2. Toelichting omgevingsplan
Tekst van het document
Endotoxinen
Toetsingskader Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen in de nabijheid van veehouderijen wordt ook gekeken naar mogelijke gezondheidsrisico’s als gevolg van blootstelling aan endotoxinen. Endotoxinen zijn celwandbestanddelen van bacteriën die vrijkomen in fijnstof afkomstig van met name veehouderijen (vooral varkens- en pluimveehouderijen). Blootstelling aan hoge concentraties kan leiden tot tijdelijke ademhalingsklachten of verergering van bestaande longziekten. De Gezondheidsraad heeft een advieswaarde vastgesteld van 30 endotoxine-eenheden per kubieke meter lucht (30 EU/m³) als grens waarbij geen nadelige gezondheidseffecten voor omwonenden worden verwacht. Deze advieswaarde is overgenomen in het Endotoxine Toetsingskader 1.0 (RIVM, 2019), dat richting geeft aan de beoordeling van gezondheidsrisico’s in ruimtelijke plannen. Het toetsingskader schrijft geen wettelijke grenswaarden of vaste minimale afstanden voor, maar biedt een handvat om te beoordelen of een berekening noodzakelijk is. Uit het RIVM-onderzoek volgt dat een mogelijke overschrijding van de advieswaarde met name kan optreden: • tot 200 meter van een varkenshouderij; • tot 500 meter van een pluimveehouderij; Deze afstanden zijn geen harde norm, maar indicatieve bandbreedtes waarbinnen een verhoogde blootstelling kan voorkomen, afhankelijk van emissieomvang, bedrijfsvoering en meteorologische omstandigheden.
Beoordeling De planlocatie Zwarte Dijk 47 is gelegen in het buitengebied van Rijen. De dichtstbijzijnde relevante intensieve veehouderij betreft de varkenshouderij aan de Mosstraat 31, op een afstand van circa 750 meter. De dichtstbijzijnde pluimveehouderij bevindt zich op een afstand van circa 1.000 meter. Geitenhouderijen liggen op afstanden groter dan 1.050 meter. Daarmee ligt de planlocatie ruimschoots buiten de afstandsbandbreedtes waarbinnen volgens het endotoxinen-toetsingskader een overschrijding van de advieswaarde van 30 EU/m³ nog plausibel wordt geacht. Gelet op deze ruime afstanden, de beperkte schaal van de ontwikkeling (drie wooneenheden) en het ontbreken van cumulatie van intensieve veehouderijen in de directe nabijheid, wordt een relevante blootstelling aan endotoxinen ter plaatse van de planlocatie niet aannemelijk geacht. Conclusie Hoewel het endotoxinen-toetsingskader geen absolute afstandsnormen kent, kan op basis van de ligging van de planlocatie ten opzichte van de relevante veehouderijen gemotiveerd worden geconcludeerd dat de gezondheidskundige advieswaarde van 30 EU/m³ ter plaatse niet wordt benaderd. Een kwantitatieve berekening is in dit geval niet noodzakelijk. Het aspect endotoxinen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.7.2
Spuitzones
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 44 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
In de omgeving van de planlocatie bevinden zich agrarische gronden. Zoals beschreven in paragraaf 4.5.2 kan bij de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen drift optreden. In de jurisprudentie wordt als vuistregel een afstand van 50 meter gehanteerd tussen percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast en gevoelige functies zoals woningen. De omliggende gronden direct ten noorden en westen van de planlocatie zijn in eigendom van de initiatiefnemer en worden gebruikt als grasland en tuin. Deze worden niet bespoten. Het dichtstbijzijnde agrarisch perceel van derden ligt op circa 34 meter afstand en is in gebruik voor de teelt van suikerbieten. Bij dergelijke teelten vindt de bespuiting neerwaarts plaats met driftarme doppen, waardoor de kans op drift zeer gering is. Daarnaast zijn tussen de agrarische percelen en de planlocatie hagen en bomenrijen aanwezig die fungeren als natuurlijke windbrekers. De dominante windrichting in Nederland (zuidwest) blaast bovendien van de agrarische percelen af, weg van de planlocatie. Gezien het actuele gebruik van de omliggende percelen, de aanwezige beplanting en de gehanteerde spuittechnieken wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de planlocatie sprake is van een evenwijdige toedeling van functies aan locaties en dat drift van gewasbeschermingsmiddelen geen belemmering vormt. 4.7.3
Veehouderijen (waaronder geitenhouderijen)
De gezondheidseffecten van veehouderijen in de nabijheid van woonfuncties zijn in meerdere landelijke onderzoeken onderzocht (VGO 1, 2 en 3). Hieruit blijkt dat er binnen een afstand van circa 1,5 tot 2 kilometer rond geitenhouderijen een verhoogd aantal longontstekingen is geconstateerd. De precieze oorzaak hiervan is echter nog niet vastgesteld. Rondom de planlocatie bevinden zich twee geitenhouderijen: • •
Broekdijk 48 Hulten, op circa 1.050 meter afstand; Mosstraat 19 Rijen, op circa 1.200 meter afstand.
Tussen deze bedrijven en de planlocatie liggen agrarische gronden met houtwallen en beplanting, die de verspreiding van stof en micro-organismen beperken. De afstand tot beide geitenhouderijen bedraagt meer dan 1 kilometer en is daarmee groter dan de afstandsrichtwaarde van 250 meter die in het endotoxinentoetsingskader wordt gehanteerd. Er zijn geen pluimvee- of varkenshouderijen binnen 500 respectievelijk 200 meter van de planlocatie aanwezig. De dichtstbijzijnde intensieve bedrijven liggen op afstanden van circa 750 tot 1.000 meter. Gezien deze afstanden, de beperkte omvang van het project (slechts drie wooneenheden) en het ontbreken van cumulatie van intensieve veehouderijen in de directe nabijheid, wordt geconcludeerd dat het risico op gezondheidseffecten verwaarloosbaar is. Advies van de GGD is in dit geval niet noodzakelijk. 4.8
Oorlogsresten
Toetsingskader In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient te worden beoordeeld of de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (niet-gesprongen explosieven, NGE) risico’s oplevert bij de uitvoering van werkzaamheden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn in Nederland op diverse plaatsen explosieven achtergebleven. Deze kunnen nog aanwezig zijn in de bodem. Indien binnen een planlocatie grondroerende werkzaamheden plaatsvinden, kan onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van oorlogsresten noodzakelijk zijn. Wanneer echter geen of slechts beperkte graafwerkzaamheden plaatsvinden, wordt het aspect oorlogsresten doorgaans niet als belemmerend beschouwd. Beoordeling
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 45 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
De planlocatie aan de Zwarte Dijk 47 te Rijen is gelegen in het buitengebied ten oosten van de kern van Rijen. Op basis van landelijke informatiebronnen (zoals de Explosieven Risicokaart Nederland, EODD) blijkt dat in de omgeving van de planlocatie in het verleden munitieruimingen door de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EODD) hebben plaatsgevonden. Dit wijst erop dat in het bredere gebied tijdens de Tweede Wereldoorlog mogelijk explosieven aanwezig zijn geweest. Voor de beoogde ontwikkeling op de planlocatie worden geen grootschalige grondwerkzaamheden uitgevoerd. Binnen het bestaande gebouw wordt de vloer vervangen door een geïsoleerde, zelfdragende betonvloer die direct op het aanwezige zandpakket wordt aangebracht. Het maaiveld blijft ongewijzigd; er vindt geen ontgraving buiten de bestaande fundering plaats. Gezien het beperkte karakter van de werkzaamheden, de geringe graafdiepte en de aard van de werkzaamheden binnen de bestaande bebouwing, is het niet aannemelijk dat bij uitvoering van het plan risico’s ontstaan in verband met eventuele oorlogsresten. Conclusie Het aspect oorlogsresten vormt geen belemmering voor de uitvoering en haalbaarheid van de ontwikkeling aan de Zwarte Dijk 47 te Rijen.
Mocht tijdens de werkzaamheden onverwacht een object worden aangetroffen dat mogelijk afkomstig is uit de Tweede Wereldoorlog, dan dienen de werkzaamheden direct te worden stilgelegd en dient de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EODD) te worden gewaarschuwd, conform de gebruikelijke veiligheidsprocedures. 4.9
Trillingen
Toetsingskader De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wijzen trillinggevoelige gebouwen en trillinggevoelige ruimten aan. Overheden passen deze regels toe bij het toelaten van activiteiten, bijvoorbeeld bij het vaststellen van een omgevingsplan. In artikel 5.80 van het Bkl zijn gebouwen met een woonfunctie aangewezen als trillinggevoelige gebouwen. Trillingen kunnen afkomstig zijn van verkeersbewegingen, spoorverkeer of bedrijfsactiviteiten. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt beoordeeld of de trillingsniveaus ter plaatse invloed kunnen hebben op het gebruik en de bouwkundige staat van gebouwen met een woonfunctie. Voor de beoordeling wordt doorgaans gebruikgemaakt van de SBR-richtlijn “Schade aan gebouwen door trillingen” (Deel A). Wanneer er geen relevante trillingsbronnen in de directe omgeving aanwezig zijn en de fundering niet-trillingsgevoelig is, wordt het aspect trillingen niet als belemmering beschouwd. Beoordeling De ontwikkeling aan de Zwarte Dijk 47 voorziet in het realiseren van drie wooneenheden binnen de bestaande bebouwing. De woningen worden voorzien van een geïsoleerde, zelfdragende betonvloer op zand, die voor alle drie de wooneenheden wordt toegepast.
Een dergelijke funderingswijze wordt in de SBR-richtlijn aangemerkt als niet-trillingsgevoelig, omdat het draagvermogen voornamelijk is gebaseerd op een vast zandpakket en geen zakkingen of scheurvorming te verwachten zijn. In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich geen significante trillingsbronnen. De dichtstbijzijnde spoorlijn (traject Breda–Tilburg) ligt op circa 1,5 kilometer afstand en de dichtstbijzijnde drukke weg (N260) ligt op ongeveer 1,45 kilometer afstand. De Zwarte Dijk zelf is een rustige landelijke weg met een maximumsnelheid van 60 km/uur en enkel bestemmingsverkeer. Binnen de woonbestemming wordt uitsluitend regulier personenverkeer verwacht van bewoners en bezoekers. Zwaar verkeer of bouwverkeer is na realisatie van de woningen niet aan de orde. Na uitvoering van het behoud- en herstelplan verkeren de gebouwen in een redelijke tot goede constructieve staat. Er zijn geen aanwijzingen dat de bestaande of nieuwe constructie gevoelig is voor trillinggerelateerde schade. Conclusie
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 46 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Ter plaatse van de Zwarte Dijk 47 zijn geen bronnen aanwezig die kunnen leiden tot hinder of schade door trillingen. De fundering is niet-trillingsgevoelig en het wegverkeer is beperkt. Het aspect trillingen vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en er kan worden uitgegaan van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de zin van artikel 5.1.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 4.10
Defensie
Het ministerie van Defensie stelt voorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen in de nabijheid van militaire vliegvelden, om te voorkomen dat obstakels het luchtverkeer hinderen of de werking van navigatie- en radarapparatuur verstoren. Deze voorwaarden hebben voornamelijk betrekking op de hoogte van bouwwerken, lichtuitstraling, verstorende constructies (zoals windturbines) en activiteiten die de vliegveiligheid negatief kunnen beïnvloeden. De planlocatie Zwarte Dijk 47 ligt volgens het geldende bestemmingsplan binnen de gebiedsaanduiding ‘luchtvaartverkeerzone – 11’. Deze aanduiding hangt samen met de aanwezigheid van de militaire vliegbasis Gilze-Rijen en heeft tot doel de veiligheid van het militaire luchtverkeer te waarborgen. Binnen deze zone gelden maximale bouwhoogten van respectievelijk 56 meter en 115 meter boven NAP, afhankelijk van de exacte positie binnen de zone. De beoogde ontwikkeling betreft het omzetten van een agrarische bestemming naar een woonbestemming en het realiseren van twee wooneenheden binnen de bestaande, karakteristieke schuur. Alle bebouwing blijft ruimschoots onder de in de luchtvaartverkeerzone geldende maximale hoogten. Daarnaast worden geen objecten of activiteiten toegevoegd die hinder kunnen veroorzaken voor het militaire luchtverkeer, zoals verlichting, reflecterende oppervlakken of hoge installaties.
Door uitsluitend gebruik te maken van bestaande bebouwing en geen toename in bouwhoogte te realiseren, wordt de bedrijfsvoering van vliegbasis Gilze-Rijen niet beperkt. De ontwikkeling heeft geen invloed op obstakelvrije vlakken, radarverstoringszones of overige door Defensie beschermde functionele zones rondom de basis. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen beperkingen oplevert voor militaire luchtvaartbelangen en volledig past binnen de randvoorwaarden die gelden voor de luchtvaartverkeerzone – 11. Het initiatief is daarmee in overeenstemming met de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en vormt geen belemmering voor de operationele inzet of veiligheid van de vliegbasis.
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 47 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 5 5.1
Bescherming van de waterbelangen
Beleid Waterschap Brabantse Delta
Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen In het waterbeheerplan 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; de waterschapsverordening en de Legger. De waterschapsverordening bevat alle regels die bepalen welke activiteiten, waar in het werkgebied mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel.
Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De waterschapsverordening en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. 5.2
Handreiking Waterbeleid Alphen-Chaam, Baarle-Nassau en Gilze en Rijen
Het huidige waterbeleid is op hoofdlijnen vastgesteld door het bestuur bij de vaststelling van het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP). Het waterbeleid van de gemeenten streeft een duurzaam watersysteem na waarbij vooral het invullen van de zorgplicht hemelwater is ingevuld door het opleggen van een wateropgave bij ontwikkelingen Bij het oprichten van een bouwwerk en aanleg van bestrating geldt voor de toename van het toekomstige aangesloten verhard oppervlak (daken en verharding) conform het gemeentelijke beleid een norm van minimaal 60 mm (in Gilze en Rijen) of 78 mm (in Alphen-Chaam en Baarle-Nassau) voor het nieuwe verhard oppervlak. Bij vervanging geldt een bergingsnorm van minimaal 7 mm (7 liter per m² of 70 m3 per hectare) voor het vernieuwd verhard oppervlak. Hiermee worden kleine buien zoveel mogelijk in de bodem geïnfiltreerd om verdroging tegen te gaan en wordt het rioolsysteem ontlast bij korte hevige buien. 5.3
Grondwaterbeschermingsgebieden
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 48 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 18: Uitsnede Keurkaart Waterschap Brabantse Delta
De planlocatie ligt niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. Ook is de locatie niet gelegen binnen een invloedsgebied Natura 2000. 5.4
Waterlopen
Uit beoordeling van de Leggerkaart blijkt dat ten westen van de planlocatie een categorie A waterloop is gelegen en ten zuiden van de planlocatie een categorie B waterloop. De bestaande waterlopen in de omgeving blijven behouden en worden niet belemmerd door de beoogde ontwikkeling op de planlocatie.
Figuur 19: Uitsnede Leggerkaart Waterschap Brabantse Delta
5.5
Riolering en infiltratie
Uitgangspunt voor de waterhuishouding in met name nieuwbouwprojecten, is een duurzaam gescheiden systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, zoveel mogelijk in het plangebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater, die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekend. Bij een toename van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Bij een toename van het
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 49 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
verharde oppervlak van minder dan 500 m² verhard oppervlak (daken en bestrating) geldt alleen het gemeentelijk beleid en wordt alleen voor het oppervlak van de bouwwerken een opgave meegegeven. Bij grotere plannen wordt voor het oppervlak van daken en bestrating een opgave meegegeven. Voor een verbouwing zonder vergroting van het verhard oppervlak geldt een bergingseis van 7 mm voor het gehele plangebied en 60 mm voor verbouwing met vergroting van het verhard oppervlak. Verhard oppervlak wat niet aangepakt wordt, hoeft niet gecompenseerd te worden. De ontwikkeling op de planlocatie betreft het omzetten van de agrarische bestemming naar een woonbestemming en het realiseren van twee wooneenheden in de bestaande karakteristieke schuur. Voor de realisatie van de twee wooneenheden vinden er enkel verbouwingen en behoud- en herstelwerkzaamheden plaats binnen of op de bestaande bebouwing. Op de planlocatie zal er in de toekomstige situatie zelf minder verharding aanwezig zijn aangezien de ligboxenstal gesloopt zal worden. Binnen de bestemming ‘Wonen’ mag het aantal m² aan bijgebouwen maximaal 100 m² per woning bedragen. In de toekomstige situatie zal dit in totaal 300 m² bedragen op de planlocatie. In de huidige situatie is er 290 m² aan bijgebouwen aanwezig. Deze bijgebouwen blijven behouden en er komt geen nieuw bijgebouw bij.
In onderstaande afbeelding is de huidige en de toekomstige situatie van het verhard oppervlak weergegeven.
Figuur 20: bestaande en nieuwe situatie verharding
Op basis van de huidige en nieuwe situatie aan verharding is de berekening wateropgave van de gemeente Gilze Rijen ingevuld. Voor de berekening zijn enkel de locaties meegenomen waar iets veranderd of vervangen wordt. In de bestaande situatie zijn er twee gebouwen aanwezig met daken, betreffende een aanbouw aan de noordzijde van ca. 33 m² en een ligboxenstal van ca. 354 m². De bestaande verharding, zonder daken, op het gehele perceel betreft ca. 1.375 m². In de nieuwe situatie worden de aanbouw en ligboxenstal gesloopt. Er wordt geen verharding met dak toegevoegd of vervangen. Het gedeelte ter plaatse van de aanbouw zal opnieuw verhard worden d.m.v. klinkers. De bestaande verharding aan de zuid en oostzijde van de schuur wordt vervangen door tuin. Voor de tuinen wordt gerekend met een percentage van 40% aan verharding. Hieronder is de berekening van de wateropgave voor de ontwikkeling op de locatie Zwarte Dijk 47 weergegeven.
Figuur 21: berekening wateropgave Zwarte Dijk 47
De ondergrens van het verhard oppervlak betreft 500 m². Op de planlocatie blijkt de vervanging van het verhard oppervlak daarom en is het daarom niet benodigd om te voorzien in compensatie.
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 50 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
5.6
Weging van het waterbelang
De weging van het waterbelang proces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. De weging van het waterbelang zorgt ervoor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht is voor de kwaliteit én kwantiteit van water. De weging van het waterbelang is verplicht bij alle plannen voor landelijk én stedelijk gebied. De gemeente doorloopt met het waterschap het proces, dat bestaat uit advisering, toetsing en goedkeuring door het waterschap.
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 51 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 6
Waarborgen van de veiligheid
Omgevingsveiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van de infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten, waarbij het met name gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets misgaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. 6.1
Toetsingskader
Omgevingsveiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van de infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten, waarbij het met name gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets misgaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. Omgevingsveiligheid beschrijft alle risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Binnen het aspect omgevingsveiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door het aantal transporten van gevaarlijke stoffen en de ongevalfrequentie en wordt uitgedrukt als een kans per jaar. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongevalscenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10 -6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10 -8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd.
Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Onder de Omgevingswet is er gekozen voor de benadering van het groepsrisico aan de hand van aandachtsgebieden. Volgens artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving hebben risicovolle activiteiten van rechtswege aandachtsgebieden. Deze aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Deze worden inzichtelijk gemaakt op de kaart zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Het bevoegd gezag heeft daardoor bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken.
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 52 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Kwetsbare functies Bij de beoordeling van het plaatsgebonden -en groepsrisico wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdagverblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Het realiseren van (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Bij de ontwikkeling van een gebied dient er rekening te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan. 6.2
Onderzoek
Figuur 22: uitsnede kaart register externe veiligheidsrisico's
Beoordeling Op basis van de uitgevoerde risico-inventarisatie blijkt dat de planlocatie in een explosieaandachtsgebied is gelegen. Dit aandachtsgebied is aanwezig op de locatie aangezien er nog een propaantank aanwezig is. Het betreft een bovengrondse propaantank welke een inhoud kent van 850 liter. Volgens het Bal geldt er een afstand van de propaantank tot een kwetsbaar gebouw, waarbij de propaantank bij het gebouw zelf aanwezig is, een minimale afstand van 5 meter. De propaantank is gelegen op een afstand van 7,8 meter uit de achtergevel van de bestaande woning. De propaantank staat op een afstand van minimaal 10 meter tot de nieuwe wooneenheden op de planlocatie. In onderstaand figuur is de specifieke locatie van de propaantank weergegeven en de afstanden tot de woningen. Voor de propaantank is een milieuvergunning afgegeven. De initiatiefnemers zijn voornemens om de propaantank op termijn te verwijderen. De huidige propaantank wordt momenteel gebruikt voor de verwarming en de kookplaat aan de Zwarte Dijk 47. Initiatiefnemers willen ervoor zorgen dat zij zelf via eigen hernieuwbare energiebronnen kunnen koken en verwarmen in de woning. Echter zolang dit nog niet gerealiseerd is gebruiken de bewoners de propaantank. Zo lang de propaantank aanwezig is zal deze dus worden gebruikt ten behoeve de huidige woning.
De realisatie van de nieuwe woningen liggen daarmee op voldoende afstand van de propaantank.
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 53 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
De planlocatie is rechtstreeks ontsloten via de Zwarte Dijk en beschikt over een ruime oprit die geschikt is voor hulpdiensten. Brandweer en ambulance kunnen het erf zonder belemmeringen bereiken. Op het erf is voldoende manoeuvreerruimte aanwezig om voertuigen veilig op te stellen. Daarnaast is op het erf voldoende ruimte beschikbaar voor inzet van mobiele blusmiddelen. In de directe omgeving zijn reguliere bluswatervoorzieningen aanwezig via het openbare netwerk. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de hulpverleningsdiensten de locatie momenteel ook al moeten kunnen bereiken aangezien er momenteel al één bedrijfswoning op de locatie is gevestigd. De beperkte omvang van de propaantank en het lage aantal transportbewegingen (circa 1 à 2 bevoorradingen per jaar) beperken de kans en de omvang van een incident. De bereikbaarheid voor hulpverlening wordt daarmee als goed beoordeeld.
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 54 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 23: locatie propaantank
In geval van een calamiteit moeten personen kunnen schuilen. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij met name parameter. Uitgangspunt is dat bij nieuwbouw voldoende aandacht besteed wordt aan de luchtdichtheid van gebouwen. Zo dient er rekening gehouden te worden met gehouden te worden met het afsluitbaar uitvoeren van de ventilatiemogelijkheden in ramen en deuren, en het afschakelbaar van de buitenlucht uitvoeren van een mechanische ventilatie, zodat bij een eventuele gifwolk veilig inpandig geschuild kan worden. Dit is een maatregel die bij nieuwbouw standaard is voorzien in het Bbl. Daarnaast dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het Waarschuwing en Alarmering Systeem (WAS) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. De personen binnen de planlocatie zijn zelfredzaam. De woningen worden gerealiseerd in bestaande bebouwing en beschikken over meerdere, rechtstreeks op het maaiveld aansluitende uitgangen. De bewoners zijn zelfredzaam en kunnen zich bij een calamiteit zelfstandig in veiligheid brengen, zowel door het verlaten van de gebouwen als door tijdelijk inpandig te schuilen.
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 55 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 7 Bescherming van landschappelijke, stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed 7.1
Cultureel erfgoed
Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet.
Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. De bescherming van erfgoed wordt geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving, de omgevingsverordening en het omgevingsplan.
In artikel 5.130 van het Bkl zijn beginselen geformuleerd voor de bescherming van cultureel erfgoed. 7.1.1
Cultuurhistorie
Beleid provincie Noord-Brabant Voor het bepalen van de cultuurhistorische elementen van het plangebied is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. Deze kaart is eveneens via de TAMomgevingsverordening Noord-Brabant een verplicht te raadplegen onderdeel. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (figuur 23) van de provincie Noord-Brabant is te zien dat de planlocatie is gelegen in een cultuurhistorisch landschap ‘Baronie’. De schuur op de planlocatie is aangeduid als ‘overige bouwkunst’. De Zwarte Dijk is aangemerkt als een lijn van redelijke hoge historisch-geografische waarde.
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 56 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 24: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart herziening 2024
Cultuurhistorische landschappen De planlocatie valt binnen het cultuurhistorisch landschap de ‘Baronie’. De Baronie is onderdeel van het dekzandplateau dat onderbroken wordt door beken. In het zuiden stromen 't Merkske, de Chaamse beken en de Strijbeekse beek. Het zandlandschap bestaat uit een grofmazige mozaïek van oude en jonge zandontginningen en bossen. De regio Baronie bezit bossen die de hele bosgeschiedenis weerspiegelen. Het Liesbos, het Ulvenhoutse Bos en het Chaamse Bos zijn zeer oude bossen die de kaalslag van de middeleeuwen overleefden. Ten zuiden van Breda hebben veel dorpen hun kleinschalige karakter behouden, zoals Galder, Strijbeek, Hulten en Molenschot. De planlocatie betreft geen landgoed en er zijn ook geen beken of bossen in de directe omgeving aanwezig. De beoogde ontwikkeling betreft het omzetten van de agrarische bestemming naar een woonbestemming en het realiseren van twee wooneenheden in de karakteristieke schuur. Daarbij wordt er een behoud- en herstelplan opgesteld voor de karakteristieke schuur, wat een positieve bijdrage levert aan het de ‘overige bouwkunst’ zoals in de cultuurhistorische waardenkaart is aangegeven. Cultuurlandschap ‘De Leijen’ De planlocatie Zwarte Dijk 47 is gelegen binnen het cultuurhistorische deelgebied De Leijen.
Dit deelgebied wordt historisch gekenmerkt door een natte bodemgesteldheid, waarbij waterbeheer bepalend is geweest voor de landschappelijke structuur en het gebruik van de gronden. Het landschap van De Leijen is ontstaan vanuit een samenhangend systeem van waterlopen en kaden. De waterlopen de Groote Lei en de Tweede Lei maken onderdeel uit van dit historische watersysteem en zijn reeds van vóór 1830 aanwezig. Deze watergangen hebben een belangrijke rol gespeeld in de afwatering en ontginning van het gebied en zijn nog steeds als structurerende elementen in het landschap herkenbaar. De Zwarte Dijk vormt een eveneens belangrijk historisch-geografisch element binnen dit deelgebied. (Delen van) deze weg dateren van vóór 1830 en zijn aangelegd ten behoeve van waterkering en ontsluiting van de omliggende gronden. De ligging en het verloop van de Zwarte Dijk zijn tot op heden duidelijk afleesbaar en dragen bij aan de cultuurhistorische waarde van het gebied. De planlocatie maakt onderdeel uit van deze historisch gegroeide structuur, waarbij de situering van het erf langs de dijk en in relatie tot het watersysteem aansluit bij de ontstaansgeschiedenis van De Leijen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van de cultuurhistorische waarden; de historische structuren
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 57 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
blijven behouden en het hergebruik van de bestaande karakteristieke bebouwing draagt bij aan het behoud en de herkenbaarheid van het cultuurhistorisch landschap. Historische geografie De Zwarte Dijk is aangeduid als historische geografie (lijn) van redelijk hoge waarde. Het betreft hier herkenbare en relatief gave elementen van het historisch landschap. De lijnen zijn representatief voor de diverse soorten lijnvormige landschapselementen in Noord-Brabant. De provincie wil de geografische lijnen, net als de overige cultuurhistorische waarden, behouden, verder ontwikkelen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Het initiatief voorziet niet in een wijziging die van invloed is op de aanwezige structuren er vinden geen wijzigingen plaats die van invloed kunnen zijn op de historische geografie van de Zwarte Dijk. Op de planlocatie worden de cultuurhistorische waarden van de schuur behouden, dit gezien de locatie de aanduiding ‘karakteristiek’ kent.
De waardevolle elementen van de schuur betreffen: • Metselwerk gevels, sober en doelmatig van opzet, afwisseling van stalramen en staldeuren • Keramische pannen kleur rood, model VH • Houten deuren en luiken, obv verticale houten delen • Gevelopeningen en detaillering passend in de Delftse school traditie • Dakkapel / hooiluik aan zuidzijde • Houten gebint constructie, rechthoekig gezaagd constructiehout, grenen Dit staat omschreven in het behoud- en herstelplan welke is toegevoegd aan de bijlagen van onderhavige onderbouwing. Het behoud- en herstel van de cultuurhistorisch waardevolle elementen wordt juridisch geborgd door het nakomen van het behoud- en herstelplan als voorwaardelijke verplichting op te nemen in de regels van onderhavig omgevingsplan. Daarbij is er een aanduiding ‘karakteristiek’ opgenomen op de verbeelding en is er in de regels een artikel opgenomen voor de karakteristieke bebouwing. Daarnaast is ook een invulformulier toegevoegd aan de bijlagen. Dit document fungeert als inventarisatie van deze karakteristieke waarden. Daarnaast wordt de oorspronkelijke staat van het complex beschreven en de afwezigheid van aanpassingen door de tijd. In het ontwerp van de schuur is rekening gehouden met het behouden van deze karakteristieke waarden. Daarnaast is de erfinrichting ook van belang bij de cultuurhistorische waarden van de planlocatie.
De inrichting van het erf en het behouden van waardevolle elementen is opgenomen in de landschappelijke inpassing. 7.1.2.
Archeologie
Beoordeling Het tijdig identificeren en meewegen van archeologische (verwachtings-)waarden kan een bijdrage leveren aan het behoud en versterking van de historische identiteit en kwaliteit van de leefomgeving (inclusief het landschap). Daarom is door de gemeente Gilze en Rijen het ‘Paraplubestemmingsplan Gilze en Rijen 2023’ opgesteld. Dit bestemmingsplan en bijbehorende archeologische beleidskaart is het centrale instrument dat alle betrokken partijen bij planvorming is staat stelt om vooraf inzicht te krijgen in de nog aanwezige of te verwachten archeologische waarden. In figuur 25 is ter plaatse van de (planlocatie) een uitsnede van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Gilze en Rijen weergegeven. Hieruit blijkt dat de planlocatie is gelegen in categorie 6. In het paraplubestemmingsplan is hiervoor een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ opgenomen.
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 58 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 25: Uitsnede Archeologische beleidskaart, Gemeente Gilze en Rijen
Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ In het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Gilze en Rijen 2023’ is categorie 6 van de archeologische beleidskaart vertaald naar de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’. Om het archeologisch bodemarchief van deze gebieden gedegen te beheren is vanaf een bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 25.000 m² én een diepte van 40 cm een archeologisch onderzoek vereist. Conclusie
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 59 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
De beoogde ontwikkeling bestaat uit het omzetten van de agrarische bestemming naar een woonbestemming en het realiseren van twee wooneenheden in de bestaande karakteristieke schuur. De ontwikkeling betreft enkel een inpandige verbouwen waardoor er geen grondwerkzaamheden plaatsvinden groter dan 25.000 m² of welke dieper gaan dan 0,40 meter. Een archeologisch onderzoek is daarom niet benodigd. 7.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
Een plan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid en dat toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik houdt in ieder geval in dat ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6 tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame ontwikkeling). Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? De Ladder is van toepassing op woningbouwplannen, die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is.
De beoogde ruimtelijke ontwikkeling op de planlocatie Zwarte Dijk 47 betreft het ontwikkelen van twee wooneenheden binnen de karakteristieke schuur. Hier is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, de ontwikkeling is hierdoor niet ladderplichting. 7.3
Landschappelijke waarden
Binnen de structuurvisie gemeente Gilze en Rijen worden belangrijke landschappelijke waarden toegelicht op basis van verschillende deelgebieden en landschapskarakteristieken. Voor de ontwikkeling op de planlocatie is een landschappelijke inpassing gemaakt waarbij rekening is gehouden met de landschapskarakteristieken op de locatie. Een belangrijk landschappelijk element op de locatie is een volwassen bomenrij, bestaande uit Beuken en Eiken. Deze laanstructuur vormt een karakteristiek en beeldbepalend onderdeel van het erf.
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 60 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 8 8.1
Natuurbescherming
Algemeen
Vanuit Europa is de bescherming van (plant en dier) soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Omgevingswet. Daarnaast is het beleid van de omgevingsverordening en het Besluit kwaliteit leefomgeving van belang. 8.2
Gebiedsbescherming
Op grond van de Omgevingswet is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Omgevingswet regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden. De planlocatie ligt niet in een speciale beschermingszone als bedoeld in de Wet natuurbescherming of binnen het Natuurnetwerk Nederland/ EHS. Het dichtst nabije Natura 2000-gebied betreft de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Dit gebied ligt ten noordwesten van de planlocatie op een afstand van ca. 8,7 km hemelsbreed. Overige Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand. Om de stikstofdepositie die de ontwikkeling met zich mee brengt te kunnen berekenen, is gebruik gemaakt van het rekenprogramma AERIUS Calculator. Op 4 juli 2025 is een rapport opgesteld waar het resultaat uit het stikstofdepositie-onderzoek in beschreven wordt. Deze wordt nader onderbouwd in bijlage 4. Uit de stikstofdepositieberekeningen volgt dat er geen Natura 2000 gebieden zijn waarvoor de drempelwaarde van 0,0 mol/ha/jaar wordt overschreden. In de berekening wordt geen depositie getoond, omdat deze lager is dan 0,0 mol/ha/jaar. 8.3
Beschermde soorten
Het is in theorie mogelijk dat op de locatie dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijnen voorkomen of dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming. Dit kunnen verschillende dier- en plantensoorten betreffen, bijvoorbeeld zoogdiersoorten, amfibieën, reptielen, vissen, vogels en vleermuizen. De planlocatie kent momenteel een agrarische bestemming met een woning, karakteristieke schuur en verschillende bijgebouwen. De ligboxenstal ten zuiden van de schuur zal met de beoogde ontwikkeling worden gesloopt. Verder zullen de verbouwingen enkel inpandig plaatsvinden. Gelet op het bovenstaande en de beoogde ontwikkeling op de planlocatie kan gesteld worden dat de beschermde soorten belemmerd kunnen worden. Een nader onderzoek wordt daarom ook voorgesteld. Door Brabant Eco is op 16 mei 2025 een ecologische quickscan opgeleverd. Het onderzoek is als afzonderlijke bijlage toegevoegd. Resultaat Resultaten en advies beschermde gebieden en houtopstanden Natura 2000 – stikstofdepositieonderzoek Zoals beschreven in hoofdstuk 4 is het op voorhand onwaarschijnlijk dat stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase leidt tot negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden. Een AERIUS-berekening kan dit onderbouwen. Voor de overige verstoringsfactoren geldt dat hiervan geen negatieve effecten te verwachten zijn op omliggende Natura 2000-gebieden.
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 61 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Natuurnetwerk Nederland – niet aan de orde Het plangebied is niet gelegen in Natuurnetwerk Nederland. Negatieve gevolgen van de voorgenomen werkzaamheden zijn redelijkerwijs uitgesloten. Vervolgonderzoek in het kader van NNN is niet noodzakelijk. Houtopstanden – niet aan de orde Het plangebied bevat geen houtopstanden die middels het planvoornemen zullen verdwijnen. Er bestaan dan ook geen verdere verplichtingen aangaande houtopstanden binnen de Omgevingswet. Resultaten en advies beschermde soorten Vleermuizen – zorgplicht Op basis van het onderzoek worden door de voorgenomen werkzaamheden geen vleermuizen verstoord, verwond of gedood en worden er geen verblijfplaatsen aangetast. Een omgevingsvergunning voor deze soortgroep is daarom niet nodig. In de omgeving blijft voldoende geschikt foerageergebied beschikbaar, waardoor geen negatieve effecten op de functionele leefomgeving worden verwacht. De nabijgelegen houtwallen en waterlopen kunnen fungeren als vliegroutes voor vleermuizen. Echter blijven deze structuren behouden en hierdoor geschikt. Men dient de werkzaamheden overdag uit te voeren, bij voorkeur zonder kunstlicht. Indien gebruik van kunstlicht tijdens de werkzaamheden noodzakelijk is, dienen deze van potentiële structuren afgericht te worden.
Voor eventueel gebruik van kunstverlichting aan de beoogde bebouwing wordt geadviseerd kunstverlichting op sensor te gebruiken en -of verlichting te voorzien van speciale afdekkapjes Grondgebonden zoogdieren – zorgplicht Het plangebied maakt mogelijk deel uit als leefgebied van eekhoorns. Het leefgebied blijft echter gelijk waardoor er geen verstoring van deze soort wordt verwacht. Het is mogelijk dat er individuen van vrijgestelde soorten grondgebonden zoogdieren binnen het plangebied kunnen voorkomen. De zorgplicht is altijd van kracht. Broedvogels – zorgplicht Er zullen geen vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen, gierzwaluwen, uilen of roofvogels verloren gaan en er worden geen verbodsbepalingen uit de Omgevingswet overtreden. Om verstoring van broedende vogels te voorkomen dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal 15 maart- 15 juli) plaats te vinden. Indien dit niet mogelijk blijkt, wordt geadviseerd voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie te laten uitvoeren. Voor de spreeuwen wordt aanvullend geadviseerd om alternatieve nestplaatsen te realiseren in de vorm van geschikte kunstnest. Amfibieën – zorgplicht Het is mogelijk dat er enkele individuen van algemene amfibiesoorten, zoals bruine kikker en gewone pad, in landfase voorkomen binnen het plangebied.
Deze soorten zijn vrijgesteld in de provincie Noord-Brabant, maar hiervoor geldt wel de zorgplicht. Overige soortgroepen Voor de volgende soortgroepen geldt dat met de voorgenomen ingreep geen negatieve effecten worden verwacht: flora, marterachtigen, reptielen, vissen en ongewervelden Aanbevelingen Bij onvoorziene omstandigheden zoals bijvoorbeeld indien een soort die niet in de quickscan wordt genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen, zodat de wet niet wordt overtreden. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van algemene soorten als konijn, egel en diverse muizensoorten worden vergraven. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten:
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 62 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
o
Indien er verstoring plaatsvindt, dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor vogels en grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels). o Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten. Gelet op de zorgplicht dienen voorafgaand aan de werkzaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt altijd en voor alle planten- en diersoorten. Natuurinclusief bouwen Diverse fauna soorten staan onder druk door steeds verder afnemende broed- en nestgelegenheid. Natuurinclusief bouwen is een verzamelterm voor tal van maatregelen en manieren om natuur te integreren bij de bouw van woningen, kantoren en andere gebouwen. Natuurinclusief bouwen bevordert de biodiversiteit en ons leefklimaat. Vogelbescherming Nederland heeft een checklist ontwikkeld, waarmee iedere bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken (www.checklistgroenbouwen.nl). Daarnaast zijn er op de website www.bouwnatuurinclusief.nl veel tips om natuurinclusief te bouwen 8.4
Natuurnetwerk Nederland (NNN) / Natuurnetwerk Brabant (NNB)
Er worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN/NNB aantasten gelet op de aard en schaal van de ingrepen zoals in vorige paragrafen beschreven. Een toetsing aan het NNN/NNBbeleid wordt niet noodzakelijk geacht. Het plangebied is niet gelegen binnen de Groenblauwe waarden. Op basis van de aard van de voorgenomen ingreep en planontwikkeling kunnen overtredingen met betrekking tot de Groenblauwe waarden uitgesloten worden.
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 63 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 9 Behouden van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen 9.1
Kabels en leidingen
De Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon) bevat regels ter bescherming van bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken. In het omgevingsplan kunnen de locaties en kenmerken van kabels en leidingen staan om de omgeving te beschermen tegen de risico's van deze kabels en leidingen. De Omgevingswet bevat regels en instrumenten om dit te voorkomen of om dit zoveel mogelijk te beperken. Kabels en leidingen die binnen een planlocatie relevant kunnen zijn dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Het doel van de Wibon is om dergelijk gevaar of economische schade door beschadiging van kabels of leidingen te voorkomen. Het gaat dan veelal om water-, elektriciteit-, gas- en telecomleidingen. Netbeheerders zijn door deze wet verplicht om informatie te geven over de ligging van hun kabels en leidingen. Middels een KLIC- melding worden de overige kabels en leidingen in beeld gebracht. Nadat er een KLIC-melding is gedaan kan er op de planlocatie grondwerkzaamheden plaatsvinden. De beoogde ontwikkeling op de planlocatie betreft het omzetten van de agrarische bestemming naar een woonbestemming en het realiseren van twee wooneenheden in de karakteristieke schuur.
Met dit initiatief vinden er geen grondwerkzaamheden plaats, de ontwikkeling betreft enkel een inpandige verbouwing. Hierdoor is een KLIC-melding niet benodigd. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 64 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 10 10.1
Milieueffectrapportage
Toetsing besluit milieueffectrapportage
Met de ingang van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is in afdeling 16.4 de wetgeving omtrent de milieueffectrapportage opgenomen. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van MER-plichtige plannen en programma’s uit de Bijlage bij het Besluit MER. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Of een besluit over een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een merbeoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. De ontwikkeling op de planlocatie betreft het omzetten van de agrarische bestemming naar een woonbestemmingen het realiseren van twee wooneenheden in de karakteristieke schuur.
Er vindt geen uitbreiding van het bebouwd oppervlak plaats en de ontwikkeling beperkt zich tot inpandige verbouwingen en de sloop van bestaande agrarische bebouwing. De planlocatie is niet gelegen in of nabij milieugevoelige of beschermde gebieden. Uit de toetsingen in deze toelichting blijkt dat het initiatief geen significante milieueffecten veroorzaakt. Er is geen sprake van relevante effecten op onder meer waterhuishouding, natuur, luchtkwaliteit, geluid, bodem, externe veiligheid of volksgezondheid. Ook cumulatieve effecten zijn uitgesloten. Deze ontwikkeling staat niet omschreven in bijlage V van het omgevingsbesluit. De beoogde ontwikkeling kan namelijk niet beschouwt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject omdat er niet meer dan 11 woningen op de planlocatie worden toegevoegd, zoals staat omschreven in categorie J11. Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat, beoordeeld aan de hand van de criteria uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, geen sprake is van aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het opstellen van een milieueffectrapport of het uitvoeren van een mer-beoordeling is daarom niet noodzakelijk.
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 65 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 11 11.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Voorliggende onderbouwing betreft een particulier initiatief waarbij de kosten voor de ontwikkeling direct voor de ontwikkelende partij zijn. Voor zover door de gemeente kosten worden gemaakt, zijn deze afgedekt op basis van een nadeelcompensatieverhaalsovereenkomst die tussen de gemeente en de initiatiefnemer gesloten wordt. Om die reden is het opstellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk. 11.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
11.2.1
Omgevingsdialoog
Een omgevingsdialoog is een zorgvuldige afstemming tussen de initiatiefnemer van een (bouw)plan en de omgeving. Met de ‘omgeving’ wordt bedoeld iedereen waarop het plan effect kan hebben, zoals bijvoorbeeld omwonenden, scholen en aangrenzende bedrijven. De omgevingsdialoog is er specifiek op gericht om alle wensen, belangen en bezwaren van de omgeving te kunnen betrekken in het verdere ontwerp van het plan. Doel van de omgevingsdialoog is niet om ‘overeenstemming’ over het plan te verkrijgen. Aanleiding voor het starten van een (omgeving)dialoog is het moment dat een initiatiefnemer een ruimtelijk ontwikkelingsproject wil uitvoeren dat niet past in het geldende bestemmingsplan. Voor het initiatief aan de Zwarte Dijk 47 is aan de hand van de participatieleidraad van gemeente Gilze en Rijen een omgevingsdialoog gehouden. Omwonenden zijn geïnformeerd over de planontwikkelingen. Het communicatie- en participatietraject heeft in de maanden juni en juli plaats gevonden en is uitgevoerd door de initiatiefnemer. Er is aan de bewoners een uitleg gegeven over het initiatief en de te lopen procedure. Er werd positief gereageerd op de beoogde planontwikkelingen en de genoemde bewoners hebben dan ook geen bezwaar tegen het initiatief. De resultaten van de omgevingsdialoog zijn vastgelegd in een kort verslag en overhandigd aan de gemeente.
De (mede-)eigenaar van de percelen GZE, sectie M nummer 152 en 153 spreekt in zijn reactie namens alle eigenaren van de percelen. Echter heeft de mede-eigenaar een schrijffout gemaakt waardoor de verkeerde nummer; 153 en 154 zijn doorgegeven. Dit moet 152 en 153 zijn. Het perceel met nummer 609 is in eigendom van de bewoners aan de Zwarte Dijk 72. Met de eigenaar van perceelnummer 756 zijn opdrachtgevers in gesprek om een overeenkomst op te stellen over het geen bezwaar maken vanuit de bewoners van de planlocatie aan de Zwarte dijk 47 op het perceel plaats vindende agrarische activiteiten. De gemeente beoordeelt, aan de hand van het verslag van de omgevingsdialoog en als onderdeel van de procedure, uitsluitend of de omgevingsdialoog zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De resultaten van het omgevingsdialoog zijn in bijlage 7 opgenomen.
Motivering 242140 | 20-3-2026
Pagina 66 van 67
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling