2. Motivering TAM-omgevingsplan Schoolstraat 62 Molenschot (15-04-2026) (1139525)
Tekst van het document
Behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit: De visie streeft naar het behouden van karakteristieke elementen en het versterken van de bestaande ruimtelijke structuur. Duurzaam ruimtegebruik: Het stimuleren van hergebruik van bestaande locaties en het voorkomen van onnodige uitbreiding in het buitengebied. Versterken van de leefbaarheid: Het bevorderen van een aantrekkelijke woon- en werkomgeving door passende functies toe te voegen die aansluiten bij de behoeften van de gemeenschap.
Afbeelding 10: Uitsnede visiekaart Molenschot
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
26
De voorgenomen herontwikkeling sluit aan bij deze uitgangspunten. Door het beëindigen van de glastuinbouwactiviteit en het realiseren van een kleinschalig agrarisch bedrijf wordt invulling gegeven aan duurzaam ruimtegebruik. De toevoeging van een twee-onder-een-kapwoning draagt bij aan de diversiteit van het woningaanbod en versterkt de leefbaarheid van het gebied. Bovendien wordt de bestaande ruimtelijke structuur behouden en versterkt door de nieuwe functies zorgvuldig in te passen in de omgeving. Conclusie De herontwikkeling aan de Schoolstraat 62 in Molenschot is in overeenstemming met de doelstellingen en uitgangspunten van de Structuurvisie Stedelijk Gebied van de gemeente Gilze en Rijen. De ontwikkeling draagt bij aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit, het bevorderen van duurzaam ruimtegebruik en het verbeteren van de leefbaarheid binnen het stedelijk gebied.
3.3.2
Ontwikkelingsrichting gebied
Molenschot is een dorp met een lange geschiedenis en een herkenbare dorpsstructuur. Gelegen op de overgang van hoge naar lage gronden, ontwikkelde het dorp zich vanaf de vroege middeleeuwen rondom een driehoekig plein. Dit plein vormt nog steeds het hart van het dorp, met de SintAnnakerk als middelpunt. Ondanks veranderingen in het buitengebied door ruilverkaveling en schaalvergroting in de landbouw, is de kern van Molenschot grotendeels herkenbaar gebleven. Langs de historische linten zoals de Schoolstraat is de ruimtelijke structuur goed zichtbaar gebleven, met afwisselende bebouwing, open ruimtes en waardevolle groenstructuren. De ontwikkeling van Molenschot verloopt gecontroleerd en met oog voor behoud van karakter. Nieuwbouw vindt primair plaats binnen de kern of op zorgvuldig gekozen locaties, waarbij het dorp als zelfstandige kern in het landschap herkenbaar blijft en niet vergroeit met omliggende functies. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan het behoud van openheid, het versterken van zichtlijnen en het verbeteren van de omgevingskwaliteit.
Voor de linten rondom Molenschot, waaronder de Schoolstraat, betekent dit dat de ontwikkelingsrichting gericht is op behoud en versterking van het dorpse lintkarakter, waarbij verdichting alleen aanvaardbaar is indien deze gepaard gaat met aantoonbare kwaliteitsverbetering, sanering van storende bebouwing en versterking van landschappelijke structuren. Open ruimten en doorzichten blijven in principe behouden, tenzij sprake is van vervanging van bestaande bebouwing. De Schoolstraat neemt binnen dit geheel een bijzondere positie in als overgangszone tussen de kern en het buitengebied. Aan de zuidzijde bevinden zich solitaire functies, waaronder glastuinbouw, die volgens de provinciale Omgevingsverordening in landelijk gebied liggen. De ontwikkelingsrichting voor deze zone is gericht op een geleidelijke transformatie van intensieve, niet-passende functies naar kleinschalige, gebiedseigen functies, waarbij het lint wordt versterkt en achterliggende verrommeling wordt gesaneerd. Nieuwe ontwikkelingen dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwingsstructuur aan de weg en mogen niet leiden tot verdere verstening van het achtergebied.
Binnen deze visie is herontwikkeling van bestaande agrarische bouwpercelen voorstelbaar, mits sprake is van substantiële sloop van overtollige bebouwing, de ontwikkeling leidt tot verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing, nieuwe bebouwing past binnen maat en schaal van het lint en functies worden toegevoegd die passen bij een gemengd landelijk woonmilieu met beperkte milieubelasting.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
27
Hiermee wordt invulling gegeven aan de rol van de Schoolstraat als overgangszone waarin kwaliteit leidend is en functieverandering wordt ingezet als instrument voor landschapsverbetering, in lijn met de omgevingsvisie en het provinciale beleid voor het landelijk gebied. De herontwikkeling van Schoolstraat 62 past binnen deze ontwikkelingsrichting. De huidige glastuinbouwfunctie wordt beëindigd en een groot deel van de bebouwing wordt gesloopt, waardoor sprake is van een aanzienlijke reductie van bebouwd oppervlak. Het bouwvlak wordt verkleind en de resterende bebouwing wordt landschappelijk ingepast. De toevoeging van een beperkte woningbouwontwikkeling vindt plaats op een locatie waar reeds bebouwing aanwezig was en sluit aan op de bestaande lintstructuur. Tegelijkertijd wordt het achterliggende gebied opgeschoond en wordt de ruimtelijke kwaliteit versterkt. De nieuwe agrarische functie is kleinschalig en passend bij de omgeving. Per saldo draagt de ontwikkeling bij aan de beoogde transformatie van het lint: van intensief agrarisch gebruik naar een kwalitatief hoogwaardig, landschappelijk ingepast woon- en werkmilieu, waarbij openheid, groenstructuren en leefkwaliteit worden versterkt.
Daarmee geeft deze ontwikkeling concreet invulling aan de gemeentelijke omgevingsvisie en wordt een duidelijke richting gegeven aan toekomstige initiatieven: ontwikkeling is mogelijk, mits deze leidt tot kwaliteitsverbetering, sanering en versterking van het lint en landschap.
3.3.3
Ontwerp omgevingsvisie Gilze en Rijen
Op 14 augustus 2025 heeft de gemeente Gilze en Rijen de ontwerp omgevingsvisie opgesteld. In de visie staat de leef kwaliteit centraal. De gemeente streeft naar een omgeving waar inwoners zich thuis voelen, elkaar kunnen ontmoeten en samen bouwen aan een hechte gemeenschap. Of men nu woont in het centrum, in een rustige woonwijk of in het buitengebied – overal moet het prettig, veilig en goed bereikbaar zijn. Daarnaast wordt ingezet op duurzaamheid, klimaatbestendigheid en verantwoord ondernemerschap, zodat de leefomgeving ook voor toekomstige generaties aantrekkelijk blijft. Het buitengebied wordt door veel verschillende mensen gebruikt: agrariërs, bewoners, ondernemers en recreanten. De ligging tussen Breda en Tilburg zorgt voor een grote druk op de ruimte, maar biedt tegelijkertijd kansen voor ontwikkeling. De gemeente hecht veel waarde aan het behoud van het landschap, de herkenbare inrichting en de ruimtelijke kwaliteit. Tegelijk wil de gemeente een duurzame en toekomstbestendige landbouwsector ondersteunen. Nu het aantal agrarische bedrijven afneemt, wil de gemeente ondernemers de ruimte geven om hun activiteiten te verbreden. Zo kunnen zij natuurinclusiever werken en economisch sterk blijven. Het versterken van natuur en biodiversiteit draagt bij aan een aantrekkelijk en leefbaar buitengebied. Verder is omgevingskwaliteit ook een belangrijk aspect in het buitengebied.
Omgevingskwaliteit draait om een goede balans tussen mens (people), leefomgeving (planet) en economie (profit). Alleen wanneer deze drie pijlers in evenwicht zijn, ontstaat een duurzame en gezonde leefomgeving.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
28
Bij ruimtelijke ontwikkelingen streeft de gemeente ernaar niet alleen economische of functionele waarde toe te voegen, maar ook maatschappelijke, landschappelijke en ecologische meerwaarde te realiseren. Door te investeren in omgevingskwaliteit dragen initiatieven bij aan een toekomstbestendig buitengebied en spelen ze in op de opgaven van deze tijd. Het uitgangspunt hierbij is het principe ‘voor wat, hoort wat’. Dat betekent dat er ruimte is voor maatwerk, mits de ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare verbetering van de omgeving. Bij de beoordeling van de omgevingskwaliteit wordt gelet op de volgende aspecten: -
-
-
Verbetering van de omgeving: Bijvoorbeeld door het verwijderen van overtollige bebouwing, het versterken van natuur of landschap, het intrekken van milieurechten of het realiseren van duurzame recreatieve voorzieningen. Geen nieuwe bouwlocaties: Nieuwe bebouwing vindt in principe alleen plaats op bestaande bouwpercelen, mits dit ruimtelijk goed inpasbaar is. Hiermee wordt leegstand, verrommeling en verdere verstedelijking van het buitengebied voorkomen. Uitzonderingen zijn uitsluitend mogelijk binnen de kaders van het provinciale beleid, zoals bij bedrijfsverplaatsingen of ruimte-voor-ruimte-projecten, en uitsluitend wanneer aan de aanvullende voorwaarden wordt voldaan. Ruimtelijke kwaliteit: Nieuwe ontwikkelingen moeten passen bij de schaal en het karakter van de omgeving. Daarbij wordt gekeken naar perceelgrootte, de openheid van het landschap, de landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing, het behoud van cultuurhistorische waarden en de effecten op de verkeerssituatie.
Conclusie De beoogde herontwikkeling van het plangebied aan de Schoolstraat 62 te Molenschot sluit goed aan bij de uitgangspunten uit de ontwerp-Omgevingsvisie van de gemeente Gilze en Rijen. In de nieuwe situatie wordt de omgevingskwaliteit versterkt door de sanering van het bestaande glastuinbouwbedrijf. De voortzetting van een kleinschalig agrarisch bedrijf met een lage milieucategorie blijft daarbij mogelijk. Op een deel van het gesaneerde glasareaal wordt, in het kader van de provinciale regeling ‘maatwerk met als doel omgevingskwaliteit’, de realisatie van een twee-onder-een-kapwoning voorzien. Hiermee wordt geen nieuwe bouwlocatie toegevoegd, maar wordt gebouwd binnen het bestaande bouwperceel. De ontwikkeling draagt daarmee bij aan een zorgvuldige herinrichting en een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
29
4
Bescherming van gezondheid en milieu
Op grond van het bepaalde in het Bkl dient te worden aangetoond of met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten wordt in dit hoofdstuk beschreven of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.1
Geluid
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen of industrieterreinen. Hierbij wordt gebruikgemaakt van zonering en geluidsnormen. Ook zijn er direct werkende regels opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan, die gelden voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen spoorwegen of industrieterreinen. Het plangebied ligt echter wel binnen de geluidszone van de Schoolstraat. Geluidaandachtsgebieden Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs wegen, spoorwegen of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Besluit Kwaliteit Leefomgeving). Voor het bepalen van de omvang van het geluidaandachtsgebied gelden de regels uit bijlage IVc van de Omgevingsregeling. Als van rechtswege nog geen geluidaandachtsgebied vastgesteld is, worden conform artikel 17.5 van de Omgevingsregeling standaard afstanden aangehouden. De gemeente Gilze en Rijen heeft nog geluidaandachtsgebieden voor hun gemeentewegen vastgesteld. Zodoende gelden de vaste afstanden (artikel 17.5 Omgevingsregeling). Eenzelfde systematiek (tijdelijk geluidaandachtsgebied) wordt gevolgd voor provinciale wegen in artikel 12.7 van het Bkl.
Voor provinciale wegen waarvoor nog geen geluidsproductieplafonds zijn vastgesteld wordt conform de Aanvullingswet geluid Omgevingswet artikel 3.5 getoetst aan de Wet geluidhinder. Omdat er sprake is van een buitenstedelijke situatie, geldt ter plaatse van de te projecteren woning voor het aspect wegverkeerslawaai een voorkeursgrenswaarde op de gevel van 48 dB Lden, met een maximale ontheffingswaarde van 53 dB Lden. Bij een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde voor provinciale wegen dient een hogere waarde te worden aangevraagd. Met het initiatief wordt een nieuw geluidsgevoelig object opgericht in de vorm van een twee-ondereen-kapwoning. Om deze reden heeft Aelmans op 28 augustus 2025 een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 7. Uit de toets in het kader van de gevelbelasting blijkt: Tabel 1: Conclusie gevelbelasting
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
30
Op enkele gevels wordt de standaardwaarde overschreden, de grenswaarde wordt niet overschreden. Maatregelen om het geluid te reduceren tot de standaardwaarde stuiten op bezwaren van diversen aard. De situering van de beoogde twee-onder-een-kapwoning is afgestemd op de uitkomsten van het akoestisch onderzoek. Uit dit onderzoek blijkt dat bij een afstand van 16,3 meter tot het hart van de weg kan worden voldaan aan de geldende standaardwaarde voor wegverkeerslawaai. Deze afstand is daarom ook in de planregels overgenomen. Tabel 2: Conclusie karakteristieke geluidwering van de gevel
De wettelijke voorgeschreven minimale geluidwering van de gevel dient 20 dB te zijn conform het Besluit bouwwerken leefomgeving. Tegenwoordig is er ook nieuwere wetgeving met de bijbehorende BENG-eisen. Toepassing van deze normen komt ook de geluidwering van de gevel zeer ten goede. Daardoor is de geluidwering van de gevel van een nieuwbouwwoning hoger dan de minimaal voorgeschreven. Bij gebruik van HR++ glas en balansventilatie is al snel sprake van een geluidwering van de gevel van 25 dB of meer (afhankelijk van uitvoering). Bij toepassing van de juiste materialen en constructies is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd. Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief.
4.2
Bodemkwaliteit
De waarden voor de toegestane bodemkwaliteit voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden vastgelegd in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen variëren per gebied of gebruiksfunctie. Wanneer een vastgestelde waarde uit art. 5.89i Bkl wordt overschreden, is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegestaan als de voorgeschreven sanerings- of beschermingsmaatregelen in het omgevingsplan worden uitgevoerd (art. 5.89K Bkl). Daarnaast zijn er specifieke regels met betrekking tot de bodem opgenomen in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving, waaronder: Regels over nazorg van de bodem na sanering volgens het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (paragraaf 2.3.6a.2); Regels over grondwerkzaamheden (paragrafen 3.2.21 en 3.2.22 Bal); Regels voor activiteiten op locaties met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4); Maatwerkregels voor sanering van de bodem in het zinkassengebied De Kempen (paragraaf 2.3.6a.5). Bij veranderingen in activiteiten moet de bodem geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan vereisen dat er onderzoek wordt gedaan naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
Het uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico mag vormen voor de gebruikers en niet mag verslechteren. Als de bodemkwaliteit (humane) risico's met zich meebrengt of als er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging, kunnen bepaalde nieuwe functies pas doorgaan nadat de risico's zijn beheerst of weggenomen door sanering.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
31
Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 moet worden uitgevoerd bij wijziging van een functie en/of gebruik en bij realisatie van een gebouw of gebruiksfunctie waar mensen 2 uur of langer verblijven. De agrarische functie ter plaatste van het plangebied zal (gedeeltelijk) gewijzigd worden in een woonfunctie. Daarnaast zal er een nieuwe gevoelige functie worden gerealiseerd in de vorm van een twee-onder-een-kapwoning. Om deze reden is een bodemonderzoek noodzakelijk. Op 17 april 2025 is er door Montferland Milieu B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Schoolstraat 62 in Molenschot, zie bijlage 8 bij onderhavige motivering. Uit dit vooronderzoek is gebleken dat er geen bezwaren zijn tegen de voorgenomen planologische procedure, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen directe risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. Er zijn dus geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling wat betreft het aspect bodem.
4.3
Luchtkwaliteit
In het Bkl is de Europese richtlijn voor grenswaarden van diverse stoffen opgenomen, met als doel mensen te beschermen tegen de risico's van luchtverontreiniging. Paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl bevat omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht. Deze waarden betreffen grenswaarden voor concentraties van onder andere zwaveldioxide, stikstofoxiden (NO x als NO2), zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. Bij een planologische procedure moet worden aangetoond dat wordt voldaan aan de wettelijke normen voor luchtkwaliteit. Dit omvat zowel het effect van een nieuwe ontwikkeling op de luchtkwaliteit in de omgeving als de toetsing aan het Bkl. Vooral stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) zijn beleidsmatig relevant. Er moet worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat met betrekking tot deze stoffen aanvaardbaar is en dat dit door de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft. 4.3.1
Niet in betekenende mate
Indien ontwikkelingen binnen het plangebied gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in paragraaf 2.2.1.1 van het Bkl genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe functie betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen die, als genoemd in artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl, niet in betekenende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl. Voor de volgende categorieën kan getoetst worden of een plan NIBM bijdraagt: • Categorie woningbouwlocaties; • Categorie kantoorlocaties; • Combinatie van woningbouw en kantoren; • Categorie inrichtingen.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
32
Het initiatief betreft het herontwikkelen van een agrarische bedrijfswoning, in de vorm van een glastuinbouwbdeijf naar een kleinschalige agrarische bedrijfsfunctie en een woonfunctie voor de realisatie van een twee-onder-een-kapwoning. De ontwikkeling behoort derhalve tot de categorie woningbouwlocaties. Voor woningbouwlocaties geldt dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (artikel 5.54, onder b, onder 1, Bkl). Aangezien met het initiatief één twee-onder-een-kapwoning zal worden toegevoegd, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens. 4.3.2
Woon- en leefklimaat
Op grond van het Bkl (paragraaf 2.2.1.1) zijn omgevingswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de gemiddelde jaarconcentratie van NO2 geldt een grenswaarde van 40 μg/m3. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon-en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen het plangebied is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 15,22 μg/m3, voor PM2,5 8,496 μg/m3 en voor NO2 11,89 μg/m3, zie Afbeelding 10, 11 en 12.
Afbeelding 11: Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN en GDN), fijnstof (PM 10)
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
33
Afbeelding 12: Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN en GDN), fijnstof (PM 2,5)
Afbeelding 13: Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN en GDN), stikstofdioxide(NO2) Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
34
4.4
Geur
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. 4.4.1
Wettelijk kader
Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, ge-zondheidszorg en kinderopvang. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen.
In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: Geurnormen in het omgevingsplan; Rekenen; Afstandseisen; Randvoorwaarden. 4.4.2
Onderzoek
De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een geurbelastende activiteit. Het glastuinbouwbedrijf wordt op locatie volledig gestaakt en in de beoogde situatie zal er een kleinschalig agrarisch bedrijf gevestigd blijven en zal er een twee-onder-een-kapwoning gerealiseerd worden. De beoogde ontwikkeling maakt nieuwe woningen mogelijk, die volgens het Bkl geurgevoelig zijn. Hierna wordt dan ook getoetst of geur van activiteiten in de omgeving van invloed is op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied en of geurbelastende activiteiten met gebruiksruimte eventueel in hun belangen worden geschaad. Geurbelasting agrarische bedrijven In de bruidsschat (regels die het Rijk als onderdeel van het Invoeringsbesluit Omgevingswet automa-tisch toevoegt aan elk gemeentelijk omgevingsplan) zijn bepalingen over geur van veehouderijen op-genomen die in ieder geval in acht moeten worden genomen, tenzij de gemeente over een geurbeleid (eveneens deel van het omgevingsplan) beschikt. Met de geurgebiedsvisie en de verordening geurhinder en veehouderij beschikt de gemeente Gilze en Rijen over een dergelijk geurbeleid ten behoeve van geur van veehouderijen. De gemeente Gilze en Rijen heeft op 28 oktober 2022 de ‘Verordening geurhinder en veehouderij Gemeente Gilze en Rijen 2022’ vastgesteld. Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
35
In deze geurverordening zijn de volgende regels opgenomen: -
-
De maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende en gewaarmerkte kaart, als volgt: o Deelgebied A: 3,0 odour units; o Deelgebied B: 5,0 odour units; o Deelgebied C: 8,0 odour units; o Deelgebied D: 10,0 odour units. Ruimtelijke initiatieven en plannen waar er sprake is van een nieuw voor geurhinder gevoelig object zoals aangeduid in de Wgv c.q. de uitvoeringsregels van de Omgevingswet wordt als vertaling van het criterium ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ voor het aspect cumulatieve geurhinder uit stallen van veehouderijen, onderstaande waarden gehanteerd:
Gelet op de afstanden tot de dichtstbijzijnde veehouderijen met landbouwhuisdieren waarvoor een emissiefactor is vastgesteld (o.a. kippen, varkens, geiten en vleesrundvee) is geurhinder vanwege een individuele veehouderij niet te verwachten. De totale geurbelasting (achtergrondbelasting geur) van alle veehouderijen in de omgeving kan worden beoordeeld aan de hand van de kaart ‘Achtergrondbe-lasting geur’ van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
36
Afbeelding 14: Uitsnede kaart Achtergrondbelasting geur Uit voorgaande afbeelding blijkt dat het plangebied is gelegen buiten het concentratiegebied en dat de achtergrondbelasting ter plaatse van de Schoolstraat 62 in Molenschot als ‘zeer goed (<1,5) mag worden beschouwd. Gelet hierop is het toevoegen van woningen binnen het plangebied aanvaardbaar gelet op het aspect geur vanwege veehouderijen. In de directe omgeving van het plangebied zijn namelijk ook geen veehouderijen zonder emmissiefactoren aanwezig. In de omgeving van het plangebied komen geen andere activiteiten voor die vanwege geur van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat van de nieuwe toe te voegen woningen of andersom. Conclusie Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
37
4.5
Duurzaamheid & gezondheid
4.5.1
Duurzaamheid
Het meenemen van duurzaamheid in nieuwbouw plannen wordt door steeds meer partijen belangrijk gevonden. Het integreren van duurzaamheid in nieuwbouw plannen biedt kansen in iedere fase van een plan. Zo kan met een slimme ruimtelijke planning het energieverbruik van gebouwen terug gedrongen worden, bijvoorbeeld door zongericht verkavelen. In het ontwerp van een gebouw kan door de juiste materiaalkeuze de impact op milieu verlaagd worden, door bijvoorbeeld het vermijden van uitlogende materialen als zink of door het gebruik van gerecyclede materialen. Het gebruik van natuurvriendelijke materialen binnenshuis kan het binnenklimaat verbeteren. Dit resulteert in een gezonde en toekomst bestendige leefomgeving, met onder andere een hogere kwaliteit en comfort, alsook lagere vaste (energie)lasten. De ontwikkelingen binnen het plangebied sluiten aan op de duurzaamheidsdoelstellingen waar heel Nederland naar streeft. Nieuwe woningen mogen per 1 juli 2018 niet meer aangesloten worden op het gasnetwerk, maar dienen met duurzamere en schonere energievoorzieningen gerealiseerd te worden. Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5.2
Volksgezondheid
Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. De laatste onderzoeken dateren van 16 juni 2017 en 1 september 2018 en zijn vervolgonderzoeken op het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), dat op 7 juli 2016 is gepubliceerd. In dit onderzoek is endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m 3 geadviseerd. Uit de vervolgonderzoeken is o.a.
gebleken dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van het plangebied ligt aan de Schoolstraat 54 in Molenschot, waarbij de dichtstbijzijnde verblijfplaats van het vrouwelijk jongvee op een afstand van circa 140 meter is gelegen ten opzichte van de beoogde woningen op het plangebied. Dit betreft een melkveehouderij. Voor melkveehouderijen geldt dat de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt zijn vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
38
Bovendien moet iedere veehouderij voldoen aan wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Gezien de grote afstand van het plangebied tot veehouderijen in de omgeving, kan dus worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect volksgezondheid geen onevenredige nadelige effecten zullen optreden binnen het plangebied. 4.5.3
Endotoxine
Op basis van het eerste VGO-onderzoek ontwikkelt het Rijk momenteel, op advies van de Gezondheidsraad, een landelijk toetsingskader voor endotoxinen. In afwachting hiervan stelde het Brabantse ondersteuningsteam in 2016 de notitie 'Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0' op. Deze notitie helpt bij het beoordelen van risico's op endotoxineverspreiding door uitbreidende veehouderijen. Gemeenten en de provincie streven ernaar om te voorkomen dat de advieswaarde van 30 EU/m3 wordt overschreden. Als die waarde al overschreden wordt, wil men verdere toename voorkomen. Idealiter wordt de emissie zelfs verminderd. Omdat endotoxinen zich met (fijn)stofdeeltjes verspreiden, zijn in het toetsingskader richtafstanden opgenomen die blootstelling beperken. Voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens zijn afstandsgrafieken opgesteld. Het dichtstbijzijnde intensieve veehouderijbedrijf, een kalverhouderij aan de Aardstraat 12 in Molenschot, heeft een fijnstofemissie van 0,198 kg PM10 per jaar. Voor endotoxinen geldt dat er op dit moment geen wettelijk toetsingskader specifiek voor kalverhouderijen beschikbaar is. De beschikbare emissiefactoren en toetsingsmethodieken in het Endotoxine Toetsingskader 1.0 richten zich voornamelijk op pluimvee- en varkensbedrijven, waardoor de directe toepassing op kalverhouderijen beperkt is.
Hoewel er dus geen formeel juridisch toetsingskader bestaat, wordt in de praktijk de adviesgrenswaarde van 30 EU/m³ als referentiewaarde gehanteerd om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te beoordelen. Hierbij kan worden aangesloten bij bestaande onderzoeksresultaten en de in het toetsingskader opgenomen richtafstanden. De afstand tussen de kalverhouderij aan de Aardstraat 12 in Molenschot en het plangebied bedraagt circa 860 meter. Dit is een veelvoud van de afstanden waarbij volgens onderzoek nog sprake kan zijn van verhoogde concentraties endotoxinen. Gelet op deze ruime afstand kan met voldoende zekerheid worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied de adviesgrenswaarde van 30 EU/m³ ruimschoots wordt gehaald. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft duurzaamheid en gezondheid.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
39
4.5.4
Emissies
De voorgenomen ontwikkeling betreft de transformatie van een glastuinbouwbedrijf naar een kleinschalig agrarisch bedrijf (zonder vee) en twee woningen in de vorm van een twee-onder-eenkapwoning. De ontwikkeling introduceert geen activiteiten waarbij emissies van geur, fijnstof of ammoniak optreden. In de nieuwe situatie worden geen glastuinbouwactiviteiten meer uitgevoerd en is geen sprake van productieprocessen of installaties die leiden tot verhoogde uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. Door het beëindigen van de glastuinbouwfunctie en het gebruik van de locatie als agrarisch bedrijf (zonder vee) en een woonfunctie voor twee wooneenheden neemt de milieubelasting ten opzichte van de bestaande situatie juist af. Er is geen sprake van een toename van geur, fijnstof of ammoniak ten opzichte van de huidige situatie. Omdat geen verhoogde emissie optreedt, kan de ontwikkeling evenmin leiden tot een negatief effect op de volksgezondheid door geurhinder, luchtkwaliteit of via de vorming van secundair fijnstof. Conclusie is dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de geldende wettelijke eisen en normen op het gebied van geur, fijnstof en ammoniak en geen nadelige effecten heeft op de gezondheid of het leefklimaat van omwonenden. 4.5.5
Geur
De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een geurbelastende activiteit. Op de planlocatie worden twee woningen toegevoegd, die volgens het Bkl als geurgevoelig worden aangemerkt. Daarnaast wordt het huidige glastuinbouwbedrijf gesaneerd en en blijft er een kleinschalige agrarische bedrijfsfunctie in stand. In paragraaf 4.4 is uitgebreid getoetst of geur van omliggende activiteiten van invloed is op het woon- en leefklimaat ter plaatse en of geurbelastende activiteiten met gebruiksruimte hierdoor worden beperkt. Uit deze toets blijkt dat de afstand tot omliggende veehouderijen en andere geurbronnen zodanig is dat geen sprake is van een onaanvaardbare geurbelasting en dat bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering of uitbreidingsmogelijkheden worden gehinderd. 4.5.6
Geitenhouderijen
Op 7 juli 2016 is het onderzoek 'Veehouderij en Gezondheid Omwonenden' (VGO) gepubliceerd. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ), op advies van de Gezondheidsraad. Uit het onderzoek blijkt dat het wonen in de nabijheid van veehouderijen zowel positieve als negatieve gezondheidseffecten met zich meebrengt. Positief is dat mensen die in de buurt van veehouderijen wonen minder vaak astma en allergieën hebben. Voor melkvee- en varkenshouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid in de omgeving beperkt, vooral door de relatief lage emissies van fijnstof. Bedrijven met paarden of schapen zijn buiten beschouwing gelaten. Endotoxinen in de (fijn)stofemissies van intensieve veehouderijen blijken relevant te zijn voor luchtwegklachten. Dit leidt tot de volgende negatieve gezondheidseffecten: -
Een verhoogd risico op longontsteking (pneumonie), met name nabij pluimveehouderijen. Meer luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in gebieden met een hoge dichtheid aan veehouderijen, ongeacht het type bedrijf. Een verminderde longfunctie na periodes met verhoogde ammoniakconcentraties. Waarschijnlijk is niet de ammoniak zelf, maar secundair fijnstof dat hieruit ontstaat, de oorzaak.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
40
Het VGO-onderzoek laat zien dat gezondheidseffecten vooral worden veroorzaakt door een combinatie van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxinen en ammoniak-gerelateerd secundair fijnstof. Endotoxine wordt gezien als een betrouwbare indicator voor blootstelling aan stoffen uit stallen die schadelijk zijn voor de luchtwegen. Er wordt daarom een grenswaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. In zes gangbare stalsystemen met vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens zijn metingen verricht. Met behulp van een verspreidingsmodel is nagegaan of deze grenswaarde werd overschreden. De conclusie is dat geur- en fijnstofnormen bij individuele pluimveestallen niet altijd voorkomen dat de endotoxinegrens wordt overschreden. Op 16 juni 2017 werd het eerste vervolgonderzoek op het VGO gepubliceerd. Hierin zijn de data uit het eerste onderzoek opnieuw geanalyseerd met geavanceerde statistische methoden. De conclusies uit het hoofdonderzoek werden hiermee bevestigd en verder onderbouwd. Er zijn sterke aanwijzingen dat componenten van fijnstof van geitenhouderijen mensen vatbaarder maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen daarbij niet worden uitgesloten. Deze relatie is ook gevonden bij pluimveehouderijen, zij het in mindere mate. Luchtwegmetingen tonen aan dat de concentratie endotoxinen toeneemt naarmate men dichter bij een intensieve veehouderij woont.
Fijnstof afkomstig van veehouderijen is echter lastig te onderscheiden van andere bronnen, zoals verkeer of industrie. De eerste twee onderzoeken maakten gebruik van gegevens uit huisartsenpraktijken over de periode 2007 t/m 2013. Op 1 september 2018 verscheen het derde VGO-onderzoek, met gegevens over de periode 2014 t/m 2016. Dit onderzoek richtte zich specifiek op de relatie tussen luchtwegaandoeningen en de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen. Voor pluimveehouderijen lijkt het verband tussen longontsteking en fijnstof- en endotoxine-uitstoot aannemelijk. Voor geitenhouderijen ligt dit minder voor de hand, omdat de uitstoot van deze stoffen relatief beperkt is. Toch bevestigt ook dit onderzoek een verhoogde incidentie van longontstekingen binnen een straal van 2 kilometer rond geitenhouderijen. Voor legpluimveehouderijen is deze toename niet meer statistisch significant. Voor vleeskuikenbedrijven geldt dit alleen in 2014, ondanks hun relatief hoge fijnstofemissies. De conclusie is dat nader onderzoek nodig is naar de oorzaak van het verband tussen geitenhouderijen en longontsteking. Totdat hierover meer duidelijkheid bestaat en een integrale aanpak mogelijk is, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen.
Dat betekent terughoudendheid met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige functies zoals woningen, kinderopvang en scholen. Ook andersom geldt dit: gevoelige functies zouden niet in de nabijheid van bestaande geitenhouderijen moeten worden gepland. Gemeenten wordt geadviseerd het risico op longontsteking expliciet mee te nemen in hun afwegingen. Het onderzoek laat zien dat het risico op longontsteking toeneemt naarmate de afstand tot een geitenhouderij afneemt. Binnen 500 meter is dit risico het hoogst, en het blijft verhoogd tot op 2 kilometer afstand. Verdere studie is nodig om effectieve maatregelen te ontwikkelen om dit risico te beperken. Op 7 juli 2018 stelde de provincie Noord-Brabant een tijdelijk geitenmoratorium in om gezondheidsrisico's te beperken en nieuwe knelpunten te voorkomen. Voor de gemeente Gilze en Rijen betekent dit dat bij nieuwe woningbouwplannen moet worden overwogen of deze in de buurt van een geitenhouderij liggen. De Omgevingsdienst heeft hierover een memo opgesteld waarin de 'omgekeerde werking' van het geitenmoratorium wordt toegelicht. Dit houdt in dat ook bij nieuwe woningen nabij bestaande geitenhouderijen een zorgvuldige afweging nodig is, waarbij gezondheidseffecten en het leefklimaat worden meegewogen.
Gemeenten kunnen besluiten mee te werken aan woningbouw, mits binnen bestaande bebouwing, om de effectiviteit van toekomstige gezondheidsmaatregelen niet te ondermijnen.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
41
Het plangebied aan de Schoolstraat 62 in Molenschot ligt buiten een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij. Conclusie Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor het aspect duurzaamheid & gezondheid. 4.6
Verkeersgeneratie,- afwikkeling en parkeren
Binnen het plangebied dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. CROW, het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte, schrijft in ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ kencijfers ten aanzien van parkeren en verkeersgeneratie voor uiteenlopende activiteiten voor. 4.6.1
Verkeer
Het plangebied is gelegen aan de Schoolstraat in Molenschot, wat een doorlopende weg betreft tussen het buitengebied en de kern van Molenschot. Aangezien de verkeersbewegingen van en naar het plangebied in de beoogde situatie, door de beëindiging van het glastuinbouwbedrijf ter plaatse, af zullen nemen zal er enkel een verbetering ten aanzien van het aspect verkeer ontstaan. Voor een glastuinbouwbedrijf moeten immers meststoffen, potgrond, geoogste producten, etc. aan- en afgevoerd worden. Daarnaast zijn er ook dagelijks verkeersbewegingen van personeel. In de beoogde situatie wordt het plangebied uitsluitend nog gebruikt voor woondoeleinden en een kleinschalig agrarisch bedrijf. Hiermee zijn de verkeerbewegingen van en naar het plangebied in de beoogde situatie minder dan in de bestaande situatie het geval is. 4.6.2
Parkeren
Naast het aspect verkeer dient tevens voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn binnen het plangebied. Voor wat betreft de parkeernormen wordt aangesloten bij de Nota Parkeernormen 2017 van de gemeente Gilze en Rijen. Hierin zijn voor uiteenlopende functies parkeernormen opgenomen. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied, met een oppervlakte groter dan 90 m 2, geldt een norm van 2,0 parkeerplaatsen per woning. Op het plangebied is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in minimaal vier privé parkeerplaatsen voor de twee-onder-een-kapwoning. Voor het kleinschalig agrarisch bedrijf wordt aangesloten bij de parkeernormen voor ‘Bedrijf arbeidsextensief, bezoekersextensief (loods, opslag transport bedrijf)’, waarvoor een parkeernom van 1,1 per 100 m2 bvo geldt. Voor het kleinschalig agrarisch bedrijf wordt een loods behouden van circa 450 m2. Op deze locatie dienen dus 5 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Op locatie is ruim voldoende ruimte voor het realiseren van deze parkeerplaatsen. Er kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen zullen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
42
4.7
Activiteiten- en milieuzonering
Het omgevingsplan van een gemeente bevat de regels voor de fysieke leefomgeving op gemeentelijk niveau. In het omgevingsplan worden regels gesteld voor activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Voor het gehele grondgebied van de gemeente bevat het omgevingsplan in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze regels kunnen dus onder andere worden gesteld voor activiteiten. De handreiking ‘Activiteiten en Milieuzonering’ is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een passende locatie ten opzichte van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de milieuwaarden en bijbehorende contouren in beeld te brengen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie.
De handreiking geeft informatie over de ruimtelijke milieuaspecten geur en geluid. De handreiking geeft voor beide aspecten de milieuwaarden voor verschillende activiteiten. Aan deze milieuwaarden kunnen contouren worden gekoppeld. Deze contouren zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype). Waar slechts (incidenteel) activiteiten (anders dan wonen) plaatsvinden. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). Het plangebied ligt conform de definitie in de VNG-publicatie in het omgevingstype ‘gemengd gebied’. In de directe omgeving vindt matige tot sterke functiemenging plaats. In de omgeving komen woningen, kleinschalige agrarische bedrijven en bedrijfsfuncties voor.
Milieuzonering en afstand tot omliggende bedrijvigheid De dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijvigheid is een hoveniersbedrijf, wat behoort tot milieuwaarde 2 voor het aspect geluid en milieuwaarde 1 voor het aspect geur. Conform de handreiking geldt voor een bedrijf in deze milieuwaarden een milieucontour van 50 meter. Zoals hiervoor omschreven is de locatie gelegen in een gemengd gebied, waardoor de richtafstand met één stap verkleind mag worden. Hierdoor wordt geconcludeerd dat er voor het hoveniersbedrijf een richtafstand van 30 meter geldt. Het hoveniersbedrijf, gemeten vanaf de functiegrens, is op circa 30 meter afstand tot de beoogde woningen gelegen.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
43
Het plangebied ligt dus net niet buiten de milieucontour van de bedrijvigheid. Echter zijn er bestaande woningen dichterbij het hoveniersbedrijf gelegen dan de beoogde twee-onder-eenkapwoning. De woning aan de Schoolstraat 53 te Molenschot is namelijk tegen het hoveniersbedrijf aan gelegen. Bovendien is het bedrijfsgebouw, wat het dichtstbij de beoogde twee-onder-eenkapwoning is gesitueerd, ingericht ten behoeve van opslag en kantoor- en kantineruimte. Dit is tevens zo onderbouwd in de toelichting van het bestemmingsplan ‘Schoolstraat 49 – 51’. Uit deze toelichting wordt geconcludeerd dat binnen een afstand van 30 meter vanaf het plangebied géén activiteiten plaatsvinden waarbij een geluidsuitstraling plaatsvindt. Milieuzonering en afstand van het agrarisch bedrijf Zoals eerder omschreven wordt het huidige glastuinbouwbedrijf op de locatie beëindigd. De locatie behoudt echter een agrarische functie, waarbij de toekomstige invulling onder andere kan bestaan uit een akkerbouwbedrijf. Een akkerbouwbedrijf valt voor het aspect geluid onder milieucategorie 1 en voor het aspect geur onder milieuwaarde FM. Volgens de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' geldt voor deze combinatie van milieuwaarden een richtafstand van 30 meter.
Aangezien de locatie is gelegen in een gemengd gebied, mag deze richtafstand met één stap worden verkleind, wat resulteert in een aangepaste richtafstand van 10 meter. Het is theoretisch denkbaar dat op deze locatie ook paarden zouden kunnen worden gehouden. Het houden van paarden is echter niet zonder meer toegestaan. Voor het bedrijfsmatig houden van paarden is een omgevingsvergunning milieu vereist. Bij een eventuele aanvraag voor een dergelijke vergunning zal worden getoetst of het bedrijfsmatig houden van paarden op deze locatie ruimtelijk en milieutechnisch aanvaardbaar is. Daarbij wordt onder andere gekeken naar de afstand tot omliggende gevoelige functies en de aard en omvang van de activiteit. In de directe omgeving van de locatie bevinden zich meerdere woningen, waaronder aan de Schoolstraat 60, Schoolstraat 47 en Schoolstraat 53. Daarnaast wordt direct naast het perceel een twee-onder-een-kapwoning gerealiseerd. Al deze woningen liggen op meer dan 10 meter afstand van het beoogde agrarische bedrijf. Daarmee wordt voldaan aan de geldende richtafstanden zoals opgenomen in de handreiking, en vormt het agrarisch gebruik ter plaatse geen belemmering voor het omgevingsplan. Er kan worden geconcludeerd dat er op grond van de activiteiten- en milieuzonering een evenwichtige toedeling van de functie op de locatie is.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
44
4.8
Spuitzones
In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft het plangebied derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste (overdrachts)maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen, zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Het plangebied ligt direct aansluitend aan landbouwgronden. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor open gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van het plangebied komen geen boomgaarden voor.
Bovendien zijn de direct aangrenzende landbouwgronden in eigendom van initiatiefnemer. Derhalve kan initiatiefnemer zelf het beste moment bepalen om zijn percelen te bespuiten, bijvoorbeeld als er niemand thuis is. Daarnaast wordt in Nederland doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen om mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 50-95% gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk. Deze spuitdoppen worden getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling, versie 19 feb 2016). Deze maximale windsnelheid is vastgesteld op 5 m/s. Hiervan uitgaande zal in de beoogde situatie niet gespoten worden bij een windsnelheid van 5 m/s op spuithoogte. Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor de ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. De werking van bovengenoemde maatregelen wordt bevestigd uit jurisprudentie (uitspraak Raad van State: ECLI:NL:RVS:2023:269) waarvoor een onderzoek is uitgevoerd door het RIVM.
Uit het onderzoek komt als conclusie dat er geen gezondheidsproblemen naar voren zijn gekomen die samenhangen met het wonen in de nabijheid van bollenteelt waarbij neerwaartse bespuiting wordt toegepast. Dit is tevens bevestigd door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen. Dit heeft er mede mee te maken dat telers zich houden aan bovengenoemde afspraken. Wetende dat er op meer dan 50 meter van de beoogde woningen pas landbouwgrond van derden is gelegen, dat deze grond verticaal bespoten wordt en niet met windsnelheden van hoger dan 5 m/s bespoten mag worden en dat driftarme doppen een reductie percentage van 95% kunnen behalen valt uit te sluiten dat het plangebied in relatie tot omliggende gronden een negatief effect van spuitdrift ondervindt. Het plangebied heeft dus in relatie tot omliggende gronden geen negatief effect van spuitzones.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
45
5
Bescherming van de waterbelangen
Bij een planologische ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Voor de beoogde ontwikkeling is het daarom van belang om te toetsen aan een evenwichtige toedeling van functies met betrekking tot het watersysteem. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: -
Beschrijving waterrelevant beleid; Bestaande waterhuishoudkundige situatie; Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
Waterrelevant beleid
5.1
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit het (tijdelijke) omgevingsplan van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen.
In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodige aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. 5.1.1
Provinciaal beleid
Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: -
Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; Een betere waterveiligheid door preventie; Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.
In de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn ook instructieregels opgenomen voor waterschappen. Op de kaart behorende bij deze instructieregels ligt het plangebied niet in een ‘Grondwaterbeschermingsgebied’.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
46
De wijze waarop de provincie omgaat met water is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Het RWP is op 22 december 2021 inwerking getreden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050 en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig wateren bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het water- en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het moet worden gewijzigd; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem. Doel van RWP: -
Voldoende water Schoon water Veilig water Vitale bodem Klimaatadaptatie
Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in haar RWP stelt. De RWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. 5.1.2
Beleid waterschap Brabantse Delta
Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor waterbeheer op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken, beheer van vaarwegen en nautisch beheer. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer. Dat waterbeheer draagt bij aan een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. In 2050 is Nederland aangepast om de negatieve gevolgen van klimaatverandering op te vangen. De ambitie van het waterschap is samen met de omgeving te werken aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap voor de regio Midden- en West-Brabant. Het realiseren van deze ambitie wordt bereikt aan de hand van zes beleidskeuzes; 1. Water als drager voor een vitale regio 2. Evenwicht in het water- en bodemsysteem 3. We werken samen 4. We werken duurzaam 5. We werken veerkrachtig en vernieuwend 6. We prioriteren op basis van verplichtingen en mogelijkheden
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
47
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Door middel van de Waterschapsverordening waterschap Brabantse Delta 2024, die in werking is getreden op 24 december 2024, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het realiseren van een retentievoorziening. De waterschapsverordening van Waterschap Brabantse Delta schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m 2 verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. De regels en de legger van het waterschap zijn te vinden in het DSO in de waterschapsverordening.
Waterneutraal bouwen Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de regels Waterschapsverordening voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij de ontwikkeling van de planlocatie en de herbouw van bebouwing wordt rekening gehouden met en gebruik gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen, waarbij uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC, achterwege worden gelaten. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. 5.1.3