CConstaterende datGilze en Rijen
Koppel je AI →
Document · PDF

20. BOPA motivering exclusief bijlagen

Gemeenteraad 26 januari 2026, gemeente Gilze en RijenBij agendapunt: Bopa Mary Zeldenrustlaan 18 Rijen (Praxis locatie)22.443 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

|29

Tabel 8.2 en 8.3 van bijlage 3. De gevel mag ter plaatse van verblijfsgebieden geen te openen delen bevatten. Alternatief hiervoor is het reduceren van de optredende gevelbelasting op de te openen delen die direct grenzen aan een verblijfsgebied tot de grenswaarde of lager middels bouwkundige maatregelen. Bij de gemeente Gilze-Rijen kan een verzoek worden ingediend voor het toestaan van een niet-geluidgevoelige gevel en een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen. In hoofdstukken 4, 5, 6 en 7 van bijlage 3 zijn verschillende maatregelen in het overdrachtsgebied onderzocht. Een en ander heeft geleid tot het aangepaste gebouwontwerp, de schermen tussen de armen van het appartementencomplex en het scherm op de perceelsgrens Gecumuleerd geluid De maximale gecumuleerde geluidbelasting is 67 dB. Mede aan de hand van het gecumuleerde geluid kan het bevoegd gezag beoordelen of en in welke mate het verantwoord is de afwegingsruimte boven de standaardwaarde te benutten. Gezamenlijk geluid en Besluit bouwwerken leefomgeving Het gezamenlijk geluid is maximaal 73 dB. Conform het Besluit bouwwerken leefomgeving worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering.

Wanneer de standaardwaarde wordt overschreden, moet voor de nieuwe woningen worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in artikel 4.103 van het Bbl. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in de gezamenlijke geluidbelasting en 33 dB. In Tabel 8.3 van bijlage 3 is de benodigde karakteristieke geluidwering weergegeven. Bij de opgenomen benodigde gevelgeluidwering is rekening gehouden met een ophoging van 3 dB indien het een niet-geluidgevoelige gevel betreft conform artikel 4.103b van het Bbl. Bouwkundige voorzieningen balkons Op basis van de berekende belastingen kan worden gesteld dat het geheel dichtzetten van alleen de zijkanten van de balkons (aan de zijde van het spoor) ervoor zorgt dat de belasting op de pui van de woonkamer voldoende afneemt zodat er voldaan wordt aan de grenswaarde ten aanzien van railverkeerslawaai. Hierdoor is het mogelijk een te openen deel richting het balkon te realiseren. Het dichtzetten van de zijkant van de betreffende balkons dient te gebeuren met een materiaal met een massa van ten minste 10 kg/m² en dient vanaf de balkonvloer tot bovengelegen balkonvloer of tot aan bovenzijde van de dakrand door te lopen.

Uit de berekeningsresultaten is ook gebleken dat bij een deel van de onderzochte appartementen ter plaatse van de ramen van de slaapkamer nu ook voldaan wordt aan de grenswaarde ten aanzien van railverkeerslawaai. Hierdoor zijn bij deze ramen geen aanvullende voorzieningen nodig om een te openen deel te kunnen realiseren. In Bijlage XIX van bijlage 3 is weergegeven welke gevels uitgevoerd dienen te worden als een niet geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen om te kunnen voldoen aan de geluideisen van het Bkl op basis van de berekende situatie. Een er ander in combinatie met het geheel dichtzetten van de zijkanten van enkele balkons. De zijkanten van de betreffende balkons zijn ook in de bijlage aangegeven. Onderzoek reflectie weg- en railverkeerslawaai In het kader van de realisatie van nieuwbouw appartementencomplexen aan de Mary Zeldenrustlaan 18-20 te Rijen, gemeente Gilze-Rijen, is onderzoek verricht naar de gewijzigde te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege weg- en railverkeerslawaai bij de omliggende bestaande woonbebouwing in de directe omgeving door de komst van de appartementencomplexen. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd om na te gaan of het volume van de nieuwbouw, inclusief bijbehorende schermen, een negatieve invloed heeft op de optredende belastingen bij de bestaande woonfuncties.

Het volume van de nieuwe appartementencomplexen is namelijk groter dan de bestaande bebouwing van de Praxis op deze locatie waardoor optredende geluidbelasting in de nabije omgeving kunnen veranderen door een verschil in reflectie van de gebouwen.

|30

Beoordeling geluidsbelasting Uit Tabel 4.1 in bijlage 3a kan worden opgemaakt dat de toename ten aanzien van wegverkeerslawaai, daar waar de optredende geluidbelasting boven de standaardwaarde ligt, maximaal 0,28 dB bedraagt. Dit betreft zowel de woningen aan de Mary Zeldenrustlaan (waarneempunt 135-146) als die aan de Venneweg (waarneempunt 148-172, inclusief tuin). Voor railverkeerslawaai bedraagt de toename maximaal 4,01 dB conform Tabel 4.2 van bijlage 3a. Bij de woningen aan de Mary Zeldenrustlaan neemt in 1 waarneempunt (135) de geluidbelasting met een tiende dB toe, bij de overige woningen daalt de geluidbelasting ten gevolge van het nieuwe appartementengebouw. Bij de woningen aan de Venneweg neemt de geluidbelasting overal toe (achterzijde en tuinen) ten gevolge van de realisatie van het appartementencomplex. Maatregelen Inmiddels is uit een bezoek aan de drie woningen door de ontwikkelaar gebleken dat bij alle drie de woningen, bij de betreffende waarneempunten op de verdieping een ruimte aanwezig is die in gebruik is of in gebruik genomen kan worden als slaapkamer. De ontwikkelaar is met de huiseigenaren in gesprek over het treffen van maatregelen om de toename in geluidbelasting te compenseren. Hierbij kan worden gedacht aan het aanbrengen van extra geluidsisolerende maatregelen. Dit wordt met de betreffende huiseigenaren besproken en vervolgens vastgelegd.

Conclusie Ten aanzien van het aspect geluid geldt dat, om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen, de voorgeschreven bouwkundige maatregelen dienen te worden getroffen. Indien deze maatregelen worden uitgevoerd, vormt geluid geen belemmering voor de uitvoering van het planvoornemen.

4.2

Bodemkwaliteit

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door: • Het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; • Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • Het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art.

5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2);

|31

• • •

Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4) Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen, (paragraaf 2.3.6a.5).

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Bij een bouwactiviteit is voorafgaand onderzoek verplicht. Onderzoek Voor het planvoornemen is op 9 juli 2024 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het plangebied gelegen aan de Mary Zeldenrustlaan 18-20 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen. Het volledige onderzoek is in bijlage 4 opgenomen. De aanleiding voor de uitvoering van het onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling op de locatie. Voor het planvoornemen dient de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater onderzocht te worden. Daarnaast dient beoordeeld te worden of aanvullende procedures noodzakelijk zijn in het kader van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Grondwater wordt beoordeeld conform de Bkl. Bodemkwaliteit Na uitvoering van het verkennend bodemonderzoek blijkt het volgende: • De plaatselijk aangetroffen puinhoudende ondergrond voldoet aan kwaliteitsklasse matig verontreinigd op basis van een verhoogd gehalte aan minerale olie. • De zintuiglijk schone grond voldoet aan kwaliteitsklasse landbouw/natuur. • De bodem bevat geen gehalten boven de interventiewaarden.

• De grond voldoet op basis van de toepassingsnormen uit het Handelingskader PFAS aan kwaliteitsklasse landbouw/natuur Grondwater Het grondwater bevat geen concentraties boven de signaleringsparameters.

Asbest De plaatselijk aangetroffen bijmenging met puin in de bodem geeft op basis van de NEN 5707 formeel gezien aanleiding om de bodem als asbestverdacht aan te merken. Echter is het op basis van de mate van bijmenging en het historisch gebruik niet aannemelijk dat asbest in de bodem aanwezig is in significante gehalten. Conclusies en aanbevelingen De bodemkwaliteit is binnen het kader van de omgevingsvergunning afdoende in beeld gebracht. De vastgestelde bodemkwaliteit voldoet aan de waarde toelaatbare kwaliteit bodem die van toepassing is op een bodemgevoelig gebouw. Conclusie Het aspect bodemkwaliteit biedt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.3

Niet gesprongen explosieven

|32

Niet-gesprongen explosieven zijn ontplofbare oorlogsresten, bijvoorbeeld uit de Eerste of Tweede Wereldoorlog. Ze leveren een gevaar op als ze verplaatst of aangeraakt worden bij bijvoorbeeld bouw- of graafwerkzaamheden. De Omgevingswet verplicht niet tot het opstellen van regels voor ontplofbare oorlogsresten. Elke gemeente maakt daarin een eigen afweging. Een gemeente kan zaken over ontplofbare oorlogsresten op verschillende plekken hebben geregeld. Denk aan de APV, het bestemmingsplan en aan regels in eigen beleid. De volgende zaken zijn in dit verband relevant: • regels over ontplofbare oorlogsresten in de APV blijven na de inwerkingtreding van de Omgevingswet van kracht zolang deze niet actief worden opgenomen in het omgevingsplan; • alle bestemmingsplannen worden bij inwerkingtreding van de Omgevingswet automatisch onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Eventuele regels in het bestemmingsplan over onderzoek bij graven in verdachte gebieden blijven van kracht; • gemeentelijk beleid, zoals de wijze van aanpak van eigen gebiedsontwikkelingsprojecten, wordt niet beïnvloed door de Omgevingswet. Onderzoek In het kader van de realisatie van nieuwbouw appartementencomplexen aan de Mary Zeldenrustlaan 18-20 te Rijen, gemeente Gilze-Rijen, is een onderzoek verricht naar de effecten van niet gesprongen explosieven. Voor het volledige onderzoek zie bijlage 5.

Voor de projectlocatie is een Historisch Vooronderzoek – Niet Gesprongen Explosieven (HVO-NGE) in de vorm van een gemeentebrede NGE-risicokaart voor de gemeente Gilze en Rijen beschikbaar. In het HVO is vastgesteld dat de projectlocatie in meerdere NGE-verwachtingsgebieden valt op basis van grondgevechten, artilleriebeschietingen, een geëxplodeerde munitietrein en bombardementen. De opdrachtgever is voornemens om de huidige bedrijfspanden aan de Mary Zeldenrustlaan 18-20 te Rijen te slopen om zo ruimte te maken voor de nieuwbouw van een appartementencomplex met 148 woningen. Onder het complex komt een half verdiepte parkeerkelder waardoor het perceel voor een groot deel tot 2 m-mv zal worden afgegraven. De exacte manier waarop de appartementen zullen worden gefundeerd is op dit moment nog onbekend. Op basis van de naoorlogse analyse is vastgesteld dat een grote kans bestaat dat bij werkzaamheden een niet-gesprongen explosief kan worden aangetroffen. Om de voorgenomen werkzaamheden veilig uit te kunnen voeren worden er mitigerende maatregelen voorgesteld om het risico terug te brengen naar een acceptabel niveau. Deze maatregelen bestaan uit het detecteren van de projectlocatie middels computerondersteunde passieve oppervlakte detectie. Na de benadering van significante objecten kan de projectlocatie worden vrijgegeven.

Vrijgeven van het project gebied kan gebeuren na het uitvoeren van de volgende onderzoeken per activiteit: Grondroering Geadviseerd wordt om op het terrein een aantal proefsleuven te graven. Aan de hand van de resultaten van de proefsleuven kan het zoekdoel worden aangepast. Vervolgens kunnen detectieverstorende objecten worden verwijderd. Het terrein kan vlakdekkend worden gedetecteerd en vrijgegeven. Slopen bestaande bebouwing Het verwijderen van bovengrondse bebouwing kan, mits aandacht wordt besteed aan trillingen, zonder aanvullende maatregelen worden uitgevoerd. Het verwijderen van bestaande fundering, kabels en leidingen kan worden uitgevoerd met in achtneming van het protocol spontaan aantreffen.

|33

Open ontgraving fundering De detectiewerkzaamheden voor de ontgraving van de aan te leggen parkeergarage kunnen op twee manieren worden uitgevoerd: Vlakdekkend detecteren Voor deze optie dient de projectlocatie detectiegereed te worden gemaakt. Deze werkwijze maakt het mogelijk de projectlocatie volledig vrij te geven. Locatiespecifiek detecteren Alvorens locatiespecifiek detecteren dienen detectie verstorende objecten verwijderd te worden. Voor deze werkwijze is een kleiner detectiegebied maar zijn aanvullende werkzaamheden nodig bij de aanleg van bijvoorbeeld kabels en leidingen. Plaatsen fundering Staal Wanneer het gebied middels vlakdekkend of locatiespecifiek detecteren is vrijgegeven kan de fundering zonder verdere maatregelen worden geplaatst. Palen Bij plaatsen van funderingspalen dient rekening te worden gehouden met het effect van trillingen en is er sprake van een 10 meter rondom de geplande paalpunten. Conclusie Voordat graafwerkzaamheden worden uitgevoerd na de sloop moeten veldmetingen uitwijzen of er verdachte verstoringen in de bodem in beeld wordt aangetoond.

4.4

Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). • Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 μg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Onderzoek Luchtkwaliteit ter plaatse De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is getoetst aan de grenswaarde voor stikstofdioxide en fijnstof.

De waardes zijn bepaald aan de hand van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland van het RIVM (gegevens 2023).

|34

Stof

Toetsing Jaargemiddelde

Grenswaarde (kalenderjaargemiddelde) 40 μg/m3

WHO advieswaarde 40 μg/m3

Waarde plangebied 10-15 μg/m3

Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)

Jaargemiddelde Jaargemiddelde

40 μg/m3 25 μg/m3

20 μg/m3 10 μg/m3

14-16 μg/m3 8-10 μg/m3

De huidige concentraties vallen onder zowel de grenswaardes zoals gesteld in het Bkl als de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) waardes. De WHO en de GGD hanteren voor PM10 en voor PM 2.5 lagere waarden, namelijk 20 μg/m3 en 10 μg/m3. Zowel de stikstof als fijnstofwaardes van zowel PM2,5 als PM10 liggen onder de grenswaarde en de advieswaarde van de WHO. NIBM Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig, ook niet in de aandachtsgebieden. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die ‘niet in berekende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Het betreft de volgende categorieën: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; en • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlakte met een enkele ontsluitingsweg.

Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 148 nieuwe woningen met één ontsluitingsweg. Het planvoornemen draagt hiermee niet in betekenende mate bij aan een toename van luchtverontreiniging, dus is een toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit niet nodig. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.5

Geur

Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt twee kanten op: • Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; • Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.

|35

Er moet dus overwogen worden wat de beste locatie is voor een geurveroorzakende activiteit, of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur (par. 8.5.1). De gemeente Gilze-Rijen heeft op 18 juli 2022 de geurverordening en beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder vastgesteld. Hiermee worden afwegingen gemaakt omtrent ruimtelijke initiatieven waarbij geurgevoelige objecten worden gerealiseerd. In de Geurgebiedsvisie wordt het grondgebied van de gemeente Gilze-Rijen opgedeeld in aan de hand van deelgebieden A-D, met elk bijbehorende geurnormen.

Deelgebied A Deelgebied B Deelgebied C Deelgebied D

Figuur 13 - Uitsnede kaart gebiedsindeling geurnormen (plangebied blauw omcirkeld)

Onderzoek Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 148 nieuwe appartementen welke worden aangemerkt als geurgevoelige objecten. De locatie van het plangebied bevindt zich in een gebied aangemerkt met de classificatie ‘deelgebied A’. Binnen dit gebied geldt een geurnorm voor achtergrondbelasting van 10 Ou zoals aangegeven in tabel 2. Dit houdt in dat een achtergrondbelasting van minder dan 10 Ou voldoende is voor een gezonde leefomgeving, en een achtergrondbelasting van meer dan 10 Ou onvoldoende is voor een gezonde leefomgeving

|36

Tabel 4 - Categorisering geurnormen per deelgebied

Het plangebied heeft, zoals af te lezen in Figuur 14 een indicatieve achtergrondbelasting t.a.v. geurhinder tussen de 0 en de 5 Ou, daarmee valt het ruim binnen de vastgestelde norm van 10 Ou voor achtergrondbelasting voor een woonobject binnen deelgebied A. Ook is af te lezen dat het leefklimaat van het gebied wordt beoordeeld met de indeling ‘zeer goed’, ten aanzien van geurhinder. Verder liggen er in de omgeving van het plangebied geen (intensieve) veehouderijen of andere bedrijven met een geuremissie.

Figuur 14 Achtergrondbelasting geur (links) en indicatie leefklimaat opv geur (rechts) (plangebied rood omcirkeld)

|37 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.6

Trillingen

Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Het Rijk wil mensen beschermen tegen trillinghinder. Dat doet het door regels te stellen aan activiteiten die trillingen veroorzaken in trillinggevoelige gebouwen. Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wijzen trillinggevoelige gebouwen en trillinggevoelige ruimten aan. Artikel 5.80 van het Bkl wijst gebouwen of gedeeltes van gebouwen met de gebruiksfunctie 'wonen' aan als trillinggevoelige gebouwen. Hieronder vallen alle gebouwen met een woonfunctie, zoals woningen en verzorgingshuizen. Woonschepen en woonwagens vallen niet onder de woonfunctie.

Bronnen van trillingen zijn: • verkeer over de weg of het spoor (zoals vrachtwagens, treinen en trams) • machines in de industrie (zoals stansen en draaiende motoren) • bouw- en sloopactiviteiten (zoals heien en breken) Toetsing Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 148 nieuwe woningen. Woningen zijn objecten die in artikel 5.80 van het Bkl worden aangemerkt als trilling gevoelig. Aan de zuidzijde van Rijen loopt de spoorlijn Breda-Tilburg. In de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen staan de afstanden voor een onderzoeksgebied opgenomen. Geadviseerd wordt om in het algemeen binnen 100 meter van het spoor, en in sommige gevallen binnen 250 meter van het spoor het risico op trillinghinder te laten beoordelen. Het plangebied bevindt zich op circa 85 meter van het spoor, minder dan 100 meter. Hiermee bevindt het plangebied zich in een invloedsgebied van trillingen en dient een verder onderzoek naar de overlast van trillingen uitgevoerd te worden. Onderzoek Om inzage te krijgen in de heersende trillingsniveaus zijn ter plaatse van de nieuwbouwcontouren in de periode van 11 tot 18 november 2024 trillingsmetingen (SBR-A en SBR-B) uitgevoerd. Het volledig onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage 6 (Jantrill Monitoring, dossiernr: 24-080052 d.d. 25 september 2025).

|38

Ter hoogte van de nieuwbouwcontouren zijn trillingsmetingen uitgevoerd. De metingen zijn uitgevoerd op een 3-tal locaties aan het bestaande bedrijfspand aan de Mary Zeldenrustlaan 18-20 te Rijen. Het betreffen hierbij 2 meetpunten gesitueerd aan de buitengevel op funderingsniveau: • Meetpunt 2 aan de oostzijde van het bedrijfspand; • Meetpunt 3 aan de westzijde van het bedrijfspand. Middels deze meetopstelling is rekening gehouden met mogelijke spreiding van de trillingssterkten op de projectlocatie. Tevens is gemeten op het vloerveld op de begane grond aan de oostzijde van het bedrijfspand. Het betreft hierbij meetpunt 1. Op basis van dit meetpunt is een indicatie te geven van de mate van trillingshinder in de nieuwbouw. De meting is uitgevoerd gedurende een aaneengesloten periode van 7 etmalen. Het betreft hierbij de periode van 11 t/m 18 oktober 2024. Een dergelijke meetperiode wordt, ten aanzien van treinverkeer, voldoende representatief geacht ter beoordeling van de huidige spoorbelasting. Op drie verschillende meetpunten zijn over de loop van verschillende dagen en tijdstippen metingen gehouden. Hieruit is gebleken dat alle metingen voldoen aan zowel de ‘Dag-Avond’ streefwaarden. Eén meting van de 45 had een Vmax van 0,22, waarmee het boven de toegestane waarde van ‘Nacht’ zit.

Gezien de treinen gedurende de dag- en nachtperiode gelijk kunnen zijn, zou deze waarde ook in de nacht hebben kunnen optreden. Echter, omdat dit slechts één van de 45 metingen betreft, en deze waarde slechts minimaal boven de streefwaarde zit, is niet aannemelijk dat dit leidt tot ernstige gevolgen.

SBR-B De trillingsniveaus zijn getoetst aan de streefwaarden uit de SBR-B beoordelingsrichtlijn om de mate van hinder vast te stellen. Op basis hiervan is vastgesteld dat: • Ter plaatse van het vloerveld trillingsniveaus zijn geregistreerd die als ‘weinig hinderlijk’ kunnen worden aangemerkt; • Ter hoogte van het funderingsniveau trillingsniveaus zijn geregistreerd die, indien deze in het vloerveld van een gebouw optreden, als ‘weinig hinderlijk’ kunnen worden aangemerkt. SBR-A De trillingsniveaus zijn getoetst aan de rekenwaarde van de grenswaarde uit de SBR-A 2017, meet- en beoordelingsrichtlijn om het risico op het ontstaan van schade vast te stellen. Op basis hiervan is vastgesteld dat: • Ter hoogte van het funderingsniveau trillingsniveaus zijn geregistreerd die in de huidige situatie, ruim onder de gestelde rekenwaarde van de grenswaarde blijven. Op basis hiervan stellen wij dat in de huidige situatie geenszins sprake is van een verhoogd risico op het ontstaan van schade. Aanbevelingen Op basis van de uitgevoerde trillingsmetingen wordt gesteld dat ter plaatse van de voorziene projectlocatie trillingshinder vrijwel voorkomen kan worden. Hierbij dient bij het ontwerp van de nieuwbouw rekening te worden gehouden met de ontwerpvereisten zoals genoemd in de handreiking nieuwbouw en spoortrillingen.

In de handreiking worden trillingsreducerende ontwerpvereisten aangedragen om trillingshinder in de nieuwbouw te voorkomen dan wel te reduceren. Deze ontwerpvereisten zijn gerelateerd aan de ter plaatse van het maaiveld optredende trillingssterkten. Uitgegaan is dat de trillingssterkten zoals gemeten in de constructie ter plaatse van het maaiveld gelijk zijn aan deze in het maaiveld.

|39

De trillingssterkten geregistreerd ter plaatse van de constructie op maaiveldniveau liggen tussen de ordegrootte van 0.1 – 0.2. Aan de hand van tabel 10.2 worden ten aanzien hiervan de volgende trillingsreducerende ontwerpvereisten aangedragen: • Geen trillingsgevoelig gebouw ontwerpen; • Zorg voor stijve fundering; • Opslingering vermijden*; • Modelberekening op indicatief niveau. *Eigenfrequentie vloervelden Uit de frequentieanalyse blijkt dat de dominante frequenties op de projectlocatie liggen binnen het frequentiegebied van circa 3.5 Hertz t/m circa 17 Hertz. Het frequentiegebied van de bron is hierbij gelijk aan de natuurlijke frequentie/eigenfrequentie van vloervelden. Deze liggen doorgaans in het frequentiegebied van 5 t/m 20 Hertz (bron: CUR166). Om het optreden van resonantie in deze situatie te voorkomen wordt geadviseerd om de vloervelden met voldoende massa en stijfheid uit te voeren. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Wel dient bij de bouwtechnische uitwerking van het ontwerp rekening gehouden te worden met de bovengenoemde maatregelen afkomstig van de handreiking nieuwbouw en spoortrillingen.

4.7

Bedrijfsmatige- en milieubelastende activiteiten

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Daarom is een inventarisatie naar de aanwezigheid van milieubelastende activiteiten, specifiek ten aanzien van bedrijven, in de directe omgeving van het plangebied (of andersom) noodzakelijk. Er dient getoetst te worden of in de omgeving van het plangebied sprake is van milieubelastende activiteiten en of er voldoende afstand in acht wordt genomen ten opzichte van deze activiteiten. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2009) van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten). Hierin is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De lijst geeft richtlijnen voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden dan voor drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. In de VNG-publicatie is een omschrijving van de gebiedstypes gemengd gebied en rustige woonwijk/rustig buitengebied gegeven.

Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

|40

Omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. De minimale afstand per categorie is als volgt:

Milieucategorie

rustige woonwijk/ buitengebied

gemengd gebied

1

10 meter

0 meter

2

30 meter

10 meter

3.1

50 meter

30 meter

3.2

100 meter

50 meter

4.1 4.2

200 meter 300 meter

100 meter 200 meter

5.1 5.2

500 meter 700 meter

300 meter 500 meter

5.3

1.000 meter

700 meter

6

1.500 meter

1.000 meter

Onderzoek Vanwege het planvoornemen waarbij de functie van het gebied wijzigt naar wonen, dient de beoogde ontwikkeling te voldoen aan de richtafstanden tot omliggende milieubelastende bedrijven. Het plangebied ligt aan de Mary Zeldenrustlaan, nabij de spoorzone van Rijen in de gemeente Gilze en Rijen. In en rondom het gebied bevinden zich woonfuncties en verschillende gebieden waarop milieubelastende activiteiten mogelijk zijn. Het gaat hierbij om verschillende maatschappelijke functies links van het plangebied, bedrijven aan huis rechts van het gebied en een bedrijventerrein over het spoor ten zuiden van het gebied. Hiermee kan het gebied worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’. Tabel 5 Bedrijven rondom plangebied en richtafstanden a.d.h.v. milieucategorie

Locatie

Aard bedrijvigheid

Milieu categorie

Richtafstand gemengd gebied

Mary Zeldenrustlaan 12 Mary Zeldenrustlaan 22 Anne Frankplein 2a Anne Frankplein 11 Anne Frankplein 2 Anne Frankplein 1

Kantoor

1

0m

Afstand tot nieuwe woongebouwen plangebied 0-5 m

Bedrijf t/m categorie 2 Apotheek Sportschool Huisartsenpraktijk Politiebureau

2

10 m

21 m

1 2 1 3.1

0m 10 m 0m 30 m

90 m 70 m 100 m 125 m

Bedrijventerrein de Haansberg Aan de overzijde van de spoorlijn ligt het bedrijventerrein De Haansberg. Voor dit bedrijventerreinen is in het bestemmingsplan een inwaarste milleuzonering opgenomen, gerekend vanaf de bestaande woningen rondom

|41

het bedrijventerrein. De nieuwe woningen aan de Mary Zeldenrustlaan 18-20 komen op een grotere afstand dan de bestaande woningen rondom bedrijventerrein de Haansberg. Hierdoor blijven de nieuwe woningen buiten de richtafstanden van de bedrijven op de Haansberg. Conclusie Het planvoornemen ligt niet binnen de richtafstanden die gelden voor de in de buurt aanwezige bedrijven en inrichtingen. Hiermee vormen de mogelijke milieubelastende activiteiten geen bedreiging voor een acceptabel woon- en leefklimaat.

|42

5.

BESCHERMING VAN DE WATERBELANGEN

Nationaal waterbeleid Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot: • Het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; • Het bouwen binnen kunstfundamenten buiten stedelijk gebied; en • Het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (RWP) Op 22 december 2021 is het nieuwe Regionaal Water- en Bodem Programma in werking getreden. Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen.

Het RWP kent vijf beleidsopgaven met bijbehorende doelen: • Voldoende water - voldoende water betekent: niet te weinig diep en ondiep grondwater en oppervlaktewater met optimale zoetwaterbeschikbaarheid en waterverdeling in geval van extreme droogte, en niet te veel oppervlaktewater om ernstige regionale wateroverlast zo veel mogelijk te voorkomen. • Schoon water - schoon grond- en oppervlaktewater voor onze volksgezondheid en natuur, conform de normen van de KRW; voorkomen van verontreiniging en het beschermen van diepe grondwatervoorraden. • Veilig water - veiligheid tegen hoogwater in het hoofdwatersysteem en het regionaal watersysteem. • Vitale bodem - vergroten van de vitaliteit, sponswerking, resistentie tegen ziekten en natuurlijk productievermogen van de bodem voor duurzame landbouw en biodiversiteit. • Klimaatadaptatie - aanpassen aan klimaatverandering in alle domeinen van het provinciale waterbeleid. Beleid waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het gaat dan om het waterkwantiteit en –kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer.

Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 (Waterschap Brabantse Delta) Het beleid en de daarmee samenhangende doelen en ambities van het waterschap zijn opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 waarin het waterschap de koers aangeeft voor de komende zes jaar. In het Waterbeheerprogramma staan de kerntaken van het waterschap centraal. Dat zijn zorgen voor voldoende en schoon water voor natuur en landbouw, bescherming tegen overstromingen en het zuiveren van afvalwater. Tevens is een doel dat het waterschap aan een beter watersysteem werkt, voor mensen en voor flora en fauna. Het watersysteem moet robuuster worden: veiliger, minder kwetsbaar voor regenval en droogte, schoner, natuurlijker en beter toegankelijk voor recreanten. Het waterschap heeft waar nodig toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma en een eigen verordening; De Waterschapsverordening en de Legger.

|43

Waterschapsverordening Voor het beheer van de diverse wateraspecten en het watersysteem is een waterschapsverordening opgesteld. Deze vervangt de voormalige Keur en bijbehorende algemene regels en heeft een andere opzet. In de waterschapsverordening staan alle regels die bepalen welke activiteiten, waar in het werkgebied mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De regels zijn nu specifiek gekoppeld aan bepaalde gebieden waar ze gelden en toegespitst op activiteiten die iemand kan doen. Activiteiten zijn toegestaan, mits er wordt voldaan aan voorwaarden in de waterschapsverordening. Middels het omgevingsloket kan dit gecontroleerd worden. Uitgangspunten gemeente Gilze en Rijen De gemeente Gilze Rijen heeft zijn beleid vastgelegd in het verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2021-2025. Dit beleid is naast de voorgaande wateraspecten meer gericht op duurzaamheid en streven naar een klimaatbestendige en groenere omgeving. Slimme inzet van groen en water in de stad zorgt voor koelteplekken in warme tijden, aanvulling van water in de bodem en draagt bij aan de gezondheid en het welzijn van de inwoners. Volgens het verbreed gemeentelijk rioleringsplan moet bij nieuwbouw en herstructureringsprojecten voorkomen worden dat er negatieve effecten op de waterhuishouding optreden. Voor verbouw zonder toename van het verhard oppervlak geldt een retentie-eis van 7 mm.

Bij nieuwbouw of toenemend verhard oppervlak geldt een retentie-eis van 60 mm. Onderzoek Ten behoeve van het beschermen van de waterbelangen is een onderzoek naar de waterhuishouding en infiltratie uitgevoerd. De volledige rapportage van dit onderzoek is als bijlage 7 toegevoegd aan deze motivering. Voor de waterbelangen is ook het voorlopige ontwerp van de daktuinen van belang. Deze is opgenomen als bijlage 8. Het plangebied is in de huidige situatie bebouwd en geheel verhard. Men is voornemens de huidige bebouwing te amoveren ter realisatie van een nieuw appartementengebouw. Het appartementengebouw zal ca. 147 woningen bevatten met een ondergrondse parkeergarage. Het plangebied ligt relatief hoog in vergelijking met de aanliggende omgeving en kent een maaiveldhoogte van ca. 8,6 tot 8,8 m +NAP. De noordelijk gelegen Mary Zeldenrustlaan kent ter hoogte van het plangebied een maaiveldhoogte van ca. 8,4 m +NAP. De gemiddelde optredende grondwaterstand is ingeschat op ca. 6,8 m +NAP en de GHG op ca. 7,4 m +NAP. Door het aanhouden van hetzelfde vloerpeil als bij de bestaande bebouwing (minimaal 8,7 m +NAP; vloerpeil 30 cm boven de kruin van de weg) is bij het planvoornemen geen grondwateroverlast te verwachten en wordt instroom vanaf de weg vermeden.

Het omliggend terrein dient zo aangelegd te worden dat excessief water kan afstromen naar laagte of groen op eigen perceel en niet naar de omliggende bebouwing. Om instroom in de parkeerkelder te voorkomen, kan hiervoor in het wegprofiel een kleine verhoging/drempel ingepast worden. Bij de nieuwbouw zal op eigen perceel een gescheiden stelsel aangelegd worden dat aangesloten wordt op het bestaand gemeentelijk gemengd rioolstelsel. Door de realisatie van 147 appartementen zal gezien de huidige winkelfunctie de toekomstige afvalwaterhoeveelheid naar in totaal ca. 4,4 m3/u. Voor een wijziging/nieuwe rioolaansluiting dient te zijner tijd een aanvraag bij de gemeente Gilze Rijen ingediend te worden. In onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van de huidige en toekomstige situatie aan verharding met de benodigde waterberging van 7 mm (eis vanuit gemeente bij herbouw zonder verhardingstoename). De toekomstige verharding is ingeschat op basis van het planvoornemen. Hierbij is het oppervlak van de geplande parkeerkelder meegeteld als verhard oppervlak.

|44

Type oppervlak Bebouwing Overige verharding Totaal Verhard

Huidige situatie (m²) 4.067 3.263 7.330

Toekomstige situatie (m²) 2.982 1.800 4.782

Benodigde berging (m³) 20,9 12,6 33,5

Uit bovenstaande tabel is af te leiden dat bij de toekomstige situatie de verharding afneemt naar circa 4.782 m². Voor de vervangende bebouwing is conform het beleid van de gemeente een hemelwaterberging van 7 mm per vierkante meter verharding nodig. Hiervoor dient een waterberging gerealiseerd te worden van circa 33,5 m³. Voor de watercompensatie wordt gekozen voor een opvangende laag op het kelderdek (daktuin). De volledige hoeveelheid hemelwater zal worden afgevoerd naar de bodemlaag die zich bovenop het kelderdek bevindt. Door rekening te houden met de genoemde aandachtspunten, de verhardingsafname en de inpassing van minimaal 7 mm hemelwaterverwerking op eigen perceel wordt klimaat robuuster ontwikkeld en vindt door de ontwikkeling een afname van het verwachte risico op wateroverlast plaats. De (onverharde) oppervlakte van de daktuin bedraagt circa 3.223 m² en heeft een waterbergingscapaciteit van 54,8 m³. Hiermee voldoet het planvoornemen ruim aan de waterbergingseis van 33,5 m³. Conclusie Het planvoornemen levert geen knelpunten op ten aanzien van het waterbelang.

|45

6.

WAARBORGEN VAN DE VEILIGHEID

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’.

Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;

|46

• •

Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).

Toetsing Het planvoornemen voorziet in de transformatie van de huidige bebouwing ter plaatse van de Mary Zeldenrustlaan 18-20 naar 148 nieuwe appartementen door middel van sloop en nieuwbouw. De inventarisatiekaart van het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV) geeft een beeld van de risico's in de woonen leefomgeving. Via de kaart wordt informatie gegeven over de risicobronnen en de kwetsbare objecten. In onderstaande uitsnede van de risicokaart is de omgeving van het voorliggende plangebied weergegeven.

Figuur 15 Uitsnede kaart Externe veiligheid (plangebied rood omcirkeld)

Het plangebied bevindt zich binnen de risicocontouren van het spoor. Derhalve is een verder onderzoek naar de effecten van externe veiligheid opgesteld. Onderzoek Ten behoeve van het planvoornemen is op 27 augustus 2024 een onderzoek uitgevoerd naar de effecten van externe veiligheidsfactoren voor de aanleg van de 148 nieuwbouwappartementen. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 9.

|47

Figuur 16 Bebouwing en veiligheidsgebieden rondom plangebied

Plaatsgebonden risico Bij het Basisnet Spoor gelden voor het plaatsgebonden risico 10 -6 per jaar (PR) de afstanden die in bijlage 2 van de regeling Basisnet zijn opgenomen. Voor het trajectdeel nabij het plangebied is de afstand gelijk aan 8 m. Een afstand van 8 m betekent dat het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen op het midden van de spoorbundel op 1 m afstand niet meer mag bedragen dan 10 -6 per jaar. Het plangebied ligt ca. 85 m van de spoorlijn. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling. Brandvoorschriftengebied Vanwege de omvang van het vervoer van brandbare vloeistoffen was in de regeling Basisnet die gold tot 31 december 2023, een plasbrandaandachtsgebied aangewezen. Dit is een zone van 30 m aan weerszijden van een transportroute waarbinnen rekening gehouden moet worden met de mogelijk effecten van een plasbrand. Onder de Omgevingswet zijn plasbrandaandachtsgebieden omgezet in brandvoorschriftengebieden [5, art. 2.24]. Om deze reden geldt voor deze spoorlijn een brandvoorschriftengebied (BVG) van 30 m. Het plangebied ligt op ca. 60 m van de spoorlijn en daarmee buiten het BVG. Explosieaandachtsgebied Het plangebied ligt binnen het explosieaandachtsgebied van 200 m.

Wegens de aard van de ontwikkeling en de omgeving dient, na doorlopen van het stappenplan van de provincie Noord-Brabant, maatregelenniveau B of C gebruikt te worden. Maatregelenniveau B stelt dat passende bron-/omgevingsmaatregelen moeten worden genomen om de personen binnen het plangebied optimaal te beschermen. Wanneer het nemen van de omgevings- en/of bronmaatregelen van niveau B niet voldoende bescherming biedt, wordt overgeschakeld naar niveau C, waarin wordt gekeken naar aanvullende bouwkundige maatregelen. De ontwikkeling wordt in de ontwerpfase voorgelegd aan de veiligheidsregio ter beoordeling. Conclusie Het waarborgen van de veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

|48

7. BESCHERMING VAN LANDSCHAPPELIJKE EN STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN EN CULTUREEL ERFGOED De Erfgoedwet en de Omgevingswet zorgen samen voor een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed. Het Europees beleid is verankerd in de Nederlandse wetgeving. Het voornaamste doel is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van ontwikkelingen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar bij het opstellen van ontwikkelingen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het opstellen van ontwikkelingen moet het archeologisch en cultuurhistorisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Zo zijn er in het Bkl (artikel 5.130) ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd.

Deze beginselen richten zich op de omgang met gemeentelijke monumenten (die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd), archeologische monumenten, Rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van Rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in respectievelijk archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen of activiteitgericht opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

7.1

Cultuurhistorie

De ontwikkelgeschiedenis van de kern Rijen in grote mate beïnvloed door de aanwezigheid van de spoorlijn. Op de historische kaart van Rijen is dit ook te zien. Dankzij de aanwezigheid van deze spoorlijn leende Rijen zich goed voor industriële ontwikkelingen. In de tweede helft van de 19 e eeuw vestigden zich daarom ook verschillende leerlooierijen in het dorp, en groeide de industrie van Rijen uit. De ontwikkelingen uit deze periode heeft geleid tot vele kenmerkende gebouwen, en heeft het gebied rondom het station sterk beïnvloed. Zo stond er bijvoorbeeld aan de Venneweg, nabij het plangebied, de voormalige Lederfabriek de Adelaar. De grond hiervan is in 1992 door de gemeente gekocht, waarna het complex is gesloopt voor een nieuwe woonwijk. De aanwezigheid van deze fabriek heeft nog enkele andere invloeden gehad op de bebouwing in de omgeving, zoals bijvoorbeeld het pand op Stationsplein 6, welke de directievilla bij het complex van de Adelaar was. De historische kern van Rijen vormt zich vanaf circa het jaar 1900 door een bebouwingslint aan de noordkant van het spoor, nu de Stationsstraat. In de loop van de jaren ’30 van de 20 e eeuw vinden de eerste kleinschalige uitbreidingen plaats van dit bebouwingslint in Rijen, met name in de vorm van verdichting en opvulling van de open plekken van de omliggende bebouwingslinten.

Deze verdichting zet verder door tot circa 1950, in combinatie met het ontstaan van een bebouwingslint aan de zuiderzijde van het spoor. Na de Tweede Wereldoorlog vindt er rondom Rijen een intensieve verdichting plaats, in eerste instantie rondom het bebouwingslint.

|49

Rond 1975 vond uitbreiding aan de westzijde van het historische bebouwingslint plaats, zie ook onderstaande figuur. Deze uitbreiding met een planmatig opgezette woonwijk vond plaats tot aan de rand van de N631. Hiermee is de N631 de westelijke begrenzing van de kern Rijen geworden en vormt het een belangrijke ontsluitingsweg van Rijen richting Oosterhout. Na 1975 heeft de uitbreiding van het stedelijk gebied zich meer richting het oosten van Rijen gevormd. Momenteel valt het plangebied volgens de welstandsnota Gilze Rijen onder het welstandsgebied ‘Stationsgebied’. Volgens de kaart op pagina 93 van de welstandsnota valt het plangebied onder het deelgebied ‘spoorzone’. In paragraaf 7.6 wordt verder beschreven op welke manier rekening wordt gehouden met de ontstaansgeschiedenis van de kern Rijen en de ligging binnen dit welstandsgebied in het ontwerp van het planvoornemen. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.

Figuur 17 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) (plangebied blauw omringd)

Toetsing Cultuurhistorische Waardenkaart Op de CHW is af te lezen dat het plangebied ligt in de regio ‘Baronie’. De ontwikkelingsstrategie voor dit gebied is: 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio; 2. De cultuurhistorische waarden van de Baronie in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor de cultuurhistorische landschappen; 3. Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van de archeologische landschappen: “Beekdal van de Mark” en “Dekzandeiland Alphen-Baarle”. Het planvoornemen voorziet niet in een ontwikkeling waarmee afbreuk wordt gedaan aan de huidige cultuurhistorische waarde van de regio. In het plangebied zelf bevinden zich geen monumenten, overige bouwkunsten of (cultuur)historische geografie waaraan het planvoornemen afbraak zou kunnen doen. In de verder gelegen nabijheid van het plangebied bevinden zich echter verschillende gemeentelijke- en rijksmonumenten. Hieronder volgt een overzicht:

|50

Straatnaam Stationsplein Stationsplein

Nummer 4 5

Plaats Rijen Rijen

Status Gemeentelijk monument Gemeentelijk monument

Stationsplein Stationsplein Stationsstraat

6 1 en 2 1

Rijen Rijen Rijen

Rijsmonument Gemeentelijk monument Gemeentelijk monument

Stationsstraat Stationsstraat Stationsstraat Stationsstraat

2 8 54 58

Rijen Rijen Rijen Rijen

Gemeentelijk monument Rijsmonument Gemeentelijk monument Gemeentelijk monument

Soort bebouwing Woonhuis Woonhuis, bovenwoning, garage en kantoor Villa met kantoor Stationsgebouw Café-restaurant met woonhuis Winkel-woonhuis Directeurswoning Woonhuis Woonhuis

Bovenstaande gemeentelijke- en rijksmonumenten zijn kenmerkend voor de omgeving van het station, waar het plangebied aan grenst. Echter wordt de uitstraling, zowel in ontwerp als materiaalkeuze, ingepast in de omgeving. Mede door deze inpassing en de afstand tot de hier bovengenoemde monumenten doet het planvoornemen geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden van de directe omgeving. Beleid gemeente Gilze Rijen De gemeente Gilze en Rijen heeft een inventarisatie gemaakt van de cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig in de gemeente. Hiertoe is een overzichtskaart opgesteld, waarmee te zien is op welke locaties deze elementen aanwezig zijn. Toetsing cultuurhistorische inventarisatie Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom (heden) in de nabijheid van de 19 e-eeuwse spoorlijn. Verder bevindt het plangebied zich buiten attentiegebieden. De aanwezigheid van gemeentelijke- en rijksmonumenten is in bovenstaand kopje ‘Beleid provincie Noord-Brabant’ reeds behandeld. Aangetoond is dat het planvoornemen geen afbreuk doet aan de aanwezige cultuurhistorische waarden in de omgeving.

Figuur 18 Uitsnede Cultuurhistorische inventarisatie (plangebied groen omlijnd)

|51

7.2

Archeologische waarden

Gemeentelijk archeologiebeleid In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) artikel 5.130, lid 1 is bepaald dat in een (tijdelijke) omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed met inbegrip van bekende en/of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over behoud van archeologische vindplaatsen in de bodem of archeologisch onderzoek. Op 19 december 2022 heeft de gemeenteraad van Gilze en Rijen hiertoe de Archeologische verwachtings- en beleidskaart vastgesteld. De archeologische beleidskaart is in een aantal fases tot stand gekomen. Allereerst is gestart met een inventarisatie van de reeds bekende archeologische waarden, historische relicten, landschappelijke en geomorfologische opbouw, alsook bodem. Dit heeft geresulteerd in een archeologische informatiekaart, historische relictenkaart, archeolandschappelijke eenhedenkaart en een bodemkaart. Op basis van de inventarisatiekaarten zijn twee verwachtingskaarten vervaardigd: ‘Jagers en Verzamelaars’ en ‘Boeren- en Staatse samenlevingen’. Ten slotte is aan de verschillende verwachtingseenheden beleid gekoppeld, waarmee de archeologische beleidskaart is ontstaan. De kaart houdt rekening met de specifieke context van de gemeente Gilze en Rijen.

De bepaling van verwachtingen is zowel gebaseerd op actuele wetenschappelijke inzichten, als op een studie van technische gegevens. De beleidskaart onderscheidt de gemeente een 7-tal verwachtingen, variërend van een zeer hoge tot een verwaarloosbare archeologische verwachting. Per verwachtingswaarde heeft de gemeente bepaald wat de vrijstellingsgrenzen zijn voor archeologisch onderzoek. Deze verwachtingswaarden zijn opgenomen in het paraplubestemmingsplan Gilze en Rijen 2023, welke na de vaststelling op 23-09-2024 het geldende document is voor het aspect archeologie.

Figuur 19 - Uitsnede paraplubestemmingsplan Gilze en Rijen 2023 (plangebied omlijnd)

Volgens het paraplubestemmingsplan van de gemeente Gilze en Rijen heeft het plangebied de archeologische waarde ‘3a’. In deze zones worden archeologische resten van boeren- en staatse samenlevingen verwacht. Deze zijn in omvang groter dan bewoningsarealen van jagers en verzamelaars en kennen daarom een ruimere vrijstellingsgrens. In deze gebieden dienen bij voorkeur geen werkzaamheden (inclusief ondergrondse

|52

sloopwerkzaamheden) te worden uitgevoerd die tot fysieke aantasting van de (verwachte) archeologische resten leiden. Het beleid is dus gericht op behoud van de bestaande situatie: behoud in situ. Indien verstoring niet vermeden kan worden, dient zo veel mogelijk in een vroege fase van de planvorming archeologisch onderzoek plaats te vinden. Hierbij geldt dus dat er bij ingrepen groter dan 500m² en dieper dan 40 cm beneden maaiveld een waardestellend archeologisch rapport moet worden overlegd. Het planvoornemen voorziet in een ingreep groter dan 500 m² en dieper dan 40 cm beneden maaiveld. Hiermee is het overleggen van een archeologisch rapport dus verplicht. Onderzoek Ten behoeve van het beperken van nadelige gevolgen voor de archeologische belangen heeft Aeres Milieu op 4 juni 2025 een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Voor het volledige onderzoek, zie bijlage 10 (Projectnr: AM24235 d.d 4 juni 2025). Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw in het plangebied bestaat uit een (deels) intact bodemprofiel of een scherp AC-bodemprofiel. Hierdoor is de kans groot dat archeologische resten in de ondergrond kunnen worden aangetroffen. De in het vooronderzoek opgestelde archeologische verwachting (middelhoog voor laat-paleolithicum – vroege middeleeuwen blijft deels gehandhaafd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16460561/1