CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

ap 10 bestemmingsplan Mgr. Ariënsstraat 1 Rijen

Raadscommissie Ruimte 29 juni 2021, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel inzake het vaststellen van het bestemmingsplan Mgr. Ariënsstraat 1 Rijen24.103 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. In de directe omgeving van het plangebied is een spoortraject gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De spoorlijn is op de risicokaart aangeduid als plasbrandaandachtsgebied. Er zijn geen gevolgen voor het persoonsgebonden risico. Onderstaand is een verantwoording van het groepsrisico opgenomen.

Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Om effectief en efficiënt hulp te kunnen bieden ten tijde van een ongeval zijn de opkomsttijd, de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen van belang. De hulpverleningsdiensten moeten voldoende capaciteit beschikbaar hebben om alle effecten binnen een kort tijdsbestek te kunnen bestrijden. Voor de onderhavige situatie is de opkomsttijd minder dan 10 minuten, waarmee wordt voldaan aan de norm voor de opkomsttijden uit het Dekkings- en spreidingsplan 20152019 van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant ten aanzien van industriefuncties. Om een brand in het plangebied te kunnen bestrijden is het noodzakelijk dat er voldoende primair en secundair bluswater aanwezig is. Voor ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij eveneens een omgevingsvergunning deelzaak bouwen noodzakelijk is, wordt de aanwezigheid van bluswater in het kader van deze vergunning getoetst. Door de centrale ligging van het plangebied, waar reeds in de directe omgeving sprake is van bestaande woningen en bedrijvigheid, is de aanwezigheid van primair bluswater reeds verzekerd. Het plangebied is via het wegennet goed bereikbaar voor voertuigen van hulpverleningsdiensten Het plangebied ligt binnen het toxisch invloedsgebied van het spoor Breda - Tilburg. Onder omstandigheden kan een toxische wolk immers ver reiken.

Bestrijding hiervan vindt echter plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Zelfredzaamheid In geval van blootstelling aan een toxisch gas is het handelingsperspectief ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij van belang.. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen

55

die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie - waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen - dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Het plangebied ligt binnen het dekkingsgebied van een waarschuwings- en alarmeringsinstallatie. Daarnaast is NL Alert operationeel voor vele mobiele telefoons. Dit kan worden gebruikt om de bevolking in geval van een calamiteit te waarschuwen. Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.9.3 Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico en een verantwoording van het groepsrisico van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord.

Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat de dichtstbijzijnde buisleiding is gelegen op een afstand van circa 470 meter. Gelet op de ruime afstand van 470 meter van de buisleiding tot het plangebied vormt de ligging van de leiding geen belemmering voor onderhavig voornemen. Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavig plan.

4.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen

56

stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programmaaanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: ▪ er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; ▪ een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; ▪ een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van 46 wooneenheden in de typologie aaneengebouwd en gestapeld. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de

57

wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1.500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Bovendien is blijkens de luchtkwaliteitskaart ter hoogte van het plangebied geen sprake van een hoge achtergrondbelasting inzake fijnstof of stikstofdioxide. Daarmee kan worden gesteld dat met betrekking tot luchtkwaliteit een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied is gegarandeerd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. Binnen het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat. 4.11 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer 1. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e.

buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken2.

Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLICmelding worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 4.12 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent 1

'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.

58

plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt.

Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van de bouw van één woning. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst. Het bouwen van woningen komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D11.2, ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2.

een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 46 wooneenheden en blijft daarmee ruimschoots onder de gestelde grenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Middels de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige

59

milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk effect op de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent. Ten behoeve van de ontwikkeling is een aanmeldnotitie mer opgesteld. Deze wordt separaat voorgelegd aan het college.

60

5

JURIDISCHE PLANTOELICHTING

5.1

Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt.

5.2

Opbouw van de regels Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De planregels zijn zodanig opgesteld dat wordt aangesloten bij de in de gemeente Gilze en Rijen gehanteerde systematiek. Het plan “Woongebied Rijen” is de basis geweest voor de regeling van onderhavig bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: • inleidende regels; • bestemmingsregels; • algemene regels; • overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.

61

5.3

Regels

5.3.1 Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ Artikel 1 Begrippen In het eerste artikel, ‘begrippen’, worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP en Bor omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen. Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de ‘wijze van meten’ uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeeldingen geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de ‘wijze van meten’ worden in de SVBP richtlijnen gegeven die zijn overgenomen in dit plan. 5.3.2 Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ Artikel 3 Bedrijf - Nutsvoorziening De bestaande nutsvoorziening in het plangebied heeft de specifieke bestemming ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’ conform het SVBP 2012 gekregen. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend nutsvoorzieningen toegestaan. De bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden behorende bij de nutsvoorziening zijn één op één overgenomen in onderhavig bestemmingsplan.

Artikel 4 Groen De bestemming ’Groen’ is gelegen op gronden die een groene inrichting krijgen, danwel voorzien in een langzaamverkeersroute binnen het plangebied. Binnen de bestemming ‘Groen’ zijn geen gebouwen toegestaan, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Door middel van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid is het mogelijk om ter plaatse van de bestemming ‘Groen’ parkeerplaatsen toe te staan. In de regeling is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen voor de gronden waarop de aanduiding ‘beeldbepalende boom’ is opgenomen. Dit ter bescherming van de bestaande bomen aan de Nassaulaan en de Mgr. Ariënsstraat om het bosrijke karakter van de wijk RijenWest in stand te houden. Artikel 5 Maatschappelijk De gronden gelegen binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’ zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen en ter plaatse van de aanduiding ‘wonen’ voor het wonen. Binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’ is het mogelijk om zorgwoningen te realiseren tot een maximum van 20 zorgwoningen. Gebouwen zijn toegestaan binnen het bouwvlak. Het bevoegd gezag kan op basis van artikel 5.6 een omgevingsvergunning verlenen voor het uitoefenen van een aan huis gebonden bedrijfsactiviteit ter plaatse van de woning. Daarnaast is in dit artikel een regeling opgenomen dat het college van B&W nadere eisen kan stellen.

62

Artikel 6 Verkeer De bestemming ‘Verkeer’ is gelegen op de gronden die in gebruik worden genomen voor de ontsluiting van het nieuwe woongebied, inclusief voet- en fietspaden en parkeervoorzieningen Daarnaast zijn ter plaatse van de bestemming ‘Verkeer’ ook nutsvoorzieningen, bushaltes, ondergrondse voorzieningen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, kunstwerken, kunstobjecten, speeltoestellen en straatmeubilair toegestaan. In de regeling is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen voor de gronden waarop de aanduiding ‘beeldbepalende boom’ is opgenomen. Dit ter bescherming van de bestaande bomen aan de Nassaulaan en de Mgr. Ariënsstraat om het bosrijke karakter van de wijk Rijen-West in stand te houden. Artikel 7 Wonen Binnen de bestemming ‘Wonen’ zijn reguliere woningen toegestaan voor de huisvesting van huishoudens of daarmee vergelijkbare economische eenheden van een of meer personen toegestaan. Ter plaatse is sprake van aaneengebouwde en gestapelde woningen, zoals aangeduid op de verbeelding. Bovendien is binnen de bestemming ‘Wonen’ naast het wonen een aan huis gebonden beroep toegestaan. In de regeling is een specifieke aanduiding opgenomen voor de realisatie van bergingen. Daarnaast zijn binnen deze bestemming tuinen en erven toegestaan. Hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd.

Het aantal woningen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de bouwvlakken is aangeduid. In de bestemming is tevens een regeling opgenomen die vereist dat een geluidwerend scherm ter plaatse van de ‘specifieke bouwaanduiding – geluidscherm’ wordt gerealiseerd. Hiermee wordt veilig gesteld dat alle woningen ten minste één geluidluwe zijde hebben. Binnen de bouwregels zijn aparte aanvullende regels opgenomen voor aaneengebouwde woningen en voor gestapelde woningen. Daarnaast is in dit artikel een regeling opgenomen dat het college van B&W nadere eisen kan stellen. In dit artikel zijn daarnaast specifieke gebruiksregels opgenomen voor de gronden. Artikel 8 Waarde - Archeologie - 6 In dit artikel is een regeling opgenomen ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. Bij grondwerkzaamheden met een oppervlakte groter dan 25.000 m2 en dieper dan 0,40 meter dient nader archeologisch onderzoek plaats te vinden.

5.3.3 Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’ Artikel 9 Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Artikel 10 Algemene bouwregels Dit artikel bevat een regeling betreffende ondergeschikte bouwdelen.

63

Artikel 11 Algemene aanduidingsregels In dit artikel is de regeling opgenomen behorend bij de bescherming van de in- en uitvliegfunnel behorend bij de vliegbasis Gilze - Rijen. Er geldt een bouwverbod voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, met een hogere bouwhoogte dan 56 m boven NAP. Artikel 12 Algemene afwijkingsregels Dit artikel bevat een regeling betreffende de mogelijkheden om, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, bij omgevingsvergunning af te wijken van de diverse regelingen zoals opgenomen in het bestemmingsplan. Artikel 13 Algemene gebruiksregels In dit artikel is het strijdig gebruik opgenomen. Artikel 14 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van de overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van terreinen. Artikel 15 Algemene procedureregels In dit artikel is een verwijzing naar afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen indien gebruik gemaakt wordt van een wijzigingsbevoegdheid.

Artikel 16 Overige regels Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK in werking getreden. Deze wet regelt dat de grondslag voor stedenbouwkundige bepalingen in de Bouwverordening komt te vervallen. Dit betekent dat voor onder andere parkeernormen en normen voor het laden en lossen niet meer kan worden getoetst aan de bepalingen uit de Bouwverordening. Uit oogpunt van ‘een goede ruimtelijke ordening’ is het vaak wel aangewezen om het parkeren en laden en lossen te reguleren. Om die reden worden parkeernormen en normen voor het laden en lossen opgenomen in een bestemmingsplan. Uitgangspunt is dat in het bestemmingsplan alleen de regeling uit de Bouwverordening wordt overgenomen. Dit houdt dus bijvoorbeeld in dat alleen aan parkeernormen wordt getoetst bij aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen. In uitzondering hierop stellen we een toetsing aan parkeernormen óók verplicht bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik. Ook uit een functiewijziging kan namelijk een parkeerbehoefte voortvloeien. Dit regelen we nu op één plek in de bestemmingsregeling. Op grond van artikel 3.1.2, lid 2, onder a van het Besluit ruimtelijke ordening kan in deze parkeerregeling worden verwezen naar het gemeentelijke parkeerbeleid waarin de normen (aantallen + afmetingen parkeerplaatsen) zijn opgenomen.

In het voorliggende plan maken we hier gebruik van, omdat het niet praktisch is om de normen in de regels

64

zelf op te nemen. Een wijziging van de norm zou dan leiden tot het opstellen van een nieuw bestemmingsplan. Dat is een te zware procedure voor een kleine aanpassing. Voor het laden en lossen geldt dat hier geen gemeentelijk beleid voor is, om die reden heeft hier géén verwijzing naar beleid plaats. Aanvragen voor laad- en losvoorzieningen worden beoordeeld met behulp van het ASVV. Omdat de parkeerregeling en laad- en losregeling zowel betrekking heeft op aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen als om planologisch strijdig gebruik, is de regeling ondergebracht onder de ‘Overige regels’. In de begrippen is een definitie van ‘eigen terrein’ opgenomen.

5.3.4 Hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’ Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: Artikel 17 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan. Artikel 18 Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: bestemmingsplan ‘Mgr. Ariënsstraat 1 Rijen’.

Regels van het

65

66

6

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

6.1

Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan.

6.2

Toepassing Grondexploitatiewet De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.

6.3

Economische uitvoerbaarheid Het voorliggende initiatief betreft de realisatie van 46 wooneenheden, derhalve is het plan exploitatieplanplichting. In het onderhavige geval wordt het kostenverhaal anderszins verzekerd. Initiatiefnemer sluit met de gemeente Gilze en Rijen een anterieure overeenkomst af, waarin de verantwoordelijkheid voor gemaakte kosten wordt vastgelegd. De exploitatie is op deze manier anderszins verzekerd.

67

7

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

7.1

Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg zijn reacties binnen gekomen van: • Provincie Noord-Brabant; • Veligheidsregio Midden en West Brabant; • Waterschap Brabantse Delta. De provincie Noord-Brabant en de Veiligheidsregio hebben geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Het waterschap Brabantse Delta heeft een positief wateradvies afgegeven. Op verzoek van het waterschap is in paragraaf 4.3 nader ingegaan op de mogelijkheid om in plangebied schoon hemelwater te bergen en te laten infiltreren. In de betreffende paragraaf is opgenomen dat gezien het bestaande en sterk versteende karakter van het plangebied deze mogelijkheden niet aanwezig zijn.

7.2

Omgevingsdialoog Ter uitvoering van de beleidsnota ‘Omgevingsdialoog bij ruimtelijke plannen’ van de gemeente Gilze en Rijen heeft er in het kader van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan “Mgr. Ariënsstraat 1 Rijen” een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Een verslag daarvan inclusief de bijlagen is als bijlage 6 toegevoegd. In totaal zijn er circa 55 huishoudens uitgenodigd voor de informatieavond, circa 25 huishoudens waren aanwezig. Er zijn 4 schriftelijke reacties ingekomen op het planvoornemen. De aanwezigen waren in grote lijn positief over het bouwplan met mooie woningen. De aanwezigen gaven aan blij te zijn dat er eindelijk iets op deze locatie gaat gebeuren. Er waren slechts enkele punten van aandacht, die hieronder kort worden samengevat: • De nieuwe inrit aan de Mgr. Ariënstraat zorgt voor een verhoogde verkeersdruk. Dit is niet wenselijk vanuit een tweetal bewoners aan de Mgr. Ariënstraat. Zij verwachten dat de koplampen van de auto’s bij het verlaten van het parkeerterrein in de woonkamer zullen schijnen. Daarnaast is meer verkeer in de Mgr. Ariënstraat niet wenselijk gezien de veiligheid. Er staan nu veel (langs) geparkeerde auto’s en er rijdt veel vrachtverkeer door de straat. Zij zouden de inrit liever aan de Pastoor Gillisstraat zien.

• De bewoners aan het Oranjeplein vinden dat de nieuwe parkeerplaatsen aan de zijde van het Oranjeplein zorgen voor geluidsoverlast en hinderlijk lichtinval bij de benedenwoningen. Zij wensen dat de parkeervakken verder van het Oranjeplein worden gesitueerd of dat er een scherm tussen de parkeervakken 68

•

en de woningen wordt geplaatst. Een nieuwe groene haag wordt hierbij niet als passende oplossing gezien. De nieuwe woningen aan de zijde van het Oranjeplein zullen de ochtendzon in de slaapkamer van de benedenwoningen aan het Oranjeplein belemmeren. Tevens zal de nieuwe bebouwing en de positie van de bergingen zorgen voor een opgesloten gevoel van de mensen in de benedenwoningen.

Initiatiefnemer draagt in de omgevingsdialoog diverse oplossingen aan om nadelige effecten op de omgeving van het plangebied als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling te voorkomen. Zo is initiatiefnemer voornemens om ter plaatse van de parkeerplaatsen aan de zijde van het Oranjeplein een halfhoge afscheiding te realiseren van een nader te bepalen materiaal, zodat lichtinval bij de benedenwoningen voorkomen wordt. Daarnaast is het voornemen om ter plaatse van het plangebied te voorzien in eenrichtingsverkeer. Via de zuidelijke ontsluiting aan de Mgr. Ariënsstraat zal het verkeer het plangebied inrijden en via de noordelijke ontsluiting weer verlaten, om zodoende lichthinder zoveel als mogelijk te beperken.

7.3

Zienswijzen De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in een zienswijzenota. Hierin zullen tevens de eventuele wijzigingen ten opzichte van het ontwerp worden verwoord. De resultaten van de tervisielegging zullen te zijner tijd worden verwerkt in onderhavige toelichting.

69

Bijlagen

70

71

Bijlage 1. Verkennend bodemonderzoek

72

73

Bijlage 2. Voortoets stikstof

74

75

Bijlage 3. Quickscan soortenbescherming

76

77

Bijlage 4. Akoestisch onderzoek wegen railverkeerslawaai

78

79

Bijlage 5. Omgevingsdialoog

80

81

telefoon email internet kvk Breda

Compositie 5 stedenbouw bv Boschstraat 35 - 37 4811 GB Breda 076 – 5225262 info@c5s.nl www.c5s.nl 20083802

Gemeente Gilze en Rijen Bestemmingsplan "Mgr. Ariënsstraat 1 Rijen", Gilze En Rijen

Projectnummer: 191557 Datum: 14 januari 2021

Gemeente Gilze en Rijen Bestemmingsplan "Mgr. Ariënsstraat 1 Rijen", Gilze En Rijen

Verbeelding id-nr : NL.IMRO.0784.BPmgraristr-ON01 d.d. : 14-01-2021 Planstatus Datum:

: ontwerp : 14 januari 2021

Gemeente Gilze en Rijen

3

Inhoudsopgave Bijlagen

bij de

toelichting

Bijlage 1

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 2

Voortoets stikstof

Bijlage 3

Quickscan soortenbescherming

Bijlage 4

Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai

Bijlage 5

Addendum akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Bijlage 6

Omgevingsdialoog

bestemmingsplan "Mgr. Ariënsstraat 1 Rijen"

4

Bijlage 1

Gemeente Gilze en Rijen

Verkennend bodemonderzoek

5

Wematech Bodem Adviseurs B.V.

VERKENNEND BODEMONDERZOEK “MONSEIGNEUR ARIËNSSTRAAT 1” RIJEN

Opdrachtgever :

De Bunte Vastgoed Zuid B.V. Postbus 5684 4801 EB Breda

Projectnummer : Kenmerk rapport: Status rapport: Datum:

VBB-50200285 AO50200285.R001-0 Definitief 12 mei 2020

Projectleider

Ing. A.C.J. Oostvogels

par:

(Mede)auteur

Ing. A.C.J. Oostvogels Ing. H.B.C. Jansen MSc

par:

Wematech Advies Groep B.V. is gecertificeerd door KIWA volgens de gestelde criteria conform ISO-9001:2015 onder nummer KSC-K96808/02

Postbus 1817, 4700 BV Roosendaal . Windmolen 23, 4751 VM Oud Gastel Tel. +31 (0)165 565910 . Fax +31 (0)165 544468 . bodemadviseurs@wematech.nl . www.wematech.nl KvK 20104743 . BTW nr. NL 810303206B01 . Rabobank IBAN NL82 RABO 0102 5687 07 Algemene voorwaarden zijn gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel

Kenmerk : Projectnummer :

AO50200285.R001-0 VBB-50200285

SAMENVATTING In opdracht van De Bunte Vastgoed Zuid B.V. is door Wematech Bodem Adviseurs B.V. in april 2020 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het perceel aan de Monseigneur Ariënsstraat 1 te Rijen. Doel van het onderzoek is het verkrijgen van een inzicht in de actuele bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie en op basis hiervan na te gaan of de bodemkwaliteit een belemmering kan opleveren voor de voorgenomen bouw- en ontwikkelingsplannen ter plaatse. Het veldwerk is uitgevoerd in april 2020. Bij de uitgevoerde grondboringen zijn op basis van zintuiglijke beoordeling verspreid over de onderzoekslocatie, tot een diepte van 200 cm-mv, zwakke tot matige bijmengingen met grind aangetroffen. Ter plaatse van boring 14 en 15 zijn in de bovengrond sporen baksteen aangetroffen. Deze bijmengingen met baksteen worden, zoals gesteld onder Bijlage A. van de NEN5725:2017, en Bijlage E 2.6. van de NEN5707:2015, niet aangemerkt als zijnde asbestverdacht. Bij het bemonsteren van het grondwater van peilbuis 15 is zeer troebel en wit gekleurd grondwater aangetroffen. De troebelheid van het grondwater lag boven het meetbereik van de troebelheidsmeter. Voor het overige zijn geen relevante bijzonderheden en/of afwijkingen aangetroffen.

Wet bodembescherming Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond plaatselijk (MM01) licht verontreinigd is met lood, en plaatselijk (MM03) licht verontreinigd is met lood en PAK. Ter plaatse van MM03 is de bovengrond niet verontreinigd. De ondergrond is plaatselijk (MM04) licht verontreinigd met kwik. Voor het overige is de ondergrond niet verontreinigd. Het grondwater is niet verontreinigd. Besluit bodemkwaliteit Geconcludeerd kan worden dat de niet verontreinigde bovengrond (MM02) en licht met lood verontreinigde bovengrond (MM01) voldoet aan de klasse achtergrondwaarde. De licht met lood en PAK verontreinigde bovengrond (MM03) voldoet aan klasse industrie bij toepassen. De licht met kwik verontreinigde grond (MM04) voldoet aan de klasse wonen. De niet verontreinigde ondergrond voldoet aan klasse achtergrondwaarde. Voor een formeel oordeel van de toepassingsmogelijkheden van de vrijkomende grond (hergebruik) dient voldaan te worden aan hetgeen wat beschreven staat in de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit (aanwezigheid bodemfunctiekaart en/of AP04 onderzoek). Vooralsnog dienen voor de overtollige grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, de eisen van het binnen de gemeente van toepassing zijnde beleid in acht genomen te worden.

Toetsing hypothese Gezien de verkregen resultaten van het onderzoek dient de gestelde hypothese "niet verdachte locatie" formeel gezien verworpen te worden.

Datum: Pagina:

12 mei 2020 2 / 21

Kenmerk : Projectnummer :

AO50200285.R001-0 VBB-50200285

Algemeen Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat binnen de huidige functieklasse geen gebruiksbeperkingen hoeven te worden gesteld aan de onderzoekslocatie. De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Advies De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering de voorgenomen bouwplannen ter plaatse te realiseren. Geadviseerd wordt de resultaten van het onderzoek bij de aanvraag om omgevingsvergunning te voegen. Indien bij graafwerkzaamheden grond vrijkomt welk niet ter plaatse weer kan worden toegepast, wordt geadviseerd rekening te houden met de verschillende aangetroffen kwaliteitsklassen.

Datum: Pagina:

12 mei 2020 3 / 21

Kenmerk : Projectnummer :

AO50200285.R001-0 VBB-50200285

INHOUDSOPGAVE: Blz. SAMENVATTING 1.

INLEIDING

6

1.1. 1.2.

Aanleiding en doelstelling onderzoek Opbouw rapportage

6 6

2.

VOORONDERZOEK

7

2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.5. 2.6. 2.7. 2.8. 2.9. 2.10.

Locatiegegevens Historie Huidige situatie en terreinverkenning Belendende percelen Bodemonderzoeken/saneringen Informatie regionale achtergrondconcentraties Geo(hydro)logie Toekomstige situatie Conclusie vooronderzoek Onderzoeksstrategie

7 7 8 8 8 9 9 10 10 11

3.

VERRICHTE WERKZAAMHEDEN

12

3.1. 3.2. 3.3. 3.4.

Inleiding Veldwerkzaamheden BRL SIKB 2000 Laboratoriumonderzoek

12 12 12 13

4.

RESULTATEN

14

4.1. 4.2. 4.3. 4.4. 4.5. 4.6.

Bodemopbouw Zintuiglijke waarnemingen Veldmetingen Toetsing 4.4.1. Wet bodembescherming 4.4.2. Besluit bodemkwaliteit Grond Grondwater

14 14 14 15 15 15 16 17

5.

BESPREKING RESULTATEN

18

5.1. 5.2. 5.3.

Zintuiglijke waarnemingen Grond Grondwater

18 18 18

6.

CONCLUSIES EN ADVIES

19

6.1. 6.2.

Conclusies Advies

19 19

7.

RESTRISICO EN BETROUWBAARHEID

20

7.1. 7.2.

Restrisico Betrouwbaarheid

20 20

GERAADPLEEGDE BRONNEN

Datum: Pagina:

12 mei 2020 4 / 21

Kenmerk : Projectnummer :

AO50200285.R001-0 VBB-50200285

Datum: Pagina:

12 mei 2020 5 / 21

BIJLAGEN: 1. Regionale en kadastrale (situatie)schets 2. Situatieschets met boringen en peilbuizen 3. Profielbeschrijvingen grondboringen 4. Analyseresultaten grond 5. Analyseresultaten grondwater 6. Toetsingskader grond en grondwater Wbb 7. Foto’s onderzoekslocatie 8. Toetsingskader BBk

Kenmerk : Projectnummer :

1.

AO50200285.R001-0 VBB-50200285

INLEIDING

1.1. Aanleiding en doelstelling onderzoek In opdracht van De Bunte Vastgoed Zuid B.V. is door Wematech Bodem Adviseurs B.V. in april 2020 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het perceel aan de Monseigneur Ariënsstraat 1 te Rijen. In bijlage 1 is de globale ligging van het perceel aangegeven in een regionale situatieschets. Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen nieuwbouw ter plaatse. In verband met deze bouwplannen wordt in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) door de overheid een inzicht gevraagd in de kwaliteit van grond en grondwater, alvorens een omgevingsvergunning (activiteit bouwen) verleend kan worden. Doel van het onderzoek is het verkrijgen van een inzicht in de actuele bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie en op basis hiervan na te gaan of de bodemkwaliteit een belemmering kan opleveren voor de voorgenomen bouw- en ontwikkelingsplannen ter plaatse. Op basis van de verkregen informatie is, in overleg met de opdrachtgever, een onderzoeksprogramma opgesteld op basis van de Nederlandse Norm 5740. Deze norm beschrijft de werkwijze voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij uitvoering van een verkennend bodemonderzoek naar de aanwezigheid van bodemverontreiniging.

Als referentiekader bij de beoordeling van de resultaten worden de interventiewaarden uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en de (maximale) waarden uit de (wijzigingen) Regeling bodemkwaliteit gebruikt. Wematech Bodem Adviseurs B.V. werkt volgens een kwaliteitsborgingsysteem dat is gebaseerd op de NEN-EN-ISO 9001:2015 en de BRL SIKB 2000 “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek”. De werkzaamheden voor onderhavig onderzoek vallen binnen de reikwijdte van dit certificatieschema en worden onder certificaat uitgevoerd conform de beschreven kwaliteitseisen (protocol 2001 en 2002). De naleving wordt periodiek getoetst door externe auditors, onder toezicht van de Raad van Accreditatie. Verder is van belang te melden dat de te onderzoeken locatie geen eigendom is van Wematech Bodem Adviseurs B.V. dan wel gerelateerde (zuster)bedrijven. Tevens is Wematech Bodem Adviseurs onafhankelijk van de opdrachtgever en/of terreineigenaar. De wettelijke voorgeschreven functiescheiding is hiermede geborgd.

1.2. Opbouw rapportage In dit rapport wordt verslag gedaan van de uitgevoerde werkzaamheden. Het vooronderzoek, conform NEN 5725, is opgenomen in hoofdstuk 2. Vervolgens worden in hoofdstuk 3 de verrichte werkzaamheden beschreven. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van het onderzoek weergegeven en in hoofdstuk 5 worden de resultaten besproken. In hoofdstuk 6 zijn de conclusies en het advies opgenomen. Tot slot worden in hoofdstuk 7 het restrisico en de betrouwbaarheid van het onderzoek besproken.

Datum: Pagina:

12 mei 2020 6 / 21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10264584/1