CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

ap 7 VOBP Stationsomgeving Rijen-toelichting

Raadscommissie Ruimte 26 januari 2021, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Memo inzake inzake het voorontwerp-bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen26.658 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Een aantrekkelijker verblijfsgebied voor gebruikers en omwonenden door het versterken van de ruimtelijke kwaliteit en sfeer. De gemeente ziet kansen voor herontwikkeling, zoals het prominenter zichtbaar maken van het stationsgebouw en het Rijksmonument aan de zuidzijde van het spoor. Daarnaast biedt de aanleg van de onderdoorgang, kansen om de gebouwde omgeving te verbeteren via herontwikkeling. De herontwikkelingsmogelijkheden liggen deels op gronden die in eigendom zijn (of komen) van de gemeente en deels op gronden van derden. In paragraaf 2.3 van deze toelichting wordt ingegaan op die herstructureringen waar dit bestemmingsplan op ziet. Daarnaast bestaat de ambitie om de openbare ruimte van het nieuwe Stationsplein te veraangenamen en klimaatadapatief in te richten, om passanten en (wachtende) reizigers een aantrekkelijke omgeving te bieden. Wat dat laatste betreft gaat het onder andere om het vergroenen van het Stationsplein (planten van bomen), het beperken van de hoeveelheid verharding en het op natuurlijke wijze laten infiltreren van regenwater in de bodem.

2.

Een betere entree naar de kern van het dorp De stationsomgeving ligt aan/nabij éen van de belangrijkste dragers van het dorp, namelijk het lint Julianastraat – Stationstraat – Hoofdstraat. Dit lint is zeer herkenbaar in het dorp en de wens is dan ook om deze herkenbaarheid te behouden en waar nodig te versterken/accentueren.

3.

Een betere en veilige bereikbaarheid/toegankelijkheid van de stationsomgeving voor alle verkeersdeelnemers onder andere door het wegnemen van de spoor barrière De route Julianastraat – Stationsstraat is van oorsprong een doorgaande route. Verkeer dat vanuit de zuidzijde van Rijen (N282) komt en naar de noordkant van het NS spoor wilt (en vice versa) wordt geacht gebruik te maken van de twee gebiedsontsluitingswegen aan de oostkant en aan de westkant van Rijen. Dit zijn: aan de westzijde: de Nassaulaan, en aan de oostzijde: de Europalaan en Mary Zeldenrustlaan. Middels aanpassingen aan de Julianastraat (zie paragraaf 4.2 Verkeer) wordt autoverkeer ontmoedigd om de onderdoorgang te gebruiken. Als gevolg van de aanleg van de onderdoorgang verandert de aansluiting op de bestaande verkeersstructuur. De onderdoorgang sluit aan de noordelijke zijde van het station aan op de Constance Gerlingsstraat en de Spoorlaan-Noord. Aan de zuidzijde sluit de onderdoorgang aan op de wijk Rijen-Zuid. Door middel van trappen ter hoogte van het Stationsplein (noordzijde) en de Parallelweg (zuidzijde) kunnen voetgangers de onderdoorgang bereiken. De panden aan de Julianastraat en de Stationsstraat zijn in de beoogde situatie bereikbaar voor voetgangers, fietsers en auto(-bestemmings-)verkeer via de parallelstructuur aan weerszijden van de onderdoorgang.

blad 33 van 79

Ruimte - Antea Nederland B.V.

voorontwerp bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838

Figuur 3.4: Impressie van de onderdoorgang; aan de linkerkant van de figuur is het bestaande Stationsgebouw aan de noordkant van het spoor zichtbaar; de rechterkant toont de kruising Julianastraat/Parallelweg (Gebiedsvisie Stationsomgeving Rijen, 2020) Voor de fietsers verbetert de verkeerssituatie omdat zij ongehinderd het spoor kunnen kruisen. Tevens zal aan de noordzijde van het spoor de snelfietsroute tussen Breda en Tilburg worden ingepast. Ook zullen voldoende fietsparkeerplekken gerealiseerd worden, zowel aan de noord- als aan de zuidzijde. Voor de voetgangers is ook sprake van een verbetering van de verkeerssituatie. De beide perrons zullen worden verbonden middels de eerder genoemde onderdoorgang en de Oost-West relatie wordt ook veiliger omdat de voetganger de Stationsstraat ongehinderd kruist via de ongelijkvloerse kruising van de onderdoorgang door middel van een voetpad dat naast het brugdek voor de Snelfietsroute wordt gelegd. Alleen de relatie tussen Spoorlaan-Zuid en het station zal minder direct zijn vanwege de komst van de onderdoorgang. Personen die slechter ter been zijn of de trappen niet kunnen gebruiken, kunnen de voetgangersonderdoorgang bereiken en dus het spoor passeren door gebruik te maken van liften aan weerszijden van het spoor.

blad 34 van 79

4.

Een betere bereikbaarheid van het openbaar vervoer (trein en bus) In de beoogde situatie ligt het zwaartepunt voor de autobereikbaarheid van het station volledig aan de noordzijde. Bij de verdere uitwerking van de stationsomgeving is het de wens om het aantal parkeerplaatsen aan de noordzijde te vergroten. Een halte voor de bus en buurtbus zal, zoals dat thans ook het geval is, aan de noordzijde van het station een plek krijgen. De busroute kruist nu en ook in de toekomst het spoor via de Generaal Maczek Tunnel.

5.

Een (sociaal) veilige onderdoorgang De onderdoorgang ter plaatse van de Julianastraat – Stationstraat is bedoeld voor auto's en fietsers en zal worden ingericht met woonstraatprofiel, waarbij de voetganger de onderdoorgang passeert via een voetpad dat verhoogd is aangelegd ten opzichte van de rijbaan. De voetganger bereikt de onderdoorgang via de trappen of de liften en mengt zich dus niet met het overige verkeer. Onnodig doorgaand autoverkeer wordt ontmoedigd zoals eerder beschreven. De ambitie is om de onderdoorgang, door middel van specifieke ingrepen (bijv. licht wijkende wanden, verlichting, materialen), zo overzichtelijk en aantrekkelijk mogelijk te maken. Ruimte - Antea Nederland B.V.

voorontwerp bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838

6.

Klimaatbestendige inrichting met het oog op voorkomen van hittestress Hierbij gaat het onder meer om het vergroenen van het Stationsplein (planten van bomen), het beperken van de hoeveelheid verharding en het op natuurlijke wijze laten infiltreren van regenwater in de bodem. Daarnaast bestaat de wens om het bestaande lint Julianastraat- Stationsstraat – Hoofdstraat en de Oost-West route 'Mary Zeldenrustlaan, Constance Gerlingsstraat, Spoorlaan-Noord, Rembrandtlaan, Nassaulaan' zo veel mogelijk door bomen te laten begeleiden. Aan de zuidwestzijde van het spoor wordt zoveel mogelijk het laankarakter versterkt, passend bij het groene en bosachtige karakter van Rijen-Zuid.

Voorliggende ontwikkeling waar het bestemmingsplan op ziet, komt voort uit en past in de Gebiedsvisie Stationsomgeving Rijen (2020).

blad 35 van 79

Ruimte - Antea Nederland B.V.

voorontwerp bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838

blad 36 van 79

Ruimte - Antea Nederland B.V.

voorontwerp bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838

Hoofdstuk 4

Planologisch relevante aspecten In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de conclusies ten aanzien van de milieuaspecten die van belang zijn voor dit bestemmingsplan. Per aspect wordt ingegaan op het geldende toetsingskader, de conclusies van het onderzoek en de wijze waarop conclusies zijn vertaald naar het bestemmingsplan. De resultaten van de verschillende milieuonderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van dit bestemmingsplan zijn weergegeven in de bijbehorende bijlagen rapporten. Voor een nadere onderbouwing van de conclusies wordt verwezen naar de onderzoeken.

4.1

Besluit milieueffectrapportage Toetsingskader De procedure van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang vroegtijdig en volwaardig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie of een bestemmingsplan. Het centrale onderdeel van een m.e.r. is het milieueffectrapport (MER) waarin de milieueffecten voor een tal van aspecten voor een of meerdere alternatieven geanalyseerd en beoordeeld worden ten opzichte van de referentiesituatie. Deze m.e.r.-procedure is van toepassing bij activiteiten waarvan reeds vast staat dat er mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Deze activiteiten met bijbehorende drempelwaarden staan weergegeven in onderdeel C van het Besluit m.e.r. (ook geldt dit voor activiteiten uit onderdeel D waar een plan, bijvoorbeeld een structuurvisie, voor nodig is). Naast het direct uit moeten voeren van een m.e.r. zijn in het Besluit m.e.r. ook activiteiten, met bijbehorende drempelwaarden, aangegeven waarvoor eerst beoordeeld moet worden of sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen (m.e.r.-beoordeling). Deze activiteiten met bijbehorende drempelwaarden staan benoemd in onderdeel D van het Besluit m.e.r. Voor deze activiteiten dient een zogenaamde m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Daarnaast is het verplicht om aandacht aan m.e.r.

te besteden voor activiteiten die in onderdeel D genoemd staan, maar waar de drempelwaarden niet gehaald wordt (deze drempelwaarden zijn aantallen, oppervlaktes of grootte bijvoorbeeld 100 hectare, 110 stuks, etc.). Voor dergelijke activiteiten dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. Hierbij wordt, net als bij de m.e.r.-beoordeling getoetst of er mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen op kunnen treden. Het verschil met de 'gewone' m.e.r.-beoordeling is dat bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling niet alle procedurele vereisten van toepassing zijn (vandaar de term vormvrij). De initiatiefnemer dient bijvoorbeeld wel een melding te doen van zijn voornemen en het bevoegd gezag dient hierover binnen zes weken een besluit te nemen en de initiatiefnemer hiervan op de hoogte te stellen. Qua inhoud gelden wel strikte vereisten vanuit de Europese richtlijn m.e.r.. Toetsing PM: dit wordt uitgewerkt nadat alle onderzoeken afgerond zijn. Conclusie PM

4.2

Verkeer Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor

blad 37 van 79

Ruimte - Antea Nederland B.V.

voorontwerp bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838

de voorgenomen ontwikkeling. Wel dient in het kader van het bestemmingsplan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Voor de beoogde ontwikkeling wordt voor de berekening van de parkeerbehoefte uitgegaan van de door de gemeente gehanteerde parkeernormen. De parkeernorm is berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 ('Toekomstbestendig parkeren, Van parkeerkencijfers naar parkeernormen'). De naam CROW is oorspronkelijk een afkorting van Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek en is tegenwoordig het kennisinstituut voor onder andere verkeer en vervoer. Het kencijfer wordt bepaald aan de hand van de stedelijkheid (adressendichtheid). Toetsing Verkeersafwikkeling De onderdoorgang voor het kruisend verkeer komt te liggen ter hoogte van de Julianastraat/Stationsstraat. De onderdoorgang is bedoeld voor zowel de voetganger, fiets als de auto. De onderdoorgang krijgt een autoluw karakter en wordt daartoe ingericht met het profiel van een woonstraat. De voetganger passeert de onderdoorgang via een voetpad dat verhoogd is aangelegd ten opzichte van de rijbaan.

De voetganger bereikt de onderdoorgang via de trappen of de liften en mengt zich dus niet met het overige verkeer. Verkeer dat vanaf de zuidzijde van Rijen (N282) komt en naar de noordkant van het NS-spoor wil (en vice versa) wordt geacht gebruik te maken van de twee gebiedsontsluitingswegen aan de oost- en westkant van Rijen. Dit zijn: Aan de oostkant de Europalaan – Mary Zeldenrustlaan. Aan de westkant de Oosterhoutseweg (N631), en vervolgens de Nassaulaan. Beide routes zijn ingericht om “meer” verkeer af te wikkelen (gebiedsonsluitingswegen). Via de Hannie Schaftlaan – Europalaan kan het verkeer via de Generaal Maczektunnel onder het spoor door. Voor de N631 geldt dat momenteel plannen ontwikkeld worden voor een onderdoorgang. Hiermee zijn deze routes aantrekkelijk voor autoverkeer. Om de routekeuze voor gemotoriseerd verkeer via de Europalaan en de Oosterhoutseweg (N631) te stimuleren, is het nodig om de Julianastraat en het zuidelijke deel van de Stationsstraat af te waarderen, zodanig dat op het hele traject tussen de Ericssonstraat tot en met de Constance Gerlingsstraat een gemiddelde rijsnelheid ontstaat van 25 km/h. De huidige Julianastraat heeft de functie en uitstraling van een zogenaamde gebiedsontsluitingsweg, met een snelheidsregime van 50 km/uur.

Dit wordt ondersteund door de vormgeving met een geasfalteerde rijbaan met asmarkering, vrijliggende fietspaden en voorrang op zijwegen (uitritconstructie). De lange rechtsstand met een verre doorkijk maakt vervolgens dat maatregelen noodzakelijk zijn om in de praktijk een gemiddelde rijsnelheid van 25 km/uur af te dwingen en de route onaantrekkelijk te maken voor doorgaand verkeer. Door Antea Group (2020, zie Bijlage 1 ) is een memo opgesteld waarin een aantal noodzakelijk maatregelen beschrijven zijn om deze gemiddelde snelheid ook daadwerkelijk te bereiken. In de memo worden maatregelen beschreven waarmee op het traject Julianastraat en het zuidelijke deel van de Stationsstraat (tussen de Ericsonweg en de Constance Gerlingsstraat), dat circa 750 meter lang is, een gemiddelde rijsnelheid van maximaal 25 km/h bewerkstelligd kan worden. In de basis gaat het om het afwaarderen van het hele traject van Julianastraat naar een erftoegangsweg. Op die manier kan een weg ontstaan die gelijkwaardig is aan de kruisende wegen en de weg kan dan worden opgenomen in de 30 km/uur-zone aan de zuidkant van het spoor. In de verdere uitwerking wordt gekeken hoe de maatregelen exact vormgegeven worden. blad 38 van 79

Ruimte - Antea Nederland B.V.

voorontwerp bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838

Verkeersintensiteiten Door Antea Group (2020, zie Bijlage 2) is een berekening uitgevoerd van de verkeersintensiteiten. Uitgangspunt daarbij is de inrichting van de Julianastraat als 30 km/u zone waarbij de gemiddelde rijsnelheid op 25 km/u zal liggen. Berekend is dat, na aanleg van de onderdoorgang, een afname van het verkeer in de Stationsstraat en Julianastraat plaatsvindt ten opzichte van de huidige situatie op de Stationsstraat/Julianastraat (zie tabel 4.1 en 4.2). Tabel 4.1: verkeersintensiteiten in de Stationsstraat en Julianastraat in de referentiesituatie (2026) en de beoogde situatie (2026 en 2036, na aanleg onderdoorgang en wijziging snelheidsregime, in motorvoertuigen per werkdag)

Tabel 4.2: verkeersintensiteiten in de Stationsstraat en Julianastraat in de referentiesituatie (2026) en de beoogde situatie (2026 en 2036, na aanleg tunnel en wijziging snelheidsregime, in motorvoertuigen per weekdag)

Parallelstructuren nabij de onderdoorgang Aan de zuidzijde van het spoor wordt aan de westzijde, evenwijdig aan de onderdoorgang een nieuwe woonstraat gerealiseerd. Hiermee kunnen de 21 nieuwe woningen aan de Julianastraat en de woningen aan de Spoorlaan Zuid worden ontsloten. Tevens wordt, om ruimte te creëren voor de onderdoorgang aan de oostzijde van de Julianastraat enkele infrastructurele ingrepen gedaan. Daarmee komt men uit op het zuidelijke stationsplein en de fietsenstalling nabij het Rijksmonument . De panden aan de oostzijde van de Julianastraat blijven hiermee tevens bereikbaar voor gemotoriseerd blad 39 van 79

Ruimte - Antea Nederland B.V.

voorontwerp bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838

bestemmingsverkeer. Ook aan de noordzijde van het spoor komt aan beide zijden van de onderdoorgang een parallelstructuur die een verbinding vormt voor voetgangers en fietsers tussen Constance Gerlingsstraat en het stationsplein. De panden gelegen aan weerszijden van de onderdoorgang worden op die manier tevens ontsloten voor gemotoriseerd bestemmingsverkeer. De panden aan de zuidwestzijde van de Stationsstraat kunnen tevens via de westzijde (Koolaspad in combinatie met de snelfietsroute) worden bereikt. Verkeersveiligheid Met de realisatie van de onderdoorgang wordt een veiligere situatie gecreëerd dan in de huidige situatie het geval is. Momenteel kruisen het trein-, auto- en langzaam verkeer elkaar ter hoogte van de spoorwegovergang. Na realisatie van de onderdoorgang is sprake van een scheiding van verkeersstromen. De voetgangers kunnen, middels een verhoogd voetpad, gescheiden van het autoverkeer het station en de overzijde van het spoor bereiken. Fietsers kunnen, door gebruikmaking van de nieuw aan te leggen snelfietsroute (F58) het verkeer dat gebruikmaakt van de Stationsstraat ongelijkvloers kruisen (zie paragraaf 2.3, figuur 2.11 en 2.12). Ook voetgangers kunnen van deze oversteek – via een te realiseren voetpad parallel langs het fietspad – de Stationsstraat ongelijkvloers kruisen.

Door deze scheiding van verkeersstromen ontstaat ook voor de auto's een veiligere situatie, doordat risico op ongevallen met andere weggebruikers afneemt. Parkeren Stationsomgeving De herontwikkeling van het stationsgebied heeft geen invloed op de parkeervraag van het stationsgebied. Deze blijft ook richting de toekomst hetzelfde. Door de wijzigingen van de infrastructuur veranderen ook de rijstromen rondom het stationsgebied. Het zwaartepunt voor de autobereikbaarheid van het station ligt, als gevolg van het kantelen van de verkeersstructuur (de voorkeursroute buitenom, via de N631/Oosterhoutseweg of de Hannie Schaftlaan/Europalaan), aan de noordzijde. De focus voor het autoparkeren ten behoeve van het station ligt volledig aan de noordkant. Bij de verdere uitwerking van de stationsomgeving wordt het aantal parkeerplaatsen aan de noordzijde mogelijk vergroot (NS terrein). Het bestemmingsplan maakt dit planologisch mogelijk. Als gevolg van de mogelijkheid het aanbod van parkeerplaatsen in de stationsomgeving te vergroten, worden geen knelpunten verwacht omtrent het parkeren door de herontwikkeling van het stationsgebied. Als gevolg van de aanleg van de onderdoorgang verdwijnen er drie openbare parkeerplaatsen langs de Stationsstraat. Deze drie parkeerplaatsen worden teruggebracht in het plangebied. Woningbouwlocaties Binnen de stationsomgeving zijn twee woningbouwlocaties.

Eén daarvan is aan de nieuwe parallelweg langs de Julianastraat tussen de Spoorlaan Zuid en Karel Doormanstraat. Op deze locatie kunnen maximaal 21 woningen (bijvoorbeeld 14 appartementen en 7 woningen) worden gerealiseerd. Deze locatie krijgt aan de achterzijde van het gebouw de beschikking over 24 eigen parkeerplaatsen. Aan de voorzijde van de locatie komen 16 openbare parkeerplaatsen. In totaal worden dus voor deze locatie 40 parkeerplaatsen gerealiseerd. Op basis van de parkeernormen van de gemeente Gilze en Rijen is een berekening gedaan naar de parkeerbehoefte van deze locatie (zie tabel 1). blad 40 van 79

Ruimte - Antea Nederland B.V.

voorontwerp bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838

Tabel 1: parkeerbehoefte op basis van normen gemeente Woning

Norm

Parkeerbehoefte

14 appartementen

1,5 pp per woning

21

7 rijwoningen

1,7 pp per woning

12

Bezoekers

0,3 pp per woning

7

Totaal

40

Hieruit blijkt dat er voor deze locatie voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd om aan de totale vraag van de woningen te kunnen voldoen. De andere woningbouwlocatie is aan de Stationsstraat/Stationsplein. Hier zijn maximaal 2 woningen mogelijk, waarbij op eigen perceel in de parkeerbehoefte moet worden voorzien. Fietsparkeren Het is mogelijk dat door een veranderend mobiliteitsgebruik er minder gebruik wordt gemaakt van de auto en meer van de fiets en het openbaar vervoer. Om het station via de zuidzijde ook voor fietsers en voetgangers goed bereikbaar te maken zullen aan de zuidzijde van het station fietsenstallingen gerealiseerd worden. De capaciteit van de stalling aan de noordzijde zal (beperkt) worden uitgebreid. Hierdoor wordt het stallingsaanbod voor fietsers vergroot. Conclusie Op basis van voorgaande worden geen knelpunten in de verkeersafwikkeling, de verkeersveiligheid en op het gebied van parkeren in de beoogde situatie verwacht. Zodoende is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Geconcludeerd wordt dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmering oplevert voor voorliggende ontwikkeling.

4.3

Geluid Toetsingskader wegverkeerslawaai Conform hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder (zones langs wegen) hebben alle wegen een zone,uitgezonderd een aantal situaties waaronder wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur. De zone is een gebied waarbinnen een nader akoestisch onderzoek verplicht is. De breedte van de zone, aan weerszijden van de weg, is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk). Voor nieuwe, nog niet geprojecteerde woningen bedraagt de voorkeursgrenswaarde vanwege binnenstedelijk wegverkeerslawaai 48 dB en de maximaal te verlenen ontheffingswaarde 63 dB. Reconstructie De Wet geluidhinder stelt voor bepaalde situaties regels aan de geluidstoename als gevolg van de herprofilering of de reconstructie van een weg. Bij het wijzigen van een aanwezige weg dient te worden onderzocht of sprake is van een zogenaamde “reconstructie”: er is sprake van een reconstructie wanneer een wijziging op of aan een aanwezige weg leidt tot een toename van de geluidbelasting vanwege die weg van 2 dB of meer. Deze reconstructie wordt, om verwarring te voorkomen met dezelfde term die staat voor de fysieke wijziging van de weg, ook wel een “reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder” genoemd.

blad 41 van 79

Ruimte - Antea Nederland B.V.

voorontwerp bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838

Toetsingskader spoorweglawaai Conform het Besluit geluidhinder wordt de zonebreedte langs een spoorweg bepaald door de waarden van de geluidproductieplafonds ter plaatse van referentiepunten aan weerszijden van het spoor. De voorkeursgrenswaarde vanwege spoorweglawaai bedraagt 55 dB en de maximaal te verlenen ontheffingswaarde 68 dB. Aanvraag hogere waarde Bij een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, maar niet van de maximale ontheffingswaarde, kan een hogere grenswaarde worden vastgesteld door het College van Burgemeester en Wethouders (B en W). Het vaststellen van een hogere waarde door B en W is mogelijk indien maatregelen om de geluidbelasting te reduceren aan bron (verkeer) of tussen bron en ontvanger (gebouw), zoals schermen, verkeer reducerende maatregelen, niet doelmatig zijn of bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerkundige, landschappelijke of financiële aard ondervinden. Indien ook de maximaal te verlenen ontheffingswaarde wordt overschreden is in principe geen geluidgevoelige functie mogelijk tenzij deze wordt voorzien van maatregelen (dove gevels). Cumulatie geluidbronnen Indien de voorkeursgrenswaarde voor een bepaalde geluidbron overschreden wordt, en er sprake is van meerdere geluidbronnen, dan dient tevens onderzoek gedaan te worden naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidbronnen.

Er dient te worden aangegeven op welke wijze met de samenloop rekening is gehouden bij het bepalen van de te treffen maatregelen (art. 110a en 110f van de Wgh). De gecumuleerde geluidbelasting dient tevens geclassificeerd te worden. Toetsing Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is in het kader van de Wet geluidhinder een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Cauberg Huygen, oktober 2020, zie Bijlage 3). Hieronder wordt allereerst de ligging van het plangebied ten opzichte van geluidbronnen beschreven, waarna vervolgens wordt ingegaan op de resultaten.

blad 42 van 79

Ruimte - Antea Nederland B.V.

voorontwerp bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838

Figuur 4.2: situering gezoneerde en niet-gezoneerde wegen, weergegeven op een uitsnede vanhet plangebied en het spoor De geluidgevoelige bestemmingen zijn voor wat betreft wegverkeerslawaai gelegen binnen de bebouwde kom en binnen de geluidzone van de Spoorlaan-Noord/Constance Gerlingsstraat (zie figuur 4.2). De Stationsstraat/Julianastraat krijgt in de beoogde situatie een 30 km/u regiem. Hoewel toetsing aan de Wet geluidhinder niet van toepassing is op dergelijke wegen, heeft deze toetsing in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel plaatsgevonden. Overige wegen zijn uitgevoerd als 30 km/uur wegen. Deze overige wegen hebben een dermate geringe verkeersintensiteit dat nader akoestisch onderzoek niet relevant is. Door het plangebied loopt het spoortracé Breda – Tilburg (zie figuur 4.2). Dit tracé is onderdeel van de Brabantroute, waarop tevens goederen worden vervoerd. Om te bepalen of het plangebied gelegen is in de zonebreedte langs de spoorweg, zijn de geluidproductieplafonds ter plaatse van referentiepunten opgezocht. Deze zijn opgenomen in het geluidsregister van ProRail. Ter plaatse van het maatgevende referentiepunt geldt een geluidproductieplafond van 72,2 dB aan de zuidzijde van het spoor en van 71, 8 dB aan de noordzijde van het spoor. De zonebreedte langs het spoor bedraagt aan beide zijden van het spoor 900 meter.

Het plangebied is direct langs het spoor gelegen en ligt daardoor geheel binnen de geluidzone van het spoortracé. Separaat aan voorliggend bestemmingsplan vindt op termijn besluitvorming plaats in het kader van het MJPG (Meerjarenprogramma Geluidsanering Spoor), voor onder andere het gedeelte van het spoortracé dat binnen dit bestemmingsplangebied gelegen is. Dit heeft te maken met de aanwezigheid van veel woningen in Rijen met een bouwjaar van vóór de inwerkingtreding van de Wet geluidhinder. In het kader van het MJPG worden maatregelen onderzocht om woningen te beschermingen tegen te hoge geluidsbelastingen, in verband met de wettelijke verplichting van geluidsanering bij bestaande woningen. Maatregelen zijn bijvoorbeeld raildempers, het plaatsen van geluidschermen langs het spoor of het isoleren van woningen. De uitvoering van de maatregelen zullen worden vastgelegd in het kader van besluitvorming van het MJPG. Aangezien de toekomstige maatregelen nog niet formeel zijn vastgelegd, is in het geluidsonderzoek geen rekening gehouden met de eventuele reductie. Het voorliggende bestemmingsplan zorgt dat de realisatie van de maatregelen mogelijk blijft, zo is het plaatsen van schermen mogelijk met de bestaande planregeling die blad 43 van 79

Ruimte - Antea Nederland B.V.

voorontwerp bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838

ongewijzigd wordt overgenomen. Onderstaand zijn de resultaten uit het geluidsonderzoek van Cauberg Huygen (2020) omschreven. Wegverkeerslawaai: 1.

2.

3.

Ten gevolge van de gezoneerde wegen (corridor Spoorlaan-noord - Constance Gerlingsstraat treden geluidbelastingen op van ten hoogste 35 dB na aftrek. Hiermee wordt geheel voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Met betrekking tot wegverkeerslawaai zijn geen hogere waarden nodig. De hoogste geluidbelasting ten gevolge van de niet-zoneplichtige wegen bedraagt ten hoogste 48 dB na 5 dB aftrek. Omdat vanwege de maximumsnelheid van 30 km/uur de wegen geen geluidszone hebben, is een beoordeling aan de geluidgrenswaarden van de Wet geluidhinder niet noodzakelijk. Desalniettemin zijn de geluidbelastingen beoordeeld. Deze zijn vergelijkbaar of lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Om die reden is er bij de optredende geluidbelastingen vanwege 30 km/uur-wegen sprake van een goed woon- en leefklimaat. Vanwege de toekomstige maximumsnelheid van 30 km/uur voor de te herprofileren Stationsstraat/Julianastraat is in het kader van deze herprofilering een wettelijk onderzoek conform de Wet geluidhinder niet vereist. Desalniettemin zijn de effecten van de herprofilering ter plaatse van de bestaande woningen wel onderzocht. Geconstateerd is dat ter plaatse van alle bestaande woningen sprake is van geluidafnames van 4dB of meer. Aangezien sprake is van een geluidafname, is nergens sprake van een hinderlijk geluidseffect.

Spoorweglawaai: 4.

5. 6.

7.

8.

9.

blad 44 van 79

Voor de nieuwbouwwoningen is de geluidbelasting ten gevolge van de spoorwegen onderzocht. Er treden op de gevels van de beoogde nieuwbouw geluidbelastingen op van ten hoogste 77 dB. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 55 dB en ook de maximale ontheffingswaarde van 68 dB overschreden. Er zijn hogere waarden nodig en deels ook dove gevels. De gecumuleerde geluidbelasting, spoorweglawaai (LRL,cum), bedraagt ten hoogste 77 dB. Langs de spoorlijn zijn ter hoogte van het plangebied nog geen hoge geluidschermen geplaatst, het effect van het plaatsen van hoge geluidschermen en raildempers is nader onderzocht in het kader van de nieuwbouw die met dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt wordt. Het realiseren van een 5 m hoog scherm met raildempers is – gelet op het geringe aantal nieuwe woningen - financieel niet doelmatig. Voor de goede orde: in het kader van MJPG geldt een ander afwegingskader (sanering bestaande bebouwing), en dan zullen deze schermen waarschijnlijk wel doelmatig worden geacht. Maatregelen ter reductie van het geluid ten gevolge van de wegen en spoorlijnen zijn vanwege overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige of financiële aard, ten behoeve van het bestemmingsplan niet realiseerbaar. Wel worden de al aanwezige raildempers aangemerkt als bronmaatregel.

Doordat nog maar een klein deel van de sporen al van raildempers is voorzien, zijn de geluidsbelastingen nog maar met enkele tienden van dB's gereduceerd. De hoogst optredende geluidsbelastingen zijn niet gewijzigd. Met verschillende maatregelen kan ter plaatse van de nieuwbouw worden voldaan aan de Wet geluidhinder. In hoofdstuk 6 van het onderzoek van Cauberg Huijgen is een aantal (voorbeeld)principe maatregelen omschreven: de dove gevel, de vliesgevel, de niet-besloten, geluidafgeschermde galerij, de zaagtandgevel, voorhangschermen en de volledig verglaasde buitenruimte. Voor alle locaties in de nieuwbouwplannen bieden een of meerdere van deze principemaatregelen voldoende geluidreductie. Ruimte - Antea Nederland B.V.

voorontwerp bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838

10. Bij de uitwerking van de bouwplannen zal uit nader akoestisch onderzoek aangetoond kunnen worden dat wordt voldaan aan de Wet geluidhinder, het Bouwbesluit en de andere geluideisen uit het bestemmingsplan. 11. Er zullen hogere waarden moeten worden aangevraagd ten aanzien van het geluid afkomstig van de spoorwegen van ten hoogste 68 dB. Als aan de voorwaarden die gesteld zijn aan de hogere waarden wordt voldaan, is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. 12. In de regels van het bestemmingsplan wordt het gebruik van dove gevels voorgeschreven. In het kader van flexibiliteit en uitvoerbaarheid is ook een afwijkingsregel opgenomen voor vrijstelling van deze dove gevels. De voorwaarde voor het kunnen verlenen van deze vrijstelling is dat ter plaatse van de gevel moet worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde dan wel aan een te verlenen hogere waarde van ten hoogste 68 dB. Dit kan zich voordoen indien een formeel besluit over de maatregelen in het kader van het MJPG (Meerjarenprogramma Geluidsanering Spoor) is genomen. In de regels van voorliggend bestemmingsplan is een regeling en afwijkingsmogelijkheid opgenomen om hierin te voorzien.

Conclusie Het aspect geluid levert geen belemmeringen op voor voorgenomen ontwikkeling, aangezien voor wegverkeer de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden en omdat voor het spoorweglawaai een hogere waarde aangevraagd wordt en in de planregels is geborgd dat maatregelen worden getroffen om een goed woon- en leefklimaat te bereiken.

4.4

Luchtkwaliteit Toetsingskader In de Wet milieubeheer (Wm) zijn in hoofdstuk 5 (titel 5.2 luchtkwaliteitseisen) bepalingen opgenomen over luchtkwaliteit. Artikel 5.16 eerste lid van de Wm bepaalt in hoofdlijnen dat het bevoegd gezag er op toeziet dat een voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een overschrijding van luchtkwaliteitgrenswaarden zoals die zijn aangegeven in bijlage 2 van de Wm. Bijlage 2 van de Wm bevat voor diverse luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht grenswaarden en plandrempels. Bestemmingsplannen worden aan deze normen getoetst. Bronnen van luchtverontreiniging zijn enerzijds de achtergrondwaarde en anderzijds industriële bronnen en verkeer. Een grenswaarde geeft de kwaliteit aan van de buitenlucht die op een aangegeven tijdstip tenminste moet zijn bereikt en, wanneer die eenmaal is bereikt, niet meer mag worden overschreden. De praktijk leert dat langs wegen alleen de jaargemiddelde concentraties van stikstofdioxide en zwevende deeltjes, en de 24-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes de normen kunnen overschrijden. Onderzoeken naar luchtkwaliteit zullen daarom in hoofdzaak gericht zijn op deze twee stoffen.

Niet in betekenende mate In de Regeling niet in betekende mate (NIBM) is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, infrastructuur, kantoor- en woningbouwlocaties en activiteiten of handelingen) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook indien aannemelijk gemaakt kan worden dat een gepland project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt de bouw van 1.500 woningen, bij

blad 45 van 79

Ruimte - Antea Nederland B.V.

voorontwerp bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838

minimaal één ontsluitingsweg. Toetsing Door Antea Group is in oktober 2020 een onderzoek gedaan naar de effecten van de ontwikkeling op het aspect luchtkwaliteit. Daarbij zijn de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 4. Daarin zijn in bijlage 1 van het onderzoek de gehanteerde verkeersintensiteiten opgenomen. Stikstofdioxide (NO2) In onderstaande tabel zijn de berekende jaargemiddelde concentraties NO2 weergegeven voor de vijf meest maatgevende toetspunten (hoogste concentraties). De getoonde bronbijdrage betreft niet alleen de concentratiebijdrage ten gevolge van de planontwikkeling maar ook ten gevolge van het autonome verkeer op de gemodelleerde wegen. Tabel 4.3: Rekenresultaten stikstofdioxide (NO2) in ìg/m3

Uit de rekenresultaten blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties NO2 onder de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie liggen (40 ìg/m3). De berekende uurgemiddelde concentratie NO2 mag niet meer dan 18 keer per jaar groter zijn dan 200 ìg/m3. Uit de berekeningen blijkt dat de uurgemiddelde concentratie NO2 op alle beoordelingspunten minder dan 18 keer per jaar groter is dan 200 ìg/m3 (zie ook het wettelijk kader). Fijnstof In onderstaande tabel zijn de berekende jaargemiddelde concentraties PM10 weergegeven voor de vijf meest maatgevende toetspunten. Tabel 4.4: Rekenresultaten fijn stof (PM10) in ìg/m3

Uit de rekenresultaten blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties PM10 onder de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie liggen (40 ìg/m3). De berekende 24-uursgemiddelde concentratie PM10 mag niet meer dan 35 keer per jaar groter zijn dan 50 ìg/m3. Uit de berekeningen blijkt dat de 24-uursgemiddelde concentratie PM10 op alle beoordelingspunten minder dan 35 keer per jaar groter is dan 50 ìg/m3. Fijnstof (PM2,5) blad 46 van 79

Ruimte - Antea Nederland B.V.

voorontwerp bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838

In onderstaande tabel zijn de berekende jaargemiddelde concentraties PM2,5 weergegeven voor de vijf meest maatgevende toetspunten. Tabel 4.5: Rekenresultaten fijn stof (PM2,5) in ìg/m3

Uit de rekenresultaten blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties PM2,5 onder de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie liggen (25 ìg/m3). Overige luchtverontreigende stoffen Voor een beoordeling van de overige luchtverontreinigende stoffen waarvoor in de Wet milieubeheer grenswaarden zijn opgenomen, wordt opgemerkt dat het aannemelijk is dat de grenswaarden voor die stoffen niet worden overschreden (zie ook hoofdstuk 2 van het onderzoek luchtkwaliteit). Hierbij wordt eveneens opgemerkt dat niet verwacht wordt dat de bedrijfsactiviteiten een relevante bijdrage hebben aan de concentraties van deze overige luchtverontreinigende stoffen in algemene zin, de nu aangevraagde verandering in specifieke zin. Conclusie Op basis van het luchtkwaliteitsonderzoek kan worden geconcludeerd dat op alle in het onderzoek opgenomen beoordelingspunten wordt voldaan aan de grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Op basis van voorgaande kan worden geconcludeerd dat Titel 5.2 van de Wet milieubeheer geen belemmering vormt voor verdere besluitvorming. Omdat op alle beoordelingspunten ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden, kan eveneens worden geconcludeerd dat sprake is van een 'goede ruimtelijke ordening'. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering oplevert voor voorliggende ontwikkeling.

4.5

Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het

blad 47 van 79

Ruimte - Antea Nederland B.V.

voorontwerp bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838

plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rondom een risicobron. Toetsing Door Antea Group (26 oktober 2020) is een onderzoek uitgevoerd naar externe veiligheid dat is opgenomen in Bijlage 5. Daaruit blijkt dat in de omgeving van het plangebied zich verschillende risicobronnen bevinden: De spoorlijn Breda - Tilburg; Hogedruk aardgastransportleiding; Vliegbasis Gilze-Rijen; Rijksweg A58. In het onderzoek wordt over deze onderdelen het volgende geconcludeerd: Spoorlijn Breda – Tilburg De spoorlijn heeft een 10-6 /jaar plaatsgebonden risicocontour van 8 meter. Binnen deze contour is geen bebouwing aanwezig of geprojecteerd, daarmee voldaan aan de grensen richtwaarden ten aanzien van het plaatsgebonden risico; De spoorlijn heeft een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter vanaf het spoor.

Voor nieuwbouw binnen het PAG gelden aanvullende bouweisen conform het Bouwbesluit; Het groepsrisico van de spoorlijn bevindt zich onder de oriëntatiewaarde en neemt in de toekomstige situatie met minder dan tien procent toe ten opzichte van de huidige situatie; Beperkte verantwoording van het groepsrisico is conform het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing. Hogedruk aardgastransportleiding Binnen het invloedsgebied van de transportleiding worden geen (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt binnen het plangebied. Een nadere beschouwing van deze risicobron is daarmee niet nodig. Vliegbasis Gilze – Rijen De 10-6 /jaar plaatsgebonden risicocontour reikt niet tot het plangebied en er geldt voor de vliegbasis geen groepsrisicoregime. Een nadere beschouwing is derhalve niet nodig. Rijksweg A58 De weg heeft een 10-6 /jaar plaatsgebonden risicocontour van 21 meter. Deze contour reikt niet tot het plangebied; Een beschouwing van het groepsrisico is niet nodig vanwege de afstand tussen het plangebied en de weg (meer dan 200 meter); Beperkte verantwoording van het groepsrisico is conform het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing.

In het onderzoek van Antea Group (26 oktober 2020, hoofdstuk 4) is een aanzet gedaan voor de beperkte verantwoording van het groepsrisico, als gevolg van de ligging tot de spoorlijn Breda – Tilburg en de ligging tot de Rijksweg A58. Het bevoegd gezag, de gemeenteraad van Gilze en Rijen, kan deze elementen betrekken bij de besluitvorming ten aanzien van de ruimtelijke procedure. Conclusie Op basis van de beperkte verantwoording van het groepsrisico in het onderzoek van Antea blad 48 van 79

Ruimte - Antea Nederland B.V.

voorontwerp bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838

Group kan het bevoegd gezag, de gemeenteraad van Gilze en Rijen, deze elementen betrekken bij de besluitvorming ten aanzien van de ruimtelijke procedure. Op basis daarvan wordt geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid vooralsnog geen belemmeringen oplevert voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan. Gezien de ligging van de nieuwbouw buiten het plasbrandaandachtsgebied (PAG) gelden, bij de verdere uitwerking van deze nieuwbouw, geen aanvullende eisen vanuit het Bouwbesluit.

4.6

Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Toetsing Door Antea Group is in 2020 een watertoets opgesteld (zie Bijlage 11). Onderstaand worden de bevindingen beschreven. Waterkwantiteit Als gevolg van de aanleg van de onderdoorgang wordt voor de beoogde situatie geen of zeer beperkte toename van verhard oppervlak verwacht. De huidige weg bestaat uit klinkers en het afstromend hemelwater stroomt af naar kolken langs het trottoir. In de toekomstige situatie blijft de weg verhard.

Bij nieuwbouw en herstructureringsprojecten moet, volgens het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) Gilze en Rijen 2016-2020, voorkomen worden dat negatieve effecten van de waterhuishouding optreden. Voor inbreidingsgebieden geldt een eis voor een infiltratievoorziening van 20 – 40 mm. Bij een toename van verhard oppervlak tussen de 2.000 m2 en 10.000 m2 geldt een compenserende regel van het waterschap. Benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor (1) x de bergingsopgave 0,06 (in m). De toename in het verharde oppervlak kan leiden tot verplichte infiltratievoorzieningen en/of waterberging gebieden. Voor de beoogde situatie is geen toename van verhard oppervlak van meer dan 2.000m2 te verwachten. Grondwater De onderdoorgang wordt onder het maaiveld aangelegd. De onderdoorgang komt waarschijnlijk deels onder de grondwaterstand te liggen. Civieltechnisch wordt hier rekening mee gehouden door een waterdichte tunnelbak aan te leggen. Hiermee wordt voorkomen dat in de eindsituatie een verlaging van de grondwaterstand benodigd is. De toekomstige onderdoorgang ligt globaal evenwijdig aan de grondwaterstromingsrichting. Er is daardoor geen sprake van een belemmerende werking op het grondwater. Er is dus geen opstuwing door de onderdoorgang.

blad 49 van 79

Ruimte - Antea Nederland B.V.

voorontwerp bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838

Afhankelijk van de uitvoeringswijze is mogelijk een verlaging van de grondwaterstand benodigd. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd een bemalingsadvies op te stellen om de benodigde onttrekking en de gevolgen daarvan in de omgeving te bepalen. Bij het ontwerp van de onderdoorgang zal rekening worden gehouden met het toepassen van een pompput met voldoende capaciteit. De afvoer vanuit de pompput zal worden aangesloten op de riolering, die qua dimensionering eveneens – voor zover nodig – zal worden aangepast op de benodigde capaciteit. Waterveiligheid Het plangebied ligt niet in of nabij een waterkering. Vanuit waterveiligheid bezien is geen sprake van belemmeringen. Conclusie Het aspect water levert geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, indien de hierboven beschreven maatregelen worden uitgevoerd. Voor de aanleg van de tunnelbak wordt geadviseerd om een bemalingsadvies op te stellen.

4.7

Ecologie Toetsingskader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Op grond van deze wet zijn de Natura 2000-gebieden beschermd. Daarnaast regelt de Wet natuurbescherming ook de bescherming van planten- en dierensoorten. In deze wet zijn de EU-richtlijnen voor de bescherming van soorten opgenomen (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn). Nationaal beschermde soorten vallen ook onder deze wet. De doelstelling is de bescherming en behoud van in het wild levende planten en dieren. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten zonder ontheffing verboden zijn. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen vooraf de effecten op Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Brabant beoordeeld te worden. Ook dient vooraf onderzocht te worden of en welke beschermde dier- en plantensoorten voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voortbestaan van de gevonden soorten. Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is te vinden in Bijlage 6. Onderstaand zijn de bevindingen uit dit onderzoek omschreven.

Beschermde soorten De verspreidingsgegevens en het oriënterend veldbezoek geven voor vleermuizen, jaarrond beschermde nesten (gierzwaluw en huismus) en foerageergebied (huismus) een onvolledig beeld van het (mogelijk) voorkomen van deze soorten weer. Aanvullend onderzoek naar de functionaliteit van het plangebied voor deze soorten is noodzakelijk om het effect van de voorgenomen werkzaamheden op deze soorten in beeld te brengen. De verspreidingsgegevens en het oriënterend veldbezoek geven voor de andere soortgroepen een voldoende duidelijk beeld van het (mogelijk) voorkomen van deze soorten weer. Voor broedvogels, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en amfibieën kan niet zondermeer worden uitgesloten dat negatieve effecten optreden en moeten aanvullende maatregelen worden genomen. De maatregelen zijn in de onderstaande tabel weergegeven. Tabel 4.6: Overzicht van de te nemen mitigerende maatregelen voor broedvogels, vleermuizen en grondgebonden zoogdiersoorten.

blad 50 van 79

Ruimte - Antea Nederland B.V.

voorontwerp bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838

Benodigd vervolgonderzoek Vleermuizen Bij de sloop van de panden aan de Julianastraat 97-101, 107A, 113-115 en 118 kan niet worden uitgesloten dat verblijfplaatsen van vleermuizen worden vernietigd. Dit leidt tot overtreding van verbodsartikel 3.5, lid 4. Dit verbodsartikel houdt in dat het verboden is om de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen. blad 51 van 79

Ruimte - Antea Nederland B.V.

voorontwerp bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838

Hierdoor is aanvullend onderzoek noodzakelijk om de functionaliteit van de te slopen panden voor vleermuizen met zekerheid vast te stellen. Uit het nader onderzoek (BTL, 26 oktober 2020, zie Bijlage 12) blijkt dat met de sloop van de woningen en loodsen aan de Julianastraat 97-101, 107A en 111 meerdere verblijfsplaatsen van vleermuizen verloren gaan. Het gaat daarbij om één kraamverblijfsplaats in de schoorsteen van Julianastraat 111 (gewone dwergvleermuis), één zomerverblijfsplaats in de loods aan de Julianastraat 107A (gewone dwergvleermuis) en één paarverblijfsplaats bij de woningen van Julianastraat 97 – 101 (gewone dwergvleermuis). Om te voorkomen dat er geen verbodsbepalingen worden overtreden, dient er voldoende zorgvuldig gehandeld en gemitigeerd te worden. Om dit volgens regels te doen, dien het kennisdocument van de gewone dwergvleermuis gevolgd te worden (Bij12, 2017). Voor dit project betekent dat: Werken buiten de kwetsbare periode waarin de verblijfsplaats wordt benut. a. Het plangebied wordt gebruikt als verblijfplaats tijdens de kraamtijd, de kraamtijd loopt van 15 mei tot en met 15 juni. Binnen deze periode en doorlopend tot en met 15 juli mogen de huidige verblijfplaatsen niet worden aangetast of verstoord. b. Het plangebied wordt gebruikt als verblijf tijdens de paartijd, de paartijd loopt van 15 juli tot en met 31 oktober.

Binnen deze periode mogen de huidige verblijfplaatsen niet worden aangetast of verstoord. In het gebied is één kraamverblijfsplaats aanwezig, om deze te slopen dient er een veelvoud aan vervangende kraamverblijfsplaatsen te worden aangeboden: a. In de regel wordt voor iedere verblijfplaats die verloren gaat vervangen door vier nieuwe verblijfplaatsen. Dit betekent dat er voor dit project 2 nieuwe kraamverblijfplaatsen aangeboden dienen te worden. b. Wij adviseren u om de VK SK 01 Vleermuizenkast aan te schaffen via vivara.nl (of een soortgelijke kast). Deze kasten dienen opgehangen in afstemming met een deskundig ecoloog, om de kans van slagen zo groot mogelijk te maken, en te voldoen aan de voorwaarden die gesteld worden aan de locatie. In het gebied zijn één zomerverblijfplaats en één paarverblijfplaats aanwezig, om deze te slopen dient er een veelvoud aan vervangende zomer- en paarverblijfplaatsen te worden aangeboden. c. In de regel wordt voor iedere verblijfplaats die verloren gaat vervangen door vier nieuwe verblijfplaatsen. Dit betekent dat er voor dit project 8 nieuwe zomer- en paarverblijfplaatsen aangeboden dienen te worden. d. Wij adviseren u om de VK WS 02 Vleermuizenkast aan te schaffen via vivara.nl (of een soortgelijke kast).

Deze kasten dienen opgehangen in afstemming met een deskundig ecoloog, om de kans van slagen zo groot mogelijk te maken, en te voldoen aan de voorwaarden die gesteld worden aan de locatie. Voor het vernietigen van de verblijfplaatsen is het aanvragen van ontheffing noodzakelijk. De uitvoering van de maatregelen moeten vastgelegd worden, dit kan het best gedaan worden door een ecologisch werkprotocol op te stellen. De effectiviteit van de getroffen maatregelen worden gemonitord door een ecoloog. Onderzoek jaarrond beschermde nesten Bij de sloop van de panden aan de Julianastraat 97-101, 113-115 en 118 kan niet worden uitgesloten dat deze panden in gebruik zijn door vogels als de gierzwaluw en huismus. Dit leidt mogelijk tot overtreding van verbodsartikel 3.1, lid 2. Dit verbodsartikel houdt in dat het verboden is om jaarrond beschermde voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van vogels te beschadigen of te vernielen. Hierdoor is aanvullend onderzoek noodzakelijk om de functionaliteit van de panden als nestlocatie voor de huismus en gierzwaluw vast te stellen. Uit het nader onderzoek (BTL, 26 oktober 2020, zie Bijlage 12) blijkt dat in het plangebied blad 52 van 79

Ruimte - Antea Nederland B.V.

voorontwerp bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838

geen verblijfsplaatsen van de gierzwaluw zijn vastgesteld. Vervolgstappen voor wat betreft de gierzwaluw zijn niet aan de orde. Als het gaat om de huismus wordt aangegeven dat, met de sloop van de woningen en loodsen binnen het plangebied, geen verblijfsplaatsen van de huismus verloren gaan. Daarentegen gaat wel essentieel leefgebied als schuil- en foerageergebied van de huismus verloren. Het gaat daarbij om de tuinen van de Julianastraat 117 – 113. Om te voorkomen dat er geen verbodsbepalingen worden overtreden, dient er voldoende zorgvuldig gehandeld en gemitigeerd te worden (Bij12, 2017). Voor dit project betekent dat: Werken buiten de kwetsbare periode waarin de verblijfplaats wordt benut: e. Het plangebied wordt gebruikt als foerageer- en schuilgebied door de huismus tijdens de broed- en winterperiode. Deze periode loopt begin december tot en met eind augustus. Met de fasering van de werkzaamheden die foerageer- en schuilgelegenheden beïnvloeden, dient rekening gehouden te worden. Door de nieuwe inrichting gaan groenstructuren die door de huismus gebruikt worden als slaap- en schuillocatie. Onderstaande maatregelen zijn gericht op het in samenhang in stand houden van voldoende elementen ten behoeve van deze functionaliteit. f.

Aanplant van inheemse doornige struiken, groenblijvende heesters en/of klimplanten van minimaal 3 meter hoog binnen 5 à 10 meter (bij voorkeur binnen 2,5 meter) van plekken waar gefoerageerd en/of gebroed wordt. g. Kant-en-klare hagen of gevelgroen aan te brengen als tijdelijke voorzieningen noodzakelijk zijn. Behoud of ontwikkeling van voldoende plekken waar gefoerageerd kan worden, door bijvoorbeeld: h. In stand houden of ontwikkelen van overhoekjes of stroken ruigte met onkruiden als bron voor zaden en kleine zachte insecten. Straatgras, herderstasje en weegbree zijn favoriete onkruiden i. Extensiever beheer van gazons door het terugbrengen van de maaifrequentie naar 1 maal per jaar. Het maaien vindt niet in het najaar plaats Voor het vernietigen van essentieel leefgebied van de huismus is het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk. De uitvoering van de maatregelen moeten vastgesteld worden. Dit kan het best gedaan worden door een ecologisch werkprotocol op te stellen. De effectiviteit van de getroffen maatregelen worden gemonitord door een ecoloog van idverde advies. Mitigerende maatregelen Uit de effectbeoordeling van de soortenbescherming blijkt dat aanvullende specifieke beschermende maatregelen noodzakelijk zijn om negatieve effecten te voorkomen of te beperken. Algemene mitigerende maatregelen 1.

2.

Te allen tijde geldt voor alle soortgroepen de algemene zorgplicht. Het is van belang dat iedereen bij de uitvoering van de werkzaamheden zich hiervan bewust is. Geadviseerd wordt om activiteiten die nadelig kunnen zijn voor in het wild levende dieren en planten (ongeacht bescherming), in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan deze soorten te voorkomen. Bij het aantreffen van diersoorten moeten deze de kans worden gegeven om de werkzaamheden te ontvluchten en waardevolle vegetatie moet niet onnodig beschadigd of verwijderd worden. Kap- en graafwerkzaamheden en het bouwrijp maken van de percelen uitvoeren buiten de broedperiode (ca. september-maart).

Specifieke mitigerende maatregelen blad 53 van 79

Ruimte - Antea Nederland B.V.

voorontwerp bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838

1.

2.

3.

Indien de voorgenomen werkzaamheden in de broedperiode plaatsvinden, is verstoren van broedende vogels en vernietiging van nesten (kool- en pimpelmees, houtduif, heggenmus, Turkse tortel etc.) van toepassing. Geadviseerd wordt om de voorgenomen werkzaamheden buiten de broedperiode van deze soort uit te voeren (werk uitvoeren van ca. eind september – eind maart). betreffende rooiwerkzaamheden Indien voor amfibieën werkzaamheden in de winter plaatsvinden, dient winterbiotoop (soortenrijke vegetatie en voldoende structuurvariatie in de vorm van ruigtes, tuinen en houtsingels) gecontroleerd te worden op amfibieën en deze verplaatst te worden naar een geschikte locatie in de buurt. Indien tijdens de werkzaamheden gebruik wordt gemaakt van kunstlicht: a. Inzet van armaturen die ervoor zorgen dat lichtbundels alleen naar de grond laten stralen, waarbij zijdelingse lichtvervuiling wordt voorkomen. b. Indien verstoring van foeragerende vleermuizen en potentiele vliegroutes niet op voorhand kunnen worden voorkomen dient mogelijk aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van vliegroutes en foerageergebieden gedaan te worden c. Bovenstaande geldt alleen voor de actieve periode van vleermuizen (maart/oktober). Buiten de actieve periode van vleermuizen (actieve periode is maart t/m oktober) zijn de dieren in winterslaap en is van verstoring door licht vanzelfsprekend geen sprake.

Beschermde gebieden Om te toetsen of de voorgenomen ontwikkeling te hoge stikstofdepositie heeft binnen Natura 2000-gebieden dient een Aeriusberekening te worden uitgevoerd met behulp van de Aerius Calculator. Andere negatieve effecten op instandhoudingsdoelen zijn op voorhand uit te sluiten waardoor geen volledige Voortoets hoeft te worden uitgevoerd. PM: stikstofonderzoek Conclusie Met inachtneming van bovengenoemde regels voor de vleermuis en de huismus en het aanvragen van een ontheffing voor beide soorten, vormt het aspect soortenbescherming van ecologie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.8

Cultuurhistorie Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo wijzigt de Bro (artikel 3.1.6, lid 2). Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Toetsing In het kader van de ontwikkeling is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Ter plaatse van het plangebied is aan de Julianastraat 118

blad 54 van 79

Ruimte - Antea Nederland B.V.

voorontwerp bestemmingsplan Stationsomgeving Rijen Gemeente Gilze en Rijen Projectnummer 0463838

een monumentale pand aanwezig. Hiervoor is een cultuurhistorische verkenning en plantoets uitgevoerd. Dit onderzoek is te vinden in Bijlage 7. Onderstaand worden de bevindingen uit de cultuurhistorische waardenkaart en het onderzoek aan de Julianastraat 118 beschreven. Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van Noord-Brabant kan geconcludeerd worden dat het plangebied in een cultuurhistorisch waardevol gebied ligt. Zie ook de onderstaande afbeelding 4.3 voor een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart. Rondom het stationsgebied zijn diverse waardevolle objecten aanwezig. Deze objecten bestaan uit woonhuizen, bedrijfswoningen, winkels en voormalige fabriekswoningen. Tevens zijn in en rondom het plangebied rijksmonumenten aanwezig. Met de beoogde ontwikkeling worden geen cultuurhistorische waarden aangetast.

Figuur 4.3: Cultuurhistorische Waardenkaart Noord Brabant. Het plangebied is omkaderd met een zwarte stippellijn. Ter plaatse van het rijksmonument aan de Julianastraat 118 wordt de buitenruimte van het pand benut t.b.v. de ontwikkeling. Aan de oostflank van de onderdoorgang wordt de stationsomgeving vergroot naar de zuidzijde van het spoor. Daar is o.a. een fietsenstalling voorzien ter plaatse van de achterbouw van het rijksmonument Julianastraat 118. In het kader hiervan is een cultuurhistorische verkenning en plantoets uitgevoerd, die is opgenomen in Bijlage 7. Uit de het onderzoek volgt dat - vanuit een erfgoedperspectief - het bedrijfsgedeelte uit 1998-1999 in fysiek opzicht een indifferente waarde heeft voor het rijksmonument. Daar liggen volop mogelijkheden voor ingrepen en wijzigingen. De transformatie van het aan de achterzijde gelegen bedrijfsgedeelte tot fietsenstalling is dan ook goed voorstelbaar. Ter overweging wordt meegegeven om niet het huidige bedrijfsgedeelte maar de lage en open houten berging van het gesloopte bedrijfsgedeelte als inspiratie te nemen voor de fietsenstalling (zie figuur 4.4 hieronder). De kaders hiervoor zijn ook als zodanig verwerkt in de planregels van dit bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9619124/1