ap 10 bestemmingsplan Mgr. Ariënsstraat 1 Rijen
Tekst van het document
29
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Toekomstvisie 2025 ‘Wij zijn Gilze en Rijen’ Toetsingskader De toekomstvisie ‘Samen werken aan Ontwikkeling: Wij zijn Gilze en Rijen’, vastgesteld door de gemeenteraad op 23 april 2012, geeft een beeld van de gewenste ontwikkeling van de gemeente Gilze en Rijen tussen nu en 2025. Het is goed wonen, werken en leven in Gilze en Rijen. Er is volop bedrijvigheid, er is ruimte om te wonen en te leven en er zijn veel voorzieningen voor sport en cultuur. De voordelen van het wonen in dorpen in het groen zijn goed te combineren met de bereikbaarheid van stedelijke voorzieningen in Tilburg en Breda. Het is belangrijk om die kwaliteiten te behouden en ze verder te versterken. Ook is het de wens om nieuwe kwaliteiten te ontwikkelen. Dat kan alleen maar als de gemeente verbindingen legt met inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties en met de omringende gemeenten. De toekomstvisie is richtinggevend voor het beleid en het handelen van de gemeente en verbindt ontwikkelingen die op het oog los van elkaar staan. Zij geeft aan wat de gemeente wil betekenen voor haar inwoners, wat de inwoners van ons kunnen verwachten, maar ook wat de gemeente van haar inwoners verwacht. Ook geeft de visie aan wat de gemeente in de regio wil betekenen en wat de regio en buurgemeenten wel en niet van de gemeente kunnen verwachten.
Voor 2025 zijn de volgende ambities geformuleerd voor de gemeente Gilze en Rijen: • versterken van de positie als woongemeente in het groen tussen twee steden; • benutten van de strategische ligging aan belangrijke vervoersassen in MiddenBrabant en versterken van de positie als werkgelegenheidsgemeente met economisch duurzame en beeldbepalende bedrijven; • versterken van de vitaliteit van kernen met goede voorzieningen op het vlak van sport en cultuur die optimaal worden gebruikt; • versterken van de economische draagkracht van het buitengebied en van de belevingswaarde van dat buitengebied. Vooral de eerste ambitie met betrekking tot het wonen is relevant voor onderhavig planvoornemen. In de gemeente is tot 2025 voldoende ruimte voor woningbouw voorhanden. Die ruimte is er zowel voor inbreiding in de bestaande kernen Rijen en Gilze als voor uitbreiding. Het uitgangspunt is dat inbreiding voor uitbreiding gaat, als de bouwkosten dat toelaten. De gemeente Gilze en Rijen wil de ruimte in en om de kernen Gilze en Rijen op een kwalitatief hoogwaardige manier invullen: met passende woningbouw of met publieke (groene) ruimte. Dat komt de kwaliteit van de bebouwde structuur van onze kernen ten goede. De gemeente kiest ervoor om te bouwen voor een regionale behoefte. Het is de wens om het meer ‘stedelijke’ karakter van de kern Rijen te versterken.
Beoordeling Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de bouw van 46 wooneenheden. Het plangebied is gelegen binnen de kern Rijen en kan worden gezien als een inbreidingslocatie. Inbreiding vindt plaats op een wijze die bijdraagt aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt namelijk een
30
gebied wat zijn maatschappelijke functie verloren heeft terug betrokken bij de kern door middel van de ontwikkeling van woningbouw. Het plan ziet toe op een bouwprogramma dat past binnen het stedelijke karakter van de kern Rijen. De ontwikkeling bestaat uit aaneengebouwde woningen en gestapelde woningen, waarbij een deel van de gestapelde woningen wordt uitgevoerd als woonzorgeenheid. Door de realisatie van deze woningtypen wordt bijgedragen aan het gevarieerder maken van het woningaanbod. Bovendien draagt een mix van huur- en koopwoningen bij aan de versterking van het stedelijke karakter van de kern Rijen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorliggende bouwplan passend is binnen het beleid uit de Toekomstvisie Gilze en Rijen.
3.4.2 Structuurvisie ‘Stedelijk Gebied Gilze en Rijen’ Toetsingskader Op 21 december 2015 heeft de gemeente Gilze en Rijen de Structuurvisie Stedelijk Gebied, Gilze en Rijen vastgesteld. De structuurvisie maakt deel uit van het strategische beleid van de gemeente, als vastgelegd in de toekomstvisie, het ambitiedocument en tot slot de structuurvisie. De structuurvisie ziet uitsluitend toe op het stedelijk gebied binnen de gemeente. Het stedelijk gebied wordt gevormd door de kernen Gilze, Rijen, Hulten, Molenschot en de grotere buurtschappen rondom deze kernen. De structuurvisie is een uitvoeringsdocument dat als onderlegger dient om aan de slag te gaan met de ambities en de hoofdkeuzes, bij toekomstige projecten en bestemmingsplannen. In de structuurvisie komt naar voren dat er meer aandacht uit gaat naar het bestaand stedelijk gebied in plaats van uitbreidingswijken, is meer aandacht voor sociaal-maatschappelijke thema’s en lopen strategie en projecten door elkaar heen. De gemeente zet zich in voor nieuwe noodzakelijkheid, sterke schakels, levendige centra en karakteristieke bedrijvigheid. Als overkoepelend thema in de structuurvisie geldt voor woningbouw dat ‘inbreiding gaat voor uitbreiding’. Dit wil zeggen, dat er eerst gezocht wordt naar woningbouwlocaties binnen het stedelijk gebied, voordat naar nieuwe uitleglocaties wordt gekeken.
Daarnaast geldt dat de gemeente de ruimtelijke hoofdstructuur wil behouden, versterken en uitbreiden. Als groene en goed bereikbare gemeente in een stedelijke regio kunnen Gilze en Rijen zich duidelijk onderscheiden. De gemeente wil de onderscheidende kenmerken (bestaande uit kleinschalige, diverse en vooral groene en ruime wijken) verder oppakken en zo verder werken aan de identiteit in de regio. De gemeente gaat daarom nog meer sturen op diversiteit, stevige groenstructuren (in en tussen de wijken) en kleinschaligheid. Voor een onderscheidende identiteit en een divers woonmilieu vindt de gemeente het profiel van de afzonderlijke dorpen belangrijk. De historische opbouw van de kernen is nog goed herkenbaar. Deze opbouw wil de gemeente graag behouden. Voor de bouw van de wijk Rijen-West, waarin onderhavig plangebied is gelegen, is het bos van boswachterij Dorst letterlijk uitgekapt. Dit is terug te zien in het straatbeeld van deze wijk. Op veel plekken zijn er beplantingsstroken aanwezig die doen denken aan het naastgelegen bos. Meer naar het oosten neemt deze bossfeer geleidelijk af, want hier 31
stond van oorsprong geen bos. De gemeente wenst de bossfeer te versterken en, waar mogelijk, verder de wijk in te trekken.
Beoordeling Conclusie
Uitsnede visiekaart Rijen uit de Structuurvisie Stedelijk Gebied Gilze en Rijen. De ligging van het plangebied is weergegeven met een rode contour.
Beoordeling Het plangebied is gelegen in de wijk Rijen - West en op de visiekaart aangeduid als ‘potentiële herstructureringslocatie waarbij nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het versterken van de bossfeer’. Ter plaatse van het plangebied is in de huidige situatie een voormalig schoolgebouw en een gymzaal aanwezig. Vanwege het verplaatsen van deze functies hebben de gebouwen momenteel geen doelmatig gebruik meer. Het initiatief ziet toe op het behouden van een deel van het schoolgebouw en het slopen van de overige panden, om zodoende te kunnen voorzien in een woningbouwontwikkeling bestaande uit 46 wooneenheden. Met de voorgenomen ontwikkeling en stedenbouwkundige uitwerking is het mogelijk om de bestaande bomen langs de Nassaulaan en de Mgr. Ariënsstraat te behouden. Ter bescherming van deze bomen wordt in onderhavig bestemmingsplan een beschermende regeling opgenomen gekoppeld aan de aanduiding ‘beeldbepalende boom’. Zo wordt het bosrijke karakter van het plangebied en de directe omgeving behouden. Wat betreft het thema ‘wonen’ hanteert de structuurvisie als uitgangspunt dat met name vraaggericht wordt gebouwd. Het voorliggende bouwplan speelt hier op in door grondgebonden en gestapelde woningen te realiseren, waarvan een deel van woningen wordt uitgevoerd als woonzorgeenheid.
Aan dit type woningen is een duidelijke behoefte, blijkt uit paragraaf 3.2.3 van deze toelichting. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorliggende bouwplan passend is binnen het bosrijke karakter van de wijk Rijen-West en aldus past binnen de uitgangspunten van de structuurvisie.
32
3.4.3 Woonvisie Gilze en Rijen, 2019 Toetsingskader De gemeente Gilze en Rijen heeft in 2019 een nieuwe woonvisie opgesteld. De vorige woonvisie stamt uit 2012 en sluit onvoldoende aan bij de actuele situatie op de woningmarkt. Bovendien heeft de gemeenteraad in 2015 de Structuurvisie ‘Stedelijk gebied Gilze en Rijen vastgesteld. In de woonvisie wordt vorm en inhoud gegeven aan de ambities uit deze structuurvisie op het gebied van wonen. In samenspraak met partners, heeft de gemeente Gilze en Rijen aan de hand van actuele ontwikkelingen op de woningmarkt, de visie verder uitgewerkt aan de hand van vier pijlers: • Vitale en leefbare kernen; • Betaalbaar wonen; • Een duurzame woningvoorraad; • Comfortabel wonen met zorg en welzijn. De woonvisie geeft de stip op de horizon voor het wonen in Gilze en Rijen. De woonvisie functioneert daarnaast als belangrijke onderbouwing voor prestatieafspraken en woningbouwplannen. Nieuwbouw is een instrument om de bestaande woningvoorraad te 'verversen' en de kwaliteit en diversiteit in de wijken te versterken. Vertrekpunt is dat nieuwbouw meerwaarde heeft voor de wijk, dorp en/of de gemeente en invulling geeft aan de (lokale) behoefte. De gemeente toetst en prioriteert bouwplannen aan de belangrijkste ambities van deze woonvisie. De bevolking in de gemeente groeit als gevolg van een positief geboortesaldo en migratie.
Anno 2019 telt de gemeente Gilze en Rijen bijna 26.500 inwoners verdeeld over ruim 11.000 huishoudens. Doordat we steeds ouder worden en minder kinderen krijgen bestaat een huishouden uit steeds minder mensen. Hierdoor neemt het aantal huishoudens nog sterker toe en daarmee ook de vraag naar woningen. Deze zogenaamde huishoudensverdunning speelt een belangrijke rol in de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte. De leeftijdsopbouw binnen de gemeente verandert; een steeds groter deel van de huishoudens bestaat uit 65- plussers, waarvan een groter deel alleenstaand is of wordt. Woningzoekenden in Rijen zoeken met name een grondgebonden koopwoning met een prijsniveau tussen de C 185.000 en C 230.000 (63% van respondenten; Hart van Brabant, 2018, prijspeil 2018). Van de respondenten die een huurwoning zoekt is de helft georiënteerd op een eengezinswoning en de andere helft richt zich op een appartement. De verhuisdynamiek op de woningmarkt komt qua leeftijden voornamelijk vanuit jongeren onder 35 jaar (37%). Als je kijkt naar de samenstelling, dan komt de dynamiek vooral uit kleine huishoudens zoals de alleenstaand zonder kinderen en samenwonend zonder kinderen (totaal 71%).
De gemeente wil de komende jaren een inhaalslag doen op de nieuwbouw, om te voorzien in de uitgestelde woningbehoefte Het is van belang de woningproductie te versnellen en te vergroten om aan de vraag vanuit de markt te kunnen voldoen. Dat betekent dat in de eerstvolgende jaren een groter aantal nieuwbouwwoningen wil bouwen dan in de huidige provinciale prognose is opgenomen. De gemeente hanteert daarbij de provinciale prognose als richtgetal, maar niet als harde grens. Uit de nu bekende woningbouwinitiatieven volgt dat er plannen zijn voor zo'n 700 a 800 33
woningen. We zijn van plan om naast de vervangende woningbouw circa 125 tot 150 woningen per jaar te bouwen. In de gemeentelijke woningbouwprogrammering wordt daarom een hogere prioritering aan bouwprojecten gegeven om zo de inhaalslag te bewerkstellen. Gelet op de huishoudensverdunning en de vergrijzing in de gemeente Gilze en Rijen verwacht de gemeente meer vraag naar kleinere levensloopgeschikte woningen en deels naar appartementen in de huursector, terwijl de vraag naar grotere eengezinswoningen in de sociale huur naar verwachting zal afnemen. Kenmerkend voor de sociale huursector in de gemeente is dat er relatief weinig verhuisd wordt. Wel is de verwachting dat de jongere groep ouderen wat sneller verhuis geneigd is. In de toekomst zullen er daardoor meer reguliere gezinswoningen vrijkomen voor jonge instromers en gezinnen. Samen met de woningcorporatie wenst de gemeente komen tot een passend aanbod sociale huurwoningen. De groep middeninkomens komt steeds vaker in de knel op de woningmarkt. Door het beperken van de doelgroep sociale huur, aanscherping van hypotheekregels en de toegenomen koopprijzen is het voor deze groep steeds moelijker een passende woning te vinden. Beschikbaarheid van middenhuur woningen en betaalbare koopwoningen zijn voor deze doelgroep belangrijk.
Daarbij gaat het om kleine woningen met kleine percelen, die uitnodigen tot verdere doorstroming op de woningmarkt. Voor de komende jaren zet de gemeente Gilze en Rijen in op het behouden van voldoende aanbod aan betaalbare koopwoningen. Dit kan onder andere door beperkte nieuwbouw van woningen. Op nieuwbouwlocaties wil de gemeente een gevarieerd woningaanbod realiseren, waarbij voor de kernen Gilze en Rijen ook de mogelijkheden worden onderzocht om vrije sector huurwoningen te realiseren. De gemeente wil nieuwbouwwoningen voor de middenhuur relatief klein houden qua kavel en oppervlakte. Een kleinere woning heeft een prijsdrukkend effect, waardoor de gemeente deze woningen langer betaalbaar hoopt te houden. Daarnaast is er in de woonvisie aandacht voor de huisvesting van bijzondere doelgroepen. Het betreft hier bijvoorbeeld inwoners met een zorgbehoefte. Bij het huisvesten van bijzondere groepen vindt de gemeente het belangrijk rekening te houden met de draagkracht van dorpen of wijken en buurten. Beoordeling In nauw overleg met de woningbouwcorporatie en de gemeente Gilze en Rijen is het bouwplan en de verscheidenheid in de te ontwikkelen woningen tot stand gekomen. Onderhavig bouwplan voorziet in een rijke variatie aan woningtypen.
Het plan bestaat uit zowel aaneengebouwde als gestapelde woningen, waarbij ook woningen worden voorzien voor een specifieke doelgroep met een zorgvraag. Daarnaast worden goedkope en betaalbare huur- en koopwoningen gerealiseerd met onderhavig plan. Voor de woningen buiten het woonzorgcomplex geldt dat de ontwikkeling bestaan uit zowel sociale huurwoningen, als vrije sector huurwoningen en koopwoningen. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt dan ook een breed publiek aangesproken, van zowel starters op de woningmarkt tot senioren en zorgbehoevenden. De voorgenomen ontwikkeling betreft dan ook een aanvulling van de bestaande woningmarkt met een
34
gevarieerd aanbod aan woningen, waarvan uit de woonvisie blijkt dat er een duidelijke vraag bestaat. In de uitvoeringsagenda behorend bij de woonvisie wordt per jaar bekeken welke doelstellingen voor uitvoering in aanmerking komen en welke concrete acties voor dat jaar ingepland staan. De laatste versie dateert van 14 januari 2020. Specifiek voor de kern Rijen wordt het plan Mgr. Ariënsstraat genoemd met als jaar van uitvoering 2021. Conclusie Onderhavig plan voorziet in een behoefte die wordt onderschreven in de woonvisie van de gemeente Gilze en Rijen. Geconcludeerd kan worden dat wordt aangesloten bij de beleidsuitgangspunten uit de Woonvisie Gilze en Rijen.
35
36
4
PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN
4.1
Inleiding Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan. Achtereenvolgens worden behandeld: ▪ bodem; ▪ waterhuishouding; ▪ cultuurhistorie; ▪ archeologie; ▪ ecologie; ▪ akoestiek; ▪ bedrijven en milieuzonering; ▪ externe veiligheid; ▪ kabels en leidingen; ▪ luchtkwaliteit; ▪ milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.2
Bodem Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem.
37
Beoordeling Door Wematech is in het voorjaar van 2020 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Rapportage daarvan is als bijlage 1 gevoegd bij deze toelichting. Doel van het onderzoek is het verkrijgen van een inzicht in actuele bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied en op basis hiervan na te gaan of de bodemkwaliteit een belemmering kan opleveren voor de voorgenomen bouw- en ontwikkelingsplannen ter plaatse. Uit de rapportage blijkt dat bij de uitgevoerde grondboringen op basis van zintuiglijke beoordeling verspreid over het plangebied tot een diepte van 200 cm -mv zwakke tot matige bijmengingen met grind aangetroffen. Ter plaatse van boring 14 en 15 zijn in de bovengrond sporen baksteen aangetroffen. Deze bijmengingen met baksteen worden niet aangemerkt als zijnde asbestverdacht. Bij het bemonsteren van het grondwater van peilbuis 15 is zeer troebel en wit gekleurd grondwater aangetroffen. De troebelheid van het grondwater lag boven het meetbereik van de troebelheidsmeter. Voor het overige zijn er geen relevante bijzonderheden en/of afwijkingen aangetroffen. Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond plaatselijk (MM01) licht verontreinigd is met lood, en plaatselijk (MM03) licht verontreinigd is met lood en PAK. Ter plaatse van MM03 is de bovengrond niet verontreinigd. De ondergrond is plaatselijk (MM04) licht verontreinigd met kwik.
Voor het overige is de ondergrond niet verontreinigd. Het grondwater is niet verontreinigd. Geconcludeerd kan worden dat de niet verontreinigde bovengrond (MM02) en licht met lood verontreinigde bovengrond (MM01) voldoet aan de klasse achtergrondwaarde. De licht met lood en PAK verontreinigde bovengrond (MM03) voldoet aan klasse industrie bij toepassen. De licht met kwik verontreinigde grond (MM04) voldoet aan de klasse wonen. De niet verontreinigde ondergrond voldoet aan klasse achtergrondwaarde. Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat binnen de huidige functieklasse geen gebruiksbeperkingen hoeven te worden gesteld aan de onderzoekslocatie. De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering de voorgenomen bouwplannen ter plaatse te realiseren. Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij het bouwrijp maken en/of bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening te worden gehouden dat, met de verschillende aangetroffen kwaliteitsklassen, deze grond niet zonder meer toepasbaar Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing.
Conclusie De bodem is geschikt voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het voorgenomen gebruik ten behoeve van het wonen.
38
4.3
Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 (PWMP) van 18 december 2015. Het PMWP is de structuurvisie voor o.a. het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat de verplichte onderdelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water.
Behalve dat het PMWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater. Beleid waterschap Brabantse Delta Het plangebied is gelegen binnen het stroomgebied van waterschap Brabantse Delta. De visie van waterschap Brabantse Delta is vervat in het Waterbeheerplan 2016 – 2021 en kent een geldigheid vanaf 22 december 2015. Het waterschap richt zich hierbij op een doelmatig waterbeheer als motor voor een economische en ecologisch krachtige regio. Speerpunten uit het waterbeheerplan zijn klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging.
Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot nieuwe accenten: ▪ het nationale Deltaprogramma voor waterveiligheid en de versterking van de dijken langs de Rijkswateren en de regionale rivieren; ▪ het optimaliseren van de zoetwatervoorziening met het oog op de toenemende droogte; ▪ inzet op bewustwording van watergebruikers zodat hun inzicht groeit over wat ze zelf aan waterbeheer kunnen bijdragen; ▪ helderheid over zowel beperkingen als mogelijkheden voor de gebruiksfuncties van het watersysteem; ▪ het verbeteren van de waterkwaliteit in een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van verbeteren van de waterstanden, onderhouden van sloten en treffen van inrichtingsmaatregelen); ▪ afvalstoffen steeds meer inzetten als waardevolle grondstoffen zoals terugwinning van fosfaat en productie van bioplastic uit afvalwater; ▪ een duurzame energiewinning.
39
Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur waterschap Brabantse Delta 2015 bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de NoordBrabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen.
Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. d. de toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; b. de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; c. daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Voor het overige zijn er in de keur diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000.
Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied.
40
Uitsnede keurkaart Brabantse Delta met het plangebied globaal geduid met een gele ster. Bron: brabantsedelta.nl, 2020.
Beleid gemeente Gilze en Rijen Het gemeentelijk beleid ten aanzien van water is vastgelegd in het Verbreed gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) van de gemeente Gilze en Rijen. Hieruit volgt dat alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten in principe waterneutraal dienen te worden uitgevoerd. In eerste instantie wordt gepoogd te voorkomen dat er negatieve effecten op grond- en oppervlaktewater zijn. Dit houdt in dat hemelwater zo mogelijk bovengronds wordt geborgen en geïnfiltreerd. Hemelwater wordt eventueel vertraagd afgevoerd naar oppervlaktewater. In inbreidingsgebieden is een infiltratievoorziening van 20 – 40 mm vereist door de gemeente. Ter bescherming van bodem en grondwater dient infiltratie van water vanaf wegen een zuiverende stap te ondergaan (b.v. zandfilter of lavakoffer). Bij lozing op oppervlaktewater gelden de lozingseisen van Waterschap Brabantse Delta. Beoordeling De Keur kent diverse verbodsbepalingen voor handelingen in het watersysteem. Deze handelingen mogen enkel worden verricht indien een waterwetvergunning is verleend, of indien wordt voldaan aan de algemene regels. Uit de kaarten behorende bij de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 volgt dat e locatie niet is gelegen binnen een beschermingsgebied.
41
Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 7.674 m2 en is reeds voor een groot deel verhard. Deze bestaande verharding bestaat uit het schoolgebouw (1.936 m2), de gymzaal (391 m2) en het bijbehorende schoolplein en skatepark (circa 2.851 m2). In totaal komt dit neer een bestaande verhardingssituatie van 5.178 m2. In de toekomstige situatie zal als gevolg van de woningbouwontwikkeling de verhardingssituatie ongeveer gelijk blijven of licht toenemen, echter niet zodanig dat deze meer dan 2.000 m2 bedraagt. Op basis van het beleid van het waterschap is daarmee geen sprake van een retentievereiste. De gemeente Gilze en Rijen stelt als eis dat bij voorkeur hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld. Het verdiend hierbij de voorkeur om het schone hemelwater ter plaatse zoveel als mogelijk is te bergen en langzaam te laten infiltreren. Hiervoor zal een infiltratieriool aangelegd worden waarin zoveel als mogelijk het hemelwater kan infiltreren/bergen. Het overtollige hemelwater zal via een overstortvoorziening naar het aanwezige gemengde stelstel worden afgevoerd. Om verdere invulling te geven aan en duurzaam waterbeheer, kan bij eventuele bouwwerkzaamheden rekening gehouden worden met duurzaam bouwen.
In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) opgenomen die onder meer betrekking hebben op het verminderen van de emissie van milieubelastende stoffen naar het van daken afgevoerde hemelwater. Bij bouwwerkzaamheden wordt geadviseerd gebruik te maken van niet-uitloogbare bouwmaterialen in verband met de waterkwaliteit. Dit houdt in dat toepassing van materialen voor daken, dakgoten en hemelafvoeren zoals zink, koper, lood etc. wordt afgeraden, tenzij de materialen zijn voorzien van een coating. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de waterhuishouding binnen het plangebied wordt gerespecteerd.
4.4
Cultuurhistorie Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
42
Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Beoordeling Het plangebied is gelegen nabij de Pastoor Gillisstraat. Dit betreft een lijn die in het kader van historische geografie een 'redelijke hoge' waarde heeft. Dit zijn nog goed herkenbare en relatief gave lijnvormige elementen van het historisch landschap, zoals wegen, paden en dijken. De provincie heeft geen specifiek beleid voor deze historische lijnen. Wel wil de provincie deze lijnen behouden en toeristisch-recreatief ontsluiten. Met de voorgenomen plannen blijft de historische lijn behouden. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt vormt het planvoornemen derhalve geen belemmering.
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant met het plangebied aangeduid met gele ster. Bron: kaarten.brabant.nl, 2020.
Voor het overige zijn er geen cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen in of in de directe omgeving van het plangebied.
43
Conclusie Het voornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de omgeving van het plangebied.
4.5
Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
Beoordeling In het vigerende bestemmingsplan “Woongebied Rijen” is op de gronden die onderdeel uitmaken van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie - 6’ opgenomen. Dit betreft een doorvertaling van het Beleidsplan archeologische monumentenzorg, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Gilze en Rijen op 26 april 2011. Het beleidsplan geeft inzicht in de gemeentelijke verantwoordelijkheden ten aanzien van archeologische bodemschatten en haar bevoegdheden hierin. Het beleid maakt onderscheid in gebieden met een hogere en lagere verwachtingswaarde. Ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie - 6’ geldt een archeologische onderzoeksplicht bij een bodemverstoring van meer dan 25.000 m2 en dieper dan 0,40 meter onder de oppervlakte. Onderhavig plangebied heeft een omvang van 7.674 m2, de bodemverstoring zal dan ook niet meer dan de oppervlakte van het plangebied betreffen. Aangezien de omvang van het plangebied ruim beneden de ondergrens voor archeologisch onderzoek blijft, is het uitvoeren van archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Ter bescherming en behoud van mogelijke archeologische waarden binnen het plangebied blijft de dubbelbestemming onverkort van toepassing. Conclusie Vanuit het aspect archeologie bestaan geen belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.
44
4.6
Ecologie
4.6.1 Natuurgebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling en conclusie Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft ‘Ulvenhoutse Bos’, dat is gelegen op een afstand van ca. 7,05 km tot onderhavig plangebied. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Daar het plangebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied, is van directe schade geen sprake.
Op het aspect stikstofdepositie wordt navolgend ingegaan.
4.6.2 Stikstof Toetsingskader Het plangebied is gelegen op circa 7,05 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied ‘Ulvenhoutse Bos’. Dit betreft een gebied dat beschermd is krachtens Europese regelgeving. De bescherming is opgenomen in de Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming). Aangetoond dient te worden dat met zekerheid geen negatieve effecten op dit gebied optreden als gevolg van de onderhavige ontwikkeling. Alleen indien geen sprake is van een negatief effect kan een project doorgang vinden. Voor een groot aantal potentiële effecten kan worden beredeneerd dat geen sprake is van een significant negatief effect. Voor het aspect stikstofdepositie kan dit echter niet op voorhand worden gesteld. Derhalve dient aan de hand van een berekening met het programma AERIUS de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald. Beoordeling De exacte mate van stikstof dient voor een bouwplan zowel bepaald te worden voor de gebruiksfase als de aanlegfase. Voor beide fases is daarom een AERIUS-berekening uitgevoerd, bijgevoegd als bijlage 2 bij deze toelichting. Zowel de stikstofdepositie volgend uit de sloopfase en de aanlegfase als de gebruiksfase zijn inzichtelijk gemaakt 45
in de berekening. Uit de berekening kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling geen rekenresultaten op Natura 2000-gebieden naar voren omen die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Onderhavige ontwikkeling heeft derhalve met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000-gebieden. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming.
4.6.3 Flora en fauna Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Door De Roever Omgevingsadvies is in juni 2019 een quickscan soortenbescherming uitgevoerd. Rapportage daarvan is als bijlage 3 gevoegd bij deze toelichting.
Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Geconcludeerd kan worden dat het plangebied niet geschikt is voor beschermde soorten. Mogelijk dat het bestaande schoolgebouw dat verbouwd wordt ten behoeve van het planvoornemen geschikt is voor huismussen en gierzwaluwen. Aangezien deze bebouwing uitsluitend inpandig wordt verbouwd, worden negatieve effecten voor deze beschermde soorten niet verwacht. Nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming zijn niet noodzakelijk. Binnen de soortenbescherming zijn alle bewoonde vogelnesten beschermd. Het is aan te raden om werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of op een manier waarbij de vogels in de directe omgeving niet aan broeden beginnen. De algemene zorgplicht is onverminderd van toepassing. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten ten aanzien van soortenbescherming. De Wet natuurbescherming staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg. 46
4.7
Wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai Toetsingskader wegverkeerslawaai Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Stedelijk
Buitenstedelijk
Aantal rijstroken
Aantal meter aan weerszijden van de weg
5 of meer
350 m
600 m
3 of 4
350 m
400 m
1 of 2
200 m
250 m
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse type ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Toetsingskader railverkeerslawaai Op 1 juli 2012 zijn in de Wet milieubeheer de geluidsproductieplafonds voor hoofspoorwegen van kracht geworden. In het Besluit Geluidhinder van 1 juli 2012 is het wettelijk kader van geluidhinder vanwege spoorwegen opgenomen. Op grond van artikel 1.4a is de zonebreedte van de trajecten in Nederland vastgesteld. Deze
47
zonebreedte is afhankelijk van het vastgesteld geluidproductieplafond. Deze geluidproductieplafonds stellen een grens over de toelaatbare hoeveelheid geluid. De plafonds voorkomen een oneindige groei van het geluid door het toenemend verkeer. De ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting vanwege een spoorweg mag conform artikel 4.9 van het Besluit Geluidhinder niet meer bedragen dan 55 dB. Onder voorwaarden kan een hogere waarde worden vastgesteld op grond van artikel 4.10 van het Besluit Geluidhinder van ten hoogste 68 dB. Beoordeling wegverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de N631, de Mgr. Nolensstraat en de Nassaulaan. Uit de rekenresultaten kan worden opgemaakt dat als gevolg van het wegverkeerslawaai ter plaatse van de N631 en de Mgr. Nolensstraat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Als gevolg van het wegverkeerslawaai afkomstig van de Nassaulaan wordt ten hoogste 57 dB berekend, waarde de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met 9 dB wordt overschreden. De ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 63 dB wordt niet overschreden. Derhalve dient voor het lawaai afkomstig van de Nassaulaan voor het plangebied een hogere grenswaarde aangevraagd te worden. Alvorens een hogere grenswaarde aangevraagd kan worden dient de doelmatigheid van geluidreducerende maatregelen te worden onderzocht.
Een bronmaatregel in onderhavige situatie betreft het veranderen van het type wegdek ter plaatse van de Nassaulaan. Om de optredende geluidsbelasting te reduceren zou de aanwezige asfaltverharding vervangen kunnen worden door geluidsarm asfalt. De rekenresultaten met stiller asfalt tonen echter dat als gevolg van het wegverkeer ter plaatse van de Nassaulaan de geluidsreductie beperkt is tot 3 dB. Bovendien vraagt het vervangen van het asfalt om een investering die hoog is. Het toepassen van geluidsarm asfalt wordt dan ook vanuit financieel oogpunt en de minimale geluidsreductie niet als reële maatregel gezien in onderhavige situatie. Afscherming kan gerealiseerd worden door middel van een scherm. Aangezien de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ook op een hoogte van 7,5 meter en 10,5 meter wordt berekend, zou het scherm een hoogte van 10 meter moeten krijgen. Het realiseren van een geluidsscherm met een dergelijke hoogte binnen de bebouwde kom stuit op bezwaren vanuit stedenbouwkundig oogpunt. De overschrijding wordt enkel berekend ter plaatse van het appartementencomplex aan de noordzijde van het plangebied. Het appartementencomplex vervangt de bestaande bebouwing op deze locatie. Daarbij is ten zuiden van het appartementencomplex een nutsgebouw gesitueerd waardoor het niet mogelijk is om het appartementengebouw op grotere afstand van de Nassaulaan te realiseren.
Het verplaatsen van de appartementen is derhalve vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet mogelijk. De Nassaulaan heeft een maximale snelheid van 50 km/h en betreft een drukke doorgaande weg (ca. 6.500 bewegingen per etmaal) door de woonkern Rijen, het verlagen van de snelheid op een dergelijke doorgaande weg is vanuit verkeerskundig oogpunt dan ook niet wenselijk. Geconcludeerd kan worden dat het treffen van geluidsreducerende maatregelen niet reëel is.
48
Beoordeling railverkeerslawaai Het plangebied ligt op een afstand van circa 100 meter tot de spoorlijn tussen Breda en Tilburg. Deze spoorlijn is gelegen ten zuiden van het plangebied. Het geluidsproductieplafond van het referentiepunt dat het meest in de nabijheid van het plangebied is gelegen staat een geluidruimte toe van 70,1 dB. Dit betekent dat het spoor conform artikel 1.4a een zonebreedte heeft van 600 meter. Het plangebied valt ruimschoots binnen deze zone. Wematech heeft in mei 2020 een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is bijgesloten als bijlage 4 van deze toelichting. Uit de rekenresultaten kan worden opgemaakt dat ten hoogste 62 dB berekend wordt ter plaatse van de woningen binnen het plangebied als gevolg van het railverkeer ter plaatse van het spoortraject Breda - Tilburg. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB conform de Wet geluidhinder wordt hierdoor met 7 dB overschreden. De ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 68 dB wordt niet overschreden. Alvorens een hogere grenswaarde aangevraagd kan worden dient de doelmatigheid van geluidreducerende maatregelen te worden onderzocht. Een mogelijke bronmaatregel in onderhavige situatie zou kunnen zijn het toepassen van raildempers.
De geluidreductie van raildempers is echter beperkt waardoor in onderhavige situatie de voorkeursgrenswaarde van 55 dB niet kan worden behaald. Het toepassen van raildempers wordt in onderhavige situatie niet doelmatig geacht. Afscherming kan gerealiseerd worden door middel van een scherm. Indien een geluidsscherm met een lengte van 223 m en een hoogte van 4,5 m wordt gerealiseerd op een afstand van 4,5 meter uit de buitenste spoorstaaf, kan aan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB worden voldaan. De kosten voor het realiseren van een dergelijk scherm bedragen ca. € 300.000,-, uitgaande van een prijs van ca. € 300,00 / m2. Gezien de hoge investeringskosten wordt deze maatregel vanuit financieel oogpunt niet als reële maatregel gezien. Daarbij wordt nog opgemerkt dat een dergelijke maatregel tevens op bezwaren vanuit stedenbouwkundig oogpunt zou kunnen stuiten. De overschrijding wordt berekend op een groot deel van de woningen/appartementen binnen het plangebied. Aangezien de nieuwe woningen/appartementen een opvulling van een open plek in stedelijk gebied betreffen is het verplaatsen van de appartementen en woningen in onderhavige situatie vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet mogelijk. Geconcludeerd kan worden dat het treffen van geluidsreducerende maatregelen niet reëel is.
Geluidluwe gevel Gezien het feit dat de ABG gemeenten geen eigen beleid inzake ontheffingen hebben ontwikkeld zal bij gevelbelastingen van meer dan 53 dB een geluidluwe gevel veiliggesteld moeten worden (waar de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai dan wel 55 dB voor railverkeerslawaai niet overschreden wordt),
49
met één of meer aanliggende geluidgevoelige ruimten. Onderstaand is per woongebouw beschreven of aan de eis van de geluidluwe gevel kan worden voldaan. Zorgappartementen noordzijde plangebied Ter plaatse van de noord-, west en oostgevel wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai overschreden. Als gevolg van railverkeerslawaai wordt de voorkeursgrenswaarde van 55 dB overschreden ter plaatse van de west, zuid en oostgevel van het gebouw op de 3e en 4e verdieping. Hierdoor is het niet mogelijk om bij alle appartementen een geluidluwe gevel te realiseren, het treffen van maatregelen is noodzakelijk. Grondgebonden woningen in het midden van het plangebied Ter plaatse van de grondgebonden woningen (en op de hoek gestapelde woningen) wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB als gevolg van geluidgezoneerde wegen niet overschreden. Als gevolg van railverkeerslawaai is bij alle woningen een gevel aanwezig waar de voorkeursgrenswaarde van 55 dB voor railverkeerslawaai niet wordt overschreden. Hiermee kan voor de grondgebonden woningen worden voldaan aan de eis van een geluidluwe gevel. Appartementen zuidzijde plangebied Ter plaatse van de appartementen aan de zuidzijde van het plangebied wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB als gevolg van geluidgezoneerde wegen niet overschreden.
Ter plaatse van de noordgevels van de appartementen is eveneens geen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 55 dB voor railverkeerslawaai. Of bij alle appartementen een geluidluwe gevel aanwezig is, is afhankelijk van de indeling van de appartementen. Maatregelen zijn mogelijk noodzakelijk. Indien bij de definitieve indeling van de appartementen binnen het plan geen geluidluwe gevel kan worden gerealiseerd kunnen mogelijk maatregelen worden toegepast. Door Wematech is een aanvullende berekening gemaakt. Deze is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. Uit deze berekening blijkt dat maatregelen mogelijk zijn die een geluidluwe gevel garanderen. Na het toepassen van genoemde maatregelen kan bij ieder appartement een geluidluwe gevel worden veiliggesteld. Bij de afweging van maatregelen dient rekening te worden gehouden met het financiële aspect. In overleg met het bevoegd gezag moet worden bepaald of de kosten die getroffen moeten worden voor het realiseren van de geluidluwe gevels doelmatig worden geacht. Onderzoek naar de geluidwering van de gevels Voor nieuwbouw geldt dat de geveldelen van de woningen/appartementen waar de voorkeursgrenswaarde voor weg- en railverkeerslawaai wordt overschreden dient een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitgevoerd te worden.
Middels dit onderzoek dient per gevel bepaald te worden of mogelijk aanvullende isolerende maatregelen toegepast dienen te worden om aan het Bouwbesluit 2012 te kunnen voldoen. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen.
50
De appartementen in het gebouw aan de zuidzijde van het plan worden gerealiseerd in een voormalig schoolgebouw. Voor deze appartementen geldt derhalve op grond van het Bouwbesluit het rechtens verkregen niveau. In de praktijk betekent dit dat het actuele kwaliteitsniveau van de gevels van de appartementen door de verbouwing niet mag verslechteren. Cumulatieve geluidsbelasting In het kader van de ruimtelijke ordening dient de cumulatieve geluidbelasting als gevolg van weg- en railverkeerslawaai te worden bepaald indien voor meer dan één geluidbron de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Aangezien in onderhavige situatie voor zowel weg- als railverkeerslawaai de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden is de cumulatieve geluidbelasting vanwege weg- en railverkeerslawaai inzichtelijk gemaakt. Hierbij zijn tevens de wegen met een maximale snelheid van 30 km/h betrokken. Uit het onderzoek blijkt dat de cumulatieve geluidbelasting varieert van 46 dB – 63 dB en is te kwalificeren als een goed tot tamelijk slecht woon- en leefklimaat. Om de toekomstige bewoners van de nieuwe woningen/appartementen voldoende te beschermen tegen geluid als gevolg van weg- en railverkeerslawaai dient ten behoeve van de aanvraag om omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) reeds een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitgevoerd te worden.
Mogelijk blijkt uit dit onderzoek dat toepassing van aanvullende bouwkundige voorzieningen benodigd is om een acceptabel woon- en leefklimaat te kunnen garanderen in de woningen/appartementen. Door het uitvoeren van het aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevels, en indien noodzakelijk toepassen van aanvullende bouwkundige voorzieningen, kan in de nieuwe woningen/appartementen een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd worden. Conclusie Door een combinatie van bouwkundige maatregelen kunnen voor alle wooneenheden tenminste één geluidluwe gevel gecreëerd worden. Het realiseren van de noodzakelijke bouwkundige maatregel om tenminste één geluidluwe gevel te realiseren is geborgd in de regels behorende bij dit bestemmingsplan. Wel zal voor de woningen de procedure voor het verkrijgen van een ontheffing van de voorkeurgrenswaarde voor zowel het weg- als railverkeer doorlopen moeten worden. Onder deze voorwaarden is het plan uitvoerbaar in het kader van de Wet geluidhinder.
4.8
Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen).
51
Beoordeling De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het plangebied ligt in een gebied dat kan worden gekenmerkt als ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’. Richtafstanden gelden derhalve onverkort. Onderhavig bestemmingsplan maakt de bouw van 46 wooneenheden mogelijk, waardoor ter plaatse een gevoelige functie wordt toegevoegd. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De woningen binnen het plangebied bevinden zich nabij de richtafstand van enkele omliggende bedrijven. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van. Hierbij is gemeten vanaf de grens van de beoogde woonbestemming tot de bestemmingsgrens van de inrichting. Relevante bedrijvigheid vindt doorgaans op grotere afstand plaats. Woningen Mgr.
Ariënsstraat 1 Rijen Bedrijf Locatie ‘Bedrijf’ met functieaanduiding ‘nutsvoorziening’ ‘Bedrijventerrein’ met functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 1’ ‘Bedrijventerrein’ met functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’ ‘Bedrijventerrein’ met functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’ ‘Bedrijventerrein’ met functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’ en ‘specifieke vorm van bedrijf installatiebedrijf’ ‘Bedrijventerrein’ met functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’ ‘Bedrijventerrein’ met functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’ en ‘specifieke vorm van bedrijf metaalverwerkingsbedrijf’
Max. milieucategorie* 2
Richtwaarde VNG 30 meter
Afstand tot plangebied 0 meter
1
10 meter
33 meter
Pastoor Gillisstraat 145
2
30 meter
23 meter
Pastoor Gillisstraat 145
3.1
50 meter
23 meter
Pastoor Gillisstraat 145
3.2
100 meter
38 meter
Pastoor Gillisstraat 143
2
30 meter
36 meter
Pastoor Gillisstraat 143
3.1
50 meter
36 meter
Nassaulaan ong. Pastoor Gillisstraat 145
* ten aanzien van geur, licht en geluid. Op het aspect ‘gevaar’ wordt in paragraaf 4.9 nader ingegaan. In de huidige situatie zijn de gronden ter plaatse van het plangebied reeds in gebruik voor een maatschappelijke bestemming in de vorm van een school en een gymzaal. De Wet geluidhinder beschermt niet alleen woningen, maar ook andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen. Binnen het maatschappelijke bouwvlak zijn reeds geluidsgevoelige gebouwen toegestaan, bijvoorbeeld in de vorm van een onderwijsgebouw. Deze bouwvlakken vormen dus reeds een beperking voor de
52
mogelijkheden ter plaatse van de bedrijfsbestemming. Binnen deze bouwvlakken bestaat dus reeds een bescherming ten opzichte van de bedrijvigheid gelegen direct ten zuiden van het plangebied en de bestaande nutsvoorziening. Daar de maatschappelijke bestemming reeds passend is gevonden op deze locatie, kan gesteld worden dat het gebruik van de gronden ten behoeve van wonen eveneens aanvaardbaar is. Met onderhavig planvoornemen wordt het zuidelijke deel van het bestaande schoolgebouw behouden en verbouwd tot woningen. Dit deel van het plan is het kortst bij de bedrijvigheid gelegen. Gesteld kan worden dat de bedrijvigheid ter plaatse van de bestemming ‘Bedrijventerrein’ reeds beperkt wordt door de milieugevoelige bestemming ‘Maatschappelijk’ inclusief bouwvlak dat ter plaatse van dit gebouw aanwezig is. Het wijzigen van de bestemming naar ‘Wonen’ zorgt aldus niet voor een beperking van de bestaande ontwikkelingsmogelijkheden van de bedrijven ten zuiden van het plangebied en voor de nutsvoorziening. Om ervoor zorg te dragen dat ter plaatse van de nutsvoorziening geen andere bedrijfsactiviteiten kunnen plaatsvinden dan de nutsvoorziening, is ter plaatse een specifieke bestemming ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’ opgenomen. Conclusie Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd.
Onderhavig initiatief belemmert omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering.
4.9
Externe veiligheid
4.9.1 Inrichtingen en externe veiligheid Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR). Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. De dichtstbijzijnde inrichting met een potentieel veiligheidsrisico betreft een gasdrukregel- en meetstation aan het Kleine Vospad 3 in Rijen. De grens van de inrichting ligt op een afstand van circa 465 meter tot het plangebied. Er is geen sprake van een PR 10-6 risicocontour. Gelet op ruime afstand van het plangebied tot de
53
inrichting zijn er geen gevolgen wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Uitsnede van de risicokaart. Met de gele ster is globaal het plangebied op de locatie aan de Mgr. Ariënsstraat in Rijen geduid. Bron: risicokaart.nl, 2020.
Voor het overige zijn er geen relevante inrichtingen met een potentieel veiligheidsrisico in de buurt van het plangebied gelegen. Conclusie Het aspect inrichtingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.9.2 Transport en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de 54