20. BOPA motivering exclusief bijlagen
Tekst van het document
De archeologische verwachting (laag late middeleeuwen - nieuwe tijd) blijft overal gehandhaafd met uitzondering van de zone rond boringen 1 en 2. In het oostelijk deel van het plangebied waar graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden, kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaan. Op basis hiervan wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd. Dit geldt niet voor het westelijke deel en de zone van de huidige bebouwing. Hier is sprake van een diepgaande verstoring. Op basis van de bestudeerde bouwtekeningen is ter plaatse sprake van een bodemverstoring van minimaal 80 centimeter beneden maaiveld. Gezien de verstoringen in de direct langs het gebouw gezette boringen 1 en 2 (verstoord tot tenminste 130 centimeter beneden maaiveld) zal ook onder de bebouwing tot dit niveau zijn verstoord. Selectiebesluit Het advies aan de gemeente Gilze en Rijen is om het advies van Aeres te volgen en een vervolgonderzoek uit te voeren in het oostelijke deel van het plangebied, maar ook om, in afwijking van het advies van Aeres, het bebouwde deel van het terrein mee te nemen in het vervolgonderzoek. Het vervolgonderzoek wordt bij voorkeur als volgt uitgevoerd: • Een proefsleuvenonderzoek in het oostelijke, onbebouwde deel van het plangebied. • Een aanvullend verkennend booronderzoek ter plaatse van de bebouwing.
Op basis van de resultaten hiervan wordt bekeken of het noodzakelijk is om ook op deze locatie proefsleuven aan te leggen. Van belang is dat de bestaande bebouwing voorafgaand aan het archeologisch onderzoek niet ondergronds gesloopt wordt. Funderingen mogen dus pas verwijderd worden als het plangebied is vrijgegeven, of onder archeologische begeleiding als blijkt dat een vindplaats aanwezig is. Het selectiebesluit is opgenomen als bijlage 11 bij deze motivering.
|53
Figuur 20 Advieskaart vervolgonderzoek
Conclusie De archeologische waarde dient te worden vastgesteld middels vervolgonderzoek. Dit vervolgonderzoek wordt in een latere fase uitgevoerd.
7.3
Landschappelijke waarden
Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Gilze en Rijen De Omgevingswet verplicht gemeenten om rekening te houden met cultureel erfgoed. Het cultureel erfgoed is verankerd in het gemeentelijk beleid. De gegevens zijn gevisualiseerd in de kaart ‘Cultuurhistorische inventarisatie’. Deze kaart geeft op overzichtelijke wijze inzicht in de historisch gevormde ruimtelijke structuur van het landschap en de waardevaste elementen of gebieden, die door wet of verordening worden beschermd. In één oogopslag is daarmee zichtbaar wat de historische structuur van een gebied is en met welke waarden rekening moet worden gehouden bij ruimtelijke ontwikkelingen. De cultuurhistorische waardenkaart deelt het gebied van de gemeente vervolgens, aan de hand van de cultuurhistorische inventarisatie, op in bepaalde deelgebieden.
|54
Toetsing
Figuur 21 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Gilze en Rijen (plangebied rood omcirkeld)
Het plangebied bevindt zich volgens de cultuurhistorische waardenkaart in het deelgebied ‘bebouwde kom Rijen’. De karakteristiek van dit gebied wordt bepaald door eventueel aanwezige waardevolle of cultuurhistorische elementen en het historisch wegenpatroon, welke bepalend was voor de ontwikkeling van bebouwing. Deze elementen zijn reeds behandeld in paragraaf 7.1, waar is geconcludeerd dat de aanwezige cultuurhistorische elementen geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Conclusie Het planvoornemen vormt geen belemmering voor het aspect cultuurhistorie.
7.4
Stedenbouwkundige waarden
Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 148 nieuwe appartementen, verspreid over twee blokken van vier bouwlagen. Aan de zijde van de Mary Zeldenrustlaan is architectonisch sprake is van een terugliggende 4e bouwlaag. De gebouwen hebben een bouwhoogte van circa 14 meter vanaf maaiveld. De gevel heeft een licht kleur en bestaat uit een combinatie van wit en beige metselwerk met rechthoekige kozijnen van donkere kleur. De nieuwbouw past stedenbouwkundig goed bij de omgeving van de Mary Zeldenrustlaan en Anne Frankplein. Aan deze belangrijke ontsluitingsweg staan meerdere appartementengebouwen en kantoorpanden van drie tot vier bouwlagen. Ook de grondgebonden woningen aan de noordzijde van de Mary Zeldenrustlaan hebben 3 bouwlagen met een plat dak. Verder is de omgeving en de ruimte om de bouwblokken aangekleed met bomen en sierbeplanting in de vorm van hagen, gazons en bomen. Een uitgebreide beschrijving van de stedenbouwkundige waarden, inclusief verbeeldingen, is opgenomen in hoofdstuk 2 van deze motivering.
|55
7.5
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsactiviteit Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3.
Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit jurisprudentie blijkt dat vanaf 12 nieuwe woningen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en dat deze Ladderplichtig is. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het planvoornemen een ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onderzoek Ten behoeve van de toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is op 3 oktober 2024 een onderzoek uitgevoerd. Voor het volledige onderzoek, zie bijlage 12.
Nieuwe stedelijke ontwikkeling, bestaand stedelijk gebied Het initiatief is een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ontwikkeling is niet toegestaan in het huidige omgevingsplan en er worden 12 of meer woningen toegevoegd. Ruimtelijk verzorgingsgebied Gemeente Gilze en Rijen is het primaire verzorgingsgebied. Circa 39% van alle verhuisbewegingen komt uit de eigen gemeente. De Stedelijke Regio Breda Tilburg, waar gemeente Gilze en Rijen onderdeel van is, vormt het secundaire verzorgingsgebied. Circa 31% van de verhuisbewegingen naar gemeente Gilze en Rijen is afkomstig
|56
uit de andere gemeenten binnen de regio. Het primair en secundair verzorgingsgebied zijn gezamenlijk goed voor 70% van de verhuisbewegingen in gemeente Gilze en Rijen. Kwantitatieve behoefte De beoogde ontwikkeling van maximaal 148 woningen voorziet in een kwantitatieve behoefte: • Het aantal inwoners en huishoudens in de gemeente Gilze en Rijen en de Stedelijke Regio Breda Tilburg neemt de komende jaren toe. Het aantal huishoudens neemt sterker toe door de kleiner wordende huishoudens. • De harde plancapaciteit voor gemeente Gilze en Rijen is niet voldoende om in de behoefte te voorzien. De harde plancapaciteit bedraagt circa 495 woningen, tegenover een behoefte van circa 1.210 woningen. • Ook in de regio is onvoldoende plancapaciteit om invulling te geven aan de behoefte. Er is behoefte aan circa 43.435 woningen extra. De harde plancapaciteit bevat slechts circa 14.460 woningen. • Ook uit de woondeal Stedelijke Regio Breda Tilburg, blijkt een behoefte aan extra woningen. Kwalitatieve behoefte Het initiatief om 148 woningen te realiseren in het betaalbare segment voor starters en senioren voorziet in een kwalitatieve behoefte. • Landelijk zijn er veel woningen nodig voor starters en ouderen.
Het initiatief sluit aan bij de wensen en behoeften van starters en senioren (kleine woningen, betaalbare woningen etc.) • In gemeente Gilze en Rijen zijn relatief weinig appartementen (15%). Door het toevoegen van appartementen wordt de woningvoorraad meer divers. • De harde plancapaciteit tot aan 2027 bevat weinig betaalbare huurwoningen. Het initiatief zorgt voor meer betaalbare huurwoningen. Een deel van de inwoners heeft behoefte aan dit type woning. • Inwoners van Rijen geven aan graag meer appartementen in de kern te willen. Dit initiatief draagt hieraan bij. Geen onaanvaardbare leegstandseffecten Het is niet de verwachting dat er als gevolg van het realiseren van 148 woningen in Gilze en Rijen onaanvaardbare leegstandseffecten zullen optreden. De woningbehoefte is immers dusdanig groot dat ook na het realiseren van het planinitiatief behoefte blijft bestaan voor het realiseren van nieuwe woningen. Bovendien heeft een gezonde woningmarkt 2% leegstand volgens het Planbureau voor de Leefomgeving. De gemeente Gilze en Rijen had in 2023 een woningleegstand van respectievelijk 0%. De gemeenten in het secundair verzorgingsgebied hadden een leegstand van 2 à 3%. Ook de provincie Noord-Brabant had een leegstand van 2%. Conclusie Het aspect ladder voor duurzame verstedelijking biedt geen belemmering voor het planvoornemen.
7.6
Ruimtelijke kwaliteit en welstand
Welstandstoezicht Het welstandstoezicht is bedoeld om, in alle openheid, een bijdrage te leveren aan de schoonheid en de aantrekkelijkheid van de gemeente Gilze en Rijen. De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen samen de dagelijkse leefomgeving. Dat betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van de eigenaar van het bouwwerk alleen; elke voorbijganger wordt ermee geconfronteerd, of hij nu wil of niet. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van het onroerend goed en versterkt het vestigingsklimaat.
|57
Het gemeentelijk welstandsbeleid bevat de welstandsaspecten en de criteria waaraan bouwplannen in die gemeente worden getoetst. Het gaat daarbij om algemene welstandscriteria, gebiedsgerichte welstandscriteria, welstandscriteria voor specifieke objecten en welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken. De algemene welstandscriteria richten zich op: • De relatie tussen vorm, gebruik en constructie; •
De relatie tussen bouwwerk en omgeving;
•
De betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context;
•
Het evenwicht tussen helderheid en complexiteit;
•
Schaal en maatverhoudingen;
•
Materiaal, textuur, kleur en licht.
Op 20 december 2010 heeft de gemeenteraad ingestemd met het vernieuwen van het welstandsbeleid. Uit dit besluit blijkt dat de Welstandsnota Gilze en Rijen alleen nog geldt voor de rode gebieden op het bij de besluit behorende kaart. Voor de gele gebieden geldt niet meer de Welstandsnota Gilze en Rijen, maar in plaats daarvan zal de beoordeling aan redelijke eisen van welstand plaatsvinden door middel van de “algemene gele gebieden’. Voor groene gebieden geldt de Welstandsnota Gilze en Rijen niet meer, met uitzondering van de excessenregeling.
Figuur 22 Uitsnede kaart Welstandsnota (plangebied blauw omlijnd)
Onderzoek Het plangebied valt in het rode en gele gebied. Voor de rode gebieden beoordeelt de Welstandscommissie de bouwplannen op basis van de Welstandsnota en voor de gele gebieden geldt welstandstoezicht door de stadsbouwmeester.
|58
Het planvoornemen houdt de maatvoeringen en locatie van de bestaande bebouwing aan waardoor het verkavelingspatroon onaangetast blijft. De bebouwing ter plaatse van het plangebied bevindt zich, volgens de welstandsnota Gilze Rijen, in het ‘stationsgebied’ in het deelgebied ‘spoorzone’. Voor het welstandsniveau van dit gebied wordt gesteld dat, vanwege de bijdrage aan het collectieve beeld van de kern Rijen en door potenties met betrekking tot de ontwikkeling van een aansprekende en samenhangende stationsomgeving, het gebied is aangewezen als bijzonder welstandsgebied. In dit gebied dient in het kader van het welstandsbeleid bij ontwikkelingen te worden gericht op het versterken van de samenhang binnen het stationsgebied. Hierbij dient gebruik te worden gemaakt van cultuurhistorische karakteristieken met de mogelijkheid om af te wijken van de bestaande context wat betreft massa en vormgeving en kleur- en materiaalgebruik. Het planvoornemen houdt rekening met de ontstaanshistorie van het gebied en zorgt voor een passend kleur- en materiaalgebruik. Middels de ontwikkeling wordt geprobeerd de samenhangende stedenbouwkundige structuur van het gebied te versterken middels passende massa en vormgeving. De positionering houdt rekening met de bestaande voorgevels en oriëntatie op de spoorzone. Het ontwerp van de gevels voorziet in de herkenbaarheid van de bebouwing.
Het bouwplan is voorgelegd aan de Welstandscommissie en aan de stadsbouwmeester. Er is meermaals overleg geweest met de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit, hieruit is een positief welstandsadvies verkregen op de planvorming. Conclusie Het aspect ruimtelijke kwaliteit en welstand vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
|59
8.
NATUURBESCHERMING
8.1
Wettelijk kader
De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. De Wet natuurbescherming is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die geldig waren in de Wet natuurbescherming. Voor het tijdelijk Omgevingsplan van de gemeente Gilze en Rijen is er sprake van een beleidsneutrale overgang. Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht zijn ongewijzigd. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming Natura 2000 De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan.
Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Stikstof Onder de Omgevingswet is er een stikstofregistratiesysteem in plaats van de nationale Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). De regels over de nationale Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) komen niet terug onder de Omgevingswet. Wel geeft de Omgevingswet regels over een stikstofregistratiesysteem voor woningbouwprojecten en enkele rijkswegen. Dat systeem houdt bij hoeveel ruimte er aan stikstofdepositie is voor (nieuwe) projecten zonder dat Natura 2000-gebieden daaronder lijden.
De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt de structurele stikstofaanpak door de volgende onderdelen op te nemen in het stelsel van de Omgevingswet: • resultaatsverplichtende omgevingswaarden voor de stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000gebieden • een verplicht Rijksprogramma stikstofreductie en natuurverbetering • een systeem van monitoring en bijsturing Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de
|60
vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. NNN Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid verantwoordelijk.
In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aangesloten Pan Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen.
8.2
Onderzoek
Ten behoeve van het beschermen van de natuurbelangen is op 25 oktober 2024 een ecologische quickscan uitgevoerd. Als zoekgebied voor de quickscan is het plangebied en de omgeving (ca. 100 m straal) genomen. Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 12 september. Voor het volledige onderzoek, zie bijlage 13. Gebiedsbescherming Natura2000 Door de voorgenomen werkzaamheden kan verstoring door geluid en beweging optreden. Deze effecten zijn zeer lokaal; bovendien ligt het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Ulvenhoutse Bos’ op een afstand van 8,1 kilometer van het plangebied. Overige Natura2000 gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand van het plangebied. De plannen zullen hiermee waarschijnlijk geen effect op de natuurwaarden in Natura 2000gebieden hebben. Om elk risico uit te sluiten, is het echter te overwegen de te verwachten stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te laten bepalen. Indien daaruit blijkt dat er een significante toename is te verwachten, is er een vergunning nodig op grond van artikel 5.1, lid 1a van de Omgevingswet.
|61
8,5 km
Figuur 23 Ligging plangebied ten opzichte van Natura2000 gebieden (plangebied rood omcirkeld)
Stikstof Voor het planvoornemen is op 21 oktober 2025 met behulp van de rekentool AERIUS een stikstofberekening opgesteld. Deze berekening maakt inzichtelijk wat de stikstofdepositie is gedurende de aanleg- en gebruiksfase. Uit deze berekening is gebleken dat gedurende de aanleg- en gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar optreedt. De volledige berekening is te vinden in het rapportage welke is opgenomen als bijlage 14. Soortenbescherming Als gevolg van de werkzaamheden kunnen onderstaande effecten op beschermde flora en fauna optreden: • •
Bij de werkzaamheden kunnen voortplantings- of rustplaatsen van algemene beschermde zoogdieren of amfibieën worden aangetast. Individuen kunnen hierbij worden verwond of gedood. In de opgaande vegetaties in het plangebied bevinden zich in het broedseizoen mogelijk (beschermde) vogelnesten. Als de opgaande vegetatie tijdens het broedseizoen wordt verwijderd, kunnen broedende vogels worden verstoord (hun jongen kunnen hierdoor te lang zijn achtergelaten en eieren kunnen te lang niet zijn bebroed) of vernietigd. Ook kan het leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels.
Om overtredingen te voorkomen, moet met de volgende aspecten rekening worden gehouden: Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren of amfibieën voor, die onder de Omgevingswet zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde andere beschermde soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten voor is verkregen (tabel 3.82 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant; Provincie Noord-Brabant, 2023). Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 11.27 Bal); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden
|62
voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.
Vogels In de opgaande vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Omgevingswet begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van opgaande vegetatie toch leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield. Gelet op de invloedssfeer van het planvoornemen en de beoogde werkzaamheden op de directe omgeving van het plangebied zijn mitigerende maatregelen aanbevolen. Deze extra maatregelen zijn opgenomen in het volledige verslag van de ecologische quickscan in bijlage 13. NNN Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt op circa 550 meter van het plangebied (zie Figuur 24). Op de beheertypenkaart van de provincie wordt dit beheertype uit ‘Droog bos met productie’ aangeduid.
Wegens de afstand hebben de voorgenomen werkzaamheden waarschijnlijk geen noemenswaardig effect op de natuurwaarden in het NNB. Omdat er geen negatieve effecten op het NNB zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid.
Figuur 24 Uitsnede TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant - Natuur Netwerk Brabant (plangebied rood omcirkeld)
Conclusie Het aspect natuurbescherming vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
|63
9. BEHOUDEN VAN DE STAAT EN WERKING VAN INFRASTRUCTUUR EN VOORZIENINGEN 9.1
Beperkingengebieden
Beperkingengebieden zijn in de wet aangewezen gebieden waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden voor activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Toetsing Het plangebied ligt niet in een beperkingengebied.
9.2
Kabels en leidingen
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd en beschermd tegen ingrepen die de werking ervan kunnen bedreigen. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; • defensiebrandstoffen; • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Aan de andere kant dient de omgeving te worden beschermd tegen het gevaar dat van bestaande en toekomstige leidingen, kabels en hoogspanningslijnen kan uitgaan. Ter bescherming van de kabels en leidingen en de omgeving worden zones opgenomen in een omgevingsplan waarin beperkingen gelden. Toetsing Er bevinden zich geen kabels en/of leidingen in de nabijheid van het projectgebied die bedoeld zijn voor hoofdinfrastructuur of nutsvoorzieningen. De dichtstbijzijnde leiding bevindt zich op een afstand van ruim 1 km. Het gaat hier om een buisleiding van Gasunie. Verder bevindt zich op de westergrens van het planvoornemen een trafostation. Voor het planvoornemen zal een Klic-melding worden uitgevoerd om te voorkomen dat er tijdens de werkzaamheden schade ontstaat aan ondergrondse kabels en leidingen die niet in kaart zijn gebracht.
Aangezien een Klic-melding minimaal 3 en maximaal 20 dagen voor de graafwerkzaamheden moet worden aangevraagd, zal deze op een later moment worden ingediend, wanneer de werkzaamheden daadwerkelijk van start gaan. Conclusie Vanuit het aspect kabels en leidingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
|64
10.
VLIEGBASIS GILZE-RIJEN
Luchtvaart is te beschouwen als een risicovolle activiteit. Het huidige externe veiligheidsbeleid is met name gericht op ‘stationaire bronnen’ (fabrieken, opslagplaatsen, e.d.) en op het vervoer van gevaarlijke stoffen (weg, water, spoor en buisleidingen). In de luchtvaart gaat het op ‘bewegende bronnen’, die een ander risicobeeld met zich mee brengen. Daarom wordt voor de luchtvaart specifiek extern veiligheidsbeleid ontwikkeld, dat zal worden geïmplementeerd in de Wet Luchtvaart. Het beleid beperkt zich op dit moment nog tot Schiphol. Voor militaire vliegvelden blijft het Ministerie van Defensie verantwoordelijk. Toetsing IHCS - 1 Het plangebied ligt geheel binnen het horizontale obstakelvrije vlak van vliegbasis Gilze-Rijen (onderdeel van de Inner Horizontal en Conical Surface IHCS). Voor dit vlak geldt een bouwhoogtebeperking van 56 meter boven NAP. Ervan uit gaande dat het maaiveld ter hoogte van het plangebied maximaal 18 meter boven NAP ligt, betekent dit dat nergens in het plangebied hoger dan 38 meter mag worden gebouwd. Geen van de beoogde bouwwerken zijn hoger dan de maximaal toegestane hoogte van 56 meter boven NAP. Munitiezone Op de vliegbasis Gilze-Rijen is een munitiecomplex aanwezig. Het plangebied bevindt zich echter niet binnen de contouren van de munitiezone. Conclusie Vanuit het aspect luchtvaart is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
|65
11.
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor de m.e.r.-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.) Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden. Onderzoek Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 148 nieuwe woningen. Uit Bijlage V onder J11 van het Omgevingsbesluit blijkt dat het planvoornemen valt onder de omschrijving ‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’.
Kolom 2 geeft aan dat een merplicht niet van toepassing is voor deze activiteit. Uit kolom 3 blijkt dat bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject wel een mer-beoordelingsplicht geldt. Hiertoe dient gemotiveerd te worden of sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Hierbij wordt in ieder geval verwezen naar de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid van het Omgevingsbesluit. Te weten een beschrijving van: a) Het project, met in ieder geval een beschrijving van: 1. De fysieke kenmerken van het gehele project en, als dat van toepassing is, van sloopactiviteiten; 2. De locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in degebieden waarop het project van invloed kan zijn; b) De mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project; en c. voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: 1. De verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en 2. Het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit. Ad a onder 1˚. Fysieke kenmerken van het project Het planvoornemen betreft de beoogde transformatie van de bestaande bedrijfsbebouwing aan de Mary Zeldenrustlaan 18-20 in Rijen naar een woningbouwlocatie voor 148 appartementen. Ad 1 onder 2˚.
De locatie van het project Het plan wordt uitgevoerd op een locatie die reeds bestemd is als gemengd met specifieke functieaanduidingen voor kantoren, een bouwmarkt en een boerenbond. Het gebied wordt omringd door bestaande bedrijfsfuncties, woonfuncties en enkele maatschappelijke functies. Het plangebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status. De locatie ligt op ruime afstand van de Natura 2000-gebieden Ulvenhoutse bos op een afstand van circa 8,0 kilometer en Regte Heide & Riels Laag op circa 9,5 kilometer. Ook is het plangebied niet in een stiltegebied gelegen. Ad b. Milieueffecten van het project In de voorgaande paragrafen zijn de milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling weergegeven. Enerzijds zijn de verkeer gerelateerde effecten beschouwd, zoals de geluidbelasting en luchtkwaliteit. Anderzijds zijn
|66
meer locatie-gerelateerde effecten beschouwd die te maken hebben met de bouw en ingebruikname van de woningfunctie. Dan gaat het bijvoorbeeld over de effecten van en op activiteiten in de directe omgeving, water en natuur. Uit deze toetsing blijkt dat het planvoornemen geen onevenredige milieueffecten tot gevolg heeft. Ad c onder 1˚. Verwachte residuen en emissies en productie afvalstoffen Een Aerius (stikstof)berekening is op 21 oktober 2025 uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat er, als gevolg van het planvoornemen gelet op stikstofemissies, geen negatieve effecten op het milieu optreden. Zie hiervoor paragraaf 8.2. Ad c onder 2˚. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen worden gebruikt tijdens de bouw en het gebruik van de ontwikkeling. Het betreft hier natuurlijke hulpbronnen als energie, water en grondstoffen. Dit zou echter op elke willekeurige locatie het geval zijn. De gevolgen hiervan zijn van een dusdanig beperkte omvang, dat hierdoor geen beslag wordt gelegd op natuurlijke hulpbronnen. Conclusie Uit de mer-beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een mer-rapportage en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies.
|67
12.
UITVOERBAARHEID
Voor een Bopa dient de gemeente de uitvoerbaarheid aan te tonen.
12.1
Economische uitvoerbaarheid
Het plan betreft een particulier initiatief op particulier terrein. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt ten behoeve van de kosten een overeenkomst gesloten. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd en hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van voorliggend plan voldoende aangetoond.
12.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie Artikel 7.4 Or bevat aanvraagvereisten over participatie. Het aanvraagvereiste participatie geldt voor alle omgevings-vergunningen. Dus zowel voor de van rijkswege aangewezen vergunningsplichtige activiteiten, en voor de decentraal aangewezen vergunninsgplichtige activiteiten zoals opgenomen in een omgevingsplan (omgevingsplanactiviteit vergunningen). In verband met de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) voor bovenstaand project is een omgevingsdialoog gevoerd, de resultaten hiervan worden verwerkt in de aanvraag. Voor het verloop van participatie in het planvoornemen is een communicatieplan opgesteld. In het communicatieplan wordt een stappenplan aan communicatiemomenten voorgeschreven: 1. Uitnodigen buurt dialoog 2. Participatie/inloop avond 3. Rond sturen verslag participatie belanghebbende 4. Presentatie CRK 5. 1e informatiebrief belanghebbenden 6. 2e inloopavond 7. 2e informatiebrief belanghebbenden 8. 3e informatiebrief aan belanghebbenden 9. 4e informatiebrief belanghebbenden De volledige planning van het participatieplan is opgenomen als bijlage 15. In het kader van participatie zijn de omliggende locaties betrokken bij de planvorming. Onderstaande afbeelding weergeeft de adressen die betrokken zijn bij de participatie. De adressen zijn gekozen gelet op de nabije ligging tot het plangebied en worden als belanghebbenden beschouwd.
Een overzicht van de adressen is opgenomen in bijlage 15.
|68
Op 4 juli 2024 heeft Spoor Vastgoed en Miba bouwmanagement tijdens een omgevingsdialoog de buurtbewoners geïnformeerd over de geplande ontwikkeling. Vervolgens is op 3 april 2025 de tweede omgevingsdialoog gevoerd. Het verslag van deze bijeenkomst is ook opgenomen in bijlage 15. Omwonenden hebben tijdens het eerste omgevingsdialoog verschillende zorgen kenbaar gemaakt. Deze zijn door de aanwezige medewerkers beantwoord. Tijdens de tweede omgevingsdialoog zijn op enkele van de tijdens de eerste omgevingsdialoog gestelde vragen aangevuld met addenda. Tevens zijn er nieuwe vragen en zorgen besproken en beantwoord. Ten slotte is tijdens een derde omgevingsdialoog, de focus van deze bijeenkomst was het bespreken van de te plaatsen geluidsmuur. De volledige lijst van vragen en antwoorden die tijdens de drie omgevingsdialogen zijn gesteld, is opgenomen in het verslag omgevingsdialoog in bijlage 15. Advies en instemming In het kader van advies en instemming, wordt de buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegezonden aan de volgende overleginstanties: Veiligheidsregio, de welstandscommissie en de gemeenteraad gezien de ontwikkeling een bouwplan betreft van meer dan 10 woningen. Vaststellingsprocedure Op voorliggende aanvraag is conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
De beslistermijn is acht weken met een eenmalige verlenging van zes weken. In totaal komt dit uit op een beslistermijn van maximaal 14 weken.
|69
13.
EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2, Bkl). Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl (zie ook ‘beleidskader Rijk en provincie’, hoofdstuk 4). Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor wordt rekening gehouden met een zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering en de meerwaardecreatie. Toetsing Het planvoornemen betreft de transformatie van de bestaande bebouwing aan de Mary Zeldenrustlaan 18-20 in Rijen. Momenteel zijn de percelen in gebruik door de Bouwmarkt en staat het deel van de voormalige boerenbondlocatie leeg. Hiervoor in de plaats zijn 148 appartementen en een half verdiepte parkeergarage beoogd. Om de transformatie van de bestaande bebouwing voor een toekomstige woonfunctie mogelijk te maken is afwijken van het omgevingsplan noodzakelijk. Momenteel bestaat het plangebied deels uit leegstaand bedrijfspand.
In huidige staat draagt dit niet bij aan de omgevingskwaliteit. Daarbij bestaat de directe omgeving grotendeels al uit woonfunctie, dus is dit een passende toekomstige functie voor het plangebied. De beoogde transformatie zal voorzien in het neerzetten van een kwalitatieve leefomgeving met hoogwaardige openbare ruimte. De effecten van het plan op de leefomgeving en de toekomstwaarde zoals duurzaamheid en een veilige, gezonde leefomgeving zijn in deze motivering uitgebreid uiteengezet. De ontwikkeling draagt bij aan de grote behoefte aan woningen en zorgt voor een meerwaarde voor het bebouwd gebied van Rijen. Met de transformatie wordt de ruimtelijke kwaliteit van het gebied verbeterd, wordt leegstand aangepakt en wordt het stationsgebied verder ontwikkeld. De transformatie betekent een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Gezien hetgeen uiteengezet in voorgenoemde hoofdstukken kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen geen nadelige effecten heeft op de fysieke leefomgeving en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Conclusie Alles overwegende is een woningbouwontwikkeling van 148 appartementen op de locatie Mary Zeldenrustlaan 18-20 in Rijen aanvaardbaar.