CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.1 Rapport Gemeente Gilze en Rijen, Archeologische verwachtings- en beleidskaart, een actualisatie

Gemeenteraad 19 december 2022, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel Archeologische verwachtings- en beleidskaart38.516 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

4,2

slecht

2,7

matig

0,04

slecht

0,00

bodemkaart weergegeven., inclusief legenda. In figuur 5.3 is de bodemkaart zonder legenda weergegeven. Vanwege het grote aantal van dertig bodemeenheden zullen deze niet uitgebreid in dit rapport beschreven worden. Echter, omdat deze kaart gebruikt is in het model om tot een verwachting voor de landbouwsamenlevingen te kunnen komen, zijn de verschillende eenheden in tabel 5.1 kort beschreven. De bepaling van de bodemvruchtbaarheid is hierbij gebaseerd op expert judgement.

Figuur 5.3. De bodemkaart van de gemeente Gilze en Rijen.

5.4 De verwachtingsmodellen 5.4.1 Indicatieve Kaart Archeologische Waarden De landelijk vervaardigde Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden69 laat op basis van een statistische relatie de kans op het aantreffen van archeologische waarden binnen een bepaalde bodemeenheid van de archeoregio zien. Voor grote 69 RCE 2009; versie 3.1.

51

Een actualisatie, 2022

delen van Nederland, zoals de pleistocene zandgronden met een betrekkelijk eenvoudige geologische, geomorfologische en bodemkundige structuur, waartoe ook het grondgebied van de gemeente Gilze en Rijen behoort, levert een dergelijke relatie een vrij goed beeld op, al bestaat hier enige discussie over70. Een groot nadeel van deze IKAW is echter dat deze gebaseerd is op de bodemkaart met een schaal van 1:50.000. Dit betekent dat de IKAW op gemeentelijk niveau een te generaliserend karakter heeft. Immers, op de bodemkaart zijn kleine landschapselementen ofwel weggelaten op de kaart ofwel met een aantal andere elementen gegroepeerd. Dieper liggende archeologische niveaus en historische elementen en objecten zijn op de IKAW niet meegenomen. Bovendien is in de toelichting van de IKAW opgenomen dat ook bij een lage archeologische indicatieve waarde archeologisch onderzoek noodzakelijk is om het kaartbeeld te verfijnen.71 Het geadviseerde onderzoek betreft in eerste instantie een bureauonderzoek, waarbij de, bij het vervaardigen van de IKAW, ontbrekende bronnen worden geraadpleegd, zoals historische kaarten, vondstwaarnemingen en hoogtegegevens.

Vanuit de RCE wordt daarom geadviseerd om de landelijk vervaardigde IKAW alleen te gebruiken bij een kaartschaal kleiner of gelijk aan 1:50.000.72 De verwachtingskaarten in de bijlagen 6 en 7 hebben een detailniveau van circa 1:10.000 en zijn gevrijwaard van bovenstaande nadelen van de IKAW.73 Aan het gebruik van slechts één type model kleven bezwaren. Wanneer bijvoorbeeld alleen de reeds bekende vindplaatsen worden gebruikt als basis voor het formuleren van verwachtingen, loopt men het risico dat terreinen waar slechts een gering aantal waarnemingen zijn gedaan te laag worden gewaardeerd. Het ontbreken van waarnemingen betekent echter niet dat er zich op een dergelijk terrein geen archeologie bevindt. Misschien is het betreffende terrein moeilijk toegankelijk voor (amateur-)archeologen, of is er sprake van afgedekte vindplaatsen, etc. Ook kan het voorkomen dat de kennislacunes bij het gebruik van een dergelijk model een te grote invloed hebben op de toegekende verwachtingen. De in onderhavig rapport gebruikte archeologische verwachtingsmodellen zijn daarom gebaseerd op meerdere modellen. Zo zijn bij de verwachtingskaart voor de Jagers en Verzamelaars twee verschillende lagen in het model opgenomen; • een locatiekeuzemodel op basis van de verhouding vindplaatsengeomorfologie. • de afstand tot water.

De verschillende modellen zullen in de nu volgende paragrafen per verwachtingskaart kort worden besproken, waarna op de verwachtingskaart zelf zal worden ingegaan. 5.4.2 Jagers en Verzamelaars; het locatiekeuze model Voor dit model is gebruik gemaakt van algemeen geaccepteerde aannamen met betrekking tot locatiekeuzefactoren binnen de pleistocene zandgronden van Nederland. Deze kennis over prehistorische locatiekeuze factoren is deductief. Daarnaast is echter ook gebruik gemaakt van analyses van de bekende waarnemingen binnen de gemeente Gilze en Rijen in relatie tot de landschappelijke ligging van deze waarnemingen. Dit betreft inductieve informatie. In het geval van de gemeente Gilze en Rijen mag het inductieve model als ondersteunend worden beschouwd. Dit is het gevolg van de relatief gezien geringe hoeveelheid vindplaatsen (56, zie paragraaf 4.2.1). De statistische onderbouwing is derhalve matig. Naast het geringe aantal vindplaatsen kleven er nog enkele bezwaren aan deze methode. Zo kan worden afgevraagd of de huidige verspreiding 70

Kamermans et al. 2009. Deeben 2008. 72 Deeben 2008, Kamermans et al. 2009. 73 Het kaartbeeld wordt weergegeven op een schaal van circa 1:14.000 maar het niveau waarop de kaart gemaakt is, is gedetailleerder (circa 1:10.000). 71

Archeologische Beleidskaart Gemeente Gilze en Rijen

52

van de waarnemingen daadwerkelijk representatief is voor de werkelijke verspreiding. Veel van de vondsten binnen de gemeente zijn namelijk aangetroffen op geploegde akkers. Dit zijn de locaties voor amateur-archeologen om een oppervlaktekartering uit te voeren. Dit betekent niet dat in weidegebieden of beboste gebieden geen waarnemingen zouden kunnen worden aangetroffen. Het is echter voor amateur-archeologen veel moeilijker zo niet onmogelijk om in dergelijke gebieden een oppervlaktekartering uit te voeren. Zoals in paragraaf 5.2.6 is beschreven, is de gemeente Gilze en Rijen onder te verdelen in 14 archeolandschappelijke eenheden (zie ook figuur 5.2). Er is bij de analyse gekeken naar de verdeling van de vindplaatsen over deze verschillende eenheden. Om vervolgens tot een verwachting te kunnen komen, is een model gebruikt waarin het percentage vindplaatsen in een bepaalde landschappelijke eenheid is vergeleken met het percentage van die eenheid binnen het onderzoeksgebied. Het uitgangspunt hierbij is dat een bepaalde landschappelijke eenheid een hoge waardering krijgt wanneer er meer vindplaatsen in die eenheid aanwezig zijn dan op basis van een evenredige verdeling over de verschillende landschappelijke eenheden verwacht mag worden. Indien er minder vindplaatsen aanwezig zijn, scoort de eenheid laag.

De richtlijn hierbij is dat wanneer het verschil in percentages (vindplaats-oppervlakte landschappelijke eenheid) kleiner is dan 0, de betreffende eenheid een lage waardering krijgt. Indien de waarde groter dan 0 is, heeft de landschappelijke eenheid een hoge waardering. Tabel 5.2 Verwachting per landschappelijke eenheid voor het mesolithicum

Landschappelijke eenheid

aantal vindplaatsen

% (vindplaatsen)

% opp. Landschap-pelijke eenheid

verschil

verwachting inductief

verwachting deductief

Toegekende verwachting

Deflatievlakte

0

0,0

1,60

-1,6

nee

nee

nee

Stuifduinen

0

0,0

5,25

-5,2

nee

nee

nee

Dekzandvlakte

0

0,0

3,75

-3,8

nee

nee

nee

Dekzandwelving

4

36,4

19,12

17,2

ja

ja

ja

Dekzandrug

1

9,1

2,28

6,8

ja

ja

ja

Dekzandplateau

2

18,2

6,71

11,5

ja

ja

ja

Landduin

1

9,1

0,48

8,6

ja

ja

ja

Beekdal

1

9,1

11,21

-2,1

nee

ja*

ja*

Laagte

0

0,0

0,66

-0,7

nee

nee

nee

Natte Laagte

0

0,0

0,26

-0,3

nee

ja*

ja*

Uitblazingsven

0

0,0

0,70

-0,7

nee

ja*

ja*

0

0,0

0,03

0,0

nee

1

9,1

14,21

-5,1

nee

nee

nee

1

9,1

33,76

-24,7

nee

ja

ja

Uitblazingsven (begraven onder stuifzand) Terrasvlakte (al dan niet bedekt met een dun pakket dekzand) Terraswelvingen (al dan niet bedekt met een dun pakket dekzand)

ja*

ja*

* lage kans op bewoning, wel kans op rituele deposities, dumpsites of resten gerelateerd aan de jacht/visserij.

Naast deze inductieve waardering is op basis van regionale kennis tevens een deductieve waardering aan de landschappelijke eenheden toegekend.

53

Een actualisatie, 2022

Uiteindelijk is op basis van de inductieve en deductieve gegevens een verwachting uitgesproken. In tabel 5.2 is een voorbeeld weergegeven van deze werkwijze voor het mesolithicum. Op bovenstaande wijze zijn analyses uitgevoerd voor de vindplaatsen per periode.74 Het beeld dat hieruit naar voren komt, toont een vestigingsvoorkeur voor verschillende landschappelijke eenheden door de tijd heen. Zo valt op dat op basis van de inductieve data gedurende zowel het paleolithicum als het mesolithicum de relatief hooggelegen dekzandwelvingen, -ruggen, het dekzandplateau en de landduinen de voorkeur hebben. Uit tabel 5.2 is echter ook duidelijk dat de uiteindelijke verwachting niet alleen op het inductieve model gebaseerd kan worden. Enkele eenheden die op basis van de kennis opgedaan uit onderzoek in vergelijkbare gebieden ook een hoge waardering zouden moeten hebben, krijgen dat op basis van het inductieve model niet. Hierbij moet gedacht worden aan de terraswelvingen en bijvoorbeeld het beekdal en de vennen. De reden de afwijking van het inductieve model met het deductieve model is hierboven al besproken. Desondanks kan worden gezegd dat het inductieve model in het geval van de gemeente Gilze en Rijen vaker wel dan niet overeenkomt met het deductieve model. Ondanks de relatief geringe hoeveelheid vindplaatsen is het inductieve model redelijk betrouwbaar.

Tabel 5.3 Verwachting per landschappelijke eenheid. Verwachting inductief

Verwachting deductief

Toegekende verwachting75

nee

nee

nee

nee

nee

Stuifduinen

nee

nee

nee

nee

nee

Dekzandvlakte

nee

nee

nee

nee

nee

Dekzandwelving

ja

ja

ja

ja

ja

Dekzandrug

nee

ja

ja

ja

ja

Dekzandplateau

ja

ja

ja

ja

ja

Landduin

nee

ja

ja

ja

ja

Beekdal

ja

nee

ja

ja*

ja*

Laagte

nee

nee

nee

nee

nee

nee

ja*

ja* ja*

Natte Laagte Uitblazingsven Uitblazingsven (begraven onder stuifzand) Terrasvlakte (al dan niet bedekt met een dun pakket dekzand) Terraswelvingen (al dan niet bedekt met een dun pakket dekzand)

nee

Mesolithicum

Paleolithicum

Deflatievlakte

Landschappelijke eenheid

nee

nee

nee

nee

ja*

nee

nee

nee

ja*

ja*

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

ja

ja

* lage kans op bewoning, wel kans op rituele deposities, dumpsites of resten gerelateerd aan de jacht/visserij.

74

In dit geval betreft het paleolithicum en het mesolithicum.

75 Gebaseerd op zowel inductieve als deductieve informatie.

Archeologische Beleidskaart Gemeente Gilze en Rijen

54

In tabel 5.3 zijn de uitkomsten van de analyses met betrekking tot de relatie vindplaats-landschappelijke eenheden uiteengezet voor het paleolithicum en het mesolithicum. Door de verschillende toegekende waarden per landschappelijke eenheid door de tijd heen naast elkaar te zetten is gekomen tot een uiteindelijke waardering per landschappelijke eenheid. Deze is naast de inductieve data ook op deductieve informatie gebaseerd. In het geval van de natte landschappelijke eenheden zoals de natte laagten en de vennen is de toegekende verwachting geheel gebaseerd op deductieve informatie. Deze eenheden kunnen op basis van hun landschappelijke kenmerken en de wetenschap dat elders in de regio wel vindplaatsen bekend zijn op een dergelijke eenheid, niet als irrelevant worden ‘afgeschreven’. Samen met de beekdalen nemen de natte laagten en de vennen namelijk een bijzondere positie in. Wanneer de archeologische verwachting alleen betrekking zou hebben op de (verwachte) dichtheid aan nederzettingsterreinen, dan zouden deze eenheden een lage verwachting toegekend krijgen. In de beekdalen en vennen worden geen nederzettingen verwacht, simpelweg omdat het voor dergelijke doeleinden te nat is. Echter, binnen dergelijke natte terreinen kunnen wel andere typen archeologische vondsten en structuren worden aangetroffen.

Hierbij moet gedacht worden aan knuppelpaden die de verschillende hogere gebieden met elkaar verbonden, of restanten van voorden. Ook kunnen rituele deposities en losse vondsten gerelateerd aan de jacht, visvangst en houtkap aanwezig zijn. In dergelijke gevallen gaat het vaak om bijlen, fuiken, boten en dergelijke. In bovenstaande gevallen betreft het veelal organisch materiaal (bot of hout). Dit soort materiaal kan in beekdalen en vennen, zeker wanneer deze veenhoudend zijn, goed bewaard gebleven zijn. Dit in tegenstelling tot de droge zandgronden, waar organisch materiaal snel vergaat. De archeologische verwachting die aan de beekdalen, natte laagten en vennen is toegekend is derhalve gebaseerd op een combinatie van de verwachte dichtheid aan beekdalgerelateerde vondsten en structuren enerzijds en de verwachte conservering anderzijds. 5.4.3 Jagers en Verzamelaars; de afstand tot water Afgaande op de huidige kennis over de vestigingskeuzes en landschapsgebruik gedurende het paleolithicum en het mesolithicum, mag worden geconcludeerd dat

Figuur 5.4 De ligging van (voormalig watervoerende) geulen en vennetjes (licht

blauw) binnen de gemeente Gilze en Rijen. De paleolithische en mesolithische vindplaatsen zijn middels de gele stippen weergegeven.

55

Een actualisatie, 2022

de afstand tot (stromend) water van grote invloed is geweest voor menselijke activiteiten. Dit blijkt ook wel wanneer wordt gekeken naar de locatie van de meeste vondsten ten opzichte van de (watervoerende) geulen binnen de gemeente (figuur 5.4). Hieruit valt duidelijk af te leiden dat de vondsten zich nagenoeg allemaal in de directe nabijheid van geulen en/of vennetjes bevinden. De voorkeur voor locaties nabij stromend water door de eeuwen heen kan op verschillende manieren verklaard worden. Het ligt voor de hand dat de aanwezigheid van drinkwater op loopafstand van het kamp in alle perioden, maar zeker in de vroege steentijd, een groot pluspunt was. Een andere reden voor een voorkeur voor vestiging in de nabijheid van stromend water was de diversiteit aan ecologische zones in een dergelijk gebied. Men kon zo vanuit één verblijfsplaats verschillende zones exploiteren. Tot slot waren de waterlopen, bij gebrek aan een uitgebreid wegennet, lange tijd de belangrijkste transportroutes. Op basis van het belang van water is het evident dat het gebruik van het locatiekeuze model alleen een vertekend beeld zal geven. Op de archeolandschappelijke eenheden waaraan een verwachting is toegekend, dient een tweede model te worden toegepast, namelijk de afstand tot water.

Hiervoor is het uiteraard van belang om een goed beeld te hebben van de locatie van de watervoerende geulen in het verleden. Dat is moeilijk, omdat niet vastgesteld kan worden hoe het water exact liep gedurende de periodes waar het hier om gaat, namelijk het paleolithicum en het mesolithicum. Met name de waterlopen gedurende het paleolithicum zijn niet in kaart te brengen. Er was destijds geen sprake van beken zoals deze nu aanwezig zijn. Er heerste een arctisch klimaat, met lange zeer strenge winters en korte, relatief koude zomers. Gedurende deze korte zomers was er wel sprake van stromend water, maar dit betrof voornamelijk oppervlakkig afstromende sneeuwsmeltwatertjes, zonder dat sprake was van duidelijk dalen. Vanaf het moment dat het klimaat opwarmde, aan het begin van het holoceen, veranderde het systeem van ondiepe, verwilderde geulen en beken in meanderende beken, die zich aanvankelijk in het landschap insneden. De Chaamse, de Grootte Heikantse, de Broeksche Beek en de Donge zijn voorbeelden van dergelijke beken. Deze beekdalen bevinden zich derhalve al vanaf het mesolithicum op min of meer dezelfde locatie. Hierbij is de vorm van de beekdalen in loop der millennia wel veranderd. Ook de loop van de beken lag niet vast.

Om toch te kunnen rekenen vanuit de geul van de watervoerende beken is gebruik gemaakt van de loop van de beken zoals deze rond het begin van de 19de eeuw liepen (zie figuur 5.4). Voor de Chaamse, de Grootte Heikantse, de Broeksche Beek en de Donge worden die natuurlijke lopen als representatief beschouwd voor de loop van de beken door de eeuwen heen. Voor de Straatse, de Tweede en de Grote Lei in het (noord)oostelijke deel van de gemeente, ligt dit anders. De watergangen zijn namelijk door de mens gegraven. De loop van deze watergangen mag dan geen representatief beeld geven van een natuurlijke beek gedurende het paleolithicum of het mesolithicum, deze watergangen zijn wel in een bestaand, natuurlijk (droog)dal aangelegd. Hier heeft ooit wel degelijk een natuurlijke beek gelopen. De loop van deze natuurlijke beek is aan de hand van de paleogeografische kaarten van Vos en de Vries76 en het AHN geschat en in figuur 5.4 weergegeven. Ook deze ‘geschatte’ loop is in het model gebruikt. Aangezien de locatie van de geulen bekend is, evenals de locatie van de paleolithische en mesolithische vondsten, kan op vergelijkbare wijze als bij het locatiekeuze model berekend worden aan welke zone langs de geulen en vennen een verwachting toegediend moet worden. Hiervoor is de gemeente opgedeeld in zes zones; 76

Vos & de Vries 2013.

Archeologische Beleidskaart Gemeente Gilze en Rijen

56

0-50 meter langs de geulen en vennen. 50-100 meter langs de geulen en vennen. 100-150 meter langs de geulen en vennen. 150-200 meter langs de geulen en vennen. 200-250 meter langs de geulen en vennen. > 250 meter langs de geulen en vennen.

-

Er is bij de analyse gekeken naar de verdeling van de vindplaatsen over deze verschillende zones. Om vervolgens tot een verwachting te kunnen komen, is een model gebruikt waarin het percentage vindplaatsen in een bepaalde zone is vergeleken met het percentage van die zone binnen het onderzoeksgebied. Het uitgangspunt hierbij is dat een bepaalde zone een hoge waardering krijgt wanneer er meer vindplaatsen in die zone aanwezig zijn dan op basis van een evenredige verdeling over de verschillende zones verwacht mag worden. Indien er minder vindplaatsen aanwezig zijn, scoort de eenheid laag (zie ook paragraaf 5.4.2). De uitkomst hiervan is in tabel 5.4 weergegeven. Tabel 5.4 Verwachting per zone langs geul en ven binnen de gemeente Gilze en

Rijen.

45,5

8,0

37,5

ja

50-100

0

0,0

7,5

-7,5

nee

100-150

1

9,1

7,1

2,0

ja

150-200

1

9,1

6,7

2,0

ja

200-250

2

18,2

6,0

12,2

ja

> 250

2

18,2

64,7

-46,5

nee

verwachting inductief

% (vindplaatsen)

5

verschil

aantal vindplaatsen

0-50

% opp.

Bufferzone in meters langs geul en ven

Uit tabel 5.4 blijkt dat een duidelijke relatie bestaat tussen de afstand tot water en het aantal vindplaatsen. Het model geeft aan dat de zone tot 250 meter vanaf de geul een verwachting toegediend dient te krijgen. Binnen deze zone komen de meeste vindplaatsen in het gebied met een afstand van 50 meter vanaf de geul voor. Maar ook op een afstand van 200 tot 250 meter van de geul bevinden zich relatief veel vindplaatsen. Op afstanden groter dan 250 meter neemt het aantal vindplaatsen significant af. 5.4.4 De verwachtingskaart voor Jagers en Verzamelaars De verwachtingskaart voor Jagers en Verzamelaars (bijlage 6) is het resultaat van het samenvoegen van de twee in de paragrafen 5.4.2 en 5.4.3 beschreven modellen. Hierbij is het locatiekeuze model als basis genomen waarbij rekening is gehouden met de uitkomst van het ‘afstand tot water’ model (alleen de zone van 250 meter langs de geulen en vennen krijgt een verwachting). Het resultaat is een vlakdekkend beeld van de verwachte archeologische waarden binnen de gemeente Gilze en Rijen voor de perioden paleolithicum-mesolithicum, onderverdeeld in verscheidene verwachtingszones. Op de kaart zijn tevens bekende, nog bestaande vindplaatsen aangegeven. De vindplaatsen in de gebieden zonder verwachting zijn nader bekeken. Dit betreft slechts twee vindplaatsen. Er is gekeken naar de relevantie van deze twee vindplaatsen.

Eén van beide vindplaatsen blijkt om een ‘losse vondst’ te gaan, in dit geval één enkele vuursteen afslag. Een dergelijke vondst duidt niet op een nederzetting ter plaatse. De tweede vindplaats betreft meerdere vondsten die kunnen duiden op de aanwezigheid van een nederzetting/kampement. Deze is derhalve gebufferd. Hierbij is aan een straal van 25 meter rond de betreffende

57

Een actualisatie, 2022

vindplaats een verwachting toegekend.77 Ten slotte zijn ook gebieden weergegeven waarvan bekend is dat hier geen archeologie meer aanwezig kan zijn als gevolg van verstoringen in het verleden. Het gebruikte model heeft erin geresulteerd dat 27,8 % van het totale oppervlak van de gemeente Gilze en Rijen een verwachting voor kampementen van jagerverzamelaars toegedeeld heeft gekregen. Binnen deze zone ligt maar liefst 81,8 % van de relevante bekende waarnemingen uit deze periode. De gebieden waar een hoge dichtheid aan vindplaatsen van jager en verzamelaars verwacht wordt, zijn op de verwachtingskaart in bijlage 6 middels een roze kleur weergegeven. De gebieden waar deze verwachte hoge dichtheid wordt gerelateerd aan natte contextresten, zijn op de verwachtingskaart middels een donkerroze kleur weergegeven. Dat het resultaat van het gebruikte model de beste verhouding oplevert tussen het percentage van de vondsten binnen deze verwachtingszone en het oppervlak wat het in beslag neemt, blijkt wanneer de bufferzone van de afstand tot water wordt aangepast. Zo valt slecht 54,5 % van de vondsten binnen de zone met een verwachting wanneer de bufferzone op 150 meter tot de geul/ven wordt gezet.

Het totale oppervlak wat met een dergelijke zone in beslag wordt genomen daalt weliswaar tot 19,1 %, het verlies aan vondsten binnen het gebied waaraan een verwachting wordt toegekend is te groot. Wanneer de bufferzone wordt verhoogd tot 950 meter vanaf de geul valt 90,9 % van de vondsten in het gebied waaraan een verwachting wordt toegekend. Dit is slechts een geringe verhoging, terwijl het oppervlak van de zone waaraan een verwachting wordt toegekend significant toeneemt tot 62,8 % van het totaal. In totaal zijn acht zones te onderscheiden die samen een vlakdekkend kaartbeeld vormen: • Zones met een hoge archeologische waarde (AMK-terreinen); • Zones met een archeologische verwachting; • Zones met een archeologische verwachting (natte context); • Zones zonder verwachting aan het oppervlak, maar met verwachting op grotere diepte (stuifduinen); • Zones met een archeologische verwachting en een verwachting op een goede conservering (afgedekt met plaggendek); • Zones zonder archeologische verwachting; • Zones zonder archeologische verwachting (verstoord); • Zones waar de bodem mogelijk is verstoord Bij zones met een hoge archeologische waarde gaat het om terreinen, waar op basis van reeds uitgevoerd onderzoek de archeologische waarde reeds is vastgesteld. Het gaat hierbij specifiek om een terrein waar sporen uit het mesolithicum zijn aangetroffen.

Het betreft een terrein van hoge archeologische waarde.78 De RCE houdt de AMK sinds 2014 niet meer bij. Het huidige AMK-bestand betreft derhalve een statisch bestand. Bij zones met een archeologische verwachting gaat het om terreinen, waar op basis van het gebruikte model een grote kans bestaat op het aantreffen van archeologische resten van jagers en verzamelaars. Het gaat hierbij voornamelijk om resten van kampementen (bewoning) en in mindere mate om resten gerelateerd aan begraving en economie. Ook de bufferzones rondom bekende (relevante) vindplaatsen vallen onder deze verwachting. De bufferzone betreft een cirkel met 77

Er is gekozen voor een straal van 25 m aangezien het oppervlak van de buffer dan neerkomt op circa 2000 m2. Dit komt volgens de leidraad inventariserend veldonderzoek overeen met de (maximale) grootte van een huisplaats. 78 Het betreft de monumentnr. 2076.

Archeologische Beleidskaart Gemeente Gilze en Rijen

58

een straal van 25 meter. Op deze wijze wordt een gebied gecreëerd met een oppervlak van circa 2000 m2. Een dergelijke zone wordt voldoende geacht de complete vindplaats te omvatten. Bij zones met een archeologische verwachting (natte context) betreft het gebieden bestaande uit beekdalen en vennen. De beekdalen en vennen nemen zoals reeds vermeld een bijzondere positie in. Wanneer de archeologische verwachting alleen betrekking zou hebben op de (verwachte) dichtheid aan nederzettingsterreinen, dan zouden de beekdalen en vennen een lage verwachting toegekend krijgen. Echter, in dergelijke milieus kunnen wel andere bijzondere archeologische datasets aanwezig zijn die buiten de natte gebieden juist niet gebruikelijk zijn. Hierbij moet gedacht worden aan knuppelpaden die de verschillende hogere gebieden met elkaar verbonden, of restanten van voorden. Ook kunnen rituele deposities en losse vondsten gerelateerd aan de jacht, visvangst en houtkap aanwezig zijn. In dergelijke gevallen gaat het vaak om begraven bijlen, fuiken, strikken, netten, pijlpunten en/of harpoenen. Ook voor resten van transport via water (boomkano) moet men in de natte gebieden zijn. Beken werden vaak ook gebruikt om afval te lozen. Afvaldumps kunnen derhalve worden aangetroffen in dergelijke gebieden. In bovenstaande gevallen betreft het veelal organisch materiaal (bot of hout).

Dit soort materiaal kan in de natte beekdalen of vennen, zeker wanneer deze veenhoudend zijn, goed bewaard gebleven zijn. Dit in tegenstelling tot de droge zandgronden, waar organisch materiaal snel vergaat. Hierbij moet overigens niet alleen gedacht worden aan archeologische resten, maar ook aan pollen en macroresten. Dergelijke resten kunnen in combinatie met archeologische indicatoren bijdragen aan goede landschapsreconstructies. Al deze bijzonderheden leiden ertoe dat de beekdalen en vennen binnen de gemeente als belangrijke archeologische archieven moeten worden beschouwd. Bij zones zonder verwachting aan het oppervlak, maar met verwachting op grotere diepte (stuifduinen) gaat het om terreinen, waar op basis van het gebruikte model een grote kans bestaat op het aantreffen van archeologische resten van jagers en verzamelaars, maar die in de loop van de middeleeuwen bedekt zijn geraakt met een (dik)pakket stuifzand. Aan het oppervlak van deze terreinen zullen geen vindplaatsen uit het paleolithicum of het mesolithicum aanwezig zijn. Op grotere diepte, op de overgang van het stuifzand naar het oorspronkelijke maaiveld, kunnen hier wel degelijk vindplaatsen van jagers en verzamelaars aanwezig zijn. Indien dat het geval is, zullen deze vanwege het afdekkende stuifzand veelal goed geconserveerd zijn.

Ook in dit geval zal het hoofdzakelijk om resten van kampementen (bewoning) gaan en in mindere mate om resten gerelateerd aan begraving en economie. Bij zones met een archeologische verwachting en een verwachting op een goede conservering (afgedekt met plaggendek) gaat het om dezelfde terreinen als ter plaatse van de terreinen met een archeologische verwachting, maar waar het oorspronkelijke maaiveld in de loop van de middeleeuwen is afgedekt met een (in dikte variërend) plaggendek. Ook in deze gevallen geldt dat direct aan het oppervlak geen vindplaatsen uit het paleolithicum of het mesolithicum aanwezig zullen zijn. Op grotere diepte, aan de basis van het esdek of in de top van de onderliggende bodem, kunnen hier wel degelijk vindplaatsen van jagers en verzamelaars aanwezig zijn. Indien dat het geval is, zullen deze vanwege het afdekkende plaggendek veelal goed geconserveerd zijn omdat ze niet als gevolg van agrarische activiteiten zijn verstoord. Ook in dit geval zal het hoofdzakelijk om resten van kampementen (bewoning) gaan en in mindere mate om resten gerelateerd aan begraving en economie. Ter plaatse van zones zonder archeologische verwachting heerst conform de modellen slechts een kleine kans op het aantreffen van archeologische resten.

59

Een actualisatie, 2022

Dergelijke terreinen waren bijvoorbeeld te nat, of bevonden zich op te grote afstand van water om geschikt te zijn voor menselijke bewoning. De aanwezigheid van vindplaatsen kan niet geheel worden uitgesloten, maar de kans dat zich hier archeologische resten in de bodem bevinden wordt zeer gering geacht. De zones zonder archeologische verwachting (verstoord) zijn gebieden waarvan aannemelijk is dat er geen archeologische resten zijn te verwachten. Dit kan zijn omdat bekend is dat de bodem is verstoord als gevolg van bijvoorbeeld ontgrondingen. Tot slot zijn nog zones aangeduid waar de bodem mogelijk tot in het archeologisch niveau is verstoord. Hier heeft verstoring plaatsgevonden, maar het is niet duidelijk tot welke diepte. 5.4.5 De boeren- en Staatse samenleving; het locatiekeuze model Het neolithicum wordt gekenmerkt door de overgang van een mobiel nederzettings-patroon uit de voorgaande periodes, de jagers-verzamelaars die tijdelijke kampementen bewoonden, naar een meer sedentaire79 levenswijze. Dit was het gevolg van de intrede van (een primitieve vorm van) landbouw. Door het verbouwen van granen (en mogelijk ook groenten) en het houden van vee, was meer voedsel beschikbaar dat voor een langere periode kon worden opgeslagen. Het was niet langer noodzakelijk om met het wild mee te migreren.

Daarbij kwam dat akkerbouw en veeteelt de mens er als het ware toe dwongen langer op één plaats aanwezig te zijn. Men liet immers de akkers niet onbeheerd achter en het meeverhuizen van vee naar een andere locatie bracht onnodige inspanningen met zich mee. Als gevolg van deze omslag in levenswijze ging men geleidelijk andere eisen stellen aan de landschappelijke omgeving. Aangezien de eerste landbouwers niet over de technische middelen beschikten om de bodemstructuur en –vruchtbaarheid te verbeteren, was men afhankelijk van de fysische eigenschappen van bodem en landschap. De natuurlijke bodemvruchtbaarheid speelde hierbij een grote rol. Gedurende de periode ijzertijd tot en met de vroege middeleeuwen trad er schaalvergroting op in de landbouw. Met name gedurende de Romeinse tijd werden grote stukken bos gekapt ten behoeve van de landbouw. De jacht vormde een steeds minder groot aandeel in de dagelijkse voedselvoorziening. Ondanks dat er nieuwe technieken werden ontwikkeld die voornamelijk gericht waren op het verbeteren van de bodemstructuur, was het ook in deze periode nog niet mogelijk om de bodemvruchtbaarheid te verbeteren. Men was derhalve nog steeds afhankelijk van de fysische eigenschappen van bodem en landschap, waarbij de natuurlijke bodemvruchtbaarheid een grote rol speelde.

Men stelde derhalve min of meer dezelfde eisen aan de landschappelijke omgeving als gedurende de vroege landbouwsamenlevingen. In de loop van de late middeleeuwen en zeker gedurende de nieuwe tijd gingen de ontwikkelingen in de landbouw snel, waardoor men veel minder afhankelijk werd van de fysische eigenschappen van bodem en landschap. De meest in het oog springende ‘nieuwe’ techniek waar vanaf de 15de eeuw gebruik van werd gemaakt, is het opbrengen van gemengde plaggen en potstalmest op de akkers. De plaggen werden gestoken op nabij liggende gras-, bos- of heidepercelen en in de potstal geworpen om de uitwerpselen van het vee op te vangen. Vaak werd ook het nederzettingsafval vermengd met de plaggen. De plaggen werden met de uitwerpselen en het nederzettingsafval vervolgens als mest op de akkers gebracht. Op een akkercomplex op arme zandgrond konden zo gedurende langere tijd gewassen verbouwd worden, zonder dat de bodemvruchtbaarheid daarbij uitgeput raakte. De oogsten konden daardoor op peil blijven. Deze techniek werd enkele eeuwen gebruikt, als gevolg waarvan een dikke humushoudende bovengrond is 79 sedentair; ‘het hebben van een vaste verblijfplaats’.

Archeologische Beleidskaart Gemeente Gilze en Rijen

60

ontstaan. Deze dikke humushoudende bovengrond wordt ook wel een plaggendek of esdek genoemd. Ook werden nieuwe technieken bedacht waarmee de waterhuishouding in natte gebieden als beekdalen sterk kon worden verbeterd. Zo werden de gronden in de beekdalen vanaf de 14de en 15de eeuw verdeeld in smalle kavels die loodrecht op de beek lagen, van elkaar gescheiden door afwateringssloten. Toch zou het tot de uitvinding van de kunstmest in de 19de eeuw duren voordat men echt niet meer afhankelijk was van de fysische eigenschappen van bodem en landschap. Op basis van bovenstaande is duidelijk dat de geschiktheid van de aanwezige bodemeenheden voor (prehistorische) akkerbouw met recht een veel gebruikte basis vormt voor het locatiekeuze model voor de periode neolithicum-heden. Ook in dit geval is voor een dergelijke benadering gekozen. Dat wil niet zeggen dat de geomorfogenese van het landschap geheel buiten beschouwing is gelaten. De bodemkaart is namelijk voor het gebruikte model waar nodig aangepast op basis van de archeolandschappelijke eenhedenkaart zoals deze voor onderhavig onderzoek is vervaardigd (zie paragraaf 5.2). Bovendien vervulde het beekdal ook gedurende de (vroege) boersamenlevingen een bijzondere rol. Hierbij moet gedacht worden aan rituele deposities, jacht en visserij (zij het in mindere mate), dumplocaties en transport.

Zoals in paragraaf 5.3.3 is beschreven, is het de gemeente Gilze en Rijen bodemkundig onder te verdelen in 30 eenheden (zie ook tabel 5.1). Er is bij de analyse gekeken naar de verdeling van de vindplaatsen over deze verschillende eenheden. Om vervolgens tot een verwachting te kunnen komen, is een model gebruikt waarin het percentage vindplaatsen in een bepaalde bodemkundige eenheid is vergeleken met het percentage van die eenheid binnen het onderzoeksgebied. Het uitgangspunt hierbij is dat een bepaalde bodemkundige eenheid een hoge waardering krijgt wanneer er meer vindplaatsen in die eenheid aanwezig zijn dan op basis van een evenredige verdeling over de verschillende eenheden verwacht mag worden. Indien er minder vindplaatsen aanwezig zijn, scoort de eenheid laag. De richtlijn hierbij is dat wanneer het verschil in percentages (vindplaats-oppervlakte bodemkundige eenheid) kleiner is dan 0, de betreffende eenheid een lage waardering krijgt. Indien de waarde groter dan 0 is, heeft de bodemkundige eenheid een hoge waardering. Naast deze inductieve waardering is op basis van regionale kennis tevens een deductieve waardering aan de bodemkundige eenheden toegekend. Uiteindelijk is op basis van de inductieve en deductieve gegevens een verwachting uitgesproken. In tabel 5.5 is een voorbeeld weergegeven van deze werkwijze voor de ijzertijd.

verwachting inductief

verwachting deductief

verschil

% opp. Bodemtype

% (vindplaatsen)

61

aantal vindplaatsen

Tabel 5.5 Verwachting per bodemkundige eenheid voor de ijzertijd Bodemtype

tZga55

0

0

6,3

-6,3

nee

nee

tZga35

1

8,3

3,2

5,1

ja

nee

cZga55

0

0

0,7

-0,7

nee

ja

hWz

0

0

0,6

-0,6

nee

nee

vWz

0

0

0,2

-0,2

nee

nee

pzWz

0

0

0,9

-0,9

nee

nee

Zd21

0

0

5,9

-5,9

nee

nee

EZ55

0

0

3,5

-3,5

nee

ja

Een actualisatie, 2022

verwachting inductief

verwachting deductief

verschil

% (vindplaatsen)

% opp. Bodemtype

aantal vindplaatsen

Tabel 5.5 Verwachting per bodemkundige eenheid voor de ijzertijd (vervolg) Bodemtype

EZ53

3

25

15,7

9,3

ja

ja

tZn34

0

0

0,1

-0,1

nee

nee

pZn21

0

0

0,2

-0,2

nee

nee

tZna55

0

0

0,6

-0,6

nee

nee

cZna53

0

0

0,01

-0,01

nee

nee

Hd42

0

0

1,4

-1,4

nee

nee

cHn53

0

0

3,4

-3,4

nee

ja

cHna53

0

0

0,8

-0,8

nee

ja

EZa55

0

0

2,7

-2,7

nee

nee

EZa53

0

0

0,5

-0,5

nee

nee

L

0

0

0,03

-0,03

nee

ja

aVz/zVz

0

0

0,1

-0,1

nee

nee

cY55

5

41,7

1,1

40,6

ja

ja

zWz

0

0

0,1

-0,1

nee

nee

Wp

0

0

0,04

-0,04

nee

nee

X

1

8,3

0,5

7,8

Hna55

0

0

4,2

-4,2

nee

nee

Hna75

0

0

0,7

-0,7

nee

nee

Hn53

1

8,3

25,7

-17,4

nee

ja

Hna53

1

8,3

14,1

-5,8

nee

nee

Hn73

0

0

4,2

-4,2

nee

nee

Hn34

0

0

2,7

-2,7

nee

ja

vVz

0

0

0,04

-0,04

nee

nee

W

0

0

0,0

0,0

In tabel 5.6 zijn de uitkomsten van de analyses met betrekking tot de relatie vindplaats-bodemtype uiteengezet voor de perioden neolithicum-nieuwe tijd. Door de verschillende toegekende waarden per bodemkundige eenheid door de tijd heen naast elkaar te zetten is gekomen tot een uiteindelijke inductieve waardering per bodemkundige eenheid. Uit tabel 5.6 is echter ook duidelijk dat de uiteindelijke verwachting niet alleen op het inductieve model gebaseerd kan worden. Enkele eenheden die op basis van de kennis opgedaan uit onderzoek in vergelijkbare gebieden ook een hoge waardering zouden moeten hebben, krijgen dat op basis van het inductieve model niet. Dit betreffen de eenheden L (leemgrond met humushoudende bovenlaag) en Hn34 (veldpodzol) Aan deze eenheden dient op basis van het inductieve model geen verwachting toegekend te worden. De ervaring leert echter dat dergelijke bodemtypes wel degelijk bodemtypes zijn waar archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Deze bodemtypen dienen derhalve wel degelijk een verwachting toegekend te krijgen. De reden voor de te lage waardering in het inductieve model is het feit dat deze bodemtypes zich in het Chaamse bos bevinden. Hier wordt vrijwel geen onderzoek gedaan en ook de kans op het aantreffen van archeologische resten door amateur-archeologen is hier vrij

Archeologische Beleidskaart Gemeente Gilze en Rijen

62

klein. Amateur-archeologen zijn meestal afhankelijk van een oppervlaktekartering en dat is in bebost gebied niet de beste opsporingsmethode. Indien er verschillen zijn tussen de inductieve verwachting en de deductieve verwachting is per bodemtype afgewogen welke het zwaarst moet wegen. Zo is in het geval van de beekeerdgronden gevormd in sterk lemig, zeer fijn zand (tZga35) het decuctieve model het zwaarst gewogen. Dit betreft natte gronden die over het algemeen niet geschikt zijn voor landbouw en ook te nat zijn voor bewoning. Er bevindt zich echter één vindplaats op dit bodemtype, met als gevolg dat het inductieve model er wel een verwachting aan toekend. In het geval van bijvoorbeeld

bronstijd

ijzertijd

Romeinse tijd

vroege middeleeuwen

late middeleeuwen

nieuwe tijd

verwachting inductief

verwachting deductief

Toegekende verwachting

63

neolithicum

Tabel 5.6 Verwachting voor de vroege landbouwsamenleving per bodemtype. Bodemtype

tZga55

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

tZga35

ja

ja

ja

nee

nee

nee

nee

ja

nee

nee

cZga55

ja

nee

nee

nee

ja

ja

ja

ja

ja

ja

hWz

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

vWz

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

pzWz

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

Zd21

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

EZ55

nee

nee

nee

nee

nee

ja

ja

ja

ja

ja

EZ53

nee

ja

ja

nee

ja

ja

ja

ja

ja

ja

tZn34

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

pZn21

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

tZna55

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

cZna53

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

Hd42

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

cHn53

nee

nee

nee

nee

nee

ja

ja

ja

ja

ja

cHna53

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

ja

nee

EZa55

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

EZa53

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

L

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

ja

ja

aVz/zVz

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

cY55

ja

ja

ja

ja

ja

ja

ja

ja

ja

ja

zWz

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

Wp

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

Hna55

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

Hna75

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

Hn53

ja

nee

nee

ja

nee

nee

nee

ja

ja

ja

Hna53

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

Hn73

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

Hn34

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

ja

ja

vVz

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

Een actualisatie, 2022

de laarpodzolgronden met een hoge grondwatertrap (cHna53) is het inductieve model het zwaarst gewogen. Het blijkt dat dit type bodem in de gemeente Gilze en Rijen alleen in de beekdalen wordt aangetroffen waar het te nat was voor bewoning en/of landbouw. Dat verklaart waarom er binnen het plangebied geen statische onderbouwing is voor een hoge waardering van dit type bodem. 5.4.6 De verwachtingskaart voor de boeren- en Staatse samenleving De verwachtingskaart voor de boeren- en Staatse samenleving (bijlage 7) is het resultaat van het in de paragraaf 5.4.5 beschreven model. Het resultaat is een vlakdekkend beeld van de verwachte archeologische waarden binnen de gemeente Gilze en Rijen voor de periode neolithicum tot en met het heden, onderverdeeld in verscheidene verwachtingszones. Voor de Staatssamenleving geldt echter dat hier op basis van de analyse van historisch kaartmateriaal, met name de kadastrale kaart van circa 1832, een groot aantal historische elementen is geïdentificeerd. Het betreft locaties van bijvoorbeeld kerken, kapellen, (ros)molens, erven, etc. Een groot deel van deze elementen dateert uit de nieuwe tijd. Een flink aantal van deze historische elementen is van dien aard dat ter plaatse ook oudere archeologische resten in de bodem kunnen worden verwacht.

Het gaat hierbij om alle binnen de historische kernen aanwezige elementen, maar ook om begraafplaatsen, kerken, kapellen, molens, en (eventuele middeleeuwse) boerenerven buiten de historische kernen. De te verwachten archeologische sporen rond deze historische elementen betreffen met name funderingen van de bebouwing maar ook graven (ter plaatse van de kerken). Vandaar dat rond deze historische elementen een buffer is geplaats waaraan een archeologische verwachting is toegekend. Rond de historische elementen als kerken, kapellel, steenfabrieken en (boeren)erven is een cirkel getrokken met een straal van 50 meter, aangezien binnen een dergelijk gebied (middeleeuwse) bewoning dan wel een kerkhof aanwezig kan zijn geweest. Rond de historische elementen als molens, rosmolens, watermolens en voorden is een cirkel getrokken met een straal van 25 meter, aangezien binnen een dergelijk gebied sporen van (middeleeuwse) voorgangers aanwezig kunnen zijn. Op de kaart zijn tevens bekende, nog bestaande vindplaatsen aangegeven. Ook de locatie van het militaire kamp van Willem I en bijbehorende oefenbaan is weergegeven.80 Ten slotte zijn ook gebieden weergegeven waarvan bekend is dat hier geen archeologie meer aanwezig kan zijn als gevolg van verstoringen in het verleden.

Het gebruikte model heeft erin geresulteerd dat 57,4 % van het totale oppervlak van de gemeente Gilze en Rijen een verwachting voor nederzettingen van de vroege landbouwers toegedeeld heeft gekregen. Dit is, zeker vergeleken met de 27,8 % voor de inventarisatiekaart voor jagers en verzamelaars een fors percentage. De oorzaak hiervoor ligt in het feit dat binnen het plangebied een groot areaal aan enkeerdgronden aanwezig is. Dit bodemtype, dat binnen het plangebied circa 1/5 deel van het bodemareaal omvat, is archeologisch gezien zeer relevant. Slechts 7,7 % van de relevante bekende waarnemingen uit de periode neolithicumnieuwe tijd ligt niet binnen de zone waaraan op basis van de modellen een verwachting is toegekend. Dat is relatief weinig. Dit houdt in dat de gebruikte modellen goed bruikbaar zijn. Hierbij dient wel te worden opgemerkt dat er tot op heden relatief weinig vindplaatsen aanwezig zijn binnen de gemeente Gilze en Rijen, waarmee de kans dat er veel vindplaatsen buiten de door de modellen aangewezen kansrijke zone vallen ook lager is. Desalniettemin is het een goede score.

80

Naar dit kamp is reeds uitgebreid onderzoek verricht (Roymans 2020). Op basis van dat onderzoek is de gemeente momenteel bezig om dit terrein aan te wijzen als gemeentelijk monument.

Archeologische Beleidskaart Gemeente Gilze en Rijen

64

In het gebruikte model is geen rekening is gehouden met de bijzondere plaats die de beekdalen en vennen ook in deze periode innamen. De beekdalen (en vennen) zullen niet gebruikt zijn voor bewoning of voor akkerbouw (te nat), maar wel voor transport, visserij, jacht, rituele deposities en voor het dumpen van afval. In bovenstaande gevallen betreft het veelal organisch materiaal (bot of hout). Dit soort materiaal kan in de natte beekdalen goed bewaard gebleven zijn. Al deze bijzonderheden leiden ertoe dat de beekdalen (en vennen) binnen de gemeente ook voor de (vroege) landbouwsamenleving als belangrijke archeologische archieven moeten worden beschouwd. Vandaar dat deze archeolandschappelijke eenheid ook op de verwachtingskaart voor de boeren- en Staatse samenleving is geplot. De gebieden waar een hoge dichtheid aan vindplaatsen wordt verwacht, zijn op de verwachtingskaart in bijlage 7 middels een roze kleur weergegeven. De gebieden waar deze verwachte hoge dichtheid wordt gerelateerd aan bekende historische elementen, zijn op de verwachtingskaart middels een donkerroze kleur weergegeven. De gebieden waar deze verwachte hoge dichtheid wordt gerelateerd aan natte contextresten, zijn middels een blauwe arcering weergegeven.

In totaal zijn op de verwachtingskaart voor de boeren- en Staatse samenleving elf zones te onderscheiden die samen een vlakdekkend kaartbeeld vormen: • Zone met een (zeer) hoge archeologische waarde (toekomstig gemeentelijk monument); • Zones met een archeologische verwachting; • Zones met een archeologische verwachting (historische dorpskernen); • Zones met een archeologische verwachting (historisch element); • Zones met een archeologische verwachting (natte context); • Zones zonder verwachting aan het oppervlak, maar met verwachting op grotere diepte (stuifduinen); • Zones met een archeologische verwachting en een verwachting op een goede conservering (afgedekt met plaggendek); • Zones met een onbekende archeologische verwachting (bodemtype onbekend); • Zones zonder archeologische verwachting; • Zones zonder archeologische verwachting (verstoord); • Zones waar de bodem mogelijk is verstoord Bij zones met een (zeer) hoge archeologische waarde gaat het om terreinen, waar op basis van reeds uitgevoerd onderzoek de archeologische waarde reeds is vastgesteld.81 Het gaat hierbij specifiek om het terrein waar koning Willem I tijdens de Belgische opstand (1831-1839) een militair kamp heeft laten oprichten. Momenteel is de gemeente bezig met een procedure om dit terrein deels te verheffen tot gemeentelijk monument.

Bij zones met een archeologische verwachting gaat het om terreinen, waar op basis van de gebruikte modellen een grote kans bestaat op het aantreffen van archeologische resten behorend tot de boeren- en Staatse samenlevingen. Het gaat hierbij voornamelijk om resten van bewoning, verdediging, begraving, economie en infrastructuur. Ook de bufferzones rondom bekende (relevante) vindplaatsen vallen onder deze verwachting. Dit betreft echter slechts één vindplaats waar een beperkte hoeveelheid vuursteen is aangetroffen. Dit vuursteenmateriaal is gedateerd op een lange periode, namelijk paleolithicum-ijzertijd. De mogelijkheid bestaat derhalve dat het hier geen vindplaats uit een boerensamenleving betreft, maar een oudere vindplaats.82 Het betreft derhalve een vindplaats zonder duidelijk bewijs op resten 81

Roymans 2020. Deze vindplaats valt op de verwachtingskaart Jagers en Verzamelaars in een gebied met een verwachting op natte contextresten. 82

65

Een actualisatie, 2022

van een boerenerf, laat staan op resten van mogelijke zwervende erven. Om deze reden is voor een bufferzone gekozen van een cirkel met een straal van 25 meter. Op deze wijze wordt een gebied gecreëerd met een oppervlak van circa 2000 m 2. Een dergelijke zone wordt voldoende geacht de complete vindplaats te omvatten.83 Bij zones met een archeologische verwachting (historische dorpskernen) gaat het om de historische dorpskernen gebaseerd op de eerste Kadastrale kaarten. Binnen deze gebieden kunnen resten van (middeleeuwse) dorpsbewoning worden verwacht. Hierbij dient te worden vermeld dat AMK-terrein 16837 niet als begrenzing is overgenomen, aangezien deze is gebaseerd op kaartmateriaal van rond 1900. Bij zones met een archeologische verwachting (historische elementen) gaat het om terreinen, waarvan op basis van historische elementen in de nabije omgeving (vrijwel) vaststaat dat zich archeologische resten in de ondergrond bevinden. Bij zones met een archeologische verwachting (natte context) betreft het gebieden bestaande uit beekdalen en vennen. Hier wordt de kans op het aantreffen van bijzondere, water gerelateerde datasets groot geacht. Hierbij moet gedacht worden aan knuppelpaden, restanten van voorden, rituele deposities en losse vondsten gerelateerd aan de jacht, visvangst en houtkap. Beken werden vaak ook gebruikt om afval te lozen.

Afvaldumps kunnen derhalve worden aangetroffen in dergelijke gebieden. Overigens geldt dit voornamelijk voor de periode neolithicum-vroege middeleeuwen en in veel mindere mate voor de late middeleeuwen en de nieuwe tijd. Bij zones zonder verwachting aan het oppervlak, maar met verwachting op grotere diepte (stuifduinen) gaat het om terreinen, waar op basis van het gebruikte model een grote kans bestaat op het aantreffen van archeologische resten van (vroege) landbouwsamenlevingen, maar die in de loop van de middeleeuwen bedekt zijn geraakt met een in dikte sterk variërend pakket stuifzand. Aan het oppervlak van deze terreinen zullen geen vindplaatsen aanwezig zijn. Op grotere diepte, op de overgang van het stuifzand naar het oorspronkelijke maaiveld,84 kunnen hier wel degelijk vindplaatsen van (vroege) landbouwers aanwezig zijn. Indien dat het geval is, zullen deze vanwege het afdekkende stuifzand veelal goed geconserveerd zijn. Resten uit de middeleeuwen en de nieuwe tijd worden hier in het geheel niet verwacht. Bij zones met een archeologische verwachting en een verwachting op een goede conservering (afgedekt met plaggendek) gaat het om dezelfde terreinen als ter plaatse van de terreinen met een archeologische verwachting, maar waar het oorspronkelijke maaiveld in de loop van de middeleeuwen is afgedekt met een (in dikte variërend) plaggendek.

Ook in deze gevallen geldt dat direct aan het oppervlak geen vindplaatsen aanwezig zullen zijn. Op grotere diepte, aan de basis van het esdek of in de top van de onderliggende bodem, kunnen hier wel degelijk vindplaatsen aanwezig zijn. Indien dat het geval is, zullen deze vanwege het afdekkende plaggendek veelal goed geconserveerd zijn omdat ze niet als gevolg van agrarische activiteiten zijn verstoord. Ter plaatse van zones met een onbekende archeologische verwachting kan geen uitspraak worden gedaan over de verwachting op archeologische resten. De reden hiervoor is dat op deze locaties het bodemtype niet bekend is. Het betreft 83

Indien duidelijk sprake is van de resten van een boerenerf, dan kan gekozen worden voor een grotere buffer, aangezien vaak sprake is van zwervende erven. Voor het kaartmateriaal van Alphen-Chaam is bijvoorbeeld gekozen voor een buffer met een straal van 55 meter (circa 1 ha). 84 De diepte waarop de overgang tussen het stuifzand en het oorspronkelijke maaiveld zich bevindt, kan variëren van enkele decimeters tot enkele meters.

Archeologische Beleidskaart Gemeente Gilze en Rijen

66

voornamelijk gebieden binnen de bebouwde kom die niet op de bodemkaarten zijn gekarteerd. Deze gebieden zijn met behulp van oud kaartmateriaal zo klein mogelijk gemaakt (zie paragraaf 5.3.2), maar desalniettemin is een aantal gebieden overgebleven waarvan het bodemtype onbekend is. Ter plaatse van zones zonder archeologische verwachting heerst conform de modellen slechts een kleine kans op het aantreffen van archeologische resten. Dergelijke terreinen waren bijvoorbeeld te nat, te droog of te arm om geschikt te zijn voor menselijk gebruik. De aanwezigheid van vindplaatsen kan niet geheel worden uitgesloten, maar de kans dat zich hier archeologische resten in de bodem bevinden wordt zeer gering geacht. Ter plaatse van zones zonder archeologische verwachting (verstoord). Dit zijn gebieden waarvan aannemelijk is dat er geen archeologische resten zijn te verwachten. Dit kan zijn omdat bekend is dat de bodem is verstoord als gevolg van bijvoorbeeld ontgrondingen. Tot slot zijn nog zones aangeduid waar de bodem mogelijk tot in het archeologisch niveau is verstoord. Hier heeft verstoring plaatsgevonden, maar het is niet duidelijk tot welke diepte.

5.5 De gaafheid van vindplaatsen Er zijn verschillende factoren die van invloed zijn op de conditie waarin een eventuele vindplaats zich bevindt. Het betreft de aard van de archeologische resten, de verwering van archeologische resten en de aanwezigheid van bebouwing.

De aard van archeologische resten Bij archeologische vindplaatsen kan onderscheid gemaakt worden tussen vindplaatsen waar tevens grondsporen zijn aangetroffen en vindplaatsen waarbij alleen vondsten (mobilia) zijn aangetroffen. De laatste groep betreft voornamelijk vuursteen-vindplaatsen van rondtrekkende jagers/verzamelaars uit de steentijden. Vindplaatsen uit deze groep zijn gevoelig voor verstoringen, aangezien de archeologische indicatoren vrij makkelijk kunnen worden verplaatst door ploegwerkzaamheden. Wanneer dat gebeurt, verdwijnt informatie over de interne structuur van de vindplaats en is de informatieve waarde van de vindplaats afgenomen. In gebieden met een intacte enkeerdgrond of onder de met stuifzand afgedekte gebieden is kans op dergelijke waardevermindering het minst aanwezig. In het geval van een vindplaats waar tevens grondsporen zijn aangetroffen, betreft het voornamelijk resten van de meer plaatsgebonden (landbouwende) culturen vanaf het neolithicum. Dergelijke vindplaatsen zijn minder gevoelig voor verstoringen, aangezien naast mobilia ook nog grondsporen aanwezig zijn. Hierbij is de diepte van de grondsporen uiteraard wel van belang.

De grondsporen van de vroege landbouwers (neolithicum – bronstijd) zijn over het algemeen minder diep en daarmee gevoeliger voor verstoring dan grondsporen uit latere tijden, aangezien de funderingen en (afval)kuilen in die perioden veelal dieper werden ingegraven.

Verwering Sommige archeologische vindplaatsen zijn gevoeliger voor erosie dan andere. Dit hangt niet alleen samen met de aard van de archeologische resten en de diepte van de grondsporen, maar ook met de verweringsgevoeligheid van het materiaal waaruit de vondsten bestaan. Van organisch materiaal blijft in deze regio zelden iets over (met uitzondering van eventuele vondsten in de beekdalen en vennen). Steenbouw is veel beter bestand tegen erosie dan bijvoorbeeld leembouw of een verspreiding van vuurstenen artefacten. Vuurstenen artefacten zijn op hun beurt echter weer beter bestand tegen verwering dan zacht gebakken aardewerk en

67

Een actualisatie, 2022

andere sterk vergankelijke materialen. Zure regen, landbouwactiviteiten en vorst kunnen dergelijk materiaal aantasten en zelfs volledig opruimen wanneer dergelijk materiaal niet beschermd wordt tegen verwering door een afdekkende bodemlaag. Voor de steentijdvindplaatsen vormt dit in mindere mate een belemmering dan voor vindplaatsen uit de bronstijd en de ijzertijd. Er werd immers veel gebruik gemaakt van vuursteen. Het gebruik van vuursteen nam in de metaaltijden echter sterk af. Het kan derhalve voorkomen dat mobilia behorende tot vindplaatsen uit de metaaltijden geheel zijn verdwenen, waardoor een dergelijke vindplaats zo goed als onvindbaar is geworden (grondsporen worden bij oppervlaktekarteringen en/of booronderzoeken niet of nauwelijks aangetroffen). Ook van metaal gemaakte artefacten zijn gevoelig voor verwering. Zo is het gebruik van drijfmest (gier) vanwege de hoge zuurgraad zeer schadelijk voor metalen voorwerpen.

Bebouwing Ook de huidige bebouwing binnen de gemeente Gilze en Rijen is van invloed op de gaafheid van eventuele archeologische vindplaatsen. Bebouwing kan namelijk zowel verstorend als beschermend werken. Bij moderne bouwwerkzaamheden 85 is het gebruikelijk om het gehele oppervlak van de nieuwbouw te funderen. Hierbij wordt veelal de toplaag van de bodem afgegraven. Indien op een dergelijke nieuwbouwlocatie geen moderne ophooglaag is aangebracht, dan is het goed mogelijk dat indien zich ter plaatse een archeologische vindplaats bevindt, deze zal worden verstoord. Zeker indien ook kelders zijn aangelegd. Bebouwing kan echter ook een beschermende werking hebben. Zo werden bij ‘nieuwbouw’ daterend uit de periode voor 1950 veelal alleen de muren gefundeerd. Verstoring van eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen onder dergelijke bebouwing is minimaal (tenzij ook hier sprake is van de aanleg van kelders). Het is derhalve niet zo dat gebieden waar bebouwing aanwezig is per definitie een lage trefkans op archeologie hebben. Binnen de historische kernen kunnen in potentie juist veel vindplaatsen aanwezig zijn, grotendeels onder bestaande bebouwing.

5.6 Beperkingen Hoewel de gegevens die gebruikt zijn voor het vervaardigen van de verschillende lagen met de grootste nauwkeurigheid zijn verzameld en verwerkt, kunnen deze natuurlijk nooit volledig zijn en zijn daarom zo nauwkeurig als de bronnen waar ze uit komen. Daarom is het van belang te weten welke betekenis er aan de op de kaart weergegeven gegevens moet worden gehecht. In deze paragraaf zal daar kort op worden ingegaan. Bij de gebruikte modellen kan een kanttekening worden geplaatst. Veel van de vondsten binnen de gemeente zijn door amateur-archeologen aangetroffen. Zij beperken zich voornamelijk tot oppervlaktekarteringen en zijn derhalve gebonden aan geploegd akkerland. Beboste gebieden en gebieden bestaande uit weide en heide zijn derhalve veel minder goed onderzocht. De gemeente Gilze en Rijen heeft een behoorlijk areaal aan bos en weide, gelegen op verschillende soorten archeolandschappelijke eenheden. Dit betekent dat het aantal vindplaatsen in bosen weidegebieden ondervertegenwoordigd zal zijn. Daarbij komt dat voor de gebruikte modellen gebruik is gemaakt van locatiekeuzefactoren die voornamelijk gebaseerd zijn op economische motieven. Archeologische resten die niet of nauwelijks gebonden zijn aan bepaalde landschappelijke eenheden vallen minder goed binnen dit model. Hierbij moet gedacht worden aan wegen, greppels en (in mindere mate) grafvelden.

Een andere beperking voor het landschappelijke model 85 Met moderne nieuwbouw wordt de periode vanaf de tweede helft van de 20ste eeuw

bedoeld.

Archeologische Beleidskaart Gemeente Gilze en Rijen

68

betreft het feit dat ondanks de heersende theorie dat het landschap vanaf het laatpaleolithicum weinig veranderingen heeft ondergaan, er in de loop der tijd wel degelijk veranderingen zijn opgetreden in de vorm van erosie en bodemvorming. Het huidige landschap wijkt derhalve wel degelijk enigszins af van het landschap in de steentijden, wat het beeld over locatiekeuzen vertroebelt. De kartografische basis voor de archeologische verwachtingskaarten wordt gevormd door de archeolandschappelijke eenhedenkaart (Jagers en Verzamelaars) en de bodemkaart. De archeolandschappelijke eenhedenkaart is speciaal voor dit project gemaakt, waarbij gewerkt is met een schaal van 1:10.000. Deze kaart geeft voldoende detail om tot een goed beeld te kunnen komen. Dit geldt in mindere mate voor de bodemkaart. Deze is samengesteld uit een aantal kaarten. Een groot deel is gebaseerd op bodemkaarten met een schaal van 1:25.000. Deze kaarten geven een redelijk tot goed beeld van de bodem. Een deel van de bodemkaart is echter gebaseerd op de landelijk bodemkaart.86 Deze heeft een schaal van 1:50.000 wat tot een hogere mate van schematisatie heeft geleid dan het geval is bij de gebruikte gedetailleerdere kaarten. Als gevolg hiervan vertoont de kaart onzuiverheden. De bodemkundige eigenschappen van relatief kleine gebieden zullen niet zijn weergegeven.

Ondanks dat het deel van de bodemkaart bestaande uit de 1:50.000 kaarten met behulp van de gedetailleerde archeoloandschappelijke eenhedenkaart en de eerste kadastrale kaarten is verfijnd, zal dit zijn weerslag hebben op de verwachtingskaart voor de boeren- en Staatssamenlevingen. Hoewel aan een terrein een bepaalde verwachting kan zijn toegekend, betekent het geenszins dat de bodem ter plaatse intact is. Ontgrondingen, afgravingen, ruilverkaveling en de aanleg van funderingen voor gebouwen, kabels en leidingen hebben veelal geleid tot (lokale) bodemverstoringen. Dit is vaak gebleken bij de verschillende archeologische vooronderzoeken die hebben plaatsgevonden binnen de bebouwde kom. Het lokale karakter van dergelijke bodemverstoringen maakt het echter onmogelijk al deze bodemverstoringen op de kaart aan te geven. Bij een archeologisch vooronderzoek dient te worden bepaald in hoeverre de bodemopbouw nog intact is of niet. Tevens dient te worden opgemerkt dat de verwachting de kans weergeeft op het aantreffen van archeologische waarden. Een grotere dichtheid aan archeologische vindplaatsen brengt een hogere trefkans met zich mee dan een lage trefkans.

Dit betekent dat het bij archeologisch onderzoek in een zone met een archeologische verwachting kan voorkomen dat geen archeologische resten worden aangetroffen, terwijl in een zone zonder een archeologische verwachting de aanwezigheid van archeologische resten niet volledig is uit te sluiten. De kans op het aantreffen van resten in een zone zonder archeologische verwachting is echter beduidend lager dan in een zone met een archeologische verwachting.

86

69

Stiboka 1980.

Een actualisatie, 2022

Archeologische Beleidskaart Gemeente Gilze en Rijen

70

6

Archeologie en beleid

6.1 Inleiding Het doel van de archeologische monumentenzorg (AMz) is om de in de bodem aanwezige archeologische vindplaatsen ter plaatse (in situ) te behouden als kennisbron voor toekomstige generaties. Door de archeologische monumentenzorg te koppelen aan de ruimtelijke ordening wordt een instrument gecreëerd waarmee kan worden vastgesteld welke gebieden op een voor het culturele erfgoed zo veilig mogelijke manier kunnen worden ontwikkeld. In gebieden waar archeologische vindplaatsen worden verwacht, zal uit inventariserend onderzoek moeten blijken of zich ter plaatse ook daadwerkelijk behoudenswaardige vindplaatsen bevinden. Is dat niet het geval, dan kan men beginnen met de geplande bouwwerkzaamheden, zonder dat rekening hoeft te worden gehouden met archeologisch erfgoed. Blijkt uit het inventariserend onderzoek dat zich ter plaatse van het plangebied wel een (behoudenswaardige) archeologische vindplaats bevindt, dan zou deze conform de wetgeving behouden moeten worden voor toekomstige generaties. Gezien de grote druk op de bodem is dit vaak niet haalbaar. Vandaar dat dergelijke vindplaatsen zorgvuldig worden onderzocht om op die manier informatie te vergaren over het verleden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12168283/1