Delta. In of nabij het plangebied zijn geen waterlopen of andere waterstaatswerken aanwezig die in het beheer zijn van het waterschap. Aan de voorzijde van het plangebied scheidt een greppel het terrein van de openbare weg. Deze greppel loopt in westelijke richting parallel aan de Oranjestraat weg. In de greppel wordt het hemelwater van de weg en naastgelegen percelen opgevangen. Het hemelwater van de daken van de woningen aan de Oranjestraat 110 en 112 komt via een hemelwaterafvoerbuis in deze greppel. Afvalwater In de bestaande situatie is er binnen het plangebied geen sprake van afvalwaterstromen. Regenwater Het plangebied bestaat in de bestaande situatie volledig uit grasland. Er zijn geen verhardingen op het terrein aanwezig. Het hemelwater valt rechtstreeks op de onverharde bodem en wordt door inzijging, verdamping en afstroming naar de aangrenzende sloten afgevoerd. Toekomstige situatie Woonkavels De te verharden oppervlakten van de woonkavels zijn gebaseerd op de maximale bebouwingspercentages en te bebouwen oppervlakten uit de bestemmingsplanregels: - Vrijstaande woningen (infiltratie eigen terrein): 50%. De twee woonkavels zijn samen 1.768 m2. Maximaal 50% te verharden is 884 m2.
Afkoppelen hemelwater In onderstaande tabel is voor de huidige en toekomstige situatie de oppervlakteverharding inzichtelijk gemaakt bij het maximale planologische gebruik van de locatie. Bruto (verharde) oppervlakten Totaal oppervlakte plangebied, circa Verhard oppervlak 50% kavels totaal 1.768m2 Onverharde oppervlakte, circa
Bestaande situatie (m²) 3.144 0 3.144
Toekomstige situatie (m²) 3.144 884 2.260
Uit de tabel blijkt dat het verhard oppervlak in het plangebied met circa 884 m2 toeneemt. Op basis van het beleid van het waterschap dient voor de toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 compenserende maatregelen te worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. Aangezien de toename in verhard oppervlak meer dan 500 m 2 bedraagt, is een compenserende maatregel noodzakelijk. Conform het beleid van de gemeente en het waterschap dient er 60 mm berging per m 2 verharding gerealiseerd te worden. Voor de planontwikkeling dient in totaal te worden voorzien in 53 m3 (27 m3 per woning) aan benodigde waterberging. Om te voorzien in de benodigde waterberging kunnen maatregelen worden genomen zoals het gebruik maken van infiltratiekratten of het aanbrengen van een verlaging/wadi. Bij de nadere uitwerking van de waterhuishouding in een waterhuishoudkundig plan zullen de omvang en ligging van de bergings- en infiltratievoorzieningen nader worden uitgewerkt. Afvalwater De nieuwe woningen worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de Oranjestraat.
NL.IMRO.0784.BPOranjestraat100-VG01
Bestemmingsplan Oranjestraat 100, Gilze
|29
Bij de uitwerking van de ontwikkeling wordt ook de afvalwaterriolering, zoals de ligging en het afvoerpunt, gedetailleerd uitgewerkt. Waterkwaliteit Om verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater en grondwater te voorkomen wordt geadviseerd duurzaam te bouwen. Dit houdt in dat het gebruik van uitlogende materialen zoals lood, zink, koper, bitumineuze materialen en geïmpregneerd hout voorkomen dienen te worden. Wateradvies De uitwerking van het voorliggende plan in deze waterparagraaf is in het kader van het wettelijk vooroverleg aan het waterschap Brabantse Delta toegezonden. Conclusie Door het nemen van de juiste maatregelen levert de realisatie van het project geen knelpunten op voor de waterhuishouding.
5.3
Luchtkwaliteit
De Wet Luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wet Luchtkwaliteit is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. Voor de verschillende stoffen zijn normen (grenswaarden) opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties en voor dagelijkse concentraties (vierentwintiguurgemiddelde). De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het “Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)”. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Voor de periode tussen het in werking treden van de ‘Wet luchtkwaliteit’ en het verlenen van derogatie door de EU is het begrip 'niet in betekenende mate' gedefinieerd als 1% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. Inmiddels is derogatie verleend en het NSL in werking getreden. De definitie van NIBM is daardoor verschoven naar 3% van de grenswaarde. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Onderzoek Luchtkwaliteit ter plaatse Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie PM2,5 in 2025 (gegevens 2023) ter plaatse minder dan 10 μg/m³. De concentratie PM10 in 2025 (gegevens 2023) is ter plaatse minder dan 18 μg/m³. De concentratie NO2 in 2025 (gegevens 2023) is ter plaatse gelegen tussen de 10 en 15 μg/m³. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren. NIBM Het planvoornemen betreft een kleinschalig woningbouwproject met de realisatie van twee vrijstaande woningen. Dit aantal ligt ver onder de grens van 1.500 woningen die in de lijst van NL.IMRO.0784.BPOranjestraat100-VG01
Bestemmingsplan Oranjestraat 100, Gilze
|30
categorieën van gevallen is opgenomen. De realisatie van 2 vrijstaande woningen draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een aanvullend onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. NSL-monitoringstool In de NSL-monitoringstool is de huidige luchtkwaliteit weergegeven. Op de kaarten van de NSLmonitoringstool zijn rekenpunten langs de Oranjestraat aanwezig. Uit de resultaten blijkt dat zowel in 2021 en voor 2030 van alle stoffen geen sprake is van overschrijdingen van concentraties en aantal overschrijdingsdagen. Er kan geconcludeerd worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van luchtkwaliteit. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.4
Geur
Wet geurhinder en veehouderij In het kader van de ruimtelijke procedure dient enerzijds nagegaan te worden of er ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (milieu hygiënische toets) en anderzijds of het planvoornemen leidt tot een belemmering van vergunden rechten van bedrijven in de omgeving. Voor veehouderijen is het geurbeleid vastgesteld in de op 1 januari 2007 inwerking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag maken op een geurgevoelig object (zoals een woning). Daarbij wordt onderscheidt gemaakt tussen de ligging binnen en buiten de bebouwde kom. De Wgv bevat afstandsnormen die in acht moeten worden genomen. In artikel 3 van de wet zijn de ten hoogste toegestane geurbelastingen bepaald. Locatie geurgevoelig object
Ten hoogste toegestane geurbelasting
Concentratiegebied, binnen bebouwde kom Concentratiegebied, buiten bebouwde kom Niet-concentratiegebied, binnen bebouwde kom Niet-concentratiegebied, buiten bebouwde kom
3,0 OUe/ m3 14,0 OUe/ m3 2,0 OUe/ m3 8,0 OUe/ m3
Op basis van artikel 3.2 Wgv geldt dat de minimum afstand van een veehouderij tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom tenminste 100 meter dient te zijn. Wanneer het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen dient deze afstand minimaal 50 meter te zijn. Geurverordening en beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder De gemeente Gilze en Rijen heeft op 18 juli 2022 de geurverordening en beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder vastgesteld. Met deze Geurgebiedsvisie, Verordening geurhinder en veehouderij en de Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen geurhinder wil de gemeente meer perspectief bieden aan gestopte en nog te stoppen boeren én voor de boeren die doorgaan. Ook is deze visie bedoeld om afwegingen te maken bij ruimtelijke initiatieven in het buitengebied en de kernrandzones. Onderzoek Het plangebied valt volgens de kaarten bij de geurverordening in deelgebied A (bebouwde kom).
NL.IMRO.0784.BPOranjestraat100-VG01
Bestemmingsplan Oranjestraat 100, Gilze
|31
Uitsnede kaart, plangebied blauw omcirkeld
Voor deelgebied A bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object 3,0 odour units. De achtergrondbelasting deelgebied A mag maximaal 10,0 odour units bedragen.
Het planvoornemen betreft een woningbouwontwikkeling met 2 woningen. Dit is alleen mogelijk als ter plaatse sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. De aanwezigheid van veehouderijen in de directe omgeving is hierop van invloed. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van de gemeente Gilze en Rijen in een nietconcentratiegebied, waarvoor een vaste afstand van 100 meter geldt. Voor de inventarisatie van de veehouderijen is gebruik gemaakt van de kaart ‘veehouderijbedrijf’ van de provincie Noord-Brabant.
NL.IMRO.0784.BPOranjestraat100-VG01
Bestemmingsplan Oranjestraat 100, Gilze
|32
Uitsnede kaart Veehouderijbedrijf
De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij ligt op circa 450 meter afstand van het plangebied. Het plangebied ligt daarmee ruimschoots buiten de richtafstand van 100 meter ten opzichte van de omliggende veehouderijen. Daarnaast liggen er reeds meerdere bestaande woningen op veel kortere afstand van de veehouderij(en). De dichterbij gelegen woningen zijn daardoor bepalend voor de mogelijkheden van de veehouderijbedrijven. Gesteld kan worden dat het planvoornemen geen belemmering vormt voor de nabijgelegen veehouderij(en). Om te bepalen of ter plaatse van de woningbouwontwikkeling sprake is van een goed woon- en leefklimaat is gebruik gemaakt van de kaart ‘Achtergrondbelasting huidige situatie vergund’ uit de geurgebiedsvisie.
NL.IMRO.0784.BPOranjestraat100-VG01
Bestemmingsplan Oranjestraat 100, Gilze
|33
Uitsnede kaart Achtergrondbelasting Geur
De woningbouwontwikkeling ligt in een gebied met een goed tot zeer goede kwaliteit leefomgeving (0-5 OUe/m3). Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat anderzijds het plan geen belemmering vormt voor nabijgelegen veehouderijen. Conclusie Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.5
Geluid
Het aspect geluid speelt een belangrijke rol in de omgevingskwaliteit. Er bestaan verschillende geluidsbronnen die van invloed kunnen zijn op deze omgevingskwaliteit. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient te worden voorkomen. In de Wet geluidhinder wordt onderscheid gemaakt tussen verkeerslawaai en industrielawaai. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen tenzij de weg binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. De te beschouwen wegen hebben een onderzoekszone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden. De grootte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Op grond van de Wet geluidhinder bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen. In artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt een beperkt aantal type objecten aangemerkt als geluidsgevoelig object. Dit zijn: woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidsgevoelige gebouwen (onder andere onderwijsgebouwen, ziekenhuishuizen en verpleeghuizen). Objecten die niet onder deze categorieën zijn te scharen zijn op basis van de Wgh niet beschermd tegen geluidhinder.
NL.IMRO.0784.BPOranjestraat100-VG01
Bestemmingsplan Oranjestraat 100, Gilze
|34
Onderzoek Voor het plangebied is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten optredende gevelbelastingen vanwege wegverkeerslawaai van de Oranjestraat (externe bijlage, rapportnr: Rm230109aaA0 d.d.6 september 2023). Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Het akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen de geluidzone van de Oranjestraat. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de Meierstraat, Hoevenaarsstraat en Pastoor van Herckstraat eveneens opgenomen in het akoestisch onderzoek. Oranjestraat • De voorkeursgrenswaarde wordt wel overschreden, maar de maximale ontheffingswaarde niet. De geluidbelasting ten gevolge van de Oranjestraat is maximaal 58 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). • Bij de Gemeente Gilze en Rijen is een verzoek ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. • In de voorliggende situatie moet als ontheffingscriterium worden aangedragen dat de woningen worden gerealiseerd op een open plaats tussen bestaande woonbebouwing. • Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee echter alsnog niet op alle gevels worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager.
De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op €60.000,- (200 m * 6m * €50,-) en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. • Het verder naar achteren verplaatsen van de woningen om de geluidbelasting verder te reduceren leidt er niet toe dat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Zou de afstand tot de weg bijvoorbeeld worden verdubbeld, van 10 naar 20 meter, dan is de geluidbelasting op de voorgevel toch maar 3 dB lager, een verschil dat niet hoorbaar is. Uit stedenbouwkundig oogpunt is het verder van de weg plaatsen niet wenselijk: de woningen zijn in aansluiting op de lintbebouwing reeds verder van de weg geplaatst dan de bestaande woningen. Zouden de woningen nog verder naar achteren worden verplaatst, dan komt de rooilijn van de nieuwbouw achter de achtergevel van de buren te liggen, wat ook in het kader van privacy niet wenselijk is. • Het plaatsen van scherm is akoestisch niet verder onderzocht. Om de geluidbelasting op de gevel te verlagen is een geheel gesloten scherm benodigd. Een geheel gesloten scherm is in de praktijk niet uitvoerbaar gezien de inritten van de woningen dan niet te bereiken zijn en het de verkeersveiligheid in gevaar brengt. Door een scherm heeft men minder zicht op de weg. • Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen.
Uitgaande van de eisen in het provinciaal ontheffingsbeleid (voor zover bij ons bekend volgt de gemeente Gilze en Rijen dit beleid), betekent dit dat het bouwplan dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel, waar minstens één verblijfsruimte aan grenst. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. Bij beide bouwvlakken voldoet de noordelijk gelegen gevel hieraan. Tevens behoeft de situering van de tot de woning behorende buitenruimte aandacht, deze dient niet enkel aan de gevel gesitueerd te worden waar de hoogste geluidbelasting optreedt. • Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB. In tabel 4.5 is de benodigde karakteristieke geluidwering weergegeven. Meierstraat • Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder.
NL.IMRO.0784.BPOranjestraat100-VG01
Bestemmingsplan Oranjestraat 100, Gilze
|35
•
De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 23 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 18 dB (incl. art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
•
Hoevenaarsstraat • Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. • De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 26 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 21 dB (incl. art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. • Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Pastoor van Herckstraat • Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. • De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 35 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 30 dB (incl. art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. • Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Conclusie De gemeente heeft op 20 februari 2024 een besluit voor de hogere grenswaarden genomen, dit besluit is opgenomen in de externe bijlage bij deze toelichting. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.6
Bedrijven en milieuzonering
De Wet milieubeheer zorgt ervoor dat milieuoverlast in woongebieden zoveel mogelijk wordt beperkt. Alle voorzieningen en bedrijven die overlast veroorzaken moeten daarom een vergunning hebben in het kader van de Wabo en Wet milieubeheer. In de publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. Alle bedrijven die in de buurt van de planlocaties liggen worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale hinderafstand. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
NL.IMRO.0784.BPOranjestraat100-VG01
t.o.v. rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
t.o.v. gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Bestemmingsplan Oranjestraat 100, Gilze
|36
Onderzoek Het planvoornemen betreft een woningbouwontwikkeling van 2 woningen. Bij de beoogde ontwikkeling moet voldaan worden aan de vereiste richtafstanden tussen de geprojecteerde woningen en de omliggende bedrijven en inrichtingen. In de VNG publicatie is een omschrijving van de gebiedstypes gemengd gebied en rustige woonwijk/ rustig buitengebied gegeven. Het plangebied ligt aan de Oranjestraat 100 te Gilze. Rondom het plangebied liggen vooral woonbestemmingen. Het gebied is te kwalificeren als omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In de omgeving van het plangebied zijn enkele bedrijven gelegen (weergegeven in onderstaande tabel): Adres
Soort bedrijf
Milieucategorie
Oranjestraat 123
Werkplaats, verhuur van toiletwagens Aannemersbedrijf Machinewerkplaats Benzineservicestation
Oranjestraat 126 Oranjestraat 128 Oranjestraat 113
2
Hinderafstand rustige woonwijk 30
Kleinste afstand tot plangebied, circa 60 m
2 2 3.1
30 30 50
176 m 196 m 25 m
Het benzineservicestation ligt binnen de hindercontour van de nieuwe woningen. De overige bedrijven bevinden zich op ruim voldoende afstand van de planlocatie. De activiteiten van het benzineservicestation worden beëindigd. Het terrein wordt gesaneerd en herontwikkeld naar een woonbestemming. Het bestemmingsplan voor deze ontwikkeling is in juni 2023 vastgesteld. Voor onderhavig planvoornemen geldt een voorwaardelijke verplichting dat er in het plangebied pas gebouwd mag worden indien de activiteiten van het benzinestation zijn beëindigd. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.7
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve.
Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het rijk heeft als maatgevende NL.IMRO.0784.BPOranjestraat100-VG01
Bestemmingsplan Oranjestraat 100, Gilze
|37
risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
De hoogte van het groepsrisico hangt af van: • De kans op een ongeval; • Het effect van het ongeval; • Het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft; • De mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Onderzoek Risicokaart Brabant De provinciale Risicokaart geeft een beeld van de risico's in de woon- en leefomgeving. Via de kaart wordt informatie gegeven over de risicobronnen en de kwetsbare objecten. In onderstaande uitsnede van de risicokaart is de omgeving van de voorliggende planlocatie weergegeven.
Afbeelding 1 Uitsnede Risicokaart (plangebied rood)
NL.IMRO.0784.BPOranjestraat100-VG01
Bestemmingsplan Oranjestraat 100, Gilze
|38
Inrichtingen De risicokaart geeft de (externe) risicobron weer die gesitueerd is op korte afstand van de woningen, te weten: het LPG tankstation (benzineservicestation Hessels) aan de Oranjestraat 111 te Gilze. Het activiteiten van het benzineservicestation worden beëindigd en het terrein wordt gesaneerd. De bestemming wordt herontwikkeld naar een woonbestemming. Het bestemmingsplan voor deze ontwikkeling is in juni 2023 vastgesteld. Voor onderhavig planvoornemen geldt een voorwaardelijke verplichting dat er in het plangebied pas gebouwd mag worden indien de activiteiten van het benzinestation beëindigd zijn. Vervoer gevaarlijke stoffen Conform het gestelde in de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen, paragraaf 5.2.3, hoeven er geen beperkingen aan het ruimtegebruik te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. De dichtstbijzijnde routes voor vervoer van gevaarlijke stoffen bevinden zich op een grotere afstand dan 200 meter van het plangebied. Het gaat daarbij om de rijksweg A58 (ca. 1.100 meter), de spoorlijn Tilburg-Breda (ca. 4 kilometer),een gasleiding (ca. 1.200 meter) en een pijpleiding van Defensie (ca. 500 meter). Militair vliegveld Gilze-Rijen Op de risicokaart worden alleen die defensie-inrichtingen getoond waar buiten het hek beperkingen gelden aan het ruimtegebruik.
Deze beperkingen gelden binnen bepaalde veiligheidszones: er mogen daarbinnen bijvoorbeeld geen woningen worden gebouwd of wegen aangelegd. Om elk terrein zijn drie zones (A, B en C) vastgesteld; hoe dichterbij het militaire terrein, hoe strenger de regels. Rondom Defensie-inrichtingen gelden 3 zones, het plangebied is niet gelegen in één van deze zones. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.8
Natuurwetgeving
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wn) in werking getreden. De uitvoering van de Wet natuurbescherming komt grotendeels in handen van de provincies. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000- gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. In de nieuwe Wet natuurbescherming vervalt de bescherming van Beschermde Natuurmonumenten uit de Natuurbeschermingswet. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000-gebieden of het Natuurnetwerk Nederland en worden dus indirect beschermd. De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de minister worden toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden.
NL.IMRO.0784.BPOranjestraat100-VG01
Bestemmingsplan Oranjestraat 100, Gilze
|39
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving die met ingang van de Wn niet is veranderd. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aangesloten Pan Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. Beschermde planten en dieren De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wet natuurwetbescherming (Wn) niet meer en andersom.
Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd. De Wn kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming: • Vogels o alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wn). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken. • Internationaal beschermde soorten o alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wn). • Overige beschermde soorten o soorten genoemd in de bijlage bij de Wn, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wn).
Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de Floraen faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wn niet meer is beschermd). De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wn worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wn) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen. Onderzoek Om inzicht te verkrijgen in de mogelijke knelpunten in het kader van de natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden als NL.IMRO.0784.BPOranjestraat100-VG01
Bestemmingsplan Oranjestraat 100, Gilze
|40
gevolg van het project, heeft Brabant Eco een ecologische quickscan uitgevoerd voor de planlocatie in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling (externe bijlage, rapportnr 2023-BE0530, d.d. 10 november 2023). Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er geen beschermde flora en fauna in het plangebied voorkomen. Er is gericht gezocht naar nesten in de drie Amerikaanse eiken in het zuiden van het plangebied en naar beschermde flora en holen in het veld zelf, maar deze zijn niet gevonden. De voor huismussen geschikte haag in het noorden van het plangebied zal behouden blijven als onderdeel van het landschappelijk inpassingsplan. Met de bouw van woningen zijn geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Het is mogelijk dat de ingreep leidt tot een gering en tijdelijk verlies van foerageermogelijkheden. Door de locatie na de bouw geheel planologische in te passen en natuurinclusief te bouwen zal het leefgebied van genoemde soorten worden verbeterd. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag is dan ook niet nodig. Wel blijft de zorgplicht van toepassing. Dit betekent dat men tijdens de uitvoering van werkzaamheden alert moet zijn op aanwezige fauna en daarbij, indien noodzakelijk, mitigerende maatregelen treft.
Mitigerende maatregelen: • Verstorende werkzaamheden vinden plaats buiten het broedseizoen (15 maart - 15 juli). • Bij verstoring dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor vogels en grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels). • Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten. • Kunstmatige verlichting werkt verstorend op zoogdieren en andere fauna. Werk daarom niet tussen zonsondergang en zonsopkomst. • Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken of groenelementen, zoals bosschages en ruigtes (met name voor vleermuizen). Stikstof Voor het planvoornemen moet bekeken worden wat de invloed is van de stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden. Het Natura 2000-gebied ‘Regte Heide & Riels Laag’ is het dichtstbijzijnd gelegen op circa 7,0 km. Het natura 2000-gebied ‘Ulvenhoutse Bos’ ligt op een afstand van circa 7,5 km van het plangebied. Met behulp van een stikstofdepositieonderzoek (externe bijlage, Ordito B.V., project: realisatie twee woningen, 26 april 2023) is inzichtelijk gemaakt of het planvoornemen van invloed is op de Natura 2000 gebieden.
Het betreft hier een berekening voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. De berekening van de stikstofdepositie is uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator 2022.1. Het planvoornemen in deze berekening betreft de wens om twee vrijstaande woningen te realiseren op het perceel Oranjestraat 100 in Gilze. Het perceel ligt momenteel braak en is onbebouwd. Uit de berekeningen blijkt dat – met de uitgangspunten die in dit onderzoek gedaan zijn gedurende de aanleg- en gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar is berekend. Dit houdt in dat, met betrekking tot stikstofdepositie, negatieve effecten op stikstofgevoelige habitat- en leefgebieden zijn uit te sluiten. De natuurlijke kenmerken van de stikstofgevoelige gebieden blijven onaangetast. Conclusie Het aspect Natuurwetgeving vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
NL.IMRO.0784.BPOranjestraat100-VG01
Bestemmingsplan Oranjestraat 100, Gilze
|41
5.9
Cultuurhistorie
Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.
Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van een ruimtelijk plan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.
Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die in 2024 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Op de CHW 2015 zijn in de omgeving van het plangebied geen waardevolle cultuurhistorische elementen aangegeven. De Oranjestraat is op de CHW 2006 aangewezen als een Lijn van redelijk hoge waarde. De nieuwbouw wordt ingepast in de (historische) lintbebouwing.
NL.IMRO.0784.BPOranjestraat100-VG01
Bestemmingsplan Oranjestraat 100, Gilze
|42
Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart
Cultuurhistorische Waardenkaart gemeente Gilze en Rijen De Erfgoedwet, samen met de nog te implementeren Omgevingswet, verplicht gemeenten om rekening te houden met cultureel erfgoed. De eerste stap om het cultureel erfgoed te verankeren in het gemeentelijk beleid is om te inventariseren welk cultureel erfgoed zich op het gemeentelijk grondgebied bevindt. Deze gegevens kunnen gevisualiseerd worden in de kaart ‘Cultuurhistorische inventarisatie’. Deze kaart geeft op overzichtelijke wijze inzicht in de historisch gevormde ruimtelijke structuur van het landschap en de waardevaste elementen of gebieden, die door wet of verordening worden beschermd. In één oogopslag is daarmee zichtbaar wat de historische structuur van een gebied is en met welke waarden rekening moet worden gehouden bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Uitsnede cultuurhistorische inventarisatiekaart 2022 NL.IMRO.0784.BPOranjestraat100-VG01
Bestemmingsplan Oranjestraat 100, Gilze
|43
Op de cultuurhistorische inventarisatiekaart is de Oranjestraat aangemerkt als weg ouder dan 1830. Het plangebied zelf is niet aangemerkt als historisch object en-/ of structuur. Daarnaast kan gesteld worden dat het planvoornemen aan de Oranjestraat 100 geen impact heeft op de aanwezige objecten en structuren in de directe omgeving. Als aanvulling op de cultuurhistorische inventarisatie geeft de cultuurhistorische waardenkaart met de bijbehorende toelichting een overzicht van de verschillende cultuurlandschappen en hun landschappelijke karakteristiek. Deze kaart dient met de toevoeging van de zogenaamde attentiegebieden tevens als signalering van gebieden, die bij ruimtelijke ingrepen ontzien moeten worden, of waar ruimtelijke ontwikkelingen gepaard moeten gaan met extra zorgvuldigheid. Dit betekent overigens niet dat de zones buiten de attentiegebieden geen behoudenswaardige cultuurhistorische waarden hebben. Uitgaande van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de gemeente Gilze en Rijen (september 2022) ligt het plangebied in cultuurlandschap ‘De Akkers’. Daarnaast is het plangebied gelegen in een attentiegebied.
Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart 2022
Cultuurlandschap ‘De Akkers’ Historisch beeld Lange tijd lagen de akkercomplexen of essen in de gemeente Gilze en Rijen als duidelijk begrensde eilanden in uitgestrekte, onontgonnen ‘woeste gronden’ oftewel heidegronden en bossen. De kavelscheidingen op een es bestonden uit nauwelijks zichtbare greppels, grasstroken of stenen waardoor de essen, ondanks het versnipperde bezit, een grootschalige indruk boden. Om het vee en het wild van de akkers te weren, waren de essen vaak omgeven door houtwallen. In de akkers NL.IMRO.0784.BPOranjestraat100-VG01
Bestemmingsplan Oranjestraat 100, Gilze
|44
lagen de dorpen en gehuchten. Het grote akkercomplex in het zuidelijke deel van de gemeente omvatte de gehuchten Kerkstraat, Nerhoven, Aalstraat, Weilenseind, Bolberg, Horst, Brakken, Biestraat, Verhoven, Driehoek en Den Aart. Haansberg, Laagstraat, Rijen, De Hoek en Laareind lagen in een langgerekt, noordnoordwest-zuidzuidoost georiënteerd akkergebied in het noordwesten van de gemeente. De overige gehuchten, zoals Lange Reit, Molenschot, Berkeind en Lage Vossenberg, Hooge Vossenberg en tot slot Hulten lagen in kleinere akkercomplexen. Cultuur landschap, attentiegebied Op de cultuurhistorische waardenkaart zijn gebieden aangegeven die gekenmerkt worden door een groot aantal cultuurhistorische elementen en die een nog relatief intacte historische structuur en grote landschappelijke gaafheid bezitten. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn wel mogelijk, zolang de aanwezige landschappelijke kwaliteit gewaarborgd wordt. Voor deze gebieden geldt de algemene richtlijn de cultuurhistorische waarden in te passen in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen door de bekende cultuurhistorische elementen als uitgangspunt en inspiratiebron te nemen bij nieuwe ontwerpen.
Voor een ontwikkeling in een gebied groter dan 0,5 ha, liggend in of deels liggend in een attentiegebied, dient een cultuurhistorische effectrapportage (CHER) te worden opgesteld om de gevolgen van de voorgenomen werkzaamheden op de cultuurhistorische waarde van het gebied te kunnen beoordelen en een afweging te kunnen maken hoe met de aanwezige cultuurhistorische waarden dient te worden omgegaan. Voor werkzaamheden die moeten worden uitgevoerd in het kader van het reguliere onderhoud en beheer van gebieden zal geen cultuurhistorische effectrapportage worden verlangd. Het plangebied waarbinnen twee woningen worden gerealiseerd op een kavel van circa 1.768 m 2 is kleiner dan 0,5 ha waardoor het opstellen van een cultuurhistorische effectrapportage niet noodzakelijk is. Conclusie De ontwikkeling tast de aanwezige cultuurhistorische waarden niet aan. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.10
Archeologie
Beleid Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.
Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming.
NL.IMRO.0784.BPOranjestraat100-VG01
Bestemmingsplan Oranjestraat 100, Gilze
|45
Gemeentelijk archeologiebeleid Op 19 december 2022 heeft de gemeenteraad de Archeologische verwachtings- en beleidskaart vastgesteld. Beleidskaart Archeologie Gilze Rijen (2022) De archeologische beleidskaart is in een aantal fases tot stand gekomen. Allereerst is gestart met een inventarisatie van de reeds bekende archeologische waarden, historische relicten, landschappelijke en geomorfologische opbouw, alsook bodem. Dit heeft geresulteerd in een archeologische informatiekaart, historische relictenkaart, archeolandschappelijke eenhedenkaart en een bodemkaart. Op basis van de inventarisatiekaarten zijn twee verwachtingskaarten vervaardigd: ‘Jagers en Verzamelaars’ en ‘Boeren- en Staatse samenlevingen’. Ten slotte is aan de verschillende verwachtingseenheden beleid gekoppeld, waarmee de archeologische beleidskaart is ontstaan. De kaart houdt rekening met de specifieke context van de gemeente Gilze en Rijen. De bepaling van verwachtingen is zowel gebaseerd op actuele wetenschappelijke inzichten, als op een studie van technische gegevens. De beleidskaart wordt vertaald in de bestemmingsplannen In het beleidsplan onderscheidt de gemeente een 7-tal verwachtingen, variërend van een zeer hoge tot een verwaarloosbare archeologische verwachting. Per verwachtingswaarde heeft de gemeente bepaald wat de vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek.
Uitsnede archeologische beleidskaart
Het plangebied ligt volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Gilze en Rijen in de zone categorie 3/ categorie 8a. Dit betekent dat het plangebied reeds is onderzocht en vrijgesteld van onderzoek.
NL.IMRO.0784.BPOranjestraat100-VG01
Bestemmingsplan Oranjestraat 100, Gilze
|46
Onderzoek Voor het planvoornemen om aan de Oranjestraat 100 te Gilze twee woningen te realiseren is een actualiserend bureau- en verkennend bodem onderzoek uitgevoerd (externe bijlage, rapportnr AM23071, d.d. 10 oktober 2023). Het volledige rapport is opgenomen in de bijlage. Met de bouw zal de bodem geroerd worden. De diepte van de toekomstige bodemverstoring is op dit moment onbekend, maar uitgaande van een standaard funderingsdiepte zonder onderkeldering, zal de bodemverstoring tot ten minste 80 centimeter (vorstvrije diepte) beneden maaiveld reiken. Het archeologisch vooronderzoek heeft conform de beleidskaart bevestigd dat vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven noodzakelijk is. Dit waardestellende onderzoek zal worden uitgevoerd binnen de bestemmingsplanprocedure. De dubbelbestemming Waarde- archeologie 3 blijft tot die tijd behouden. Selectiebesluit Het advies aan de gemeente Gilze en Rijen is om in te stemmen met het advies van Aeres om vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van proefsleuven. Hierbij wordt 10% van het hele plangebied onderzocht middel proefsleuven. Hieruit moet blijken of er een vindplaats aanwezig is binnen het plangebied en zo ja, of deze opgegraven dient te worden of in de bodem behouden kan blijven. De bedoeling van de wetgever is om archeologie zo ver mogelijk voorin de ruimtelijke procedures goed in beeld te hebben.
Dat doe je door binnen de bestemmingsplanprocedure de archeologische monumentenzorg zover mogelijk te (laten) doorlopen. Dat geldt in dit geval tot en met de stap van het proefsleuvenonderzoek (er is een waardering nodig). Je kunt dan beredeneerd van een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ afzien als er geen sprake blijkt te zijn van een archeologische vindplaats. Dit is een voordeel voor de ontwikkelaar. Indien er een vindplaats aanwezig blijkt te zijn, wordt voorzien in een nieuwe dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’. Uiteindelijk volgt dan bij de omgevingsvergunning een vergunning onder archeologische voorwaarden. Dat kan zijn: een behoudsmaatregelenplan indien de vindplaats in de bodem behouden kan worden of een Programma van Eisen voor de opgraving van de vindplaats voor zover deze verstoord gaat worden. Tot het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd, dient de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ behouden te blijven. De lijn van de gemeente is dat dit proefsleuvenonderzoek binnen de bestemmingsplanprocedure wordt uitgevoerd. Door het behouden van de dubbelbestemming Waarde – archeologie 3 wordt gewaarborgd dat het vervolgonderzoek wordt uitgevoerd. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.11
Vliegbasis Gilze-Rijen
IHCS – 1 Gilze ligt geheel binnen het horizontale obstakelvrije vlak van vliegbasis Gilze-Rijen (onderdeel van de Inner Horizontal en Conical Surface, IHCS). Voor dit vlak geldt een bouwhoogtebeperking van 56 meter boven NAP. Ervan uit gaande dat het maaiveld ter hoogte van het plangebied maximaal 18 meter boven NAP ligt, betekent dit dat nergens in het plangebied hoger dan 38 meter mag worden gebouwd. Daarnaast ligt Gilze deels in de funnel van de vliegbasis. De funnel is een obstakelvrij start- en landingsvlak waarvan de bouwhoogtebeperking binnen het plangebied oploopt van circa 30 meter
NL.IMRO.0784.BPOranjestraat100-VG01
Bestemmingsplan Oranjestraat 100, Gilze
|47
boven NAP tot 56 meter boven NAP. Dit kan worden vertaald in maximale bouwhoogtes van 25 tot 115 meter ten opzichte van het maaiveld. Toetsing De hoogtebeperking welke geldt op de planlocatie brengt geen beperkingen met zich mee voor de beoogde ontwikkeling. De bouwregels maken geen bebouwing hoger dan 10 meter mogelijk. Het bouwplan op de planlocatie blijft ver onder deze maximale bouwhoogtes. Munitiezone Luchtvaart is te beschouwen als een risicovolle activiteit. Het huidige externe veiligheidsbeleid is met name gericht op ‘stationaire bronnen’ (fabrieken, opslagplaatsen, e.d.) en op het vervoer van gevaarlijke stoffen (weg, water, spoor en buisleidingen). In de luchtvaart gaat het op ‘bewegende bronnen’, die een ander risicobeeld met zich mee brengen. Daarom wordt voor de luchtvaart specifiek extern veiligheidsbeleid ontwikkeld, dat zal worden geïmplementeerd in de Wet Luchtvaart. Het beleid beperkt zich op dit moment nog tot Schiphol. Voor militaire vliegvelden blijft het Ministerie van Defensie verantwoordelijk. Toetsing Het huidige toetsingskader legt geen beperkingen op aan ontwikkelingen in het plangebied. Wel is op de vliegbasis Gilze-Rijen een munitiecomplex aanwezig. Het plangebied ligt buiten de beschermingszones rond dit complex. Geluid Over Gilze vallen twee zoneringen die verband houden met het aspect geluid.
Enerzijds ligt een gedeelte van Gilze binnen de zone industrielawaai van de proefdraai - installatie op de vliegbasis. Anderzijds gelden voor een gedeelte van Gilze beperkingen vanwege luchtverkeerslawaai. 50 dB(A)-zone Op de vliegbasis Gilze-Rijen is een proefdraai-installatie toegestaan. Een dergelijke installatie moet worden aangemerkt als een geluidzoneringsplichtige inrichting (een zogenaamde ‘grote lawaaimaker’) en is als zodanig voorzien van een 50 dB(A)-contour. Buiten deze contour mag de geluidbelasting, vanwege de proefdraai-installatie, niet meer bedragen dan 50 dB(A). Binnen de 50 dB(A)-contour mogen niet zonder meer nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen worden geprojecteerd. Voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen geldt dat door het College van Burgemeester en Wethouders een ontheffing voor een hogere waarde tot maximaal 55 dB(A) kan worden verleend. Toetsing Het plangebied ligt buiten de 50 dB(A)-contour rond de proefdraai-installatie. De ligging van de 50 dB(A)-contour levert derhalve geen belemmering op voor dit bouwplan. Luchtverkeerslawaai (Ke-zonering) De maximaal toelaatbare geluidbelasting in het kader van het Besluit geluidbelasting grote luchtvaart, wordt gemeten in Kosteneenheden (Ke). De grens voor de maximaal toelaatbare geluid belasting voor nieuwe geluidgevoelige objecten bedraagt in principe 35 Ke.
Voor nieuwe woningen die een open plek in de bestaande, te handhaven bebouwing opvullen en voor herbouw van bestaande woningen geldt een grenswaarde van 40 Ke. Voor woningen die noodzakelijk zijn uit oogpunt van bedrijfs- of grondgebondenheid en voor reeds geprojecteerde woningen geldt een grenswaarde van 45 Ke. Voor bestaande geluidgevoelige objecten (waaronder woningen) geldt in principe een grenswaarde van 40 Ke. Als gevelmaatregelen zijn getroffen, zijn voor bestaande geluidgevoelige objecten hogere grenswaarden (tot 65 Ke) toegestaan.
NL.IMRO.0784.BPOranjestraat100-VG01
Bestemmingsplan Oranjestraat 100, Gilze
|48
Gilze ligt gedeeltelijk binnen de 40 Ke-contour van vliegbasis Gilze-Rijen. Op de gronden die binnen deze aanduiding vallen, mag in principe geen geluidgevoelige bebouwing worden opgericht, op enkele uitzonderingen na. Toetsing Het plangebied ligt buiten de 40 Ke-contour van de vliegbasis Gilze-Rijen. De ligging van de Kecontouren levert derhalve geen belemmering op voor het planvoornemen. Conclusie De vliegbasis Gilze-Rijen vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.12
Mer-beoordeling
Algemeen Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG – richtlijn milieueffectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elke besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrij m.e.r.-beoordeling gebruikt.
Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-beoordelingsplichtig, in het andere geval dient een m.e.r.- beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG – richtlijn milieueffectbeoordeling. Onderzoek Het bouwen van woningen valt onder activiteit D.11.2 in bijlage II van het Besluit m.e.r. onder de term ‘stedelijk ontwikkeling’. De drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit met D.11.2. in bijlage II van het Besluit, vermeld: • Een oppervlakte van 100 hectare of meer; • Een aangesloten gebied en 2.000 of meer woningen. Met het planvoornemen worden 2 vrijstaande woningen gebouwd. Het planvoornemen ligt ver beneden de drempelwaarde zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Gevoelige gebieden In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied is in geen van dergelijke gevoelige gebieden gelegen.
Er is dus geen sprake van significante nadelige effecten voor het milieu.
NL.IMRO.0784.BPOranjestraat100-VG01
Bestemmingsplan Oranjestraat 100, Gilze
|49
Milieugevolgen In voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk zijn de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, etc. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling geen sprake is van nadelige milieugevolgen.
Conclusie Het aspect mer-beoordeling vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.13
Niet gesprongen explosieven
De raad van de gemeente Gilze en Rijen heeft in februari 2013 besloten een risico-kaart te laten opstellen om niet gesprongen explosieven in kaart te brengen. Op deze kaart worden gebieden met het risico op niet gesprongen explosieven inzichtelijk gemaakt. Vóór de start van de bouw wordt het plangebied eventueel nader onderzocht op niet gesprongen explosieven. Hiermee wordt voorkomen dat bij aanvang van de bouw eventueel nog explosieven aanwezig zijn. Onderzoek Door REASeuro is in juni 2023 een onderzoek ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd. Het volledige rapport is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek is het volgende naar voren gekomen: De gemeente Gilze en Rijen beschikt over een beleidsnota en beleidskaart ‘Omgaan met Niet Gesprongen Explosieven uit de Tweede Wereldoorlog’ voor de gehele gemeente. Deze beleidsnota is in december 2018 opgesteld door Antea Group in samenwerking met REASeuro (projectnummer 414591). Tussen 1940 en 1944 was het nabijgelegen vliegveld Gilze-Rijen in Duitse handen en was het in deze periode herhaaldelijk het doelwit van geallieerde (jacht)bommenwerpers. Bij deze bombardementen zijn in een breed gebied rondom het vliegveld bommen terechtgekomen, waaronder in het dorp Gilze. Op basis van het Historisch Vooronderzoek is een verwachtingsgebied voor afwerpmunitie afgebakend ter plaatse van de projectlocatie.