CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

ap 10 bestemmingsplan Mgr. Ariënsstraat 1 Rijen

Raadscommissie Ruimte 29 juni 2021, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel inzake het vaststellen van het bestemmingsplan Mgr. Ariënsstraat 1 Rijen24.103 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Compositie 5 stedenbouw bv Boschstraat 35 4811 GB Breda telefoon

076 – 5225262

email

info@c5s.nl

internet

www.c5s.nl

kvk Breda

20083802

Gemeente Gilze en Rijen Bestemmingsplan “Mgr. Ariënsstraat 1 Rijen”

Projectnummer: Datum:

191557 14 januari 2021

Gemeente Gilze en Rijen Bestemmingsplan “Mgr. Ariënsstraat 1 Rijen”

Inhoud 1. Toelichting 2. Regels 3. Verbeelding id.nr.: NL.IMRO.0784.bpmgraristr-ON01 d.d.: 14-01-2021

Projectleider: Collegiale toets: Status:

Dhr. ing. M.J. Volbeda Dhr. mr. M.J.A.B. Elsman Ontwerp

Toelichting

INHOUD 1 1.1 1.2 1.3 1.4

INLEIDING Aanleiding en doel Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer

3 3 4 4 6

2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

PLANBESCHRIJVING Inleiding Beschrijving huidige situatie Beoogde situatie plangebied Stedenbouwkundige inpassing Parkeren & verkeer

7 7 7 8 10 11

3 3.1 3.2 3.3 3.4

BELEIDSKADER Inleiding Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

15 15 15 23 30

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12

PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN Inleiding Bodem Waterhuishouding Cultuurhistorie Archeologie Ecologie Wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Luchtkwaliteit Kabels en leidingen Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling

37 37 37 39 42 44 45 47 51 53 56 58 58

5 5.1 5.2 5.3

JURIDISCHE PLANTOELICHTING Inleiding Opbouw van de regels Regels

61 61 61 62

6 6.1 6.2 6.3

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Inleiding Toepassing Grondexploitatiewet Economische uitvoerbaarheid

67 67 67 67

7 7.1 7.2

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Vooroverleg Omgevingsdialoog

68 68 68 1

7.3

Zienswijzen

69

BIJLAGEN Bijlage 1 - Verkennend bodemonderzoek, Wematech, 12 mei 2020; Bijlage 2 - Voortoets stikstof, Compositie 5 stedenbouw bv, 5 juni 2020; Bijlage 3 - Quickscan soortenbescherming, De Roever omgevingsadvies, 7 juni 2019; Bijlage 4 - Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai, Wematech, 14 mei 2020; Bijlage 5 - Addendum akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Wematech, 5 november 2020 Bijlage 6 - Omgevingsdialoog d.d. 18 september 2019.

Uitsnede topografische kaart Rijen en omgeving. Met de gele ster is globaal het plangebied geduid. Bron: topotijdreis.nl, 2020.

2

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding en doel In het westen van de kern Rijen liggen gronden die in de huidige situatie een maatschappelijk gebruik kennen. Ter plaatse is een voormalig schoolgebouw met bijbehorend buitenspeelterrein, een skatebaan en een gymzaal met parkeerplaats aanwezig. Thans zijn deze gebouwen incourant geworden. Momenteel zijn de gebouwen tijdelijk in gebruik door een vastgoedbeschermende organisatie. Het voornemen is om de gronden te herontwikkelen met woningbouw. Het bestaande hoofdgebouw van de school zal daarvoor verbouwd worden. De bijgebouwen van de school en de gymzaal worden ten behoeve van het planvoornemen gesloopt. Ter plaatse wordt een woningbouwontwikkeling voorzien bestaande uit maximaal 8 aaneengebouwde woningen, 18 gestapelde woningen en 20 zorgwoningen. Voor de gronden vigeert het bestemmingsplan “Woongebied Rijen” van de gemeente Gilze en Rijen zoals vastgesteld d.d. 4 februari 2013. In dit bestemmingsplan zijn de gronden binnen het plangebied bestemd als ‘Maatschappelijk’, ‘Bedrijf’, ‘Groen’ en ‘Verkeer’. Tevens is aan de gronden de bestemming ‘Waarde - Archeologie - 6’ toegekend. Het realiseren van woningen is niet mogelijk binnen deze bestemmingen. Om de voorgenomen herontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken dient de bestemming te worden gewijzigd. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een nieuw planologisch kader.

Satellietfoto omgeving Mgr. Ariënsstraat in Rijen. Het plangebied wordt aangeduid met de rode contour. Bron: streetsmart.cyclomedia.nl, 2019.

3

1.2

Ligging en begrenzing plangebied Ligging Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Gilze en Rijen, sectie A, nummer 8268, 8269 en 8270. De locatie ligt in het westen van de kern Rijen in de gemeente Gilze en Rijen. Aan de oostzijde wordt de grens van het plangebied gevormd door de Mgr. Ariënsstraat. Ten zuiden van het plangebied wordt de grens bepaald door de Pastoor Gillisstraat. Het plangebied wordt in het westen begrensd door de bestaande bebouwing gelegen aan het Oranjeplein. Tot slot wordt het onderhavige plangebied in het noorden begrenst door de Nassaulaan.

Uitsnede topografische kaart met stratenplan. Het plangebied is geduid met de rode contour. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020.

1.3

Vigerend bestemmingsplan Toetsingskader Het vigerende bestemmingsplan betreft het bestemmingsplan “Woongebied Rijen” van de gemeente Gilze en Rijen zoals vastgesteld op 4 februari 2013. In dit bestemmingsplan zijn de gronden binnen het plangebied bestemd als ‘Maatschappelijk’, ‘Bedrijf’, ‘Groen’ en ‘Verkeer’. Daarnaast ligt de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie - 6’ op het plangebied.

4

Uitsnede vigerend bestemmingsplan “Woongebied Rijen” met rood omkaderd het plangebied geduid. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020.

Beoordeling De voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen en bij deze bestemming behorende voorzieningen, waaronder nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, tuinen en erven. De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor onder andere groenvoorzieningen, voet- en fietspaden, waterretentie, waterpartijen en -gangen en bruggen c.q. duikers, ondergrondse voorzieningen, kunstobjecten, hondentoilet en straatmeubilair. De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven in milieucategorie 1 en 2 zoals genoemd in de ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’. Ter plaatse van de bedrijfsbestemming is daarnaast met een aanduiding een nutsvoorziening toegestaan. Deze nutsvoorziening blijft behouden met de voorgenomen woningbouwontwikkeling. De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor onder andere wegen, voeten fietspaden, bushaltes, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, ondergrondse voorzieningen en groenvoorzieningen. De voor ‘Waarde - Archeologie -6’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Onderhavige ontwikkeling is ter plaatse niet mogelijk nu de gronden niet voor het regulier wonen en het wonen met een zorgvraag zijn bestemd.

De realisatie van het woongebied is aldus niet mogelijk binnen het vigerend bestemmingsplan. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied niet mogelijk is op basis van het vigerende bestemmingsplan. Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in een nieuwe juridisch-planologische regeling om het woongebied mogelijk te maken.

5

1.4

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de huidige en de nieuwe situatie. Hoofdstuk 3 beschrijft de relevante beleidsdocumenten die door de te onderscheiden overheden zijn gepubliceerd. In hoofdstuk 4 komen de planologisch relevante milieuaspecten (zoals bodem, water, flora en fauna en milieuzonering) aan de orde. In hoofdstuk 5 wordt de juridische vormgeving van het plan toegelicht. Hierna komen in hoofdstuk 6 en 7 de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke toetsing/overleg aan de orde.

Uitsnede satellietfoto van het plangebied met daarop weergegeven de diverse functies die in de bestaande situatie in het plangebied voorkomen. Bron ondergrond: streetsmart.cyclomedia.nl, 2020

6

2

PLANBESCHRIJVING

2.1

Inleiding Voor het opstellen van het bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangspunten en de huidige situatie van het plangebied goed in beeld wordt gebracht. Het plangebied is om deze reden geïnventariseerd en geanalyseerd. In dit hoofdstuk wordt de huidige en beoogde situatie binnen het plangebied beschreven. Ook wordt ingegaan op stedenbouwkundige inpassing en parkeren.

2.2

Beschrijving huidige situatie Gemeente Gilze en Rijen De gemeente Gilze en Rijen is een uitgestrekte gemeente ten zuidwesten van Tilburg. De gemeente telt 26.254 inwoners en heeft een oppervlakte van 65,69 km². De gemeentenaam is ontleend aan een in 1524 gestichte parochie, maar het woord ‘en’ wordt vaak weggelaten, waardoor vaak wordt geschreven en gesproken ‘Gilze-Rijen’. Dit laatste is wel de naam van het station aan de zuidzijde van Rijen en de in het centrum van de gemeente gelegen vliegbasis. Gilze en Rijen liggen hemelsbreed vier kilometer van elkaar; over de weg is de afstand 5,5 kilometer vanwege de ligging van de uitgestrekte Vliegbasis en de snelweg A58. Het plangebied is gelegen in het dorp Gilze, welk dorp in het zuidelijk deel van de gemeente is gelegen. De gemeente heeft een groen karakter wat, paradoxaal genoeg, mede veroorzaakt wordt door de voornoemde vliegbasis. Door de geluidscontouren van deze vliegbasis wordt het de kleine kernen in de gemeente en de omliggende steden vrijwel onmogelijk gemaakt om uit te breiden, waardoor het landelijk gebied tussen Tilburg en Breda niet wordt opgeslokt door de bebouwing. Kern Rijen Oorspronkelijk was Rijen een buurtschap van de kern Gilze. Hierin kwam verandering toen in dit dorp in 1464 een kapel kreeg en in 1524 verheven werd tot zelfstandige parochie.

Aan de noord- en oostzijde van het dorp Rijen ligt een uitgestrekt agrarisch gebied. Ten westen van de kern liggen natuurgebieden. De goede verbindingen met de omliggende gebieden hebben bijgedragen aan de industriële ontwikkeling van de kern. Voorheen was de leer-, lederwaren- en schoennijverheid de belangrijkste industriebranche. In de huidige situatie is er een diversiteit aan bedrijvigheid aanwezig. Huidige situatie plangebied Binnen het plangebied zijn thans twee bestaande hoofdgebouwen aanwezig met een maatschappelijke bestemming, zijnde het schoolgebouw en de gymzaal. Het schoolgebouw is gelegen in het zuiden van het plangebied en gebouwd in 1958. Het hoofdgebouw heeft een footprint van 1.936 m2. Behorend bij het schoolgebouw is er aansluitend een buitenspeelterrein aanwezig. De gymzaal is gelegen in het noorden van het plangebied en beslaat een oppervlakte van 391 m2. In het plangebied is daarnaast nog een nutsvoorziening aanwezig met een oppervlakte van 56 m2. Het aansluitend terrein is in gebruik ten behoeve van het parkeren, groenvoorzieningen en

7

de ontsluiting van het terrein. Daarnaast is in het openbaar gebied een skatebaan aanwezig. 2.3

Beoogde situatie plangebied De Bunte Vastgoed Zuid B.V, Leystromen en de gemeente Gilze en Rijen hebben gezamenlijk onderzoek gedaan naar de herontwikkelingsmogelijkheden van de locatie. Het voornemen bestaat de gronden binnen het plangebied te herontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Een deel van het bestaande schoolgebouw zal verbouwd worden. Overige bebouwing wordt ten behoeve van het planvoornemen gesloopt. Het plan bestaat uit de ontwikkeling van in totaal maximaal 46 woningen. De woningen worden voorzien in vier bouwmassa’s. Tussen en rondom de bouwmassa’s ontstaat ruimte voor groen en parkeerplaatsen. Ten behoeve van de woningbouwontwikkeling wordt een nieuwe weg aangelegd door het plangebied heen. De weg wordt op twee plaatsen verbonden met de Mgr. Ariënsstraat.

Tekening van de beoogde inrichting van het plangebied. Bron: Architektenburo Snijders en van Stekelenburg, 2019.

De noordelijke bouwmassa wordt in gebruik genomen als woonzorggebouw. Het programma voor dit gebouw bestaat uit maximaal 20 woonzorgappartementen in een woonzorggebouw. Het woonzorggebouw bestaat maximaal uit drie bouwlagen met een kap. Het zorgconcept dat momenteel voor ogen is bestaat uit het wonen onder begeleiding van een inwonend zorgechtpaar. Het betreft een zorgconcept dat toeziet op het leveren van somatische zorg aan de bewoners van de zorgappartementen. Ter plaatse worden geen andere maatschappelijke voorzieningen voorzien. 8

Ten zuiden van het woonzorggebouw worden woningen gebouwd in twee nieuwe bouwmassa’s. Het betreffen 6 aaneengebouwde woningen, waarvan de eindwoningen van de rij worden uitgevoerd in gestapelde woningen (boven en benedenwoningen). Zodoende worden er ter plaatse als eindwoning ook nog 8 gestapelde woningen gerealiseerd. In de tuinen behorend bij deze woningen wordt bergruimte voorzien, die door middel van een achterpad bereikbaar zijn. De woningen zijn opgebouwd uit 2 bouwlagen met kap. De woningen hebben een zadeldak evenwijdig aan de weg, waarbij de koppen verbijzonderd zijn. Aan de ene zijde door midden van een dwarskap en aan de andere zijde door een kleinschalig verticaal element dat door de goot steekt.

Gevelaanzicht en 3d impressie gevelaanzicht van de rood gearceerde woningen op de plattegrondtekening. Bron: Architektenburo Snijders en van Stekelenburg, 2019

In het uiterste zuiden van het plangebied wordt een deel van het bestaande schoolgebouw verbouwd tot tien woningen. Deze woningen worden in gestapelde vorm in het schoolgebouw ingepast. Daarnaast zijn een aantal woningen voorzien in een nieuwe aanbouw van het schoolgebouw. De bouwmassa bestaat ook hier voor het grootste deel uit twee bouwlagen met een kap, waarbij sprake is van een verspringende gevellijn. De aanbouw aan de oostzijde van het gebouw heeft een plat dak en bestaat uit één bouwlaag, alwaar een maximum bouwhoogte is toegestaan van 4 meter. De woningen gesitueerd in de aanbouw zijn bereikbaar via de Mgr. Ariënsstraat. De overige woningen zijn te bereiken via de achterzijde van het gebouw. De woningen op de verdieping zijn bereikbaar via een trappenhuis.

9

Gevelaanzicht en 3d impressie gevelaanzicht van de rood gearceerde woningen op de plattegrondtekening. Bron: Architektenburo Snijders en van Stekelenburg, 2019

2.4

Stedenbouwkundige inpassing Ruimtelijke hoofdopzet Het planvoornemen zorgt voor een representatieve invulling van de vrijkomende locatie in de kern van Rijen. De ontwikkeling voegt zich in het bestaand stedelijk weefsel doordat de bouwmassa’s in een orthogonale opzet staan die geënt is op de situering van het voormalige schoolgebouw en de aangrenzende bestaande woningen. Door deze situering worden de Pastoor Gillisstraat, Mgr. Ariënsstraat en de Nassaulaan begeleid door representatief vormgegeven voorgevels. Een groot deel van het bestaande karakteristieke schoolgebouw, met bijbehorende gevels, wordt in aangepaste vorm behouden. Hiermee vormt het op een kwalitatieve manier onderdeel van de totale woningbouwontwikkeling. Wat betreft de massaopbouw is er afstemming gezocht met de omliggende bebouwing, waarbij rekening is gehouden met de bestaande bebouwingskarakteristieken en het straatbeeld. Aan de noordzijde bestaat de bouwmassa uit maximaal 3 bouwlagen met kap waarbij aansluiting gezocht is met de direct ten westen van het plangebied gelegen bouwmassa’s die eveneens uit 3 bouwlagen met kap bestaan. Het voormalig schoolgebouw behoud qua omvang nagenoeg dezelfde bouwmassa bestaande uit twee bouwlagen met kap. De beide bouwmassa’s centraal in het plangebied bestaan uit 2 bouwlagen met kap waarmee aansluiting gezocht is bij de woningen aan de Mgr.

Ariënsstraat die eveneens uit 2 bouwlagen met kap bestaan. 10

Verkeer en parkeren De verkeersstructuur wordt gevormd door een doorgaande ringstructuur die op twee punten aantakt op de Mgr. Ariënsstraat en aan één zijde voorzien is van een trottoir. Deze ontsluitingsweg is gecombineerd met haaksparkeerplaatsen die voorzien in de parkeerbehoefte. Daarnaast worden er, tussen de bestaande bomen aan de Mgr. Ariënsstraat, enkele haaksparkeerplaatsen gerealiseerd. Groenstructuur Langs de Mgr. Ariënsstraat en de Nassaulaan zijn karakteristieke bomen aanwezig. Als onderdeel van de herontwikkeling worden de beeldbepalende bomen behouden. In onderhavig bestemmingplan krijgen deze bomen een beschermende regeling. Tussen de beoogde bouwmassa’s is daarnaast ruimte vrij om te voorzien in nieuw groen in de vorm van hagen en lage groenvoorzieningen, zoals gras of kort struikgewas. Beeldkwaliteit Alle woningen worden, net als de bestaande woningen in directe nabijheid van het plangebied, voorzien van een kap. De woningen worden aansluitend bij de bestaande bebouwingskarakteristiek vormgegeven middels een baksteenarchitectuur. De kleur is geënt op die van het voormalige schoolgebouw en de aangrenzende woningen en bestaat uit de kleur donker rood/bruin. Ondergeschikte delen mogen in de kleur wit uitgevoerd worden.

De kappen hebben, net als het voormalig schoolgebouw en de ten westen van het plangebied gelegen woningen, een antracieten kleur waardoor eventuele zonnepanelen op passende wijze geïntegreerd kunnen worden.

2.5

Parkeren & verkeer

2.5.1 Parkeren Toetsingskader Met de inwerkingtreding van de “Reparatiewet BZK” op 29 november 2014 is het verplicht om het parkeren te reguleren middels de bestemmingsregeling. In de bestemmingsregeling kan worden opgenomen dat bij aanvraag om omgevingsvergunning (voor het bouwen en / of afwijken) dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde parkeernormen. In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ dient echter al bij vaststelling van een bestemmingsplan inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de aldus benodigde parkeerplaatsen feitelijk duurzaam kan worden voorzien (ECLI:NL:RVS:2017:1036, r.o. 5.3). Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door het geldende parkeerbeleid. Beoordeling De gemeente Gilze en Rijen heeft haar parkeerbeleid neergelegd in de 'Nota Parkeernormen Gilze en Rijen 2017’. Onderdeel van dit plan vormen concrete parkeernormen, deze zijn opgenomen in de bijlagen van de nota. Per type functie is een parkeernorm bepaald, waarbij geldt dat er geen onderscheid wordt gemaakt naar type gebied. Daarnaast is aangegeven dat een minimum aantal parkeerplaatsen een openbaar karakter dient te hebben (i.v.m. bezoekers).

11

Parkeernormen woningen. Bron: Nota Parkeernormen Gilze en Rijen 2017.

Ten aanzien van het parkeren bij woningen worden categorieën van oppervlaktematen van woningen gehanteerd om te bepalen wat de parkeerbehoefte is. Blijkens de gebiedsindeling Voor woningen buiten het centrum met een netto oppervlak van meer dan 90 m² geldt een parkeernorm van 2,0 parkeerplaats per woning. Hierbij geldt dat 0,3 parkeerplaats per woning een openbaar karakter dient te hebben. Ter plaatse van het plangebied worden acht aaneengebouwde woningen gerealiseerd van circa 115 m2. Daarnaast worden er in het plangebied ook vier gestapelde woningen gerealiseerd van circa 100 m2. De overige 34 woningen hebben een oppervlakte kleiner dan 90 m2. De 20 zorgappartementen worden qua parkeerbehoefte gelijkgesteld met de categorie ‘aanleunwoning, serviceflat’. Dit leidt tot een parkeerbehoefte van (12 x 2,0) + (14 x 1,8) + (20 x 0,8) = 24 + 25,2 + 16 = 65,2 = 66 parkeerplaatsen. Ten behoeve van de woningen gelegen binnen de bestemming ‘Wonen’ moeten conform de parkeernorm 24, + 25,2 = 49,2 = 50 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Ter plaatse worden 51 parkeerplaatsen voorzien. Deze parkeerplaatsen zijn allemaal voorzien in het openbaar terrein en dus in gebruik te nemen door bezoekers. De gronden rondom het maatschappelijke gebouw bieden voldoende ruimte om in de overige parkeerbehoefte te voorzien.

Om te borgen dat voorzien wordt in voldoende parkeerplaatsen overeenkomstig de parkeernota wordt in de regels van het bestemmingsplan, waarmee onderhavig planvoornemen juridisch-planologisch mogelijk wordt gemaakt, een dynamische parkeerregeling opgenomen. Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ zal concreet inzichtelijk moeten worden gemaakt waar de parkeerplaatsen worden gerealiseerd en wat de concrete parkeereis bedraagt. Het gemeentelijke parkeerbeleid vormt hiervoor een rechtstreeks toetsingskader. Conclusie Binnen het plangebied wordt voorzien in voldoende ruimte om te kunnen voldoen aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Realisatie van de benodigde parkeerplaatsen is gewaarborgd in de regels.

12

2.5.2 Verkeer Teneinde de verkeersgeneratie te bepalen die gepaard gaat met de nieuwbouw, dienen de kengetallen uit de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’ van het CROW te worden geraadpleegd. Het plangebied is gelegen in de rest bebouwde kom en te typeren als weinig stedelijk. Bij het te realiseren woningtype ‘koop, huis, tussen/hoek’ hoort een maximaal aantal voertuigbewegingen (vpe) van 7,8 per woning. In het plangebied worden 8 woningen van dit type gerealiseerd. Bij het te realiseren woningtype ‘huur, appartement, midden/goedkoop’ hoort een maximaal aantal vpe van 4,5 per woning. Van dit woningtype worden 18 woningen gerealiseerd. Voor een serviceflat, waartoe de zorgwoningen kunnen worden gerekend, geldt een vpe van 1,4. Hiervan worden maximaal 20 woningen gerealiseerd. In totaal komt dit neer op een aantal van (8 x 7,8) + (18 x 4,5) + (20 x 1,4) = 62,4 + 81 + 28 = 171,4 = 172 verkeersbewegingen per etmaal die voortkomen uit het plangebied. Om te bepalen of er met de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een toename van het aantal verkeersbewegingen, is het van belang om te bepalen hoeveel verkeersbewegingen er uit het huidige toegestane gebruik van het plangebied voortkomen. In de huidige situatie is er ter plaatse sprake van een school voor basisonderwijs en een gymzaal.

Voor een basisschool zijn in de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’ van het CROW geen kencijfers meer opgenomen. In de CROW-publicatie 272 ‘Verkeersgeneratie voorzieningen’ zijn echter wel cijfers opgenomen voor de verkeersgeneratie behorend bij een basisschool. Voor een basisschool gelegen in de rest bebouwde kom wordt een verkeersgeneratie aangehouden van 11,6 verkeersbewegingen per 100 m2 BVO. Het schoolgebouw heeft een oppervlakte van circa 1.936 m2. Dit betekent dat er uit het huidige toegestane gebruik een verkeersgeneratie voortkomt van 224,58 verkeersbewegingen per etmaal. Voor het gebruik van de gymzaal kan op basis van de kencijfers van het CROW het best worden aangesloten bij het gebruik van een gebouw als sportzaal. Per 100 m2 sportzaal geldt in de rest bebouwde kom in een weinig stedelijk gebied een vpe van maximaal 3,1. De gymzaal heeft een oppervlakte van 391 m2. Dit betekent een verkeersgeneratie van 12,12 verkeersbewegingen per etmaal. In totaal komen er uit de huidige maatschappelijke bestemming 237 verkeersbewegingen per etmaal voort. Geconcludeerd kan worden dat met de voorgenomen herontwikkeling sprake is van een afname van het aantal verkeersbewegingen dat voorkomt uit het plangebied.

13

14

3

BELEIDSKADER

3.1

Inleiding De beleidscontext voor het plangebied wordt gevormd door landelijke, provinciale, en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), 2012 Toetsingskader Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze structuurvisie vormt de uitwerking van de ambities van het Rijk, op basis van haar verantwoordelijkheden, in Rijksdoelen en daarmee samenhangende nationale belangen op het gebied van een samenhangend ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. Het Rijk heeft tot doel Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken in een periode van economische conjunctuurschommelingen, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen. Aanleiding voor het vaststellen van de visie is de constatering dat het voorheen geldende ruimtelijke Rijksbeleid onvoldoende bijdroeg aan het behalen van deze doelen, onder meer door het veroorzaken van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving en een te sectorale blik op vraagstukken. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk onderscheidt thans nog dertien nationale belangen; uitsluitend op basis van deze belangen intervenieert het Rijk in de ruimtelijke ordening. Een groot deel van deze belangen leidt tot het reserveren van ruimte voor functies.

Dit betreft dan bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor waterberging, militaire activiteiten en de uitbreiding van het hoofdwegennet. Deze belangen zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Eén van de belangen die niet leidt tot een ruimtereservering is het belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten'. In het kader van dit belang heeft het Rijk besloten om, ten behoeve van het verminderen van de bestuurlijke drukte en het neerleggen van verantwoordelijkheden bij decentrale overheden, de verstedelijkingsstrategie te wijzigen. Dit houdt in dat het bundelingsbeleid, verdichtingsbeleid, locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen, beleid voor basiskwaliteit, stedelijke netwerken, nationale landschappen en rijksbufferzones is afgeschaft en dat daar slechts één beleidslijn voor terug komt: de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Deze 'ladder' heeft tot doel het principe van vraaggericht programmeren en het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bindend voor te schrijven bij de afwegingen van gemeenten en provincies. Dit belang is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Grondgedachte van de 'ladder' is dat een activiteit op meerdere locaties zou kunnen plaatsvinden en dat vervolgens de planologisch meest juiste locatie gekozen moet

15

worden. Dat gaat uit van de activiteit. Hiermee wordt beoogd om de voorheen bestaande praktijk, waarbij in veel gevallen een bestemming wordt gezocht voor een bepaalde locatie (bv. herbestemmen van een voormalige vuilstortplaats), om te vormen. Beoordeling Het voorliggende plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een ruimtereservering geldt (met uitzondering van de ligging in een radarverstoringsgebied en een obstakelbeheergebied). Uitsluitend het nationale belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’, als vervat in de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’, is van toepassing op het onderhavige bestemmingsplan. Aan dit belang wordt navolgend getoetst. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het onderhavige plangebied niet gelegen is in een gebied waarvoor van Rijkswege een relevante ruimtereservering geldt. Aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ wordt navolgend getoetst.

3.2.2 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2012 Toetsingskader Het Rijk heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening.

Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Beoordeling Volgens de kaarten behorende bij het Rarro is het plangebied gelegen binnen het radarverstoringsgebied van de radarstations op de locaties Herwijnen en Woensdrecht. In een gebied rondom deze radarstations moet rekening worden gehouden met de functionele bruikbaarheid daarvan. Rondom het radarstation mogen geen 16

bestemmingen opgenomen worden die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. In het radarverstoringsgebied van Herwijnen is de maximale hoogte van windturbines gesteld op 90 meter ten opzichte van NAP. In het onderhavige plan worden geen windturbines mogelijk gemaakt en ook geen nieuwe bebouwing boven de ter plaatse geldende maximale hoogtemaat. Het initiatief heeft daarmee geen gevolgen voor het radarstation Herwijnen. Vanuit het radarstation Woensdrecht gelden eveneens geen belemmeringen nu de maximale bouwhoogte 113 meter bedraagt voor alle bouwwerken. Deze bouwhoogte wordt niet bereikt met onderhavig planvoornemen.

Ligging van het plangebied binnen het radarverstoringsgebied van vliegbasis Woensdrecht en Herwijnen. Met de rode aanwijzer wordt het plangebied aangeduid. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020

17

Daarnaast is het plangebied conform de kaarten behorend bij het Rarro gelegen binnen het obstakelbeheergebied rondom de vliegbasis Gilze - Rijen. In het vigerende bestemmingsplan “Woongebied Rijen” zijn de regels behorend bij het obstakelbeheergebied doorvertaald in de regeling behorend bij de gebiedsaanduiding ‘overig - IHCS - 1’. Deze regeling stelt dat ter bescherming van de in- en uitvliegfunnel behorend bij de vliegbasis Gilze - Rijen een bouwverbod geldt voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, met een hogere bouwhoogte dan 56 m boven NAP.

Ligging van het plangebied binnen het obstakelbeheergebied behorend bij vliegbasis Gilze Rijen. Met de rode aanwijzer wordt het plangebied aangeduid. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020

In onderhavig bestemminsgplan is de regeling behorend bij het obstakelbeheergebied van vliegbasis Gilze - Rijen overgenomen uit het bestemmingsplan “Woongebied Rijen”. Deze regeling blijft dus onverminderd van toepassing. Het plangebied ligt conform het Actueel Hoogtebestand Nederland op een hoogte van circa 11, 3 meter boven NAP. Geconcludeerd kan worden dat met het voorgenomen bouwplan, waarin een maximum bouwhoogte is opgenomen van 12 meter, ver onder de ter plaatse toegestane maximale bouwhoogte van 56 meter boven NAP uit het Rarro wordt gebleven. Het bouwplan is dan ook passend binnen de regeling behorend bij het obstakelbeheergebied van de vliegbasis Gilze - Rijen. Voor het overige zijn er ten aanzien van het onderhavige plangebied geen regels uit het Barro en het Rarro van toepassing, aangezien er bij de onderhavige ontwikkeling geen nationale belangen of nationaal aangewezen gebieden zijn gemoeid. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ontwikkelingen passend zijn binnen de regels zoals gesteld in het Barro en de Rarro.

18

3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader Op 1 oktober 2012 is art. 3.1.6, lid 2 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro); dit artikel bevat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Met de toevoeging van dit artikel in het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren (ECLI:NL:RVS:2017:353, r.o. 18.5). Op 1 juli 2017 is een wijziging van art. 3.1.6, lid 2 Bro in werking getreden. Het Bro regelt thans dat ‘de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’. De definiëring van enkele van de in het artikel genoemde begrippen in art. 1.1.1 Bro laat onverlet dat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ als een ‘open norm’ is te kwalificeren. Dit houdt in dat de norm inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden nader ingevuld moet worden.

Sinds de inwerkingtreding van het artikel heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie de norm veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op 28 juni 2017 heeft de ABRvS een zogenoemde ‘overzichtsuitspraak’ gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 2 t/m 12.8), waarin de dan geldende en op basis van de voornoemde wijziging te behouden jurisprudentielijnen nader uit een worden gezet. Op basis van deze jurisprudentielijnen kan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ concreet worden toegepast. Beoordeling Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ‘ladder’ verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de ‘ladder’ niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ worden voldaan. a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? b. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? c. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? d. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? e. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? a.

Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Ten aanzien van ander vormen van gebruik van gronden van ten behoeve van het wonen geldt dat indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m2 of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m2, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt.

19

Het onderhavige ruimtelijk besluit maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van 46 wooneenheden mogelijk, waarvan 20 woningen worden uitgevoerd als woonzorgeenheden. De ontwikkeling is daarom gelet op de omvang als een ‘stedelijke ontwikkeling’ te classificeren. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ moet verder doorlopen worden. b. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Uit de 'overzichtsuitspraak' van de ABRvS blijkt dat van een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling kan worden gesproken als uit een onderling samenhangende beoordeling van het ruimtelijke besluit, in vergelijking met het voorgaande planologische regime, blijkt dat sprake is van een functiewijziging en dat sprake is van een groter planologisch beslag op de ruimte. Een bestemmingsplan dat bij recht een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, maar ten opzichte van het voorgaande planologische regime geen nieuw planologisch ruimtebeslag mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, voorziet in beginsel niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken indien die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Hierbij komt betekenis toe aan de ruimtelijke uitstraling van de in het nieuwe plan voorziene functie en die van hetgeen onder het vorige plan mogelijk was. Het plangebied heeft thans ter plaatse van de bestaande bebouwing de bestemming ‘Maatschappelijk’. Binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’ zijn maatschappelijke voorzieningen toegestaan en bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, tuinen en erven. Het regulier wonen is ter plaatse van deze bestemming niet toegestaan. Het onderhavig ruimtelijk besluit maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van 46 wooneenheden mogelijk, bestaande uit aaneengebouwde woningen, gestapelde woningen en zorgwoningen. Een gedeelte van de ontwikkeling, bestaande uit tien woningen, wordt gerealiseerd in een bestaand deel van het schoolgebouw dat verbouwd wordt. De gehele ontwikkeling in beschouwende nemend is er sprake van een functiewijziging en vindt tevens een vergroting van het planologisch beslag op de ruimte plaats. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ moet verder worden doorlopen. c.

Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat, indien sprake is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’, de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling in het ruimtelijk besluit dient te worden beschreven. Het kan hierbij zowel gaan om een kwantitatieve behoefte als een kwalitatieve behoefte. De beschrijving van de behoefte dient te worden gebaseerd op voldoende actuele, concrete en zo mogelijk cijfermatige gegevens. Het is niet in strijd met art. 3.1.6, lid 2 Bro als voor de onderbouwing van de behoefte in het ruimtelijk besluit wordt verwezen naar een of meer onderzoeksrapporten of beleidsdocumenten. Reguliere woningen Uit jurisprudentie blijkt dat de actuele behoefte aan woningen kan worden onderbouwd met gebruikmaking van regionale woningbouwafspraken (o.m. 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2908, r.o. 10.2). De behoefte aan woningen wordt in Noord-Brabant

20

bepaald aan de hand van de provinciale “Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant”. De uitkomsten van de prognose zijn onderwerp van afspraken tussen provincie en gemeenten in het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO). Deze afspraken worden vastgelegd in de Regionale Agenda Wonen. In het document ‘Perspectief op Wonen en Woningbouw Hart van Brabant’ zijn de meest recente woningbouwafspraken gemaakt in de regio Hart van Brabant opgenomen. In dit document zijn de woon- en woningbouwopgave per gemeente opgenomen. Voor de gemeente Gilze en Rijen wordt aangegeven dat er voldoende plancapaciteit hard is om de productie op peil te houden. Een deel van de woningbehoefte kan nog binnenstedelijk geaccommodeerd worden. De belangrijke opgave ligt momenteel op de kwalitatieve invulling van de plannen en de regionale afstemming hiervan. De bedoeling is om jaarlijks ongeveer 75 woningen toe te voegen aan de woningvoorraad.

Woningbouwbehoefte en plancapaciteit van de gemeente Gilze en Rijen. Bron: Perspectief op Wonen en Woningbouw Hart van Brabant, 2020.

Onderhavig plan is nog geen onderdeel van de harde plancapaciteit, maar ter plaatse is wel sprake van een binnenstedelijke locatie met mogelijkheden voor herontwikkeling voor woningbouw. In de voortgangsrapportage woningbouwontwikkelingen 2018 en volgende jaren van de gemeente Gilze en Rijen is onderhavig plangebied opgenomen als woningbouwontwikkeling die in de periode november 2018 tot en met december 2022 gestart kan worden. Het plan staat hierin bekend als ‘Locatie De Kring’ waar een ontwikkeling wordt voorzien van grondgebonden woningen en appartementen. Deze ontwikkeling bestaat conform deze rapportage uit 26 woningen. Dit betreft dan ook enkel de ontwikkeling van de reguliere woningen. Ter plaatse van de voormalige gymzaal worden 20 woonzorgeenheden gerealiseerd, deze worden hiernavolgend getoetst aan de ladder. Ten aanzien van de reguliere woningbouw kan geconcludeerd worden dat in de periode van de realisatie van het planvoornemen er dus ruim voldoende vraag is naar nieuwe woningen. Bovendien is er binnen de gemeente Gilze en Rijen ruimte om binnen bestaand stedelijk gebied te voorzien in extra plancapaciteit van woningen. Kwantitatief gezien past onderhavige ontwikkeling binnen de behoefte.

21

De kwalitatieve behoefte is lokaal uitgewerkt in de woonvisie ‘Wonen in Gilze en Rijen Doorstromend, duurzaam en divers’. Hierin zijn de uitgangspunten en ambities voor het wonen vastgelegd en beschreven. De woonvisie vormt de basis voor de strategische afwegingen die Gilze en Rijen maakt op het gebied van wonen. De gemeente constateert in haar woonvisie dat zij de afgelopen jaren minder gebouwd heeft dan op basis van de eerdere provinciale prognose berekend was. Ook de provincie constateerde dit, zo bleek bij een regio bijeenkomst wonen in november 2019. Om alsnog te voorzien in de uitgestelde woningbehoefte zal er een inhaalslag nodig zijn. In de gemeentelijke woningbouwprogrammering wordt daarom een hoge prioritering gegeven aan bouwprojecten om zo de inhaalslag te bewerkstelligen. Woningzoekenden in Gilze en Rijen zoeken met name een grondgebonden koopwoning met een prijsniveau tussen de € 185.000 en € 230.000 (63% van respondenten; Hart van Brabant, 2018, prijspeil 2018). Van de respondenten die een huurwoning zoekt is de helft georiënteerd op een eengezinswoning en de andere helft richt zich op een appartement. De verhuisdynamiek op de woningmarkt komt qua leeftijden voornamelijk vanuit jongeren onder 35 jaar (37%).

Als je kijkt naar de samenstelling, dan komt de dynamiek vooral uit kleine huishoudens zoals de groep alleenstaand zonder kinderen en samenwonend zonder kinderen (totaal 71%). De groeiende groep ouderen zijn van oudsher weinig verhuisgeneigd, zelfs als de huidige woning minder passend is. Nieuwbouw bevordert de doorstroming en de aantrekkelijkheid van de gemeente Gilze en Rijen voor nieuwe inwoners. Daarbij richt de gemeente zich op jonge gezinnen, die belangrijk zijn voor de vitaliteit van en diversiteit in de dorpen van de gemeente Gilze en Rijen. In het kader van de vergrijzing wilt de gemeente ook voor haar oudere inwoners met een verhuiswens een passend woningaanbod bieden. Bij nieuwbouw op centrumlocaties zet de gemeente in op toevoeging van levensloopgeschikte woningen voor ouderen. Qua doelgroep wordt met onderhavige ontwikkeling breed ingezet. Onderhavig planvoornemen draagt bij aan de woonvoorraad die geschikt is voor meerdere doelgroepen op de woningmarkt, zoals alleenstaande huishoudens en senioren, door de ontwikkeling van diverse woontypes. Ook de kwalitatieve behoefte aan de reguliere woningen wordt door de inhoud van de woonvisie bevestigd. Zorgwoningen In het plangebied worden naast 26 reguliere woningen ook 20 woonzorgeenheden mogelijk gemaakt.

Aan de hand van het document ‘Beschermd, benut, geclusterd, aangepast en nultreden wonen in Noord-Brabant; een indicatie van de ontwikkeling van de vraag (2015 - 2045); zoals opgenomen in de bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant, actualisering 2017 (vastgesteld mei 2017), is de behoefte aan beschermd, beschut en geschikt wonen inzichtelijk gemaakt. Het ‘beschermd wonen’ omvat de woon- en verblijfsvormen met 24-uurs nabije zorg, zoals in onderhavig plan wordt voorzien. Dit betekent dat de zorg permanent aanwezig is. Veelal gaat het om vormen van niet-zelfstandig wonen in intramurale instellingen (ZZP 5-8; ZZP staat voor zorgzwaartepakket). Ook verschillende kleinschalige vormen van groepswonen - veelal niet-zelfstandige wooneenheden - vallen onder het beschermd wonen. Kleinschalige woonprojecten met dementerende ouderen zijn voorbeelden hiervan. De ‘overige intramurale plaatsen’ (ZZP 9-10), waartoe

22

bijvoorbeeld revalidatiecentra en hospices behoren, zijn eveneens tot het beschermd wonen gerekend. De 20 woonzorgappartementen vallen onder het begrip ‘beschermd wonen’. Conform de provinciale cijfers bestaat binnen de regio Midden-Brabant een tot 2045 een opgave van het realiseren van 5.150 zorgplaatsen voor ‘beschermd wonen’. De indicatie van het aanbod in 2015 was 2.600 zorgplaatsen. Dit betekent dat er nog behoefte is aan 2.550 wooneenheden voor het beschermd wonen. Het plan voor de woonzorgeenheden draagt er aan bij om in deze behoefte te voorzien. Uit het voorgaande blijkt dat aan de 20 woonzorgappartementen een grote behoefte bestaat. d. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Uit de wetstekst en de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat indien de ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ buiten ‘bestaand stedelijk gebied’ is gelegen, de verantwoording in het ruimtelijke besluit een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het onderhavige plangebied is gelegen binnen het ‘bestaand stedelijk gebied’ van Rijen. De “ladder” hoeft niet verder te worden doorlopen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ruimtelijke ontwikkeling is aan te merken als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’.

De ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ voorziet in een behoefte aan zorg en wonen en is daarnaast gelegen binnen ‘bestaand stedelijk gebied’. Daarmee past het initiatief binnen de kaders van de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving’, 2018 Toetsingskader De Omgevingsvisie Noord-Brabant 'De Kwaliteit van Brabant, Visie op de Brabantse leefomgeving', is vastgesteld door Provinciale Staten op 14 december 2018. Aan de hand van de Omgevingsvisie geven Provinciale Staten aan wat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren zijn. De Omgevingsvisie geldt als opvolger van de strategische elementen van eerdere provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu-en waterplan en de natuurvisie. Voor wat betreft sectorale beleidsdoelen blijven de huidige plannen, waaronder de SVRO, vooralsnog gelden. In de aankomende Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de Omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn, te weten wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn. Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen.

De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de

23

provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Het bereiken van een gezonde leefomgeving is essentieel. Om die doelstelling kracht bij te zetten wordt de Brabantse Omgevingsscan vanaf de vaststelling van de Omgevingsvisie geïmplementeerd in de nieuwe werkwijze onder de Omgevingswet. Deze omgevingsscan is een instrument om invulling te geven aan de positie van gezondheid in de nieuwe bestuurspraktijk onder de Omgevingswet. Beoordeling Met de omgevingsvisie kiest de provincie er voor om haar rol te veranderen. Waar zij eerst concreet richting en sturing gaf aan de hand van min of meer concrete regels en uitgangspunten, gaat het nu meer om het beoordelen van initiatieven in ruimer verband en gericht op het behalen van doelen voor de leefomgeving waarbij een belangrijke rol voor de gemeente is weggelegd. Het onderhavige planvoornemen heeft raakvlakken met de ambities uit de Omgevingsvisie. Het ziet op woningrealisatie binnen het bestaand stedelijk gebied van de kern Rijen. Het waarborgt duurzaam ruimtegebruik door herontwikkeling van een bestaande locatie die zijn bestaande maatschappelijke functie heeft verloren. Daarmee draagt realisatie van het plan bij aan de totstandkoming van een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving en biedt het duidelijk een kwalitatieve verbetering van de leefomgeving.

Daarmee is het initiatief passend binnen de omgevingsvisie. Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie van de provincie NoordBrabant. 3.3.2 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) – partiële herziening 2014, 2014 Toetsingskader De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening 2014 (SVRO 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en is in werking getreden op 19 maart 2014. Deze structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie in de partiële herziening is doorvertaald in de regels van de Interim omgevingsverordening. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Het doel dat centraal staat in de SVRO is een goede woon-, werk- en leefomgeving voor inwoners en bedrijven in Noord-Brabant.

24

Beoordeling Op de structurenkaart van de SVRO 2014 is het plangebied gelegen binnen de structuur ‘Stedelijke structuur’ met als perspectief ‘Stedelijk concentratiegebied’.

Uitsnede Structurenkaart uit Structuurvisie Ruimtelijke Ordening met het plangebied aangeduid met een gele ster. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020.

In het stedelijk concentratiegebied, inclusief de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking, wordt de bovenlokale verstedelijkingsbehoefte opgevangen. Het stedelijk netwerk BrabantStad, bestaande uit de steden Eindhoven, Helmond, ’sHertogenbosch, Tilburg en Breda, vervult een voortrekkersrol bij de ruimtelijke en economische ontwikkeling van Noord-Brabant. Het biedt een (hoogwaardige) stedelijke omgeving voor wonen, werken en voorzieningen. De vijf grote steden van BrabantStad ontwikkelen zich tot (hoog)stedelijke centra voor wonen, werken en voorzieningen. Dit komt in het bijzonder tot uitdrukking in de intensivering van verstedelijking in de zones langs infrastructuurassen en in de stationsgebieden. Het planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van 46 wooneenheden, bestaande uit aangebouwde woningen, gestapelde woningen en zorgwoningen. Gelet op de voortrekkersrol van Rijen is het logisch dat wordt uitgebreid in de kwantitatieve woningvoorraad. Het stedelijk concentratiegebied vangt immers per saldo het migratieoverschot van de hele provincie op. Gelet hierop is het initiatief passend binnen de SVRO. Gesteld kan worden dat daarmee aan de uitgangspunten van de provinciale structuurvisie wordt voldaan. Conclusie De gewenste ontwikkeling is passend binnen de provinciale structuurvisie en doet niets af aan de waarden die de structuurvisie beoogt te beschermen.

25

3.3.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Toetsingskader In de Omgevingsvisie zijn de strategische doelen van het provinciale beleid voor de langere termijn aangegeven. Het beleid en de daartoe te treffen maatregelen zijn uitgewerkt in programma’s en waarden worden beschermd via de omgevingsverordening. Per 25 oktober 2019 is de nieuwe Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov) vastgesteld. Provincies zijn verplicht om een omgevingsverordening te hebben voordat de Omgevingswet ingaat. Met een Interim omgevingsverordening zet de provincie Noord-Brabant een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening bevat geen nieuwe regels, maar voegt bestaande regels uit zes bestaande verordeningen samen, waaronder de Verordening NoordBrabant. Met de Interim omgevingsverordening zet de provincie een eerste stap om de regels beter te laten aansluiten bij de werkwijze van de Brabantse Omgevingsvisie en de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening zorgt ervoor dat de provincie en partijen waar ze mee samenwerkt ervaring kunnen opdoen met die nieuwe werkwijze, waarbij er meer ruimte is om goede initiatieven van inwoners, ondernemers en andere overheden te ondersteunen en maatwerk toe te passen. Beoordeling Voorliggend plangebied is binnen de Interim omgevingsverordening gelegen binnen het ‘Stedelijk gebied’.

Ten aanzien van onderhavig initiatief zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van de toetsing aan de Omgevingsverordening. Ten eerste moet worden voldaan aan de regels voor ontwikkeling binnen het ‘Stedelijk gebied’. Daarnaast moet worden voldaan aan de algemene regels voor de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit van de ruimtelijke kwaliteit uit artikel 3.5 t/m 3.8 Iov. De toetsing wordt hierna uitgevoerd. Artikel 3.42: Duurzame stedelijke ontwikkeling Toetsingskader Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f.

draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.

26

Uitsnede kaartbeeld ‘Stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ uit de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020.

Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de ontwikkeling van 46 wooneenheden in het bestaand stedelijk gebied van Rijen. De nieuwbouw van woningen is toegestaan binnen het Stedelijk gebied als bepaald in artikel 3.42 Iov N-B, mits passend binnen de woningbouwafspraken zoals deze op regionaal niveau zijn bepaald en mits de beoogde woningbouw zich verhoudt tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw. In paragraaf 3.2.3 is hierop ingegaan. Het plan past binnen de regionale afspraken en de harde plancapaciteit. Onderhavige ontwikkeling betreft voorts een ‘duurzame stedelijke ontwikkeling’: de ontwikkeling bevordert zorgvuldig ruimtegebruik door gebruikmaking van een inbreidingslocatie. De bestaande bebouwing heeft zijn functie verloren, waardoor herontwikkeling van het gebied met woningbouw mogelijk is. Een deel van het bestaande schoolgebouw wordt verbouwd tot meerdere wooneenheden, de overige bebouwing zal na sloop worden ingevuld met nieuwbouw bestaande uit aaneengebouwde, gestapelde en zorgwoningen. Tot slot bevordert het plan een gezonde leefomgeving door woningen te realiseren binnen het stedelijk gebied van de kern Rijen, alwaar voorzieningen per fiets of te voet te bereiken zijn. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden in artikel 3.42 Iov N-B.

27

Artikel 3.5, 3.6, 3.7 en 3.8: Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Toetsingskader In de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2 Iov N-B) is in artikel 3.5 opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie. Ad a) - Zorgvuldig ruimtegebruik: 1. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: ▪ nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; ▪ er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. 2.

Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan bestaand stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel.

Ad b) - Toepassing van de lagenbenadering 1. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. 2. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. 3. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Ad c) - meerwaarderecreatie 1. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:

28

a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. 2. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Beoordeling Voorwaarden ad a: a. De toedeling van functies dient in beginsel plaats te vinden binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied ‘Stedelijk Gebied’ of een bestaand bouwperceel. De ontwikkeling van de woningen vindt plaats binnen het bestaand stedelijk gebied, derhalve binnen bestaand ruimtebeslag; b. Bij een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Hieraan is in paragraaf 3.2.3 getoetst. c. Gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De begrenzing van de beoogde bouwvlakken voor de woningen is zodanig afgestemd dat hieraan toepassing wordt gegeven. Voorwaarden ad b: a. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de ondergrond. In hoofdstuk 4 van onderhavige toelichting wordt ingegaan op deze effecten. b.

Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de netwerklaag. Het planvoornemen heeft geen negatief effect op een natuurnetwerk, het energienetwerk en waterwegen. De afwikkeling van het verkeer is beschreven in hoofdstuk 2 van deze toelichting. c. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de bovenste laag. De effecten op het milieu zijn beschreven in hoofdstuk 4. Het planvoornemen ziet toe op woningbouw. Er wordt geen effect verwacht op de bovenste laag. Voorwaarden ad c: Er dient rekening te worden gehouden met meerwaardecreatie. Hiervoor geldt dat met onderhavig initiatief invulling wordt gegeven aan een binnenstedelijke herontwikkellocatie waar in de huidige situatie gebouwen aanwezig zijn die hun functie hebben verloren. Door een binnenstedelijke locatie in te zetten voor woningbouw ontstaat een kwaliteitsimpuls voor de omgeving en wordt verdere leegstand van de bebouwing voorkomen. Conclusie Er wordt invulling gegeven aan een goede omgevingskwaliteit. Geconcludeerd kan worden dat het plan voldoet aan de regels zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10264584/1