2. Toelichting omgevingsplan
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 25 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Op de planlocatie Zwarte Dijk 47 is het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van kracht. De gemeenteraad heeft op 1 juli 2013 het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ vastgesteld. Daarnaast vigeert het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Gilze en Rijen 2023’ op de planlocatie. Dit bestemmingsplan is op 23 september 2024 vastgesteld. De planlocatie heeft in de huidige situatie de bestemming ‘Agrarisch’ met bijbehorend bouwvlak. De planlocatie kent de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap – 1’ en ‘Waarde – Archeologie 5’. Tevens kent de planlocatie de bouwaanduiding ‘karakteristiek’ en de gebiedsaanduidingen ‘luchtvaartverkeerzone – 11’, ‘ihcs – 1’ en ‘overig – agrarisch balansgebied’
Figuur 9: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied'
Voor de bouwregels vanuit het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ staat er in artikel 40.7 van de regels bestemmingsplan vermeld dat er ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’ wordt gestreefd naar behoud en/of herstel van de cultuurhistorische waarden van de op deze gronden aanwezigen bouwwerken. Dit houdt in dat: a. de bouwwerken qua profiel, bouwmassa, gevelkarakteristiek, detaillering, kleur- en materiaalgebruik, situering en oriëntatie behouden dienen te blijven. Het behoud van de verschijningsvorm heeft hoge prioriteit; b. nieuwe bebouwing dient de karakteristiek van de bestaande gebouwen afzonderlijk en/of als geheel niet aan te tasten. Voor de beoogde ontwikkeling wordt een behoud- en herstelplan opgesteld. Dit plan wordt tevens juridisch geborgd zodat de karakteristieke waarde behouden blijft. Het behoud- en herstelplan is toegevoegd in bijlage 6.
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 26 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 4 4.1
Bescherming van gezondheid en milieu
Algemeen
De initiatiefnemers zijn voornemens om op de locatie aan de Zwarte Dijk 47 de bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning en daarnaast om in de schuur twee wooneenheden te realiseren. Voor de beoogde ontwikkeling wordt een TAM-IMRO procedure doorlopen, waarmee de bestemming op de locatie wordt omgezet. In onderstaande paragrafen wordt er beschreven op welke wijze bij het initiatief rekening is gehouden met diverse aspecten van de leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.2
Geluid
Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral het gemeentelijk bestemmingsplan en daarnaast in de Omgevingswet, op basis van het voorzien in een goed woon- en leefklimaat. In artikel 3.20 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden de geluidsgevoelige gebouwen en ruimte aangewezen welke beschermd zijn tegen wegverkeerslawaai, industrielawaai, spoorweglawaai en omgevingslawaai. Onder geluidsgevoelige gebouwen wordt verstaan: woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie met bedgebied, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van alle eerder genoemde functies. Geluidsgevoelige ruimten zijn verblijfsruimte of verblijfsgebieden van bovenstaande functies. De beoogde ontwikkeling op de planlocatie betreft het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning en het realiseren van twee wooneenheden in de karakteristieke schuur. De wooneenheden kunnen worden aangemerkt als een geluidsgevoelig gebouw. Er dient gekeken te worden of de planlocatie in een geluidsaandachtsgebied is gelegen.
In het omgevingsplan dient rekening te worden gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Voor het bepalen van de omvang van het geluidaandachtsgebied gelden de regels uit bijlage IVc van de Omgevingsregeling. Alleen binnen het geluidaandachtsgebied zijn de geluidregels uit het Bkl van toepassing. Om die reden dient bij realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen deze aandachtsgebieden getoetst te worden aan de geluidgrenswaarden die voor dat aandachtsgebied gelden. Bij een lokale (spoor)weg is het geluidaandachtsgebied tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip begrensd door vaste afstanden (artikel 17.5 Omgevingsregeling). In lijn met artikel 5.78i van het Bkl is er in het akoestisch onderzoek voor gekozen om het onderzoek te beperken tot lokale wegen (gemeentewegen of waterschapswegen) met een etmaalintensiteit van minimaal 1000 mvt/etmaal. De planlocatie is niet gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. De Zwarte Dijk betreft een weg in het buitengebied van Rijen met een rijsnelheid van 60 km/uur. De Zwarte Dijk heeft ter plaatse van de planlocatie een etmaalintensiteit van 417 mtv/etmaal.
Hierdoor kent de Zwarte Dijk geen geluidaandachtsgebied. De dichtstbijzijnde weg met een geluidaandachtsgebied betreft de Flaassendijk welke is gelegen op een afstand van ca. 550 meter. De planlocatie is niet gelegen in het geluidaandachtsgebied van de Flaassendijk. Een akoestisch onderzoek naar wegverkeer wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Er wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aangezien de planlocatie niet binnen een geluidaandachtsgebied is gelegen. 4.3
Bodemkwaliteit
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient rekening te worden gehouden met de kwaliteiten van de bodem. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat er sanerende of beschermende maatregelen benodigd zijn bij overschrijding van de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 27 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
de bodem. Bij een wijziging van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor de beoogde ontwikkeling. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Door Moerdijk Bodemsanering is een rapportage uitgebracht ten behoeve van het uitgevoerde verkennend bodem- en asbestonderzoek. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 1. Het doel van dit verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de bodemkwaliteit (in relatie tot mogelijke verontreinigingen in de bodem/puin). Hiertoe is de kwaliteit van zowel de grond-/puin als het grondwater beoordeeld op basis van een steekproef, waarbij een beperkt aantal boringen/proefgaten is verricht en een aantal grond/puin(meng)monsters en grondwatermonsters chemisch-analytisch zijn onderzocht. Conclusies en aanbevelingen De onderzoekslocatie beperkt zich tot de bebouwing (boerderij) met erf, tuin en oprijlaan en heeft een oppervlakte van circa 7.000 m2. Uit de veld- en analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: Bebouwing met erf, tuin en oprijlaan, circa 7.000 m2 In de grond zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie aan barium aangetroffen. De tevoren gestelde hypothese heterogeen verdachte locatie dient formeel te worden geaccepteerd. De verhoging in het grondwater benaderd de interventie/signaalwaarde echter niet.
Drie druppellijnen (voormalige) asbestdaken, circa 40 m2 In de toplaag nabij de stal zijn licht verhoogde gehalten aan asbest en PCB aangetroffen. Ter plaatse van de overige druppellijnen zijn geen verhoogde gehalten aan asbest en PCB aangetroffen. De tevoren gestelde hypothese verdachte locatie dient formeel te worden geaccepteerd. De verhogingen benaderen de interventiewaarden echter niet. Puingranulaat, circa 1.000 m2 In de puinlaag is visueel en analytisch geen asbest aangetroffen. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen ten aanzien van bovenvermelde deellocaties worden niet noodzakelijk geacht. De resultaten van het verrichte onderzoek dienen geen belemmering te vormen voor de voorgenomen aankoop van de locatie en de toekomstige functiewijziging naar wonen. 4.4
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Voor een activiteit dat NIBM (niet in betekende mate) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de omgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Een plan is NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. De categorieën die altijd NIBM zijn, de volgende: Woningbouw: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen (netto) bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. De ontwikkeling voorziet in de realisatie van twee wooneenheden in de bestaande schuur en het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning. Een plan wat NIBM bijdraagt omvat maximaal een toevoeging van 1500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied een ‘niet in betekenende mate’ bijdrage levert die beschouwd wordt als verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling in het plangebied zal niet resulteren in een significante toename van het verkeer op de Zwarte Dijk.
Voor het onderhavige plan geldt een grens van 3%. De verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling op de planlocatie zal naar verwachting geen invloed hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse en derhalve de %
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 28 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
grens niet overschrijden. Een nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Omdat bij de beoogde ontwikkeling sprake is van een nieuw bijgebouw dient ook een beoordeling plaats te vinden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c.q. inzicht te worden gegeven in de heersende concentraties. De coördinaten van de planlocatie van de Zwarte Dijk 47 zijn bij benadering: ▪ X = 124842 ▪ Y = 400675 De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN en GDN) van het RIVM tonen ter hoogte van deze coördinaten, de volgende achtergrondconcentraties: ▪ 2025: PM10: 15.46 μg/m3 en NO2: 10.98 μg/m3 en PM2,5: 8.649 μg/m3 ▪ 2030: PM10: 13.86 μg/m3 en NO2: 8.797 μg/m3 en PM2,5: 7.229 μg/m3 ▪ 2035: PM10: 12.83 μg/m3 en NO2: 7.095 μg/m3 en PM2,5: 6.339 μg/m3 Hieruit volgt dat ter plaatse van de planlocatie zowel in de huidige situatie als voor 2035 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Ter plaatse van de planlocatie geldt ook voor de concentratie PM2,5 de jaargemiddelde concentratie ruimschoots onder de grenswaarden van 25 microgram per kubieke meter lucht liggen. Daarnaast is de planlocatie niet gelegen in en nabij een aandachtsgebied voor stikstofdioxide als fijnstof op basis van artikel 5.51 van het Bkl.
Hiermee is er vanuit het aspect luchtkwaliteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 4.5
Bedrijven en milieuzonering
4.5.1
Wettelijk kader
Binnen het omgevingsplan en bij het wijzigen of afwijken van het omgevingsplan moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Hierbij is milieuzonering één van de te beschouwen aspecten. Milieuzonering zorgt voor ruimte voor milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten met behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar andere milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Hierbij wordt rekening gehouden met: • •
de bescherming van een goed woon- en leefklimaat, en het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving door milieuhinderlijke (bedrijfs-) activiteiten.
Milieuzonering maakt het mogelijk om regels in het omgevingsplan op te nemen die voorzien in een rechtstreekse toelating van milieuhinderlijke (bedrijfs-) activiteiten. In het omgevingsplan dient te gemeente voor haar grondgebied op basis van de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl milieuwaarden en regels op te nemen. Deze milieuwaarden en regels gaan als standaard gelden voor de toegelaten milieuhinderlijke (bedrijfs-) activiteiten binnen de gemeente. Daarnaast kan er in aanvulling op de standaard regels, aanvullende regels voor bedrijventerreinen en werkterreinen, in het bijzonder voor geluid en geur. De aanvullende regels komen voort uit de systematiek voor milieuzonering zoals omschreven in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de VNG van oktober 2024. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Dit aangezien het oude recht nog geldt voor de bedrijven in de omgeving, waar deze VNGpublicatie destijds voor is gebruikt. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De richtafstanden binnen deze publicatie zijn ook de maximaal planologische mogelijkheden. De planlocatie aan de Zwarte Dijk 47 ligt in het buitengebied van Rijen.
Hierdoor valt de planlocatie in het gebied ‘rustig buitengebied’. Richtafstanden
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 29 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
In de omgeving zijn diverse bedrijven gevestigd. Alle bedrijven gelegen binnen een straal van circa 200 meter van de planlocatie zijn geïnventariseerd. In onderstaande tabel is de afstand weergegeven ten opzichte van het plangebied, uitgaande van een gebiedstypering ‘rustig buitengebied’. Tabel 2: Richtafstanden omliggende bedrijven, omgevingstype 'rustig buitengebied'
Bedrijfsomschrijving
Adres
Cat.
Geur
Stof
Geluid
Gevaar
Afstand van bouwvlak planlocatie tot bouwvlak locatie 66 m
Agrarisch bedrijf met Wierkstraat 20 2 10 10 30 10 ondergeschikte veehandel Volkstuin* Zwarte Dijk ong. 2 10 10 30 10 92 m Niet gespecificeerd in Tinnegietersweg 3.2 100 30 30 0 153 m het BP → max. 9 grondgebonden veehouderij, cat 3.2. Niet gespecificeerd in Tinnegietersweg 3.2 100 30 30 0 164 m het BP → 7 max. grondgebonden veehouderij, cat 3.2. *Voor de functie ‘volkstuin’ is geen milieucategorie omschreven. In dit plan wordt de omschrijving ‘akkerbouw en fruitteelt’ aangehouden voor de volkstuin op de locatie. In bovenstaande tabel wordt uitgegaan van de afstand tussen het bouwvlak van de locatie Zwarte Dijk 47 ten opzichte van de bouwvlakken van omliggende bedrijven. De ontwikkeling op de planlocatie vindt namelijk enkel binnen het bouwvlak plaats. De planlocatie zal worden omgezet van een agrarische bestemming naar een woonbestemming waarbij er twee gevoelige objecten worden toegevoegd. Er kan worden geconcludeerd dat de planlocatie niet ligt binnen de richtafstanden van omliggende bedrijven. Daarnaast wordt door het voorliggend initiatief geen bedrijven in de omgeving in hun bestaande rechten beperkt. Ter plaatse van de planlocatie kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en daarmee een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.5.2
Spuitzones
In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensievere teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terechtkomt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. In relatie tot omliggende gronden heeft de planlocatie Zwarte Dijk 47 derhalve mogelijk te maken met spuitzones. Bij het wijzigen van bestemmingen naar woondoeleinden dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden getoetst aan de eisen voor een goed en veilig woon- en leefklimaat op de te wijzigen locatie. De VNG-publicatie geeft voor boomteeltbedrijven een richtafstand van 30 meter. De minimale afstand tussen boomgaarden en nabijgelegen gevoelige objecten is niet wettelijk vastgesteld.
Door het ontbreken van wetgeving is, op basis van jurisprudentie van de Raad van State, een vuistregel ontstaan die aangeeft dat een afstand van 50 meter tussen agrarische bedrijven, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en gevoelige functies, niet onredelijk is. Deze 50 meter richtafstand is afkomstig van de open fruitteelt uit de Betuwe en is inmiddels al meer dan 20 jaar oud. Volgens vaste rechtspraak kan gemotiveerd worden afgeweken van de afstand van 50 meter, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt op basis van specifieke omstandigheden. Deze omstandigheden betreffen onder andere het type gewasbeschermingsmiddel, de spuittechniek, de windrichting, de bladsituatie van de fruitbomen (vol of kaal),
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 30 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
gehinderde (beperkt of kort van duur), een windhaag, groenhaag, sloot en dergelijke. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen. Verder is het relevant om te melden dat in de tijd van het bepalen van de 50 meter richtafstand veel minder rekening gehouden werd met de toepassing van drift reducerende spuitmethoden en dat de toelatingsprocedure van (schadelijke) gewasbeschermingsmiddelen veel minder streng was. De wet- en regelgeving voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen is de laatste jaren flink aangescherpt en deze trend duurt nog steeds voort. Er worden steeds meer en betere driftbeperkende technieken gebruikt en minder schadelijke middelen. De les in de praktijk is dus dat de richtafstand van 50 meter die ooit in de jurisprudentie is opgenomen al lang niet meer in beton gegoten is. Rondom de planlocatie zijn enkele landbouwgronden gelegen binnen de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals fruitboomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van de planlocatie komen geen boomgaarden voor.
De wet- en regelgeving voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen is de laatste jaren flink aangescherpt en deze trend duurt nog steeds voort. Er worden steeds meer en betere driftbeperkende technieken gebruikt en minder schadelijke middelen. Het Activiteitenbesluit milieubeheer stelt daarnaast eisen aan de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen in open teelt. In het besluit staat dat een spuittechniek moet worden toegepast die de drift met ten minste 75% (vanaf 1 januari 2018 verplicht) dan wel 90% reduceert ten opzichte van de vastgestelde referentietechniek. In Nederland wordt daarom doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen om mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 95% gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk. Deze spuitdoppen worden getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling). Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor een ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid.
De vraag die gesteld kan worden is of de richtafstand van 50 meter, die in het verleden ontstaan is door jurisprudentie, nog wel steeds actueel is. Er dient voor het initiatief aan de Zwarte Dijk 47 aangetoond te worden of er in de toekomstige situatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat op basis van eventuele spuitzones en mogelijke drift vanuit de omliggende gronden richting de woning. Voor het initiatief is de actuele situatie in beeld gebracht. Binnen 50 meter afstand van de te realiseren wooneenheden zijn diverse agrarische gronden gelegen waar mogelijk sprake kan zijn van het gebruik van chemische gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen. De locatie Zwarte Dijk 47 betreft in de huidige situatie een agrarisch bedrijf dat al enige tijd beëindigd is. Hierdoor bevinden er op de planlocatie geen agrarische activiteiten meer plaats. De locatie moet worden omgezet naar burgerwoonlocatie en krijgt daarbij de bestemming ‘Wonen’. De landbouwgronden die ten noorden en westen rondom de planlocatie liggen zijn van de initiatiefnemer zelf. De gronden hier worden in de huidige situatie gebruikt als grasland en tuin ten behoeve van de woning aan de Zwarte Dijk 47. Op deze gronden zal dan ook niet gespoten worden met chemische gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen. Het perceel GZE, sectie M, nummer 433, is gelegen ten zuiden van de planlocatie op een afstand van ca.
22 meter tot het nieuwe woonvlak. De gronden hier hebben de enkelbestemming ‘Agrarisch’ en zijn in gebruik behorend bij de ter plaatse gelegen veehouderij. Op de gronden is het grasland aanwezig wat behoort tot de veehouderij aan de Wierkstraat 20. De gronden bij de veehouderij zijn (conform Boer & Bunder) in gebruik als blijvend grasland. De afgelopen 3 jaar heeft er op deze locatie geen andere teelt dan grasland plaatsgevonden. Bij blijvend grasland is omzetten naar een andere teelt, zoals boomteelt of ander bouwland, niet zomaar mogelijk en kan hier zelfs een sanctie aan vasthangen. Graslandpercelen worden niet bespoten met chemische gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen, waardoor hier de richtafstand van 50 meter ten aanzien van drift in de feitelijke situatie niet van toepassing is. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de woningen op de locatie aan de Zwarte Dijk 47 wel zijn gelegen op een afstand van 50 meter tot dit perceel. Het perceel GZE, sectie M, nummer 756, is gelegen ten oosten van de planlocatie op een afstand van ca. 34 meter tot het nieuwe woonvlak. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de schuur is gelegen op een afstand van 44 meter tot de perceelsgrens van het agrarische perceel aan de oostzijde. Deze gronden zijn (conform
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 31 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Boer & Bunder) ten behoeve van de teelt van suikerbieten. Deze teelt kenmerkt zich door een spuitregime waarbij gewasbeschermingsmiddelen voornamelijk laag bij de grond worden aangebracht. Hierdoor is de kans op drift zeer beperkt. Naarmate het groeiseizoen vordert, vormen suikerbieten een gesloten gewasbedekking. Deze dichte bladstructuur draagt bij aan het opvangen van de spuitnevel, waardoor de kans op verspreiding steeds lager wordt. Over het algemeen wordt er niet frequent gespoten op suikerbiet, zeker niet in vergelijking met bijvoorbeeld fruitteelt, bloembollen of sierteelt. De meeste bespuitingen in de suikerbietteelt vinden vroeg in het groeiseizoen plaats, voornamelijk met herbiciden om onkruid te bestrijden. De teelt van suikerbieten is beperkt in het gebruik en de frequentie van chemische gewasbeschermingsmiddelen. Bovendien is sprake van een gunstige ruimtelijke situering in relatie tot de heersende windrichting. In Nederland komt de dominante windrichting overwegend uit het zuidwesten. Gelet op de ligging van de agrarische percelen aan de noordoostzijde van de planlocatie, zal eventuele drift zich normaliter van de planlocatie af verplaatsen in plaats van daar naartoe. Hierdoor is de kans op blootstelling aan drift vanuit deze percelen naar de planlocatie zeer gering.
Daarnaast bevindt zich tussen de genoemde agrarische percelen en de planlocatie een bestaande, robuuste haag. Deze blijft ongewijzigd gehandhaafd en zal als zodanig worden opgenomen in het omgevingsplan. De haag fungeert als natuurlijke windbreker en draagt aanvullend bij aan het beperken van eventuele driftverspreiding. Het is voorstelbaar dat de planlocatie Zwarte Dijk 47, in relatie tot de omliggende landbouwgronden, geen negatief effect ervaart met betrekking tot drift. Het aspect drift dient geen belemmering te vormen voor het initiatief. Daarnaast heeft het initiatief geen onevenredige beperkingen voor andere bedrijven. Er is sprake van een (toekomstig) goed woon- en leefklimaat. 4.6
Geur
Toetsingskader Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de geurregels voor veehouderijen vanuit de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen in paragraaf 22.3.6 van de bruidsschat. In paragraaf 22.3.6 staan de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De regels hebben tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Met de in de bruidsschat opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals het wijzigen van een bestemming. De bruidsschat vormt vanaf 1 januari 2024 het toetsingskader voor de milieuvergunning. Indirect hebben de regels in de bruidsschat ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd.
Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in oogschouw moeten worden genomen: ▪ Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen? ▪ Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. De ontwikkeling op de planlocatie Zwarte Dijk 47 kan worden gezien als het toevoegen van een geurgevoelig object. Aangezien er binnen de bestaande bebouwing twee extra wooneenheden worden gerealiseerd. Voor de planlocatie dient te worden uitgegaan van een goed woon- en leefklimaat. Bij de beoordeling of het leefklimaat ter plaatse van de planlocatie Zwarte Dijk 47 acceptabel is, dient de geurbelasting veroorzaakt door alle in de buurt gelegen veehouderijen samen (achtergrondbelasting) en de geurbelasting op de planlocatie door de individuele bedrijven (voorgrondbelasting en vaste afstand) veroorzaakt in beeld te worden gebracht. Beoordeeld moet worden of de belasting acceptabel is. De geurbelasting van een individuele veehouderij wordt ‘voorgrondbelasting’ genoemd.
De geurbelasting is afkomstig van dieren waarvoor in de Omgevingsregeling een omrekeningsfactor is vastgesteld (bijvoorbeeld varkens en pluimvee). De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 32 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of geen concentratiegebied en binnen of buiten de bebouwde kom). De standaardnormen uit het Omgevingsplan zijn in de onderstaande tabel opgenomen. De gemeente Gilze en Rijen kent voor het gebied waarin de planlocatie is gelegen een geurverordening. Tabel 3: Geurnormen Ligging geurgevoelig object*
Binnen bebouwde kom
Buiten bebouwde kom
Concentratiegebied
3 ouE/m3
14 ouE/m3
Geen concentratiegebied
2 ouE/m3
8 ouE/m3
Aangewezen gebied Geurverordening Gilze-Rijen
10 ouE/m3
* de gemeente Gilze-Rijen ligt in een concentratiegebied
Gemeentelijke geurverordening In de gemeentelijke geurverordening wordt nog verwezen naar de regels uit de Wet geurhinder en veehouderij, aangezien deze geurregels zijn opgenomen in de bruidsschat is de Wet geurhinder een veehouderij inhoudelijk nog steeds toepasselijk. De Wet geurhinder en veehouderij geeft de gemeenten de bevoegdheid om, binnen gestelde marges, bij verordening afwijkende geurnormen op te stellen in een gebiedsvisie. De gemeente Gilze en Rijen heeft op 17 oktober 2022 de ‘gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij’ en de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Gilze en Rijen 2022’. Voor het bepalen van een goed woon- en leefklimaat wordt daarom uitgegaan van de geurnormen welke zijn vastgelegd in het hiervoor beschreven gemeentelijk beleid van gemeente Gilze en Rijen. Gemeente Gilze en Rijen wil gebiedsgericht perspectief bieden voor de verschillende (niet) agrarische functies in het buitengebied. Hierbij leggen ze per deelgebied vast welke mate van geurbelasting acceptabel is om te spreken van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de gebiedsindeling is als uitgangspunt de aanwezigheid van woningen en veehouderijen genomen in een bepaald gebied. Op basis van deze gebiedstyperingen is een vertaalslag gemaakt naar vier deelgebieden, namelijk de deelgebieden A, B, C en D. (zie de tabel hieronder).
Hierbij is rekening gehouden met het onderscheid tussen bebouwde kom en buitengebied, en de gebieden die de provincie hanteert voor de ontwikkeling van veehouderijen. Deelgebied A is de bebouwde kom en de deelgebieden B, C en D zijn gelegen buiten de bebouwde kom, danwel het buitengebied. Hierbij is de eenheid “Ou” de geurconcentratie die wordt uitgedrukt in ouE/m³. Het percentage dat in deze tabel wordt genoemd is het percentage geurgehinderden. Een hinderpercentage van bijvoorbeeld 12% betekent dat in een bepaald gebied 12 % van de inwoners geurhinder kan ondervinden. De planlocatie aan de Zwarte Dijk 47 is gelegen in deelgebied D, zie onderstaande afbeelding.
Figuur 10: Geurnormen geurgebiedsvisie Alphen-Chaam 2022
Afstanden
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 33 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
De afstandseisen gelden voor dieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld (bijvoorbeeld melkrundvee, jongvee en paarden). De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden. Gemeenten hebben de mogelijkheid de standaard afstandseisen aan te passen middels een gemeentelijke verordening. Het plangebied ligt in een gebied van de ‘Verordening geurhinder en veehouderij Gemeente Gilze en Rijen 2022’. Hierin zijn echter geen aangepaste afstandseisen opgenomen. Daarnaast moet nog de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (gevel-gevel afstand). De bedrijfswoning die tot dezelfde veehouderij behoort wordt overigens niet aangemerkt als geurgevoelig object. Achtergrondbelasting De geurnormen gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij.
De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object is de ‘voorgrondbelasting’. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie is de ‘achtergrondbelasting’. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. Beoordeeld moet worden of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied. Voor het plangebied is deze beoordelingscriteria opgenomen in de ‘Beleidsregel Ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Gilze en Rijen 2022’. In de onderstaande tabel zijn de toets-waarden opgenomen uit deze ‘beleidsregel’. Deelgebied Deelgebied A
Deelgebied B
Deelgebied C
Deelgebied D
Type object
Voldoende
Onvoldoende
Wonen
< 10 OU
≥ 10 OU
Vab – niet wonen*
< 10 OU
≥ 10 OU
Wonen
< 13 OU
≥ 13 OU
Vab – niet wonen
< 20 OU
≥ 20 OU
Wonen
< 20 OU
≥ 20 OU
Vab – niet wonen
< 20 OU
≥ 20 OU
Wonen
< 20 OU
≥ 20 OU
Vab – niet wonen
< 20 OU
≥ 20 OU
* Vab/niet-wonen: woningen op een voormalige locatie van een veehouderij (op of na 19 maart 2020 gestopt), ruimte voor ruimte woningen ( als bedoeld in de Wgv) en geurgevoelige functies waar er gezien de aard van het gebruik (niet-wonen) een hogere blootstelling aanvaardbaar wordt geacht.
Het plangebied is gelegen in deelgebied D en wordt aangemerkt als een Wonen locatie. Er is immers sprake van een (voormalige) agrarische bedrijfswoning op de locatie. Geurbelasting en geurhinder In de Handreiking bij de voormalige Wet geurhinder en veehouderij is beschreven hoe kan worden bepaald hoeveel geurhinder kan worden verwacht in een gebied, gelet op de geurbelasting die daar is berekend. Op grond van de berekende geurbelastingen wordt met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking de te verwachten geurhinderpercentages bepaald. Het hoogste geurhinderpercentage (voorgrondbelasting of achtergrondbelasting) is maatgevend voor de geursituatie. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 34 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
beschreven in bijlage 7 van de Handreiking. Een overzicht van de geurbelasting in relatie tot de geurhinderpercentages en de milieukwaliteit is te zien in onderstaande tabel. Milieukwaliteit
Geurgehinderden
Voorgrondbelasting*
Achtergrondbelasting*
Zeer goed
0–5%
0 – 1,5 ouE/m3
0 – 3 ouE/m3
Goed
5 – 10 %
1,5 – 3,7 ouE/m3
3 – 8 ouE/m3
Redelijk goed
10 – 15 %
3,7 – 6,5 ouE/m3
8 – 13 ouE/m3
Matig
15 – 20 %
6,5 – 10 ouE/m3
13 – 20 ouE/m3
Tamelijk slecht
20 – 25 %
10 – 14 ouE/m3
20 – 28 ouE/m3
Slecht
25 – 30 %
14 – 19 ouE/m3
28 – 38 ouE/m3
Zeer slecht
30 – 35 %
19 – 25 ouE/m3
38 – 50 ouE/m3
35 – 40 %
25 – 32 ouE/m3
50 – 65 ouE/m3
Extreem slecht
* deze waarden gelden alleen voor concentratiegebieden. De gemeente Gilze-Rijen ligt in een concentratiegebied. Voor niet -concentratiegebieden gelden andere waarden.
4.6.1
Geurbeoordeling planlocatie
In de omgeving van het plangebied liggen diverse veehouderijen. Deze veehouderijen en de totale geuremissie zijn aangegeven in onderstaande afbeelding.
Figuur 11: Omgeving veehouderijen planlocatie
De gegevens van de bovenstaande afbeelding zijn afkomstig van het registratieprogramma KRD (Kern Registratie Dierverblijven) van de Provincie Noord-Brabant. Hieruit blijkt dat op de planlocatie nog steeds een ‘actieve’ veehouderijbedrijf is gevestigd. Er worden echter feitelijk geen dieren meer gehouden. Afstanden Eerder onder het kopje ‘afstanden’ is toegelicht dat voor dieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld een afstand van 50 meter tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van een geurgevoelig object binnen het plangebied in acht moet worden genomen. Op onderstaande afbeelding is de afstandscontour van 50 meter rondom het plangebied weergegeven.
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 35 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 12: 50 meter contour planlocatie
Ten zuiden en ten oosten van de planlocatie zijn de veehouderijbedrijven weergegeven. Uit het bovenstaande blijkt dat er geen bouwvlakken van veehouderijen binnen de afstandscontour van 50 meter liggen. Daarnaast wordt tevens voldaan aan de ‘gevel tot gevel-eis’ van 25 meter (zoals eerder besproken bij het kopje ‘afstanden’). Binnen afstand van 25 meter van de grens van het plangebied zijn geen gevels van dierenverblijven gelegen. Gelet hierop worden de belangen van de omliggende veehouderijen ten aanzien van de vaste afstanden niet geschaad. Het woon- en leefklimaat wordt verder afgewogen in de conclusie. Voorgrondbelasting Onder voorgrondbelasting wordt verstaan de geurbelasting afkomstig van één veehouderij die de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt. Om een uitspraak te kunnen doen of omliggende veehouderijen (met dieren met een geuremissiefactor) worden beperkt in hun uitbreidingsmogelijkheden is de voorgrondbelasting berekend met het programma V-Stacks Vergunning. Eerder onder het kopje ‘voorgrondbelasting’ is toegelicht dat binnen het plangebied sprake is van een geurnorm van 10 ouE/m3. De planlocatie betreft, volgens het KRD, nog een actieve veehouderij (melkveehouderijbedrijf).
De voorgrondbelasting is echter wel bepaald om verder te kunnen motiveren of er op de planlocatie, in de beoogde ontwikkeling, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden behaald. Gelet op de geuremissie van de omliggende veehouderijen in relatie tot de afstand tot het plangebied is de veehouderij aan de Mosstraat 31 te Rijen maatgevend voor de geurbelasting ter plaatse van het plangebied. Dit bedrijf is gelegen op circa 800 meter te noorden van het plangebied. Ten zuiden van het plangebied is het bedrijf aan de Wierkstraat 20 te Hulten gelegen op een afstand van circa 120 meter. Dit betreft heeft echter een veel lagere geuremissie. Mogelijk dat dit bedrijf wel van invloed kan zijn op de voorgrondbelasting. De overige veehouderijen met een geuremissie liggen verder weg van het plangebied. In dit onderzoek is voor de bovenstaande twee bedrijven een geurberekening gemaakt met het programma VStacks Vergunning. Bij de berekening zijn de gegevens voor de bronnen ingevoerd op basis van de maximale planologische situatie. De rekenpunten van de bronnen zijn gelegd op het bouwvlak van de veehouderij. De toetspunten, of de punten van de geurgevoelige objecten in het plangebied, zijn gelegd op eveneens de maximale beoogde planologische situatie. Deze zijn opgenomen in de onderstaande afbeelding.
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 36 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 13: toetspunten planlocatie
In de onderstaande tabel zijn gegevens (X- en Y-coördinaten) van de toetspunten van de planlocatie opgenomen.
Tabel 4: invoergegevens hoekpunten Geurgevoelig object
X-coördinaat
Y-coördinaat
Hoek 1
124786
400615
Hoek 2
124790
400655
Hoek 3
124823
400718
Hoek 4
124909
400710
Hoek 5
124898
400604
Mosstraat 31 Rijen Op locatie aan de Mosstraat 31 te Rijen is nog een actieve varkenshouderij gevestigd. Volgens de gegevens van het KRD is de laatste omgevingsvergunning verleend op 21 augustus 2012 met daarin een totale geuremissie van 58.266 ouE/s. Voor het opmaken van de geurberekening voor de voorgrondbelasting zijn eveneens de gegevens van het KRD gebruikt. Hierin is in totaal één bron opgenomen voor alle stallen binnen het bedrijf. Voor de bepaling van de geurberekening is deze bron op het meest zuidelijke punt van het bouwvlak gelegd (maximale planologische benutting). In onderstaand figuur zijn de invoergegevens opgenomen.
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 37 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 14: Invoergegevens voorgrondbelasting Mosstraat 31 Rijen
De hoogst berekende voorgrondbelasting ter plaatse van de planlocatie bedraagt 1,6 ouE/m3. Er wordt ruimschoots voldaan aan de geurnorm van 10 ouE/m3. Het woon- en leefklimaat wordt verder besproken in de conclusie. Wierkstraat 20 Hulten Op locatie aan de Wierkstraat 20 te Hulten is nog een actieve rundveehouderij gevestigd. Volgens de gegevens van het KRD is de laatste milieumelding ingediend op 20 april 2009 met daarin een totale geuremissie van 35,6 ouE/s. Voor het opmaken van de geurberekening voor de voorgrondbelasting zijn eveneens de gegevens van het KRD gebruikt. Hierin is in totaal één bron opgenomen voor alle stallen binnen het bedrijf. Voor de bepaling van de geurberekening is deze bron op het meest noordelijk punt van het bouwvlak gelegd (maximale planologische benutting). In onderstaand figuur zijn de invoergegevens opgenomen.
Figuur 15: invoergegevens voorgrondbelasting Wierkstraat 20 Hulten
De hoogst berekende voorgrondbelasting ter plaatse van de planlocatie bedraagt 0,036 ouE/m3 op hoekpunt 5 en is feitelijk verwaarloosbaar. Er wordt ruimschoots voldaan aan de geurnorm van 10 ouE/m3. Het woon- en leefklimaat wordt verder besproken in de conclusie. Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting wordt gevormd door de geurbelasting van alle veehouderijen samen (zie het kopje ‘achtergrondbelasting’). De geuremissie is afkomstig van dieren waarvoor in de Omgevingsregeling een omrekeningsfactor is vastgesteld. Bij een onderzoek naar de achtergrondbelasting worden alle veehouderijen
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 38 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
binnen een straal van twee kilometer van het plangebied betrokken. Op basis van KRD Noord-Brabant (export 13 mei 2025) zijn de relevante veehouderijen met geuremissie geselecteerd en zijn de totale geuremissie en de overige (algemene) parameters voor de geurberekeningen bepaald. Op basis van de geregistreerde gegevens zijn conform de Handreiking van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij alle veehouderijen geselecteerd binnen een straal van 2 kilometer van de planlocatie Zwarte Dijk 47 te Rijen. De geselecteerde gegevens van de omliggende veehouderijen met geuremissie zijn onderstaand opgenomen.
Figuur 16: gegevens omliggende veehouderijen
De achtergrondbelasting is berekend met het verspreidingsmodel V-Stacks Gebied. De rekeninstellingen zijn als volgt:
Figuur 17: instellingen rekengebied
Er is gekozen voor een rasterlengte en rasterbreedte van 4.000 meter, dit omdat het onderzoeksgebied vanuit een plangebied (middelpunt) een straal van 2 kilometer heeft. Na de berekening is de achtergrondbelasting op de beoordelingspunten (zie figuur 13) bepaald. Het resultaat hiervan is onderstaand opgenomen. Tabel 4: uitkomst geurbelasting achtergrond Geurgevoelig object
X-coördinaat
Y-coördinaat
Geurnorm (ou/m³)
Geurbelasting (ou/m³)
Hoek 1
124786
400615
Hoek 2
124790
400655
Hoek 3
124823
400718
Hoek 4
124909
400710
3,37
Hoek 5
124898
400604
3,28
3,31 3,54 20
3,77
De achtergrondbelasting op de beoordelingspunten blijkt niet hoger dan de geurnorm voor cumulatieve geurhinder van 20,0 ouE/m³. Het woon- en leefklimaat wordt verder besproken in de conclusie. Conclusie Bij de beoordeling of het leefklimaat ter plaatse van de planlocatie acceptabel is, is de geurbelasting veroorzaakt door alle in de buurt gelegen veehouderijen samen (achtergrondbelasting) en de geurbelasting op het plangebied door de individuele bedrijven (voorgrondbelasting en vaste afstand) veroorzaakt in beeld gebracht. Beoordeeld moet worden of de belasting acceptabel is. Als vuistregel geldt dat de
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 39 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
voorgrondbelasting leidend is voor de geurhindersituatie, als deze groter is dan de helft van de achtergrondbelasting. Daarnaast moet ook worden voldaan aan de minimumafstanden. Uit het geuronderzoek blijkt dat er op de planlocatie nagenoeg geen voorgrondbelasting aanwezig is. Daarnaast ligt de planlocatie niet binnen de vaste afstandscontouren van de omliggende veehouderijen. De bestemmingswijziging geeft dan vanuit dit perspectief geen beperkingen voor de in de omgeving liggende veehouderijbedrijven. Uit het geuronderzoek blijkt dat er op de planlocatie wel achtergrondbelasting (cumulatieve geurhinder) aanwezig is. Deze achtergrondbelasting bedraagt ten hoogste 3,77ouE/m3 op hoekpunt 3 van het toekomstige bouwvlak. Overeenkomst de beoordelingscriteria uit de ‘Beleidsregel Ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Gilze en Rijen 2022’ blijkt dat de mate van geurhinder voldoende acceptabel is. Aangezien de achtergrondbelasting maatgevend is, is tevens de milieukwaliteit bepaald aan de hand van ‘geurhinderpercentages’. Zoals opgenomen in paragraaf 3.4 blijkt dat bij een achtergrondbelasting van 3 tot 8 ouE/m3 de milieukwaliteit van het plangebied als ‘goed’ kan worden aangemerkt. Blijkens uit dit geuronderzoek kan er ter plaatse van het plangebied een acceptabel woon- en leefklimaat worden gegarandeerd.
4.6.2
Woon- en leefklimaat op basis van vaste afstanden
In de bruidsschat worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder geuremissiefactor en een geurgevoelig object. Conform artikel 22.101 van de bruidsschat gelden voor agrarische bedrijven met dieren zonder geuremissiefactor vaste afstanden tussen het dierverblijf en geurgevoelige objecten. De minimale afstand buiten de bebouwde kom betreft 50 meter. Daarnaast dient op grond van artikel 22.103 van de bruidsschat een minimale afstand aangehouden te worden van 25 meter van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig object. Het dichtstbijzijnde veehouderijbedrijf waarbij de vaste afstanden van toepassing zijn, is het veehouderijbedrijf aan de Tinnegietersweg 9 te Rijen. Het betreft een melkrundveehouderij welke is gelegen op een afstand van ca. 153 meter van de planlocatie. Alle overige veehouderijen met dieren waarbij de vaste afstanden gelden zijn op de toegestane afstand vanaf de planlocatie gelegen. De ontwikkelingen op de planlocatie Zwarte Dijk 47 vinden hierdoor plaats op een ruime afstand van bestaande veehouderijbedrijven. De hiervoor genoemde afstanden worden hiermee ruimschoots behaald. Er is derhalve sprake van een goed woon- en leefklimaat op basis van de vaste afstanden.
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de ontwikkelingen binnen het plangebied, en andersom ook geen beperkende werking hebben op eventuele toekomstige uitbreiding mogelijkheden van veehouderijbedrijven in de omgeving. 4.7
Gezondheidsaspecten
Toetsingskader Het gezondheidsaspect heeft de laatste jaren steeds meer aandacht als het gaat om veehouderijen in de nabijheid van woningen en woonkernen. Met name komst of de aanwezigheid van intensieve veehouderijen kan onrust veroorzaken over de gezondheid bij omwonenden. Mogelijke risico's voor de gezondheid kunnen worden veroorzaakt door fijnstof, stank, endotoxinen en zoönosen. Endotoxinen zijn deeltjes van bacteriën of schimmels die zitten in agrarisch stof. Zoönosen zijn infectieziekten die van dieren op mensen overdraagbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn de vogelgriep, MRSA, BSE en Q-koorts. De huidige onderzoeken – bekend gemaakt vanuit Ministeries, RIVM, Gezondheidsraad of GGD - maken duidelijk dat er nog veel onbekend is en dat daarom nauwkeurige uitspraken over een eventuele directe relatie tussen nabijheid van veehouderij en effecten op de gezondheid van omwonenden nog niet mogelijk zijn. Voor zover echte verbanden tussen gezondheidseffecten en veehouderij worden gevonden, hebben deze betrekking op de afstand tussen veehouderij en bewoning en op het aantal bedrijven binnen een zekere straal rond bewoonde gebieden. Uit de resultaten van huidige onderzoeken kan echter niet simpelweg worden geconcludeerd om welke afstand het gaat en bij welke concentraties gezondheidseffecten optreden.
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 40 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Omdat veel mensen zich afvragen of het (on)gezond is om in de buurt van een veehouderij te wonen heeft het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM) onderzoek laten verrichten. Dit heeft geresulteerd in twee onderzoeksrapporten “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden”, kortweg VGO 1 uit 2016 en VGO 2 uit 2017. De belangrijkste resultaten uit deze onderzoeken zijn: ▪ Rond pluimveehouderijen en geitenhouderijen komen iets vaker longontstekingen voor; ▪ Bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen komen astma en neusallergie minder voor; ▪ Mensen die in de buurt van veel veehouderijen wonen kunnen een verminderde longfunctie hebben. Uit het VGO 2-rapport volgt verder dat er een verhoogde kans (29%) op longontsteking is binnen een straal van 1,5 tot 2 km van geitenhouderijen en 1 km van pluimveehouderijen. De precieze oorzaak van deze verhoogde risico`s kan echter niet worden aangegeven door de GGD. Op dit moment gaat men ervan uit dat pas binnen enkele jaren meer concreet aangegeven kan worden of er oorzakelijke verbanden bestaan en wat deze inhouden. In maart 2016 is de eerste versie van de Handreiking veehouderij en volksgezondheid verschenen. De handreiking bestaat uit een algemene onderbouwing op grond waarvan volksgezondheid meegenomen dient te worden in de ruimtelijke besluitvorming en besluitvorming in het kader van milieu.
Vervolgens is een wijze van beoordeling uitgewerkt (‘het stappenplan’) om tot een zorgvuldige, praktische en uniforme beoordeling te komen of er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. Op deze manier wordt gestreefd om in Brabant, totdat er meer duidelijkheid is over een toe te passen (wettelijk) beoordelingskader, dan wel dat zich andere ontwikkelingen voordoen, gezamenlijk tot een breed gedragen werkwijze te komen die recht doet aan het belang van de volksgezondheid voor de burgers in de provincie. Inmiddels is de handreiking van maart 2016 geactualiseerd in de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0. In het stappenplan zijn aspecten meegenomen in de afweging of voor een specifieke situatie er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. Dit stappenplan is in principe ook te gebruiken voor ruimtelijke plannen. In het stappenplan wordt onder andere getoetst aan de aspecten geur en fijnstof zoals deze staan beschreven in paragraaf 4.4 en 4.6.1. Daarnaast wordt er aan de hierboven benoemde afstanden getoetst of er binnen deze afstanden bepaalde veehouderijen zijn gelegen. Stappenplan 2.0: Beoordeling of advisering vanuit de GGD door het OT geadviseerd wordt 1.
Endotoxine (varkens-/pluimveehouderijen): door de Gezondheidsraad is een advieswaarde van 30 EU/m³ voorgesteld, welke door de GGD en het Ondersteuningsteam is overgenomen. Rondom 500 meter van individuele pluimveehouderij is een overschrijding van deze advieswaarde mogelijk. Bij individuele varkenshouderijen is deze overschrijding tot op een afstand van 200 meter mogelijk.
Voldoet? Ja.
Opvragen advies GGD Nee.
Ja.
Nee.
De planlocatie Zwarte Dijk 47 is gelegen in het buitengebied van Rijen. De dichtstbijzijnde relevante intensieve veehouderij betreft de varkenshouderij aan de Mosstraat 31, op een afstand van circa 750 meter. De dichtstbijzijnde pluimveehouderij bevindt zich op een afstand van circa 1.000 meter. Dit aspect wordt nader toegelicht in paragraaf 4.7.1. 2. Emissies: de ontwikkeling leidt een toename in de emissie voor geur, fijnstof en/of ammoniak. Uit het Volksgezondheidsonderzoek komt naar voren dat diverse gezondheidseffecten gerelateerd lijken te zijn aan de blootstelling van omwonenden aan de emissie van fijnstof, micro-organismen en ammoniak afkomstig van veehouderijen. Indien sprake is van een toename van de emissie is dit in principe vanuit het streven naar omgevingsbewust handelen geen gewenste situatie. In dit geval kan om advies aan de GGD gevraagd worden. De beoogde ontwikkeling betreft het omzetten van de agrarische bestemming naar een woonbestemming en het realiseren van twee wooneenheden in de
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 41 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
karakteristieke schuur. Deze ontwikkeling zorgt niet voor een toename van fijnstof, micro-organismen en ammoniak. 3a. Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. het wettelijk kader: op grond van de Bruidsschat kan er sprake zijn van overbelasting voor wat betreft geur. Indien er sprake is van overbelasting, wordt een locatie-specifiek advies door de GGD geadviseerd. Er dient een acceptabel geurbelasting met betrekking tot de voorgrond- en achtergrondbelasting te zijn en er moet worden voldaan aan het principe ‘vaste afstanden’.
Ja.
Nee.
Ja.
Nee.
Ja.
Nee.
Nee.
Nee.
De dichtstbijzijnde inrichting waar enkel dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden, Tinnegietersweg 9 te Rijen, is op circa 153 meter van het plangebied verwijderd. De dichtstbijzijnde inrichting waar onder andere dieren worden gehouden met een geuremissiefactor, Wierstraat 20 te Hulten, is gelegen op circa 66 meter van de planlocatie. Om aan te tonen dat er geen sprake is van overbelasting is er voor de locatie een berekening gemaakt voor de voorgrond- en achtergrondbelasting, zie tevens paragraaf 4.6.1. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van een overbelaste situatie voor geur. 3b. Ten aanzien van het aspect geur kan ook worden gekozen voor gezondheidskundige uitgangspunten: De GGD hanteert het standpunt dat het onderzoek van Geelen et al. (2015) het best beschikbare beeld van de relatie tussen achtergrondbelasting geur van veehouderij en mate van geurhinder geeft. Bij de beoordeling van de geurbelasting hanteert de GGD het uitgangspunt dat maximaal 12% van de woonkern geurgehinderd. Voor de achtergrondbelasting houdt dit dat een norm van 5 ouE/m³ in. Daarnaast geldt voor diersoorten zonder wettelijke geuremissiefactor een aan te houden afstand vanaf de rand van een bedrijf tot de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming van 100 meter (binnen bebouwde kom).
De dichtstbijzijnde inrichting waar dieren met geuremissiefactor worden gehouden, wederom Wierkstraat 20 te Hulten is gelegen op circa 66 meter van het plangebied. Eerder in deze paragraaf, onder 4.6.1, is nader toegelicht dat deze situatie acceptabel is en niet leid tot een onevenredige (geur)hinder. Er wordt voldaan aan deze uitgangspunten van de GGD wat betreft geurgehinderden en de achtergrondbelasting-norm. 4. De aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij: Het gecombineerd houden van dieren kan van invloed zijn op eventuele risico’s op de volksgezondheid. Dit heeft te maken met een verhoogde infectiedruk en het risico op vermenging van bacteriën / virussen. Nieuwe situaties met gemengde dieren zijn vanuit volksgezondheid niet gewenst. Het voorgaande kan ook gelden als een varkensbedrijf en pluimveebedrijf dicht bij elkaar liggen. De minimaal gewenste onderlinge afstand tussen de inrichtingsgrenzen van veehouderijen bedraagt 100 meter. Het planvoornemen maakt geen nieuwe veehouderij mogelijk. 5. Afstand geitenhouderijen, pluimveebedrijven en overige veehouderijen: In oktober 2011 is door de GGD Nederland het standpunt naar buiten gebracht dat bij nieuwe ontwikkelingen (gevoelige bestemmingen of nieuwe veehouderijen) een afstand van minimaal 250 meter aangehouden moet worden tussen veehouderijen en een bebouwde kom of gevoelige bestemmingen.
Voor geitenhouderijen geldt een aan te houden afstand van 2 kilometer, voor pluimveebedrijven een aan te houden afstand van 1 kilometer en voor overige veehouderijen een aan te houden afstand van 250 meter. Indien een ontwikkeling op kortere afstand ligt dan 250 meter van een bebouwde kom, is het advies een aanvullende risicobeoordeling te laten uitvoeren.
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 42 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Pluimveehouderijen zijn allen op een afstand van meer dan 1 km van het plangebied gelegen. Op de Broekdijk 48 is een geitenhouderij gevestigd. Deze geitenhouderij is gelegen op ca. 1,05 km van de planlocatie. Daarnaast is er ook nog een geitenhouderij gelegen aan de Mosstraat 19 op een afstand van ca. 1,2 km tot de planlocatie. De ontwikkeling op de planlocatie betreft een kleinschalige ontwikkeling waarbij er twee wooneenheden worden toegevoegd binnen de bestaande schuur. Het aantal nieuwe bewoners op de planlocatie is beperkt tot de twee nieuwe wooneenheden. De planlocatie is wel gelegen op een afstand van minimaal 1 km tot aan geitenhouderijen, pluimveebedrijven en overige veehouderijen. Daarnaast zorgt het initiatief ervoor dat leegstand en verloedering van agrarische gebouwen wordt voorkomen. Tussen de geitenhouderij aan de Broekdijk 48 en het plangebied bevinden zich diverse agrarische percelen met beplantingshagen en bosranden. Ook tussen de planlocatie en de geitenhouderij aan de Mosstraat 19 liggen bospercelen en een watergang die in het bestemmingsplan zijn bestemd als ‘natuur’ respectievelijk ‘water’. Deze elementen vormen een natuurlijke afscherming die de verspreiding van stof en micro-organismen kan beperken. In de paragrafen over luchtkwaliteit (4.4) en geur (4.6) is aangetoond dat ter plaatse sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De achtergrondbelasting op het gebied van luchtkwaliteit en geur vormt geen belemmering. Daarbij dient te worden vermeld dat de precieze oorzaak van de verhoogde risico’s op longontstekingen rondom geitenhouderijen momenteel nog niet bekend is. Op basis van alleen de VGO onderzoeken kan niet worden vastgesteld of sprake is van oorzakelijke verbanden tussen stoffen en micro-organismen van veehouderijen en gezondheidseffecten (VGO 1-onderzoek, blz. 13; VGO 2onderzoek, blz. 16). Dit geldt ook voor het deelonderzoek ‘Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartsenpraktijken 2014-2016’ van VGO 3. Daarin staat vermeld dat er op dit moment geen duidelijke causaliteit te vinden is voor de gevonden associatie tussen longontsteking en geitenhouderijen in de omgeving (deelonderzoek VGO 3, blz. 26). Of er oorzakelijke verbanden bestaan en zo ja, wat deze inhouden, moet nog uit vervolgonderzoek blijken. Het kan enkele jaren duren voordat hierover duidelijkheid komt. Er zijn dus nog vele onderzoeken nodig om tot een definitieve conclusie te komen.
Ondanks dat er twee geitenhouderijen aanwezig zijn binnen 2 kilometer van de planlocatie is het niet benodigd om advies op te vragen bij de GGD vanwege de kleinschaligheid van het project, de tussenliggende bebossing en bebouwing, andere paragrafen binnen deze onderbouwing en het feit dat de precieze oorzaak van de verhoogde risico’s op longontstekingen rondom geitenhouderijen nog niet bekend is. Hiermee worden de risico’s als aanvaardbaar beschouwd. 6. Er is sprake van bewerking of verwerking van mest of als zelfstandige activiteit,
Ja.
Nee.
Het planvoornemen maakt geen activiteiten met betrekking tot het bewerken of verwerken van mest mogelijk. 7. Bij omwonenden is sprake van ongerustheid over de volksgezondheid.
Ja.
Nee.
Er zijn geen signalen die duiden op een (significante) ongerustheid met betrekking tot de volksgezondheid in de omgeving van het plangebied.
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 43 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Conclusie Iedere veehouderij moet voldoen aan wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Alles in ogenschouw nemende en de ruime afstand tot aan de veehouderijbedrijven wordt de ontwikkeling aan de Zwarte Dijk 47 op gebied van gezondheid passend geacht. Door het stappenplan te doorlopen en door de geurberekeningen, blijkt dat er geen verhoogde gezondheidsrisico’s te verwachten zijn en ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat te garanderen is op basis van de gezondheidsaspecten. Er is gezien bovenstaande motivatie geen advies van de GGD benodigd voor onderhavige planlocatie. Het aspect volksgezondheid zal dan ook niet leiden tot een belemmering voor het beoogde initiatief. 4.7.1