CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

8. Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit

Gemeenteraad 28 oktober 2024, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Raadsvoorstel advies aanvraag BOPA Tuinstraat 33 Rijen28.475 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

|31

Stof

Toetsing

Grenswaarde 40 μg/m3

WHO advieswaarde 40 μg/m3

Waarde planlocatie 12-14 μg/m3

Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)

Jaargemiddelde Jaargemiddelde Jaargemiddelde

20 μg/m3 10 μg/m3

20 μg/m3 10 μg/m3

16-18 μg/m3 10-11 μg/m3

De huidige concentraties vallen onder de grenswaardes. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de GGD hanteren voor PM10 en voor PM 2.5 lagere waarden, namelijk 20 μg/m3 en 10 μg/m3. De fijnstofwaardes van zowel PM2,5 als PM10 liggen onder de grens van de advieswaarde van de WHO. NIBM Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig, ook niet in de aandachtsgebieden. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die ‘niet in berekende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Het betreft de volgende categorieën: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; en • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlakte met een enkele ontsluitingsweg. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 16 nieuwe woningen met één ontsluitingsweg.

Het planvoornemen draagt hiermee niet in betekenende mate bij aan een toename van luchtverontreiniging, dus is een toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit niet nodig. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.4

Geur

Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt twee kanten op: • Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; • Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.

|32

Er moet dus overwogen worden wat de beste locatie is voor een geurveroorzakende activiteit, of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur (par. 8.5.1). De gemeente Gilze-Rijen heeft op 18 juli 2022 de geurverordening en beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder vastgesteld. Hiermee worden afwegingen gemaakt omtrent ruimtelijke initiatieven waarbij geurgevoelige objecten worden gerealiseerd. In de Geurgebiedsvisie wordt het grondgebied van de gemeente Gilze-Rijen opgedeeld in aan de hand van deelgebieden A-D, met elk bijbehorende geurnormen.

Deelgebied A Deelgebied B Deelgebied C Deelgebied D

Figuur 17 - Uitsnede kaart gebiedsindeling geurnormen (plangebied blauw omcirkeld)

Onderzoek Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 16 nieuwe appartementen welke worden aangemerkt als geurgevoelige objecten. De locatie van het plangebied bevindt zich in een gebied aangemerkt met de classificatie ‘deelgebied A’. Binnen dit gebied geldt een geurnorm voor achtergrondbelasting van 10 Ou zoals aangegeven in de volgende tabel. Dit houdt in dat een achtergrondbelasting van minder dan 10 Ou voldoende is voor een gezonde leefomgeving, en een achtergrondbelasting van meer dan 10 Ou onvoldoende is voor een gezonde leefomgeving.

|33

Het plangebied heeft, zoals af te lezen in Fout! Verwijzingsbron niet gevonden., een indicatieve achtergrondbelasting t.a.v. geurhinder tussen de 0 en de 5 Ou, daarmee valt het ruim binnen de vastgestelde norm van 10 Ou voor achtergrondbelasting voor een woonobject binnen deelgebied A. Ook is af te lezen dat het leefklimaat van het gebied wordt beoordeeld met de indeling ‘zeer goed’, ten aanzien van geurhinder.

Figuur 18 Achtergrondbelasting geur (links) en indicatie leefklimaat opv geur (rechts) (plangebied rood omcirkeld)

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

|34

4.5

Trillingen

Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Het Rijk wil mensen beschermen tegen trillinghinder. Dat doet het door regels te stellen aan activiteiten die trillingen veroorzaken in trillinggevoelige gebouwen. Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wijzen trillinggevoelige gebouwen en trillinggevoelige ruimten aan. Artikel 5.80 van het Bkl wijst gebouwen of gedeeltes van gebouwen met de gebruiksfunctie 'wonen' aan als trillinggevoelige gebouwen. Hieronder vallen alle gebouwen met een woonfunctie, zoals woningen en verzorgingshuizen. Woonschepen en woonwagens vallen niet onder de woonfunctie.

Bronnen van trillingen zijn: • verkeer over de weg of het spoor (zoals vrachtwagens, treinen en trams) • machines in de industrie (zoals stansen en draaiende motoren) • bouw- en sloopactiviteiten (zoals heien en breken) Onderzoek Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 16 nieuwe woningen. Woningen zijn objecten die in artikel 5.80 van het Bkl worden aangemerkt als trilling gevoelig. Aan de zuidzijde van Rijen loopt de spoorlijn Breda-Tilburg. In de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen staan de afstanden voor een onderzoeksgebied opgenomen. Geadviseerd wordt om in het algemeen binnen 100 meter van het spoor, en in sommige gevallen binnen 250 meter van het spoor het risico op trillinghinder te laten beoordelen. Het plangebied bevindt zich op ruim 600 meter afstand van het spoor. Er zijn geen andere bronnen van trillingen in de omgeving van plangebied aanwezig. Het plangebied bevindt zich niet in een invloedsgebied van trillingen. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

|35

4.6

Bedrijfsmatige- en milieubelastende activiteiten

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Daarom is een inventarisatie naar de aanwezigheid van milieubelastende activiteiten, specifiek ten aanzien van bedrijven, in de directe omgeving van het plangebied (of andersom) noodzakelijk. Er dient getoetst te worden of in de omgeving van het plangebied sprake is van milieubelastende activiteiten en of er voldoende afstand in acht wordt genomen ten opzichte van deze activiteiten. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2009) van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten). Hierin is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De lijst geeft richtlijnen voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden dan voor drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. In de VNG-publicatie is een omschrijving van de gebiedstypes gemengd gebied en rustige woonwijk/rustig buitengebied gegeven.

Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. De minimale afstand per categorie is als volgt:

|36

Onderzoek Vanwege het planvoornemen waarbij de functie wijzigt naar wonen, dient de beoogde ontwikkeling te voldoen aan de richtafstanden tot omliggende milieubelastende bedrijven. Het plangebied is gelegen aan de Tuinstraat, nabij het centrum van Rijen met een verscheidenheid aan activiteiten. Rondom het plangebied komen diverse bestemmingen voor waarbinnen milieubelastende activiteiten mogelijk zijn. Het gaat hierbij om een basisschool, een moskee, een bedrijfshal en een paramedisch centrum. De omgeving van het plangebied kan derhalve aangemerkt worden als een gemengd gebied.

Figuur 19 - Huidige overschrijdingen richtafstanden

Aan soorten bedrijvigheid met milieubelastende activiteiten wordt een milieucategorie toegewezen. Echter beschikken de locaties in de omgeving van het plangebied tot de mogelijkheid hun bedrijfsvoering te veranderen. Het bestemmingsplan ‘Woongebied Rijen’ stelt namelijk regels op voor toegestane milieubelastende activiteiten per bestemming, gelet op de milieucategorie. De locaties in de omgeving hebben dus afhankelijk van de toegewezen bestemming de mogelijkheid tot het uitvoeren van andere bedrijfsmatigeen milieubelastende activiteiten. Hieronder volgt een beschrijving van de planologische mogelijkheden per bestemming: Bedrijf Op het perceel Burg. Sweensplein 32b/32c met de bestemming ‘bedrijf’ zijn bedrijven mogelijk zoals genoemd in ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’, onder de categorieën 1 en 2. De maximaal toegestane categorie van bedrijfsvoering op deze bestemming is dus categorie 2. Maatschappelijk Op de percelen Burg. Sweensplein 32a en Tuinstraat 15 met de bestemming ‘maatschappelijk’ zijn, zonder andere aanduiding, uitsluitend maatschappelijke voorzieningen en bijbehorende voorzieningen toegestaan. Maatschappelijke voorzieningen worden in art. 1.49 gedefinieerd als:

|37

educatieve, (para)medische, sociale, levensbeschouwelijke, religieuze, onderwijsvoorzieningen, sport, verzorgingstehuis, verzorgd wonen (waaronder aanleunwoningen en begeleid wonen) en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, begraafplaats, alsmede ondergeschikte detailhandel en horeca (categorie 1 en 2) in combinatie met en ten dienste van deze voorzieningen; De maximaal toegestane milieucategorie voor activiteiten op deze bestemming is dus categorie 2. Gemengd Op het perceel Kloosterstraat 6 met de bestemming ‘Gemengd’ zijn, zonder andere aanduiding, uitsluitend kantoren, publiekverzorgend ambacht en publiekverzorgend of maatschappelijke dienstverlening toegestaan. De locatie Kloosterstraat 6 beschikt over de functieaanduiding ‘Wonen’. Hiermee is het gebruik van de locatie voor woonfuncties ook toegestaan. Publiekverzorgend ambacht wordt in art. 1.62 gedefinieerd als: een bedrijf dat is gericht op het geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen van goederen en/of het leveren van diensten aan personen, die deze goederen of diensten aanwenden anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf; Dienstverlening wordt in art.

1.34 gedefinieerd als: het bedrijfsmatig verrichten van diensten van of ten behoeve van het publiek al dan niet met baliefunctie, zoals een uitzendbureau, bank, stomerij, wasserette, apotheek, kapsalon, schoonheidssalon, schoenmaker of reisbureau; De maximaal toegestane categorie van bedrijfsvoering op deze bestemming is dus categorie 2. Locatie

Bestemming

Milieucategorie Maximale huidige bedrijvigheid milieucategorie voor bestemming

Richtafstand huidige bedrijvigheid

Richtafstand Huidige planologische afstand situatie

Burg. Sweensplein 32a

Maatschappelijk Moskee

2

2

10 m

10 m

20 m

Paramedisch centrum

1

2

0m

10 m

5m

Tuinstraat 15 Maatschappelijk Basisschool

2

2

10 m

10 m

62 m

Burg. Sweensplein 32b/32c

2

2

10 m

10 m

5m

Kloosterstraat Gemengd 6 Bedrijf

Aard bedrijvigheid

Bedrijfshal

Gelet op de planologisch maximaal toegestane categorie voor bedrijfsvoering zijn er dus twee locaties die zich binnen de richtafstanden bevinden, namelijk Kloosterstraat 6 en Burg. Sweensplein 32b/32c. De richtafstand wordt bepaald op basis van de categorieën geur, stof, geluid en gevaar. Bij categorie 1 en 2 bedrijven is geluid vrijwel in ieder geval de bepalende factor voor de richtafstand. De richtafstand wordt gemeten van de grens van de bestemming tot de grens van het bouwvlak. Echter zijn bij de effecten van geluid meer aspecten dan alleen afstand van belang, bijvoorbeeld de oriëntatie en geometrie van bebouwing, of eventuele obstakels tussen de geluidsbron en het geluidgevoelig object. Dat een geluidsgevoelig object zich binnen de richtafstand bevindt betekent dus niet in elk geval dat er wegens geluidsoverlast geen sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Nagenoeg alle verblijfsruimtes (woonruimtes, tuinen en balkons) zijn aan de oosterzijde van het gebouw gevestigd terwijl de aangrenzende bedrijven aan de westzijde liggen. Alleen de slaapruimtes bevinden zich aan de westelijke zijde van het gebouw. De gevel aan deze kant blijft echter in originele staat en kan beschikken over geluidswerende kwaliteiten. De balkons en tuinen van de appartementen zouden de meeste overlast door geluid ervaren

|38

omdat deze zich in de buitenlucht bevinden. Deze zijn echter gevestigd aan de oostzijde van het gebouw, wanneer men hier dus gebruik van maakt is er een grotere afstand tot de locaties op Burg. Sweensplein 32b/c en Kloosterstraat 6, en zal het gebouw op de planlocatie daarbij zelf ook een geluidswerend effect hebben. Geluid afkomstig van lossen en laden, of het besturen, openen en sluiten van voertuigen bevindt zich juist niet aan de kant van het plangebied. Toegang voor voertuigen voor het paramedisch centrum en de bedrijfshal gaat via respectievelijk de Kloosterstraat en het Burg. Sweensplein. De gebouwen op deze beide percelen liggen tussen de entree’s en parkeerplaatsen en schermen het geluid richting het perceel Tuinstraat 33 af. Deze ligging beperkt daarmee ook de overlast van geluid afkomstig van bedrijfsactiviteiten. Daarbij kan benoemd worden dat er momenteel al woningen in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn, zoals te zien in Figuur 19. De aanwezigheid van deze woningen toont aan dat de planologische mogelijkheden van de omliggende bestemmingen niet zorgen voor een onacceptabel woon- en leefklimaat. De woning op Burg. Sweensplein 32 grenst direct aan de bedrijfshal van Burg. Sweensplein 32b/32c.

Het toevoegen van de beoogde woningen op het plangebied, dat zich op grotere afstand bevindt tot de bedrijfshal dan de huidige woning, zorgt dus niet voor het introduceren van een extra belemmering voor de mogelijke bedrijfsvoering. Dit is ook het geval voor de Kloosterstraat 6. Aan de zuidelijke zijde bevindt zich namelijk op circa één meter afstand de woning op de Tuinstraat 31. Daarbij beschikt de Kloosterstraat 6 al reeds over de functieaanduiding ‘Wonen’. Het introduceren van nieuwe woningen op het plangebied op grotere afstand dan de reeds aanwezige woningen zal daarom de mogelijkheid tot bedrijfsvoering voor de Kloosterstraat 6 niet hinderen. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van woningen op een afstand van minimaal 5 meter tot zowel de bedrijfshal op Burg. Sweensplein 32b/c als het paramedisch centrum op de Kloosterstraat 6. De aanwezigheid van reeds bestaande bouwvlakken voor woningen op 1 en 0 meter afstand duidt op een acceptabel woon- en leefklimaat dat niet in dusdanige mate wordt verstoord door de bedrijfsvoering op de voorheen genoemde locaties. Hiermee wordt aangetoond dat de omliggende bedrijven dus niet door het planvoornemen in hun mogelijkheden worden beperkt én dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

|39

5.

BESCHERMING VAN DE WATERBELANGEN

Nationaal waterbeleid Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot: • Het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; • Het bouwen binnen kunstfundamenten buiten stedelijk gebied; en • Het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (RWP) Op 22 december 2021 is het nieuwe Regionaal Water- en Bodem Programma in werking getreden. Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen.

Het RWP kent vijf beleidsopgaven met bijbehorende doelen: • Voldoende water - voldoende water betekent: niet te weinig diep en ondiep grondwater en oppervlaktewater met optimale zoetwaterbeschikbaarheid en waterverdeling in geval van extreme droogte, en niet te veel oppervlaktewater om ernstige regionale wateroverlast zo veel mogelijk te voorkomen. • Schoon water - schoon grond- en oppervlaktewater voor onze volksgezondheid en natuur, conform de normen van de KRW; voorkomen van verontreiniging en het beschermen van diepe grondwatervoorraden. • Veilig water - veiligheid tegen hoogwater in het hoofdwatersysteem en het regionaal watersysteem. • Vitale bodem - vergroten van de vitaliteit, sponswerking, resistentie tegen ziekten en natuurlijk productievermogen van de bodem voor duurzame landbouw en biodiversiteit. • Klimaatadaptatie - aanpassen aan klimaatverandering in alle domeinen van het provinciale waterbeleid. Beleid waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het gaat dan om het waterkwantiteit en –kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer.

Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 (Waterschap Brabantse Delta) Het beleid en de daarmee samenhangende doelen en ambities van het waterschap zijn opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 waarin het waterschap de koers aangeeft voor de komende zes jaar. In het Waterbeheerprogramma staan de kerntaken van het waterschap centraal. Dat zijn zorgen voor voldoende en schoon water voor natuur en landbouw, bescherming tegen overstromingen en het zuiveren van afvalwater. Tevens is een doel dat het waterschap aan een beter watersysteem werkt, voor mensen en voor flora en fauna. Het watersysteem moet robuuster worden: veiliger, minder kwetsbaar voor regenval en droogte, schoner, natuurlijker en beter toegankelijk voor recreanten. Het waterschap heeft waar nodig toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma en een eigen verordening; De Keur en de Legger.

|40

Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en de Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De Legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij de uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren.

De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de beleidsregel ‘Hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. In de Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak, via een afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: • het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; • de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; • de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; Voor de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² zijn compenserende maatregelen getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: 'benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06' Het gebruik van uitlogende (bouw)materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC wordt ten zeerste afgeraden in verband met de negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Door middel van de verplichte watertoets ziet het waterschap toe op de uitvoering van hun beleid.

Hiermee wordt gewaarborgd dat bij nieuwe ontwikkelingen het waterbeheer wordt meegenomen. Uitgangspunten gemeente Gilze en Rijen Volgens het gemeentelijk rioleringsplan, verbreed GRP Gilze en Rijen 2021-2025, moet bij nieuwbouw en herstructureringsprojecten voorkomen worden dat er negatieve effecten op de waterhuishouding optreden. Voor verbouw zonder toename van het verhard oppervlak geldt een retentie-eis van 7 mm. Bij nieuwbouw of toenemend verhard oppervlak geldt een retentie-eis van 60 mm. Onderzoek Bestaande situatie De planlocatie ligt in de bebouwde kom van Rijen, aan de oostzijde van het Centrumgebied. De planlocatie heeft een oppervlakte van circa 3.063 m². De planlocatie is momenteel zo goed als volledig verhard, met één hoofdgebouw op de locatie ter grootte van 1.576 m².

|41 •

•

•

•

Hemelwater De planlocatie is in de huidige situatie vrijwel volledig verhard, met uitzondering van enkele struiken en bomen. In de bestaande situatie wordt de neerslag plaatselijk afgevoerd of afgestroomd. Oppervlaktewater De planlocatie valt binnen het beheergebied van het waterschap Brabantse Delta. Nabij de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Afvalwater Ter plaatse is in de huidige situatie een bedrijfsgebouw met een kantoorfunctie aanwezig. De bebouwing is aangesloten op het gemeentelijke rioolsysteem. Bodem en grondwater De ondergrond in midden Noord-Brabant is opgebouwd uit afzettingen, die geohydrologisch kunnen worden onderverdeeld in relatief goed en slecht waterdoorlatende lagen. In de ondergrond van midden Noord-Brabant komen twee watervoerende pakketten voor, min of meer gescheiden door een slechte doorlatende laag.

Toekomstige situatie Het planvoornemen voorziet in de herontwikkeling van de voormalige lederfabriek naar 16 nieuwe appartementen door middel van gedeeltelijke sloop, renovatie en herbouw. In onderstaande afbeelding is de waterhuishoudelijke situatie van het planvoornemen te zien.

Figuur 20 Waterhuishouding

•

Waterkwantiteit Op basis van het beleid van het waterschap dient voor de toename van verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² compenserende maatregelen te worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. De gemeente eist in geval van verbouwing zonder toename van verhard oppervlak een retentie-eis van 7 mm per vierkante meter op het gehele perceel.

In onderstaand overzicht wordt de huidige situatie rondom de waterhuishouding vergeleken met de toekomstige situatie:

|42

Bruto (verharde) oppervlakten Totaal oppervlakte plangebied Halfverharding Groen Totaal onverhard oppervlak Bebouwing Verharding perceel Totaal verhard oppervlak

Huidige situatie ca. (m²) 3.063 0 339 339 1.576 1.157 2.733

Toekomstige situatie ca. (m²) 3.063 320 681 984 885 1.194 2.079

Verschil (m²) 0 +320 +342 +645 -691 +37 -645

Het verhard oppervlak neemt af met circa 645 m². Het totaal verhard oppervlak is in de toekomstige situatie circa 2.079 m². Op de planlocatie zijn drie gebouwen beoogd, het hoofdgebouw van 789 m², een gezamenlijke fietsenstalling van 79 m² en een containergebouw van 17 m², verder wordt er voor 681 m² plantvakken, hagen en plantenbakken toegevoegd. Op het terrein komen minimaal 26 (semi)verharde parkeerplaatsen. Uit bovenstaande overzicht blijkt dat het verhard oppervlak in het plangebied afneemt. Op basis van beleid van het waterschap is een compenserende maatregel om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan niet noodzakelijk. Het beleid van de gemeente Gilze-Rijen stelt echter bij verbouw zonder toename van het verhard oppervlak wel een retentie eis van 7 mm per m² verharding. Dit betekent dat er voor 2.079 m² x 7 mm = 14,6 m³ aan waterberging dient te worden gerealiseerd. De bergingsopgave van regenwater kan middels een waterbergende fundering of infiltratiekratten worden gerealiseerd. Bij toepassing van infiltratiekratten komt dit neer op het volgende: Eén krat kan 200 liter water bergen en heeft een afmeting van 60x60x60 cm. Er zijn hiermee 73 kratten nodig voor het voldoen aan de waterbergingseis. Dit komt neer op 27 m² aan infiltratiekratten. De beoogde locatie hiervoor is in Figuur 20 aangegeven. •

Afvalwater De hoofdbebouwing blijft aangesloten op de bestaande riolering.

Conclusie Het planvoornemen levert geen knelpunten op ten aanzien van het waterbelang.

|43

6.

WAARBORGEN VAN DE VEILIGHEID

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’.

Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;

|44

• •

Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).

Onderzoek Het planvoornemen voorziet in de transformatie van de voormalige lederfabriek Excelsior naar 16 nieuwe appartementen door middel van gedeeltelijke sloop, renovatie en bijbouw. De inventarisatiekaart van het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV) geeft een beeld van de risico's in de woon- en leefomgeving. Via de kaart wordt informatie gegeven over de risicobronnen en de kwetsbare objecten. In onderstaande uitsnede van de risicokaart is de omgeving van de voorliggende planlocatie weergegeven.

Figuur 21 Uitsnede kaart Externe veiligheid (plangebied rood omcirkeld)

Volgens de inventarisatiekaart rijken de risico-contouren van de verschillende risicobronnen niet tot aan het plangebied. Hiermee draagt het planvoornemen dus niet bij aan de toename van het groepsrisico. Externe veiligheid met betrekking tot luchthavens wordt behandeld in hoofdstuk 10, waar de nabijheid van de militaire vliegbasis Gilze-Rijen in behandeling wordt genomen. Conclusie Het waarborgen van de veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

|45

7. BESCHERMING VAN LANDSCHAPPELIJKE EN STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN EN CULTUREEL ERFGOED In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in respectievelijk archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen of activiteitgericht opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

7.1

Cultureel erfgoed

Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.

Figuur 22 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) (plangebied blauw omringd)

Toetsing Cultuurhistorische Waardenkaart Op de CHW is af te lezen dat de planlocatie ligt in de regio ‘Baronie’.

|46

De ontwikkelingsstrategie voor dit gebied is: 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio; 2. De cultuurhistorische waarden van de Baronie in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor de cultuurhistorische landschappen; 3. Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van de archeologische landschappen: “Beekdal van de Mark” en “Dekzandeiland Alphen-Baarle”. Ook bevindt het plangebied zich binnen de contouren voor ‘Historische Stedenbouw’. Rijen vindt zijn oorsprong als akkerdorp tussen de jaren 1300-1400. Voornamelijk dankzij de aanleg van de spoorlijn, en de daaropvolgende industriële ontwikkeling groeide het dorp snel uit tot een langgerekt straatdorp voornamelijk bestaande uit de Stationsstraat en de Hoofdstraat. De historische bebouwing is veelal afkomstig uit de leerindustrie, de looierijen en de daarbij behorende woonhuizen en villa’s. Het hoofdgebouw bevindt zich buiten de contouren voor ‘Historische Stedenbouw’, en behoort tot de indeling ‘Overige bouwkunst’. De architectuur en de vormgeving van het hoofdgebouw wordt in stand gehouden waardoor de cultuurhistorische kenmerken van de omgeving niet verloren gaan.

De transformatie in voorliggend planvoornemen betekent vanwege een duurzame renovatie, een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. De nabijgelegen panden die zijn aangewezen als overige bouwkunst worden met dit planvoornemen niet aangetast. Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Gilze en Rijen De Omgevingswet verplicht gemeenten om rekening te houden met cultureel erfgoed. Het cultureel erfgoed is verankerd in het gemeentelijk beleid. De gegevens zijn gevisualiseerd in de kaart ‘Cultuurhistorische inventarisatie’. Deze kaart geeft op overzichtelijke wijze inzicht in de historisch gevormde ruimtelijke structuur van het landschap en de waardevaste elementen of gebieden, die door wet of verordening worden beschermd. In één oogopslag is daarmee zichtbaar wat de historische structuur van een gebied is en met welke waarden rekening moet worden gehouden bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Figuur 23 Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart (plangebied rood omlijnd)

|47

Volgens de Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Gilze en Rijen (september 2022) ligt de planlocatie in het gebied ‘Bebouwde kom 1830-1900’. Als aanvulling op de cultuurhistorische inventarisatie geeft de cultuurhistorische waardenkaart met de bijbehorende toelichting een overzicht van de verschillende cultuurlandschappen en hun landschappelijke karakteristiek. Deze kaart dient met de toevoeging van de zogenaamde attentiegebieden tevens als signalering van gebieden, die bij ruimtelijke ingrepen ontzien moeten worden, of waar ruimtelijke ontwikkelingen gepaard moeten gaan met extra zorgvuldigheid. Dit betekent overigens niet dat de zones buiten de attentiegebieden geen behoudenswaardige cultuurhistorische waarden hebben.

Figuur 24 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (plangebied rood omcirkeld)

Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart van de gemeente Gilze en Rijen (september 2022) ligt de planlocatie in het cultuurlandschap aangeduid als ‘bebouwde kom’. Bebouwde kom Rijen De eerste vermelding van Rijen dateert uit 1404. Het dorp heeft zich langs de weg van Gilze richting Dongen op een hoge rug, de Hoogstraet, als een lintdorp ontwikkeld. In 1464 werd in Rijen een kapel gebouwd, die in 1483 is vervangen door een kruiskerk. In 1524 werd Rijen een zelfstandige parochie. In het begin van de 19e eeuw bevond zich langs de Kerkstraat de kern van Rijen. Langs de Hoekstraat bevond zich het buurtschap De Hoek. Mede door de aanleg van de spoorlijn Breda-Tilburg in het midden van de 19e eeuw is het bebouwingslint van Rijen verdicht en met name in zuidelijke richting uitgebreid tot aan de spoorlijn. In het begin van de 20e eeuw heeft de bebouwing zich verder langs het bestaande wegenpatroon uitgebreid. Na de Tweede Wereldoorlog zijn tussen de bestaande wegen uitbreidingswijken ingepast. Dit vond in eerste instantie tussen De Kerkstraat en de Laagstraat plaats. Vanaf de jaren zestig werden ook op andere locaties uitbreidingswijken gerealiseerd. In eerste instantie werd met name het gebied ten westen van de Kerkstraat bebouwd. Vanaf de jaren tachtig is ook ten oosten van de Laagstraat een uitbreidingswijk aangelegd. Het gebied tussen de spoorlijn en de Bredaseweg, d.w.z.

Haansberg, ontwikkelde zich als bedrijventerrein. Het planvoornemen sluit aan op de bestaande bebouwing in zowel vorm als stijl. Het planvoornemen behoudt de oorspronkelijke uitstraling passend bij het landschapstype dat voor de planlocatie wordt aangemerkt.

|48

Beschrijvingen cultuurhistorisch waardevolle panden (BP Woongebied Rijen) In het tijdelijk deel van het Omgevingsplan Gilze en Rijen is in BP Woongebied Rijen een lijst opgenomen met beschrijvingen van de voormalige leerfabriek en een motivering tot plaatsing op deze lijst Het terrein van de voormalige lederfabriek Excelsior is beeldbepalend vanwege de ligging op een binnenterrein van de Tuinstraat. Het fabriekspand is gebouwd in de typische fabrieksarchitectuur met verdiepte gevelvelden en lisenen, en een zich eindeloos herhalende reeks vensterpartijen met ijzeren kozijnen. Het pand bezit alle kenmerken van deze typische bouwstijl van lederfabrieken. In het kader van de cultuurhistorisch waardevolle status van de bebouwing is door BAAC een bouwhistorische verkenning opgesteld. Hieruit blijkt welke elementen van hoge waarde zijn en welke bij de transformatie behouden moeten blijven. Het volledige rapport (B-23.0868 d.d. 24-01-2024) is opgenomen als bijlage bij deze motivering. Conclusie Het planvoornemen vormt geen belemmering voor het aspect cultuurhistorie.

7.2

Archeologische waarden

Gemeentelijk archeologiebeleid Op 19 december 2022 heeft de gemeenteraad de Archeologische verwachtings- en beleidskaart vastgesteld. De archeologische beleidskaart is in een aantal fases tot stand gekomen. Allereerst is gestart met een inventarisatie van de reeds bekende archeologische waarden, historische relicten, landschappelijke en geomorfologische opbouw, alsook bodem. Dit heeft geresulteerd in een archeologische informatiekaart, historische relictenkaart, archeolandschappelijke eenhedenkaart en een bodemkaart. Op basis van de inventarisatiekaarten zijn twee verwachtingskaarten vervaardigd: ‘Jagers en Verzamelaars’ en ‘Boeren- en Staatse samenlevingen’. Ten slotte is aan de verschillende verwachtingseenheden beleid gekoppeld, waarmee de archeologische beleidskaart is ontstaan. De kaart houdt rekening met de specifieke context van de gemeente Gilze en Rijen. De bepaling van verwachtingen is zowel gebaseerd op actuele wetenschappelijke inzichten, als op een studie van technische gegevens. De beleidskaart wordt vertaald in de bestemmingsplannen In het beleidsplan onderscheidt de gemeente een 7-tal verwachtingen, variërend van een zeer hoge tot een verwaarloosbare archeologische verwachting. Per verwachtingswaarde heeft de gemeente bepaald wat de vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek.

|49

Figuur 25 Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Gilze-Rijen (plangebied rood omcirkeld)

Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Gilze-Rijen ligt het plangebied in de zone ‘categorie 3’, en heeft het plangebied de archeologische waarde ‘3a’. In deze zones worden archeologische resten van boeren- en staatse samenlevingen verwacht. Deze zijn in omvang groter dan bewoningsarealen van jagers en verzamelaars en kennen daarom een ruimere vrijstellingsgrens. In deze gebieden dienen bij voorkeur geen werkzaamheden (inclusief ondergrondse sloopwerkzaamheden) te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting van de (verwachte) archeologische resten leiden. Het beleid is dus gericht op behoud van de bestaande situatie: behoud in situ. Indien verstoring niet vermeden kan worden, dient zo veel mogelijk in een vroege fase van de planvorming archeologisch onderzoek plaats te vinden. Hierbij geldt dus dat er bij ingrepen groter dan 500m² en dieper dan 40cm beneden maaiveld een waardestellend archeologisch rapport moet worden overlegd. Het planvoornemen voorziet in een ingreep groter dan 500 m². Hiermee is het overleggen van een archeologisch rapport dus verplicht. Onderzoek In mei 2024 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Tuinstraat 33 in Rijen (gemeente Gilze en Rijen). Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO).

De vraagstelling van deze onderzoeken richt zich op het vaststellen en toetsen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied. Bureauonderzoek Volgens de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Gilze en Rijen ligt het plangebied binnen een zone zonder verwachting op resten van jagers en verzamelaars. Hierdoor geldt voor het plangebied een lage archeologische verwachting voor de periode Laat- Paleolithicum-Mesolithicum. Het plangebied heeft een hoge archeologische verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de periode Neolithicum-Vroege Middeleeuwen.

|50

Op de archeologische verwachtingskaart ligt het plangebied in een zone waarbinnen resten van boeren- en Staatse samenlevingen worden verwacht. Uit eerder uitgevoerde onderzoeken waren archeologische vondsten en bewoningsresten aangetroffen uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd. Er geldt er een hoge archeologische verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd. Volgens de historische kaarten was het plangebied gedurende de Nieuwe Tijd niet bebouwd geweest. Er kunnen daardoor sporen van landbouw aanwezig zijn in het plangebied. Veldonderzoek Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is de hoge verwachting op archeologische resten uit de periode Neolithicum – Nieuwe Tijd bevestigd. Op basis van het bureauonderzoek geldt een lage verwachting op archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum. Bij het veldonderzoek zijn geen tegenstellende aanwijzingen, zoals een vuursteenafslag, gevonden om deze verwachting bij te stellen. Advies Voor het plangebied bestaat het voornemen een omgevingsvergunning aan te vragen ten behoeve van de sloop van een deel van de bestaande bebouwing (1200 m2). Het zuidwestelijke deel van de bebouwing zal worden verbouwd ten behoeve van de realisatie van 16 woningen (520 m2). Er zullen ook twee nieuwe bijgebouwen worden gerealiseerd (80 m2).

Rondom de bebouwing zullen ook parkeerplaatsen worden gerealiseerd (102 m2). Volgens de opdrachtgever zal de nieuwe vloer niet dieper dan 10,5 cm -Mv worden aangelegd, m.u.v. eventuele paalfundering. Voor het plangebied geldt een hoge verwachting op archeologische resten uit de periode Neolithicum – Nieuwe Tijd. Wanneer in het noorden van het plangebied graafwerkzaamheden ten behoeve van de sloop en verbouwing van de bestaande bebouwing of de aanleg van de parkeerplaats plaatsvinden beneden 105 cm -Mv (7,92 m +NAP: 30 cm buffer boven het archeologische niveau) of in het zuiden van het plangebied graafwerkzaamheden ten behoeve van de sloop en verbouwing van de bestaande bebouwing of de aanleg van de parkeerplaats plaatsvinden beneden 80 cm -Mv (8,13 m +NAP: 30 cm buffer boven het archeologische niveau) adviseren wij een vervolgonderzoek uit te voeren (karterende en waarderende fase). Dit kan het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek gezien de verwachting op grondsporen en vondsten (IVO-P). Wanneer alleen voor de verwijdering van de poeren van de bestaande bebouwing, of de aanleg van de bijgebouwen dieper wordt gegraven dan 105 cm -Mv, is een vervolgonderzoek naar onzes inziens niet nodig. Door het geringe oppervlak van deze ingrepen is de kans klein dat een volledige vindplaats wordt bedreigd.

Wij adviseren de poeren met zorg te verwijderen (niet onnodige rondom of onder de poeren graven). Mocht er ten behoeve van de toekomstige ontwikkelingen een palenfundering noodzakelijk zijn, adviseren wij een archeologievriendelijk palenplan en methode toe te passen 1. Onder andere wordt dan geadviseerd grondvervangende palen toe te passen. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Gilze-Rijen) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. Conclusie Het aspect archeologische waarden veroorzaakt geen belemmering voor het planvoornemen. Wel is geadviseerd een omgevingsvergunning aan te vragen ten behoeve van de sloop van een deel van de bestaande bebouwing.

|51

7.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsactiviteit Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3.

Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit jurisprudentie blijkt dat vanaf 12 nieuwe woningen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en dat deze Ladderplichtig is. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het planvoornemen een ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onderzoek Het planvoornemen is om 16 appartementen te realiseren ter plaatse van de Tuinstraat 33 in Rijen. Deze locatie bevindt zich binnen stedelijk gebied.

Het aantal van 16 woningen ligt echter boven de drempelwaarde van 12 woningen. Zodoende is het planvoornemen aan te merken als een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Een beschrijving van de behoefte van de ontwikkeling verplicht.

|52

De behoefte van nieuwe stedelijke ontwikkelingen dient kwantitatief en kwalitatief te worden onderbouwd. Wanneer de regionale ruimtevraag in beeld is, kan worden beoordeeld of de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.

Kwantitatieve behoefte In 2020 heeft de Provincie Noord-Brabant haar bevolkings- en woningbehoefteprognose geactualiseerd. Tot 2030 zal de woningvoorraad nog met 120.000 woningen moeten toenemen, oftewel zo’n 12.000 woningen per jaar. Dit om de verwachte groei van het aantal huishoudens op te kunnen vangen en bestaande woningtekorten terug te dringen. Regionaal zijn er grote en toenemende verschillen in groei van de woningvoorraad. De groei concentreert zich in stedelijke gebieden. Rijen behoort tot stedelijk concentratiegebied, waarvoor een groei van 18.400 woningen is voorzien voor de periode 2020-2030. Dit betreft een groei ten opzichte van de bestaande woningvoorraad.

Figuur 26 Woningbouwprognose Noord-Brabant

Gilze-Rijen behoort tot de woondealregio Stedelijke Regio Breda Tilburg (SRBT). Binnen deze regio is een woondeal opgesteld, met daarin een prognose voor de hoeveelheid woningen die in de regio nodig zijn.

Figuur 27 Woningbehoefte woondeal SRBT

De bevolking van Rijen zal tevens de komende jaren verder groeien, volgens projecties zal de bevolking tot 2040 met 2.340 inwoners groeien. Dat betekent dat ook de woningbehoefte toeneemt. De gemeente is tevens voornemens om een ‘overloopfunctie’ voor de directe regio te vervullen. Momenteel zijn er in de periode 2017

|53

– 2026 plannen voor 851 woningen, wat met een gemiddelde huishoudensgrootte van 2,1 uitkomt op capaciteit voor 1.787 inwoners. Van deze geplande woningen bestaat slechts 18% uit appartementen. Het planvoornemen waarbij 16 appartementen worden gerealiseerd draagt ook bij aan de diversificatie van het woningaanbod. Verder staan er voor de periode na 2027 nog mogelijkheden open voor ca. 350 woningen op locaties die door de gemeente worden beoogd als in aanmerking komend voor woningbouw. Binnen het beoogde woningbouwprogramma is er dus een kwantitatieve behoefte voor het planvoornemen. Kwalitatieve behoefte Het programma sluit aan bij de gemeentelijke woonvisie en de Structuurvisie Stedelijk Gebied Gilze en Rijen. De realisatie van 16 nieuwe appartementen binnen bestaand stedelijk gebied geeft gehoor aan de voorkeur voor inbreiding. Het planvoornemen voldoet aan de doelstellingen voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Er wordt voldaan aan het behoudt van cultuurhistorische waarde van de locatie door de instandhouding van het historisch fabriekspand en de herkenbaarheid van de plek. Daarnaast is er sprake van de functionele noodzaak waarbij een verouderd fabriekspand wordt verbouwd, gerenoveerd en verduurzaamd. Conclusie Het aspect ladder voor duurzame verstedelijking biedt geen belemmering voor het planvoornemen.

7.4

Ruimtelijke kwaliteit en welstand

Welstandsnota Gemeente Gilze en Rijen Het welstandstoezicht is bedoeld om, in alle openheid, een bijdrage te leveren aan de schoonheid en de aantrekkelijkheid van de gemeente Gilze en Rijen. De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen samen de dagelijkse leefomgeving. Dat betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van de eigenaar van het bouwwerk alleen; elke voorbijganger wordt ermee geconfronteerd, of hij nu wil of niet. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van het onroerend goed en versterkt het vestigingsklimaat. Het gemeentelijk welstandsbeleid bevat de welstandsaspecten en de criteria waaraan bouwplannen in die gemeente worden getoetst. Het gaat daarbij om algemene welstandscriteria, gebiedsgerichte welstandscriteria, welstandscriteria voor specifieke objecten en welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken. De algemene welstandscriteria richten zich op: De relatie tussen vorm, gebruik en constructie; De relatie tussen bouwwerk en omgeving; De betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context; Het evenwicht tussen helderheid en complexiteit; Schaal en maatverhoudingen; Materiaal, textuur, kleur en licht. Op 20 december 2010 heeft de gemeenteraad ingestemd met het vernieuwen van het welstandsbeleid.

Uit dit besluit blijkt dat de Welstandsnota Gilze en Rijen alleen nog geldt voor de rode gebieden op het bij de besluit behorende kaart. Voor de gele gebieden geldt niet meer de Welstandsnota Gilze en Rijen, maar in plaats daarvan zal de beoordeling aan redelijke eisen van welstand plaatsvinden door middel van de “algemene voorschriften gele gebieden’. Voor groene gebieden geldt de Welstandsnota Gilze en Rijen niet meer, met uitzondering van de excessenregeling.

|54

Figuur 28 Uitsnede kaart Welstandsnota (planlocatie zwart omlijnd)

Onderzoek De planlocatie valt in het rode en roze gebied. Het rode gebied heeft betrekking op de cultuurhistorisch waarde van het historische fabrieksterrein. Daarnaast geeft de roze kleur het karakteristiek pand weer. Voor de rode gebieden beoordeelt de Welstandscommissie de bouwplannen op basis van de Welstandsnota. Het planvoornemen houdt de maatvoeringen en locatie van de bestaande bebouwing aan waardoor het verkavelingspatroon onaangetast blijft. De bebouwing ter plaatse van de planlocatie is aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol. Het planvoornemen houdt hier rekening mee en behoudt grotendeels de bestaande historische uitstraling door zowel ontwerp- als materiaalkeuzes. De historische gevel wordt tevens behouden. Het bouwplan wordt voorgelegd aan de Welstandscommissie, die een advies zal geven. Conclusie Het aspect ruimtelijke kwaliteit en welstand vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

|55

8.

NATUURBESCHERMING

De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. De Wet natuurbescherming is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die geldig waren in de Wet natuurbescherming. Voor het tijdelijk Omgevingsplan van de gemeente Gilze en Rijen is er sprake van een beleidsneutrale overgang. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht zijn ongewijzigd. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

8.1

Gebiedsbescherming

Natura 2000 De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Stikstof Onder de Omgevingswet is er een stikstofregistratiesysteem in plaats van de nationale Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). De regels over de nationale Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) komen niet terug onder de Omgevingswet. Wel geeft de Omgevingswet regels over een stikstofregistratiesysteem voor woningbouwprojecten en enkele rijkswegen. Dat systeem houdt bij hoeveel ruimte er aan stikstofdepositie is voor (nieuwe) projecten zonder dat Natura 2000-gebieden daaronder lijden.

De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt de structurele stikstofaanpak door de volgende onderdelen op te nemen in het stelsel van de Omgevingswet: • resultaatsverplichtende omgevingswaarden voor de stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden • een verplicht Rijksprogramma stikstofreductie en natuurverbetering • een systeem van monitoring en bijsturing

|56

Onderzoek Voor het planvoornemen, de woningbouwopgave van 16 nieuwe wooneenheden in de huidige bedrijfsbebouwing aan de Tuinstraat 33 te Rijen, is op 23 mei 2024 een stikstofberekening uitgevoerd. Deze berekening maakt inzichtelijk wat de stikstofdepositie is gedurende de aanleg- en gebruiksfase. Het volledige rapport is als bijlage bij de motivering opgenomen. Uit de berekening blijkt dat – met de uitgangspunten die in dit onderzoek gedaan zijn – gedurende de aanlegen gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar is berekend.

8.2

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. Onderzoek Voor het planvoornemen, de transformatie van de voormalige lederfabriek Excelsior naar 16 appartementen, is door een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het volledige rapport is als bijlage bij de motivering opgenomen. Grondgebonden zoogdieren De voorgenomen werkzaamheden hebben geen negatief effect op grondgebonden zoogdieren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14653789/2