Ondermijning in Friesland met opmaak.def
Tekst van het document
Per 10.000 inwoners: minder dan 0,95 fte OOVcapaciteit in acht gemeenten Er zijn op het vaste land acht gemeenten met minder dan 0.95 fte OOV-capaciteit per 10.000 inwoners. Op hoofdlijnen vallen daarover – met in achtneming van het bovenstaande – enkele opmerkingen te plaatsen: • In de (thans nog gedeelde) ambtelijke organisatie van Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen ligt de OOV-capaciteit op het laagste peil per 10.000 inwoners: 0,52. Er wordt gewerkt in een omvangrijk gebied (251 km2), er
52
•
•
•
•
worden OOV-professionals tijdelijk ingehuurd en er komt een ambtelijke reorganisatie aan. De OOV-capaciteit wordt tijdelijk bevroren. De Fryske Marren telt een OOV-capaciteit van 0,69 per 10.000 inwoners; in absolute zin gaat het om 3,58 fte, waarvan 2,13 fte een structureel karakter heeft. De landoppervlakte (351 km2) en wateroppervlakte (198 km2) zijn dermate omvangrijk dat alle hierboven genoemde werklast-verzwarende omstandigheden relevant zijn. Heerenveen heeft een OOV-capaciteit van 3,8 fte; dat is 0,74 fte per 10.000 inwoners. De werklast ligt niet besloten in de omvang van het grondgebied; wel is er typisch stedelijke problematiek. Het gaat om twee belangrijke Friese fenomenen, namelijk drugscriminaliteit en misstanden met (verhuur van) vastgoed; dat laatste wordt in klare taal aangekaart door bewoners. In Weststellingwerf en Ooststellingwerf schommelt de OOV-capaciteit per 10.000 inwoners rond de 0,9: 0,87 in ‘Oost’ en 0,91 in ‘West’. Het gaat om twee bijzondere gemeenten (“Er wordt hier geen Fries gesproken”), aan de zuidoostkant van Fryslân, grenzend aan Overijssel en Drenthe. Beide gemeenten tellen (ongeveer) 220 vierkante meter landoppervlakte, met de nodige stedelijke kernen met criminele kansen en ondermijnende praktijken; deels lokaal en deels verweven met misdaadpraktijken in Heerenveen (Weststellingwerf) of Drenthe (Ooststellingwerf).
Naast drugscriminaliteit vergen vastgoedpraktijken (o.a. kamerverhuur) tijd en energie van de gemeentelijke veiligheidsorganisaties. In de (tot 1 januari 2024 gedeelde) ambtelijke organisatie van Noardeast-Fryslân en Dantumadiel ligt de OOV-capaciteit per 10.000 inwoners op 0,87. Dat is in totaal een OOVformatie van 5,67 fte, al valt dit tijdens ons veldwerk vanwege langdurige afwezigheid 1,89 fte lager uit. De gemeenten zijn per januari 2024 ontvlochten. De capaciteit is in 2024 in Noardeast-Fryslân 4,67 fte, waarvan 0,89 fte langdurig afwezig is. De capaciteit bedraagt in 2024 precies 2 fte in Dantumadiel.
Per 10.000 inwoners: tussen de 0,95 en 1,36 fte OOV-capaciteit (vier gemeenten) Vier gemeenten tellen per 10.000 inwoners een OOV-formatie tussen 0,95 en 1,36, namelijk: • In Súdwest-Fryslân ligt de OOV-capaciteit op 0,95 per 10.000 inwoners; in absolute zin gaat het om een formatie van 8,76 fte. De formatie is gegroeid en dat ging gepaard met agendering van veiligheid, inclusief ondermijning: in 2017 stond dit laatste bestuurlijk nauwelijks op het netvlies (Van der Torre en Van Valkenhoef, 2017). De formatie
•
•
•
maakt een onderlinge taakverdeling mogelijk, al schuilt een uitdaging in de landoppervlakte: het is de ‘grootste’ gemeente van het land. Het vergaren van lokale kennis over onveiligheid, inclusief ondermijnende praktijken, is derhalve een immense klus. En daar komt de hele waterwereld - met tal van (jacht)havens, werven en watertoerisme – nog bij. De gemeente Smallingerland heeft een OOV-capaciteit van 5,4 fte; 0,96 fte per 10.000 inwoners. De werklast voor de afdeling veiligheid is geconcentreerd in Drachten: een plaats die na Leeuwarden de meeste inwoners heeft in Fryslân. Drachten vervult een bovenregionale verzorgingsfunctie wat betreft gezondheidszorg, cultuur, onderwijs en detailhandel. Dit is een voedingsbodem voor onder meer drugscriminaliteit. Opsterland; 0,96 fte per 10.000 inwoners. De formatie is tamelijk recent enigszins uitgebreid, mede met het oog op de aanpak van ondermijning. De landoppervlakte is omvangrijk (224 km2), met platteland en kernen met aanzienlijke verschillen qua sociaaleconomische positie. De gemeente Waadhoeke telt 0,96 fte OOVcapaciteit per 10.000 inwoners; het betreft in absolute zin een formatie van 4,5 fte.
ambtenaren vervullen de OOV-functie. Dit vergt interne en externe afstemming, plus invulling of ondersteuning van wettelijke (burgmeesters)taken. Minder is haast niet mogelijk, al resulteert ook dat reeds in hoge scores in vergelijking met het vaste land. Enkele specifieke vraagstukken dringen zich op qua formatie of ambtelijke bezetting. Wordt iemand van het eiland of van de vaste wal aangesteld? Dit heeft praktische gevolgen (woonwerkverkeer) en wijst op een geijkt dilemma. Want: wie van ‘buiten’ komt, krijgt (lang?) niet alles te horen van eilanders; en wie van het eiland komt, zal helder en overtuigend moeten communiceren om draagvlak te kunnen krijgen bij handhaving. Een ander vraagstuk betreft de vervangbaarheid; bij vakantie of ziekte, maar ook als een ambtenaar vertrekt en een nieuwe ambtelijke kracht wordt gezocht. 6.2.2 De boa-organisaties De dertien Friese gemeenten op het vaste land (exclusief Leeuwarden) tellen bij elkaar bijna zestig geüniformeerde boa’s, actief op het zogenoemde domein 1.95 Om precies te zijn gaat het om 59,27 fte. Dat is een formatie van 1,14 fte per 10.000 inwoners. Dit is meer dan in de negen Groningse Ommeland-gemeenten, waar de teller uitkwam
op 0,65 fte per 10.000 inwoners (23 boa’s in totaal). Echter, telt het veel grotere Friese land- en wateroppervlakte juist bij deze professionals zwaar; boa’s surveilleren nu eenmaal op straat en de aard van hun werk (o.a. reageren op meldingen, preventief toezicht, ‘kleine’ handhaving en signalering) vraagt om aanwezigheid door de hele gemeente heen, verspreid over de dag en avond, ook in het weekend. Kortom, juist voor de boafuncties en -taken weegt de oppervlakte van het werkgebied zwaar. Op het vaste land loopt de boa-formatie uiteen van 4 fte (Heerenveen en Harlingen) tot 8 fte in Smallingerland en 16,5 fte in Súdwest-Fryslân. Ooststellingwerf, Weststellingwerf en Opsterland (de zogenoemde OWO-gemeenten) hebben een gezamenlijke VTH-organisatie, met 6 fte aan boacapaciteit. Per 10.000 inwoners ligt de boa-capaciteit het hoogst in Harlingen (2,47), Súdwest-Fryslân (1,82) en Smallingerland (1,43). De hoge score in Harlingen komt door de centrumfunctie van deze plaats en doordat “heel Harlingen” een regime kent van betaald parkeren; dat vraagt om boa-inzet. Ook is 0,4 fte boa-capaciteit gereserveerd voor
Tabel 6.1: OOV-capaciteit in 18 Friese gemeenten in 2023. Havenstad Harlingen: 2,16 fte OOV-capaciteit per 10.000 inwoners Er is, op het vaste land, één Friese gemeente met meer dan 2 fte OOV-capaciteit per 10.000 inwoners: Harlingen, met 2,16. Deze hoge score komt door een optelsom van factoren: de gemeente telt niet zoveel inwoners (ruim 16.000), en overigens ook een klein oppervlakte, maar vervult wel centrumfuncties (o.a. qua onderwijs en uitgaan) en telt een zeehaven; daar bestaan criminele kansen, er zijn enkele signalen over criminele praktijken en informatie over de lokale aanwezigheid van (zware) georganiseerde criminelen. Dit is qua veiligheid bewerkelijk en vraagt om stevige OOVinspanningen. De projectleider ondermijning wordt extern gefinancierd, namelijk door het RIEC NoordNederland. Ook maakt de Bibob-coördinator deel uit van het OOV-team. Deze omstandigheden verhogen de beschikbare OOV-capaciteit. De eilanden Op de vier Waddeneilanden is de inwoner-maatstaf nauwelijks relevant: er wonen weinig of heel weinig mensen, terwijl het wel toeristen-bestemmingen zijn. De portefeuille van de OOV-ambtenaren is breed (bijvoorbeeld ook APV & Bijzondere wetten, inclusief de juridische aspecten), want één of twee (van 1,89 fte op Terschelling tot 0,4 fte op Vlieland) 94
Gemeente
OOV-capaciteit in fte
Aantal inwoners
Fte OOV per 10.000 inwoners
Landopp. (km2)
Wateropp. (km2)
Waadhoeke
4,5
46.718
0,96
285
30
Harlingen
3,5*
16.188
2,16
25
363
Súdwest-Fryslân
8,67
90.883
0,95
523
385
De Fryske Marren
3,58**
51.992
0,69
351
198
Weststellingwerf
2,4***
26.467
0,91
220
8
Ooststellingwerf
2,25
25.837
0,87
223
3
Heerenveen
3,8
51.637
0,74
190
8
Opsterland
2,89
30.054
0,96
224
3
Smallingerland
5,4
56.098
0,96
94
8
Tytsjerksteradiel/ Achtkarspelen
3,15
60.557
0,52
251
15
Noardeast-Fryslân/ Dantumadiel94
5,67****
65.006
0,87
464
140
Subtotaal
45,81
521.437
0,88
2.850
1.161
Schiermonnikoog
1
982
10,13
43
160,63
Ameland
1
3.840
2,6
57
211,91
Terschelling
1,89
4.928
3,84
87
586,78
Vlieland
0,4
1.291
3,1
42
273,96
Leeuwarden
12,8
127.064
1
238
17
Noten * 1 fte extern gefinancierd ** 2,13 structureel *** 0,8 openstaande vacature. **** In 2023 1,89 langdurig afwezig; in 2024 is de ambtelijke organisatie opgesplitst: de capaciteit is in 2024 in Noardeast-Fryslân 4,67 fte, waarvan 0,89 fte langdurig afwezig; de capaciteit is in 2024 2 fte in Dantumadiel. # OOV en juridische zaken; excl. bijzondere wetten en meldpunt overlast Leeuwarden.
Tijdens ons veldwerk in 2023 hadden deze gemeenten nog een gedeelde ambtelijke organisatie. Inmiddels zijn de ambtelijke organisaties, per 1 januari 2024, ontvlochten. 95 Dit zijn buitengewone
opsporingsambtenaren die toezichthouden en handhaven in de openbare ruimte. Zij zetten zich in voor de aanpak van overlast, verloedering of veiligheid voor zover dit laatste niet ziet op de openbare orde. Boa’s kunnen ook een belangrijke rol spelen in het herkennen van ondermijningssignalen.
53
samenwerking met Vlieland. In Súdwest-Fryslân wordt een aanzienlijke formatie ‘afgedwongen’ door de enorme oppervlakte én de stedelijke kernen met centrumfunctie, zoals Sneek. Ook bestaat in deze gemeente al ruim vijf jaar een boa-visie die aanstuurt op wijkintegratie, met boa’s die gebiedsgericht (op wijkniveau) streven naar contact en samenwerking met politie en bewoners (Van der Torre en Van Valkenhoef, 2017). De laagste score wordt genoteerd in Tytsjerksteradiel en Achtkarspelen tezamen: 0,66 fte per 10.000 inwoners. De vier eilanden tellen bijna geen boa’s: één ‘eigen’ boa op Terschelling en 2 fte inhuurboa’s op Schiermonnikoog. Vlieland huurt 0,4 fte boa’s in bij de gemeente Harlingen. Ameland huurt 0,25 fte in.
•
•
De huidige boa-bezetting loopt tegen grenzen aan, namelijk: • De politie bakent haar taken af, waardoor meer werkzaamheden en meldingen bij de geüniformeerde boa’s belanden. • Door landelijke ontwikkelingen neemt het aantal boa-taken gestaag toe; recent werd bijvoorbeeld gepleit voor verkeerstoezicht en -handhaving door boa’s. • Boa’s werken vaak ook in de weekenden en op de avonden. En vanwege onder andere de persoonlijke veiligheid vaak in een koppel. Hier komen trainings-verplichtingen bij.
De consequentie is dat, bij een klein aantal boa’s, de mogelijkheden voor inroostering en werkverdeling snel tegen grenzen aanlopen. In diverse gemeenten werken relatief veel jonge boa’s; zij moeten worden ingewerkt en de weg vinden, zowel in de gemeentelijke organisatie als in de gemeente (op straat). Het personeelsbeleid krijgt te maken met een landelijk probleem: boa’s zijn schaars en gewild, want veel gemeenten investeren in de kwantitatieve en kwalitatieve groei van de gemeentelijke boa-organisatie. Meldingen, toezicht op risico- en overlastlocaties, evenementen, wijk- of gebiedsgerichte taken en klassieke taken (b.v. horeca of parkeren) leveren al zoveel boa-werk op dat er weinig ruimte overblijft voor de gemeentelijke ondermijningsaanpak. De boa’s hebben een signalerende taak, al is dat in een omvangrijke gemeente lastig. Boa’s worden wel vaker ingezet bij gezamenlijke actie, met gemeentelijke collega’s (b.v. bouwinspecteurs, BRP-toezichthouders en OOV-ambtenaren). Bijvoorbeeld bij controles op bedrijventerreinen of bij het controleren (periodiek) of in de gaten houden (routine) van panden met (kamer) verhuurpraktijken en/of overlast.
Tabel 6.2: Boa-capaciteit (domein 1) in de Friese gemeenten in 2023. Gemeente
Boa-capaciteit in fte
Aantal inwoners
Fte boa per Landopp. 10.000 inwoners (km2)
Wateropp. (km2)
Waadhoeke
4,7*
46.718
1,01
285
30
Harlingen
4
16.188
2,47
25
363
Súdwest-Fryslân
16,5
90.883
1,82
523
385
De Fryske Marren
5,67**
51.992
1,09
351
198
Ooststellingwerf, Weststellingwerf & Opsterland (OWO-VTH)
6
82.361
0,73
668
11
Heerenveen
4***
51.637
0,77
190
8
Smallingerland
8
56.098
1,43
94
8
Tytsjerksteradiel/ Achtkarspelen
4
60.557
0,66
251
15
Noardeast-Fryslân/ Dantumadiel
6,4****
65.006
0,98
464
140
Subtotaal
59,27
521.437
1,14
2.850
1.161
Schiermonnikoog
2#
982
-
42,93
160,63
Ameland
0,25
3.840
0,65
56,59
211,91
Terschelling
1
4.928
2,03
87,21
586,78
Vlieland
0,4
1.291
-
41,84
273,96
Leeuwarden
34/42
127.064
2,7/3,3
238
17
Noten * 1 fte deels meedraaiend coördinator. ** 1 fte vacature. *** 1 fte stagiair. **** In 2024 2,6 fte boa-capaciteit in Dantumadiel. # inhuur.
54
6.3 GEMEENTELIJKE VEILIGHEIDSORGANISATIE: ONTWIKKELINGEN, GRENZEN EN ONDERMIJNING 6.3.1 Algemeen In de interviewronde spraken we OOV-ambtenaren met materiekennis (over ondermijning) en met een Fries OOV-netwerk, met daarbinnen aandacht voor de ondermijningsaanpak. Er bestaat al met al heel wat inzicht in ondermijnende praktijken. Dat is vaak opgebouwd in laatste 3 à 4 jaar; respondenten wezen wel op blinde vlekken en informatietekorten. Het spiegelbeeld van die zelfkritiek is de bereidheid om de schouders er verder onder te zetten. Dat is nodig om invulling te geven aan de - gedachte achter de - Friese normen over de gemeentelijke ondermijningsaanpak. Zie 6.3.3. De Friese gemeenten bouwen aan de ondermijningsaanpak. Dat gaat gelijk op met een bredere ontwikkeling van de gemeentelijke veiligheidsfunctie; steeds meer en complexe taken dienen te worden vervuld. Zie sub-paragraaf 6.3.2. Bij de ontwikkeling van de bestuurlijke ondermijningsaanpak zijn Friese ambities geformuleerd. Zie sub-paragraaf 6.3.3. 6.3.2 Gemeentelijke OOV-functie: een optelsom van taken Voor de gemeentelijke OOV-organisaties is ondermijning een lokale prioriteit, naast andere prioriteiten en taken.
Het regionaal beleidsplan veiligheid Noord-Nederland 2020-2023 benoemt vier prioriteiten: 1.) ondermijnende criminaliteit; 2.) de verbinding tussen veiligheid en zorg; 3.) digitale criminaliteit; en 4.) maatschappelijke onrust of verdeeldheid. Bij de drie ‘andere’ prioriteiten, naast ondermijning, is het werkaanbod stevig. In hetzelfde plan, maar dan voor de periode van 2024 tot en met 2027, blijft dit op hoofdlijnen hetzelfde. Er worden vier ‘strategische (ontwikkel)thema’s’ genoemd: 1.) maatschappelijk ongenoegen; 2.) (georganiseerde) ondermijnende criminaliteit; 3.) cyberveiligheid; en 4.) veiligheid en zorg. Naast de prioriteiten is er een al langer bestaand en blijvend OOV-werkaanbod. Deze taken keren terug in lokale veiligheidsplannen. Het gaat om een brede categorie op het terrein van openbare orde en veiligheid, zoals overlast, uitgaansgeweld of vernielingen. Jeugdoverlast en -criminaliteit kunnen een specifiek thema zijn. Dat geldt ook voor het veilige verloop van evenementen, verkeersveiligheid en het terugdringen van vermogensdelicten, in het bijzonder woninginbraak. Andere gerichte inspanningen zijn bijvoorbeeld de publieke-private samenwerking rond keurmerken voor ondernemers of op bedrijventerreinen. Ook vragen de Friese AZClocaties om veiligheidsbeleid. Hetzelfde geldt voor
de toeristenstromen naar Fryslân. De optelsom van Friese OOV-taken past in een landelijke trend. De veiligheidstaken en bevoegdheden van de burgemeester zijn namelijk toegenomen in de afgelopen jaren, getuige onder meer het Damoclesbeleid, gebiedsverboden, huisverboden, de Wet Bibob, de crisismaatregel in de Wet verlichte ggz en de Wet aanpak woonoverlast. Crises, incidenten en piekinspanningen - zoals de coronacrisis, de opvang van vluchtelingen of demonstraties - zijn gebeurtenissen met impact. Het vergt stevige bestuurlijke en ambtelijke inspanningen. Crisisbeheersing is een OOV-taak; vaak als deeltaak van één ambtenaar. In de werkportefeuille van de Friese OOVorganisaties komen dus veel en nogal uiteenlopende zaken samen. De werklast die dit voor de OOV-organisatie met zich meebrengt, is fors en groeit. Van de 17 bestudeerde Friese gemeenten zijn er twee afzonderlijke gemeenten met een OOV-formatie van meer dan 5 fte: Smallingerland (5,4) en Súdwest-Fryslân ((8,67). Dit maakt een taakverdeling met een zekere specialisatie mogelijk, net als onderlinge vervangbaarheid bij verlof of personele wisselingen. Bij een gering aantal OOV-ambtenaren is het lastig om de OOV-functie organisatorisch in te bedden; al snel is het dan een kwestie van één of enkele sleutelfiguren en geen sleutelfunctie.
Ook met een kleine formatie worden prestaties geboekt, al is het telkens de vraag wat wordt gedaan en wat (voorlopig) niet. We stuitten geregeld op vacatures en op gedetacheerde professionals. De gemeentelijke OOV-functie leunt op een klein aantal OOV-ambtenaren. Dat laat zich voelen bij de ondermijningsaanpak. 6.3.3 Over de Friese norm De zogenoemde Friese Norm voor de bestuurlijke aanpak van ondermijning – door de Friese gemeente, de provincie en het waterschap – is een intentieverklaring, gericht op het stimuleren van een gedeelde (“geharmoniseerde”) aanpak. Er is een ambtelijke werkgroep om dit te coördineren, plus twee bestuurlijke aanjagers: de burgemeesters van Achtkarspelen en Waadhoek. De intentieverklaring betreft geen gemeentelijke verplichting; de besluitvorming blijft in handen van de burgmeesters, de colleges en gemeenteraden. De betekenis schuilt in het gedeelde bestuurlijke commitment en in de redenering dat de criminele kansen en praktijken alleen in de gehele provincie kunnen worden teruggedrongen als de inspanningen min of meer op hetzelfde peil liggen. Criminelen houden zich nu eenmaal niet aan gemeentegrenzen. Voor onze OOV-respondenten is de Friese norm een steun in de rug. Het heeft bijgedragen aan
het besef dat ondermijning meer is dan een veiligheidsprioriteit, omdat het vraagt om brede gemeentelijke alertheid en inspanningen. We troffen bijna in elke gemeente OOV-ambtenaren aan die vertelden over vooruitgang op bepaalde terreinen, soms inclusief capaciteitsuitbreiding. Sommige gemeenten lopen voorop, terwijl anderen pionieren. De intentieverklaring wordt gezien als houvast om de stap te zetten van pionieren naar een meer gestroomlijnde aanpak, toegespitst op zaken die lokaal het zwaarst wegen. Bij ambtelijke inspanningen om de pioniersfase te verlaten, worden grofweg twee paden bewandeld. Er zijn gemeenten die eerst het beleid op orde brengen. Andere gemeenten organiseren allereerst actie; het beleid volgt. We beschrijven de vijf onderdelen van de Friese norm. Op basis van ons veldwerk geven we steeds een toelichting. Hierbij is van belang dat de intentieverklaring is getekend in juli 2022. Het is te vroeg om te evalueren in welke mate de gemeenten voldoen aan de normen; het is werk in uitvoering. Norm 1: Verhogen bewustwording bij bestuur en ambtelijke organisatie De bewustwording over het thema ondermijning moet worden “versterkt”. Ondermijning dient te worden opgenomen in het (herziene) integraal veiligheidsplan.
Ook dient ondermijning als het ware aspect-beleid te worden; in het beleid (genoemd worden recreatie of jeugd) dient te worden “(…) afgewogen of het thema ondermijning specifiek dient te worden beschreven”. Regionale kennis- en beleidsuitwisseling wordt gestimuleerd. Opmerkingen op basis van het veldwerk Ondermijning is of wordt onderdeel van het lokale integraal veiligheidsplan. Het is een lokale veiligheidsprioriteit geworden, al zijn er tussenstappen nodig om dit te laten landen in de uitvoeringspraktijk. De Friese intenties bij de gemeentelijke ondermijningsaanpak leunen op de schouders van één of enkele ambtenaren met een aanjagende rol. Het is daardoor moeilijk om bij de uitvoering bevredigende resultaten te boeken. Invoering is nodig als tussenstap, dat wil zeggen het politiek-bestuurlijk bepleiten en (vervolgens) ambtelijk positioneren van voldoende gekwalificeerd personeel en financiële middelen. De intentie om ondermijning zo nodig een (belangrijk) aspect te maken van gemeentelijke beleidsinspanningen op een ander terrein, heeft lokale relevantie. Bijvoorbeeld bij het recreatiebeleid op de eilanden, met aandacht voor drugsgebruik, drugshandel en huisvesting van seizoenarbeiders. In andere gemeenten komt zorg als thema naar voren; om (potentiële) slachtoffers de helpende hand te bieden of omdat het lokaal
55
zorgstelsel inspanningen vraagt om betere zorgresultaten te boeken en/of om de zorg meer fraudebestendig te maken. Wat betreft de gang van zaken binnen de gemeentelijke organisatie worden drie belangrijke patronen benoemd: • In kleine ambtelijke clusters rondom de (centrale) OOV-ambtenaar ontstaat meer en meer focus of gedeelde actie. Het betreft burgerzaken en vergunningverlening, toezicht en handhaving. Het gaat vaak om ‘wonen’ in brede zin, onder meer vanwege misstanden met vastgoed(verhuur), woonoverlast en alertheid op (adres)fraude. • Op andere afdelingen zien respondenten ambtelijke stijlen waarin dienstverlening en/of (recreatie)economie centraal staan, met weinig oog voor ondermijning of een sterk geloof in de goede bedoelingen van bewoners en ondernemers. De OOV-ers die de kar trekken bij de ondermijningsaanpak moeten dan “flink trekken” aan ambtenaren van andere afdelingen. • Respondenten schatten de houding van de ambtelijke top wisselend in: van interne partners die ruggensteun verlenen tot aan de belangrijkste ambtelijk laag die nog overstag moet om ondermijning te zien als belangrijke gemeentelijke opgave. Norm 2: Organisatie, inrichting en informatiehuishouding Er dienen werkprocessen te worden ontwikkeld “(…) waardoor signalen van ondermijning zorgvuldig en eenduidig worden opgepakt”.
Hiertoe dient er onder meer een intern meldpunt te zijn, plus een lokaal ondermijningsoverleg met relevante gemeentelijke afdelingen, zodat - binnen de kaders van privacywetgeving – signalen over mogelijke ondermijning worden besproken en ingeschat. Opmerkingen op basis van het veldwerk Voor de organisatorische positie van de gemeentelijke ondermijningsaanpak is van belang hoeveel personele armslag de OOV-organisatie heeft. In de meeste gemeenten is dit een deeltaak van één of twee OOV-ambtenaren. Zie tabel 6.3. Hierop bestaan enkele uitzonderingen: • Harlingen telt een projectleider ondermijning en een Bibob-coördinator; met 1,5 fte als formatie. • De drie zogenoemde OWO-gemeenten (Ooststellingwerf, Weststellingwerf en Opsterland) hebben, op een volle formatieplaats, een ‘juridisch medewerker Bibob en ondermijning’ aangesteld. • In Súdwest-Fryslân is de aanjaag-taak een OOV-deeltaak, al zijn wel twee boa’s aangewezen met ondermijning in het takenpakket; voor hoogstens 0,5 fte.
Uit onze interviewronde blijkt dat zeven gemeenten96 een meldpunt ondermijning hebben ingericht. Het gaat bijvoorbeeld om een e-mailadres. Bij de meldpunten wordt weinig gemeld. Dat is niet alleen een ongunstig teken, want signalen worden vaker direct (ook mondeling) onder de aandacht gebracht van de OOV-ambtenaar. Hiervoor worden onder andere de in het leven geroepen gemeentelijke ondermijnings-overleggen benut. In dertien gemeenten97 bestaat inmiddels zo’n overleg. Naast OOV en handhaving (boa-organisatie) nemen bijvoorbeeld deel aan het ondermijningsoverleg: vergunningverlening, burgerzaken, economische zaken (zoals bedrijvencontactfunctionaris), werk en inkomen, vastgoed, financiën, toezichthouders bouw/brandveiligheid, toezichthouders sociaal domein, toezichthouders milieu en juridisch medewerkers, mogelijk belast met Bibobbeleid. Soms sluit de politie aan; dat wordt (in vragenlijsten) vermeld in vijf gemeenten. Gemeenten stuiten op vermoedens over (ernstige) criminele praktijken. Louter gemeentelijke inspanningen volstaan dan niet. Er is dan behoefte aan een vlotter opschalingstraject, via integrale overlegvormen tussen gemeenten, politie, justitie
en RIEC. Urgente casus kunnen dan eerder resulteren in opsporingsactiviteiten of in een integrale RIEC-interventie. Er wordt gewezen op succesvolle opsporingsonderzoeken of integrale interventies, al is de teneur dat dit vaker nodig is. Het wijst op een belangrijk punt: om met gemeentelijke ondermijningsinspanningen resultaten te boeken, zijn ook repressieve inspanningen nodig. Norm 3: Verordeningen en beleid De derde norm behelst de intentie dat gemeenten belangrijke bestuurlijke instrumenten inzetten met behulp van de APV, Bibob-beleid en Damocles-beleid. Bij het Bibob-beleid wordt gevraagd om standaard-toetsing (een ‘zalbepaling’) bij: alcoholwet; exploitatievergunning; omgevingsvergunningen WABO voor bouwen (vanaf een ondergrens; aangeraden wordt € 750.000 exclusief BTW) en milieu (afvalbedrijven); omgevingsvergunning Milieu bij beperkte milieutoets; coffeeshops; en prostitutie/escort/ seksinrichtingen. Bij kansspel-gerelateerde vergunningen, (vechtsport)evenementen, subsidieaanvragen, vastgoedtransacties en overheidsopdrachten geldt als richtlijn een zogenoemde ‘kan-bepaling’. Deze norm omvat
Tabel 6.3: Beschikbare fte’s van veiligheidsspecialisten, beschikbaar voor gemeentelijke ondermijningsaanpak. Schattingen op basis van ingevulde vragenlijst of interview Waadhoeke
Deeltaak 2 OOV-ers (ca. 1-1,5 fte)
Harlingen
Projectleider ondermijning en bibob-coördinator (1,5 fte); ook bij overige OOV-ers is ondermijning onderdeel van het takenpakket
Súdwest-Fryslân
Deeltaak OOV (ca. 1,3 fte) + twee boa’s (hoogstens 0,5 fte)
De Fryske Marren
Deeltaak 1 OOV-er (geen schatting fte)
Weststellingwerf
Deeltaak 2 OOV-ers (geen schatting fte) + juridisch medewerker bibob en ondermijning van team OWO-VTH (1 fte)
Ooststellingwerf
Deeltaak OOV-ers (geen schatting fte) + juridisch medewerker bibob en ondermijning van team OWO-VTH (1 fte)
Heerenveen
Deeltaak 2 OOV-ers (ca. 0.6 fte)
Opsterland
Deeltaak 2 OOV-ers (varieert van 0,5 tot 5 uur per week) + juridisch medewerker bibob en ondermijning van team OWO-VTH (1 fte)
Smallingerland
Deeltaak OOV (geen schatting fte)
Tytsjerksteradiel/Achtkarspelen
Deeltaak 1 OOV-er (ca. 0,5 dag per week)
Noardeast-Fryslân/Dantumadiel
Deeltaak OOV (ca. 1 fte)
Schiermonnikoog
Deeltaak 1 OOV-er (geen schatting fte; kleine rol in takenpakket)
Ameland
Deeltaak 1 OOV-er (geen schatting fte; kleine rol in takenpakket)
Terschelling
Deeltaak 1 OOV-er (ca. 2 dagen per week)
Vlieland
Deeltaak 1OOV-er (ca. 0,2 fte)
96
het zogenoemde hennepconvenant en stimuleert daarmee de bestrijding van hennepteelt. Opmerkingen op basis van het veldwerk Bij Bibob-beleid en -toetsing wordt gezocht naar een lokale maat. Daarbij wordt deels praktisch geredeneerd: hoeveel toetsen zijn mogelijk met de huidige beschikbare capaciteit? Tegelijk is Bibob-beleid een intern breekijzer, in die zin dat toetsing geen doel op zich is, maar een manier om op afdelingen alertheid te ontwikkelen op de vraag met wie een gemeente te maken krijgt. Er is een norm opgesteld, maar er zijn aanzienlijke lokale verschillen: gemeenten met of zonder Bibobcoördinator, en gemeenten waar het Bibob-beleid is geactualiseerd of (nog) niet. De uitgevoerde Bibob-toetsen betreffen voornamelijk drank- en horecawet-vergunningen. De meeste toetsen werden, tussen 2019 en 2023, uitgevoerd in de gemeente Súdwest-Fryslân. Zie de bijlage voor een overzicht. De bijlage laat zien bij welke branches of vergunningen gemeenten een zal-bepaling of een kan-bepaling hanteren. Het bovenstaande betekent dat er nauwelijks of geen Bibob-toetsen worden uitgevoerd bij vastgoed- of grondtransacties, bij kamerverhuur of naar zorgaanbieders. Op basis van de criminele kansen en ondermijnende praktijken valt dat op onderdelen op z’n minst te overwegen, zo constateren respondenten.
Er bestaat dan wel behoefte aan voldoende capaciteit en competenties om daaraan gestalte te geven. Respondenten suggereren om op Fries niveau capaciteit te organiseren ten behoeve van Bibobtoetsing, waarbij zo nodig wordt samengewerkt met het RIEC of een beroep wordt gedaan op het Landelijk Bureau Bibob. De Friese gemeenten hebben, op twee gemeenten na, beleid vastgesteld voor artikel 13b Opiumwet; het zogenoemde Damocles-beleid. Zie de bijlage. Bij geconstateerde hennepteelt zijn er werkprocessen die resulteren in bestuurlijke sancties. De slagkracht bij de bestrijding van hennepteelt valt echter tegen, zo constateren respondenten. Het aantal aangetroffen hennepkwekerijen daalt en dat komt (volgens experts) niet doordat er minder wordt geteeld. Het komt onder andere doordat de politie er minder tijd aan besteedt. Norm 4: Handhaving Deze norm bevordert het toezicht en de
handhaving bij (mogelijke) ondermijnende activiteiten. De gemeenten en provincie dienen te zorgen voor “voldoende capaciteit” om “monodisciplinaire controles uit te voeren”.
Norm 5: De integriteit van de organisatie Deze norm ziet op het bevorderen en bewaken van de ambtelijke en politieke integriteit. Dit valt buiten het bereik van deze studie.
Opmerkingen op basis van het veldwerk Een terugkerend verhaal in de interviewronde is de gedachte dat toezicht, controleacties en locatiebezoeken nodig zijn om te ontdekken wat zich afspeelt. In de voorbereiding en nasleep zijn er interne en externe contacten en activiteiten. Binnen de gemeente onder meer met burgerzaken (onder andere BRP-toezicht), vergunningverleners, allerhande toezichthouders (bouwen, milieu, geüniformeerde boa’s), economische zaken (b.v. bedrijfscontactfunctionarissen), vastgoed (o.a. vanwege kamerverhuur of illegaal wonen op bedrijventerreinen) en (handhavings-) juristen. Uiteraard wordt niet steeds met ‘iedereen’ afgestemd en samengewerkt; dat wordt afgestemd op de aard van de uitgevoerde controles. Extern wordt samengewerkt met politie, omgevingsdienst en waterschap. Er zijn onder meer controles uitgevoerd in panden met kamerverhuur, op vakantieparken (in vakantiewoningen) en op bedrijventerreinen.
6.4 AFSLUITING Ondermijning is bestuurlijk geagendeerd. Dit resulteert in een zware ambtelijke taak voor OOV-ambtenaren, naast andere tijdrovende zaken. In de komende jaren zijn inspanningen nodig. Niet alleen inhoudelijk, ook zal gewerkt moeten worden aan het vergroten van de slagkracht van de gemeentelijke uitvoeringsorganisaties.
Controles die in de afgelopen jaren zijn uitgevoerd, hebben verschillende opbrengsten. Als illegale en/ of schrijnende praktijken werden aangetroffen, was dit geregeld een eye opener. Niet zozeer voor organiserende OOV-ers en hun directe partners, maar wel voor de ambtelijke top, wethouders of ambtenaren op andere afdelingen: “Ook hier?”, zo kreeg een ambtenaar bijvoorbeeld te horen. De controles bleken geregeld een impuls om de banden aan te halen met bewoners en ondernemers. Meldingen over woonoverlast worden bijvoorbeeld gewaardeerd, mogelijk als opmaat tot controle en eventueel tot handhaving. Ondernemers reageerden verschillende keren positief op controles, omdat ze het zien als een steun in de rug bij het streven naar orde en een eerlijk speelveld. De uitgevoerde controles leveren ook discussie- en leerpunten op. Er werd bijvoorbeeld geconcludeerd dat de interne afstemming over aanstaande controles beter moest worden, inclusief het plannen van personele inzet; ook ten behoeve van de nasleep. Ook wordt gediscussieerd over de precieze bijdragen van de politie: qua inzet en wat betreft informatiedeling. Duidelijkheid en werkafspraken over samenspel tussen politie en gemeenten bij controles blijken nodig.
De Fryske Marren, Harlingen, Ooststellingwerf, Smallingerland, Waadhoeke, Weststellingwerf en Terschelling. In Heerenveen is geen meldpunt ondermijning ingericht, maar medegedeeld dat
ondermijningssignalen via de e-mail kunnen worden gemeld bij team veiligheid. Dat is ook het geval in Noardeast-Fryslan en Dantumadiel. 97 Achtkarspelen & Tytsjerksteradiel, Harlingen, Heerenveen, Noardeast-Fryslân, Dantumadiel, Ooststellingwerf, Opsterland, Smallingerland, Súdwest-Fryslân, Waadhoeke, Weststellingwerf en Terschelling.
56
57
7
SAMENGEVAT: CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN INLEIDING
Dit slothoofdstuk geeft antwoord op de onderzoekvragen. Het gaat over zeventien Friese gemeenten; we schreven reeds een rapport over Leeuwarden. Voor het leesgemak spreken we in dit slothoofdstuk over Fryslân, ook omdat de criminele kansen en praktijken in Leeuwarden (op onderdelen) zijn verbonden met die in de rest van de provincie. Paragraaf 7.1 trekt conclusies over de criminele gelegenheidsstructuren en paragraaf 7.2 over ondermijnende praktijken. Daarna worden bevindingen over de gemeentelijke ondermijningsaanpak samengevat in paragraaf 7.3. Tot slot worden in paragraaf 7.4 aanbevelingen geformuleerd.
7.1 CRIMINELE GELEGENHEIDSSTRUCTUREN Er zijn - door een combinatie van situationele, sociale en economische factoren - criminele kansen
in Fryslân. De bevolkingsdichtheid is gering en het uitgestrekte platteland levert criminele kansen op. Immers, daar vallen criminele praktijken eenvoudig af te schermen; afscherming is een hoofdkenmerk van georganiseerde misdaad. Tegelijkertijd telt Fryslân steden of stedelijke kernen, met daarbij horende criminele kansen, zoals bijvoorbeeld wijken of buurten met geconcentreerde sociaaleconomische kwetsbaarheden. Dat biedt onder meer mogelijkheden om drugsklanten of criminele uitvoerders te werven.
In dunbevolkte en van oudsher economisch kwetsbare delen van Fryslân wordt autonomie op prijs gesteld; zelfredzaamheid zet de toon, voornamelijk legaal, al is het ook een voedingsbodem voor criminele praktijken. De overheid staat fysiek op afstand; in kernen, gemeenschappen of sociale kringen houden mensen van hun kant liever de overheid op afstand. Het komt tot uiting in (gedeeltelijke) acceptatie van bijvoorbeeld drugsgebruik, drugshandel, rijden onder invloed of hennepteelt.
Stad en platteland tellen tezamen een stevig aantal risicolocaties, zoals een zeehaven, jachthavens, bedrijventerreinen, talrijke agrarische objecten en vakantieparken. Fryslân is deels anoniem en uitgestrekt, gesitueerd in de Noordwesthoek van ons land, al resulteert de provinciale infrastructuur in criminele kansen; met goede verbindingen over de weg of het water. De Friese infrastructuur vervult economische functies, al kunnen criminelen meeliften.
Deze hoofdkenmerken van de Friese criminele gelegenheidsstructuur gaan gepaard met vijf meer concrete kansen en patronen:
58
1. De 17 Friese gemeenten: verbonden met (bovenlokale) drugsmarkten Er bestaat een kansenstructuur door de nabijheid van tal van bovenlokale drugsmarkten. Het gaat om criminele drugsnetwerken - actief in productie en/of handel - in Leeuwarden en in de stad en
provincie Groningen. Criminele drugsnetwerken in Noord-Holland bevinden zich ook op korte afstand, over de afsluitdijk, en kennen de weg in (de drugswereld in) Fryslân. Aan de zuidelijke kant van Fryslân liggen, in de Flevopolder, drugsnetwerken in stedelijk gebied (Lelystad en Almere) en in dunnerbevolkt gebied, met onder meer een visserijsector (Urk). Drentse criminele netwerken zijn sociaal en fysiek dichtbij in Zuidoost Fryslân, met onder meer Assen op korte afstand. De Randstad en Zuid-Nederland liggen fysiek op afstand, maar de gebruikersmarkten en productiekansen in Fryslân trekken criminelen uit die streken aan. In het buitenland bieden drugsmarkten in Scandinavië en Duitsland handels- en exportkansen. 2. Fysieke infrastructuur: criminele kansen Fryslân is deels anoniem en uitgestrekt, al resulteert de provinciale infrastructuur in omvangrijke stromen van personen (onder andere toeristen) en van goederen. De Friese ‘waterwereld’ komt tot uiting in talrijke jachthavens en een zeehaven (plus een zeehaven net over de grens, in Groningen) én in een bovengemiddeld aantal watergerichte bedrijven; visserij, binnenvaart, zeevaart en daarmee verbonden overslagactiviteiten. De controle op de vervoersbewegingen over weg en water, en in de zeehaven te Harlingen, ligt op een laag peil. De goede bereikbaarheid over de weg biedt ruimte
voor smokkel en illegale handel; deels bovenlokaal of zelfs internationaal, maar vaker lokaal of regionaal. De zeventien gemeenten tellen ook twee kleine vliegvelden.
omdat gemeenten en politie meer budget en personeel toegewezen krijgen op basis van inwonertallen dan vanwege oppervlaktes.
Fryslân is een optelsom van stad en platteland. De stedelijke gemeenten of kernen herbergen criminele netwerken die in de afgelopen decennia een fysieke en sociale infrastructuur hebben opgebouwd met drugsproductie en drugshandel. Zij profiteren van de productiekansen in het buitengebied en van de mogelijkheid om afgeschermd gebruik te maken van dekmantelbedrijven of opslaglocaties. Ook zijn er in (van oudsher) kwetsbare wijken, kernen of dorpen mogelijkheden om sociaaleconomische kwetsbare (rechts)personen in te zetten bij criminele praktijken. Het zijn ook locaties met goedkope panden die worden gebruikt bij opportunistische of onrechtmatige verhuurpraktijken.
De geringe aanwezigheid of afwezigheid van de overheid gaat, in afgelegen en sociaaleconomisch kwetsbare delen van Fryslân, samen met antioverheidssentimenten. Er is een hang naar autonomie; de wens om met rust gelaten te worden door de overheid, met zelfredzaamheid als norm. Je moet jezelf redden en onder voorwaarden mag dat op een illegale manier. Lang niet iedereen laat zich in met criminaliteit, maar omdat de overheid op afstand staat, is het voor criminelen niet moeilijk om een categorie mensen aan zich te binden. Bijvoorbeeld voor uitvoerende criminele activiteiten of als drugsklant. Met hun netwerk en locatiekennis opereren criminelen flexibel, terwijl de publieke veiligheidsorganisatie dun is bezet en op afstand wordt gehouden.
3. De overheid op afstand: afgeschermde praktijken Fryslân telt een enorm land- en wateroppervlak; op Drenthe na is het de provincie met de laagste bevolkingsdichtheid. Er zijn meer dan vierhonderd dorpen en kernen, met veel gebouwen (woningen, bedrijfspanden en agrarisch vastgoed) en locaties die zo afgelegen zijn, dat illegale praktijken al snel onopgemerkt blijven. Dat is een goede ‘werkomgeving’ voor criminele praktijken. Temeer
4. De kwetsbare kant van Fryslân: simpele huisvesting, drugsgebruik en zorg(en) Sociaaleconomische kwetsbaarheden zijn geconcentreerd in delen van Noord-Fryslân en aan de oostelijke kant. Dit verschilt van het meer welvarende Zuidwesten. Ook zijn er van oudsher verschillen tussen welvaart op akkerbouwgronden en armoede in veengebieden. In de achtergestelde gebieden kampen relatief veel huishoudens met armoede en daarmee verbonden problemen,
59
zoals schulden, ongezondheid of criminaliteit. Respondenten wijzen op personen en huishoudens die tussen wal en schip vallen. Mensen raken in de problemen, mogelijk mede door criminele invloeden. Bijvoorbeeld problemen vanwege (de kosten van) drugsgebruik of doordat zij zelf - of mensen in hun directe sociale omgeving – als dader betrokken raken in de drugswereld. Het onderscheid tussen dader en slachtoffer kan dun zijn.
gemeente of politie. De eilanden krijgen ook te maken met een handhavingsdrempel. De afstand tussen aan de ene kant ondernemers en inwoners en aan de andere kant het politiek-bestuurlijke systeem is klein. De lokale economie weegt zwaar, ook omdat met handhaving richting een ondernemer bijna per definitie ‘een bekende’ wordt geraakt.
Twee kwetsbare categorieën springen in het oog. Ten eerste arbeidsmigranten. Er is in en rondom Fryslân behoefte aan goedkope arbeidskrachten. Dit leidt tot een vraag naar goedkope huisvesting. Het werken en huisvesten van arbeidsmigranten vervult economische functies én is een verdienmodel; legaal en illegaal. Ten tweede zijn er veel mensen met een zorgbehoefte, want verschillende gemeenten tellen (relatief veel) zorginstellingen. Respondenten constateren dat ex-cliënten vaak in de gemeente of provincie blijven wonen. Dit leidt tot dubbele zorgen. Het biedt kansen op zorgfraude (het zorgstelsel biedt daartoe mogelijkheden) en kwetsbare mensen kunnen door criminelen voor het karretje worden gespannen. Hier komt bij dat in kwetsbare kringen relatief veel drugs wordt gebruikt; dat kan bestaande problemen verergeren (zoals armoede of afstand tot de arbeidsmarkt).
De Friese top-4 wat betreft ondermijning is op hoofdlijnen hetzelfde als in Leeuwarden, al krijgt het in het uitgestrekte gebied een ander karakter.
5. Op de eilanden: verhalen op zich De vier Waddeneilanden zijn in veel opzichten een verhaal op zich. Bijzondere omstandigheden (niet bereikbaar over de weg, unieke natuur, veel watersport en recreatie, veel horeca en véél meer bezoekers dan bewoners) resulteren niet alleen in een bijzonder en aangenaam woon- en vakantieklimaat, maar ook – met verdiscontering van verschillen tussen de eilanden – in criminele kansen. Het omvangrijke toerisme resulteert in een vraag naar drugs. De drugs moeten naar het eiland worden gebracht; dit gaat over het water, met een veerpond, waddentaxi of een particuliere boot. Dit vergt controle, al ligt dat op een laag niveau. Het vastgoed op de eilanden is schaars en onder meer in trek als vakantiewoning; het is de vraag hoe dit vastgoed wordt gefinancierd en gebruikt. Er is behoefte aan seizoensarbeid in de toeristen- en horecasector op de eilanden; dit kan resulteren in onrechtmatigheden, zoals zwart of grijs werken. De formatie bij gemeente (OOV-ambtenaren en, indien beschikbaar, boa’s) en politie past niet goed bij het grote aantal toeristen. Bovendien wordt de inzet (in het toeristenseizoen) in veel opzichten gericht op openbare orde en lichte strafbare feiten; dat laat ruimte voor ondermijnende praktijken.
Ook tekent het bekende informatie-dilemma van gesloten gemeenschappen zich af: informatie over (mogelijke) strafbare feiten wordt niet of mondjesmaat verstrekt aan professionals bij de
7.2 ONDERMIJNENDE PRAKTIJKEN
Het gaat om: 1.) drugshandel (van klein tot groot); 2.) drugsproductie (met veel meer schade door de omvangrijke hennepteelt dan door productie van synthetische drugs); 3.) misstanden met vastgoed; en 4.) een brede categorie, namelijk bezorgdheid om verdienmodellen ‘over de rug’ van kwetsbare personen, zoals zorgcliënten. Door de hele provincie heen zijn criminele netwerken of netwerkjes actief. Vaak afgeschermd, maar deels als lokale factor, bijvoorbeeld bij een sportclub of met bedrijven in risicobranches. De drugshandel ligt op een hoog niveau. Dit geldt, in de eerste plaats, voor lokale en regionale
Tabel 7.1: Criminele gelegenheidsstructuren in Friese gemeenten vanwege de combinatie van een lage bewonersdichtheid (dunbevolkt), stedelijke wijken of kernen en de fysieke infrastructuur.
I Dunbevolkt gebied • 18 Friese gemeenten, qua oppervlakte de grootste provincie (ruim 5.700 vierkante kilometer), bijna 660.000 inwoners (waarvan circa 127.000 in Leeuwarden), meer dan 400 dorpen en een lage bevolkingsdichtheid • Verdeelsleutels zijn sterk gebaseerd op inwonertal en daarom begrensd budget en formatie bij regionale kerninstituties: gemeenten, politie en justitie. Consequentie: afwezige overheid/overheid op afstand; de norm van 1 wijkagent op 5.000 inwoners is niet doeltreffend in een uitgestrekt werkgebied met talrijke dorpen • Culturen in dorpen en kernen (in de ene Friese windstreek meer dan de ander): zwijgzaamheid, niet melden bij de overheid. Criminele netwerken profiteren van zwijgzaamheid, van hun locatiekennis en van hun sociaal-criminele contacten met (rechts)personen • Gemakkelijke afscherming van criminele praktijken door alleen al het uitgestrekte karakter van het gebied. Zie punt III. • Een lage pakkans voor georganiseerde criminelen, zeker bij bewuste/ tactisch-criminele afscherming; misdaad loont daardoor en misdaadstatistieken (b.v.
over hennepteelt of drugshandel) zeggen weinig over de omvang van deze verschijnselen II Stedelijke gemeenten/ wijken/ kernen • Aanwezigheid en sociale verankering van criminele netwerken met een sociale en fysieke infrastructuur voor drugscriminaliteit; productie en handel • Kwetsbare wijken en kernen: kansen om (rechts)personen in te zetten bij criminele praktijken. • Kwetsbare wijken en kernen: kansen om drugsklanten te werven die verslaafd zijn of die drugs gebruiken vanwege uitzichtloosheid of uit gewoonte • Beschikbaarheid van goedkope panden die gebruikt kunnen worden bij opportunistische of onrechtmatige verhuurpraktijken III Fysieke infrastructuur: kansen voor georganiseerde (drugs)criminaliteit • Een uitgestrekt en anoniem gebied met een optelsom van risicolocaties: bedrijventerreinen, recreatieparken, een zeehaven (en een zeehaven net over provinciegrens, in Lauwersoog), jachthavens, bedrijfspanden en agrarisch vastgoed • Ontsluiting naar drugsmarkten in Scandinavië en in (het achterland van) Duitsland • Zeehaven: gemakkelijk toegankelijk, slecht beveiligd • Jachthavens; in veel opzichten een blinde vlek • Waddenzee: geschikt en benut voor drugssmokkel (cocaïne) • Drugshandel over de weg; met Duitsland en Scandinavië als goed bereikbaar afzetgebied en regionale drugshandel over de weg • Een oververtegenwoordiging van risicobranches in verschillende gemeenten, o.a.
de autosector, horeca en het goederenvervoer • Goedkoop of betaalbaar vastgoed
60
drugshandel. De tussenhandel en detailhandel zijn, voor respondenten, zichtbaar in het straatbeeld. De n-wegen worden, net als parkeerplaatsen (bijvoorbeeld bij sportclubs of fastfood-restaurants), benut door mobiele dealers die populaire drugs per auto (of scooter) bezorgen. Het hoge drugsgebruik stimuleert deze drugshandel. En omgekeerd, want via sociale media (o.a. Telegram) wakkeren makkelijk bereikbare handelaren het drugsgebruik aan. Politieregistraties over drugshandel (438 in vijf jaar tijd in 17 gemeenten) laten zien dat de pakkans gering is, getuige gemiddeld 7,3 registraties per maand. Per gemeente komt dat neer op gemiddeld minder dan een halve registratie per maand. Door de provincie heen treffen dealers drugsklanten op allerhande straatlocaties, namelijk: plaatsen in centra van kernen, wijken en dorpen, inclusief horecagebieden; parkeerplaatsen; hangplekken van jongeren; onderwijslocaties; panden of instellingen waar kwetsbare mensen wonen, zoals zorgcliënten; en locaties met toeristen en evenementen-bezoekers. Er wordt ook drugs verkocht vanuit panden. Bijvoorbeeld als drugsverslaafden dealer zijn of als een dealer de woning van een verslaafde (of gebruiker) benut voor dealpraktijken.
Detailhandel in drugs is alles bij elkaar een interessant verdienmodel; riant voor aansturende criminelen die goedkoop aan de drugs weten te komen, en een kleine maar belangrijke inkomstenbron voor uitvoerende criminelen, met weinig inkomsten in de legale wereld. Aan de onderkant van de drugsmarkt zijn lokale handelaren actief. Ze hebben een beperkte actieradius, al kunnen ze redelijk wat klanten bedienen. Er is ook gelaagde lokale en regionale handel. Daarbij zetten criminele regelaars opdrachten uit onder uitvoerders die door (windstreken van) Fryslân heen drugs bezorgen; mogelijk ook (net) over de provinciegrens, in Drenthe of Groningen. In de tweede plaats internationale drugshandel. Daarbij worden drugs naar buitenlandse drugsmarkten vervoerd; in elk geval over de weg en mogelijk/waarschijnlijk ook over het water. Hierbij wordt gebruikgemaakt van ontmoetingsplekken, opgebouwde criminele contacten en faciliterende bedrijven. Er worden ook drugs ingevoerd, dus richting Fryslân. De drugs kunnen vanuit Nederland worden aangevoerd of vanuit het (verre) buitenland, met de optie dat dit over het water gebeurt. In goed georganiseerde drugsnetwerken komt de combinatie van (tenminste) drugshandel en drugsproductie voor, in het bijzonder hennepteelt.
Wat drugsproductie betreft springt hennepteelt in het oog als geworteld crimineel verdienmodel. Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw hebben criminele netwerken hiertoe de kennis, vaardigheden en sociale contacten opgebouwd. Dit stelt hen in staat om geschikte productielocaties te vinden, om aldaar katvangers en regelaars aan het werk te zetten, onder andere om hennepkwekerijen te bouwen. Criminele netwerken zoeken naar locaties voor hennepkwekerijen. Wat dat betreft lijkt er niet een echte voorkeur voor een klein pand (met een bescheiden kwekerij) of juist voor een grote(re) kwekerij op een afgeschermde locatie. Zolang organisatoren buiten schot blijven, lijkt het credo: grijp de kans om een hennepkwekerij op te zetten. De kansen daartoe lijken te zijn toegenomen, onder meer omdat de gespecialiseerde hennepteams bij de politie zijn opgeheven. De forse afname van het aantal aangetroffen hennepkwekerijen wijst, zo bezien, niet op een feitelijke afname van de hennepteelt.
•
Opportunistische vastgoedeigenaren die de georganiseerde criminaliteit op afstand houden, al begaan ze wel overtredingen (b.v. brandonveiligheid). Over Fryslân: Tussen de zeventien Friese gemeenten bestaan verschillen; soms zijn er duidelijke regels over woningverhuur, de andere keer is het regelarm of dat was tot voor kort het geval. Het is hierdoor langer onduidelijk of regels worden overtreden dan in Leeuwarden. Ook het niveau van controle is in de zeventien Friese gemeenten wisselend, net als de doortastendheid bij handhaving. Dat laat ruimte voor misstanden. Respondenten benoemen tal van overtredingen en illegale praktijken, zoals woningverhuur zonder verplichte vergunning; een huursom die (waarschijnlijk) te hoog is; illegale bewoning (bijvoorbeeld in een bedrijfspand of op een vakantiepark); over-bewoning; en/of strijdigheid met brand- en veiligheidsnormen.
•
Ondernemers die de stap lijken te hebben gezet van de onderwereld naar de legale vastgoedmarkt. Of: Vastgoedeigenaren die deel uitmaken van lokale netwerkjes met daarbinnen criminele praktijken. Over Fryslân: Respondenten typeren enkele vastgoedbezitters als ‘overstappers’: van de onderwereld naar vastgoedbezit in de bovenwereld. Het gaat echter om enkele casus (over bescheiden vastgoedportefeuilles) of over een algemeen geformuleerde signalering. Dit fenomeen komt daarmee duidelijk minder vaak naar boven bij het veldwerk dan in de gemeenten Leeuwarden of Groningen. Wél scoren volgens Zicht op Ondermijning negen Friese gemeenten (exclusief Leeuwarden) hoger dan het landelijke gemiddelde van 4,5 procent wat betreft verblijfsobjecten in bezit van natuurlijke- en rechtspersonen met een veroordeling in de afgelopen tien jaar (peiljaar: 2020): Heerenveen (6,7%), Noardeast-Fryslân (6,2%), Harlingen (5,5%), Opsterland (5,4%), Dantumadiel (5,3%), Terschelling (5,0%), Smallingerland (5,0%), Waadhoeke (4,8%) en Súdwest-Fryslân (4,6%). In de categorie vastgoed in het bezit van een rechtspersoon met een veroordeling in de afgelopen tien jaar’ scoort Fryslân duidelijk hoger dan het landelijk gemiddelde: 21,6 procent versus 15,6 procent.
De gemeenten Dantumadiel, Heerenveen, Noardeast-Fryslân en Schiermonnikoog scoren wat dit betreft ongunstig: respectievelijk 43,8; 33,8; 30,4; en 29,3 procent.
•
Ondernemers die bij forse financieringen geld lenen (of op de één of andere manier verkrijgen) van vermogende (rechts)personen. Over Fryslân: Dit troffen we niet aan.
De productie van synthetische drugs (amfetamine, xtc en inmiddels ook meth-amfetamine) is aanzienlijk ingewikkelder dan hennepteelt, al is in de onderwereld op dit vlak in Nederland een subindustrie ontstaan. Productielocaties worden, met piekscores in Limburg en Noord-Brabant, door het hele land heen opgezet. Inmiddels ook in NoordNederland, waaronder Fryslân. Tussen 2017 en 2023 zijn zestien drugslabs ontdekt in Fryslân; nul in 2023 (laagste score) en vijf in 2022 (piekscore). De productie van synthetische drugs is een modern en laagfrequent verschijnsel, terwijl de hennepteelt oud en vertrouwd is en omvangrijk. De prioriteit ligt sinds 2019 bij bestrijding van synthetische drugs-productie, al zijn er belangrijke motieven om de hennepteelt prioriteit te geven. Het komt veel vaker voor, er wordt meer geld mee verdiend en het hennepgeld slaat eerder lokaal of regionaal neer, bijvoorbeeld bij investeringen in vastgoed, bedrijven of nieuwe hennepplantages. Investeringen in eenvoudig vastgoed waren lange tijd aantrekkelijk in Fryslân; relatief goedkoop, met rendement bij verhuur. Er werd geïnvesteerd door lokale (rechts)personen, maar ook van buitenaf, onder meer op de eilanden. De verhuur is deels gericht op toerisme, al worden aan de onderkant van de woningmarkt kwetsbare personen gehuisvest.
Bijvoorbeeld arbeidsmigranten, personen die kampen met sociaaleconomische problemen en /of zorgcliënten. Op winst gerichte vastgoedeigenaren kunnen uiteraard volledig legaal opereren. Op basis van de typologie van vastgoedeigenaren in het rapport ‘Groningse praktijken’ (Van der Torre en Tops, 2022) vallen daarnaast ondermijnende praktijken te typeren:
61
Vakantieparken (en woningen op die parken) zijn een bijzondere niche in de vastgoedmarkt. Respondenten constateren dat parken fungeren als vluchtheuvel: kwetsbare personen en personen die om de één of andere reden klem zitten op de reguliere woningmarkt wijken uit naar een park om daar (illegaal) langdurig te wonen. Het gaat volgens respondenten in beperkte mate om arbeidsmigranten; zij wonen vaker in woningen of bedrijfspanden. De Friese vakantieparken worden niet getypeerd als belangrijke vindplaatsen van criminele activiteiten. Daarbij past wel een disclaimer: gemeenten bezoeken niet vaak of weinig de parken; Waadhoeke zet een traject in gang om (wel) een goed beeld te krijgen. De consequentie is dat een categorie parken tamelijk anoniem is en daarmee aantrekkelijk voor criminelen of criminele praktijken. Er zijn enkele signalen die erop wijzen dat criminelen daarvan gebruikmaken.
procent; 60 cliënten) op plaats 3. Nog twee Friese gemeenten staan in deze top-10: Ooststellingwerf (10,4%; 20 cliënten; plek 4); Heerenveen (8,9%; 30 cliënten; plek 10). Smallingerland (5,5%; 30 cliënten) scoort ook ongunstiger dan het Nederlandse gemiddelde.
In de interviewronde stuiten we op bezorgdheid over sociale onveiligheid onder kwetsbare personen; niet alleen arbeidsmigranten die zijn aangewezen op sobere woonruimte, maar ook zorgcliënten en andere personen met een opeenstapeling van problemen. Er worden koppelingen gelegd tussen zorg en wonen (huren); pandeigenaar en zorgaanbieder werken samen. Dit kan zorgcliënten onder druk zetten: als ze het (mogelijk tekortschietende) zorgaanbod niet accepteren, dreigen ze op straat te belanden. In het verlengde hiervan wordt gewezen op misstanden in de zorg. Er bestaan mogelijkheden om met zorg te frauderen in Fryslân. Deels doordat dit simpelweg voor heel Nederland geldt, maar ook doordat de fraudebestrijding (preventie, detectie, rechtmatigheidsonderzoek en het opleggen van sancties) in de kinderschoenen staat. Respondenten wijzen vooral op signalen over ontoereikende zorg, zoals te weinig (gekwalificeerd) personeel, het leveren van te weinig (uren) zorg of tekortschietende zorg. Een enkele keer wijst een signaal op zorgfraude, maar is dit niet bewezen; respondenten moeten een slag om de arm houden en wij dus ook. Tekortschietende zorg kan worden geaccepteerd of gewaardeerd door cliënten; dan worden ze met rust gelaten, zonder verplichtingen of correcties.
Naast de top-4 worden twee belangrijke fenomenen benoemd door respondenten. In de eerste plaats misstanden die raakvlakken hebben met mensenhandel. In strafrechtelijke zin vergt mensenhandel bewijs van dwang, maar juist personen in een afhankelijke positie leggen bepaald niet snel een verklaring af. Los van het strafrecht kunnen personen onder druk staan vanwege misstanden. Jongeren, arbeidsmigranten, vluchtelingen en prostituées worden onder druk gezet. Dat resulteert onder meer in eenvoudige drugshandel en geld-ezelpraktijken (misdaadgeld op een rekening laten storten); ronselpraktijken onder (voormalige) AZC-bewoners; en arbeidsmigranten die (te?) veel betalen voor sobere woonruimte en/of frequent worden gedwongen tot verhuizing. Er wordt gewezen op een toename van illegale sekswerkers, voornamelijk uit Zuid-Amerika of Thailand; de ‘werkplaats’ verschuift. Bij enkele casus is seksuele uitbuiting vastgesteld; de komaf van de sekswerkers loopt uiteen.
Zicht op Ondermijning heeft in kaart gebracht hoeveel cliënten pgb-zorg ontvangen van zorgaanbieders met een veroordeling. De cijfers over de provincie Fryslân zijn duidelijk ongunstiger dan het Nederlandse gemiddelde. 4,8 procent van de cliënten in Nederland krijgt pgb-zorg van zorgaanbieders met een veroordeling; in Fryslân ligt dit op 6,4 procent. Als een Nederlandse top-10 wordt opgesteld van het hoogste percentage pgb-cliënten die zorg krijgen van zorgaanbieders met een veroordeling, staat Súdwest-Fryslân (11,6%
Zicht op Ondermijning vermeldt ook wat per gemeente het percentage gedeclareerde kosten is voor zorg van zorgaanbieders met een veroordeling, die zorg leveren middels een pgb. Dit percentage wordt berekend door de kosten af te zetten tegen alle gedeclareerde kosten voor zorg van zorgaanbieders die pgb-zorg verlenen. Drie Friese gemeenten behoren tot de top-10 van Nederlandse gemeenten in deze categorie. Het betreft Súdwest-Fryslân (16,8%; €2.303.190; plek 3); Heerenveen (15,9%; €1.306.040; plek 4) en Ooststellingwerf (15,6%; €1.642.250; plek 5).
In de tweede plaats digitale criminaliteit. Dit is één van de misdaadmarkten waarop jongeren en jongvolwassenen in Noord-Nederland actief zijn, mogelijk in combinatie met drugscriminaliteit. Digitale criminaliteit is ingebed in parallelle culturen, waarin het verdienen van (snel) misdaadgeld een doel op zich is. Geweldgebruik en crimineel opportunisme lijken op gespannen voet te staan met de know how die is vereist om digitaal slachtoffers te maken. Toch gaat dit samen, want op het darkweb kunnen digitale tools worden gekocht, waardoor digitale criminaliteit eenvoudiger is dan het lijkt. Als in Fryslân slachtoffers worden gemaakt met digitale criminaliteit, komen de daders - voor zover die in beeld komen - vaker niet dan wel uit de provincie; wel wonen ze relatief vaak in Noord-Nederland.
62
Naast de bovengenoemde fenomenen komen de volgende verschijnselen in beeld: • Illegaal vuurwerk. Er bestaat in Fryslân een markt voor illegale vuurwerkhandel. Er kan onder meer in Duitsland worden ingekocht. Op de illegale vuurwerkmarkt opereren georganiseerde criminelen en criminele profiteurs. • Witwassen. Bij het RIEC Noord-Nederland komen vooral signalen in beeld van witwassen via investeringen in vastgoed en door het ophogen (met misdaadgeld) van de omzet van verschillende ondernemingen. Dit laatste wordt door respondenten onder meer vermoed bij bedrijven die van de wind lijken te leven; wel bedrijfscontinuïteit, en mogelijk zelfs investeringen, maar ogenschijnlijk schiet de klandizie daartoe tekort. Het project ‘Zicht op Ondermijning’ registreerde - van 2011 tot en met 2016 - van zes Friese gemeenten de verdachte transacties. Verreweg de meeste verdachte transacties worden geregistreerd in Leeuwarden: 3.610; 293 per 10.000 inwoners, voor een bedrag van ruim 322 miljoen. Qua absolute aantallen staat Terschelling op de tweede plek: 280 geregistreerde verdachte transacties, ter hoogte van een totaalbedrag van 1.861.000 euro. • Milieucriminaliteit. Het betreft dumpingen van drugsafval, misstanden in de afvalsector, asbestcriminaliteit en mestfraude.
Het blenden van stookolie ligt voor de hand, omdat varen op goedkope (vervuilde) olie - met de hoge energieprijzen - veel geld bespaart.
7.3 DE GEMEENTELIJKE ONDERMIJNINGSAANPAK: ONDERWEG De gemeentelijke aanpak van ondermijning is in Fryslân uit de startblokken, al moet dit in veel gemeenten van ‘ver’ komen. Tot ongeveer 2017 was ‘veiligheid’ in het - lange tijd sterk versplinterde - bestuurlijke landschap geen gemeentelijke prioriteit; ruimtelijke ordening, sociaal beleid en de lokale (toeristische) economie stonden centraal. Op het terrein van het gemeentelijke veiligheidsbeleid lag de prioriteit bij aangiftedelicten en sociale veiligheid. Ondermijning kreeg weinig aandacht. Gemeentelijke inspanningen waren vooral gericht op enkele maatregelen in het kader van de ‘bestuurlijke aanpak van de georganiseerde criminaliteit’, zoals Bibob-toetsing (voornamelijk gericht op horeca of geijkte risicobranches) of Damocles-beleid. Er werden lang weinig middelen (personeel en budget) beschikbaar gesteld voor openbare orde en veiligheid. De schaarse OOVambtenaren hadden veel taken en lang was de ondermijningsaanpak iets voor de Randstad (of Leeuwarden).