CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.1 Rapport Gemeente Gilze en Rijen, Archeologische verwachtings- en beleidskaart, een actualisatie

Gemeenteraad 19 december 2022, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel Archeologische verwachtings- en beleidskaart38.516 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Het is hierbij essentieel dat deze informatie zorgvuldig in rapportages en databases wordt vastgelegd voor (eventueel) toekomstig onderzoek en toekomstige generaties en dat het verhaal van de locatie voor een groot publiek toegankelijk wordt gemaakt. Naast het behouden van de archeologische vindplaatsen in de bodem als kennisbron is ook het behoud en het bewustmaken van de aanwezigheid van de nog bestaande cultuurhistorische elementen in het landschap een belangrijk onderdeel van de AMz. De archeologische beleidskaart kan hier een grote bijdrage aan leveren. In hoofdstuk 5 is uiteengezet hoe de archeolandschappelijke eenheden- en bodemkaart, alsook de twee archeologische verwachtingskaarten tot stand zijn gekomen en welke argumentatie is gebruikt om te kunnen komen tot de benoeming van de verschillende verwachtingen. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op het gemeentelijk beleid. Daarbij zal de uit de verwachtingskaart gedestilleerde beleidskaart worden besproken en hoe met terreinen van een bepaalde archeologische verwachting omgegaan dient te worden in het ruimtelijk beleid. Dit beleid is van evident belang om het doel van de verwachtingskaarten, namelijk om te komen tot een juiste en zorgvuldige omgang met (mogelijke) archeologische waarden in de bodem, te kunnen bereiken.

Ook wordt ingegaan op de verschillende archeologische onderzoeksmethoden die gevolgd moeten worden indien behoud niet mogelijk is.

6.2 Archeologiebeleid in de gemeente Gilze en Rijen In hoofdstuk 1 is ingegaan op de wettelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van het archeologische erfgoed van het Rijk, de provincie en de gemeente. In deze paragraaf wordt ingegaan op het beleid dat de gemeente Gilze en Rijen in het nieuwe omgevingsbeleid zal gaan voeren met betrekking tot archeologisch erfgoed.

71

Een actualisatie, 2022

6.2.1 Werkwijze tot op heden De gemeente Gilze en Rijen werkt sinds 2010 conform de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) die per 1 september 2007 in werking is getreden. De werkwijze is in de beleidsnota Gilze en Rijen, van onderaf bekeken in 2010 vastgelegd.87 In deze beleidsnota wordt verwezen naar de Beleidskaart Gilze en Rijen. Deze Beleidskaart is destijds opgesteld door de SRE Milieudienst.88 In de beleidsnota wordt echter gesteld dat de betreffende kaart regelmatig geactualiseerd dient te worden.89 In de beleidsnota is tevens een archeologieverordening opgenomen met daarin de standaard regels ter bescherming van archeologische waarden en verwachtingen.90 De gemeente Gilze en Rijen past deze regels sinds 2010 in haar bestemmingsplannen toe. Deze standaardregels zijn op de beleidskaart uit 2010 gebaseerd.

Figuur 6.1 De huidige archeologische beleidskaart van de gemeente Gilze en Rijen zoals opgesteld in 2010.

Op deze kaart is onderscheid gemaakt in zeven categorieën. Ter plaatse van gebieden behorende tot categorie 1, bestaande uit beschermde archeologische monumenten, is archeologisch onderzoek vereist bij alle bodemingrepen, ongeacht diepte of plangebiedgrootte. In principe geldt hier een bouwverbod, tenzij ontheffing wordt verleend. Dergelijke terreinen waren destijds (2010) en ook nog momenteel niet aanwezig binnen de gemeente Gilze en Rijen. Ter plaatse van gebieden behorende tot categorie 2, bestaande uit gebieden van (hoge) archeologische waarde, is archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen die dieper reiken dan 40 cm-mv in plangebieden die groter zijn dan 100 m2. De gebieden met een hoge archeologische verwachting, historische kern worden gerekend tot categorie 3. Hiervoor geldt dat archeologisch onderzoek vereist is bij bodemingrepen die dieper reiken dan 40 cm-mv in plangebieden die groter zijn dan 250 m2. De gebieden met een hoge archeologische verwachting worden gerekend tot categorie 4. Hiervoor geldt dat archeologisch onderzoek vereist is bij bodemingrepen die dieper reiken dan 40 cm-mv in plangebieden die groter zijn dan 500 m2. Een relatief klein gedeelte van de gemeente behoort op de bestaande 87

Berkvens 2010. Berkvens 2010. 89 Berkvens 2010. 90 Gemeente Gilze en Rijen 2010. 88

Archeologische Beleidskaart Gemeente Gilze en Rijen

72

beleidskaart tot terreinen met een middelhoge archeologische verwachting. Deze gebieden worden gerekend tot categorie 5, waarbij archeologisch onderzoek vereist is bij bodemingrepen die dieper reiken dan 40 cm-mv in plangebieden die groter zijn dan 2.500 m2. Het grootste deel van de gemeente behoort op de bestaande beleidskaart tot terreinen met een lage archeologische verwachting. Deze gebieden worden gerekend tot categorie 6, waarbij archeologisch onderzoek vereist is bij bodemingrepen die dieper reiken dan 40 cm-mv in plangebieden die groter zijn dan 25.000 m2. De gebieden zonder archeologische verwachting worden gerekend tot categorie 7. Voor deze gebieden gelden geen restricties. Tot slot zijn er nog gebieden waar de bodem mogelijk tot in het archeologisch relevante niveau is verstoord. Dit betreft een signaalwaarde en is geen categorie op zich. Onderliggende categorie is geldend. 6.2.2 Voormalig instrumentarium Bij het opstellen van bestemmingsplannen en bij de toetsing van voorgenomen bodemverstoringen is tot 2010 gebruik gemaakt van de Archeologische MonumentenKaart (AMK, bekende archeologische waarden) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW, de zogenaamde archeologische verwachtingszones). De laatste kaart heeft vanwege de kleine schaal (1:50.000) een beperkte gebruikswaarde (zie ook paragraaf 5.4).

Vandaar dat de gemeente Gilze en Rijen in 2010 opdracht heeft gegeven om een gemeentelijke archeologische verwachtings-kaart en beleidskaart op te stellen. Dit kaartmateriaal is destijds gemaakt door de SRE Milieudienst.91 Dit kaartmateriaal is echter alweer wat verouderd. Vandaar dat de gemeente Gilze en Rijen BAAC in 2020 opdracht heeft gegeven om de bestaande kaarten te actualiseren en, vooruitlopend op de nieuwe wetgeving, waar nodig aan te passen. 6.2.3 Bevoegd gezag, nieuw instrumentarium Gemeenten zijn wettelijk verantwoordelijk voor het archeologisch erfgoed binnen hun grenzen. Om deze bevoegdheid te realiseren is middels onderhavig rapport en bijbehorend kaartmateriaal een goed onderbouwde archeologische beleidskaart voor de gemeente Gilze en Rijen ontwikkeld. In deze archeologische beleidskaart zijn de bekende en te verwachten archeologische waarden binnen de gemeente gecombineerd. Belangrijke meerwaarde van de archeologische beleidskaart (inclusief rapportage) is dat de onderbouwing van dermate kwaliteit is, dat de kaart voldoet aan de eisen zoals in de nog te implementeren Omgevingswet worden gesteld. Tijdens de behandeling van de Omgevingswet in de Tweede Kamer in 2015 heeft CDA-kamerlid Ronnes een amendement ingediend dat betrekking had op de archeologische monumentenzorg.

In de politiek heerste de gedachte dat veel bestaande archeologische beleidskaarten niet goed genoeg onderbouwd zouden zijn. Men kwam tot de conclusie dat initiatiefnemers nodeloos verplicht zouden worden tot het laten uitvoeren van archeologisch onderzoek. Dit heeft voornamelijk betrekking op gebieden waaraan een archeologische verwachting is toegekend, niet op gebieden met een al bekende archeologische waarde. Verreweg het grootste deel van het grondgebied van gemeenten bestaat echter uit gebieden met een archeologische verwachting (zo ook binnen de gemeente Gilze en Rijen). Als gevolg van het amendement van Ronnes dienen vanaf de implementatie van de Omgevingswet in de omgevingsplannen zowel de archeologische waarden als de aantoonbaar te verwachten waarden te worden weergegeven. Daarmee wordt bedoeld dat de verwachting moet zijn gebaseerd op expliciete en specifiek lokale archeologische en bodemkundige informatie. Bij het vervaardigen van de geactualiseerde beleidskaart is van dermate specifieke bronnen gebruik gemaakt, dat gesproken mag worden van een aantoonbare verwachting. Zo is de database betreffende de bekende vondsten in Archis 91

73

Berkvens en Bosman 2010 en Berkvens 2010.

Een actualisatie, 2022

geverifieerd (onder andere op de juiste coördinaten). Deze database is gebruikt voor het vervaardigen van statistische modellen, waarop de toegekende verwachting (deels) is gebaseerd. Gezien de relatief geringe hoeveelheid vindplaatsen mogen deze statistische modellen als ondersteunend worden beschouwd (zie paragraaf 5.4). Er zou beargumenteerd kunnen worden dat de basis voor de landschappelijke eenhedenkaart, namelijk de geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000 92 te grootschalig is om een gedetailleerde landschappelijke eenhedenkaart te kunnen maken. Om dat probleem te ondervangen is de archeolandschappelijke eenhedenkaart verfijnd met behulp van gedetailleerde bodemkaarten, landschappelijke reconstructies uit bestaande archeologische rapporten en met het Actueel Hoogtebestand Nederland (zie hoofdstuk 5). De archeolandschappelijke eenhedenkaart is derhalve op perceelsniveau gedetailleerd, op basis van de beschikbare bronnen en het beschikbare budget. Al met al mag worden geconcludeerd dat de onderhavige beleidskaart voldoet aan de eis dat de onderliggende archeologische verwachting een beredeneerde en daarmee een onderbouwde ‘aantoonbare’ verwachting betreft.93 6.2.4 Verplichtingen en keuzemogelijkheden Naast wettelijke verplichtingen is er ook beleidsruimte voor de gemeente. Onder de gemeentelijke verplichtingen vallen onder andere: • •

• • •

het college (burgemeester en wethouders) draagt zorg voor de archeologisch monumenten binnen de gemeentegrenzen. de raad (vierjaarlijks gekozen volksvertegenwoordigers) houdt rekening met archeologie bij het vaststellen van bestemmingsplannen (omgevingsplannen) en weegt het archeologisch/cultuurhistorisch belang af tegenover andere belangen. het college neemt op basis van een advies van de archeoloog/beleidsadviseur archeologie een besluit; het college zorgt voor voldoende deskundigheid; het college actualiseert regelmatig vastgesteld beleid;

De gemeente heeft echter ook keuzemogelijkheden: •

• •

de raad kan door middel van een beleidskaart beargumenteerd afwijken van de onderzoeksvrijstelling van 100 m2, die in de Erfgoedwet wordt genoemd; de raad kan extra beschermingsmaatregelen nemen; de raad kan een actieve houding aannemen ten aanzien van de ontsluiting van het erfgoed (zowel ten aanzien van publieksbereik als het ontsluiten van data);

In de navolgende paragrafen zal nader worden ingegaan op enkele van bovenstaande punten.

Ruimtelijke ordening Aan de hand van de beleidskaart kan nauwkeurig worden aangegeven welke aanwezige en te verwachten waarden voorkomen in het gebied van een op te stellen omgevingsplan. Dit is als verplichting opgenomen in de Omgevingswet die (naar verwachting) in 2022 zal worden geïmplementeerd. De archeologische waarden worden afgewogen tegen andere belangen.

92

Stiboka 1981. Strikt genomen en semantisch gezien is bij een aantoonbare verwachting eigenlijk al sprake van een archeologische waarde, want ‘aangetoond’. Het begrip wordt hier dus gezien als synoniem voor een beredeneerde, onderbouwde verwachting. 93

Archeologische Beleidskaart Gemeente Gilze en Rijen

74

Het gemeentelijke archeologiebeleid zal in de regels van het bestemmingsplan (vanaf 2022: omgevingsplan) vertaald worden. Er worden in de regels archeologiebeschermende maatregelen voorgeschreven bij het verlenen van omgevingsvergunningen (bouwen, aanleggen, slopen, andere werken).

Onderzoeksvrijstellingenbeleid De gemeente heeft van de wetgever ruimte gekregen om beargumenteerd af te wijken van de wettelijke onderzoeksvrijstelling van 100 m2. De onderzoeksvrijstelling is in het leven geroepen om relatief kleine bodemverstoringen vrij te stellen van onderzoek. Relatief moet gezien worden in het licht van de waardestelling van de aanwezige waarden, dan wel de inschatting van de te verwachten waarden. Met het vrijstellingenbeleid kan bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak voor effectief archeologisch onderzoek worden verkregen. Op de beleidskaart wordt onderscheid gemaakt in de categorieën aanwezige en te verwachten archeologische waarden. In paragraaf 6.4 zal per categorie de onderzoeksvrijstelling aangegeven worden. Bij het formuleren van de onderzoeksvrijstelling is de aard en de dichtheid van de aanwezige/te verwachten archeologische waarden leidend. Ook is gekeken naar wat gangbaar is in Nederland en hoe andere (buur)gemeenten hiermee omgaan.

Rol Bevoegd gezag Om de regierol over het archeologisch erfgoed van de gemeente goed te kunnen vervullen, beschikken sommige gemeenten over eigen expertise in de vorm van een stadsarcheoloog en gemeentelijke archeologen. De gemeente Gilze en Rijen beschikt niet over dergelijke specialisten en heeft derhalve besloten om gebruik te maken van de expertise van Regio West-Brabant. De specialisten van dit samenwerkingsverband tussen de 16 gemeenten in West-Brabant worden indien nodig benaderd voor advies ten aanzien van goedkeuring van wettelijk verplichte programma’s van eisen (PvE’s) voor sleuvenonderzoek, begeleidingen en opgravingen, plannen van Aanpak (PvA’s) voor booronderzoek, inhoudelijk overleg met aanvragers en bureaus, het beoordelen van conceptrapportages, de goedkeuring van definitieve rapportages van onderzoek en advisering aan het college. Een rapportage van een inventariserend (veld)onderzoek wordt afgesloten met een aanbeveling of selectieadvies, zoals het vrijgeven van het terrein, het adviseren van nader onderzoek of het pleiten voor behoud in situ. Het bevoegd gezag dient het betreffende rapport op inhoud en beleid te beoordelen en goed te keuren (zodra het rapport in orde is). Vervolgens dient het bevoegd gezag (het college van B&W) een besluit te nemen door wel of geen voorwaarden in de omgevingsvergunning op te nemen ten aanzien van archeologie.

Aanvullend op bovenstaande en op het beleid zoals weergegeven op de beleidskaart is het vereist dat het onderzoek betreffende het gemeentelijk erfgoed wordt uitgevoerd op grond van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, meest actuele versie). 94 Omdat de KNA alleen bindend is voor de archeologische beroepsgroep, dient de gemeente expliciet de KNA in haar beleid op te nemen om ook opdrachtgevers aan de KNA te verbinden, zodat zij deze ook op het naleven hiervan kan aanspreken. Hierdoor wordt een minimum kwaliteit van het archeologisch onderzoek in de gemeente gewaarborgd. Overigens kan de gemeente middels eigen (aanvullende) richtlijnen ook extra eisen stellen aan archeologisch onderzoek. De gemeente Gilze en Rijen heeft dergelijke aanvullende richtlijnen 94

Dit is een landelijk geldende minimumnorm, die beschrijft hoe archeologische onderzoeksprocessen er uit moeten zien en de rollen van de verschillende spelers in het veld (archeologische bedrijven, opdrachtgevers van onderzoek, bevoegd gezag en depothoudende partijen). De KNA wordt regelmatig geactualiseerd en is raadpleegbaar op www.SIKB.nl.

75

Een actualisatie, 2022

opgesteld.95 In 2022 volgen tevens regionale richtlijnen voor archeologisch onderzoek binnen de Regio West-Brabant. De gemeente Gilze en Rijen zal deze regionale richtlijnen volgen.

Deskundigheid Momenteel wordt het beleidsterrein bemand door een algemeen beleidsmedewerker met op afroep externe ondersteuning door een lid van het archeologisch team van Regio West-Brabant.96 Echter, archeologie is een kennisvak. Lokale kennis van bodem, landschap en de bewoningsgeschiedenis is onontbeerlijk voor een juiste interpretatie van grondsporen en vondsten. Veel kennis wordt nu in de archeologische beleidskaart verwerkt, maar er komt jaarlijks ook kennis bij door onderzoek en er zullen nieuwe inzichten ontstaan. De kaart en het overige archeologiebeleid zal, om verschillende redenen, regelmatig moeten worden geactualiseerd. 97 Bovendien is het van belang dat de cultuurhistorie, en dat geldt zeker voor de archeologie, van meet af aan in beeld is bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Extra beschermingsmaatregelen Bij verordening kan de raad regels vaststellen die extra bescherming geven aan het archeologische erfgoed. Hierbij kan gedacht worden aan maatregelen om bij bouwplannen archeologievriendelijk te bouwen, bijvoorbeeld door anders te funderen, ontgravingen zoveel mogelijk te vermijden en door controle van grondwaterstanden in natte gebieden. Maar ook het opnemen in een Algemene Plaatselijke Verordening van een verbod om een metaaldetector te gebruiken op archeologierijke terreinen is een voorbeeld van een dergelijke extra beschermingsmaatregel.

Inzet amateur-archeologen en -historici Daar waar het professionele onderzoek ophoudt (bijvoorbeeld in gebieden die zijn gedeselecteerd voor vervolgonderzoek), kan op advies van de gemeente een amateur-archeoloog worden ingezet. Hiertoe kan een protocol worden opgesteld. In dit protocol dient te worden beschreven voor welke situaties dit kan gelden, hoe het proces in werking treedt en onder welke voorwaarden de amateur zijn werk dient te verrichten. Daar waar de gemeente opdrachtgever is van een archeologisch onderzoek, kan zij het uitvoerend bureau opdragen amateur-archeologen bij het onderzoek te betrekken. Zij werken dan onder verantwoordelijkheid van het uitvoerende bureau. De gemeente heeft momenteel geen protocol voor de inzet van amateur-archeologen en -historici. Wel is in de beleidsnota van 2010 een paragraaf opgenomen met betrekking tot de inzet van amateur-archeologen.98 De belangrijkste punten uit deze paragraaf luiden als volgt: De volgende rollen en taken zijn er voor vrijwilligers weggelegd: Signaleren (ogen en oren van de archeologie) Belangenbehartiging archeologie (geweten van de archeologie) Het kritisch volgen van archeologisch onderzoek Meewerken aan archeologisch onderzoek Het zelfstandig uitvoeren – in bepaalde gevallen – van archeologisch onderzoek.

Dat is alleen toegestaan nadat er een negatief selectiebesluit genomen is ten aanzien van verder onderzoek. Archeologie zichtbaar maken en meewerken aan onderhoud en beheer van archeologische monumenten.

95

Bijlage 4 in Berkvens 2010. De leden van het team Archeologie van Regio West-Brabant fungeren als direct adviesorgaan van het college en zijn daarmee extern gezeten interne deskundigen. 97 Dit rapport betreft de eerste actualisatie sinds de vervaardiging van de beleidskaart in 2010. 98 Paragraaf 7.3 in Berkvens 2010. 96

Archeologische Beleidskaart Gemeente Gilze en Rijen

76

-

Presentatie, het geven van publieksvoorlichting zodat archeologisch erfgoed een groter draagvlak krijgt.

Door hun gebiedskennis kunnen amateur-archeologen een belangrijke bijdrage leveren aan onderzoek en bij het uitdragen van archeologische kennis naar het publiek.

Publieksontsluiting Zoals in de beleidsnota uit 2010 al is opgeschreven,99 vormen archeologische relicten, als onderdeel van het historisch- (steden-)bouwkundig en het landschappelijk erfgoed, een zeer belangrijke bron van informatie en inspiratie voor de historiebeleving en lokale identiteit. Dit is in de beleidsnota 2010 als volgt verwoord; ‘Ieder bodemarchief bevat een aantal karakteristieke en “regio-eigen” bijzondere elementen. Zij vormen de basis voor de historische identiteit van een dorp en haar inwoners. Historisch en archeologisch erfgoed herinnert er aan dat cultuur met al haar facetten en waarden niet slechts op dit moment bestaat, maar ook een betekenis heeft die decennia of zelfs eeuwen ver terug in de tijd kan reiken. Voor velen heeft de kwaliteit van de leefomgeving iets te maken met historische wortels. Vaak in de vorm van ankerpunten in het landschap als oude gebouwen, een boom of een pad, waaraan een historisch verhaal of gebeurtenis is verbonden. Het ontbreken van dit soort zaken wordt in nieuwe woon- en werkgebieden bewust of onbewust als een gemis ervaren. Archeologie en cultuurhistorie kunnen een tegenwicht bieden aan de toenemende eenvormigheid van onze leefomgeving.

Ze draagt bij aan de identiteit die mensen ontlenen aan een gebied of plek en fungeren op die manier als inspiratiebron en kwaliteitsimpuls voor ruimtelijke opgaven.’ Om deze ‘bron van informatie en inspiratie’ zo toegankelijk mogelijk te maken voor het publiek, is publieksontsluiting van groot belang. Onder publieksontsluiting wordt het geheel van maatregelen, die dienen om de bevolking en geïnteresseerden kennis te laten maken met het archeologisch erfgoed en de onderzoeken, verstaan. Hiermee kan draagvlak worden verkregen voor het archeologiebeleid en het archeologisch erfgoed van de gemeente Gilze en Rijen. Bij toekomstige mogelijkheden voor publieksontsluiting kan worden gedacht aan de volgende punten: •

Archeologische onderzoeken via digitale kaart ontsluiten Op de archeologische beleidskaart staan de onderzoeksgebieden weergegeven. Met een link zou er archeologische informatie over de locatie aan gekoppeld kunnen worden. De bijbehorende rapporten kunnen op aanvraag beschikbaar gemaakt worden;

•

Gemeentelijk beleid uitdragen Het gemeentelijke erfgoedbeleid kan via de gemeentelijke website voor het publiek worden ontsloten;

•

Het verbeelden van erfgoed Bij de inrichting van nieuwe gebieden kan eventueel aangetroffen archeologisch erfgoed waar mogelijk bovengronds verbeeld worden of kan het aangegrepen worden om de inrichting van de locatie aan te passen of vorm te geven. Ook kunnen de verhalen van archeologische vindplaatsen middels folders, boeken, lezingen en open dagen worden verteld;

•

Provinciaal Depot Bodemvondsten (PDB) In het PDB (archeologisch depot provincie Noord-Brabant) wordt de provinciale collectie archeologie bewaard. De provincie kan worden gevraagd om vondsten uit te lenen voor gemeentelijke exposities.

99

77

Berkvens 2010.

Een actualisatie, 2022

•

Folders Historische verenigingen hebben een belangrijke rol in het uitdragen van de lokale geschiedenis binnen de gemeente. Zij doen dit middels het organiseren van excursies en lezingen, maar ook door het uitbrengen van tijdschriften. Om de weg naar deze organisaties makkelijker vindbaar te maken, kan de gemeente besluiten om dergelijke verenigingen te faciliteren. Zo kan bijvoorbeeld een nieuwsbrief uitgegeven worden waarin actueel nieuws aangaande de historische verenigingen is opgenomen.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft de Tweede Kamer toegezegd om de Erfgoedwet op het onderdeel archeologie te evalueren. Daarin dient ook het publieksbereik van archeologie aan de orde te komen. Het verdrag van Valletta heeft het publieksbereik van archeologie op de kaart gezet. Bij de ratificatie van dat verdrag heeft Nederland weliswaar artikel 9 niet verwerkt in nationale wetgeving, maar dat laat onverlet dat het publieksbereik van archeologie ook in Nederland een belangrijk onderwerp is dat veel aandacht krijgt. In de beleidsbrief Erfgoed telt 100(ministerie van OCW, 2018) heeft de minister van OCW dan ook aangegeven dat de verbindende waarde van erfgoed van groot belang is. Daarnaast wordt op dit moment de ratificatie onderzocht van het verdrag van het Faro. Uitgangspunt van dit verdrag is erfgoedparticipatie; mensen hebben recht op deelname aan het cultureel erfgoedproces. De rol van de erfgoedgemeenschap, en in het verlengde daarvan de rol van het publiek, komt op de voorgrond.101

Actualisatie en uitwerking archeologiebeleid Het gemeentelijk archeologiebeleid dient eens in de zoveel tijd geactualiseerd te worden. Vaak wordt een periode van vijf jaar gekozen maar het staat de gemeente vrij zelf een termijn te kiezen. Voor het kaartmateriaal en onderdelen van beleid kan de frequentie zelfs hoger liggen. Onderhavig rapport is het resultaat van de eerste actualisatie van de archeologische beleidskaart,102 waarbij de kanttekening moet worden gemaakt dat deze actualisatie gebruik heeft gemaakt van nieuwe inzichten voor het maken van dergelijke kaarten met als gevolg dat er eerder sprake is van de totstandkoming van een nieuwe kaart dan ‘alleen’ een actualisatie. Naast de gebruikelijke zaken die bij een actualisatie uitgevoerd dienen te worden, kan ook gedacht worden aan het uitwerken van oude onderzoeken op basis waarvan het dan misschien mogelijk is de database te verfijnen. De bekende verstoringen vormen een ander punt van aandacht. Mogelijk kunnen bekende verstoringen bij een volgende actualisatie nog beter in kaart worden gebracht, waarbij de resultaten van archeologisch onderzoek, milieuonderzoek (saneringslocaties) en bouwdossiers onderzocht worden om verstoringen (met bijbehorende dieptes) te achterhalen.

Beheer archeologische monumenten Het beheer van een archeologisch monument ligt bij de terreineigenaar of de terreinbeheerder waarin of waarop het zich bevindt. Eigenaren (van grote organisaties tot privé grondeigenaren) zijn echter niet wettelijk verplicht om een archeologisch (rijks)monument in stand te houden. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed probeert eigenaren door middel van betrokkenheid en kennisdeling wel te stimuleren dit te doen. De gemeente heeft de bevoegdheid om zelf terreinen te benoemen tot gemeentelijk archeologisch monument. Dit dient te gebeuren bij besluit van de gemeenteraad en door inschrijving in het gemeentelijk monumentenregister

100

Ministerie van OCW 2018. Goudriaan et al. 2021. 102 Dit geldt voor zowel het kaartmateriaal als het bijbehorende rapport. 101

Archeologische Beleidskaart Gemeente Gilze en Rijen

78

(gemeentelijk monument). In de Archeologieverordening Gilze en Rijen uit 2010 is een apart hoofdstuk opgenomen met betrekking tot het aanwijzen van een gemeentelijk monument. Tot op heden zijn binnen de gemeente Gilze en Rijen echter nog geen gemeentelijke monumenten aanwezig. Er loopt momenteel een procedure om (een deel van) het terrein van het militaire kamp van koning Willem I als gemeentelijk monument aan te wijzen.

Onderzoekskosten De Erfgoedwet gaat uit van het principe ‘de verstoorder betaalt’. Het doel daarvan is om bodemingrepen in archeologisch kwetsbare gebieden zoveel mogelijk te ontmoedigen, opdat het erfgoed in die gebieden behouden blijft. Is dat niet mogelijk en wordt impliciet of bewust de afweging gemaakt om archeologische waarden te gaan verstoren, dan zijn de kosten voor de initiatiefnemer. Gaan die kosten uit boven de draagkracht van de aanvrager, dan zal moeten worden uitgeweken naar een andere locatie of dienen, indien mogelijk, alternatieve (goedkopere) maatregelen genomen te worden ter bescherming van de archeologische waarden. In uitzonderlijke situaties dient het college te overwegen of zij een rol wil spelen in het financieren van archeologisch (vervolg)onderzoek. Hiervoor kan de gemeente sinds de invoering van de Erfgoedwet in 2016 echter geen gebruik meer maken van eventuele tegemoetkoming van het Rijk. Er bestaat wel de mogelijkheid op een beperkte tegemoetkoming vanuit het gemeentefonds.. Daarnaast is er een nationaal fonds opgezet voor archeologische opgravingen van bijzondere (inter)nationale betekenis.103

6.3 Het archeologische traject 6.3.1 Algemeen Archeologisch onderzoek in Nederland dient te worden uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De KNA is bindend en bevat alle eisen waaraan archeologisch onderzoek en het beheer van archeologisch vondst- en documentatiemateriaal minimaal moet voldoen. Ook de eisen waaraan de uitvoerders van het onderzoek moeten voldoen staan hierin vermeld. Dit geldt voor zowel de commerciële archeologische bedrijven als voor de (gravende) overheidsdiensten. Het archeologische traject is opgesplitst in een drietal stappen. De drie onderzoeksstappen bestaan achtereenvolgens uit een bureauonderzoek (stap 1), een Inventariserend Veldonderzoek (stap 2) en indien noodzakelijk, behoud van de vindplaats (stap 3). In het diagram in bijlage 10 is het gehele traject schematisch weergegeven. Elke door een archeologisch instelling uitgevoerde stap dient te resulteren in een KNA-conform onderzoeksrapport en bevat een advies waarin wordt toegelicht en onderbouwd of een vervolgonderzoek (in de vorm van een volgende stap) al dan niet noodzakelijk is. In met name de kleinere onderzoekslocaties kunnen evenwel stap 1 en 2 worden samengevoegd, met de resultaten van zowel het bureauonderzoek als het inventariserend veldonderzoek in één onderzoeksrapport.

Dit is een veel gebruikte praktische oplossing om de (veelal particuliere) verstoorder niet onnodig op kosten te jagen. De bevoegde overheid, meestal de gemeente, dient het onderzoeksrapport te toetsen en op basis van het (selectie)advies een (selectie)besluit te nemen waarmee een vervolgonderzoek al dan niet dient te worden uitgevoerd.104 De gemeente kan op elk gewenst moment in 103

RCE 2016. Wat is selectieadvies en een selectiebesluit? Dit houdt verband met de waardering van een vindplaats, wanneer de definitieve omgang met archeologische waarden bekend is. In principe kan pas op basis van een waardering een selectieadvies gegeven worden en kan het selectiebesluit genomen worden. Voor die tijd betreft het slechts adviezen voor vervolgonderzoek. Wel kan de gemeente als op basis van het onderzoek een besluit kan worden genomen over de omgang met archeologische waarden binnen een bouwplan een 104

79

Een actualisatie, 2022

het archeologisch traject bepalen of zij in relatie tot de bouwplannen een voldoende waardestelling heeft waarop zij een beslissing kan nemen met betrekking tot de omgang met archeologische waarden. 6.3.2 Bureauonderzoek (stap 1) Door middel van een bureaustudie, waarbij literatuur over landschappelijke ontwikkeling, historische gegevens, bekende archeologische waarden en recent uitgevoerde archeologische onderzoeken in de nabije omgeving worden geraadpleegd, wordt een gespecificeerd verwachtingsmodel opgesteld. Aangezien een gemeentelijke verwachtingskaart aanwezig is, voorziet het raadplegen hiervan, inclusief achterliggende informatie, in hoge mate in de noodzakelijke informatie ten behoeve van een bureauonderzoek. De onderzoeksinspanning kan beperkt blijven. Desalniettemin dient in deze fase indien aanwezig lokaal aanwezige expertise (o.a. gemeentelijk archiefmedewerkers, amateurarcheologen en beroepsarcheologen) te worden geraadpleegd. Mogelijk dat zich recent verstoringen hebben voorgedaan die niet op de verwachtingskaart staan weergegeven. Binnen de historische kernen loont het altijd om het bouwarchief te raadplegen. Mogelijk zijn gebouwen onderkelderd waardoor de kans op het aantreffen van nog intacte archeologische vindplaatsen afneemt. Met name bij beekdalonderzoek is een uitgebreide bureaustudie relevant.

Het kan leiden tot het beperken van het te onderzoeken areaal. Het bureauonderzoek resulteert derhalve in een gedetailleerd beeld van de betreffende locatie op basis waarvan een goed onderbouwd advies kan worden gegeven. Dit advies kan zijn dat geen of wel vervolgonderzoek noodzakelijk is. Indien vervolgonderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek nodig is, dient te zijn vermeld middels welke methode. 6.3.3 Inventariserend Veldonderzoek (stap 2) Bij het inventariserend veldonderzoek (IVO) wordt een veldonderzoek uitgevoerd dat is toegespitst op de kansrijke zones zoals deze uit het bureauonderzoek naar voren zijn gekomen. Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde verwachting middels waarnemingen in het veld, waarbij aanvullende informatie wordt verkregen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het onderzoeksgebied. Het inventariserend veldonderzoek resulteert in een rapport met een inhoudelijk (selectie-) advies. Op basis van dit rapport dient het bevoegd gezag een selectiebesluit te nemen. Het rapport dient te zijn uitgewerkt tot het niveau waarop het selectiebesluit gefundeerd genomen kan worden. Deze onderzoeksfase kan worden onderverdeeld in een drietal substappen, te weten de verkennende, karterende en waarderende fase. Het doel van een verkennende fase is het vaststellen van de intactheid van de bodem.

Een karterende fase is gericht op de opsporing van archeologische vindplaatsen. In de waarderende fase wordt beoordeeld of de nieuwe vindplaats wel of niet behoudenswaardig is. Afhankelijk van de fase binnen het inventariserende onderzoek, de locatie, de bodemopbouw, de diepte van de te verwachten archeologische resten en het verwachte type vindplaats zijn verschillende onderzoeksmethoden mogelijk. Hierbij moet gedacht worden aan een oppervlaktekartering, geofysisch onderzoek, een booronderzoek, een archeologische begeleiding of een proefsleuvenonderzoek. In onderstaande alinea’s zal kort worden ingegaan op de verschillende onderzoeksmethoden.

‘selectiebesluit’ nemen. Daartoe worden dan voorschriften m.b.t. de omgang met archeologische waarden in de omgevingsvergunning opgenomen.

Archeologische Beleidskaart Gemeente Gilze en Rijen

80

Verkennende fase De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden en om na te gaan of de verwachte bodemopbouw daadwerkelijk intact aanwezig is. Binnen de gemeente Gilze en Rijen kan het uitvoeren van een oppervlaktekartering in combinatie met een geoarcheologisch booronderzoek een zeer geschikte methode zijn voor de verkennende fase. Het doel hierbij is om binnen het plangebied kansarme zones uit te sluiten en kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek. Een dergelijke methode is zeer geschikt voor gebieden waar geen afdekkende laag wordt verwacht en waar archeologische indicatoren aan het oppervlak aanwezig zouden moeten zijn. Voorwaarde is echter wel dat de vondstzichtbaarheid aan het oppervlak goed is (geploegde akker). In het geval van bijvoorbeeld stuifzanden of de aanwezigheid van een esdek, is een verkennend booronderzoek een goede methode om te achterhalen wat de dikte van deze laag is en of nog een intacte bodem aanwezig is onder de afdekkende pakketten. Het verkennend veldonderzoek is extensief van karakter en derhalve relatief goedkoop. Er dient echter rekening te worden gehouden met het feit dat een verkennend veldonderzoek kan resulteren in een vervolgonderzoek in de vorm van een karterend dan wel waarderend veldonderzoek.

Indien middels een verkennend booronderzoek kan worden aangetoond dat een plangebied geheel is verstoord tot onder het niveau waarop archeologische resten worden verwacht, dan resulteert de verkennende fase in het geheel vrijgeven van een gebied.

Karterende fase Tijdens de karterende fase wordt het plangebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen. Tot dusver bestaat een karterende fase meestal uit een booronderzoek, zo mogelijk aangevuld met een oppervlaktekartering. De voordelen van karterend booronderzoek bestaan uit het feit dat het snel uitgevoerd kan worden en in verhouding tot een proefsleuvenonderzoek goedkoop is. Van belang is ook dat het een non-destructief onderzoek betreft. Eventueel aanwezige vindplaatsen worden bij dit type onderzoek niet onnodig beschadigd. Het nadeel van karterend booronderzoek is dat dit type onderzoek niet geschikt is om vindplaatsen waarvan de archeologische resten voornamelijk uit grondsporen bestaan op te sporen. Grondsporen zijn middels een booronderzoek namelijk slecht te traceren. Voorbeelden van dergelijke vindplaatsen zijn grafvelden of nederzettingen waar weinig of geen mobilia (meer) aanwezig zijn, zoals nederzettingen uit de metaaltijden. Om deze reden is Regio West-Brabant niet overtuigd van het nut van het uitvoeren van karterend booronderzoek.105 Alleen in uitzonderingssituaties en na overleg staat Regio WestBrabant dergelijk onderzoek toe. Ook voor stads- en dorpskernen is karterend booronderzoek ongeschikt. In dergelijke gevallen is karterend onderzoek door middel van proefsleuven (of proefputten) een betere methode.

De nadelen van dergelijk onderzoek zijn echter de hogere kosten en de langere voorbereidingstijd. Dit laatste kan overigens worden voorkomen door het onderzoek al voor, of heel vroeg in, de ruimtelijke procedure op te starten. Een voordeel is dat direct uitsluitsel verkregen wordt over de aanwezigheid van een vindplaats.

Waarderende fase Indien tijdens de verkennende of karterende fase van het veldonderzoek een archeologische vindplaats is aangetroffen, is een waarderende fase noodzakelijk. Een dergelijke waarderende fase van het inventariserend veldonderzoek dient om meer duidelijkheid te verkrijgen over de aard, omvang, diepteligging, datering,

105

Uitzonderingen hierop vormen karterende booronderzoeken naar steentijdvindplaatsen of karterende booronderzoeken in gebieden bestaande uit klei en veen.

81

Een actualisatie, 2022

gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten. Op deze wijze kan gekomen worden tot een waardebepaling van de betreffende site. Een waarderend inventariserend veldonderzoek bestaat meestal uit een proefsleuven/proefputten onderzoek. Alleen bij sommige steentijdsites is een waarderend booronderzoek een optie.106 Bij een waarderend onderzoek dient voor zover in dit stadium mogelijk de Nationale Onderzoeksagenda (NOaA) en indien beschikbaar, de provinciale en/of gemeentelijke onderzoeksagenda te worden betrokken.107 Op basis van de waardestelling zoals deze uit het waarderend onderzoek naar voren is gekomen volgt een selectieadvies en selectiebesluit. Dit advies/besluit heeft betrekking op de volgende stap in het traject, namelijk behoud van de vindplaats (stap 3). 6.3.4 Behoud (stap 3) Indien op basis van de waardering van een vindplaats wordt besloten dat de vindplaats behoudenswaardig is, dan kan worden gekozen uit twee vervolgstappen; behoud in situ of opgraven (behoud ex situ. Bij behoud in situ mag de aanwezige vindplaats niet worden verstoord. Bij behoud ex situ wordt de betreffende vindplaats niet in de bodem behouden, maar wordt de in de bodem aanwezige informatie door middel van een definitief onderzoek veiliggesteld. Hierbij moet worden gedacht aan het opgraven van de vindplaats of aan een archeologische begeleiding.

Behoud in situ Bij behoud in situ wordt de vindplaats behouden door planaanpassing, zodat de bodem niet verstoord wordt ter plaatse van de vindplaats dan wel tot op het archeologisch relevante niveau. Een dergelijk besluit is het beste instrument dat voorhanden is om een bijzondere vindplaats te kunnen beschermen. Het is tevens het meest ingrijpende instrument, aangezien het kan betekenen dat een geplande ontwikkeling niet door kan gaan, dan wel aangepast dient te worden. Logisch vervolg op een dergelijk besluit is een aangepaste inrichting, eventueel ook beheer, waardoor duurzaam fysiek behoud wordt bereikt. Tot slot is een administratieve vervolgmaatregel nodig, zodat bescherming via het bestemmingsplan (kenmerken als monument) wordt gerealiseerd. Om dit goed te kunnen regelen, dient een behoudsmaatregelenplan te worden opgesteld. Hierin dient te worden vermeld wat er beschermd wordt en wie hiervoor verantwoordelijk is. Ook dient in het behoudsmaatregelenplan te worden opgenomen welke technische maatregelen nodig zijn om de archeologische waarde(n) in kwestie ‘in situ’ te kunnen behouden. Doormiddel van een specificatie van deze technische maatregelen dient te worden aangetoond dat sprake is van duurzaam behoud. Het behoudsmaatregelenplan dient bij de gemeente ingediend te worden en door de gemeente goedgekeurd te worden.

Opgraven (behoud ex situ) Bij ‘definitief’ opgraven wordt de vindplaats opgegraven, waarbij alle sporen en vondsten worden gedocumenteerd, ingetekend en gefotografeerd. 108 Na de opgraving is het terrein in principe archeologie-vrij en zijn er geen belemmeringen meer voor bodemverstorende activiteiten. Voor de uitvoering van een opgraving is een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch PvE vereist. Een dergelijke vaak kostbare stap is een goede optie indien de archeologische vindplaats van dermate belang is dat de betreffende informatie niet verloren mag gaan, maar de

106 Dit geldt voornamelijk voor vindplaatsen uit het laat paleolithicum en het mesolithicum,

aangezien sporen bij dergelijke sites slechts in beperkte mate voorkomen. 107 De gemeente Gilze en Rijen heeft momenteel geen onderzoeksagenda. 108 Er wordt altijd gekeken naar de voorgenomen bodemverstoringen bij het bouwplan. Dit kan betekenen dat niet de hele vindplaats (alle sporen) hoeft te worden opgegraven.

Archeologische Beleidskaart Gemeente Gilze en Rijen

82

geplande bouwwerkzaamheden economisch en maatschappelijk van dien aard zijn dat behoud in situ geen optie is.

Archeologische begeleiding (protocol opgraven) Alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden gekozen voor een archeologische begeleiding. Mogelijke aanleidingen voor een begeleiding zijn: • •

•

wanneer als gevolg van fysieke belemmeringen geen mogelijkheid bestaat om adequaat vooronderzoek te doen; wanneer op grond van beschikbare informatie geconcludeerd is dat een opgraving niet (meer) nodig is, maar er wel behoefte is om die conclusie te staven. De begeleiding moet dan als een controlerend middel worden gezien; wanneer sprake is van bijzondere onderzoeksvragen bij uitvoeringstrajecten (bijvoorbeeld in de beekdalen).

Wanneer het gaat om een situatie dat de trefkans, verwachte omvang of complexiteit klein is, kan begeleiding voor de vergunningvrager een aantrekkelijk alternatief zijn, omdat er tijd- en procedurewinst te halen is en op kosten van materieel bespaard kan worden. Men moet echter incalculeren dat dit ook kan tegenvallen, omdat men anders dan na een proefsleuvenonderzoek de duur van het onderzoek minder kan plannen. Archeologisch gezien is een archeologische begeleiding niet ideaal, maar onder strikte voorwaarden kan een begeleiding bij een laag archeologisch risico een aanvaardbare optie zijn. In beekdalsituaties is een archeologische begeleiding een goede optie omdat de trefkans gering is en de bodemgesteldheid preventief onderzoek vaak bemoeilijkt. Ook in het geval van de aanleg van kabels en leidingen is een archeologische begeleiding geschikt omdat het gaat om een lijnvormige verstoring die als een soort proefsleuf fungeert zonder dat deze leidt tot verbreding van het onderzoek. In de regel zullen sleuven voor kabels en leidingen te smal zijn om zinvol archeologisch te kunnen begeleiden.109 In het geval van gas- en olieleidingen zijn de sleuven dermate breed dat regulier archeologisch onderzoek kan worden toegepast.

In die gevallen waar bestaande bebouwing eerst nog gesloopt moet worden, kan men er voor kiezen om de sloop tot op of tot net onder het maaiveld door een archeoloog te laten begeleiden. Er wordt daarbij gekeken of archeologische resten aanwezig zijn. Bij aanwezigheid van archeologische resten mag op die locaties niet verder worden gesloopt. Als het puin is afgevoerd, kan op reguliere wijze proefsleuvenonderzoek plaats vinden. Uitgangspunt bij de uitvoering van een begeleiding is een goedgekeurd PvE. Een archeologische begeleiding kan worden uitgevoerd onder KNA protocol proefsleuven (indien nog onvoldoende informatie beschikbaar is voor een waardestelling), of onder het KNA protocol opgraven (indien er een sterk vermoeden bestaat dat archeologische resten aanwezig zijn). Afgezien van het bureauonderzoek kunnen en mogen archeologische werkzaamheden alleen worden uitgevoerd door bedrijven die beschikken over de juiste certificaten.110 6.3.5 Behoud ex situ In artikel 5.7 van de Erfgoedwet is vastgelegd dat vondstmateriaal dat tijdens archeologisch onderzoek wordt aangetroffen eigendom is van de depothouder. In

109

In dergelijke gevallen kan de verstoorder wel aan de onderzoeksplicht voldoen door het tracé middel boringen archeologisch/bodemkundig in kaart te brengen zodat er toch kenniswinst wordt gegenereerd. 110 Een archeologisch bureau zal in de regel echter geen onderzoek uitvoeren op basis van een bureauonderzoek dat is opgesteld door een niet archeologisch deskundige instelling/persoon.

83

Een actualisatie, 2022

de meeste gevallen is de provincie de depothouder. Alleen in die gevallen dat de gemeente een eigen depot heeft is de gemeente de eigenaar van het vondstmateriaal.111 Aangezien de gemeente Gilze en Rijen geen eigen depot heeft, geldt derhalve dat de provincie eigenaar is van alle tijdens archeologisch onderzoek aangetroffen vondstmateriaal binnen de gemeente Gilze en Rijen. In die hoedanigheid heeft de provincie als depothouder ook de bevoegdheid om eisen te stellen aan de wijze van levering van de vondsten aan het depot, de deselectie van het vondstmateriaal, de conservering en de tijdelijke opslag. Hiervoor zijn landelijke richtlijnen opgesteld die zijn opgenomen in de KNA (meest recente versie), protocol 4010 depotbeheer. Het doel van depotbeheer is het duurzaam behoud van de informatie van archeologische monumenten ex situ, ten behoeve van toekomstig onderzoek en ten behoeve van de beleving van het cultureel erfgoed. Dit wordt onder meer bereikt door het op zodanige wijze bewaren en beheren van archeologische objecten en bijbehorende originele documentatie, dat de conditie van het materiaal zo stabiel mogelijk blijft en door het waarborgen van de toegankelijkheid van de ex situ bewaarde objecten en documentatie. Alle informatie die bij archeologisch onderzoek verzameld is, wordt volgens een voor professionals toegankelijk en logisch geordend systeem bewaard.

Informatie bestaat uit vondsten, monsters en originele documentatie in woord en beeld. Alle materiaal staat geordend op een standplaats, waar zodanige condities heersen, dat vondsten, monsters en documentatie zo stabiel mogelijk kunnen worden bewaard. Tussen vondsten en bijbehorende documentatie moeten kruisverbanden te leggen zijn.112 6.3.6 Vrijgeven De resultaten van archeologisch onderzoek kunnen gedurende de stappen 1 en 2 ook resulteren in het vrijgeven van een plangebied. Er hoeven dan geen vervolgstappen te worden genomen en de geplande bodemingrepen kunnen zonder beperkingen ten aanzien van archeologische waarden worden uitgevoerd. Het ontbreken van archeologische waarden, bijvoorbeeld als gevolg van verstoringen, is een veel voorkomende reden voor het vrijgeven van een plangebied. Echter, het kan ook voorkomen dat een vindplaats van dermate marginale betekenis is, of zodanig is verstoord, dat verder onderzoek een te laag kennisrendement oplevert. In die gevallen is verder onderzoek of bescherming niet noodzakelijk. Bij een dergelijk negatief selectieadvies kan door de gemeente worden besloten (selectiebesluit) om de vindplaats door lokale amateur-archeologen te laten onderzoeken conform het (eventueel op te stellen) gemeentelijke protocol (zie paragraaf 6.2.3).

6.4 De beleidsadvieskaart 6.4.1 Algemeen Bij het opstellen van het bestemmingsplan (vanaf de implementatie van de Omgevingswet het omgevingsplan) dient de gemeente rekening te houden met alle terreinen die als archeologisch monument of zones van archeologische verwachtingswaarde zijn aangemerkt. Dit wordt bereikt door al deze terreinen/zones op de plankaart van het bestemmingsplan te plaatsen en te voorzien van de (dubbel)bestemming ‘archeologische waarde’. De archeologische waarde correspondeert met de waarden zoals deze op de archeologische beleidskaart staan weergegeven. De archeologische beleidskaart is dan ook het

111

Alleen in die gevallen dat de vondsten gedaan worden op grondgebied dat tot geen enkele gemeente behoord is de staat eigenaar. 112 KNA, protocol 4010 depotbeheer.

Archeologische Beleidskaart Gemeente Gilze en Rijen

84

belangrijkste instrument voor de integratie van (verwachte) archeologische waarden in het bestemmingsplan. De archeologische beleidskaart laat terreinen zien waar archeologische waarden al bekend zijn en gebieden of zones waar archeologische waarden al dan niet verwacht worden. De bekende archeologische waarden betreffen de archeologische (rijks- of gemeentelijke) monumenten. Hierbij moet worden vermeld dat het AMKterrein 16837 (de historische kern van Gilze) is komen te vervallen en is vervangen door een nieuw gemaakte omtrek van de historische kern van Gilze. Er is hiervoor gekozen omdat de begrenzing van de historische kernen zoals weergegeven in Archis is gebaseerd op kaartmateriaal uit het einde van de 19de eeuw/begin 20ste eeuw (Bonnekaarten). De grenzen zoals weergeven op de verwachtingskaart zijn gebaseerd op de kadastrale minuutkaart uit of kort voor 1832. De begrenzing van de historische kernen zoals vastgesteld tijdens onderhavig onderzoek sluit derhalve de (relatief) recente bebouwing uit de tweede helft van de 19de eeuw uit. Ook voor de overige historische kernen binnen de gemeente geldt dat deze zijn gebaseerd op de kadastrale minuutkaart uit of kort voor 1832, waarmee deze veel beter zijn afgeperkt dan de historische kernen zoals weergegeven op de bestaande beleidskaart.

Op dit moment loopt een procedure om het militaire kamp van koning Willem I op basis van het rapport van Roymans113 als gemeentelijk monument aan te wijzen. Vooruitlopend op die procedure zijn delen van dit kamp als gemeentelijk monument op de beleidskaart geplaatst. Op basis van de analyse van historisch kaartmateriaal, met name de kadastrale kaart van circa 1832, is een groot aantal historische elementen geïdentificeerd. Het betreft locaties van bijvoorbeeld kerken, kapellen, bruggen, erven, (ros)molens, etc. Het overgrote deel van deze elementen dateert uit de nieuwe tijd. Een aantal van deze historische elementen is van dien aard dat ter plaatse ook oudere archeologische resten in de bodem kunnen worden verwacht. Het gaat hierbij om de kerken, kapellen en molens maar ook de erven buiten de historische kernen. De te verwachten archeologische sporen rond deze historische elementen betreffen met name funderingen van de bebouwing maar ook graven (ter plaatse van de kerken). Vandaar dat rond deze historische elementen een buffer is geplaats waaraan een archeologische verwachting is toegekend. Rond de historische elementen als kerken, kapellel, steenfabrieken en (boeren)erven is een cirkel getrokken met een straal van 50 meter, aangezien binnen een dergelijk gebied (middeleeuwse) bewoning dan wel een kerkhof aanwezig kan zijn geweest.

Rond de historische elementen als molens, rosmolens, watermolens en voorden is een cirkel getrokken met een straal van 25 meter, aangezien binnen een dergelijk gebied sporen van (middeleeuwse) voorgangers aanwezig kunnen zijn. Ook de historische dorpskernen zijn weergegeven. De omtrek van de historische dorpskernen is gebaseerd op de kadastrale kaart van circa 1832. In de hieronder volgende paragrafen volgt per categorie een advies hoe met deze archeologische waarden kan worden omgegaan in het kader van goed gemeentelijk archeologisch beleid. In tabel 6.1 staat het geheel bovendien kort samengevat. De archeologische beleidskaart is onderverdeeld in een tiental categorieën. Aan elke categorie zijn bepaalde beleidsregels gekoppeld. De beleidscategorieën zijn bedoeld om de eerste stap in de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te bepalen. Na onderzoek wordt indien nodig een andere beleidscategorie gekozen voor het bestemmingsplan die passend is bij de resultaten van dat onderzoek. De terreinen binnen de hierna genoemde categorieën dienen planologisch te worden beschermd door opname op de plankaart van het bestemmingsplan en in de 113

85

Roymans 2020.

Een actualisatie, 2022

bijbehorende regels. Bij ontwikkelingen op deze terreinen heeft inpassing van archeologische waarden te allen tijde de voorkeur. Bodemverstorende activiteiten of grootschalige dan wel langdurige grondwaterpeilverlagingen worden niet toegestaan, tenzij met behulp van een waardestellend archeologisch onderzoek kan worden aangetoond dat de archeologische resten niet worden bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling. In de praktijk komt een dergelijk beleid erop neer dat indien besloten is om de economische en maatschappelijke belangen zwaarder te laten wegen dan de cultuurhistorische en derhalve toestemming wordt verleend om op het betreffende terrein bodemverstorende activiteiten te laten uitvoeren, altijd een waardestellend archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Ten aanzien van de diepte van het te vergraven gebied geldt voor de gemeente Gilze en Rijen, met uitzondering van de categorieën 1, 2a, 4 en 5 een algehele vrijstelling van de verplichting tot het laten uitvoeren van een inventariserend (waardestellend) onderzoek, indien de graafwerkzaamheden niet dieper reiken dan 40 cm onder het maaiveld. Reden voor deze algehele vrijstelling is dat boven de genoemde diepte zelden gaaf bodemarchief te verwachten is, terwijl beperkingen een onredelijke belasting zijn voor betrokkenen. Het betreft de volgende elf categorieën: • •

•

•

•

•

• • •

Categorie 1; deze categorie betreft de wettelijk beschermde archeologische (rijks- of gemeentelijke) monumenten binnen de gemeente. Categorie 2; deze categorie bestaat uit de AMK-terreinen,114 de overige terreinen van waarde (waaronder de historische dorpskernen) en de gebufferde historische elementen. Tot deze categorie behoren ook de gebieden waaraan op basis van de modellen een verwachting is toegekend op het voorkomen van archeologische resten zoals weergegeven op de verwachtingskaart voor Jagers en verzamelaars.115 Categorie 2a; deze categorie bestaat uit gebieden met eenzelfde verwachting als de gebieden van categorie 2, maar dan afgedekt met een in dikte variërend pakket stuifzand. In het stuifzand worden geen archeologische resten verwacht, in het sediment eronder wel. Categorie 3; deze categorie bestaat uit de gebieden waaraan op basis van de modellen een verwachting is toegekend op het voorkomen van archeologische resten zoals weergegeven op de verwachtingskaart voor Boeren- en Staatse samenlevingen. Categorie 4; deze categorie bestaat uit dezelfde zones als categorie 3, maar dan afgedekt met een in dikte variërend pakket stuifzand. In het stuifzand worden geen archeologische resten verwacht, in het sediment eronder wel.

Categorie 5; deze categorie bestaat uit de gebieden waar bijzondere, aan water gerelateerde resten met hoge informatiewaarde kunnen worden verwacht (vennen en beekdalen). Categorie 6; deze categorie bestaat uit gebieden zonder archeologische verwachting. Categorie 7; deze categorie bestaat uit afgegraven danwel vergraven gebieden waarin geen archeologische resten worden verwacht. Categorie 8; deze categorie bestaat uit reeds onderzochte gebieden.

6.4.2 Categorie 1 De gemeente heeft tot op heden nog geen monumenten die tot deze categorie behoren. Zo zijn binnen de gemeente Gilze en Rijen geen archeologische rijksmonumenten aanwezig. Ook zijn nog geen (beschermde) gemeentelijke archeologische monumenten aanwezig. Op grond van de gemeentelijke archeologieverordening bestaat echter wel de mogelijkheid om in de toekomst 114 115

Met uitzondering van monumentnr. 16837. Het gaat hierbij niet om de zones met een verwachting op natte contextresten.

Archeologische Beleidskaart Gemeente Gilze en Rijen

86

gemeentelijke monumenten aan te wijzen. Deze zullen dan tot categorie 1 gaan behoren. Op dit moment is men voornemens om het militaire kamp van koning Willem I op basis van het rapport van Roymans116 als gemeentelijk monument aan te wijzen. De delen van het kamp die volgens het onderzoek van Roymans monumentwaardig zijn, zijn vooruitlopend op die procedure, als gemeentelijk monument op de beleidskaart geplaatst.

Regime Het uitgangspunt voor archeologische rijksmonumenten/gemeentelijke monumenten is om behoud van archeologische waarden in originele context (behoud ‘in situ’) na te streven en bodemverstoringen (inclusief sloopwerkzaamheden) te vermijden. Deze terreinen dienen planologisch te worden beschermd door opname op de plankaart van het bestemmingsplan en in de bijbehorende regels. Bij ontwikkelingen op deze terreinen heeft inpassing van archeologische waarden te allen tijde de voorkeur. Vanwege het grote belang van dergelijke terreinen worden bodemverstorende activiteiten of grootschalige dan wel langdurige grondwaterpeilverlagingen niet toegestaan, tenzij met behulp van een waardestellend archeologisch onderzoek kan worden aangetoond dat de archeologische resten niet worden bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling. Voor wat betreft de vergunningverlening voor deze in de toekomst mogelijk aan te wijzen terreinen is de gemeente Gilze en Rijen bevoegd gezag. Mocht in de toekomst een terrein als rijksmonument worden aangewezen, dan is niet de gemeente, maar de RCE het bevoegd gezag. De RCE bepaald dan ook waaruit een dergelijk onderzoek dient te bestaan. 6.4.3 Categorie 2 De gebieden behorende tot categorie 2 betreffen zones met een archeologische verwachting op resten van jagers en verzamelaars.

Ook de zones die op de verwachtingskaart voor de Boeren- en Staatssamenleving staan weergegeven als gebufferde zones met een archeologische verwachting gerelateerd aan historische elementen behoren tot categorie 2. Op basis van een uitgebreid historisch onderzoek worden binnen deze gebieden resten gerelateerd aan verschillende historische elementen verwacht. Daarnaast behoren ook de op de verwachtingskaarten weergegeven AMK-terreinen (uitgezonderd de monumentnr. 16837, zie paragraaf 6.4.1) tot deze categorie. De betreffende AMK-terreinen zijn terreinen waarbij onderzoek heeft aangetoond dat zich ter plekke archeologische waarden bevinden. Deze terreinen staat vermeld op de landelijke Archeologische Monumenten Kaart (AMK). De archeologische waarden op deze terreinen zijn op grond van criteria als gaafheid, zeldzaamheid, conserverings-graad en belevingswaarde gewaardeerd. Tot slot behoren ook de historische dorpskernen tot categorie 2. Binnen de historische dorpskernen kunnen resten van (middeleeuwse) dorpsbewoning worden verwacht. Zoals in paragraaf 6.4.1 uiteen is gezet, wijken de grenzen van de op de verwachtingskaart voor de Boeren- en Staatssamenleving als aparte categorie weergegeven historische dorpskern af van de corresponderende terreinen zoals deze in ARCHIS bekend staan, maar ook zoals deze op de bestande beleidskaart uit 2010 zijn weergegeven.

De AMK-terreinen Binnen de gemeente Gilze en Rijen vallen twee AMK-terreinen onder categorie 2. In bijlage 9A is een overzicht van alle AMK-terreinen weergegeven.117

116

Roymans 2020.

117 Peildatum 9 februari 2021.

87

Een actualisatie, 2022

Regime Het uitgangspunt voor de gebieden behorende tot categorie 2 is eveneens om behoud van archeologische waarden in originele context (behoud ‘ in situ’) na te streven en bodemverstoringen (inclusief sloopwerkzaamheden) te vermijden. Gezien het grote belang van de gebieden binnen categorie 2 en het feit dat reeds is vastgesteld dat binnen sommige van deze gebieden archeologie aanwezig is, is gekozen voor een vrijstellingsgrens van 100 m2. Ingrepen ondieper dan 40 cm beneden maaiveld zijn altijd vrijgesteld van onderzoek op grond van de aanname dat in deze zone geen ongestoord bodemarchief meer aanwezig is. Ingrepen kleiner dan 100 m2 zijn vrijgesteld van onderzoek. Bij ingrepen groter dan 100 m2 is een waardestellend archeologisch onderzoek vereist. 6.4.4 Categorie 2a De gebieden behorende tot categorie 2a betreffen gebieden met eenzelfde verwachting als de gebieden van categorie 2. Het verschil met de gebieden uit categorie 2 is dat de zones uit categorie 2a zijn afgedekt met een in dikte variërend pakket stuifzand. Hier is het oorspronkelijke maaiveld gedurende de (late) middeleeuwen bedekt geraakt met stuifzand. Het stuifzand zelf heeft geen archeologische waarde. Eventuele begraven bodemniveaus kunnen dat wel hebben. Hier dient derhalve rekening mee te worden gehouden.

Regime Het uitgangspunt voor de zones behorende tot categorie 2a is om behoud van archeologische waarden in originele context (behoud ‘in situ’) na te streven. Bodemverstorende activiteiten, grootschalige dan wel langdurige grondwaterpeilverlagingen en sloopwerkzaamheden beneden het maaiveld (bv. sloop van funderingen, kelders, putten) worden niet toegestaan in plangebieden van 100 m2 of groter, tenzij met behulp van een waardestellend archeologisch onderzoek kan worden aangetoond dat er geen archeologische resten worden bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling. Vanwege het feit dat de archeologisch relevante bodemlaag in deze gebieden begraven is onder een in dikte variërend pakket stuifzand, is de vrijstellingsgrens voor wat betreft de verstoringsdiepte opgerekt naar 50 cm beneden maaiveld. Aangezien onbekend is hoe dik het afdekkende pakket stuifzand is, wordt aanbevolen het onderzoek in eerste instantie te laten bestaan uit een verkennend booronderzoek. 6.4.5 Categorie 3 De gebieden behorende tot categorie 3 betreffen zones bestaande uit de gebieden waaraan op basis van de modellen een verwachting is toegekend op het voorkomen van archeologische resten zoals weergegeven op de verwachtingskaart voor Boerenen Staatse samenlevingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12168283/1