8. Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit
Tekst van het document
Partner in ontwikkeling
Motivering Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit Tuinstraat 33 - Rijen
www.leefomgevingsadvies.nl
Motivering Buitenplanse Omgevingsactiviteit
Tuinstraat 33, Rijen Gemeente Gilze en Rijen
Planstatus Datum Indentificatienummer
Concept 27-08-2024
Opdrachtgever Adviseur
[opdrachtgever] . Leef Omgevingsadvies B.V. KVK: 88285367 E: Info@leefomgevingsadvies.nl I: www.leefomgevingsadvies.nl T: + 31 6 246 02617
|1
Inhoud 1.
Inleiding.......................................................................................................................................................3 1.1
Aanleiding ..............................................................................................................................................3
1.2
Ligging van de planlocatie......................................................................................................................3
1.3
Omgevingsplan .......................................................................................................................................4
1.4
Leeswijzer ..............................................................................................................................................5
2.
Wijziging van de fysieke leefomgeving ......................................................................................................6 2.1
Bestaande situatie .................................................................................................................................6
2.2
Toekomstige situatie .............................................................................................................................9
2.3
Afwijking omgevingsplan .....................................................................................................................13
3.
Beleidskader .............................................................................................................................................14 3.1
Rijksbeleid ............................................................................................................................................14
3.2
Provinciaal beleid .................................................................................................................................16
3.3
Gemeentelijk beleid .............................................................................................................................18
4.
Bescherming van gezondheid en milieu ...................................................................................................27 4.1
Geluid...................................................................................................................................................27
4.2
Bodemkwaliteit ....................................................................................................................................28
4.3
Luchtkwaliteit ......................................................................................................................................30
4.4
Geur .....................................................................................................................................................31
4.5
Trillingen ...............................................................................................................................................34
4.6
Bedrijfsmatige- en milieubelastende activiteiten .................................................................................35
5.
Bescherming van de waterbelangen .........................................................................................................39
6.
Waarborgen van de veiligheid .................................................................................................................43
7.
Bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed ...................45
8.
Natuurbescherming ..................................................................................................................................55
9.
Behouden van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen ...............................................59
10.
Vliegbasis Gilze-Rijen ................................................................................................................................60
11.
Milieueffectrapportage ............................................................................................................................61
12.
Uitvoerbaarheid .......................................................................................................................................62
13.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties ...................................................................................63
Bijlagen: Bijlage 1. Quickscan flora&fauna Bijlage 2. Bouwhistorische verkenning Bijlage 3. Asbestinventarisatie Bijlage 4. Rapportage Stikstofdepositie Bijlage 5. Verkennend bodemonderzoek Bijlage 6. Archeologisch onderzoek
|2
Bijlage 7. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 8. Parkeerbalans Bijlage 9. Aanmeldnotitie vormvrije M.E.R.
|3
1.
INLEIDING
1.1
Aanleiding
Leef Omgevingsadvies heeft het voornemen om de voormalige lederfabriek Excelsior aan de Tuinstraat 33 in Rijen te transformeren naar een woningbouwlocatie voor 16 appartementen. De locatie heeft in het Omgevingsplan Gilze en Rijen de functie ‘Bedrijf’. Vanwege de functie ‘Bedrijf’ is de activiteit voor een woningbouwontwikkeling niet mogelijk op basis van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Om de ontwikkeling van 16 appartementen toch mogelijk te maken, wordt via een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) afgeweken van het omgevingsplan. In deze motivering wordt onderbouwd dat de woningbouwontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. Deze BOPA maakt het beoogde plan juridisch-planologisch mogelijk. In een vooraanvraag heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen op 29 augustus 2023 besloten in principe medewerking te verlenen aan de realisatie van 16 appartementen.
1.2
Ligging van de planlocatie
De planlocatie betreft het terrein van de voormalige lederfabriek Excelsior en bevindt zich op een binnenterrein aan de Tuinstraat 33 ten oosten van het centrumgebied in Rijen. Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrenst door de Tuinstraat. Aan de noordzijde grenst het plangebied aan woningen en een moskee. Aan de oostzijde grenst het plangebied uitsluitend aan woningen. Aan de westzijde grenst het plangebied aan woningen, een paramedisch centrum en een bedrijfshal.
Figuur 1 Situering plangebied in Rijen (rood omlijnd)
|4
1.3
Omgevingsplan
Voor het planvoornemen geldt het Omgevingsplan Gilze en Rijen, zoals in werking getreden op 1 januari 2024. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen, het tijdelijk deel omgevingsplan en de bruidsschat. Voor de planlocatie gelden de ruimtelijke regels uit het bestemmingsplan “Woongebied Rijen” van de gemeente Gilze en Rijen, vastgesteld op 4 februari 2013.
Figuur 2 Uitsnede: Regels op de kaart (bestemmingsplan) (planlocatie rood omlijnd)
Enkelbestemming Voor het perceel geldt de enkelbestemming ‘Bedrijf’ met een bouwvlak. De bebouwing is aangeduid als cultuurhistorisch waardevolle bebouwing met een specifieke maatvoering, namelijk een maximum bouw- en goothoogte van 9 meter. Binnen deze bestemming zijn de gronden aangewezen voor bedrijven zoals genoemd in de bij de regels behorende bijlage 'Staat van bedrijfsactiviteiten' onder de categorieën 1 en 2. Dubbelbestemming Over de gehele planlocatie ligt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 6’. Deze gronden zijn, behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Een archeologisch onderzoek is vereist bij het bouwen van bouwwerken groter dan 25.000 m² en dieper dan 40 cm, of wanneer heiwerkzaamheden benodigd zijn. Gebiedsaanduiding Ter plaatse van de aanduiding 'overig - IHCS - 1' geldt ten behoeve van het obstakelvrije (start- en landings)vlak met zijkanten een bouwverbod voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, met een hogere bouwhoogte dan 56 meter boven NAP in verband met het beschermingsgebied van in- en uitvliegfunnel van vliegtuigen.
|5
1.4
Leeswijzer
De motivering is opgebouwd uit verschillende hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de wijziging van de fysieke leefomgeving en worden de bestaande en toekomstige situatie beschreven. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het beleidskader op nationaal-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 4 wordt de bescherming van gezondheid en milieu getoetst. Vervolgens komt in hoofdstuk 5 de bescherming van de waterbelangen aan de orde. Hoofdstuk 6 gaat in op het waarborgen van de veiligheid. Hoofdstuk 7 geeft een beschrijving en toetsing van de bescherming van de landschappelijke- en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. In hoofdstuk 8 komt natuurbescherming aan bod. Hoofdstuk 9 gaat in op het behouden van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen. In hoofdstuk 10 wordt het plan getoetst aan de vliegbasis Gilze-Rijen. Hoofdstuk 11 gaat in op de milieueffectrapportage. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid worden in hoofdstuk 12 beschreven. Tot slot wordt in hoofdstuk 13 een algemene conclusie beschreven op basis van een evenwichtige toedeling van functie en locaties.
|6
2.
WIJZIGING VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING
2.1
Bestaande situatie
Ruimtelijke structuur De gemeente Gilze en Rijen omvat de kernen Gilze, Rijen, Molenschot en Hulten. De gemeente ligt tussen Breda en Tilburg. Hemelsbreed liggen Gilze en Rijen vier kilometer van elkaar vandaan, gescheiden door de A58 en de vliegbasis Gilze-Rijen. Door de ligging aan de A58, de N282 en de N631 heeft de gemeente Gilze en Rijen een goede bereikbaarheid. Van oudsher is Rijen een agrarisch lintdorp, wat behoorde tot de Baronie van Breda. Rijen is ontstaan aan de route die men nu kent als Julianastraat, Stationsstraat, Hoofdstraat en Dongenseweg. De Hoofdstraat kenmerkt zich als een relatief rustige straat met laagbouw. De Tuinstraat bevindt zich ten oosten van de Hoofdstraat en loopt in oostelijke richting door tot aan de Laagstraat. Planlocatie Het terrein van het plangebied ligt aan de Tuinstraat 33 in Rijen. De omgeving van het plangebied is gemengd en bestaat uit woningen, een moskee, een bedrijfshal en een paramedisch centrum met daarin een diëtisten-, een (kinder)fysio--, verloskundige- en een haptonomiepraktijk. Het plangebied betreft het terrein van de voormalige lederfabriek Excelsior en heeft een totale oppervlakte van circa 3.063 m². Op het binnenterrein bevindt zich een hoofdgebouw met een oud en nieuw gedeelte. De footprint van het hele gebouw is circa 1.579 m².
Het oorspronkelijke deel van het fabrieksgebouw is circa 9 meter hoog en betreft het westelijke deel van het hoofdgebouw. Later is er een nieuw gedeelte aangebouwd, Dit betreft een rechthoekige aanbouw aan de oostzijde met een bouw- en goothoogte van circa 6 meter. In het hoofdgebouw is momenteel een drukkerij met kantoor gevestigd. De overige gronden op het terrein zijn verhard. Aan de oostelijke zijde bevinden zich enkele bomen en struiken. Op het terrein is voor en naast het gebouw parkeergelegenheid. Het plangebied wordt ontsloten door de Tuinstraat.
|7
Bedrijfshal
Figuur 3 Functies directe omgeving plangebied
Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing Het hoofdgebouw is niet aangemerkt als monument, maar is wel opgenomen op de MIP-lijst. Het hoofdgebouw heeft op basis van het Omgevingsplan Gilze en Rijen een aanduiding voor cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Het hoofdgebouw betreft de voormalige lederfabriek Excelsior. De fabriek opende in 1927 zijn deuren, en stopte de oorspronkelijke bedrijfsvoering 1968. Het fabriekspand is sinds 1989 in gebruik als bedrijfspand waarin momenteel een drukkerij- en beletteringsbedrijf is gevestigd. Het terrein van de voormalige lederfabriek Excelsior is beeldbepalend vanwege de ligging op een binnenterrein van de Tuinstraat. Het fabriekspand is gebouwd in de typische fabrieksarchitectuur met verdiepte gevelvelden en lisenen, en een zich eindeloos herhalende reeks vensterpartijen met ijzeren kozijnen die in de loop der jaren voor een groot deel zijn dichtgemetseld. Het pand bezit alle kenmerken van deze typische bouwstijl van lederfabrieken. In het kader van de cultuurhistorisch waardevolle status van de bebouwing is door BAAC een bouwhistorische verkenning opgesteld. Het volledige rapport (B-23.0868 d.d. 24-01-2024) is opgenomen als bijlage bij deze motivering.
|8
Figuur 4 Voorgevel hoofdgebouw
Figuur 5 Globale fasering bebouwing
|9
Figuur 6 Zijvleugel hoofdgebouw
Figuur 7 Impressie van de huidige bedrijfsruimte
2.2
Toekomstige situatie
Planvoornemen Het planvoornemen betreft de herontwikkeling van het voormalige fabriekspand. Hierbij wordt het bestaande pand getransformeerd naar 16 appartementen. Dit houdt in dat het pand wordt verbouwd waarbij een gedeelte wordt gesloopt. Het oorspronkelijk pand uit 1928 wordt grotendeels behouden en uitgebreid met kleinschalige nieuwbouw aan de noord- en oostzijde. Zo wordt ruimte gecreëerd voor 16 appartementen waarvan 8 stuks op de begane grond en 8 stuks op de verdieping. De positie van de nieuwbouw is zodanig gekozen dat de littekens van de huidige aanbouwen zoveel als mogelijk worden weggenomen.
|10
Vanwege de cultuurhistorische waarde van de originele bebouwing is het uitgangspunt om de originele karakteristieken en uitstraling van de bebouwing grotendeels te behouden of terug te brengen. Voor de herinrichting van het bijbehorende terrein wordt door het gebruik van robuuste materialen aangesloten op het fabriekskarakter. Tevens wordt voor een prettig woon- en leefklimaat meer ruimte gecreëerd voor groen. Het terrein blijft privaat eigendom. Sloop Een gedeelte van de bestaande bebouwing zal worden gesloopt. De sloop betreft voornamelijk het grootste gedeelte van de uitbouw afkomstig uit 1997. In verband met de constructieve en bouwkundige ongeschiktheid worden de aanbouwen uit 1948 en 1971 eveneens gesloopt. De bebouwing die wordt gesloopt is niet aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol. Renovatie Het oorspronkelijk pand uit 1928 wordt grotendeels behouden en waar mogelijk hersteld. Het bestaande pand wordt aan de binnenzijde geïsoleerd om de kenmerkende metselwerk gevels te behouden. Dichtgemetselde raampartijen worden deels weer geopend en het hele pand wordt voorzien van nieuwe kozijnen met isolatieglas. Op het bestaande dak liggen reeds ca. 160 zonnepanelen die worden behouden. Kleinschalige nieuwbouw aan de noord- en oostzijde maakt het mogelijk extra woningen te realiseren en een goede woonplattegrond te creëren.
De zeer hoge plafonds met de entresols op de eerste verdieping geven een bijzondere woonkwaliteit en maken het oorspronkelijke karakter van lederfabriek zichtbaar. De originele hoofdingang blijft door een visueel vergelijkbaar element in de voorgevel behouden maar zal niet meer als hoofdingang functioneel zijn. Transformatie In plaats van één hoofdingang aan de voorzijde zal het gebouw beschikken over vier ingangen aan de oostzijde die toegang geven tot trappenhuizen. De footprint van het appartementengebouw bedraagt circa 789 m². De 16 appartementen zijn opgedeeld in verschillende oppervlakten met bijbehorende prijsklasse. Met het planvoornemen worden 6 appartementen gerealiseerd met een oppervlak tussen de 55 en 67 m² behorende tot het midden segment huur, en 10 appartementen tussen de 69 m² en 84 m² behorende tot de vrije sector. De appartementen op de begane grond beschikken over een klein privéterras van circa 18 m² die tegen het hoofdgebouw aanligt, de appartementen op de verdiepingen beschikken over balkons. Er worden twee bijgebouwen op het terrein toegevoegd, namelijk een gezamenlijke fietsenstalling van ca. 79 m² en een containergebouw van 17 m². De bijgebouwen worden vrijstaand ten opzichte van het hoofdgebouw gebouwd. De gezamenlijke fietsenstalling wordt gerealiseerd in de noordoosthoek van het terrein.
Het containergebouw zal worden gerealiseerd in de zuidwesthoek van het terrein. Parkeren Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 16 nieuwe appartementen. Als gevolg van het planvoornemen zal de verkeerssituatie en de parkeerbehoefte wijzigen. Op het terrein worden 26 parkeerplaatsen gerealiseerd voor de nieuwe woningen. Daarnaast wordt de optie aangeboden om voor de bestaande woningen Tuinstraat 25-31 vier parkeerplaatsen te realiseren nabij hun woningen. Hiervoor dient in overleg met de buren de bestaande erfafscheiding verwijderd te worden. De behoefte aan fietsparkeerplaatsen wordt opgevangen door de bouw van de gezamenlijke fietsenstalling voor de nieuwe bewoners en enkele fietsnietjes voor bezoekers. Paragraaf 3.6 geeft een overzicht en uitwerking van de toekomstige verkeersgeneratie en parkeerbehoefte.
|11
Figuur 8 Nieuwe inrichting terrein
Figuur 10 Indeling appartementen begane grond nieuwe situatie
Figuur 9 Ontwerp vogelvlucht
|12
Figuur 11 Ontwerp aanzicht voorgevel (links) en entree (rechts)
Figuur 12 - Ontwerp aanzicht gevel vanuit oosten
|13
Figuur 13 Ontwerp aanzicht rechtsachter
2.3
Afwijking omgevingsplan
In het geldende Omgevingsplan van de gemeente Gilze en Rijen heeft het plangebied de functie ‘Bedrijf’. Binnen deze functie is ter plaatse een bedrijf, categorie 1 of 2 toegestaan. Het bestaande bedrijfspand mag op basis van de regels opgenomen in het Omgevingsplan Gilze en Rijen niet worden gebruikt voor bewoning. Het planvoornemen beoogt een transformatie van het bestaande bedrijfspand naar een appartementsgebouw. Om een toekomstige woonfunctie in het pand mogelijk te maken is afwijken van het omgevingsplan noodzakelijk.
|14
3.
BELEIDSKADER
3.1
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) heeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstellen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. De Nationale Omgevingsvisie biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor hen liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan.
Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet het Rijk een proces in gang waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Deze belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio’s; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Toetsing Met voorliggend planvoornemen zijn geen nationale belangen in het geding. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels voor een omgevingsplan. Het grootste deel heeft betrekking op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl). Deze instructieregels zijn van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet.
Aan deze regels mogen geen economische motieven ten grondslag liggen, die leiden tot strijd met de dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl). Het Bkl bevat instructieregels voor de volgende hoofdonderwerpen: • Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2);Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3);Beschermen van gezondheid en milieu (5.1.4);Waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; Het behoud van ruimte toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
|15 •
Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en wethouders de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Instructieregels van afdeling 5.1 Bkl gelden, zoals gezegd, alleen voor de omgevingsplanregels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het grootste deel van de Bklinstructieregels is dus niet van toepassing op omgevingsplanregels met een ander oogmerk. Over de onderwerpen waarvoor het Bkl geen instructieregels heeft opgenomen is de gemeente vrij om regels te stellen, mits deze past binnen de andere kaders natuurlijk. Het Rijk hanteert verschillende typen instructieregels, die meer of minder afwegingsruimte bieden: 1. Betrekken bij: de gemeente moet aandacht schenken aan feiten of verwachtingen over geiten, maar heeft daarbij veel keuzeruimte; 2. Rekening houden met: deze formulering stuurt inhoudelijk de belangenafweging; als de gemeente daar goede redenen voor heeft, is afwijken gemotiveerd toegestaan; 3.
In acht nemen of een vergelijkbare dwingende formulering: de gemeente moet zich bij de uitoefening van de bevoegdheid aan de achterliggende norm houden. Een belangrijke verbeterdoelstelling van de Omgevingswet is dat decentrale overheden meer bestuurlijke afwegingsruimte krijgen. Deze afwegingsruimte is in de instructieregels van het Bkl vormgegeven door voor een aantal thema’s (geluid, geur en trillingen) standaardwaarden en grenswaarden op te nemen. Overname van de standaardwaarde kan in beginsel zonder aanvullende motivering. Gebruikmaking van de ruimte tussen standaard- en grenswaarde vergt wel een aanvullende motivering. Samenvattend is de afwegings- of beslisruimte afhankelijk van: 1. Het type instructieregel; 2. De aarde van de norm (open of gesloten); en 3. Flexibiliteitsopties die binnen de instructieregels worden geboden. Toetsing Voor het planvoornemen zijn geen nationale belangen in het geding. In voorliggende motivering wordt nader, wanneer van toepassing, ingegaan op de bovengenoemde hoofdonderwerpen uit het Bkl. Conclusie Het planvoornemen past binnen het rijksbeleid.
|16
3.2
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Noord-Brabant In december 2018 is de Brabantse omgevingsvisie vastgesteld. Deze omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. De omgevingsvisie geeft antwoord op de vraag hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien en waar Noord-Brabant in 2030 tenminste moet staan om die lange termijndoelen te halen. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De visie bestaat uit een basisopgave en vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn. De basisopgave is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. De vier hoofdopgaven komen voort vanuit de basisopgaven. Het gaat om de volgende hoofdopgaven: • • • •
Hoofdopgave I: werken aan de Brabantse energietransitie Hoofdopgave II: werken aan een klimaatproof Brabant Hoofdopgave III: werken aan de slimme netwerkstad Hoofdopgave IV: werken aan een concurrerende, duurzame economie
Om de doelen voortkomend uit de hoofdopgaven te bereiken zet de provincie Noord-Brabant in op een samenhangende ruimtelijke koers. De omgevingsvisie bevat geen sectorale beleidsdoelen. De concrete doelen, voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit, staan nu nog in de bestaande plannen van de provincie (PMWP, SVRO, PVVP). Grote delen van die beleidsplannen horen vanuit het systeem van de Omgevingswet straks thuis in de programma’s. De beleidsmatige uitganspunten van de structuurvisie zijn, voor de aspecten waarop het provinciaal belang in geding is, uitgewerkt in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. (TAM) Omgevingsverordening Noord-Brabant De beleidsmatige uitgangspunten van de Omgevingsvisie Noord-Brabant zijn voor de aspecten waarop het provinciaal belang in het geding is, uitgewerkt in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Volgens de bijbehorende kaart is de planlocatie gelegen in de volgende gebieden: • • • • • • • •
Diep grondwaterlichaam (kaart 1+9) Aardkundige waarden (kaart 2+9) Stedelijk gebied (kaart 5+9) Beperking grootschalige logistiek (kaart 5+9) Stalderingsgebied (kaart 6+9) Norm wateroverlast stedelijk gebied (kaart 7+9) Ambtsgebied provincie Noord-Brabant (kaart 9) Geen attentiezone waterhuishouding (kaart 9)
Diep grondwaterlichaam (art. 3.12) Boven, in of onder een diep grondwaterlichaam is de onconventionele winning van koolwaterstoffen verboden. Dit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
|17
Aardkundige waarden (art.5.43) Een omgevingsplan ter plaatse van aardkundige waarden is mede gericht op het behoud, het herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken. Bovendien dient er bij de toedeling aan functies rekening te worden gehouden met de aardkundige waarden en kenmerken. In het kader van aardkundige waarden is er een archeologisch onderzoek opgesteld. Deze is nader uitgewerkt in paragraaf 7.2 ‘Archeologische waarden’. Dit onderdeel vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Stedelijk gebied (art 5.55) Voor het onderwerp duurzame stedelijke ontwikkeling zijn instructieregels voor gemeenten opgenomen. Hierin is opgenomen dat een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen binnen ‘Stedelijk gebied’ een onderbouwing bevat dat de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken en het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Het plangebied behoort tot de regio West-Brabant. Binnen deze regio wordt voornamelijk gestuurd op woningbouw binnen bestaand stedelijk gebied en bestaand (leegstaand of leegkomend) vastgoed. Het planvoornemen sluit hierop aan, omdat de ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied en de woningbouw grotendeels plaatsvind binnen leegkomend vastgoed. Daarnaast moet onderbouwd worden dat het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.
Dit is nader onderbouwd in de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking ‘in paragraaf 7.3 van deze motivering. Norm wateroverlast stedelijk gebied (art. 2.2) De planlocatie ligt in het gebied ‘norm wateroverlast stedelijk gebied’. Hiervoor zijn in de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant rechtstreeks werkende regels opgenomen. In hoofdstuk 5 (Bescherming van de waterbelangen) wordt het planvoornemen getoetst aan het aspect water. De overige regels behorende bij de gebieden waar de planlocatie onder valt zijn niet direct van toepassing op het planvoornemen. Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (art. 5.7) Een omgevingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit wordt toepassing gegeven aan: o zorgvuldig ruimtegebruik (art. 5.8) o de lagenbenadering (art. 5.9) o meerwaardecreatie (art. 5.10) Zorgvuldig ruimtegebruik (art. 5.8) Conform artikel 5.8 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Het planvoornemen voorziet in de transformatie van een bestaand bedrijfsterrein ten behoeve van een appartementsgebouw met 16 appartementen.
De herontwikkeling vindt plaats binnen bestaande bebouwing. Het bouwvlak neemt niet toe in oppervlakte. De maatvoering van de bebouwing is gebaseerd op de bestaande bebouwing in het plangebied. Hierdoor is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik op het bestaande perceel.
|18
Toepassing van de lagenbenadering (art. 5.9) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op: • de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; • de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; • de bovenste laag, zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Door actief de factor tijd te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Meerwaardecreatie (art. 5.10) Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: • de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; • de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.
Het planvoornemen voorziet in de realisatie van in totaal 16 nieuwe appartementen. Het plangebied bestaat uit een verouderd bedrijfspand met cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Als gevolg van de herontwikkeling verdwijnt de bestaande bedrijfsfunctie en wordt de functie wonen geïntroduceerd. De herontwikkeling speelt in op de actuele woningbouwopgave en voorziet tegelijkertijd in de renovatie en het behoud van een cultuurhistorisch waardevol pand. De verschillende woningtypologieën (koop en huur) sluiten aan bij de regionale behoefte. In de omgeving van het plangebied zijn overwegend woningen aanwezig. Een functie verandering (van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’) past binnen de omgeving en draagt bij aan een verbetering van de fysieke kwaliteit van de leefomgeving. Conclusie Het planvoornemen past binnen het provinciaal beleid.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie Stedelijk Gebied Gilze en Rijen De gemeente Gilze en Rijen heeft de Structuurvisie Stedelijk Gebied vastgesteld op 17 juni 2021. De basis voor de structuurvisie wordt gevormd door zowel de toekomstvisie ‘Wij zijn Gilze en Rijen’ als het ambitiedocument ‘Ambities Gilze en Rijen – Nieuwe kansen!’. De hoofdambities en koers zijn bepaald en hierin vastgelegd. Hoofdkeuzes Rijen Het Centrum Het centrum is van historisch belang, en speelt een grote rol in de identiteit van Rijen. Het belang van de autobereikbaarheid van de centrale as is dankzij de N282 afgenomen, waardoor er meer ruimte vrij komt voor herwaardering van de centrale as.
|19
We willen de ruimtelijke kwaliteit van de as verbeteren. Hierbij richten we ons op drie verschillende pijlers, te weten: • Verbetering van de openbare ruimte; • Behoud en versterking van het karakter van de lintbebouwing; • Herontwikkeling van de voormalige fabrieksterreinen, waarbij het industriële verleden van de plek, waar mogelijk, zichtbaar gemaakt wordt.
Figuur 14 Uitsnede Structuurvisie Stedelijk Gebied van de gemeente Gilze en Rijen (plangebied rood omcirkeld)
Toetsing De locatie Tuinstraat 33 ligt aan de rand van het deelgebied “Centrum” en dient dus aan te sluiten bij de hoofdkeuzes zoals hierboven vermeld. Het planvoornemen betreft de transformatie van de voormalige lederfabriek Excelsior naar 16 appartementen. De architectuur van het ontwerp is gericht op het behoudt en het herstel van het historische fabriekspand. De cultuurhistorische waarden worden behouden en een aantal verloren elementen worden bij de transformatie herstelt. Om het karakter van de historische plek te behouden blijft het oorspronkelijke fabriekspand intact en worden sommige elementen hersteld waardoor de herkenbaarheid naar het industriële verleden van de voormalige lederfabriek niet verloren gaat. Het planvoornemen sluit dus aan op de richtlijn: ‘Herontwikkeling van de voormalige fabrieksterreinen, waarbij het industriële verleden van de plek, waar mogelijk, zichtbaar gemaakt wordt’. De transformatie past in de omgeving van het oude lint en tast het historisch beeld niet aan. Het planvoornemen sluit aan op de Structuurvisie Stedelijk gebied van de gemeente Gilze en Rijen.
|20
3.3.2 Toekomstvisie Gilze en Rijen 2025 De Toekomstvisie ‘Samen werken aan Ontwikkeling: Wij zijn Gilze en Rijen!’ geeft een beeld van de gewenste ontwikkelingen van de gemeente tussen nu en 2025. De gemeente Gilze en Rijen heeft haar inwoners veel te bieden. Het is goed wonen, werken en leven in de gemeente. Er is volop bedrijvigheid, er is ruimte om te wonen en te leven en er zijn veel voorzieningen voor sport en cultuur. De voordelen van het wonen in dorpen in het groen zijn goed te combineren met de bereikbaarheid van stedelijke voorzieningen in Tilburg en Breda. Het is belangrijk om die kwaliteiten te behouden en ze verder te versterken en om nieuwe kwaliteiten te ontwikkelen. Dat kan alleen als er met z’n allen aan gewerkt wordt. Het is nodig dat de gemeente verbindingen legt met inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties en met ons omringende gemeenten.
Voor 2025 heeft de gemeente de volgende ambities: • Versterken van onze positie als woongemeente in het groen tussen twee steden; • Benutten van de strategische ligging aan belangrijke vervoersassen in Midden-Brabant en versterken van de positie als werkgelegenheidsgemeente met economisch duurzame en beeldbepalende bedrijven; • Versterken van de vitaliteit van kernen met goede voorzieningen op het vlak van sport en cultuur die optimaal worden gebruikt; • Versterken van de economische draagkracht van het buitengebied en van de belevingswaarde van dat buitengebied. Gilze en Rijen is een aantrekkelijke woongemeente in het groen tussen twee steden. Het uitgangspunt voor woningbouw is dat inbreiding voor uitbreiding gaat, als de bouwkosten dat toelaten. Woningbouw moet op een kwalitatieve hoogwaardige manier worden ingevuld in en om de kernen Gilze en Rijen. Dit gebeurt met passende woningbouw of met publieke (groene) ruimte. Toetsing De beoogde ontwikkeling betreft de transformatie van de voormalige lederfabriek Excelsior naar 16 appartementen. Het plangebied betreft een inbreidingslocatie binnen de bestaande grenzen van het stedelijk gebied. In de toekomstvisie wordt aangegeven dat het gewenst is om de regionale behoefte op te vangen en het 'stedelijke' karakter van Rijen te versterken.
Het planvoornemen voorziet in de realisatie van appartementen op een gunstige inbreidingslocatie. Het plan voor de transformatie van een cultuurhistorische waardevol fabriekspand draagt bij aan de realisatie van kwalitatief hoogwaardige woningen in de kern. Het planvoornemen draagt tevens bij aan het behoudt van het industriële karakter van Rijen. Gesteld kan worden dat de ontwikkeling past binnen het kader van de Toekomstvisie Gilze en Rijen 2025.
|21
3.3.3 Woonvisie Op 16 december 2019 is door de gemeenteraad van de gemeente Gilze en Rijen de woonvisie ‘Wonen in Gilze en Rijen – Doorstromend, duurzaam en divers’ vastgesteld. Het woonbeleid van de gemeente is beschreven in deze woonvisie. De woonvisie heeft een viertal pijlers, namelijk: 1.
2. 3. 4.
Vitale en leefbare kernen; we streven naar het behoud van het dorpse en ruimtelijk karakter, versterken de diversiteit zowel qua woningvoorraad als bevolkingssamenstelling en focussen ons op de bestaande voorraad. Betaalbaar wonen; we staan voor voldoende betaalbare woningen. We zetten nieuwbouw in als motor voor doorstroming en hebben aandacht voor de huisvesting van bijzondere doelgroepen. Een duurzame woningvoorraad; sociaal én particulier. Daarbij gaan we voor circulair, klimaat adaptief en een schoon woon- en leefklimaat. Hierbij speelt de energie-transitie een belangrijke rol. Comfortabel wonen met zorg en welzijn; we faciliteren het langer zelfstandig wonen thuis in de wijk en waar nodig in geclusterde vorm.
De gemeente Gilze en Rijen wil de komende jaren een inhaalslag doen op de nieuwbouw, om zo te voorzien in de uitgestelde woningbehoefte. Het is van belang de woningproductie te versnellen en te vergroten om aan de vraag vanuit de markt te kunnen voldoen. Toetsing Het planvoornemen betreft de transformatie van het voormalige fabriekspand ten behoeve van een woningbouwontwikkeling voor 16 appartementen. Hierdoor ontstaat nieuwe woningvoorraad in de directe nabijheid van het centrum en de voorzieningen. De appartementen worden geëxploiteerd in de categorieën midden- segment huur en vrije sector. Het planvoornemen voorziet in de woningbehoefte geschikt voor diverse doelgroepen. Het planvoornemen past binnen het beleid van de Woonvisie. 3.3.4
Duurzaamheid
Duurzaam bouwen Gemeente Gilze en Rijen heeft specifieke ambities voor duurzaam bouwen. Hiervoor heeft de gemeente de Duurzaam Beeldkwaliteitsgids. Deze biedt de architecten en ontwerpers een duidelijk handvat om hun product te toetsen aan de optimale verhouding tussen de schoonheids-, sociale-, milieukundige- en economische dimensies. De Duurzaam Beeldkwaliteitsgids daagt uit een goede balans te vinden, waarbij de beschikbare ruimtelijke en vormgevende middelen zo efficiënt mogelijk worden ingezet. De doelstelling van de Duurzaam Beeldkwaliteitsgids is: • Duurzame functionaliteit als uitgangspunt voor de vorm, constructie, gebruik, beheer en schoonheid van het bouwwerk in zijn omgeving. Uitgangspunten om de doelstelling te bewerkstelligen zijn: • Duurzame en functionele cohesie tussen bouwwerk, private ruimte, openbare ruimte en omgeving; • Het bevorderen van sociale en culturele cohesie in de wijk; • Het duurzaam en functioneel ordenen van ruimten in en rondom bouwwerken in relatie tot openbare ruimte en omgevingsfactoren; • Duurzaam en functioneel bouwen in vorm, gebruik, constructie, beheer en schoonheid; • Helderheid in complexiteit door duurzame en functionele balans tussen maat, schaal, materiaal, kleur en duurzame omgevingsfactoren.
|22
Toetsing Het planvoornemen houdt rekening met de karakteristieke beleving van de plek. In de toekomstige situatie blijft het beeld en de beleving van het industriële verleden van de voormalige lederfabriek herkenbaar. De functieverandering van het fabrieksterrein en de transformatie van het cultuurhistorisch waardevolle pand zorgt voor een nieuwe invulling en voorkomt daarmee leegstand en verval, waardoor de schoonheid van de plek niet verloren gaat. Met de oorspronkelijke metselwerk gevels en het terugbrengen van de repeterende gevelopeningen wordt de kenmerkende fabrieksarchitectuur behouden en hersteld. De nieuwe elementen worden volgens de laatste duurzaamheidseisen gebouwd. Met het planvoornemen is rekening gehouden met het functioneel ordenen van ruimten in en rondom de bouwwerken in relatie tot de openbare ruimte. De specifieke maatregelen rondom duurzaamheid voor de bebouwing van het planvoornemen worden in een later stadium verder uitgewerkt. 3.3.5 Klimaatkaart Gilze en Rijen Het klimaat verandert: de gemiddelde wereldtemperatuur stijgt en daarmee worden de gevolgen merkbaar. Het regent meer en harder, er komen meer dagen waarop het warmer is dan 30 graden. De bodem wordt op de ene plaats natter en op een andere plaats droogt deze uit. Vanuit het Deltaplan zijn gemeenten verplicht om een stresstest light te maken.
Dat is voor Gilze en Rijen de klimaatonderlegger in de vorm van een kaart. Een kaart is een middel om de effecten die we kunnen verwachten inzichtelijk te maken. Voor de Klimaatkaart Gilze en Rijen zijn een aantal gegevens uit bronnen zoals de bodemkaart, hoogte, zonneatlas en de Klimaateffectatlas gecombineerd en grafisch weergegeven. Op deze kaart staan de gevolgen die we kunnen verwachten en de kansen om hiermee om te gaan. Het zijn globale gegevens dus we kunnen niet op perceel niveau bepalen welke effecten daar optreden. Aan de hand van de Klimaatkaart heeft de gemeente Gilze en Rijen de Klimaatgids opgesteld. In deze gids wordt informatie gegeven over de klimaatgevolgen, wordt de klimaatkaart toegelicht en worden tips gegeven aan wat inwoners en planmakers kunnen doen. Klimaatgids In de Klimaatgids zijn verschillende maatregelen voor het tegengaan van hittestress opgenomen. Ook geeft de gemeente in de Klimaatgids adviezen aan haar inwoners over hoe zij zelf een bijdrage kunnen leveren, namelijk: • Het vervangen van de verharding in de tuin door planten of gras. • De gevels van de woning of schuur vergroenen door het planten van een geveltuin. • Het aanbrengen van groen op de daken van schuren en woningen. • Bedrijven kunnen ook bijdragen door parkeerplaatsen, erfafscheiding en het dak te vergroenen.
Dit kan gecombineerd worden met zonnepanelen waarmee een bijdrage wordt geleverd voor het opwekken van duurzame energie.
|23
Figuur 15 - Uitsnede klimaatkaart Gilze en Rijen (plangebied rood omcirkeld)
Toetsing Het plangebied is gelegen in een versteend bebouwd gebied in de schil van het centrum. Hier gelden de volgende aandachtspunten: • Toenemend risico op wateroverlast • Schaduwval op daken (zonnepanelen) • Toenemende mate van hitte en koudestress • Terugloop van bodemvruchtbaarheid • Grote versteende en slecht doorlatende oppervlakten • Toenemende mate van wateroverlast (droogte en afvoerproblemen) • Afnemende vitaliteit van groen (bodemvruchtbaarheid gerelateerd) Het planvoornemen speelt in op de kans om een duurzame en klimaat adaptieve ontwikkeling neer te zetten door middel van een duurzame manier van bouwen en een klimaat adaptieve inrichting. In de toekomstige situatie is er sprake van minder bebouwing, minder verharding en meer groen. Om in te spelen op het verminderen van versteende en slecht doorlatende oppervlakten wordt onder andere gebruik gemaakt van half verharding op het terrein. Het terrein wordt onder andere ingericht met bomen, hagen, plantenbakken en borders. De inrichting van het plangebied vermindert hittestress en draagt bij aan een prettig woon- en leefklimaat. 3.3.6 Verkeer en parkeren Verkeer maakt onderdeel uit van de evenwichtige functietoedeling aan de fysieke leefomgeving. Naast de verkeersgeneratie moet aandacht besteed worden aan parkeren, auto en fiets, ov-bereikbaarheid.
Parkeren De ‘Nota Parkeernormen Gilze en Rijen 2017’ biedt houvast voor het bepalen van het aantal parkeerplaatsen. Het aantal aan te leggen parkeerplaatsen is afhankelijk van de voorzieningen en de parkeernorm die bij de
|24
betreffende ontwikkeling hoort. In de ‘Nota Parkeernormen Gilze en Rijen 2017’ wordt onderscheid gemaakt tussen normen voor de zones ‘centrum’ en ‘overig’. De planlocatie ligt conform de nota parkeernormen in de zone ‘overig’. Als gevolg van ontwikkeling wijzigt de parkeerbehoefte.
Figuur 16 - Uitsnede gebiedsindeling Nota Parkeernormen Gilze en Rijen 2017 (plangebied rood omcirkeld)
Onderzoek Momenteel is de bebouwing ter plaatse van het plangebied in gebruik als bedrijfsruimte. De parkeerbehoefte als gevolg van het huidige gebruik is, conform de Nota Parkeernormen Gilze en Rijen 2017 in onderstaande tabel beschreven. Bij het opstellen van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de gebiedsindeling ‘overig’ en de functie ‘Kantoor (zonder baliefunctie)’. Functie Kantoor (zonder balie)
Parkeernorm 2,1 (per 100 m² bvo)
Oppervlakte (m² bvo) 3250
Totaal 68,2 (69)
DR+ heeft een parkeerberekening voor het planvoornemen opgesteld conform de ‘Nota Parkeernormen Gilze en Rijen 2017’, deze is opgenomen als bijlage bij deze motivering. In onderstaande tabel is de parkeerbehoefte voor de 16 appartementen weergegeven. Parkeerplaatsen auto
|25
Verder wordt er middels een parkeerbalans, gelet op de bezettingsgraad van de parkeerplaatsen, afhankelijk van het tijdstip van de dag. Deze bezettingsgraad piekt in de avond, waar 90% van bewoners en 80% van bezoekers aanwezig zijn. Dit resulteert in de volgende parkeerbalans:
Op basis van de parkeerberekening zijn er voor 16 appartementen 27 parkeerplaatsen benodigd. 26 van deze parkeerplaatsen worden gerealiseerd op eigen terrein. Dit betekent een tekort van 1 parkeerplaats. Het plan voldoet hiermee niet aan de parkeernorm. Verzocht wordt aan de gemeente Gilze-Rijen om vrijstelling te geven voor dit tekort conform parkeernota. Ten opzichte van de bestaande situatie neemt de parkeerdruk namelijk met 42 parkeerplaatsen af. Daarnaast wordt de optie aangeboden om voor de vier woningen (Tuinstraat 25-31) ten westen van het plangebied ieder een parkeerplek te voorzien ten gunste van een betere woon- en leefomgeving. Tevens zou de ruimte die deze extra parkeerplaats nodig heeft afdoen aan de hoeveelheid groen in het plangebied en daarmee afbreuk doen aan het woon- en leefklimaat van de toekomstige bewoners. De functieverandering van het planvoornemen zorgt dus voor een afname in de parkeerdruk op straat en hiermee een afname in de parkeerdruk. Fietsparkeerplaatsen
|26
De benodigde fietsparkeerplaatsen worden gerealiseerd in de vorm van een gemeenschappelijke berging voor bewoners met plek voor 48 fietsen, en 6 fietsparkeerplaatsen in de vorm van nietjes op het eigen terrein voor bezoekers. Hiermee wordt aan de norm voor fiets stallingsplaatsen voor zowel bezoekers als bewoners voldaan, en ontstaat er voor bezoekers een overschot van 1 fietsparkeerplaats. Verkeer De gevolgen van een ruimtelijke ontwikkeling op het verkeer wordt bepaald op basis van de verkeersaantrekkende werking. Bij het in kaart brengen van de verkeersaantrekkende werking is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. Toetsing Voor de ontwikkeling van 16 nieuwe appartementen is de verkeersaantrekkende werking bepaald. Bij de berekening van de huidige situatie is op basis van CROW-kengetallen uitgegaan van een ‘Kantoor (zonder baliefunctie)’ liggend in ‘Schil centrum’. Uitgegaan is van de classificatie ‘Matig stedelijk’, per specificatie van de ‘Nota parkeernormen Gilze en Rijen 2017’. Het gemiddelde van de verkeersgeneratie bedraagt 6,8 mvt/etmaal (per 100 m² bvo). In onderstaande tabel is de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie weergegeven.
Kantoor (zonder baliefunctie)
Verkeersgeneratie Kantoor (zonde baliefunctie) (3.254 m² bvo) 6,8 mvt/etmaal/100 m² 3.254 m² bvo 221,3 mvt/etmaal bvo
Voor de berekening van de toekomstige situatie is op basis van CROW-kengetallen uitgegaan van een ‘Huur, appartement, duur’ liggend in ‘Schil centrum’. Uitgegaan is van de classificatie ‘Matig stedelijk’, per specificatie van de ‘Nota parkeernormen Gilze en Rijen 2017’. Het gemiddelde van de verkeersgeneratie bedraagt 5,4 mvt/etmaal. In onderstaande tabel is de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie weergegeven.
Huur, appartement, duur
Verkeersgeneratie 16 appartementen 5,4 mvt/etmaal/ 16 appartementen
86,4 mvt/etmaal
Het planvoornemen voorziet in de transformatie van de huidige bedrijfsruimte naar 16 nieuwe appartementen. De verkeersgeneratie neemt hiermee af van 221,3 mvt/etmaal naar 86,4 mvt/etmaal. Gezien het een afname van 134,9 mvt/etmaal bedraagt leidt dit tot een verbetering van de verkeersbelasting op de Tuinstraat. Conclusie Het planvoornemen past binnen het gemeentelijk beleid.
|27
4.
BESCHERMING VAN GEZONDHEID EN MILIEU
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met de bescherming van gezondheid en milieu. Bij een activiteit moet rekening worden gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) • het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet, bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem.
4.1
Geluid
Het aspect geluid speelt een belangrijke rol in de omgevingskwaliteit. Er bestaan verschillende geluidsbronnen die van invloed kunnen zijn op deze omgevingskwaliteit. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient te worden voorkomen. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); • Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); • Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).
De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl).
|28
Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) hebben uitsluitend betrekking op geluidgevoelige gebouwen. Geluidgevoelige gebouwen zijn gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie of kinderopvang met bedgebied (Bkl artikel 3.21). Toetsing Het planvoornemen is om een gedeelte van de bebouwing op het adres Tuinstraat 33 te Rijen te slopen. De te behouden bebouwing wordt getransformeerd naar 16 appartementen. Appartementen zijn gebouwen met een woonfunctie en behoren dus tot geluidsgevoelige objecten waarvoor de instructieregels uit het Bkl gelden. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven dat het uitvoeren van een akoestisch onderzoek noodzakelijk is wanneer nieuwe geluidgevoelige bestemmingen worden gesitueerd binnen een geluidaandachtsgebied.
Het plangebied is gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van meerdere gemeentelijke wegen en de spoorlijn Breda - Tilburg. Om deze reden is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai noodzakelijk. Onderzoek Voor het planvoornemen is een onderzoek uitgevoerd naar weg- en railverkeerslawaai. Voor het onderzoek zijn rekenmodellen opgesteld, waarbij de geluidbelastingen zijn berekend met de standaardrekenmethode overeenkomstig de Meet- en rekenmethode geluid wegen of spoorwegen (bijlage IVe of IVf van de Omgevingsregeling). De berekeningen zijn uitgevoerd met het rekenprogramma Geomilieu v2023.3. De resultaten van dit onderzoek zijn te vinden in het onderzoek, welke is opgenomen in bijlage 7. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de gevels van het bouwplan de standaardwaarde niet wordt overschreden vanwege het wegverkeer op de gemeentelijke wegen en het railverkeer op de spoorlijn Breda Tilburg. Daardoor leveren de aspecten weg- en railverkeerslawaai geen belemmeringen op voor het planvoornemen. Vanuit akoestisch oogpunt is dus sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.2
Bodemkwaliteit
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
|29
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door: • Het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; • Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • Het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) • Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Bij een bouwactiviteit is voorafgaand onderzoek verplicht. Bodem onderzoek Voor het planvoornemen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de planlocatie gelegen aan de Tuinstraat 33 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen. Het volledige onderzoek is in bijlage 5 opgenomen. De aanleiding voor de uitvoering van het onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling op de locatie. Voor het planvoornemen dient de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater onderzocht te worden.
Daarnaast dient beoordeeld te worden of aanvullende procedures noodzakelijk zijn in het kader van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Grondwater wordt beoordeeld conform de Bkl. Algemeen In de uitkomende grond zijn lokaal bijmengingen (baksteen) aangetroffen die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. Grond In een aantal grondmonsters zijn analytisch verhoogde gehaltes aan PCB aangetoond. Deze gehaltes overschrijden de interventiewaarden niet. De resultaten worden bevestigd door de heranalyses. De resultaten van de individuele grondmonsters wordt het meest representatief geacht. De kwaliteitsklasse van zowel de onder als de bovengrond betreft maximaal Industrie.
|30
Grondwater Het is vooralsnog niet mogelijk grondwater conform de Omgevingswet te toetsen, in deze wordt tijdelijk de T13-toetsing (beoordeling kwaliteit van grondwater volgens de Wbb) gehanteerd. In het grondwater uit een van de peilbuizen is analytisch een licht verhoogde concentratie aan chroom aangetoond. Deze concentratie overschrijdt de streefwaarde doch niet de interventiewaarde. Nader bodemonderzoek Op basis van voornoemde samenvatting en conclusies is nader bodemonderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien niet aan de orde. Aanbevelingen Middels onderhavig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. Nader bodemonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Asbest onderzoek Op 7 december 2023 is op de planlocatie een asbestinventarisatie uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage bij deze motivering. In het bedrijfspand zijn geen asbesthoudende materialen aangetroffen. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. Naar aanleiding van de uitgevoerde asbestinventarisatie wordt een aanvullend onderzoek niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect bodemkwaliteit biedt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.3
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). • Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 μg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Onderzoek Luchtkwaliteit ter plaatse De luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie is getoetst aan de grenswaarde voor stikstofdioxide en fijnstof. De waardes zijn bepaald aan de hand van de Atlas leefomgeving (gegevens 2023).