CConstaterende datDantumadiel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4. Ontwerp en ETFAL Foarstrjitte 7C de Westereen GEANONIMISEERD

Raadsvergadering (Dantumadiel) 27 mei 2025, gemeente DantumadielBij agendapunt: RV Bindend advies Foarstrjitte 7C te De Westereen23.001 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.10 Geluid door activiteiten In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en moet erin worden voorzien dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is. Bedrijven mogen niet worden belemmerd op basis van nieuwe geluidregels en/of overgangsrecht (Bruidsschat). Toetsingskader Het VNG heeft richtlijnen opgesteld voor milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. Door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies kan hinder en gevaar worden voorkomen. Toetsing In en rondom het projectgebied is geen sprake van geluid door activiteiten. Er zijn geen bedrijven naast of in de

32/134

buurt van het projectgebied gesitueerd die mogelijk worden beperkt of hinder opleveren voor de te realiseren woning. Conclusie Vanuit het milieuaspect geluid door activiteiten worden er geen belemmeringen verwacht voor de beoogde ontwikkeling.

5.11 Geur De gemeente moet in het Omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit is een invulling van een plicht die al geldt vanuit de Omgevingswet. In de Omgevingswet staat dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en 2.4 Omgevingswet). Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven Toetsingskader Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag bepaalt zelf welke mate van geurhinder bij bedrijven nog aanvaardbaar is. In het Omgevingsplan wordt vastgelegd welke gebouwen en locaties beschermd zijn tegen onaanvaardbare geurhinder. De mate van geurbescherming wordt door de gemeente bepaald.

Toetsing De ontwikkeling in het projectgebied betreft een geurgevoelige activiteit. In de omgeving van het projectgebied zijn echter geen geur veroorzakende bedrijven aanwezig. Daarom is het niet noodzakelijk om geurhinder te toetsen. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.12 Omgevingsveiligheid Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik, de productie, opslag en transport van gevaarlijke stoffen en windturbines. In het Bkl is aangegeven wat de afstanden zijn voor het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden van deze risicovolle activiteiten. Met de beoogde ontwikkeling wordt een woning mogelijk gemaakt. De woning is gevoelig gebouw. Toetsingskader

33/134

Aan de hand van de Risicokaart (Atlas voor de leefomgeving) is een inventarisatie gedaan van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Uit de inventarisatie blijkt dat het projectgebied zich niet bevindt in een gebied met externe veiligheidsrisico's. Het projectgebied bevindt zich op ruim 300 meter afstand van een aantal bovengrondse opslagtanks en opstelplaatsen voor voertuigen t.b.v. een slagerijbedrijf. Op figuur 5.4 is te zien dat er voldoende afstand is tussen het projectgebied en de afgebakende zone externe veiligheidsrisico's.

Figuur 5.4

Projectgebied t.o.v. Register Externe veiligheid (Bron: Rho basisviewer)

Conclusie Er bevinden zich geen veiligheidsrisico's in en rondom het projectgebied. Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

5.13 Trilling In § 5.1.4.4 van het Bkl zijn de instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit. Volgens artikel 5.80, eerste lid, Bkl is een trillinggevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

34/134

Langs wegen of in de directe omgeving van bedrijfsmatige activiteiten is alleen aandacht nodig voor trillingen in specifieke situaties (bijvoorbeeld bestaande trillingshinder in de directe omgeving, specifieke activiteiten waarvan bekend is dat deze trillingshinder kunnen veroorzaken). Toetsingskader Er zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regels voor gebouwen opgenomen om trillinghinder door activiteiten te voorkomen. Deze regels zijn gericht op trillingsgevoelige gebouwen, zoals woningen. Toetsing De woning is een trillings-gevoelig gebouw. Het projectgebied bevindt zich niet op korte afstand van activiteiten die trillingen kunnen veroorzaken. Er hoeft geen rekening te worden gehouden met de regels van het Bkl betreffende trillinghinder. Conclusie Het aspect trilling vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.14 Slagschaduw en windhinder Toetsingskader Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient te worden aangetoond dat er geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor het windklimaat in de directe omgeving en de bezonningssituatie ter plaatse van eventueel aanwezige bestaande woningen. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Toetsing De gemeente Dantumadiel heeft geen beleid vastgesteld voor slagschaduw en windhinder. Dit milieuaspect speelt vooral bij hoogbouw. Met het mogelijk maken van een woning op een agrarisch perceel is dit omgevingsaspect niet aan de orde. Conclusie Het aspect slagschaduw en windhinder vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.15 Welstand Algemeen Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29). In artikel 22.7 van de bruidsschat staat dat bestaande bouwwerken niet in ernstige mate in strijd mogen zijn met redelijke eisen van welstand. Toetsingskader

35/134

De welstandsnota van de gemeente Dantumadiel (2016) heeft een aantal welstandsgebieden gemarkeerd. Het project in De Westereen valt buiten de zonering 'Overig waardevolle lintbebouwing' voor de welstandscriteria. Toetsing Het project voorziet in het bouwen van een woning. Er wordt hiermee aangesloten op het bebouwingslint vanuit het zuidwesten van de Foarstrjitte. Het projectgebied valt buiten de zonering voor welstandscriteria. Omdat de nieuwe woning qua uiterlijke verschijningsvorm zal aansluiten bij de omringende bebouwing, is het aannemelijk om de welstandseisen voor de overige waardevolle lintbebouwing van toepassing te verklaren. De gemeente moet hierover een besluit nemen voordat de omgevingsvergunning kan worden verleend. Conclusie De gemeente moet een besluit nemen over welke welstandseisen van toepassing worden verklaard. Op het moment dat de omgevingsvergunning voor bouwen wordt aangevraagd, moet het bouwplan daaraan worden getoetst.

5.16 Cultureel erfgoed Toetsingskader Cultureel erfgoed omvat diverse aspecten, waaronder archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke gebouwen, beschermde stads- en dorpsgezichten, monumentale bomen en het landschap. Voordat plannen worden uitgevoerd, is het noodzakelijk om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van waardevolle elementen binnen deze categorieën. Het doel is om in de ontwikkelingsfase van plannen zoveel mogelijk rekening te houden met deze waarden. De kern van de relevante wetgeving richt zich op het zoveel mogelijk in situ bewaren van archeologische vondsten en het beschermen van cultureel erfgoed en landschappen. Toetsing Voor het bepalen van de archeologische waarden van het projectgebied is de FAMKE geraadpleegd (zie figuur 5.5 en 5.6). Uit figuur 5.5 blijkt dat het projectgebied zich bevindt in een gebied waar zich archeologische resten kunnen bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer 5.000m² een historisch en karterend onderzoek te verrichten. Ook wordt vermoed dat eventueel aanwezige archeologische resten uit de steentijd-bronstijd al ernstig verstoord zijn, maar dit is niet met zekerheid te zeggen is. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer dan 5.000m² een quickscan te verrichten.

36/134

Figuur 5.5 Advies FAMKE ijzertijd-middeleeuwen met projectgebied. (Bron: Friese Archeologische Monumentenkaart Extra) Het advies voor Steentijd-bronstijd volgende uit FAMKE geeft aan dat voor het projectgebied wordt vermoed dat eventuele aanwezige archeologische resten al ernstig verstoord zijn, maar dat dit is niet met zekerheid te zeggen. Zie figuur 5.6 voor het projectgebied ten opzichte hiervan. De provincie beveelt daarom aan om bij ingrepen van meer dan 5000m² een archeologische quickscan te verrichten.

37/134

Figuur 5.6 Advies FAMKE steentijd-bronstijd met projectgebied. (Bron: Friese Archeologische Monumentenkaart Extra) Conclusie Bij ingrepen groter dan 5.000 m2 is een archeologische quickscan noodzakelijk. De ontwikkeling in het plangebied blijft ruim onder die oppervlakte. Daarom is het niet nodig om nader onderzoek uit te voeren en kan worden geconcludeerd dat er vanuit archeologie geen belemmeringen zijn te verwachten. Landschap Het plangebied ligt op de grens tussen het Veenweidegebied en het Woudontginningenlandschap. De veenweidegebieden zijn laaggelegen, matig ontsloten veengronden. De gronden zijn veelal als grasland in gebruik. Het zijn midden- tot grootschalige open gebieden met een langgerekte verkaveling. Er is relatief weinig bewoning. Kenmerkend zijn de miedvaarten en de Swemmer (waterplas ten noorden van De Westereen). Voorkomende beplanting bestaat uit veenvegetaties en moerasbos. De wegen zijn meestal niet beplant. Het Woudontginningenlandschap wordt gekenmerkt door lange bebouwingslinten (wegdorpen) met haaks daarop zeer langgerekte, opstrekkende percelen, ook wel regelmatige strokenverkaveling genoemd. De smalle percelen zijn voorzien van houtwallen of op de lagere delen elzensingels. De houtwallen en singels geven het landschap een zeer kleinschalig karakter. De singels bestaan vooral uit zwarte els en komen vrijwel altijd voor langs een sloot of greppel.

In dit landschapstype komen veel pingoruïnes en dobben voor. De grond bestaat uit humeuze dekzandgronden. Plaatselijk is een landgoederenstructur opgenomen in de verkaveling. De huidige karakteristiek en onderscheidende kwaliteit van het veenweidegebied worden gevormd door de volgende kenmerken en waarden: Openheid Midden- tot grootschaligheid Langgerekte verkaveling (smalle, lange kavels) De lintbebouwing (Foarstrjitte) is kenmerkend voor het woudontginningenlandschap. Toetsing In de omgevingsvisie Dantumadiel 2023 geldt als 'Strategie Veenweidegebied': Handhaven en versterken openheid van het veenweidegebied; Versterken en ontwikkelen van de NatuurNetwerk Nederland natuuras, waarbij de (oorspronkelijke) landschappelijke karakteristieken ondersteund worden. Bij de ontwikkeling in het plangebied wordt aansluiting gezocht bij het bestaande bebouwingslint. Ten oosten van de nieuwe kavel wordt de openheid van het landschap en het zicht op de woningen op Foarstrjitte 9 behouden. De impact van de ontwikkeling op het landschap is daarmee beperkt. Conclusie In het -erfinrichtingsplan voor de beoogde ontwikkeling van een woning geldt het streven naar behoud van landschappelijke elementen als uitgangspunt. De verkavelingsstructuur blijft behouden en de beoogde bebouwing sluit aan bij het bestaande bebouwingslint aan de Foarstrjitte.

38/134

Cultuurhistorie Om de cultuurhistorische waarden vast te stellen is de cultuurhistorische waardenkaart (CHK2) van de provincie Fryslân geraadpleegd. Toetsing Aan de hand van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie is gekeken naar de cultuurhistorische elementen in en nabij het projectgebied. Binnen en rondom het projectgebied bevinden zich geen waardevolle cultuurhistorische elementen. Conclusie De aspecten archeologie, landschap en cultuurhistorie zijn geanalyseerd. De voorgenomen ontwikkeling van een woning aan de Foarstrjitte houdt rekening met deze aspecten. Er zijn vanuit deze aspecten geen belemmeringen voor de gewenste ontwikkeling.

5.17 Bodem Toetsingskader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve Omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het Omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Toetsing Bij wijzigingen van activiteiten en het bouwen geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Wonen is een bodemgevoelige functie, waarvoor door middel van een bodemonderzoek moet worden aangetoond dat de bodem- en grondwaterkwaliteit geschikt is voor de functie. Een bodemgevoelig gebouw is: en gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of een woonschip of woonwagen. Een woning is een bodemgevoelig gebouw.. Om eventuele belemmeringen in te schatten is het Bodemloket geraadpleegd. In het Bodemloket (figuur 5.7) zijn geen gegevens beschikbaar over bodemverontreinigende activiteiten die hier hebben plaatsgevonden.

Vanwege het agrarische gebruik van het perceel geldt als uitgangspunt dat de bodem voldoende kwaliteit heeft voor de gewenste activiteiten. Bij het aanvragen van de omgevingsvergunning voor bouwen zal met een bodemonderzoek worden aangetoond dat de grond geschikt is voor beoogde functie.

39/134

figuur 5.7

Bodeminformatie projectgebied (Bron: Bodemloket)

Conclusie Vanwege de huidige functie en gebruik geldt als uitgangspunt dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Met een bodemonderzoek zal de bodemkwaliteit worden geanalyseerd in het kader van de vergunning voor bouwen .

5.18 Water Bij verlening van een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en dienen voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder te worden betrokken. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn: watercompensatie in verband met toenemende verharding; waterkwaliteit, bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning; bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken; waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater, (Industriële) lozingen en of lozing oppervlaktewater. Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn: bescherming van primaire waterkeringen (artikel 5.38 Bkl); behoud waterveiligheid kust (artikel 5.40 Bkl); behoud waterveiligheid grote rivieren (artikel 5.46 Bkl); IJsselmeergebied (artikel 5.49 Bkl).

40/134

Toetsing De digitale watertoets (bijlage 5) is doorlopen om inzichtelijk te maken of er belangen van het Waterschap geraakt worden als gevolg van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Hieruit blijkt dat het initiatief moet worden afgestemd met het Waterschap omdat er waterschapsbelangen worden geraakt. Het waterschap beveelt aan om het projectplan kenbaar te maken en een 'normale procedure met advies' te volgen. Er hoeven geen compenserende maatregelen voor verharding genomen te worden, omdat het te verharden oppervlak onder de grenswaarde van 1500 m2 blijft. Conclusie Voor het aspect water moet het project kenbaar gemaakt worden bij Wetterskip Fryslân. Er hoeven geen compenserende maatregelen voor de toenemende verharding worden genomen.

5.19 Spuitzones Toetsingskader Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zal bij ontwikkelingen in de omgeving van agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen (kunnen) worden gebruikt, moeten worden aangetoond dat er geen sprake is van onaanvaardbare gezondheidsgevolgen. De Rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Op grond van diezelfde rechtspraak is het mogelijk om deze afstand te verkleinen indien daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Die motivering moet gebaseerd zijn op zorgvuldig locatiespecifiek onderzoek. Toetsing Het projectgebied is gelegen op een agrarisch perceel met de bestemming 'Agrarisch - Veenlandschap'. Het land is momeneel niet in gebruik voor teelten. Er is geen sprake van agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Conclusie Uit bovenstaande motivering blijkt dat de woning niet binnen een spuitzonegevoelig gebied valt. Voor het aspect spuitzones worden geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling verwacht.

41/134

Hoofdstuk 6

Financiële haalbaarheid

Economische uitvoerbaarheid In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch uitvoerbaar is. Dit houdt in dat: 1. de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn en 2. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn. Financiële uitvoerbaarheid De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling betreft de realisatie van een woning. De gemeente faciliteert de planologische procedure om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Als uitgangspunt geldt dat de initiatiefnemer beschikt over de benodigde financiële middelen om de woning mogelijk te maken. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan. Kostenverhaal Wie een woning, bedrijfspand of ander gebouw bouwt of verbouwt, moet hiervoor in veel gevallen een bijdrage betalen aan het bevoegd gezag. Deze bijdrage is onder andere voor de kosten van het opstellen van plannen, het aanleggen van openbare voorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte. Dit wordt kostenverhaal genoemd. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op het mogelijk maken van 1 woning. De beoogde ontwikkeling is een kostenverhaalplichtige activiteit. Het is verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval het kostenverhaal is verzekerd.

De ambtelijke kosten worden vergoed door de initiatiefnemer. Deze kosten zijn bepaald in de legesverordening van de gemeente Dantumadiel. De eventuele nadeelcompensatie komt voor rekening van de initiatiefnemer. Dit is vastgelegd in een overeenkomst. Het kostenverhaal is privaatrechtelijk geregeld tussen gemeente en initiatiefnemer. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.

42/134

Hoofdstuk 7

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

In dit hoofdstuk wordt gemotiveerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd. Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht in deze motivering. Conclusie Op basis van de onderzochte relevante aspecten in de vorige hoofdstukken kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De vergunning voor het mogelijk maken van een woning aan de Foarstrjitte 7C in De Westereen kan worden verleend.

43/134

44/134

Bijlagen

45/134

46/134

Bijlage 1

47/134

Erfinrichtingsplan

ERFINRICHTINGSPLAN FOARSTRJITTE 7C DE WESTEREEN DATUM OPDRACHTGEVER PROJECTNR

: 22 oktober 2024 :

colofon DATUM PROJECT OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER PROJECTLEIDER AUTEURS CONTACT T: 058- 2564055 W: www.rho.nl

22 oktober 2024 erfinrichtingsplan Foarstrjitte 7c De Westereen 20231335

INHOUDSOPGAVE 1.

2.

3.

INLEIDING 1.1

DE OPGAVE

1.2

LEESWIJZER

ANALYSE LANDSCHAP 2.1

DE LOCATIE EN OMGEVING

2.2

BODEM

2.3

HOOGTELIGGING EN GEOMORFOLOGIE

2.4

HISTORISCHE ONTWIKKELING

2.5

LANDSCHAP

BELEID 3.1

PROVINCIAAL BELEID

3.2

GEMEENTELIJK BELEID

3

5

13

4.

KERNKWALITEITEN EN UITGANGSPUNTEN

19

5.

ERFINRICHTINGSPLAN

22

| Erfinrichtingsplan Foarstrjitte 7C De Westereen | 3 / 26

1. INLEIDING

1.1 DE OPGAVE

1.2 LEESWIJZER

Ten oosten van Foarstrjitte 7B in De Westereen, op een perceel dat kadastraal bekend staat als Veenwouden sectie L nr. 200, is agrarisch gebied aanwezig. De eigenaar van deze gronden is voornemens om deze agrarische bestemming te herbestemmen naar een woonbestemming en hier een nieuwe woning te bouwen. De beoogde ontwikkeling is in strijd met het geldende bestemmingsplan ‘Butengebiet Dantumadiel’, omdat binnen de bestemming ‘Agrarisch – Veenlandschap’ geen woningen zijn toegestaan. Om medewerking te kunnen verlenen, moet een planologische procedure worden doorlopen. In een informatieverzoek heeft de gemeente Dantumadiel aangegeven positief te staan tegenover deze ontwikkeling. De gemeente heeft gevraagd om een erfinrichtingsplan, om ervoor te zorgen dat de nieuwe woning zorgvuldig stedenbouwkundig en landschappelijk wordt ingepast. De woning dient hierbij aan te sluiten bij het bestaande lint aan Foarstrjitte. Ook heeft de gemeente aangegeven dat er in verband met de landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing tenminste 60 meter moet worden vrijgehouden tussen de beoogde woonkavel en de onverharde weg naar de bebouwing op Foarstrjitte 9.

In hoofdstuk 2 worden de huidige landschapskarakteristieken geanalyseerd, aan de hand van foto’s, kaarten en de historische ontwikkeling van de omgeving. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het (landschaps)beleid van de gemeente Dantumadiel en de provincie Fryslân. Op basis van de analyse van het landschap, het plangebied in zijn directe context en het gemeentelijk beleid ten aanzien van landschappelijke kwaliteit, worden in hoofdstuk 4 de kernkwaliteiten van het huidige landschap benoemd. Ook worden puntsgewijs de ontwerpuitgangspunten vanuit het beleid en het landschap geformuleerd. Deze kernkwaliteiten en uitgangspunten worden in hoofdstuk 5 als basis genomen om te komen tot een zorgvuldige landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing en erfinrichting voor de gewenste ontwikkeling aan de Foarstrjitte.

het plangebied naast Foarstrjitte 7b De Westereen

| Erfinrichtingsplan Foarstrjitte 7C De Westereen | 5 / 26

2. ANALYSE LANDSCHAP

2.1 DE LOCATIE EN OMGEVING De locatie naast Foarstrjitte 7B Westereen ligt in aan de noordwestrand van de kern De Westereen. Vroeger heette De Westereen Zwaagwesteinde. De Westereen is één is een van de elf dorpen van de gemeente Dantumadeel, provincie Fryslân. Het dorp ligt ongeveer 20 kilometer ten oosten van Leeuwarden, 25 kilometer ten noorden van Drachten en 15 kilometer ten zuiden van Dokkum. De Westereen telt ongeveer 5.000 inwoners en ligt aan de spoorlijn Groningen - Leeuwarden. De naam De Westereen betekent het westelijk einde (van Kollumerzwaag). De Westereen ligt in het gebied van de Fryske Wâlden (Friese Wouden), een gebied dat zich kenmerkt door de vele elzensingels, houtwallen en pingo’s. Vroeger strekte zich hier een groot heidegebied uit op de arme zandgrond. De locatie naast Foarstrjitte 7B ligt circa 200 meter ten oosten van de Nije Feart (zie foto 5 op volgende pagina). Ten noorden van de locatie ligt de waterplas De Zwemmer (foto 8). De noordzuid lopende Miedloane is voorzien van laanbeplanting (eiken) en een struiklaag met onder andere elzen. De naam Miedloane verwijst naar de mieden, laaggelegen hooilanden. Deze voormalige hooilanden aan weerszijden van de weg hebben een vrij open karakter. Op de perceelsgrenzen zijn hier en daar plukken met elzen aanwezig. De bebouwing aan de Foarstrjitte bestaat uit vrijstaande woningen, veelal van één laag met kap.

De bebouwing staat over het algemeen haaks op de weg, met wisselende rooilijnen (zie foto’s 3, 6 en 9). Aan de Foarstrjitte zijn nog enkele kleine wâldhúskes te vinden (zie foto 9), evenals een fraai kerkje en het pand van Baarsma handelsvereeniging (‘sinds 1891’). Ook staan er enkele fraaie oude bomen, als rode beuk, eik en es (zie foto 6).

| Erfinrichtingsplan Foarstrjitte 7C De Westereen | 7 / 26

1. naastgelegen woning Foarstrjitte 7b

2. de Foarstrjitte en inrit naar nummer 9

3. lintbebouwing aan de Foarstrjitte

4. het plangebied met zicht op natuurgebied rondom De Zwemmer

5. het kanaal de Nije Feart

6. karakteristieke bebouwing aan de Foarstrjitte, met fraaie kastanjeboom links

7. plangebied met zicht op de woningen op nummer 9

8. De Zwemmer

9. karakteristiek waldhûs

| Erfinrichtingsplan Foarstrjitte 7C De Westereen | 8 / 26

2.2 BODEM EN GEOMORFOLOGIE Bodem De bodem van het plangebied bestaat veldpodzolgronden. Deze gronden bestaan uit humuspodzolgronden zonder ijzerhuidjes en met een dunne humushoudende bovengrond. De bovengrond bestaat uit leemarm of zwak lemig fijn zand.

Geomorfologie Geomorfologisch bestaat de ondergrond van het plangebied uit ontgonnen veenvlakte. Deze veengronden zijn voor de winning van turf afgegraven. De veengronden zijn, voor zover niet als brandstof of voor zoutwinning gebruikt, na de ontginning in de Middeleeuwen sterk geklonken. Kenmerkend voor deze gebieden is de opstrekkende cope-verkaveling, met een dichtpatroon van parallelle sloten met hoge waterstanden. De tussenliggende kavels hebben dikwijls een hol profiel als gevolg een sterkere oxidatie en bodemdaling ten opzichte van de naast liggende slootranden. Het veen is soms met een dunne laag klei of zand bedekt, waarvan de herkomst niet altijd te achterhalen valt. Ook komen er grondmorenewelvingen voor.

bodemkaart (www.bodemdata.nl/basiskaarten

| Erfinrichtingsplan Foarstrjitte 7C De Westereen | 9 / 26

geomorfologische kaart (www.bodemdata.nl/basiskaarten

2.3 HOOGTELIGGING Onderstaande kaarten zijn afkomstig van de Algemene Hoogtekaart Nederland (AHN). Hierop is te zien dat er zich zowel hoge als lage gebieden bevinden. De projectlocatie ligt op de overgang van hoge gronden (oranje/geel) aan de zuidzijde naar lage gronden (groen/blauw) aan de noordzijde. De hoogte van de projectlocatie is ongeveer 0.00 m tot 0.50 m + NAP. Opvallend zijn de sloten en greppels in noord(oost) - zuid(west) richting. Hiernaast zijn de hoogteprofielen van het plangebied te zien: op de figuur boven is de dwarsdoorsnede van noord naar zuid te zien, deze loopt iets op naar het zuiden. Op de figuur eronder is de dwarsdoorsnede van west naar oost te zien. Hier is te zien dat het plangebied van west naar oost iets oploopt.

dwarsdoorsnede plangebied van noord naar zuid

dwarsdoorsnede plangebied van west naar oost

hoogteligging AHN4 (ynamische opmaak); De Westereen

AHN4 verder ingezoomd

| Erfinrichtingsplan Foarstrjitte 7C De Westereen | 10 / 26

AHN4 ingezoomd op plangebied

2.4 HISTORISCHE ONTWIKKELING De historische kaarten van Topotijdreis en Atlas van de Leefomgeving tonen hoe het gebied zich heeft ontwikkeld van 1900 tot begin 21e eeuw. Op de kaart van rond 1900 is te zien dat zowel de watergang de Nije Feart als de doorgaande route Foarstrjitte al aanwezig waren. Aan de Foarstrjitte staan al verscheidene huizen. De verkavelingsstructuur in noord(oost) naar zuid(west) richting is ook goed zichtbaar. Verder valt op dat de gronden ten zuiden van de Foarstrjitte voor akkerbouw worden gebruikt (met beplanting op de kavelgrenzen), en de gronden ten noorden voor grasland (met sloten als kavelgrenzen). Op de zuidelijk gelegen (zand)gronden zijn kleine hutten (wâldhúskes) te vinden. Op de kaart van rond 1950 vallen de moerasgronden aan de westzijde op. Direct ten noorden van de planlocatie is in de jaren 30 van de vorige eeuw een boerderij opgericht. Deze is recent vervangen door nieuwe bebouwing. Rond 2000 is De Westereen flink gegroeid, tot aan de Foarstrjitte. Tussen 2000 en 2010 is de waterplas De Zwemmer uitgegraven.

1900

1950

2000

2023

hut/ wâldhúske in De Westereen (ongedateerd, Google)

wâldhúske (foto Jan Dijkstra, Google)

| Erfinrichtingsplan Foarstrjitte 7C De Westereen | 11 / 26

2.5 LANDSCHAP Het plangebied ligt op de grens tussen het Veenweidegebied en het Woudontginningenlandschap. De veenweidegebieden zijn laaggelegen, matig ontsloten veengronden. De gronden zijn veelal als grasland in gebruik. Het zijn midden- tot grootschalige open gebieden met een langgerekte verkaveling. Er is relatief weinig bewoning. Kenmerkend zijn de miedvaarten en de Swemmer (waterplas ten noorden van De Westereen). Voorkomende beplanting bestaat uit veenvegetaties en moerasbos. De wegen zijn meestal niet beplant. Het Woudontginningenlandschap wordt gekenmerkt door lange bebouwingslinten (wegdorpen) met haaks daarop zeer langgerekte, opstrekkende percelen, ook wel regelmatige strokenverkaveling genoemd. De smalle percelen zijn voorzien van houtwallen of op de lagere delen elzensingels.

| Erfinrichtingsplan Foarstrjitte 7C De Westereen | 12 / 26

De houtwallen en singels geven het landschap een zeer kleinschalig karakter. De singels bestaan vooral uit zwarte els en komen vrijwel altijd voor langs een sloot of greppel. In dit landschapstype komen veel pingoruïnes en dobben voor. De grond bestaat uit humeuze dekzandgronden. Plaatselijk is een landgoederenstructur opgenomen in de verkaveling. De huidige karakteristiek en onderscheidende kwaliteit van het veenweidegebied wordt gevormd door de volgende kenmerken en waarden: Openheid Midden- tot grootschaligheid Langgerekte verkaveling (smalle, lange kavels) De lintbebouwing (Foarstrjitte) is kenmerkend voor het woudontginningenlandschap.

3. BELEID

3.1 PROVINCIAAL BELEID 3.1.1

Grutsk op ‘e Romte

De provincie Fryslân heeft in 2014 de structuurvisie ‘Grutsk op ‘e Romte’ opgesteld. Op basis van een onderverdeling in landschappelijke landschapstypen en deelgebieden worden op provinciaal niveau uitgangspunten gegeven voor ingrepen in het landschap. De landschappelijke en cultuurhistorische structuren die van provinciaal belang zijn worden in samenhang geanalyseerd, gewaardeerd en van een richtinggevend advies voorzien. De provincie is ingedeeld in 11 deelgebieden. Het projectgebied ligt in het deelgebied Noordelijke Wouden. Kenmerkend voor de Noordelijke Wouden zijn: 1. Kleinschaligheid van het gebied met hoge dichtheid aan opstrekkende percelen (richting aan het landschap gevend), grensbeplanting van houtwallen en elzensingels ('in' de slootrand) en een dicht netwerk van kleinschalige infrastructuur (zandpaden en sloten), veenontginningsdorpen met verspreide bebouwing of dun bebouwde linten met een grillig verloop. In en nabij de dorpskernen dichter bebouwde linten en buurten. 2. De overgang (contrast) van dichte, gerichte verkavelingsstructuren van elzensingels en houtwallen op de zandgronden naar het open veenweidegebied en het kleigebied. 3. De samenhang van historische wegen met bebouwingslinten en rijke schakeringen aan wegbeplanting in verschillende vormen: singels, bomen, hagen.

Op een aantal locaties de bossen behorend bij landgoederen in samenhang met het landschap. 4. Een aantal plekken waarbij kleinschalige ontginningen nog herkenbaar gekoppeld zijn aan eenvoudige woningbouwvormen. 5. De Friese esgebieden rond de Burgumer Mar en Westergeest met de daarbij horende 'Friese' esdorpen met de kenmerkende, afwijkende structuur ten opzichte van omliggende, voornamelijke opstrekkende verkavelingen. 6. De herkenbaarheid en beleefbaarheid van het natuurlijke reliëf in de vorm van dekzandruggen, de vele pingoruïnes, vuursteenvindplaatsen en kleine stuifduinen in restanten van voormalige heidevelden. 7. De karakteristieke langgerekte verkaveling- en bebouwingsstructuren van de hoogveenontginningsgebieden met bijbehorend watererfgoed (vaarten, wijken, bruggen). 8. Karakteristieke blokvormige structuren en verkavelingen met verspreide bebouwing in de heideontginningsgebieden.

| Erfinrichtingsplan Foarstrjitte 7C De Westereen | 14 / 26

Het projectgebied ligt op de grens van twee landschapstypen: het veenweidegebied (roze op de kaart) en het woudontginningenlandschap ( beige op de kaart).

Het Veenweidegebied Kernkwaliteiten van het Veenweidegebied: Bodem en ondergrond; laaggelegen veenvlaktes met afgravingen en veenresten, plaatselijk bedekt door een kleilaag Maat en schaal; middenschalig Structuren; grootschalig aaneengesloten open gebieden zonder geleding Dorpen; vrijwel onbebouwd gebied Boerenerven; verspreid voorkomende recente agrarische ontwikkelingen Wegen; extensief ontsloten gebied Water; miedvaarten, poelen en plassen, kanalen (Prinses Margrietkanaal, De Swemmer) Verkaveling; voornamelijk opstrekkend Beplanting; veenvegetaties; moerasbos; vrijwel onbeplante wegen Kernkwaliteiten van het Veenweidegebied volgens CHK (Cultuurhistorische kaart)/ FAMKE (Friese Archeologische Monumentenkaart Extra): verkaveling, opstrekkende boerderijplaatsen, verspreid liggend bebouwing, verspreid liggend kleine boerderijen nederzettingen, vrij korte bebouwingslinten

Het woudontginningenlandschap Kernkwaliteiten van het woudontginningslandschap: Bodem en ondergrond; humeuze dekzand met plaatselijk reliëf, pingoruïnes en dobben Maat en schaal; zeer kleinschalig Structuren; lange bebouwingslinten met wegbeplanting met voornamelijk haaks daarop staande van houtwallen of singels voorziene opstrekkende percelen met een gevarieerde lengtebreedte verhouding 1:4 tot 1:5 tot rechthoekige percelen; plaatselijk landgoederenstructuren opgenomen in de verkaveling Dorpen; wegdorpen en lintbebouwing Boerenerven; verspreid liggend opgenomen in de houtwallen- en elzensingelpatroon aan zandpaden en wegen Wegen; enkele hoofdwegen, intensief ontsloten door (zand)paden en (zand)wegen

| Erfinrichtingsplan Foarstrjitte 7C De Westereen | 15 / 26

Water; vaarten, kanalen, veel verspreid voorkomende pingoruïnes en dobben Verkaveling; zeer langgerekte opstrekkende verkaveling Beplanting; elzensingels (lagere delen met sloten) en houtwallen( hogere delen), wegbeplanting, plaatselijk lanen en landgoedbossen Kernkwaliteiten van het woudontginningslandschap volgens CHK (Cultuurhistorische kaart)/FAMKE (Friese Archeologische Monumentenkaart Extra): leidijken vaarten, trekvaarten en wijken verkaveling, opstrekkende houtwallen en elzensingels patroon van (zand)paden eendenkooien boerderijplaatsen lineaire dorpen kloosters, uithoven, kerken, stinzen- en staten(terreinen), landgoederen/ buitenplaatsen kleinschalige, karakteristieke bebouwing: kleine boerderijen, arbeiderswoningen, zuivelfabrieken aan de vaarten beschermde dorpsgezichten.

3.2 GEMEENTELIJK BELEID 3.2.1

Bestemmingsplan De Westereen-kom (2013)

In de Toelichting op het bestemmingsplan wordt de karakteristieke bebouwing van Dantumadiel omschreven: De oudere boerderijen die in de gemeente voorkomen zijn van het kop-hals-rompen het op-romp-type. Dit laatste is het op de zandgronden meest algemene type. Later zijn ook terpboerderijen en varianten daarvan, zoals het Bergumermeer-type, in de gemeente gebouwd. Een woningtype dat vanaf de 19de eeuw karakteristiek is voor Dantumadiel en nog vrij veel voorkomt, is de woning onder schilddak. Dit is een woning met een lage goot en een vrij steil dak. Zowel arbeiders- als voornamere woningen kregen vaak een schilddak. Doorgaans zijn deze woningen met de langste gevel naar de weg (of het water) gebouwd. Aan de Foarstrjitte staan diverse karakteristieke panden. Daarnaast is in de toelichting op het bestemmingsplan aangegeven dat op sommige plekken aan deze straat plekken zijn die in aanmerking komen voor invulling met woningbouw. Ten westen en zuiden van het plangebied liggen aan de Foarstrjitte gronden met de bestemming Wonen. Aan de Foartrjitte ligt een strook met de bestemming Tuin. De voorgevelrooilijnen verspringen.

| Erfinrichtingsplan Foarstrjitte 7C De Westereen | 16 / 26

3.2.2

Bestemmingsplan Butengebiet Dantumadiel (2013)

Het plangebied zelf heeft de Bestemming Agrarisch - Veenlandschap. Ten westen heeft de grond een Natuurbestemming. Ten noorden van de agrarische bestemming geldt een woonbestemming voor de bebouwing op Foarstrjitte 9. Hier zijn maximaal 2 woningen toegestaan.

3.2.3

Omgevingsvisie Dantumadiel 2023

De Omgevingsvisie vormt een kader op hoofdlijnen voor heel Datumadiel. Er geldt een jamits principe: in goed overleg is er veel mogelijk. Omgevingskwaliteit, de zichtbaarheid van de ontstaansgeschiedenis en het leesbaar houden van de landschapstypen spelen hierbij een belangrijke rol.

Strategie veenweidegebied • Handhaven en versterken openheid van het veenweidegebied • Versterken en ontwikkelen van de natuuras, waarbij de (oorspronkelijke) landschappelijke karakteristieken ondersteund worden.

Veenweidelandschap Een groot deel van de gemeente hoort tot het veenweidelandschap. Het landschapstype bestaat uit laaggelegen graslanden, open water, rietlanden, bosjes en moeras. Ook de aanwezigheid van veel watermolens bepaalt het landschapsbeeld. De molens benadrukken de openheid en vertellen het verhaal van de waterbeheersing in het verleden. Van oudsher woonden hier weinig mensen en was het gebied weinig ontsloten. De moerassen in het gebied vormen de (toekomstige) groene as van natuurgebieden van Leeuwarden tot het Lauwersmeer. In groter perspectief maakt deze ‘natuuras’ deel uit van Natuurnetwerk Nederland (NNN), die diagonaal over ons land gesitueerd ligt van Zeeland tot het Lauwersmeer. De kaart van de Omgevingsvisie Dantumadiel laat een groot doorlopend natuurgebied (Natuurnetwerk Nederland (NNN) ten noordwesten van de projectlocatie zien, en ten noorden open agrarisch gebied (veenweide- miedenlandschap), bestaande uit veengebied op een ondergrond van zand, een open tot half open waterrijk landschap.

Identiteitsdragers Veenweidelandschap en randen • Openheid met grenzen • Molens • Puntsgewijze verdichtingen • Besloten randen door bossen en singels • Natte as • Waterrijkdom Identiteitsdragers De Westereen en omgeving • Tweedeling van ruimtelijke structuur (Voorstraat versus de rest van De Westereen) • ‘Willekeurige’/onregelmatige bebouwingsstructuren • ‘Achteruitleggen’ woningen • Ontbreken van een hoofdrichting • Rommelige kampjes • Aanwezigheid van singels.

| Erfinrichtingsplan Foarstrjitte 7C De Westereen | 17 / 26

legenda:

3.2.4

Landschaspsbeleidsplan 2003

In de gemeente is een aantal ontwikkelingen gaande waarvoor een landschappelijke context belangrijk is. Hiertoe is in 2003 een landschapsbeleidsplan opgesteld. Dit plan schept een kader voor een scala van maatregelen die betrekking hebben op landschap en natuur in Dantumadiel. Het landschapsbeleidsplan verwoordt een visie waarbij zowel het behouden en versterken van het kenmerkende landschap als de diverse ontwikkelingsmogelijkheden een belangrijke rol spelen. Per landschapstype zijn in het plan één of meer strategieën uitgezet. De Westereen valt binnen het gebied ‘De Wouden’. Het behoud en versterken van het besloten landschap van noord-zuid gerichte elzensingels is hier een belangrijk streven. Tegelijkertijd is in De Wouden een groot aantal ontwikkelingen aan de orde, zoals de ontwikkeling van de Centrale As en de toename van bedrijvigheid. Binnen het gebied De Wouden is voor De Westereen en omgeving uitvoerig ingegaan op de te behouden en te versterken waarden. Als identiteitsdrager voor het plangebied wordt met name de tweedeling van het dorp genoemd; het lijnvormige karakter van de noordzijde met boerderijen en aaneengesloten bebouwingsstroken, en de wat onregelmatige inrichting van het zuiden met verspreide bebouwing en open, groene percelen. (tekst uit Bestemmingsplan De Westereen-Kom)

| Erfinrichtingsplan Foarstrjitte 7C De Westereen | 18 / 26

4. KERNKWALITEITEN EN UITGANGSPUNTEN

4.1 KERNKWALITEITEN Op basis van de analyse van het landschap, het plangebied in zijn directe context en het provinciale en gemeentelijk beleid ten aanzien van landschappelijke kwaliteit, worden de kernkwaliteiten van het huidige landschap benoemd. De huidige karakteristiek en onderscheidende kwaliteit van de projectlocatie aan de Foarstrjitte en de directe omgeving wordt gevormd door de volgende kenmerken en waarden:

• De bebouwing aan de Foarstrjitte bestaat voornamelijk uit woonbebouwing van één laag met kap, kent een gevarieerde rooilijn, bestaat uit rode baksteen en zwarte dakpannen. • Hier en daar staan fraaie solitaire bomen in de voortuinen (rode beuk, eik, els, berk en kastanje). • Tussen de oprit naar het bebouwingscluster 9 en 9a en de bebouwing van nr 11 is een klein bosje aanwezig.

Het landschap/ de omgeving

Het plangebied Foarstrjitte naast 7b

• Veenweidegebied (ten noorden en westen van plangebied): middel- tot grootschalig, open veenpolders. • Woudontginningenlandschap (ten oosten van plangebied): middel- tot kleinschalig, besloten gebied. • De karakteristieke langgerekte verkavelingsstructuur/ de opstrekkende verkaveling. • De verkavelingsrichting van noord(oost) naar zuid(west) loopt parallel aan de Nije Feart. • De polders zelf zijn vrijwel onbebouwd gebied. • De aanwezigheid van historische bebouwingslinten, veelal met arbeiderswoningen; ook de Foarstrjitte is zo’n bebouwingslint. • De polder is een laaggelegen gebied (ca 0.0 m NAP). • De polder loopt van oost naar west iets af. Deze gradiënt verloopt heel geleidelijk. • De bebouwing aan de Foarstrjitte (en ook De Westereen) is hogergelegen. Ook het plangebied, aansluitend aan de bebouwing van de nrs 3 tot 7b, is hogergelegen. • Water: vaarten (Nije Feart), sloten, greppels en meer ten oosten verspreid voorkomende pingoruines en dobben. • Beplanting in de polder: veenvegetaties, moerasbos, vrijwel onbeplante wegen. • Het natuurgebied tegen de Nije Feart is een open landschap. Het is openbaar toegankelijk. • Houtsingels (mn elzen) in hogergelegen deel van het woudontginningenlandschap, verder naar het oosten.

De Foarstrjitte • De Foarstrjitte is een brede, doorgaande route, zonder laanbeplanting. • De aanwezigheid van het historische bebouwingslint Foarstrjitte, deels met oude arbeiderswoningen. • De bebouwing van De Westereen en de Foarstrjitte is hogergelegen. • Vanaf de Foarstrjitte is op sommige plekken zicht op het open landschap ten noorden.

| Erfinrichtingsplan Foarstrjitte 7C De Westereen | 20 / 26

• Het plangebied ligt aan het bebouwingslint, aansluitend aan de bebouwing van de nrs 3 tot 7b. • Ook het plangebied, aansluitend aan de bebouwing van de nrs 3 tot 7b, is hogergelegen. • Ten oosten van Foarstrjitte is tussen de nrs 7b en 11 hier en daar zicht op het open landschap ten noorden en de bebouwing van het kleine bebouwingscluster (nrs 9 en 9a). • De bebouwing van nrs 7a en 7b kent een afwijkend gevelkleurgebruik en bestaat uit gele en zwarte (antraciet) baksteen. • Tussen de voortuinen van de bebouwing aan de noordzijde van de straat en de straat zelf is een berm en een vrij brede sloot aanwezig . • Het zicht op het achterliggende landschap wordt beperkt door elzenopschot in de sloot naast de Foarstrjitte.

4.2 UITGANGSPUNTEN Op basis van de kernkwaliteiten (de huidige karakteristiek en onderscheidende kwaliteit) van de locatie Foarstrjitte 7C en de omgeving worden de ontwerpuitgangspunten benoemd. Deze uitgangspunten leiden vervolgens tot het erfinrichtingsplan.

• Sluit bij het bouwen in / aan een lint aan op de lintstructuur. • Oriënteer de bebouwing op de weg Foarstrjitte. • ‘Korte zijde bebouwing aan weg’.

Algemeen/ landschap

Erfafscheidingen

• Nieuwe ontwikkelingen dienen bij te dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek. • De ontwikkeling dient kwaliteit toe te voegen aan het bestaande geheel. • Behoud en versterk de (historische) kenmerken van het landschap en de bestaande waardevolle landschapselementen. • Behoud en versterk de verkavelingsstructuur met smalle kavels en sloten op de kavelgrenzen. • Behoud en versterk het historische bebouwingslint. • Er dient samenhang te zijn tussen bebouwingsrichting en verkaveling. • Versterk het contrast tussen de open gebieden van het mieden- en polderlandschap en het besloten woudenlandschap.

Bebouwing • Zorg voor samenhang tussen de verkaveling en de bebouwingsrichting. • Zorg bij de realisatie van nieuwe bebouwing voor zorgvuldig ruimtegebruik. Hierbij is de concentratie van de bebouwing wenselijk. • Houd bij de aanleg van erven en nieuwe bebouwing rekening met bestaande waardevolle aanen doorzichten.

| Erfinrichtingsplan Foarstrjitte 7C De Westereen | 21 / 26

• Houd bij erfscheidingen rekening met de landschappelijke structuren. • Kies voor een natuurlijke erfscheidingen zoals water, struiken/ bomen. Vermijd hekwerken.

Beplanting • Toepassen inheemse beplanting, passend in het veenweide- (en woudontginningen) landschap.

Water • Behoud van de sloot aan de voorzijde. De sloot wordt overkluisd door een smalle stenen dam met duiker, zoals bij Foarstritte 7a en 7b. • Er vindt voldoende waterberging plaats in het plangebied. • Zet bij watercompensatie in op het herstellen en realiseren van waterelementen zoals sloten en ecologische oevers.

5. ERFINRICHTINGSPLAN

5 ERFINRICHTINGSPLAN

erfinrichtingsplan Foarstrjitte 7c De westereen

| Erfinrichtingsplan Foarstrjitte 7C De Westereen | 23 / 26

Toelichting op het erfinrichtingsplan

figuur maatvoering inrichtingsplan Foarstrjitte 7c De westereen

| Erfinrichtingsplan Foarstrjitte 7C De Westereen | 24 / 26

Toelichting op het erfinrichtingsplan

veldesdoorn, (flapper)iep of haagbeuk.

De nieuwe woning aan de Foarstrjitte zal een afronding vormen van het bebouwingslint aan de Foarstrjitte en sluit direct aan op de bestaande bebouwing aan dit lint.

De nieuwe woning zal qua beeld aansluiten op de overheersende bebouwing die voorkomt aan de Foarstrjitte: het zal bestaan uit één laag met een kap. De woning is maximaal 10 bij 15 meter groot. De kaprichting volgt het landschap, en staat min of meer haaks op de weg. De gevel bestaat uit rode baksteen. Het dak uit gebakken zwarte dakpannen, eventueel met zonnepanelen. Een eventuele dakkapel is ondergeschikt aan de hoofdvorm.

Om ervoor te zorgen dat de nieuwe woning zorgvuldig stedenbouwkundig en landschappelijk wordt ingepast, volgen het bouwvlak het landschap en de verkavelingsstructuur (zie figuur hiernaast). Aan de overzijde van de Foarstrjitte verspringen de rooilijnen continu (zie ook de wisselende rooilijnen op figuur hier schuin onder). De bebouwing ten westen van Foarstrjitte 7C echter is in lijn met elkaar gesitueerd, waarbij de woningen Foarstjitte 3 en 5 haaks op de weg staan. Er is voor gekozen de situering van de nieuwe woning in lijn met deze bestaande woningen te situeren. Hierdoor is de woning speels op de kavel, met een geringe draaiing ten opzichte van de kavel, gesitueerd. Het is van belang dat at er voldoende ruimte in het lint blijft bestaan, en dat men vanaf de weg zicht op het achterliggende landschap, het bebouwingscluster en het natuurgebied de Zwemmer behoud. De elzenopschot in de sloot naast de Foarstrjitte beperkt dit zicht. Daarom zal deze gesnoeid worden. Tussen deze ‘plukken groen‘ door (en in de winter) blijft de relatie met het open polderlandschap aanwezig. Het nieuwe perceel wordt op voldoende afstand (circa 60 meter) van het pad naar de (terug liggende) woningen aan de Foarstrjitte 9 en 9a aan de oostzijde gesitueerd. Deze ruimte tussen het nieuwe perceel en het pad (en bosje) zorgt voor zicht op het achterliggende landschap.

De woning komt, evenals de woningen 7a en 7b, op afstand van de Foarstrjitte te staan, op minimaal 8 meter uit de voorerfgrens. Het bijgebouw is aan de noordoostzijde van de woning gesitueerd, evenals bij de andere woningen in de buurt. Hierdoor kunnen de nieuwe bewoners aan de westzijde van de woning genieten van de avondzon en het uitzicht op de Zwemmer. Ook komt hiermee de uitrit wat verder van de andere, bestaande uitritten te liggen.

de noord(oost)-zuid(oost) verkavelingsstructuur van het gebied ten noorden van de Foarstrjitte

Het perceel zal aan de oostzijde worden begrensd door een greppel en een aantal elzen. Hierdoor ontstaat een zachte overgang tussen de bebouwing en het landschap, en worden de oorspronkelijke lijnen in het landschap versterkt (zie figuur hiernaast). De elzen worden niet op een vaste afstand van elkaar geplaast, maar op een onregelmatige afstand. Het dicht opeen plaatsen van elzen, of voor meerstammige els te kiezen, zal een fraai beeld geven. Het terrein watert deels af op de greppel en deels op de sloot parallel aan de Foarstrjitte. De inrit naar de nieuwe woning is maximaal vier meter breed, waardoor het water zoveel mogelijk doorloopt. Net als bij de woningen 7a en 7b loopt het water via een duiker onder de oprit door. Het voorterrein zal niet volledig verhard worden, maar grotendeels bestaan uit gazon. In de voortuin wordt een solitaire boom geplant. Soorten die hiervoor in aanmerking komen zijn zomereik, | Erfinrichtingsplan Foarstrjitte 7C De Westereen | 25 / 26

verspreide bebouwing met wisselende rooilijnen aan de Foarstrjitte

74/134

Bijlage 2

75/134

Quickscan Flora & Fauna

2024 1

Quickscan Omgevingswet Foarstrjitte 7C te De Westereen

++

COLOFON BUREAU FAUNAX B.V. Tijnjedyk 89 8936 AC Leeuwarden 0683772548 info@faunax.nl www.faunax.nl Lid van Netwerk Groene Bureaus

Quickscan Omgevingswet Foarstrjitte 7C te De Westereen Leeuwarden, oktober 2024 In opdracht van: RHO Adviseurs Uitvoering: Bureau FaunaX B.V. tage:

Foto’s voorpagina: Impressie van het plangebied. © Bureau FaunaX B.V. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding: Bureau FaunaX B.V. (2024). Quickscan Omgevingswet/ Foarstrjitte 7C te De Westereen. Rapport 24236. Bureau FaunaX B.V., Leeuwarden. Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Bureau Faunax B.V., behoudens voor zover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd. Disclaimer: In deze rapportage worden de resultaten van een onafhankelijk onderzoek behandeld. Bureau FaunaX B.V. heeft een adviserende rol en spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het plan waarop dit onderzoek betrekking heeft. Dit onderzoek is zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk uitgevoerd. Het voorkomen van beschermde soorten is echter onvoorspelbaar. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Wanneer deze rapportage, op wat voor manier dan ook, wordt aangepast en/of aangevuld door een partij anders dan Bureau FaunaX B.V., verliest deze rapportage zijn validiteit en geldigheid.

Gegevens die afkomstig zijn uit de NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna) mogen niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. Op dit onderzoek zijn onze algemene voorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Leeuwarden.

INHOUDSOPGAVE 1.

2

INLEIDING ..................................................................................................................... 1 1.1

Aanleiding ..................................................................................................................... 1

1.2

Doel ...............................................................................................................................2

1.3

Onderzoeksopzet ..........................................................................................................2

1.4

Karakteristiek plangebied en planvoornemen ............................................................. 3

RESULTATEN QUICKSCAN ...........................................................................................4 2.1

Flora .............................................................................................................................. 4

2.2

Vogels ........................................................................................................................... 4 Jaarrond beschermde vogelnesten .............................................................................. 4

2.3

Zoogdieren ....................................................................................................................5 Vleermuizen ..................................................................................................................5 Overige zoogdieren ...................................................................................................... 6

2.4

Reptielen........................................................................................................................7

2.5

Amfibieën ......................................................................................................................7

2.6

Vissen ............................................................................................................................7

2.7

Ongewervelden ............................................................................................................ 8

2.8

Gebiedsbescherming .................................................................................................... 8 Stikstofgevoeligheid .................................................................................................... 10

2.9 3

4

Houtopstanden ........................................................................................................... 10

SAMENVATTING EN CONCLUSIES .............................................................................. 11 3.1

Overzicht beschermde soorten ................................................................................... 11

3.2

Effectbespreking en aanbevelingen ............................................................................. 11

3.3

Overzicht vervolgstappen ........................................................................................... 12

LITERATUUR EN BRONNEN ........................................................................................13

BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING ................................................................................. - 1 Ow Soortbescherming ........................................................................................................- 1 Ow Gebiedsbescherming ................................................................................................... - 4 Ow Houtopstanden ........................................................................................................... - 5 -

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Men is voornemens een nieuwbouwwoning te realiseren op een huidig agrarisch perceel buiten bestaand stedelijk gebied te De Westereen. Ruimtelijke plannen zoals deze dienen te worden beoordeeld op uitvoerbaarheid, onder meer in relatie tot de natuurwetgeving. Zo dient te worden onderzocht of als gevolg van de uitvoering van het plan sprake is van effecten op wettelijk beschermde soorten flora en fauna en/of natuurgebieden (Natura 2000, NatuurNetwerk Nederland, weidevogelgebieden en/of ganzenfoerageergebieden), alsook in het kader van houtopstanden. Om hierin inzicht te krijgen wordt in eerste instantie een ecologische Quickscan uitgevoerd. Bij dit onderzoek wordt een inschatting gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer van het project aanwezige beschermde natuurwaarden en de effecten van de voorgenomen plannen op deze waarden. Voor meer informatie over de Omgevingswet (hierna Ow) en de handelswijze wordt verwezen naar Bijlage I.

Figuur 1.1. Het plangebied (rood omlijnd) te De Westereen.

1

1.2 Doel Deze ecologische beoordeling geeft, voor zover mogelijk, antwoord op de volgende vragen: 1. 2. 3. 4. 5.

Komen binnen het plangebied (biotopen van) onder de Omgevingswet beschermde soorten voor? Komen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden beschermde natuurgebieden en/of houtopstanden voor? Wat zijn de mogelijke effecten van de werkzaamheden op deze beschermde natuurwaarden en -gebieden, zowel tijdens de realisatie als na afloop hiervan? Voor welke soorten en hun leefgebied wordt de wet mogelijk overtreden en in hoeverre kunnen overtredingen vermeden, dan wel verzacht worden? Wat zijn de te ondernemen vervolgstappen met betrekking tot het voorkomen van schade aan beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden?

Voor het beantwoorden van deze vragen zijn, naast de verzamelde gegevens tijdens het veldonderzoek, ook andere bronnen geraadpleegd. Zie hiervoor de bronnenlijst in hoofdstuk 4.

1.3 Onderzoeksopzet Soorten In opdracht van RHO Adviseurs heeft Bureau FaunaX B.V. het planvoornemen door middel van een ecologische Quickscan getoetst aan de natuurwetgeving. Deze Quickscan heeft bestaan uit een bureaustudie en een veldbezoek gebaseerd op ecologisch inzicht (expert judgement). Een ecologische Quickscan of beoordeling is meestal de eerste stap van ecologisch onderzoek en is bedoeld om een inschatting te maken van de mogelijke effecten op eventueel aanwezige beschermde flora en fauna en/of natuurgebieden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Het veldonderzoek voor deze Quickscan is uitgevoerd op donderdag 17 oktober 2024 en vond plaats onder zachte weersomstandigheden (16 °C, windkracht 3, bewolkt). Dit onderzoek bestond uit een visuele inspectie van het plangebied, waarbij is gelet op de aanwezigheid van (of sporen van) beschermde soorten en op de eventuele aanwezigheid van geschikt leefgebied van deze soorten. Gebieden - Natura 2000 Behalve dat onderzocht wordt welke soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen voorkomen, wordt ook gecontroleerd of er sprake kan zijn van negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt middels een grove analyse op basis van de geplande werkzaamheden en de relevante afstand tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden.

Houtopstanden Onder de Omgevingswet worden ook houtopstanden beschermd. Er wordt gecontroleerd in welke mate er sprake is van kap en of hier een meld- en/of herplantingsplicht aan de orde kan zijn. Overige gebiedsbescherming Naast de Omgevingswet zijn er nog meer regelgevingen die ingaan op het beschermen van de natuur in Nederland. Dit zijn veelal provinciale stukken, al dan niet als uitvoeringsorgaan vanuit rijksbeleid. Het gaat hierbij om regelgeving omtrent het NatuurNetwerk Nederland, ganzenfoerageergebieden en weidevogelgebieden. Deze toetsing stipt kort aan of er sprake kan zijn van een conflict tussen de provinciale regelgevingen en het geplande initiatief.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=gemeentedantumadiel&id=0f339cfc-a27b-4238-9c09-1f0f2bb7433c