CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

8. Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit

Gemeenteraad 28 oktober 2024, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel advies aanvraag BOPA Tuinstraat 33 Rijen28.475 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Voortplantingsplaatsen, vaste rust- of verblijfplaatsen en (functionele) leefomgeving van beschermde grondgebonden zoogdieren zijn in het projectgebied niet aanwezig. Een omgevingsvergunning voor een floraen-fauna-activiteit is niet nodig. Vleermuizen In het projectgebied zijn geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Het projectgebied is ook geen essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute voor vleermuizen. Een omgevingsvergunning voor een flora-en-fauna-activiteit is niet nodig. Vogels Geschikte locaties voor gebouwbewonende vogels met jaarrond beschermde nesten zijn niet aanwezig binnen het projectgebied. In de bomen zijn geen jaarrond beschermde nesten aanwezig en het groen is laag waardoor deze ook niet verwacht worden. Een omgevingsvergunning voor een flora-en-fauna-activiteit is niet nodig. De bomen en struiken zijn geschikt als nestlocatie voor algemene vogels. Actieve nesten mogen geen negatief effect ondervinden. De bomen en struiken dienen buiten het broedseizoen (buiten half maart – half juli) verwijderd te worden om te voorkomen dat vogels zich nestelen in de te verwijderen bomen en struiken. Indien het verwijderen niet plaats kan vinden buiten het broedseizoen, dienen de bomen en struiken voor verwijdering te worden gecontroleerd op de aanwezigheid van actieve nesten.

|57

Dit neemt een risico met zich mee dat bij een actief nest de werkzaamheden moeten wachten tot de jongen het nest hebben verlaten. Voor het broedseizoen van vogels is geen standaardperiode. Dit omdat het broedseizoen van soort tot soort en van jaar tot jaar kan verschillen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode van 15 maart tot 15 juli worden aangehouden. Reptielen, amfibieën en vissen Geschikt habitat om te rusten, zich voort te planten of te overwinteren is voor beschermde reptielen, amfibieën en vissen in het projectgebied niet aanwezig. Een omgevingsvergunning voor een flora-en-faunaactiviteit is niet nodig. Flora In het projectgebied zijn geen beschermde planten waargenomen of te verwachten. Een omgevingsvergunning voor een flora-en-fauna-activiteit is niet nodig. Ongewervelden In het projectgebied worden geen beschermde ongewervelden verwacht. Een omgevingsvergunning voor een flora-en-fauna-activiteit is niet nodig. Specifieke zorgplicht De werkzaamheden hebben geen nadelige gevolgen voor Rode Lijst soorten. Regelgeving omtrent de specifieke zorgplicht is niet van toepassing. Het planvoornemen voor de bouw en het gebruik van de appartementen heeft geen negatieve effecten op de aanwezige soorten. Omdat er geen negatieve effecten op de aanwezige soorten zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid.

Wel geldt altijd de Zorgplicht, deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten de planlocatie worden verplaatst.

8.3

NNN

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aangesloten Pan Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen.

|58

Natuurnetwerk Brabant Het projectgebied ligt buiten de grenzen van Natuurnetwerk Nederland en op voldoende afstand van het Natuurnetwerk Brabant, waardoor er geen negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied te verwachten zijn.

Figuur 29 Uitsnede TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant - Natuur Netwerk Brabant (plangebied rood omcirkeld)

Conclusie Het aspect natuurbescherming vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

|59

9. BEHOUDEN VAN DE STAAT EN WERKING VAN INFRASTRUCTUUR EN VOORZIENINGEN 9.1

Beperkingengebieden

Beperkingengebieden zijn in de wet aangewezen gebieden waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden voor activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Toetsing De planlocatie ligt niet in een beperkingengebied.

9.2

Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd en beschermd tegen ingrepen die de werking ervan kunnen bedreigen. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; • defensiebrandstoffen; • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Aan de andere kant dient de omgeving te worden beschermd tegen het gevaar dat van bestaande en toekomstige leidingen, kabels en hoogspanningslijnen kan uitgaan. Ter bescherming van de kabels en leidingen en de omgeving worden zones opgenomen in een omgevingsplan waarin beperkingen gelden. Toetsing De planlocatie bevindt zich buiten het invloedsgebied van een relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen.

|60

10.

VLIEGBASIS GILZE-RIJEN

Luchtvaart is te beschouwen als een risicovolle activiteit. Het huidige externe veiligheidsbeleid is met name gericht op ‘stationaire bronnen’ (fabrieken, opslagplaatsen, e.d.) en op het vervoer van gevaarlijke stoffen (weg, water, spoor en buisleidingen). In de luchtvaart gaat het op ‘bewegende bronnen’, die een ander risicobeeld met zich mee brengen. Daarom wordt voor de luchtvaart specifiek extern veiligheidsbeleid ontwikkeld, dat zal worden geïmplementeerd in de Wet Luchtvaart. Het beleid beperkt zich op dit moment nog tot Schiphol. Voor militaire vliegvelden blijft het Ministerie van Defensie verantwoordelijk. Toetsing Het plangebied ligt ten noordwesten van de vliegbasis Gilze-Rijen. IHCS - 1 Het plangebied ligt geheel binnen het horizontale obstakelvrije vlak van vliegbasis Gilze-Rijen (onderdeel van de Inner Horizontal en Conical Surface IHCS). Voor dit vlak geldt een bouwhoogtebeperking van 56 meter boven NAP. Ervan uit gaande dat het maaiveld ter hoogte van het plangebied maximaal 18 meter boven NAP ligt, betekent dit dat nergens in het plangebied hoger dan 38 meter mag worden gebouwd. Munitiezone Op de vliegbasis Gilze-Rijen is een munitiecomplex aanwezig. Het plangebied bevindt zich echter niet binnen de contouren van de munitiezone. Conclusie De vliegbasis Gilze-Rijen vormt geen belemmering voor het planvoornemen

|61

11.

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 2 worden gevallen benoemd waarin de mer-plicht geldt. Kolom 3 noemt gevallen waarin de merbeoordelingsplicht geldt. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de m.e.r.-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. Dit kan een besluit zijn voor het omgevingsplan of het betreft een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Onderzoek Uit paragraaf 7.3 de Ladder voor duurzame verstedelijking blijkt dat er ten aanzien van het planvoornemen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Uit bijlage V onder J11 van het Omgevingsbesluit blijkt dat het planvoornemen valt onder de omschrijving ‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’. Kolom 2 geeft aan dat een mer-plicht niet van toepassing is voor deze activiteit.

Uit kolom 3 blijkt dat in geval van ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject’ een mer-beoordelingsplicht geldt. Aangezien het planvoornemen voor de ontwikkeling van 16 appartementen een stedelijke ontwikkeling betreft geldt de mer-beoordelingsplicht. De mer -beoordeling is opgenomen als bijlage bij deze motivering. Conclusie Uit de mer-beoordeling blijkt dat het aspect m.e.r.-regelgeving geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

|62

12.

UITVOERBAARHEID

De gemeente moet onderzoeken of ontwikkeling op de betrokken locatie in beginsel mogelijk is. Voor een Bopa dient de gemeente de uitvoerbaarheid aan te tonen.

12.1

Economische uitvoerbaarheid

Het plan betreft een particulier initiatief op particulier terrein. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt ten behoeve van de kosten een overeenkomst gesloten. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd en hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van voorliggend plan voldoende aangetoond.

12.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie Artikel 7.4 Or bevat aanvraagvereisten over participatie. Het aanvraagvereiste participatie geldt voor alle omgevings-vergunningen. Dus zowel voor de van rijkswege aangewezen vergunningsplichtige activiteiten, en voor de decentraal aangewezen vergunninsgplichtige activiteiten zoals opgenomen in een omgevingsplan (omgevingsplanactiviteit vergunningen). In verband met de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) voor bovenstaand project is een omgevingsdialoog gevoerd. Er is gekozen voor een schriftelijke dialoog om de omwonende op de hoogte brengen van de plannen en te enthousiasmeren. De impact op de omgeving is klein, de ontwikkeling ligt volledig op eigen terrein en de verkleuring van bedrijventerrein naar wonen heeft hoofdzakelijk een positieve impact op de woonwijk. Met de informerende brief en beantwoording van de reacties wordt invulling gegeven aan de eisen uit de richtlijn Schriftelijke Dialoog van de gemeente Rijen. Advies en instemming De gemeenteraad van de gemeente Gilze-Rijen is in principe bereid planologische medewerking te verlenen aan de herontwikkeling van de locatie Tuinstraat 33 in Rijen ten behoeve van woningbouw. Vaststellingsprocedure Op voorliggende aanvraag is conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken.

|63

13.

EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2, Bkl). Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl (zie ook ‘beleidskader Rijk en provincie’, hoofdstuk 4). Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor wordt rekening gehouden met een zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering en de meerwaardecreatie. Toetsing Het planvoornemen betreft de transformatie van de voormalige lederfabriek Excelsior aan de Tuinstraat 33 in Rijen. In het voormalig fabriekspand worden 16 appartementen gerealiseerd. Het voormalige fabriekspand en het terrein zijn momenteel in gebruik als bedrijfsruimte. Om de transformatie van het bestaande pand voor een toekomstige woonfunctie mogelijk te maken is afwijken van het omgevingsplan noodzakelijk. Het terrein van de voormalige lederfabriek Excelsior is beeldbepalend vanwege de ligging op een binnenterrein van de Tuinstraat.

Het fabriekspand is gebouwd in de typische fabrieksarchitectuur met verdiepte gevelvelden en lisenen, en een zich eindeloos herhalende reeks vensterpartijen met ijzeren kozijnen. Het pand bezit alle kenmerken van deze typische bouwstijl van lederfabrieken. Met de transformatie worden de waardevolle historische kenmerken behouden en het pand verduurzaamd. De effecten van het plan op de leefomgeving en de toekomstwaarde zoals duurzaamheid zijn in deze motivering uitgebreid uiteengezet. De ontwikkeling draagt bij aan de grote behoefte aan woningen en zorgt voor een meerwaarde voor het bebouwd gebied van Rijen. Met de transformatie blijft de historische herkenbaarheid van de plek behouden. Daarnaast is het plan van meerwaarde omdat het voorziet in het behoudt en restauratie van een cultuurhistorisch waardevol object. De transformatie betekent een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Gezien hetgeen uiteengezet in voorgenoemde hoofdstukken kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen geen nadelige effecten heeft op de fysieke leefomgeving en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Conclusie Alles overwegende is een woningbouwontwikkeling van 16 appartementen op de locatie Tuinstraat 33 in Rijen aanvaardbaar.

Bijlagen bij BOPA

Bijlage 1 – Quickscan flora & fauna

Quickscan flora en fauna

Tuinstraat 33 te Rijen

Velp, 6 februari 2024

Pagina |2

Colofon Titel Subtitel

: Quickscan flora en fauna : Tuinstraat 33 te Rijen

Projectnummer Datum

: 23.273 : 6 februari 2024

Veldonderzoek Auteur(s)

: M. Avé : M. Avé

Collegiale toets

: S.M.V. van den Berg-Nelissen en A. Zandstra

Opdrachtgever Contactpersoon

: DR+ Architecten : J. Ruinard

Bezoekadres Postcode Telefoon

: Kerkstraat 20 : 6883 HT Velp : 026-2001900

info@ekoza.nl www.ekoza.nl

Ekoza B.V. is lid van het Netwerk Groene Bureaus: www.netwerkgroenebureaus.nl

Quickscan flora en fauna Tuinstraat 33 te Rijen

Pagina |3

Inhoudsopgave 1. 2.

Inleiding ................................................................................................................................................... 5 Wettelijk kader ........................................................................................................................................ 6 2.1 Algemene zorgplicht ........................................................................................................................ 6 2.2 Gebiedsbescherming ....................................................................................................................... 6 2.2.1 Natura 2000-gebieden .................................................................................................................. 6 2.2.2 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................................ 7 2.2.3 Bijzondere natuurgebieden en landschappen .............................................................................. 8 2.3 Soortenbescherming ....................................................................................................................... 8 2.3.1 Specifieke zorgplicht .....................................................................................................................

9 2.3.2 Vogelrichtlijnsoorten .................................................................................................................... 9 2.3.3 Habitatrichtlijnsoorten................................................................................................................ 10 2.3.4 Andere soorten ........................................................................................................................... 11 2.4 Houtopstanden ............................................................................................................................. 11 2.5 Invasieve exoten ........................................................................................................................... 13 3. Projectgebied......................................................................................................................................... 15 3.1 Gebiedsbeschrijving ...................................................................................................................... 15 3.2 Voorgenomen ingreep ................................................................................................................... 16 4. Onderzoeksmethode .............................................................................................................................

17 4.1 Gebiedsbescherming ..................................................................................................................... 17 4.1.1 Natura 2000 ................................................................................................................................ 17 4.1.2 Natuurnetwerk Nederland .......................................................................................................... 17 4.1.3 Bijzondere natuurgebieden en landschappen ............................................................................ 17 4.2 Soortenbescherming ..................................................................................................................... 18 4.2.1 Bronnenonderzoek ..................................................................................................................... 18 4.2.2 Veldonderzoek ............................................................................................................................ 18 4.2.3 Effectenbeoordeling ................................................................................................................... 18 4.2.4 Specifieke zorgplicht ...................................................................................................................

19 4.3 Houtopstanden ............................................................................................................................. 19 4.4 Invasieve exoten ........................................................................................................................... 19 5. Resultaten ............................................................................................................................................. 20 5.1 Gebiedsbescherming ..................................................................................................................... 20 5.1.1 Natura 2000 ................................................................................................................................ 20 5.1.2 Natuurnetwerk Nederland .......................................................................................................... 21 5.1.3 Bijzondere natuurgebieden en landschappen ............................................................................ 21 5.2 Soortenbescherming ..................................................................................................................... 22 5.2.1 Grondgebonden zoogdieren .......................................................................................................

22 5.2.2 Vleermuizen ................................................................................................................................ 23 5.2.3 Vogels.......................................................................................................................................... 25 5.2.4 Reptielen, amfibieën en vissen ................................................................................................... 26 5.2.5 Flora ............................................................................................................................................ 27 5.2.6 Ongewervelden ........................................................................................................................... 28 5.2.7 Specifieke zorgplicht ................................................................................................................... 28 5.3 Houtopstanden ............................................................................................................................. 29 5.4 Invasieve exoten ........................................................................................................................... 29 6. Conclusies en aanbevelingen .................................................................................................................

30 6.1 Gebiedsbescherming ..................................................................................................................... 30 6.1.1 Natura 2000 ................................................................................................................................ 30 6.1.2 Natuurnetwerk Nederland .......................................................................................................... 30 Quickscan flora en fauna Tuinstraat 33 te Rijen

Pagina |4

6.1.3 Bijzondere natuurgebieden en landschappen ............................................................................ 30 6.2 Soortenbescherming ..................................................................................................................... 30 6.2.1 Grondgebonden zoogdieren ....................................................................................................... 31 6.2.2 Vleermuizen ................................................................................................................................ 31 6.2.3 Vogels.......................................................................................................................................... 31 6.2.4 Reptielen, amfibieën en vissen ................................................................................................... 31 6.2.5 Flora ............................................................................................................................................ 31 6.2.6 Ongewervelden ........................................................................................................................... 32 6.2.7 Specifieke zorgplicht ...................................................................................................................

32 6.3 Houtopstanden ............................................................................................................................. 32 6.4 Invasieve exoten ........................................................................................................................... 32 Bronnen ......................................................................................................................................................... 33 Literatuur ................................................................................................................................................... 33 Websites .................................................................................................................................................... 33

Quickscan flora en fauna Tuinstraat 33 te Rijen

Pagina |5

1.

Inleiding Het bedrijf DR+ Architecten is van plan om een bedrijfslocatie aan de Tuinstraat 33 te Rijen te wijzigen naar woningbouw. De oude leerfabriek wordt getransformeerd naar woningen en de recentelijke bedrijfsbebouwing eromheen worden gesloopt. Daarnaast worden tuinen en parkeerplaatsen aangelegd. Vanuit Europese en nationale regelgeving dient onderzocht te worden welke effecten deze ingreep heeft op beschermde gebieden (Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland en bijzondere natuurgebieden en landschappen) en op beschermde flora en fauna. De voorliggende rapportage beschrijft de resultaten van een quickscan. Het betreft een beoordeling van de huidige en potentiële aanwezigheid van (beschermde) soorten planten en dieren op de onderzoekslocatie en de te verwachten effecten van de voorgenomen ingreep op beschermde soorten en gebieden. De quickscan vindt plaats op grond van bronnenonderzoek en een terreinbezoek. Tijdens het terreinbezoek is een inschatting gemaakt welke soorten voor kunnen komen en welke soorten op voorhand uit te sluiten zijn. Deze quickscan is een momentopname en kan slechts in beperkte mate uitsluitsel geven over de afwezigheid van soorten. Dit onderzoek betreft geen volledige veldinventarisatie. Mochten er effecten te verwachten zijn van de werkzaamheden op beschermde soorten die mogelijk aanwezig zijn, dan wordt een nader onderzoek geadviseerd.

In hoofdstuk 2 staat het wettelijk kader uiteengezet, waaraan getoetst dient te worden. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het onderzoeksgebied en de voorgenomen ingrepen. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van de onderzoeksmethode. In hoofdstuk 5 worden de resultaten van het onderzoek en de mogelijke effecten van de ingreep op beschermde soorten besproken. Ten slotte volgen in hoofdstuk 6 de conclusies, aanbevelingen en eventuele vervolgstappen.

Quickscan flora en fauna Tuinstraat 33 te Rijen

Pagina |6

2.

Wettelijk kader Sinds 1 januari 2024 valt de natuurbeschermingswet onder de Omgevingswet. De Omgevingswet is een overkoepelende wet waar alles voor woon- en werkruimte wordt geregeld. Verschillende regels worden in deze wet gebundeld. De drie thema’s binnen deze wet die te maken hebben met natuurbescherming zijn: • gebiedsbescherming (Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland, bijzondere natuurgebieden en landschappen); • soortenbescherming; • houtopstanden. Het bevoegd gezag ligt bij de provincies. De Rijksoverheid is verantwoordelijk voor handelingen en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het Rijk, zoals hoofdwegen, spoorwegen, hoofdvaarwegen, waterkeringen, militaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen, delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij etc. Dit project valt onder het bevoegd gezag van de provincie Noord-Brabant.

2.1 Algemene zorgplicht Binnen de Omgevingswet geldt een algemene zorgplicht. Overheden, bedrijven én burgers zijn verantwoordelijk voor een veilige en gezonde leefomgeving. De algemene zorgplicht geldt alleen als er geen specifieke decentrale of rijksregels zijn. Er is in de Omgevingswet ook een algemeen verbod opgenomen: het is verboden om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan. Ook dit verbod geldt alleen als er geen specifieke decentrale of rijksregels voor zijn.

2.2 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming bestaat uit Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en bijzondere natuurgebieden en landschappen.

2.2.1 Natura 2000-gebieden Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Deze gebieden zijn in heel Europa te vinden. In zo’n gebied zijn leefgebieden van bepaalde dieren en planten en van bepaalde natuurlijke habitattypen beschermd. Deze bescherming is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Samen vormen alle Natura 2000gebieden een netwerk van beschermde natuurgebieden in Europa. In Nederland zijn ruim 160 gebieden als Natura 2000-gebied aangewezen door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Voor de Natura 2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgesteld (Artikel 2.44, Omgevingswet), deze staan vermeld in het (ontwerp-)aanwijzingsbesluit. Daarin staan ook de instandhoudingsdoelstellingen voor alle habitattypen, -soorten en broedvogels beschreven waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. Daarnaast staat beschreven op welke wijze de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren zijn. Onder ‘instandhouding’ wordt verstaan het geheel aan maatregelen die Quickscan flora en fauna Tuinstraat 33 te Rijen

Pagina |7

nodig is ter behoud of herstel van een gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten. Voor een Natura 2000-activiteit is meestal een omgevingsvergunning nodig (artikel 5.1, 1e lid, sub e, Omgevingswet). Een Natura 2000-activiteit is een activiteit, ofwel het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. De volgende factoren bepalen samen of er sprake is van significantie of niet: • afname van het oppervlakte van een habitat in relatie tot de zeldzaamheid van dit habitat; • afname van een populatie in relatie tot de zeldzaamheid van planten- of diersoorten in die populatie; • algemene condities van het gebied voor behoud en herstel van de habitat of soorten. Het gaat in de Omgevingswet erom of instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000gebied in het geding komen door de activiteit. Een Natura 2000-activiteit kan zowel binnen als buiten het Natura 2000-gebied plaatsvinden. Ook als een activiteit buiten het gebied plaatsvindt, kan het effect hebben op een Natura 2000-gebied.

Specifieke zorgplicht Sommige activiteiten hebben nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, maar deze gevolgen zijn zeker niet significant. Voor zulke activiteiten moet te allen tijde worden voldaan aan de specifieke zorgplicht (Artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)). De specifieke zorgplicht bestaat uit een aantal stappen: 1. Kennis opdoen over het Natura 2000-gebied; 2. Nagaan of nadelige gevolgen voor het gebied uit te sluiten zijn; 3. Nagaan wat nadelige gevolgen zijn als uitsluiten daarvan niet mogelijk is; 4. Passende preventieve maatregelen toepassen om nadelige gevolgen te voorkomen; 5. Stoppen met de activiteit en herstelmaatregelen treffen indien de genomen maatregelen niet voldoende zijn.

2.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend ecologisch netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurrijke cultuurlandschappen of nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van de gunstige staat van instandhouding van de aanwezige dier- en plantensoorten, van typen natuurlijke habitats en van leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Vaak zijn Natura 2000-gebieden ook onderdeel van het NNN. Daarnaast worden natuurgebieden uitgebreid, nieuwe natuurgebieden ontwikkeld en ecologische verbindingszones aangelegd. Ecologische verbindingszondes (EVZ) zijn daarom

Quickscan flora en fauna Tuinstraat 33 te Rijen

Pagina |8

ook onderdeel van het NNN en zorgen voor een verbinding tussen natuurgebieden om het migreren van dieren en planten tussen natuurgebieden mogelijk te maken. De provincie wijst in de omgevingsverordening de NNN-gebieden aan. Ook de wezenlijke kenmerken en waarden (actueel en potentieel) worden vastgesteld in de omgevingsverordening. De definitie van de wezenlijke kenmerken en waarden kan per provincie verschillen. Daarnaast staan in de omgevingsverordening regels opgesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kernmerken en waarden van NNN-gebieden. De regels verzekeren in ieder geval • dat de kwaliteit en de oppervlakte van het NNN-gebied niet achteruitgaat; • de samenhang tussen de gebieden; • tijdige compensatie van een bepaalde activiteit die negatieve gevolgen heeft. Onder de Omgevingswet geldt het ‘ja-mits’-principe, waardoor er geen noodzaak is om een groot openbaar belang aan te tonen of reële alternatieven af te wegen om het NNN te mogen aantasten. Daarentegen dient er bij nadelige gevolgen voor het NNN te worden gecompenseerd, dus niet enkel bij significante aantasting.

2.2.3 Bijzondere natuurgebieden en landschappen De minister van LNV kan naast Natura 2000-gebieden ook bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen (Artikel 2.44, lid 2, Omgevingswet). De bijzondere nationale natuurgebieden kunnen worden aangewezen vooruitlopend op de aanwijzing tot of begrenzing als Natura 2000-gebied, bijvoorbeeld als het gaat om compensatie voor handelingen die leiden tot een significant gevolg of als het gaat om gebieden die nodig zijn om de doelstellingen van de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn te bereiken. Daarnaast kan het Rijk ook bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen als de bescherming van het gebied nodig is voor de instandhouding of herstel van biotopen en leefgebieden van in Nederland van nature in het wild voorkomende soorten genoemd in Bijlage I van de Vogelrichtlijn of Bijlage I, II, IV of V van de Habitatrichtlijn. In die gevallen bevat het aanwijzingsbesluit instandhoudingsdoelstellingen. Voor de bescherming van bijzondere nationale natuurgebieden geldt, naast een mogelijke toegangsbeperking, de specifieke zorgplicht zoals bij Natura 2000-gebieden (Artikel 11.6, Bal). De provincie kan aan de natuurgebieden bijzondere provinciale natuurgebieden en landschappen toevoegen door deze in de omgevingsverordening aan te wijzen (Artikel 2.44, lid 5, Omgevingswet).

De provincies hebben verschillende juridische beschermingen voor deze gebieden welke in de omgevingsverordening staan beschreven.

2.3 Soortenbescherming Er gelden rijksregels voor activiteiten die gevolgen hebben voor van nature in het wild levende planten en dieren (een flora- en fauna-activiteit). Iedereen die een dier in het wild doodt of vangt, moet voorkomen dat het dier onnodig lijdt (Artikel 11.28, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)). Voor een flora- en fauna-activiteit kan een vergunningplicht gelden. Het Rijk bepaalt welke beoordelingsregels hiervoor gelden, welke voorschriften in de omgevingsvergunning moeten staan en wie het bevoegd gezag is. Decentrale overheden kunnen regels maken over flora- en fauna-activiteiten. Deze regels worden in een Quickscan flora en fauna Tuinstraat 33 te Rijen

Pagina |9

omgevingsverordening opgenomen. Het gaat om bijvoorbeeld maatwerkregels voor bepaalde flora- en fauna-activiteiten zonder nationaal belang of vrijstellingen van vergunningsplicht. Er is geen omgevingsvergunning nodig als de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan of de activiteit voor het uitvoeren van een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel is.

2.3.1 Specifieke zorgplicht Een flora- en fauna-activiteit kan nadelige effecten hebben voor de natuur. Iemand die weet of kan weten dat er een nadelig effect kan zijn, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van een activiteit (Artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt voor alle dieren en planten, zowel bij beschermde als niet-beschermde soorten. Het is verplicht om in het kader van de specifieke zorgplicht te controleren of soorten en habitats voor kunnen komen op de plek waar een flora- en fauna-activiteit wordt uitgevoerd voor: • vogels beschreven in Bijlage I van de Vogelrichtlijn; • trekvogels o.a. beschreven op de website van het ministerie van LNV; • dier- en plantensoorten beschreven in Bijlage II, IV en V van de Habitatrichtlijn; • dier- en plantensoorten beschreven in Bijlage IX van het Bal of in de rode lijsten; • belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats waar de bovengenoemde dieren/planten leven. Er moet worden nagegaan of nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten zijn uit te sluiten. Indien dit niet mogelijk is, moet worden nagegaan wat de nadelige gevolgen zijn. Daarnaast moeten er passende preventieve maatregelen genomen worden om nadelige gevolgen te voorkomen. Als er toch nadelige gevolgen ontstaan door de activiteit moet gestopt worden met de activiteit en moeten herstelmaatregelen worden getroffen.

2.3.2 Vogelrichtlijnsoorten Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor vogels kan vanwege de Vogelrichtlijn een vergunningsplicht gelden. Zo geldt er ook een vergunningsplicht voor schadelijke handelingen bij vogels (Artikel 11.37, Bal). Onder de soorten van de Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Het is verboden om: • vogels opzettelijk te doden of te vangen; • nesten, rustplaatsen of eieren opzettelijk te vernielen of beschadigen; • nesten opzettelijk weg te nemen; • eieren van vogels te rapen en onder zich te hebben; • vogels opzettelijk te verstoren. Verstoring mag plaatsvinden als de verstoring geen noemenswaardig effect heeft op de staat van instandhouding van de soort. Er geldt er ook een vergunningsplicht voor het commercieel en niet-commercieel bezit van vogels. Het gaat hierbij om vogels die van nature in het wild voorkomen in een EU-lidstaat.

Quickscan flora en fauna Tuinstraat 33 te Rijen

P a g i n a | 10

Daarnaast is het gebruik van middelen bij het vangen van vogels vergunningsplichtig voor vogels die van nature in Nederland voorkomen.

Jaarrond beschermde nesten De lijst met vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten is niet in de Omgevingswet vastgelegd, maar is een aanvullende beleidsregel die het Rijk en de provincies gebruiken om te sturen op een gunstige staat van instandhouding. De categorieën kunnen daarom ook per provincie verschillend zijn. Voor de provincie Noord-Brabant gelden de volgende categorieën: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast of afhankelijk van bebouwing of biotoop zijn. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast of afhankelijk van bebouwing zijn. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. 5.

Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Nesten van vogelsoorten van categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd, de nesten van soorten in categorie 5 zijn beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn.

2.3.3 Habitatrichtlijnsoorten Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten van de Habitatrichtlijn en internationale verdragen kan een vergunningplicht gelden. Zo geldt er een vergunningsplicht voor schadelijke handelingen aan deze soorten (Artikel 11.46, Bal), bezit van deze soorten en gebruik van bepaalde middelen bij het vangen van deze soorten. De schadelijke handelingen worden onderverdeeld in dieren en planten. De bedoelde diersoorten zijn in het wild levende soorten (geen vogels) van bijlage IVa van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I van het Verdrag van Bonn. De bedoelde planten zijn in het wild voorkomende soorten van bijlage IVb van de Habitatrichtlijn en bijlage I van het Verdrag van Bern. Het is verboden om: • dieren opzettelijk te doden op te vangen; • eieren van dieren te vernielen of te rapen in de natuur; • dieren opzettelijk te verstoren; • voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; • planten opzettelijk te plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of hun groeiplaatsen te vernielen in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Wat betreft deze soorten is het ingevolgde van Artikel 11.47 van het Bal verboden om dieren en/of planten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te koop of Quickscan flora en fauna Tuinstraat 33 te Rijen

P a g i n a | 11

te ruil aan te bieden. Onder niet-commercieel bezit valt het onder zich hebben of vervoeren maar dan niet voor de verkoop. Deze regels gelden tenzij het gaat om aantoonbaar gefokte of gekweekte dieren of planten.

2.3.4 Andere soorten Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) kan een vergunningsplicht gelden. Het gaat om soorten in bijlage IX van het Bal. Het zijn soorten die in Nederland beschermd zijn en niet staan in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of verdragen van Bonn en Bern. Voor deze soorten geldt meestal een vergunningsplicht voor schadelijke handelingen (artikel 11.54, eerste lid, Bal), maar er kunnen ook vrijstellingen gelden. Vrijstellingen staan bijvoorbeeld in de omgevingsverordening. Elke provincie of het Rijk kan andere vrijstellingen hebben. Het is verboden om: • dieren opzettelijk te doden of te vangen; • dieren opzettelijk hun vaste voortplantingsplaatsen, eieren of rustplaatsen te beschadigen of te vernietigen; • planten opzettelijk te plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Er geldt geen vergunningsplicht voor verwilderde dieren. Daarnaast is er geen omgevingsvergunning nodig voor het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis. Ook het beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten is niet vergunningsplichtig. Deze vrijstelling is alleen van toepassing als de dieren op of in de buurt van gebouwen zijn.

2.4 Houtopstanden Om bomen en bossen te beschermen en vanwege internationale regels geeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). Bij een activiteit die te maken heeft met houtopstanden moet aan regels worden voldaan. Daarnaast kan een meldingsplicht gelden. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend buiten de bebouwingscontour houtkap. Er geldt geen minimale oppervlakte om onder de definitie van houtopstand te vallen. Ook een houtopstand die spontaan is ontstaan in een grasland of op heide valt onder de definitie. De Omgevingswet verplicht de gemeenteraad om een bebouwingscontour houtkap vast te stellen in het omgevingsplan. Met deze bebouwingscontour houtkap bepaalt de gemeente wanneer de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) over het vellen van houtopstanden gelden. Het vellen van een houtopstand is het rooien of verrichten van andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging van een houtopstand tot gevolg kunnen hebben. De rijksregels gelden bij het (deels) vellen van een houtopstand. Bij het vellen hoort een herbeplantingsplicht. Herbeplanten is door aanplant, bezaaiing of natuurlijke verjonging of op een andere wijze realiseren van een nieuwe houtopstand.

Herbeplanten moet plaatsvinden binnen 3 jaar en op dezelfde grond als het vellen. Quickscan flora en fauna Tuinstraat 33 te Rijen

P a g i n a | 12

De rijksregels over vellen en herbeplanten gelden niet in een van de volgende gevallen (artikel 11.111, Bal): • houtopstanden die binnen de bebouwingscontour houtkap vallen. Dat komt er ongeveer op neer dat de rijksregels alleen gelden voor houtopstanden buiten stedelijk gebied; • houtopstanden op erven of in tuinen; • bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten zijn geteeld; • houtopstanden die windschermen om boomgaarden vormen; • naaldbomen die duidelijk bedoeld zijn als kerstbomen én niet ouder zijn dan 20 jaar; • kweekgoed; • populieren of wilgen van: o wegbeplantingen o beplantingen langs waterwegen, of o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; • het dunnen van een houtopstand om de groei van de overblijvende houtopstand te bevorderen. Bijvoorbeeld als onderdeel van het reguliere onderhoud van de houtopstand; • Beplantingen die bestaan uit populieren, wilgen, essen of elzen en duidelijk bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa onder de volgende voorwaarden: o Het oogsten vindt minstens 1 keer per 10 jaar plaats. o De beplantingen bestaan uit minstens 10.000 stoven per ha per beplantingseenheid. o Een beplantingseenheid moet bestaan uit aaneengesloten beplanting zonder doorsnijding door meer dan 2 m brede onbeplante stroken. o De beplantingen zijn aangelegd na 1 januari 2013.

• houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel; • houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen (gerekend over het totaal aantal rijen). Het gaat hier om het aantal bomen in rijbeplanting van de totale houtopstand dus niet alleen het aantal te vellen bomen. Als de rijksregels voor het vellen van een houtopstand gelden, is een meldingsplicht voor het (deels) vellen van een houtopstand verplicht. Het indienen van een melding moet uiterlijk 4 weken én niet eerder dan 1 jaar vóór het vellen gebeuren (artikel 11.126, Bal). Het Bal geeft de mogelijkheid om met een maatwerkvoorschrift af te wijken van de rijksregels over vellen en herbeplanten. Het bevoegd gezag mag bijvoorbeeld een meldingsplicht opnemen voor gevallen die het Bal uitzondert van een meldingsplicht of aangeven dat een meldingsplicht niet nodig is in bepaalde gevallen.

Quickscan flora en fauna Tuinstraat 33 te Rijen

P a g i n a | 13

De meldingsplicht voor het vellen en de herbeplantingsplicht gelden niet in een van de volgende gevallen (artikelen 11.126, 11.129 en 11.131 van het Bal): • het periodiek vellen van griend- of hakhout; • het vellen voor het uitvoeren van een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel; • het vellen voor het uitvoeren van maatwerk dat preventieve of herstelmaatregelen voorschrijft die nodig zijn om de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied te bereiken; • het vellen voor het uitvoeren van een maatwerkvoorschrift dat verbonden is aan een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of flora- en fauna-activiteit; • Het vellen voor het uitvoeren van regels over vergunningsvrije Natura 2000activiteiten of flora- en fauna-activiteiten in de Omgevingsregeling of omgevingsverordening; • het vellen voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen; • het aantoonbaar vellen en herbeplanten volgens een gedragscode; • het vellen dat voldoet aan alle volgende voorwaarden: o Het is een activiteit van nationaal belang of hangt daarmee samen. Het Omgevingsbesluit geeft aan welke activiteiten van nationaal belang zijn (artikel 4.12, Omgevingsbesluit). o Het gaat om een houtopstand die niet is aangeplant vanwege een herbeplantingsplicht (van het Bal, de Wet natuurbescherming of de Boswet).

o De minister van LNV heeft in het verleden een kennisgeving ontvangen (en dat bevestigd) voor het aanleggen van de houtopstand. Die kennisgeving moet het tijdstip en de plaats van de (destijds aan te leggen) houtopstand aangeven. Uit de kennisgeving moet ook blijken dat het om tijdelijke houtopstand gaat waarvan het vellen (in z’n geheel) zal plaatsvinden binnen 40 jaar na dat tijdstip.

Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht voor vellings- en herbeplantingsactiviteiten en handel in en bezit van hout (Artikel 11.116, Bal) stelt dat als zo’n activiteit nadelige gevolgen heeft voor de doelstellingen voor de regels voor deze activiteiten, degene die deze verricht verplicht is om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken of achterwege te laten. De doelstellingen zijn natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal en de bescherming van landschappelijke waarden.

2.5 Invasieve exoten Exoten of uitheemse soorten zijn planten, dieren of andere organismen die niet van nature in Nederland of een andere EU-lidstaat voorkomen. Als deze soorten een bedreiging vormen of schadelijk zijn voor de biodiversiteit en ecosystemen is dit een invasieve exoot. Ze kunnen negatieve gevolgen hebben voor de menselijke gezondheid, veiligheid of economie. Door menselijk handelen zijn deze soorten in de natuur in Nederland terecht gekomen. Exoten die zich thuis voelen in Nederland vestigen zich in de natuur en vermeerderen snel.

Quickscan flora en fauna Tuinstraat 33 te Rijen

P a g i n a | 14

De Europese Commissie heeft een aantal soorten als invasieve exoot aangewezen. Die staan op de zogenaamde Unielijst. Op de Unielijst staan soorten die voorkomen en schade toebrengen of dit in de toekomst kunnen doen. Iedere lidstaat kan, aanvullend op de soorten van de Unielijst, andere soorten op een eigen, nationale lijst plaatsen en daarvoor maatregelen opnemen. Zo heeft Nederland Aziatische duizendknopen toegevoegd aan deze lijst. Het Rijk, de provincies en de waterschappen moeten de introductie en verspreiding van invasieve exoten voorkomen en beheersen. Het is verboden om invasieve exoten opzettelijk het grondgebied van de Europese Unie binnen te brengen, te houden, te kweken, te vervoeren, in de handel te brengen, te gebruiken of uit te wisselen, toe te staan om zich voort te planten, te kweken of te telen of vrij te laten in het milieu. Daarnaast moeten alle noodzakelijke stappen genomen worden om onopzettelijke introductie of verspreiding van invasieve exoten te voorkomen. Verschillende soorten hebben een verschillend effect op de natuur in Nederland en behoeven dus ook andere maatregelen. Voor een aantal krabben en kreeften mag houden, vervoeren, in de handel brengen en gebruiken of uitwisselen wel bij het bevissen en handelingen die daarna volgen.

Quickscan flora en fauna Tuinstraat 33 te Rijen

P a g i n a | 15

3.

Projectgebied

3.1 Gebiedsbeschrijving Het projectgebied betreft een bedrijfsterrein met een voormalige leerfabriek en bijbehorende aanbouw. Het dak van het gebouw is plat. Het oude deel van het gebouw is gebouwd met een enkelsteens muur. Het nieuwe deel bestaat uit een bakstenen muur grotendeels bekleed met metalen gevelbeplating. De spouw in het nieuwe deel is gevuld met glaswol en open stootvoegen ontbreken. Het grootste deel van het terrein is bestraat. Aan de oost- en noordzijde ligt een tuin. Het groen is beperkt tot enkele struiken, kleine fruitbomen en strak gemaaid gazon. In de tuin is een houten tuinschuur aanwezig. De overkapping aan de oost- en westkant van het fabriek heeft kuststof wanden. Het projectgebied ligt in een woonwijk van Rijen. Ten westen van Rijen ligt het natuurgebied Boswachterij Dorst. De vliegbasis Gilze-Rijen ligt ten zuiden van de N282 die ten zuiden van Rijen loopt. Verder in de omgeving van Rijen zijn wei- en akkerlanden aanwezig. In Figuur 1 is de globale ligging van het projectgebied weergegeven en Figuur 2 geeft een impressie van het projectgebied.

Figuur 1. Globale ligging van het projectgebied.

Quickscan flora en fauna Tuinstraat 33 te Rijen

P a g i n a | 16

Figuur 2. Impressie van het projectgebied.

3.2 Voorgenomen ingreep De DR+ Architecten is voornemens om ruimtelijke ontwikkeling op het perceel uit te voren. De bedrijfsbebouwing rondom de oude leerfabriek wordt gesloopt en de voormalige leerfabriek wordt getransformeerd naar woningen. Werkzaamheden die aan de gevels gaan plaatsvinden zijn: kozijnen vervangen, mogelijk gevel reinigen en voegwerk vervangen. Daarnaast worden tuinen en parkeerplekken gerealiseerd. Hiervoor wordt in de bodem gewerkt en enkele fruitbomen en struiken in de tuin worden gekapt. Er is geen oppervlaktewater in het projectgebied aanwezig.

Quickscan flora en fauna Tuinstraat 33 te Rijen

P a g i n a | 17

4.

Onderzoeksmethode

4.1 Gebiedsbescherming Het onderzoek naar gebiedsbescherming betreft een bureaustudie.

4.1.1 Natura 2000 Voor het bepalen van de ligging van beschermde gebieden ten opzichte van het projectgebied is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase op de website van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Hier is alle informatie over Natura 2000gebieden te vinden zoals de habitattypen en -soorten waarvoor de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. In dit onderzoek worden o.a. de onderstaande vragen beantwoord: • Ligt de ingreeplocatie in een Natura 2000-gebied, of ligt er een Natura 2000-gebied binnen de invloedsfeer van de ingreeplocatie, zodat externe en/of cumulatieve effecten te verwachten zijn. • Wat zijn de mogelijke negatieve en/of positieve effecten van de voorgenomen ingrepen op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied in kwestie. • Kunnen deze effecten: o verstorend zijn voor kwalificerende soorten; o leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van de kwalificerende habitats; o significant negatief zijn voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen.

4.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden of natuurlijke cultuurlandschappen. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Voor het bepalen van de ligging van het projectgebied ten opzichte van het NNN is gebruik gemaakt van de websites van de provincie Noord-Brabant. Hierbij is bekeken hoe de ligging van het projectgebied is ten opzichte van het Natuurnetwerk. Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen of nabij het NNN worden de effecten van de ingreep op de wezenlijkheidskenmerken en -waarden van het NNN getoetst.

4.1.3 Bijzondere natuurgebieden en landschappen Bijzondere natuurgebieden en landschappen zijn door de minister van LNV aangewezen als bijzondere nationale natuurgebieden of door de provincie als bijzondere provinciale natuurgebieden en landschappen. Op de website van het ministerie van LNV en in de omgevingsverordeningen, zover dit bekend is, wordt de ligging van het projectgebied ten opzichte van bijzondere natuurgebieden en landschappen bepaald. De effecten van

Quickscan flora en fauna Tuinstraat 33 te Rijen

P a g i n a | 18

ruimtelijke ontwikkelingen binnen deze bijzondere natuurgebieden en landschappen worden beschreven.

4.2 Soortenbescherming Het onderzoek naar beschermde soorten bestaat uit twee delen. Er is begonnen met een literatuurstudie, gevolgd door een veldonderzoek in het projectgebied. Aan de hand van de literatuurgegevens en het veldbezoek wordt bepaald welke soorten in het projectgebied voor kunnen komen.

4.2.1 Bronnenonderzoek Het bronnenonderzoek gaat uit van bestaande en beschikbare gegevens. Een belangrijke bron zijn de gegevens afkomstig uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Deze databank geeft het meest actuele overzicht van beschermde soorten die in de regio voorkomen. Het is een koppeling van databases zoals waarneming.nl en telmee.nl. Hierin participeren onder andere de soortenorganisaties zoals Sovon, Ravon en de Zoogdiervereniging. De NDFF geeft echter geen volledig beeld van de aanwezigheid van soorten. Dat komt omdat niet alle gebieden even goed worden onderzocht. Daarnaast worden bepaalde soortgroepen beter onderzocht dan andere. Dit kan te maken hebben met de interesse van de waarnemer, toegankelijkheid van een gebied of omdat sommige soorten moeilijk te inventariseren zijn. Ten slotte worden niet alle waarnemingen doorgegeven. Voor de gegevens uit de NDFF is een zoekgebied geselecteerd rondom de te onderzoeken locatie. Er is gekeken naar de gegevens van de laatste 3-10 jaar, afhankelijk van de soortgroep en hoeveelheid gegevens. De NDFF is op 8 januari 2024 geraadpleegd. Verder zijn ecologische verspreidingsatlassen geraadpleegd: Bos, 2006; Broekhuizen, 2016; Creemers, 2009; NVL 2002.

4.2.2 Veldonderzoek Het projectgebied is bezocht op 11 januari 2024. Het was een koude zonnige dag met een temperatuur rond de -5°C en weinig wind. Het veldwerk voor dit onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een quickscan. Het onderzoek bestaat uit het uitvoeren van een habitatsgeschiktheidsbeoordeling. Dit is een veldonderzoek waarbij op basis van de fysieke kenmerken van het projectgebied een indicatie wordt gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten. Er is zowel (globaal) gekeken naar de daadwerkelijk aanwezige flora en fauna als naar de mogelijke waarden die het gebied herbergt in andere tijden van het jaar die tijdens een eenmalig bezoek niet kunnen worden vastgesteld. Tijdens het terreinbezoek is zoveel mogelijk concrete informatie verzameld met betrekking tot de aan- of afwezigheid van beschermde soorten (zicht- en geluidswaarnemingen, sporenonderzoek naar de aanwezigheid van nesten, holen, uitwerpselen, haren, etc.).

4.2.3 Effectenbeoordeling Als bepaald is welke beschermde soorten in het projectgebied voor kunnen komen vindt een inschatting van de effecten plaats. Aan de hand van de ingreep worden de effecten van de activiteiten op de mogelijk aanwezige soorten bepaald. Effecten kunnen optreden tijdens de Quickscan flora en fauna Tuinstraat 33 te Rijen

P a g i n a | 19

realisatiefase van het project en zijn dan meestal tijdelijk van aard. In de gebruiksfase van het project kunnen blijvende effecten optreden. Effecten van de ingreep op aanwezige soorten zijn sterk afhankelijk van een aantal variabelen, zoals de voorgenomen werkzaamheden, de exacte locatie, de periode van het jaar, het tijdstip van de dag, de doorlooptijd van de werkzaamheden, de gebruikte machines of materialen, enzovoort. Niet alleen de effecten op de aanwezige verblijfplaatsen van de soort zijn van belang, maar ook of het leefgebied blijvend kan voorzien in alles wat nodig is om succesvol te kunnen voortplanten of te kunnen verblijven. Verder is het van belang te weten welke effecten de werkzaamheden hebben op de gunstige staat van instandhouding van de soort. Bij kans op negatieve effecten kan nader onderzoek worden geadviseerd en is mogelijk een omgevingsvergunning nodig.

4.2.4 Specifieke zorgplicht In het kader van de specifieke zorgplicht wordt er gekeken naar de aanwezigheid van de volgende soorten en habitats: • vogels beschreven in Bijlage I van de Vogelrichtlijn; • trekvogels o.a. beschreven op de website van het ministerie van LNV; • dier- en plantensoorten beschreven in Bijlage II, IV en V van de Habitatrichtlijn; • dier- en plantensoorten beschreven in Bijlage IX van het Bal of in de rode lijsten; • belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats waar de bovengenoemde dieren/planten leven. Dit onderzoek betreft een bronnenonderzoek waarbij bekeken wordt welke soorten en habitats voorkomen binnen het projectgebied. Een belangrijke bron hierbij is de NDFF. De NDFF is geraadpleegd op 8 januari 2024. Er wordt nagegaan of er nadelige gevolgen van de ingreep zijn op deze soorten en habitats.

4.3 Houtopstanden Bij het kappen of verwijderen van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend binnen het projectgebied wordt middels een bureaustudie bepaald of het houtopstanden betreft die buiten de bebouwingscontour houtkap van de desbetreffende gemeente liggen. Indien dit het geval is, worden de regels betreffende het kappen van houtopstanden beschreven.

4.4 Invasieve exoten Tijdens het veldonderzoek wordt er gekeken naar de aanwezigheid van invasieve soorten. Het onderzoek is echter geen volledige inventarisatie, waardoor enkel de aanwezigheid van exoten kan worden bepaald, maar de afwezigheid van invasieve exoten niet.

Quickscan flora en fauna Tuinstraat 33 te Rijen

P a g i n a | 20

5.

Resultaten

5.1 Gebiedsbescherming 5.1.1 Natura 2000 Het projectgebied ligt op ca. 8,1 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied Ulvenhoutse Bos (Figuur 3). Op grotere afstand komen binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden meerdere stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden voor.

Figuur 3. Ligging van het projectgebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Ulvenhoutse Bos bestaat uit een beekbegeleidende bos dat langs de Broekloop en de Bavelse Leij ligt. In de hogere en armere gebieden komt eiken-beukenbos voor en vogelkersessenbossen zijn langs de beken en in de lage gebieden te vinden. Het Natura 2000-gebied is beschermd onder de Habitatrichtlijn met habitattypen beuken-eikenbossen met hulst, eikenhaagbeukenbossen en vochtige alluviale bossen. Voor dit gebied zijn geen Habitatrichtlijnsoorten aangewezen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14653789/2