Bijlage 4. Ontwerp en ETFAL Foarstrjitte 7C de Westereen GEANONIMISEERD
Tekst van het document
2
1.4 Karakteristiek plangebied en planvoornemen Het plangebied bestaat uit (een deel van) het kadestraal perceel Veenwouden, sectie L, nummer 209. Ten tijde van dit schrijven heeft dit perceel een agrarische bestemming. Langs de zuidzijde van dit perceel loopt een sloot, waarlangs elzen staan. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door de bebouwde kom van De Westereen, agrarisch gebied doorspekt met sloten en houtwallen en het Houtwiel in westelijke richting. Op ca. 150 meter afstand in westelijke richting van het plangebied stroomt de Nije Feart. Het planvoornemen bestaat uit het realiseren van een nieuwbouwwoning op het perceel. Als onderdeel van het planvoornemen wordt een oprit over de bestaande sloot gerealiseerd en worden enkele elzen gekapt. In figuur 1.2 wordt de beoogde toekomstsituatie weergegeven.
Figuur 1.2. Een impressie van de beoogde toekomstsituatie in het plangebied (rood omlijnd).
3
2 RESULTATEN QUICKSCAN 2.1 Flora Tijdens het veldbezoek werden binnen het plangebied soorten aangetroffen als fluitenkruid, grote brandnetel, smalle weegbree, braam en pitrus. Langs de sloot staan elzen. Tijdens het veldbezoek werden geen beschermde plantensoorten aangetroffen, noch is het geschikte biotoop hiervoor aanwezig. De onder de Ow beschermde plantensoorten stellen veelal kritische eisen aan hun standplaatsen. Aan deze eisen wordt binnen het plangebied niet voldaan. De omstandigheden zijn te voedselrijk. •
De aanwezigheid van beschermde plantensoorten kan uitgesloten worden op basis van habitateigenschappen.
2.2 Vogels Jaarrond beschermde vogelnesten Roofvogels en uilen Nesten van vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn bevinden zich over het algemeen in volgroeide bomen en/of bossen, zoals ooievaarsnesten en horsten van roofvogels. Vaak worden oude kraaien- of eksternesten gebruikt door roofvogels en uilen. In de elzen langs de sloot, evenals bomen buiten het plangebied maar binnen de invloedsfeer van het planvoornemen werden geen boomnesten aangetroffen. De aanwezigheid van (jaarrond beschermde) boomnesten binnen de invloedsfeer van het planvoornemen kan op voorhand worden uitgesloten. Het plangebied is tevens gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten van vogelsoorten die over het algemeen in bebouwing tot broeden komen, zoals huismus, ringmus, gierzwaluw, huiszwaluw en kerkuil. Binnen het plangebied staan echter geen kunstwerken. Bestaande woningen vlak buiten het plangebied bevinden zich naar ons inzicht vlak buiten de invloedsfeer van het planvoornemen. Negatieve effecten op jaarrond beschermde nesten van bovengenoemde soorten als gevolg van het planvoornemen kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. Overige jaarrond beschermde nesten In de provincie Fryslân zijn een aantal soorten, waaronder enkele weidevogels, zoals de grutto, aangewezen als zogenaamde ‘categorie 5’ soorten.
Dit houdt in dat de nesten hiervan alleen jaarronde bescherming genieten indien er sprake is van zwaarwegende ecologische redenen, zoals de afwezigheid van (voldoende) alternatieve nestgelegenheid op korte afstand of wanneer de lokale gunstige staat van instandhouding (GSvI) van een soort in het geding dreigt te komen. Het plangebied bevindt zich aan de rand van de bebouwde kom en een doorgaande weg. Broedgelegenheid voor soorten als grutto is binnen het plangebied derhalve naar ons inzicht schaars. Omliggende percelen bieden echter wel geschiktere broedgelegenheid. Echter, gezien de ligging van het plangebied in een omgeving die wordt gekenmerkt door vergelijkbare agrarische percelen, evenals in de buurt van het natuurgebied het door Staatsbosbeheer beheerde gebied het Houtwiel biedt de omgeving naar ons inzicht voldoende alternatieve nestgelegenheid voor dergelijke soorten. Eventueel aanwezige nesten van deze categorie 5 soorten genieten in dit geval derhalve geen jaarronde bescherming. Het verdient de opmerking dat deze nesten nog wel beschermd zijn op het moment dat er sprake is van een actief broedgeval (zie kopje Overige (broed)vogelsoorten).
4
• •
De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten binnen de invloedsfeer van het planvoornemen kan op voorhand worden uitgesloten. Eventuele nesten van soorten als de grutto genieten in dit geval geen jaarronde bescherming.
Overige (broed)vogelsoorten Naast op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is het plangebied ook beoordeeld op waarden voor broedvogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. Het plangebied en de omgeving daarvan biedt broedmogelijkheden voor deze vogelsoorten. Zoals hierboven besproken genieten nesten van soorten als de grutto in het geval van dit plangebied geen jaarronde bescherming, maar zijn deze wel beschermd wanneer er sprake is van een actief broedgeval. Hiernaast kunnen watergebonden vogelsoorten, zoals de wilde eend en de meerkoet tot broeden komen in de sloot. Het broedproces van deze soorten vindt over het algemeen plaats in de broedperiode, welke grofweg loopt van 15 maart tot 15 juli. Deze periode kan echter eerder beginnen of later eindigen, afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden. Wat van belang is, is of er sprake is van een actief broedgeval. Zo ja, dan is deze beschermd. •
Binnen en vlak buiten het plangebied kunnen andere vogelsoorten tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten, maar wel beschermd zijn tijdens het broedproces (grofweg 15 maart - 15 juli).
2.3 Zoogdieren Vleermuizen Verblijfplaatsen Vleermuizen verblijven in Nederland over het algemeen in bomen, in gebouwen of in andere kunstmatige bouwwerken. In bomen verblijven vleermuizen vaak in oude spechtengaten of gaten die binnenin een boom zijn doorgerot als het gevolg van bijvoorbeeld het afbreken van takken. Binnen het planvoornemen worden enkele elzen langs de sloot gekapt. Deze elzen hebben een relatief dunne stam, waarin geen voor vleermuizen geschikte holtes werden aangetroffen. Binnen de invloedsfeer van het planvoornemen staan hiernaast geen kunstwerken waarin vleermuizen kunnen verblijven. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen binnen de invloedsfeer van het planvoornemen kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Foerageergebieden en vliegroutes Ook foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd, indien deze van essentieel belang zijn voor de instandhouding van een populatie vleermuizen in de omgeving. Als vliegroutes worden doorgaans lijnvormige landschapselementen gebruikt, zoals bomenlanen, houtwallen, watergangen en gebouwenrijen. De Nije Feart, die in westelijke richting van het plangebied stroomt is waarschijnlijk belangrijk, dan wel essentieel als vliegroute voor verschillende vleermuissoorten.
In 2022 werd vastgesteld dat de Nije Feart door de meervleermuis wordt gebruikt als vliegroute tussen het Bergumermeer naar Dokkumer Nieuwe Zijlen (bron: Kaartenkijkdoos provincie Fryslân). Het plangebied bevindt zich op ca. 150 meter afstand van deze vaart. De vaart wordt hiernaast van het plangebied afgeschermd doormiddel van een (hier en daar doorbroken) bomenrij. Met het oog hierop wordt de kans op negatieve effecten op deze vliegroute als gevolg van het planvoornemen dusdanig klein ingeschat dat we het niet realistisch vinden om hier rekening mee te houden bij de voortgang van het project.
5
Het plangebied is waarschijnlijk onderdeel van een groter foerageergebied van vleermuizen. Gezien de ligging van het plangebied in een omgeving die wordt gekenmerkt door vergelijkbare percelen, evenals op korte afstand van het natuurgebied Het Houtwiel is er naar ons inzicht voldoende sprake van alternatieve foerageergebied. Negatieve effecten op essentieel foerageergebied als gevolg van het planvoornemen kunnen derhalve naar ons inzicht op voorhand worden uitgesloten. • • •
De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen binnen de invloedsfeer van het planvoornemen kan op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op essentiële vliegroutes van vleermuizen als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op een essentieel foerageergebied van vleermuizen als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten.
Overige zoogdieren Het plangebied is tevens gecontroleerd op de aanwezigheid van (geschikt habitat van) overige beschermde soorten zoogdieren. De aanwezigheid van veel overige beschermde zoogdiersoorten binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens (bron: NDFF) en habitateigenschappen. Zo werden geen burchten van dassen, nesten van eekhoorns en voor boommarters geschikte boomholten aangetroffen binnen de invloedsfeer van het planvoornemen. De sloot is niet geschikt bevonden als leefgebied voor de soort otter. Uitzondering hierop wordt gevormd door de soorten waterspitsmuis, wezel, bunzing en hermelijn. Waterspitsmuis Het leefgebied van de waterspitsmuis wordt doorgaans gekenmerkt door open, waterrijke omgevingen met voldoende dekking, zoals ontwikkelde oevervegetatiestructuren of rietkragen. De sloot die langs het plangebied loopt lijkt met enige vorm van regelmaat te worden ontdaan van oevervegetatie. Tijdens het veldbezoek was er vrijwel geen sprake van dekkende oevervegetatie (figuur 2.1). Hiernaast leek er sprake te zijn van een relatief ondiepe waterkolom, wat de impressie wekt dat deze sloot in de zomer (gedeeltelijk) droog komt te vallen.
Dit, in combinatie met het feit dat binnen het planvoornemen slechts een klein deel van de sloot wordt aangetast maakt dat we de kans op negatieve effecten op leefgebied van deze soort als gevolg van het planvoornemen dusdanig klein achten dat we het niet realistisch vinden om hier rekening mee te houden bij de voortgang van het project. Kleine marterachtigen De drie in Nederland voorkomende kleine marterachtigen bunzing, wezel en hermelijn zijn sinds de ingang van de Omgevingswet op 1 januari 2024 niet langer vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen in de provincie Fryslân. Van alle drie deze soorten zijn waarnemingen bekend uit de omgeving van De Westereen (bron: NDFF). Leefgebied van deze soorten bestaat doorgaans uit gebieden met voldoende bodem-dekkende vegetatie, zoals struiken en hagen. Ook de aanwezigheid van water is belangrijk voor de soort hermelijn, om hier te jagen op watergebonden zoogdiersoorten. Randen van bebouwde gebieden kunnen tevens onderdeel zijn van leefgebied van deze soorten. De sloot en de vegetatie op de oevers hiervan langs het plangebied biedt slechts schaarse dekking. De kans dat deze strook verblijfplaatsen van kleine marterachtigen herbergt is naar ons inzicht dusdanig klein dat we het niet realistisch achten hier rekening mee te houden bij de voortgang van het project. Hoogstens wordt deze strook door kleine marterachtigen gebruikt als looproute.
Echter, gezien de ligging van het plangebied in een omgeving die wordt gekenmerkt door vergelijkbare groenstroken is deze looproute naar inzicht niet essentieel voor de instandhouding van lokale populaties. Significant negatieve effecten op leefgebied van kleine marterachtigen als gevolg van het 6
planvoornemen kunnen derhalve naar ons inzicht op voorhand worden uitgesloten. Binnen het plangebied kunnen zoogdiersoorten aanwezig zijn die binnen de provincie Fryslân ten tijde van dit schrijven zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen. Voor dergelijke soorten dient men zich te houden aan de specifieke zorgplicht voor ruimtelijke ingrepen (Bijlage I). • •
Negatieve effecten (leefgebied van) overige beschermde zoogdiersoorten als gevolg van het planvoornemen kunnen naar ons inzicht op voorhand worden uitgesloten. In het plangebied komen andere licht beschermde soorten voor. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen, maar geldt wel de specifieke zorgplicht voor ruimtelijke ingrepen (zie Bijlage I).
2.4 Reptielen Het plangebied is tevens gecontroleerd op waarden voor beschermde reptielen. De aanwezigheid van beschermde reptielensoorten binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten op basis van habitateigenschappen en verspreidingsgegevens (bron: NDFF). Het feit dat het plangebied zich op de rand van de bebouwde kom bevindt speelt hierbij een rol. •
De aanwezigheid van (leefgebied van) beschermde reptielen binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten.
2.5 Amfibieën Het plangebied is gecontroleerd op waarden voor beschermde amfibieën. Uit de omgeving van het plangebied, waaronder uit het Houtwiel zijn recente (<5 jaar) waarnemingen bekend van de heikikker (bron: NDFF). Het leefgebied van deze soort bestaat doorgaans uit vennen in veen- en heidegebieden. Agrarische sloten worden slechts incidenteel door deze soort gebruikt als voortplantingswater. De sloot langs het plangebied is, mede gezien het intensieve beheer en de ligging hiervan op de rand van de bebouwde kom van De Westereen naar ons inzicht niet geschikt als voortplantingswater voor deze soort. Gezien de afwezigheid van voortplantingswater op korte afstand van het plangebied kan ook de aanwezigheid van landhabitat naar ons inzicht op voorhand worden uitgesloten. Binnen het plangebied komen wel andere, lichter beschermde amfibieën voor. Hoewel deze soorten zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen, dient men zich wel te houden aan de specifieke zorgplicht voor ruimtelijke ingrepen (zie Bijlage I). • •
De aanwezigheid van (leefgebied van) beschermde amfibieën binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. Voor andere, licht beschermde, vrijgestelde soorten geldt de specifieke zorgplicht voor ruimtelijke ingrepen (zie Bijlage I).
2.6 Vissen Het plangebied is gecontroleerd op waarden voor de in Nederland voorkomende groep beschermde zoetwatervissen. De enige soort die redelijkerwijs kan voorkomen in de sloot langs het plangebied is de grote modderkruiper. In Nederland staat deze soort bekend als poldervis, waarvan het leefgebied bestaat uit wateren met een goed ontwikkelde sliblaag. Uit de omgeving van de Westereen is één recente (<10 jaar) waarneming bekend van de grote modderkruiper, uit een sloot ter hoogte van Triemen op ca. 3,6 km afstand van het plangebied. Dit betreft de enige recente waarneming van deze soort boven het Prinses Margrietkanaal 7
(bron: NDFF). Doordat het uitvoeren van gericht onderzoek naar deze soort relatief specialistisch is, geeft het bekende verspreidingsbeeld van deze soort vaak een vertekent beeld van de werkelijke situatie. Echter, gezien de afwezigheid van meer dan één waarneming boven het Prinses Margrietkanaal achten we de kans op aanwezigheid van deze soort in een sloot op meer dan 3 km afstand van de enige bekende recente waarneming dusdanig klein dat we het niet realistisch achten hier rekening mee te houden bij de voortgang van het project. Negatieve effecten op het leefgebied van soorten als de grote modderkruiper als gevolg van het planvoornemen kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. • •
Negatieve effecten op (het leefgebied van) beschermde vissoorten als gevolg van het planvoornemen kunnen op voorhand worden uitgesloten. Voor andere, licht beschermde, vrijgestelde soorten geldt de specifieke zorgplicht voor ruimtelijke ingrepen (zie Bijlage I).
2.7 Ongewervelden De meeste onder de Ow beschermde soorten ongewervelden, zoals dagvlinders, libellen, mollusken of (water)kevers hebben zeer specifieke habitateisen die in specifieke biotopen worden aangetroffen. Van dergelijke habitateigenschappen is binnen het plangebied geen sprake. Zo is er geen geschikt habitat voor waardplanten van beschermde vlinders en worden er geen geschikte waterpartijen aangetast waarin beschermde libellen zich voort kunnen planten. Negatieve effecten op (leefgebied van) beschermde ongewervelden als gevolg van het planvoornemen kunnen op voorhand worden uitgesloten. •
Negatieve effecten op leefgebied van beschermde ongewervelden als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten.
2.8 Gebiedsbescherming Tijdens de bureaustudie zijn vormen van gebiedsbescherming naar voren gekomen die betrekking hebben op het plangebied. Het plangebied is geen onderdeel van een Natura2000gebied. Het plangebied is tevens niet aangewezen als ganzenfoerageergebied. Echter, het plangebied bevindt zich wel binnen de begrenzingen van een door de provincie Fryslân aangewezen weidevogelkansgebied en op ca. 50 meter afstand van een gebied dat onderdeel is van het NatuurNetwerk Nederland (NNN). Weidevogelkansgebied Het plangebied bevindt zich binnen de grenzen van een door de provincie Fryslân aangewezen weidevogelkansgebied (figuur 2.2). Het plangebied bevindt zich op de rand van de bebouwde kom van de Westereen, aan een doorgaande weg. Het plangebied biedt derhalve naar ons inzicht slechts weinig geschikte broedgelegenheid voor weidevogels. Hoewel omliggende percelen op grotere afstand van de bebouwde kom in potentie geschiktere nestgelegenheid biedt, kunnen negatieve effecten hierop als gevolg van het planvoornemen naar ons inzicht worden uitgesloten indien de voorgenomen werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de broedperiode (grofweg 15 maart – 15 juli).
8
Figuur 2.2. het plangebied (rood omlijnd) bevindt zich binnen de grenzen van een door de provincie aangewezen weidevogelkansgebied (diagonale lijnen) (bron: Kaartenkijkdoos provincie Fryslân).
Het plangebied bevindt zich tevens op 50 meter afstand van een gebied dat onderdeel is van het NatuurNetwerk Nederland (figuur 2.3). Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd tijdens de broedperiode, kan het planvoornemen gepaard gaan met negatieve externe werking op dit NNN gebied, bijvoorbeeld door het verstoren van broedgevallen in het NNN gebied. Hiermee kan echter naar ons inzicht rekening worden gehouden door de werkzaamheden uit te voeren buiten de broedperiode (grofweg 15 maart – 15 juli).
9
Figuur 2.3 het plangebied (rood omlijnd) bevindt zich op ca. 50 meter afstand van het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN (groene vlak) (bron: Kaartenkijkdoos provincie Fryslân).
•
Negatieve effecten op de doelstellingen van beschermde gebieden (anders dan als gevolg van stikstofuitstoot) kunnen op voorhand worden uitgesloten.
Stikstofgevoeligheid Het plangebied bevindt zich op circa 9,1 km van het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied Groote Wielen (bron: AERIUS-calculator). Binnen het planvoornemen wordt onder andere een nieuwbouwwoning gerealiseerd. Hierbij komt waarschijnlijk extra stikstof vrij, bijvoorbeeld als gevolg van de inzet van mobiele werktuigen. Mogelijk is voor de voortgang van het project een AERIUS-berekening benodigd. De provincie Fryslân is bevoegd gezag in deze. •
Mogelijk is een AERIUS-berekening benodigd voor de voortgang van het project. De provincie Fryslân is bevoegd gezag in dezen.
2.9 Houtopstanden Als er een (deel van een) houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1000 m2) of een (deel van een) bomenrij van meer dan 20 bomen buiten de bebouwingscontour houtkap kan er sprake zijn van een meld- en/of herplantingsplicht. Het plangebied en de elzen langs de sloot bevinden zich buiten bestaand stedelijk gebied (bron: DSO Kadaster). De te kappen elzen zijn onderdeel van een rij elzen tussen het perceel Foarstrjitte 7B en een bosschage in oostelijke richting. In deze rij staan meer dan 20 elzen. Hoewel dit slechts jonge elzen met een dunne stam betreffen, kan niet worden uitgesloten dat er in dit geval sprake kan zijn van een melden/of herplantingsplicht. De provincie Fryslân is bevoegd gezag in deze. •
10
Er is geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht.
3 SAMENVATTING EN CONCLUSIES 3.1 Overzicht beschermde soorten In onderstaand overzicht worden de aangetroffen en potentieel aanwezige beschermde soorten en hun beschermingsstatus binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden samengevat. In de Omgevingswet, onder het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn vooral vaste verblijfsplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die vaste verblijfplaatsen in stand houdt. In dit overzicht zijn alleen die soorten opgenomen, waarvoor het plangebied onderdeel vormt van hun leefgebied en/of levenscyclus en waarop eventueel in de toekomst geplande werkzaamheden van negatieve invloed kunnen zijn. Tabel 3.1 Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna in en rond het plangebied. Soortgroep
Soort
Aanwezigheid Art 11.37 Bal
Vogels
Algemene Broedvogels
Ja
Overige soorten
Ja
Specifieke zorgplicht.
Weidevogelkansgebied
Ja
Werken buiten broedperiode en informeren prov. Fryslân.
NNN
Ja
Werken buiten broedperiode
Overige soortgroepen Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming Houtopstanden
(extra) Stikstofuitstoot Meld- en/of herplantingsplicht
Art. 11.46 Bal
Art. 11.54 Bal
X
Ja Mogelijk
Vrijgesteld Advies Werken buiten broedseizoen of onder begeleiding van een ecoloog.
Informeren bij de provincie Fryslân. Informeren bij de provincie Fryslân.
3.2 Effectbespreking en aanbevelingen Algemene broedvogels Binnen en vlak buiten het plangebied kunnen vogelsoorten tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten, maar wel beschermd zijn tijdens het broedproces. Een deel van deze soorten betreffen soorten die in de provincie zijn aangewezen als zogenaamde ‘categorie 5’ soorten, waaronder de grutto. We adviseren om de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt over het algemeen de periode van 15 maart-15 juli aangehouden. Afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden kunnen soorten echter eerder of later in het jaar tot broeden komen. Wat van belang is, is of er sprake is van een broedgeval. Zo ja, dan is deze altijd beschermd. Specifieke zorgplicht Er kunnen soorten voorkomen in het plangebied waarvoor een vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Voor deze en andere soorten geldt een specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal). Deze specifieke zorgplicht schrijft voor dat men bijvoorbeeld verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld tot uiting worden gebracht door altijd zo te werken dat dieren kunnen ontsnappen.
De specifieke zorgplicht geldt voor de fysieke leefomgeving, inclusief elke soort en elk individu in Nederland. Voor de voorwaarden waaraan de vrijstellingen moeten voldoen in het kader van de soorten waarvoor een vrijstelling geldt, wordt verwezen naar Bijlage I.
11
Weidevogelkansgebied Het plangebied is onderdeel van een door de provincie Fryslân aangewezen weidevogelkansgebied. Negatieve effecten op de doelstellingen van dit gebied als gevolg van het planvoornemen kunnen naar ons inzicht op voorhand worden uitgesloten indien de werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de broedperiode, welke grofweg loopt van 15 maart tot en met 15 juli. In de Verordening Romte Fryslân 2014 is echter wel vastgelegd dat, indien een deel van een weidevogelkansgebied verloren gaat van meer dan 0,5 ha, (financiële) compensatie benodigd kan zijn. Indien hier twijfel over is, adviseren we te informeren bij het bevoegd gezag in deze, de provincie Fryslân. NNN Het plangebied bevindt zich op ca. 50 meter afstand van het dichtstbijzijnde NNN gebied. De voorgenomen werkzaamheden kunnen gepaard gaan met negatieve externe werking op dit NNN gebied. We adviseren derhalve de werkzaamheden uit te voeren buiten de broedperiode (grofweg 15 maart – 15 juli). Indien hieraan kan worden voldaan kunnen negatieve effecten op de doelstellingen van het NNN naar ons inzicht op voorhand worden uitgesloten. (extra)Stikstofuitstoot Voor de voortgang van de voorgenomen werkzaamheden is mogelijk een AERIUS-berekening benodigd. We adviseren te informeren bij het bevoegd gezag in deze, de provincie Fryslân. Houtopstanden Er is mogelijk sprake van een meld- en/of herplantingsplicht.
We adviseren hierover te informeren bij het bevoegd gezag in deze, de provincie Fryslân.
3.3 Overzicht vervolgstappen Het planvoornemen kan zonder bezwaren doorgang vinden binnen de kaders van de vigerende natuurwetgeving, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • • • • •
12
Algemene broedvogels: werken buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart-15 juli). Overige soorten: naleven van de specifieke zorgplicht (Bijlage I). Weidevogelkansgebied: werken buiten broedseizoen (grofweg 15 maart – 15 juli) en informeren provincie Fryslân. NNN: Werken buiten broedeizoen (grofweg 15 maart – 15 juli). AERIUS-berekening: informeren bij provincie Fryslân. Houtopstanden: informeren bij provincie Fryslân.
4 LITERATUUR EN BRONNEN Bronnen internet AERIUS-calculator https://calculator.aerius.nl/ DSO Kadaster https://viewer.dso.kadaster.nl/viewer?regelsandere=regels Google Maps https://www.google.com/maps NDFF https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/ Kaartenkijkdoos Provincie Fryslân https://www.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=14fdb7eae5844c479140f89c88abdd d3 Kennisdocument gewone dwergvleermuis https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2024/04/Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuisversie-2.0.pdf Ravon http://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie Sovon https://www.sovon.nl/nl Verordening Romte Fryslân 2014 https://www.fryslan.frl/_flysystem/media/geconsolideerde-versie-verordening-romte-fryslan2014-versie-maart-2021.pdf Verspreidingsatlas planten FLORON http://www.verspreidingsatlas.nl/planten Waarneming.nl https://waarneming.nl Zoogdiervereniging www.zoogdiervereniging.nl
13
BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING De wettelijke bescherming van natuurwaarden valt in grote lijnen uiteen in drie delen: soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden.
Ow Soortbescherming De Omgevingswet draagt onder andere zorg voor de bescherming van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. De wet bevat een aantal verbodsbepalingen die ervoor moeten zorgen dat de gunstige staat van instandhouding van alle in het wild levende dier- en plantensoorten zal blijven gewaarborgd. De Omgevingswet verdeelt beschermde soorten in twee groepen, de Europees beschermde soorten en de nationaal beschermde soorten. De eerste groep bestaat uit strikt beschermde soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (art. 11.37 en 11.46 in het Besluit activiteiten leefomgeving, hierna Bal). De Vogel- en Habitatrichtlijn zijn richtlijnen van de Europese Unie waarin wordt aangegeven welke diersoorten en welke typen natuurgebieden door de lidstaten dienen te worden beschermd. In de tweede categorie staan de overige (nationaal) beschermde soorten (art. 11.54 Bal). Binnen de Omgevingswet vullen Europese en nationale wetgeving elkaar aan. De Habitatrichtlijnsoorten (art. 11.46 Bal) genieten een iets zwaardere bescherming dan de nationaal beschermde soorten (art. 11.54 Bal). Zo geldt voor de nationale soorten geen verbod op het verstoren, iets wat wel het geval is bij de Habitatrichtlijnsoorten. Ook zijn de belangen waaronder ontheffing aangevraagd mag worden, voor de nationaal beschermde soorten uitgebreider dan voor de habitatrichtlijnsoorten.
Vogels en verstoring Voor alle (op Europees grondgebied) inheemse vogelsoorten, zoals benoemd in artikel 1 van de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, opzettelijk te beschadigen, te rapen of nesten van vogels opzettelijk weg te nemen. Ook is het verboden om vogels opzettelijk te storen. Dit is echter niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort of wanneer de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel. Dit kan dus ook tijdens het broedseizoen het geval zijn, als kan worden aangetoond of beargumenteerd dat de verstoring geen negatieve effecten heeft op (de kansen van) het broedsucces of wanneer een activiteit van belang is voor de instandhouding van een soort. Of dit van toepassing is hangt af van meerdere factoren, zoals de biologie van een soort, de fase van de broedtijd waarin het broedpaar zich op dat moment bevindt (zoals balts, nestbouw, eieren of jongen), de mate van verstoring en de effecten van het niet uitvoeren van een activiteit. Een ter zake kundige ecoloog kan in voorkomende gevallen bepalen wat wel of niet geldt als wezenlijke verstoring of noodzakelijke activiteit.
In aanvulling op bovenstaande wordt er door de provincies een lijst met vogelsoorten gehanteerd, waarvan de nesten jaarrond bescherming genieten. Binnen deze categorie wordt onderscheid gemaakt in soorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5). Habitatrichtlijn Voor alle soorten die zijn opgenomen onder bijlage IV van de habitatrichtlijn (onderdeel a), bijlage II van het verdrag van Bern en bijlage I van het verdrag van Bonn (excl. vogels benoemd onder artikel 1 van de vogelrichtlijn) geldt dat het verboden is om deze in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen, te verstoren, hun eieren te vernielen of te rapen en voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen. Daarnaast geldt voor de soorten die worden genoemd in bijlage IV van de habitatrichtlijn (onderdeel b) en
-1-
bijlage I van het verdrag van Bern dat het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen verboden is. Dit verbod is niet van toepassing wanneer de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel. Of dit van toepassing is hangt ook in dit geval af van meerdere factoren, zoals de periode van het jaar waarin jongeren worden geworpen, de bloeiperiode, de mate van verstoring en de effecten van het niet uitvoeren van een activiteit. Een ter zake kundige ecoloog kan in voorkomende gevallen bepalen wat wel of niet geldt als noodzakelijke activiteit. Overige in Nederland beschermde soorten In bijlage IX, onderdeel a van het Bal worden nationaal beschermde soorten genoemd. Het is verboden deze opzettelijk te doden of in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers die zijn opgenomen in deze bijlage te vangen. Het is tevens verboden vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van deze soorten opzettelijk te beschadigen en te vernielen. Hiernaast is het verboden om soorten die zijn opgenomen onder onderdeel b van bijlage IX te plukken, verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen binnen hun natuurlijke verspreidingsgebied.
Dit verbod geldt niet voor de soorten bosmuis, huisspitsmuis en veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Ook geldt dit verbod niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel. Vrijgestelde soorten Provincie Fryslân Hoewel de Omgevingswet een nationale wet is, kunnen de provincies (als de bevoegde gezagen) soorten aanwijzen die vrijgesteld kunnen worden van de beschermde status, als het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen. Tabel 2.1 geeft een overzicht van de via de Omgevingsverordening 2022 door de Provincie Fryslân vrijgestelde soorten (zoogdieren en amfibieën). De verordening van de Provinciale Staten van Fryslân is te vinden op https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2023-13499.pdf Tabel 1. Vrijgestelde Verordening Omgevingswet Provincie Fryslân.
Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Huisspitsmuis Konijn Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Woelrat
Amfibieën Bastaard(middelste groene)kikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker
Voorwaarden vrijstellingen Zoals gezegd zijn de vrijstellingen onder het bevoegd gezag van de Provincie Fryslân, en zijn hiermee geen onderdeel van de Omgevingswet zelf. De provincie heeft de soorten zoals die genoemd zijn in bovenstaande tabel niet zonder meer vrijgesteld, hier zijn voorwaarden aan verbonden. Ten eerste gelden de vrijstellingen niet in alle situaties. Deze zijn alleen van toepassing als de geplande werkzaamheden onder één van de volgende noemers vallen:
-2-
a. In het kader van ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. In het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; c. In het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; d. In het kader van bestendig beheer en onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. Ten tweede is het van belang dat er de vrijstelling alleen van toepassing als geen goedgekeurde gedragscode van toepassing is (artikel 11.59 Bal) en geen andere bevredigende oplossing voorhanden is (Artikel 8,74l, lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving, hierna Bkl). Ten derde geldt de aangewezen vergunningsvrije activiteit voor de in bijlage 5.1 van de Omgevingsverordening bij betreffende soort genoemde vergunning-vrije activiteiten, middelen en methoden, en indien wordt voldaan aan de aldaar gestelde aanvullende voorschriften. Ten vierde blijft de zorgplicht, zoals bepaald in artikel 11.27 (Bal) onverminderd van kracht met het toepassen van de hierboven benoemde aangewezen vergunning-vrije activiteit.
Indien bovengenoemde voor ruimtelijke ingrepen vrijgestelde soorten voorkomen binnen een plangebied of buiten een plangebied, maar binnen de invloedsfeer van een planvoornemen, is een vergunning voor deze soort dus niet nodig. Zorgplicht art 11.27 Bal Onder de Ow zijn twee vormen van zorgplicht benoemd; een algemene zorgplicht en een specifieke zorgplicht. De algemene zorgplicht houdt in dat overheden, bedrijven en burgers allen verantwoordelijk zijn voor de leefomgeving. Wanneer sprake is van specifieke rijksregels, bijvoorbeeld in het geval van ruimtelijke ingrepen wordt deze algemene zorgplicht vervangen door een specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal). In deze specifieke zorgplicht wordt benoemd dat een handeling onder deze specifieke zorgplicht valt als de persoon die de handeling uitvoert weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze handeling nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Ook het nalaten van een handeling kan onder deze specifieke zorgplicht vallen. De specifieke zorgplicht voor het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen kan worden opgedeeld in drie stappen voor de persoon die de handeling uitvoert. Deze persoon is verplicht; a. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. b.
Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. c. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Wanneer ruimtelijke ingrepen betrekking hebben op een rijksmonument of werelderfgoed zijn opties b en c niet aan de orde.
-3-
Ow Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming houdt in dat gebieden met belangrijke natuurwaarden wettelijk zijn beschermd. Het gaat hierbij om het NatuurNetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS), Natura 2000-gebieden en bijzondere natuurgebieden en landschappen. NatuurNetwerk Nederland Strikt genomen valt slechts een deel van het NNN onder de Omgevingswet aangezien dit deels bepaald wordt door de provincies en niet door het Rijk. In artikel 7.8 Bkl zijn instructieregels opgenomen voor de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Deze wezenlijke kenmerken en waarden worden provinciaal vastgesteld conform artikel 7.7 van het Bkl. Ook het beschermingsregime voor het NNN is uitgewerkt in de Omgevingswet. In artikel 7.8 Bkl wordt beschreven dat de regels, die worden opgesteld door de provincies verzekeren dat in ieder geval de kwaliteit en oppervlakte van het NNN niet achteruitgaan, dat de samenhang tussen de gebieden van het NNN wordt behouden en dat, als binnen het NatuurNetwerk activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het NNN, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het NNN behouden blijft.
Natura 2000-gebieden Indien werkzaamheden worden uitgevoerd die invloed hebben op een Natura2000-gebied moet onderscheid worden gemaakt tussen een Natura2000-activiteit en een andere type activiteit. Een natura2000-activiteit wordt in artikel 1.1 van de omgevingswet gedefinieerd als een “activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura2000-gebied.” Tenzij sprake is van een vergunningsvrij geval dient voor deze activiteiten een voortoets te worden uitgevoerd. Hoewel voor andere typen activiteiten of voor vergunningsvrije activiteit geen vergunningsplicht geldt, blijft de specifieke zorgplicht voor deze activiteiten van toepassing. Onder de Omgevingswet wordt het Programma stikstofreductie en natuurverbetering, welke tevens onderdeel was van de voormalige Wet natuurbescherming voortgezet. Beleidsregels met betrekking tot intern en extern salderen blijven voorlopig onveranderd. Zo vindt vergunningverlening voor natura2000-activiteiten met stikstofdepositie plaats aan de hand van stikstofdepositieruimte in AERIUS-register.
Bijzondere natuurgebieden en landschappen Zowel de staat als provincies kunnen op basis van artikel 2.44 van de Omgevingswet bijzondere natuurgebieden en in het geval van provincies bijzondere landschappen aanwijzen. In het geval van bijzondere nationale natuurgebieden kunnen deze worden aangewezen vooruitlopend op de aanwijzing of begrenzing als Natura2000-gebied. In het geval van bijzondere provinciale natuurgebieden en landschappen hanteert de betreffende provincie hierin eigen juridische bescherming. Zo is in sommige provincies een zogenaamde ‘nee, tenzij’principe van kracht, waardoor sprake is van juridisch beschermingsregime naast het NNN en Natura2000.
-4-
Ow Houtopstanden In Afdeling 11.3 Bal zijn de regels voor de bescherming van houtopstanden en bomenrijen opgenomen. Het vellen van (een deel van) houtopstanden is beschermd door een algemene meldplicht (art. 11.126 Bal) en een herplantplicht (art 11.129 Bal). Deze bescherming geldt alleen voor houtopstanden vanaf 10 are en bomenrijen met meer dan 20 bomen, buiten een zogenaamde ‘bebouwingscontour houtkap’. Deze moet worden aangewezen in een omgevingsplan en is hierin terug te vinden. Indien dit niet het geval is, kan een voorloper, zoals de bebouwde kom Wet natuurbescherming of Boswet worden geraadpleegd. Als uitbreiding hierop is tevens een specifieke zorgplicht van kracht voor het vellen van houtopstanden, het herplanten van grond of nadat een houtopstand op een andere manier teniet is gedaan (art 11.116 Bal). Deze specifieke zorgplicht stelt dat degene die vellings- en herbeplantingsactiviteiten en handel in hout uitvoert of in het bezit is van hout verplicht is om nadelige gevolgen op natuurbescherming, instandhouding areaal houtopstanden in Nederland en de bescherming van landschappelijke waarden achterwege te laten, tenzij dit niet redelijkerwijs kan worden gevergd. Indien hier sprake van is, dienen negatieve effecten zoveel mogelijk te worden beperkt en/of ongedaan te worden gemaakt. Aan deze wetgeving zijn enkele uitzonderingen, naast de reeds genoemde uitzonderingen.
Zo zijn houtopstanden op erven of in tuinen, windschermen om boomgaarden, kerstbomen niet ouder dan 20 jaar, kweekgoed, uit populieren of wilgen bestaande wegbeplanting, beplanting langs waterwegen of eenrijige beplantingen langs landbouwgronden, dunningen en beplantingen van populieren, wilgen, essen of elzen voor de productie van biomassa, die tenminste eens in de 10 jaar worden geoogst, bestaan uit minstens 10.0o0 stoven/ha/beplantingseenheid en die zijn aangelegd na 1 januari 2013 uitgezonderd.
-5-
Bijlage 3
99/134
Stikstofberekening