2. Motivering TAM-omgevingsplan Schoolstraat 62 Molenschot (15-04-2026) (1139525)
Tekst van het document
Gemeentelijk beleid
Het waterbeleid van de gemeente Gilze en Rijen is vastgelegd in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 (vGRP). Een van de uitgangspunten is dat alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten in principe waterneutraal dienen te zijn. De uitbreiding van het verhard oppervlakte mag niet leiden tot verhoging of verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewater, ook niet bij extremere omstandigheden. Hiertoe dient een compensatie voor het plangebied te worden gerealiseerd, welke bij verschillende omstandigheden moet worden getoetst. Voor compenserende maatregelen ten aanzien van afvoer naar het oppervlaktewater, wordt de afstroming vergeleken met de landbouwkundige afvoer. Het verschil tussen de afstroming en de landbouwkundige afvoer wordt gecompenseerd in een voorziening met voldoende retentie. De voorkeur voor hemelwater gaat uit naar, indien mogelijk, bergen en/of infiltreren om verdroging te voorkomen. Binnen de gemeente zijn de volgende maatregelen opgenomen met als doel het inzamelen van hemelwater, verwerken van hemelwater en het voorkomen van een belemmering van de functie door grondwater:
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
48
-
-
-
5.2
Systeemkeuze in de watertoets: alle nieuwbouw- en herstructureringsprojecten worden in principe waterneutraal uitgevoerd. In eerste instantie wordt geprobeerd te voorkomen dat er negatieve effecten op grond- en oppervlaktewater zijn; Bij herbebouwing zonder toename van het verhard oppervlak geldt een retentie-eis van 7 mm. Bij nieuwbouw of toenemend verhard oppervlak geldt een retentie-eis van 60 mm. Ter bescherming van bodem en grondwater dient infiltratie van water vanaf wegen een zuiverende stap te ondergaan (bv. zandfilter of lavakoffer). Bij lozing op oppervlaktewater gelden de lozingseisen van Waterschap Brabantse Delta; Controle gescheiden aanlevering van hemel- en afvalwater en het vloerpeil bij het verlenen van bouwvergunningen.
Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de directe nabijheid van het plangebied zijn een aantal B-watergangen aanwezig. Ten noorden, zuiden en ten westen van het plangebied is een B-watergang gelegen, zie onderstaande uitsnede van de leggerkaart.
Afbeelding 15: Uitsnede leggerkaart waterschap Brabantse Delta
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
49
In de huidige waterhuishoudkundige situatie wordt het huishoudelijk afvalwater van het bedrijf afgevoerd via het gemeentelijke rioolstelsel. Al het overige water betreft schoon hemelwater, dat afkomstig is van regenval op de daken en de verhardingen van het erf. Gemiddeld valt er jaarlijks circa 0,8 m³ hemelwater per vierkante meter verhard oppervlak. Dit water wordt via een natuurlijk afschot van daken en verhardingen afgevoerd naar de omliggende perceelsloten. Binnen het bedrijf wordt actief aandacht besteed aan het schoonhouden van de daken en erfverhardingen, zodat verontreiniging van het afstromende hemelwater wordt voorkomen. Er vinden op het terrein geen activiteiten plaats die kunnen leiden tot verontreiniging van het hemelwater met schadelijke stoffen. Daarom kan het schone hemelwater zonder milieuhygiënische bezwaren worden afgevoerd naar de omliggende sloten. 5.3
Beoogde waterhuishoudkundige situatie
De beoogde situatie zal een positief effect hebben op de waterhuishouding. Overtollige bedrijfsbebouwing en erfverhardingen zullen verdwijnen. Hierdoor is er sprake van een afname in oppervlakteverhardingen. Dit brengt een afname in puntlozing met zich mee. Neerslag kan op deze gronden dus direct infiltreren in de bodem. Het hemelwater afkomstig van het nieuwe verharde oppervlak wordt niet afgevoerd naar de riolering, maar zal infiltreren op de omliggende gronden in het gebied. Hiermee wordt aangesloten bij het principe van duurzaam waterbeheer, waarbij schoon hemelwater wordt teruggeleid naar het oppervlaktewatersysteem. Deze wijze van infiltratie voorkomt onnodige belasting van het vuilwaterriool en draagt bij aan een robuust watersysteem in het gebied. Zoals aangegeven is waterschap Brabantse Delta de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied. Door middel van de waterschapsverordening van Waterschap Brabantse Delta, die in werking is getreden op 24 december 2024, kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap Brabantse Delta schrijft voor dat voor een toename van minder dan 500 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn.
Op locatie zal in de beoogde situatie sprake zijn van een afname aan verhard oppervlak, gezien de sanering van het glastuinbouwbedrijf. Wel wordt er op locatie één nieuwe twee-onder-eenkapwoning gerealiseerd. Op dit perceel vindt dus nieuwbouw plaats. Voor de realisatie van de beoogde twee-onder-een-kapwoning zal nooit meer dan 500 m2 aan verhard oppervlak worden toegevoegd. Op grond van het gemeentelijk beleid van de gemeente Gilze en Rijen geldt er bij het oprichten van nieuwbouw een norm van 60 mm. Conform het gemeentelijke beleid dient er derhalve een wateropvang te worden gerealiseerd ingeval van nieuwbouw, waar in dit geval sprake van is. De beoogde twee-onder-een-kapwoning zal een grootte van circa 190 m2 krijgen. Bij beide woningen kan een bijgebouw van 100 m2 worden gerealiseerd. Derhalve dient er een retentievoorziening van circa 23,5 m3 te worden gerealiseerd (390 m2 * 60 mm). Binnen het plangebied is er voldoende ruimte om een dergelijke retentievoorziening te realiseren van 23,5 m3. De retentievoorziening zal worden gerealiseerd rekening houdend met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De gemiddelde hoogste grondwaterstand binnen het plangebied is in onderstaande afbeelding in beeld gebracht. De gemiddelde hoogste grondwaterstand ligt tussen de 80 en 100 cm, zie onderstaande afbeelding.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
50
Afbeelding 16: Uitsnede kaart gemiddelde hoogste grondwaterstand Ten slotte wordt bij de nieuwbouw van de twee-onder-een-kapwoning gekozen voor milieuvriendelijke bouwmaterialen. Materialen die kunnen uitlogen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC, worden bewust vermeden. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water- en bodemsysteem, wat een negatieve invloed heeft op de water- en bodemkwaliteit en daarmee op de ecologie. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
51
6
Waarborgen van de veiligheid
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging gemaakt worden of de beoogde ontwikkeling passend dan wel gewenst is binnen de locatie. Als de ontwikkeling afwijkt van het beleid maar toch wenselijk is, kan het bevoegd gezag het omgevingsplan wijzigen. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit op een locatie. In bijlage VII zijn de milieubelastende activiteiten die relevant zijn voor het aspect veiligheid omschreven. 6.1
Beleid
Binnen het aspect omgevingsveiligheid zijn verschillende begrippen relevant. Onderstaand worden de belangrijkste begrippen toegelicht. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze persoon bevindt zich onafgebroken (24 uur per dag) en onbeschermd op één bepaalde plaats. Het plaatsgebonden risicocontour geldt niet voor werknemers of bezoekers van de milieubelastende activiteit. De grens- en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze waarden worden ruimtelijk vertaald in afstanden die tot gebouwen en locaties in acht genomen moeten worden of waarmee rekening gehouden moet worden. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties zijn (artikel 5.7 in het Bkl) grenswaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). Deze grenswaarden (harde norm) moeten in acht genomen worden. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Kwetsbare gebouwen en locaties kunnen hier tijdelijk afwijken gedurende een periode van ten hoogste drie jaar (artikel 5.10 van het Bkl.) Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde.
In basis moet aan de norm van PR-10-6-contour voldaan worden, tenzij er (goede) redenen zijn om af te wijken. De redenen en de afweging van de risico’s moeten nader gemotiveerd worden. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting door een ongeluk met gevaarlijke stoffen. Door te kijken naar het gebied waar dan een groep van ≥10 personen tegelijk kan overlijden als er iets fout gaat. Het groepsrisico is geen harde norm, het bevoegd gezag moet er rekening mee houden bij het toestaan van bepaalde activiteiten met gevaarlijke stoffen. In het omgevingsplan en bij de vergunningverlening.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
52
Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolken. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig bepaald conform bijlage VII van het Bkl. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Voorschriftengebied De gemeente kan binnen aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen een (brand- of explosie)aandachtsgebied als (brand- of explosie)voorschriftengebied aan in het omgevingsplan (art. 5.14 Bkl). In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.
Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De aanvullende bouweisen gelden niet voor bestaande gebouwen die binnen een voorschriftengebied liggen. Locaties voor nieuwe zeer kwetsbare gebouwen in een brand- of explosieaandachtsgebied moeten altijd worden aangewezen als voorschriftengebied. Register Externe Veiligheidsrisico’s In het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV) zijn de risico’s met gevaarlijke stoffen vastgelegd. De afstanden met betrekking tot het plaatsgebonden risico, brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied vuurwerk, civiele of militaire explosieaandachtsgebied wordt visueel weergegeven via geografische kaarten zoals de kaart van Atlas Leefomgeving. Op deze kaart zijn onder andere de PR-10-6-contour en aandachtsgebieden visueel weergegeven. Transportroutes De afstand van PR-10-6 en aandachtsgebieden voor transportroutes als bedoeld in artikel 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, over het basisnet zijn opgenomen in Bijlage VII, onder C, van BKL. Bijlage VII, onder C verwijst naar bij ministeriële regeling aangewezen afstanden voor het plaatsgebonden risico.
Conform artikel 2.23 (aandachtsgebieden) van de Omgevingsregeling betreffen dit de afstanden zoals opgenomen in Bijlage 1 van de Regeling basisnet voor wegen en Bijlage 2 van de Regeling Basisnet voor spoorwegen. In Bijlage VII, onder C zijn voor brandaandachtsgebieden een afstand van 30 meter en voor een explosie aandachtgebied 200 meter opgenomen. Buisleidingen De afstand van PR-10-6 en aandachtsgebieden voor buisleidingen (als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a tot en met d, van het Besluit activiteiten leefomgeving) zijn berekend (zie Bijlage VII, onder D, onder 2 van BKL. Deze afstand is geregistreerd in het REV en weergegeven op de geografische kaarten.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
53
6.2
Toetsing aan beleid
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de standaardwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van het plangebied. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de kaart Atlas Leefomgeving, zie Afbeelding 16.
Afbeelding 17: Uitsnede kaart externe veiligheid, atlas leefomgeving, plangebied aangeduid met blauwe druppel Uit de kaart Atlas Leefomgeving blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen, buisleidingen, transportroutes en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij het plangebied. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op het plangebied. Aangezien het plangebied niet binnen de plaatsgebonden risico contour of binnen een aandachtsgebied ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Het aspect omgevingsveiligheid leidt niet tot een belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op basis van de verantwoording in deze paragraaf wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor dit omgevingsplan.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
54
7
Bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is het zoveel mogelijk behouden van archeologische resten in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming van cultureel erfgoed een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen in het omgevingsplan. 7.1
Archeologie
De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe omgevingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aantoonbaar, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan een omgevingsvergunning voor activiteiten waar grondwerkzaamheden worden uitgevoerd. In het omgevingsplan ligt het plangebied binnen de functie ‘Waarde - Archeologie 3a’. In het omgevingsplan is opgenomen dat een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden wanneer er grondwerkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 500 m2 plaatsvinden of grondwerkzaamheden dieper dan 0,40 meter plaatsvinden binnen de aanduiding ‘Waarde – Archeologie 3a’. Op locatie wordt een glastuinbouwbedrijf gesaneerd. De gronden ter plaatse zijn reeds verstoord ten tijden van de bouw van de glasopstanden en de bedrijfsbebouwing. De beoogde twee-onder-een-kapwoning wordt gerealiseerd ter plaatse van bestaande glasopstanden, waar de grond reeds verstoord is. Bovendien zal de omvang van de te realiseren twee-onder-een-kapwoning niet groter zijn dan 500 m2. Echter, gezien de graafwerkzaamheden voor de sloop van de glasopstanden, dient er alsog een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.
Op 29 september 2025 is door ArcheoPro een archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 9. Uit het uitgevoerde archeologisch onderzoek blijkt dat binnen het plangebied geen archeologische waarden zijn aangetroffen. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt het gebied vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkeling. Verdere archeologische maatregelen of onderzoeken zijn niet noodzakelijk. In alle gevallen blijft onverminderd van kracht dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, hiervan direct melding dient te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 & 5.11. Aangezien het gebied is vrijgegeven voor de beoogde ontwikkeling, is de dubbelfunctie ‘archeologie’ ter plaatse van de beoogde woonfunctie verwijderd.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
55
7.2
Cultuurhistorie
Uit de cultuurhistoriekaart van de Omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet in een gebied met landschappelijke of cultuurhistorische waarden ligt, zie Afbeelding 17. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of landschappelijk waardevol gebied.
Afbeelding 18: Uitsnede TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant ziet het ruimtelijke erfgoed als een belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Het Brabantse erfgoed is daarom opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Prominent onderdeel van deze kaart is het provinciaal cultuurhistorisch belang, met name erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. De CHW-kaart bevat tevens de meest recente erfgoedinformatie van het Rijk inclusief archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de CHW weergeven.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
56
Molenschot is een historisch brinkdorp in de gemeente Gilze en Rijen, dat is ontstaan op een dekzandrug in een oorspronkelijk nat heide- en broeklandschap. De oudste sporen van bewoning in deze omgeving dateren uit de middeleeuwen, met de eerste schriftelijke vermelding van Molenschot in 1425. De naam verwijst waarschijnlijk naar een combinatie van een molen (‘molen’) en een stuk afgezonderd land (‘schot’). Centraal in het dorp ligt de Sint-Annakapel, die rond 1500 is gesticht en een belangrijke rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van het dorp als religieus en regionaal centrum. Molenschot is een klassiek voorbeeld van een dorp waarin de kerk vanaf de Middeleeuwen een dominante rol speelde in alle aspecten van het sociale-economische- en agrarische leven. Uiteindelijk werd Molenschot op 4 maart 1879 een zelfstandige parochie. De huidige Schoolstraat was in de 19e eeuw bekend als de Laagstraat of Lage Straat, zoals te zien op de kadastrale minuutkaart van circa 1830. Deze benaming verwijst naar de relatief lage ligging ten opzichte van de hoger gelegen delen van Molenschot. De straat vormt al sinds de vroege ontstaansfase een belangrijke verbinding tussen het buitengebied en de dorpskern, met een lintbebouwing die zich geleidelijk langs deze route ontwikkelde.
Afbeelding 19: Kadastrale minuutkaart circa 1930 De Schoolstraat kent nog altijd een herkenbare historische structuur. Het betreft een klassiek voorbeeld van een agrarisch lint, met bebouwing die grotendeels is georiënteerd op de weg en wordt afgewisseld met open ruimten. Langs dit lint bevinden zich diverse panden met cultuurhistorische en architectonische waarde, zoals woningen met mansardekappen, bakstenen sierdetails en traditionele erfindelingen. Deze panden zijn deels terug te vinden op de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Gilze en Rijen en dragen bij aan de ruimtelijke beleving en historische samenhang van het straatbeeld. Perceel Schoolstraat 62 maakt deel uit van deze historische lintstructuur, maar is tot op heden onbebouwd gebleven. Op historische kaarten, waaronder de kadastrale minuutkaart en latere topografische kaarten (o.a. 1880, 1920, 1950), is te zien dat het perceel lange tijd een agrarische functie had als weiland of akker. De onbebouwde status van dit perceel heeft tot op heden bijgedragen aan het open karakter van de Schoolstraat en de herkenbaarheid van de oorspronkelijke landelijke structuur. Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
57
Perceel Schoolstraat 62 vormt onderdeel van deze historische lintbebouwing. Op deze locatie is momenteel een glastuinbouwbedrijf aanwezig. Deze bebouwing wijkt qua schaal, materiaalgebruik en uitstraling af van de traditionele bebouwingskarakteristiek van het lint. In de loop van de 20e eeuw zijn meerdere erven langs de Schoolstraat aangepast of uitgebreid met moderne agrarische bedrijfsbebouwing, waarmee de samenhang in het lint gedeeltelijk is aangetast. Op onderstaande afbeeldingen zijn enkele kaarten weergegeven van de planlocatie tussen 1900 en 1995. Hierop is de ontstaansgeschiedenis van de planlocatie weergegeven.
Afbeelding 20: Uitsnede Topotijdreis 1900
Afbeelding 21: Uitsnede Topotijdreis 1950
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
58
Afbeelding 22: Uitsnede Topotijdreis 1995 De voorgenomen herontwikkeling betreft de beëindiging van het glastuinbouwbedrijf en de transformatie naar een agrarisch bedrijf (bijvoorbeeld akkerbouw), met toevoeging van twee woonfuncties in de vorm van een twee-onder-een-kapwoning. Deze ontwikkeling biedt een kans om de locatie beter te laten aansluiten bij het cultuurhistorische karakter van de Schoolstraat. Door aan te sluiten op de kenmerkende verkaveling, rooilijnen, bouwhoogte en architectonische detaillering van de omgeving, kan het ensemble opnieuw worden ingepast in het historische lint. Tegelijkertijd kan de ruimtelijke structuur worden versterkt door het creëren van doorzichten, het behoud van groene erfafscheidingen en een terughoudende positionering van bebouwing richting de weg. Samenvattend kan worden gesteld dat de Schoolstraat een belangrijke cultuurhistorische drager is binnen de kern van Molenschot. De voorgestelde ontwikkeling op perceel 62 biedt kansen om het karakter van het lint te behouden en mogelijk zelfs te versterken. Regio de Baronie Het plangebeid is gelegen in de regio De Baronie. De Baronie is onderdeel van het dekzandplateau dat doorsneden wordt door beken. Het zandlandschap bestaat uit een grofmazige mozaïek van oude en jonge zandontginningen en bossen.
Kenmerkend voor de oude zandontginningen zijn dorpen en buurtschappen zonder open akkercomplexen en bijhorende groenstructuren. Op enkele plaatsen komen open akkercomplexen voor. De bebouwing en de akkers liggen vaak op de rand van de beekdalen, de graslanden (beemden) in het beekdal en de (voormalige) heidevelden op de hogere zandgronden. De jongere ontginningen hebben vaak een open karakter met een rationeel patroon van wegen, waterlopen en percelen. De openheid wordt onderbroken door erfbeplanting en wegbeplanting. De omgeving van de locatie wordt gekenmerkt door het open akkercomplex. Hier zal in het landschappelijk inpassingsplan bij aangesloten worden door de aanleg van beplanting op de perceelgrenzen. Hierdoor wordt openheid van het landschap geaccentueerd. De beoogde ontwikkeling sluit daarmee aan bij de ontwikkelingsstrategie van de regio De Baronie.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
59
Afbeelding 23: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant, plangebied zwart omcirkeld De beoogde ontwikkeling zal niet leiden tot belemmering(en) van deze gebieden, zoals blijkt uit vorenstaande.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
60
7.3
Landschappelijke en stedenbouwkundige waarden
De locatie aan de Schoolstraat 62 in Molenschot is (gedeeltelijk) gelegen in het buitengebied, waar het landschap wordt gekenmerkt door een kleinschalige verkavelingsstructuur, open agrarische percelen en verspreide bebouwing langs de weg. De bestaande ruimtelijke opzet draagt bij aan het karakteristieke beeld van het Brabantse cultuurlandschap, waarin oude erven en historische bebouwing een belangrijke rol spelen in de landschappelijke beleving. Met de voorgenomen herontwikkeling wordt zorgvuldig aangesloten bij de bestaande ruimtelijke structuur en beeldkwaliteit. De transformatie van het voormalige glastuinbouwbedrijf naar een kleinschalige agrarische functie past binnen de omgeving, waar geringe functiemenging plaatsvindt. Daarnaast wordt er op locatie een twee-onder-een-kapwoning gerealiseerd. De realisatie van deze woningen past binnen het bestaande bebouwingslint en leidt niet tot een aantasting van de openheid of doorzichten in het landschap, gezien het kassencomplex ter plaatse zal worden gesaneerd. Hierdoor wordt meer openheid gerealiseerd. De positionering, massa en architectonische uitstraling van de bebouwing blijven in lijn met de karakteristieken van het bestaande erf en het omringende landschap.
Door middel van een passende landschappelijke inpassing – in de vorm van streekeigen beplanting en erfafscheidingen – wordt de agrarische functie en de woonfunctie visueel geïntegreerd in de omgeving. Hiermee wordt zowel de landschappelijke kwaliteit als de stedenbouwkundige samenhang van de locatie geborgd, conform de uitgangspunten van zorgvuldig ruimtegebruik en kwaliteitsverbetering in het landelijk gebied.
Afbeelding 24: Inpassingsplan opgesteld door Brabants Landschap
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
61
8
Natuurbescherming
De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
8.1
Gebiedsbescherming
De Omgevingswet stelt regels vast ter bescherming van Natura 2000-gebieden, met als doel het behoud van biodiversiteit. Voor bepaalde activiteiten die effect kunnen hebben op deze gebieden, is een vergunning vereist op grond van artikel 5.1 van de wet. De bescherming richt zich specifiek op Natura 2000-gebieden en, indien van toepassing, bijzondere provinciale natuurgebieden buiten het Natuur Netwerk Nederland (NNN). De bescherming van het NNN is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), waarin is opgenomen dat provincies via hun Omgevingsverordening regels moeten stellen voor het aanwijzen, begrenzen en beschermen van natuurgebieden. Dit gebeurt met oog voor behoud, versterking en ontwikkeling van de ecologische waarden van het netwerk. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen, waaronder nabijgelegen gebieden zoals Ulvenhouts Bos (circa 4,5 km van het plangebied) Regte Heide en Riels laag (circa 11 km van het plangebied). Elk Natura 2000-gebied heeft specifieke instandhoudingsdoelen, bijvoorbeeld voor soorten of vegetatietypen. Wanneer handelingen nadelig kunnen uitpakken voor deze doelen, geldt een verplichting tot het vermijden of beperken van die activiteiten. Indien nodig, kan het bevoegd gezag ingrijpen en een vergunningplicht opleggen.
Bestaand gebruik en regulier beheer zijn doorgaans vastgelegd in Natura 2000-beheerplannen, waarvoor dan geen afzonderlijke vergunning nodig is. Voor de beoogde ontwikkeling zijn stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd met AERIUS, waarmee het effect op stikstofgevoelige habitats in beeld is gebracht. Uit deze berekeningen blijkt dat zowel in de aanleg- als gebruiksfase geen toename van stikstofdepositie optreedt op Natura 2000-gebieden (0,00 mol N/ha/jaar). De relevante gegevens en onderbouwingen zijn opgenomen in de bijlagen 10, 11 en 12. Andere verstorende effecten, zoals geluid, licht of verdroging, zijn gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden uitgesloten. Concluderend zijn negatieve effecten uitgesloten en is geen vergunning vereist op basis van gebiedsbescherming.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
62
8.2
Soortenbescherming
De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in het Bal. In afdeling 11.2 van het Bal zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IX onder A en B bij het Bal. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. Het Bal regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.
In het Bal is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Schoolstraat 62 in Molenschot, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de te slopen bebouwing beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Om deze reden is op 10 oktober 2025, door Brabant Eco, een QuickScan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 13.
Uit dit onderzoek is het volgende naar voren gekomen: Vleermuizen: Met de voorgenomen ontwikkeling gaan geen verblijfplaatsen van gebouw- en boombewonende vleermuizen verloren. Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van deze soorten is niet noodzakelijk mits er geen werkzaamheden aan de woning worden verricht en zware werkzaamheden buiten de kwetsbare periode van vleermuizen uitgevoerd worden. Grondgebonden zoogdieren: Het is mogelijk dat er individuen van vrijgestelde soorten grondgebonden zoogdieren en marterachtigen binnen het plangebied kunnen voorkomen. De zorgplicht is altijd van kracht. Er is geen nader onderzoek naar marterachtigen nodig mits de dichte begroeiing aan de noordelijke erfgrens behouden blijft.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
63
-
-
-
Broedvogels: De voorgenomen ontwikkelingen zullen niet leiden tot verlies van jaarrond beschermde nesten. Nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk mits de woning onaangetast blijft en zware werkzaamheden buiten de kwetsbare periode van uilen uitgevoerd worden, anders is naderonderzoek naar uilen noodzakelijk. Er kunnen nesten aanwezig van vogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. Een negatief effect op deze soorten kan worden voorkomen door buiten het broedseizoen te werken. Amfibieën: Het is mogelijk dat er enkele individuen van algemene amfibiesoorten, zoals bruine kikker en gewone pad, in landfase voorkomen binnen het plangebied. Deze soorten zijn vrijgesteld in de provincie Noord-Brabant, maar hiervoor geldt wel de zorgplicht. Overige soortgroepen: Voor de volgende soortgroepen geldt dat met de voorgenomen ingreep geen negatieve effecten worden verwacht: flora, reptielen, vissen en ongewervelden.
Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is derhalve niet noodzakelijk. 8.3
Bescherming van houtopstanden
De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in artikel 11.3 van het Bal vloeit voort uit de Wet natuurbescherming en de Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van het Bal geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
64
9
Behouden van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen
Technische infrastructuur betreft een relevant planologisch aspect waarbij rekening moet worden gehouden bij het wijzigen van een omgevingsplan. Onder andere ondergrondse leidingen, hoogspanningsleidingen en radarverstoringsgebieden hebben betrekking op technische infrastructuur. 9.1
Ondergrondse leidingen
Op basis van de kaart van de Atlas Leefomgeving en het omgevingsplan moet worden nagegaan of er aanduidingen zijn opgenomen voor riool- of watertransportleidingen. Deze leidingen vallen onder de technische infrastructuur en zijn niet gerelateerd aan aspecten van omgevingsveiligheid. In en rondom het plangebied is één waterleiding aanwezig aan de voorzijde van het perceel, zie onderstaande afbeelding. Daarom zijn er in het omgevingsplan bouwbeperkingen opgenomen die hierop betrekking hebben. Voorafgaand aan eventuele werkzaamheden zal er een KLIC-melding worden gedaan om alle aanwezige kabels en leidingen binnen en rond het plangebied inzichtelijk te maken. Aangezien er ter plaatse van de waterleiding geen nieuwe gebouwen worden opgericht, zijn beperkingen in dit verband niet van toepassing.
Afbeelding 25: Uitsnede omgevingsplan
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
65
9.2
Hoogspanningslijnen
Elektriciteit wordt in Nederland vanuit een energiecentrale d.m.v. (bovengrondse) hoogspanningslijnen verplaatst. Bij het transport van elektriciteit door (bovengrondse) hoogspanningslijnen ontstaan magnetische velden, welke mogelijk effect kunnen hebben op de gezondheid van mensen. In het kader van onderhavige procedure zal gemotiveerd moeten worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met de beoogde ontwikkeling.
Afbeelding 26: Uitsnede RIVM-netkaart, plangebied zwart omcirkeld Conform de RIVM-netkaart zijn geen hoogspanningslijnen in het gebied aanwezig (Afbeelding 26). De beoogde ontwikkeling zal niet zorgen voor een nieuw gevoelig object binnen een magneetveld, derhalve zullen de hoogspanningslijnen geen negatief effect hebben op het woon- en leefklimaat.
9.3
Radarverstoringsgebied
In Nederland staan verschillende radarposten die dienen voor de vliegveiligheid en de nationale veiligheid. Om zeker te stellen dat de defensieradars niet in onaanvaardbare mate worden verstoord door hoge objecten, zijn in het Bkl bepalingen opgenomen om de defensieradars te beschermen. In artikel 5.155 en 5.161a van het Bkl zijn regels opgenomen met betrekking tot een maximale bouwhoogte van bouwwerken binnen 15 km, dan wel 75 km van een radarverstoringsgebied. In bijlage XIV, onder e van het Bkl zijn de maximale bouwhoogtes opgenomen binnen radarverstoringsgebieden. De laagste maximale bouwhoogte zoals opgenomen in deze bijlage bedraagt 24 meter. Er wordt geen bebouwing van hoger dan 24 meter gerealiseerd. Derhalve voldoet het initiatief aan eisen zoals opgenomen in het Bkl.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
66
10
Ontplofbare oorlogsresten
10.1
Wettelijk kader
Bij ontwikkelingen waar na de Tweede Wereldoorlog nog niet in de grond is geroerd en geen nadere onderzoeken hebben plaatsgevonden, is een kans aanwezig dat nog ontplofbare oorlogsresten aanwezig zijn. In het kader van aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouw van een nieuw gebouw stemt de initiatiefnemer met de gemeente Gilze en Rijen af of en in hoeverre een detectieonderzoek voor de betreffende bouwlocatie noodzakelijk is. 10.2
Toetsing
De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen een bestaand bouwperceel, waarbij de werkzaamheden bestaan uit sloop van bestaande bebouwing en de realisatie van een twee-ondereen-kapwoning op een perceel waar bebouwing heeft gestaan. Er wordt niet gebouwd op gronden die niet eerder bebouwd of gebruikt zijn. Daarmee is er geen sprake van bodemroerende werkzaamheden op ongeroerde terreindelen waar eventueel ontplofbare oorlogsresten aanwezig zouden kunnen zijn. Gelet hierop is een onderzoek naar de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (OO) niet noodzakelijk. Mocht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden onverhoopt toch een verdacht voorwerp worden aangetroffen, dan dient conform de geldende procedure direct melding te worden gedaan bij de politie, zodat indien nodig de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EODD) kan worden ingeschakeld. 10.3
Conclusie
Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de uitvoer van de beoogde ontwikkeling.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
67
11
Trillingen
11.1
Wettelijk kader
Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan kan het noodzakelijk zijn in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening te houden met trillingsbronnen en de mogelijke overlast (hinder of verstoring) daarvan. Conform artikel 4.1, lid 1 en 4.2, lid 1 Omgevingswet moet een motivering worden opgenomen omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Hinder of zelfs schade door trillingen kan ontstaan door: -
verkeer over de weg of het spoor (bijvoorbeeld van vrachtwagens, trein of tram); machines bij industrie (bijvoorbeeld stansen, draaiende motoren, etc.).
Deze trillingen bewegen zich door de bodem. Trillingen nemen af als de afstand tot de bron groter wordt. Vanwege de toenemende aandacht voor trillingen en trillinghinder langs spoorlijnen (met name waar veelvuldig goederentreinen rijden) is er sinds mei 2019 de 'Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen' (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat). In de Handreiking wordt twee afstandscriteria aangegeven t.a.v. van de beoordeling van het aspect trillingen. Vindt een plan of project plaats binnen een afstand van 100 meter van een spoorlijn, dan wordt geadviseerd een QuickScan trillinghinder uit te voeren op basis van paragraaf 10.1 van de Handreiking. Vindt een plan of project plaats binnen 250 meter afstand van een spoorlijn, dan moet worden beoordeeld in hoeverre klachten, bodemopbouw en/of het treinbeeld aanleiding geven voor het doen van nader onderzoek. 11.2
Toetsing
Met de voorgenomen ontwikkeling worden trillingsgevoelige functies mogelijk gemaakt, namelijk woningen. Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van het spoor, waardoor trillingen als gevolg van treinverkeer op voorhand kunnen worden uitgesloten. Ook ligt het plangebied niet in de directe omgeving van drukke verkeerswegen of andere infrastructuur waar veel zwaar verkeer of lijnbussen passeren. Daarmee is er geen reële bron aanwezig die trillingshinder kan veroorzaken. De omliggende wegen hebben een beperkte verkeersintensiteit en kennen geen bijzonderheden zoals hoge drempels of hoge snelheden die tot trillingshinder zouden kunnen leiden. Gelet hierop kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen risico op hinder door trillingen met zich meebrengt en dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
68
11.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande is het voor het aspect trillingen verantwoord om de functie wonen aan het plangebied toe te kennen.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
69
12
Vliegbasis Gilze en Rijen
Op de kaart Atlas Leefomgeving worden enkel defensie-inrichtingen getoond waar buiten het hek beperkingen gelden aan het ruimtegebruik. Deze beperkingen gelden binnen bepaalde veiligheidszones. Daarbinnen mogen bijvoorbeeld geen woningen en andere kwetsbare objecten worden gebouwd en mogen ook geen wegen aangelegd worden. Om elk militair terrein zijn drie zones (A, B en C) vastgesteld. Hoe dichter bij een militair terrein, hoe strenger de regels. Het plangebied is niet gelegen binnen één van deze drie zones.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
70
13
M.E.R.-beoordeling
Een milieueffectrapportage (MER), inclusief de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een instrument om milieuaspecten volwaardig mee te nemen in de besluitvorming over plannen. Dit is uitsluitend van toepassing op plannen die mogelijk negatieve gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De regels met betrekking tot milieueffectrapportage zijn vastgelegd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Volgens artikel 16.34, lid 2, van de Omgevingswet vallen onder een plan of programma – zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG, strategische milieubeoordeling) – onder meer een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan of voorkeursbeslissing. Bij deze plannen moet worden beoordeeld of sprake is van potentiële, significante milieueffecten. Als dat het geval is, moet een milieueffectrapport worden opgesteld bij de voorbereiding van het besluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn de plannen genoemd waarvoor dit geldt conform artikel 16.43, eerste lid, onder b, van de wet. Een plan wordt als kaderstellend beschouwd voor een besluit dat mogelijk m.e.r.-plichtig is als het in kolom 1 van bijlage V van het Omgevingsbesluit is opgenomen. Wanneer de bijbehorende drempelwaarden in kolom 2 worden overschreden, is een volledige milieueffectrapportage vereist.
Worden de drempelwaarden niet overschreden, dan volstaat een m.e.r.-beoordeling. Voor het onderhavige initiatief is categorie J11 van toepassing. Deze categorie heeft betrekking op stedelijke ontwikkelingsprojecten, zoals de aanleg van winkelcentra of parkeerterreinen. Bij realisatie, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling is een m.e.r.-beoordeling vereist. In dit geval gaat het echter slechts om de omzetting van een glastuinbouwbedrijf naar een kleinschalig agrarisch bedrijf en de toevoeging van een twee-onder-een-kapwoning. Daarmee is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in categorie J11 (die doorgaans meer dan 11 woningen omvat). Concluderend is er geen verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapport of het doorlopen van de m.e.r.-procedure.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
71
14
Juridische toelichting
14.1
Wijziging omgevingsplan
14.1.1
Omgevingsplan van rechtswege
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. 14.1.2
Toepassing TAM-IMRO
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD). 14.1.3
Werkingsgebied
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Schoolstraat 62, 5124 RN te Molenschot, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0784.TAMSchoolstraat62-ON01 zoals vastgelegd op DSO (omgevingsloket). 14.1.4
Overzicht wijzigingen
Dit TAM-omgevingsplan wijzigt de volgende planregels van het omgevingsplan: aan de verbeelding wordt ter plaatse van het werkingsgebied de functie woongebied en de functie agrarisch bedrijf toegekend.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
72
14.2 -
-
-
Artikelsgewijze toelichting functies Woonfunctie: ter plaatse van de locatie Schoolstraat ong. (naast 62) te Molenschot zal een woonfunctie worden toegevoegd voor de realisatie van een twee-onder-een-kapwoning. Op adres Schoolstraat 64 gold onder het destijds vigerende bestemmingsplan én onder het thans geldende omgevingsplan al de functie wonen. Om te voorkomen dat onduidelijkheid zou kunnen bestaan over het wegbestemmen van de glastuinbouwfunctie, is de woonfunctie op het gehele perceel bij Schoolstraat 64 toegepast en is de kleine functieaanduiding glastuinbouw die oorspronkelijk ook tot het perceel van Schoolstraat 64 reikte wegbestemd. Functie agrarisch bedrijf: ter plaatse van de locatie Schoolstraat 62 te Molenschot zal de functie agrarisch bedrijf worden toegevoegd ten behoeve van de exploitatie van een kleinschalig agrarisch bedrijf. Agrarische functie: de gronden aan de achterzijde van het plangebied zullen een agrarische functie krijgen ten behoeve van agrarische doeleinden
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
73
15
Uitvoerbaarheid
15.1
Economische uitvoerbaarheid
15.1.1
Economische uitvoerbaarheid
In deze motivering is onderbouwd dat deze wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie wordt bereikt en dat de toegekende functie binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Zodoende kan aangenomen worden dat het plan economisch uitvoerbaar is. 15.1.2
Kostenverhaal
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht kosten te verhalen, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten uit artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, op andere wijze verzekerd zijn of vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit. Met de initiatiefnemer wordt een overeenkomst gesloten. Hierin is geregeld dat alle kosten die samenhangen met het deze wijziging voor rekening komen van initiatiefnemer. Deze wijziging van het omgevingsplan heeft voor de gemeente geen financiële gevolgen. 15.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
15.2.1
Overlegpartners
Het concept van deze wijziging van het omgevingsplan zal toegezonden worden aan de provincie Noord-Brabant in het kader van kennisgeving en participatie volgens artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit. Daarnaast is dit concept toegezonden aan de Omgevingsdienst, alsook het waterschap. Het waterschap heeft op 21 november 2025 een positief advies uitgebracht. 15.2.2
Zienswijzen
Het ontwerp van deze wijziging van het omgevingsplan heeft van 16 december 2025 tot en met 26 januari 2026 ter inzage gelegen. Toen zijn er een viertal zienswijzen ingediend. De nota van zienswijzen is opgenomen als Bijlage 15.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
74
16
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Voor de gewenste ontwikkeling aan de Schoolstraat 62, 5124 RN te Molenschot, is een wijziging van het omgevingsplan nodig. Volgens artikel 4.1, eerste lid, van de Omgevingswet moeten gemeenten ervoor zorgen dat het omgevingsplan leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Vanuit het ruimtelijke beleid zijn geen belemmeringen voor de nieuwe woningen en de kleinschalige agrarische bedrijfsfunctie. Uit de uitgevoerde beschouwing blijkt dat er geen relevante aspecten zijn die de uitvoerbaarheid van het plan verhinderen. Daarom is het plan in overeenstemming met een evenwichtige toedeling aan functies.
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
75
Bijlagen Bijlage 1 – Kaart te slopen opstallen Bijlage 2 – Situatietekening beoogde ontwikkeling Bijlage 3 – Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 4 – Principebesluit Bijlage 5 – Verslag omgevingsdialoog Bijlage 6 – Berekening maatwerk met als doel omgevingskwaliteit Bijlage 7 – Akoestisch onderzoek Bijlage 8 – Bodemonderzoek Bijlage 9 – Archeologisch onderzoek Bijlage 10 – Voortoets stikstof AERIUS-berekening Bijlage 11 – AERIUS-berekening sloop- en bouwfase Bijlage 12 – AERIUS-berekening gebruiksfase Bijlage 13 – QuickScan flora en fauna Bijlage 14 – Landschapsanalyse Bijlage 15 – Nota van zienswijzen
Motivering TAM-Omgevingsplan – Schoolstraat 62 Molenschot
76