3. Geconsolideerde versie BP Feanwâlden-Súd -0403 [toe+rgls+blgn]
Tekst van het document
Voor het voorliggende bestemmingsplan is een wateradvies opgesteld door het Wetterskip Fryslân (ontvangen 23 mei 2017). De aandacht is daarbij uitgegaan naar de destijds nog met voorliggend bestemmingsplan voorgenomen eerste uitbreiding van het bedrijventerrein (waarvan bij uitspraak van de AbRvS op 18 december 2024 de daartoe opgenomen wijzigingsbevoegdheid is vernietigd). In het wateradvies is geadviseerd om hergebruik van regenwater te stimuleren. Ook wordt gewezen op het kunnen onderhouden van de schouwwatergangen langs de Feintensloane, De Swette en de Kûkhernewei (die afvoeren naar de spoorsloot). Vervolgens is ingegaan op peilbeheer en drooglegging. In geval van nieuwe ontwikkelingen waarbij oppervlaktewater wordt gedempt dient dit voor 100% gecompenseerd te worden in hetzelfde peilgebied. In geval van een toename van verhard oppervlak is ook compensatie nodig. Daarvoor dient te zijner tijd nieuw wateradvies bij Wetterskip Fryslân opgevraagd te worden. Verder adviseert het Wetterskip over maatregelen voor schoonhouden – scheiden – zuiveren.
CONCLUSIE
Het voorliggende bestemmingsplan leidt niet tot belemmeringen ten aanzien van waterbelangen. Het bestemmingsplan mag uitvoerbaar worden geacht voor wat betreft het aspect water. 4.8
Ecologie WET- EN REGELGEVING
De effecten op natuurwaarden van een bestemmingsplan dienen te worden beoordeeld in relatie tot de Wet natuurbescherming (Wnb)3 met het daarmee verbonden provinciaal ruimtelijk natuurbeleid.
ONDERZOEK
Voor het voorliggende bestemmingsplan is een onderzoek uitgevoerd ‘Advies Natuurwaarden Feanwâlden-Súd’ (zie bijlage 6). Hierbij werd uitgegaan van een bij recht geboden ontwikkeling van de eerste fase uitbreiding van het bedrijventerrein De Swette die vervolgens werd omgezet in een wijzigingsbevoegdheid die daarna bij uitspraak van de AbRvS op 18 december 2024 werd vernietigd. In 2021 heeft nog een actualisatie van het onderzoek plaatsgevonden (zie bijlage7 betreffende de Beknopte natuurtoets). Daarnaast zijn in 2021 AERIUS-berekeningen uitgevoerd die de stikstofdepositie met betrekking tot de opgenomen en thans vernietigde wijzigingsbevoegdheid in beeld brachten (zie bijlage 8 voor de rapportage en bijlagen 9 en 10 voor de AERIUS-berekeningen ten aanzien van de aanlegfase respectievelijk gebruiksfase).
3
De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden.
58
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
Uit de verschillende onderzoeksrapportages zijn de volgende conclusies te trekken: 4 . 8 . 1
Beschermde gebieden
Het plangebied ligt niet in en grenst niet aan beschermde gebieden in het kader van de Wnb en het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid. Gezien de afstand, de inrichting van het tussenliggende gebied met bebouwing, wegen en de aard van de ontwikkeling, zijn vele potentiële effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten. Over deze afstand kan in potentie wel sprake zijn van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Met die reden zijn zogenoemde AERIUS-berekeningen gemaakt waaruit blijkt dat tijdens de voorgenomen aanleg- en gebruiksfase van uitbreiding van het bedrijventerrein geen sprake zou zijn van een stikstofdepositie boven de 0,00 N/ha/jaar in stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Er zou ten aanzien van beschermde gebieden geen vergunning op grond van de Wnb nodig zijn. Het bestemmingsplan is daarnaast op het punt van natuur niet in strijd met de Verordening Romte Fryslân 2014. 4 . 8 . 2
Beschermde soorten
Voor de agrarische gronden waar de uitbreiding van het bedrijventerrein op was voorzien, geldt dat uit het onderzoek naar voren komt dat dit deel van het plangebied een beperkte natuurwaarde kent. Bij het uitvoeren van werkzaamheden ter plaatse moet wel rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Voor een toetsing aan de soortenbescherming van Wnb is, op basis van het uitgevoerde veldbezoek (d.d. 31 mei 2021) en het raadplegen van bronnen, afhankelijk van planning en locatie van werkzaamheden, een onvoldoende beeld van de aan- of afwezigheid van nesten van jaarrond beschermde vogels zoals boomvalk ontstaan. Ook is er nog onvoldoende beeld van de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen in bomen. Bij concrete plannen om de oostelijke houtsingel met het lege nest aan te tasten dient voorafgaand nog nader onderzoek plaats te vinden naar boomvalk. In de komende jaren is niet uitgesloten dat er meer geschikte nesten in het plangebied verschijnen. Afhankelijk van de planning van de werkzaamheden en locatie van de kap is dan nader onderzoek nodig naar het gebruik van deze nesten door boomvalk, ransuil of buizerd. Daarnaast dient voorafgaand aan kap van bomen met voor vleermuizen geschikte spleten, scheuren of holtes uitgesloten te worden dat er geen vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn.
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
59
Voor de te verwachten overige beschermde soorten geldt een vrijstelling van de verboden in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen. Aan deze vrijstelling zijn geen aanvullende eisen gesteld. Wel blijft de zorgplicht van toepassing. Op basis van de inrichting van het plangebied, de aard van het plan en de bekende verspreiding van beschermde soorten valt echter niet te verwachten dat soorten zullen worden aangetroffen waarvoor geen ontheffing kan worden verleend. AANBEVELING Om het plangebied voor vogels en vleermuizen aantrekkelijk te houden, wordt aanbevolen zo veel mogelijk van de groenstructuren te behouden en terughoudend om te gaan met het aanbrengen van buitenverlichting. 4 . 8 . 3
Uitvoerbaarheid
Als gevolg van voorliggend bestemmingsplan treden geen (significant) negatieve effecten op Natura 2000-gebieden op. Het bestemmingsplan is op het punt van gebiedsbescherming niet in strijd met de Wnb, zodat het aanvragen van een vergunning van de Wnb voor gebieden niet nodig is. Negatieve effecten op de ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en natuur buiten het NNN treden niet op. De activiteit is tevens uitvoerbaar volgens de Verordening Romte Fryslân. Er is evenmin sprake van negatieve effecten op in het kader van de Wnb beschermde soorten, zodat een ontheffing in het kader van de Wnb niet nodig is. Uitbreiding van het bedrijventerrein is in de toekomst eventueel aan de orde met een op zichzelf staande planprocedure. Dit betekent dat er bij een concreet plan opnieuw moet worden gekeken of beschermde soorten aanwezig zijn, waarbij gezien de inrichting van het plangebied en de bekende verspreiding met name moet worden gelet op de soortgroep vogels. Op basis van de inrichting van het plangebied, de aard van het plan en de bekende verspreiding van beschermde soorten valt echter niet te verwachten dat soorten zullen worden aangetroffen waarvoor geen ontheffing kan worden verleend. Het plan zal daarom – al dan niet met mitigerende en/of compenserende maatregelen in verband met een ontheffing voor beschermde soorten – naar verwachting uitvoerbaar zijn. CONCLUSIE
Op basis van het uitgevoerde onderzoek mag dit bestemmingsplan voor wat betreft ecologie uitvoerbaar worden geacht. De genoemde adviezen worden idealiter betrokken bij toekomstige planvorming en -uitwerking met betrekking tot uitbreiding van het bedrijventerrein.
60
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
4.9
Cultuurhistorie Sinds het Verdrag van Valletta heeft de zorg voor het archeologische en ander
WET- EN REGELGEVING
cultuurhistorisch erfgoed een prominentere plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische en andere cultuurhistorische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) en de introductie van het zogenaamde ‘veroorzakerprincipe’. Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden. Ondertussen is dit uiteindelijk vertaald in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 van kracht is geworden. Ten aanzien van het onderzoek naar erfgoed gaat de gemeente uit van de Cultuurhistorische Kaart 2 (CHK2) van de Provinsje Fryslân, waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uit maakt. Op deze kaarten is informatie opgenomen over archeologische en cultuurhistorische waarden. Daarnaast kan gebruik worden gemaakt van het document ‘Grutsk op ‘e Romte’ waarin de kernkwaliteiten van het cultuurhistorisch erfgoed en het landschap in Fryslân beschreven staan. Overeenkomstig de wet- en regelgeving zijn in het cultuurhistorisch onderzoek
ONDERZOEK
ook archeologische en (andere) cultuurhistorische waarden onderscheiden. Archeologie Op de FAMKE is informatie over archeologische waarden in de provincie opgenomen. Daarin worden twee perioden onderscheiden: de steentijd-bronstijd en de ijzertijd-middeleeuwen. Uit de informatie van de FAMKE voor de periode steentijd-bronstijd blijkt dat, behalve in twee delen van het bestemmingsplangebied, de provincie Fryslân voor het plangebied het advies geeft om bij ontwikkelingen met een grootte van ten minste 5.000 m² een archeologisch onderzoek (een zogenoemde quickscan) uit te voeren. De twee hiervoor bedoelde delen van het plangebied zijn: -
Gronden ter plaatse van De Wâl en Prysterikker. Hiervoor geeft de provincie het advies om bij ontwikkelingen met een grootte van ten minste 5.000 m² een archeologisch onderzoek (een zogenoemd karterend onderzoek 1 (steentijd)) uit te voeren.
-
Gronden ter plaatse van de weg De Swette. Hiervoor geeft de provincie het advies om bij ontwikkelingen met een grootte van ten minste 2,5 hectare een archeologisch onderzoek (een zogenoemd karterend proefsleuvenonderzoek) uit te voeren.
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
61
Uit de informatie van de FAMKE voor de periode ijzertijd-middeleeuwen blijkt dat de provincie Fryslân voor het bestemmingsplangebied het advies geeft om bij ontwikkelingen met een grootte van 5.000 m² een archeologisch onderzoek (een zogenoemd karterend onderzoek 3 (middeleeuwen)) uit te voeren. Vanwege eerdere plannen voor uitbreiding van bedrijventerrein De Swette (met netto 5 hectare) heeft De Steekproef in 2015 een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 11. Om de archeologische verwachting te toetsen, zijn in het plangebied 38 boringen gezet. Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat vaak al rond een halve meter beneden het maaiveld ongeroerd dekzand aanwezig is. Dit dekzand wordt op enkele lage delen van het plangebied nog afgedekt door een dun pakket sterk veraard veen. Er zijn echter ook drie dekzandkoppen aanwezig die in de steentijd aantrekkelijk kunnen zijn geweest voor bewoning. Op twee hiervan is de bodem dermate sterk verstoord dat hier geen behoudenswaardige archeologische resten meer verwacht hoeven te worden. Op het oostelijke deel van het plangebied ligt echter een dekzandkop met een nog deels intacte podzolbodem. Op dit deel van het plangebied is conform de FAMKE een karterend booronderzoek uitgevoerd waarbij zes boringen per hectare zijn geplaatst met een megaboor.
Het zeven van het hiermee opgeboorde zand heeft echter geen relevante archeologische indicatoren opgeleverd. Ook voor deze zone geldt derhalve, net als voor de overige delen van het plangebied, dat de resultaten van het uitgevoerde onderzoek geen aanleiding geven tot het adviseren van beschermende en/of beperkende maatregelen of archeologisch vervolgonderzoek. Evenmin zijn binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen waarmee bij de verdere planvorming rekening zou moeten worden gehouden. CONCLUSIE
De uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan wordt niet belemmerd door de aanwezigheid van archeologische waarden. Cultuurhistorie Geomorfologisch gezien is het plangebied gesitueerd op een dekzandplateau dat in de laatste ijstijd is ontstaan door zandafzettingen op een keileemondergrond. Het dorp Feanwâlden is ontstaan op een zandrug langs de noordrand van dit plateau. Het zuidelijk daarvan gelegen plangebied ligt op een vlak relatief laaggelegen vlakker deel van het plateau. Na ontginning van de streek waarin het plangebied is gelegen, door turfwinning, is hier het typerende woudenlandschap ontstaan gekenmerkt door de opstrekkende verkaveling en de houtsingels op de perceelscheidingen. Deze cultuurhistorische oudste structuurbasis is tegenwoordig nog goed in het plangebied en daarbuiten zichtbaar. Over deze structuur heen hebben zich vanaf de 19e eeuw ontwikkelingen voorgedaan die veel cultuurhistorische in-
62
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
formatie aan het plangebied hebben toegevoegd. Nieuwe verkeersverbindingen en de daaropvolgende sterke woonontwikkeling in het plangebied zijn hier de meest duidelijke voorbeelden van. Zij vormen, nu in de 21e eeuw, in cultuurhistorisch opzicht de belangrijkste structuurdragers in het plangebied. Cultuurhistorische aspecten van het dorp Feanwâlden. Uit de cultuurhistorische informatie die door de provincie is verzameld in het bij de Verordening Romte Fryslân 2014 behorende kaartmateriaal (CHK2, zie paragraaf 3.2.3), blijkt dat er in het dorpsgebied van Feanwâlden zich verschillende ontwikkelingen hebben voorgedaan die in cultuurhistorisch opzicht van belang zijn: -
In de loop van de tijd zijn ten gevolge van de ontwikkeling van Feanwâlden in zuidelijke richting een aantal cultuurelementen verdwenen. De cultuurhistorische kaart geeft de volgende elementen: In 1850 wordt het tracé verhard van de weg van Dokkum naar Burgum die aansluiting geeft op de in 1830 verharde weg tussen Groningen en Leeuwarden. In het bestemmingsplangebied is dit de Suderwei.
-
In 1866 wordt direct ten zuiden van de dorpskom van Feanwâlden de spoorlijn tussen Leeuwarden en Groningen aangelegd, met een halteplaats direct ten zuiden van de oude dorpskom.
-
Rond 1970 wordt de provinciale weg van Dokkum naar Burgum buiten Feanwâlden omgeleid via een tracé direct ten noorden van de spoorlijn.
De aanwezigheid van deze verbindingen leidt tot vestiging van vooral forenzen in de nieuwbouwwijken die vanaf die tijd aan het dorp worden toegevoegd. Cultuurhistorische aspecten van het bestemmingsplangebied De eerste bebouwing in het plangebied ontstaat direct na verharding van de verbinding tussen Dokkum en Burgum (de Suderwei). Aan de westzijde van de weg wordt op ruime kavels gebouwd. Villa Eldorado (Suderwei 2, dat.1874) en de Doopsgezinde Kerk en haar pastorie (Suderwei 6-8, dat.1868) zijn de nog aanwezige cultuurhistorische monumenten uit die tijd. Aan de oostzijde van de weg ontstaat vanaf dat moment een lintbebouwing op basis van een kleinschaliger verkaveling. Hiervan zijn Suderwei 15, 19 en 21 voorbeelden. Door de aanleg van de spoorlijn worden een aantal oude noord-zuid verbindingen in het plangebied doorsneden. Naast de al genoemde Suderwei zijn dit de Prysterikker en de Feintensloane. De Prysterikker is onderdeel van het oude kloosterpad tussen de voormalige kloosters van Claercamp en Burgum. In het nieuwe bestemmingsplan hebben deze structuurlijnen hun historische beeldbetekenis behouden. Overige wegen in het plangebied zijn van later datum, waarbij dient te worden opgemerkt dat met name de hoofdwegen, aangelegd in de cultuurhistorisch opzicht belangrijke ontwikkelingsperiode vanaf de 19e eeuw, het plangebied van het bestemmingsplan structureren.
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
63
Het provinciale cultuurhistorische kaartmateriaal geeft ook een aantal cultuurelementen die, vooral in de 20e eeuw, uit het landschap verdwenen zijn: -
De eendenkooi ter plaatse van de Mûnestrjitte.
-
De Freia-zuivelfabriek ter plaatse van de Freiahôf. Deze zuivelfabriek is verplaatst naar het openluchtmuseum te Arnhem.
-
Een boerderij ter plaatse van de Kûkhernewei.
-
Een korenmolen ter hoogte van de Hellingstrjitte.
De gemeente heeft karakteristieke panden geïnventariseerd (zie paragraaf 3.4.8). Daarvan is een zestal gelegen in het plangebied die zijn voorzien van een bouwaanduiding “karakteristiek” op de verbeelding en een daaraan verbonden beschermingsregeling in de regels. De cultuurhistorische kenmerken van het oostelijk deel van het bestemmingsplangebied worden op dit moment nog steeds gevormd door de klassieke inrichting van het woudenlandschap met haar opstrekkende verkaveling en de houtsingels op de perceelscheidingen. Op een klein aantal plaatsen is tussen de singels het gebruik als grasland ingeruild voor niet-agrarische bedrijfsactiviteiten. Echter, het verkaveling stramien is nog steeds duidelijk bepalend in het beeld van het landschap. In dit deel van het plangebied is mogelijk op termijn uitbreiding van het bedrijventerrein De Swette aan de orde. In dat geval zullen de kenmerkende cultuurhistorische aspecten in landschappelijk opzicht “vertaald” moeten worden in het nieuwe landschap dat dan door bedrijfsontwikkeling zal ontstaan. CONCLUSIE
Voor wat betreft de cultuurhistorische kenmerken houdt het bestemmingsplan rekening met karakteristieke gebouwen en is er aandacht voor de ruimtelijke en historische kwaliteiten van het landschap. Met voorliggend bestemmingsplan is specifieke aandacht gegeven aan cultuurhistorie. De uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt hier niet door belemmerd. 4.10
Bodem WET- EN REGELGEVING
Op 1 april 2007 is de gewijzigde Woningwet (Ww) in werking getreden. In de Ww is bepaald dat door de gemeenteraad in de bouwverordening regels moeten worden opgenomen om het bouwen op verontreinigde bodem te voorkomen. Deze regels hebben onder andere betrekking op het uitvoeren van een (bodem)onderzoek naar de aard en schaal van de verontreiniging van de bodem. Ook is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders een beslissing op een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen moeten aanhouden als blijkt dat de bodem is verontreinigd dan wel het vermoeden bestaat dat er sprake is van ernstige verontreiniging. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in de toelichting op een bestemmingsplan inzicht verkregen moet worden over de uitvoerbaarheid van
64
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
het plan. Dit betekent dat er onder andere inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke investering van een (mogelijke nodige) bodemsanering. Een onderzoek naar de mogelijke verontreinigingen van de bodem is dus feitelijk een onderdeel van het nodige onderzoek van het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad bij de voorbereiding van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden opgemerkt dat ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening het bestemmen van gronden met een verontreinigde bodem met een hiervoor gevoelige bestemming in beginsel moet worden voorkomen. De provincie Fryslân heeft voor het bodemloket een kaart gemaakt. Hierop is
ONDERZOEK
informatie over uitgevoerde bodemonderzoeken en –saneringen opgenomen. Ook is er informatie opgenomen over bedrijven of terreinen waar “verdachte” werkzaamheden hebben plaatsgevonden waardoor ter plaatse mogelijk sprake is van een verontreiniging van de bodem en waar mogelijk een bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Uit de informatie blijkt dat in een groot deel van het bestemmingsplangebied al bodemonderzoeken zijn uitgevoerd. Bij een deel van deze onderzoeken is een vervolgonderzoek of een bodemsanering niet nodig maar bij een deel kan een vervolgonderzoek wel nodig zijn. Zoals opgemerkt is op het bedrijventerrein, zonder inbegrip van het industrieterrein, de bouw van bedrijfswoningen mogelijk. Een bedrijfswoning is een voor bodemverontreiniging gevoelig gebouw. Dit betekent dat in beginsel het uitvoeren van een bodemonderzoek nodig is. Op basis van de informatie van de kaart van het bodemloket is het uitvoeren van een vervolgonderzoek nodig voor de gronden binnen de percelen aan de: -
Feintensloane 54.
-
Kûkhernewei 9.
-
Mûnestrjitte 54.
Op grond van het voorliggende bestemmingsplan zijn de gronden binnen de drie hiervoor bedoelde percelen bestemd als ‘Bedrijventerrein’. Op de gronden bestemd als ‘Bedrijventerrein’ is door middel van een afwijkingsmogelijkheid op grond van het bestemmingsplan de bouw van één bedrijfswoning per perceel mogelijk. In de bestaande situatie is op al de drie percelen al een (bedrijfs)woning aanwezig. Dit betekent dat het aantal bedrijfswoningen op de percelen niet kan toenemen. Op basis hiervan wordt het uitvoeren van een bodemonderzoek niet nodig geacht. Ook blijkt uit de informatie van de kaart van het bodemloket dat in delen van het bestemmingsplangebied mogelijk “verdachte” werkzaamheden bij bedrijven of op terreinen hebben plaatsgevonden waardoor ter plaatse mogelijk sprake is van een verontreiniging van de bodem. Op basis van de informatie
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
65
van de kaart van het bodemloket hebben “verdachte” werkzaamheden plaatsgevonden op de gronden binnen de percelen aan de: -
Ambachtstrjitte 4.
-
Ambachtstrjitte 10.
-
De Swette 19.
-
De Swette 21.
-
De Swette 31.
-
Feintensloane 62.
-
Mûnestrjitte 6.
-
Mûnestrjitte 8.
-
Mûnestrjitte 14.
Hier is in beginsel het uitvoeren van een onderzoek nodig naar de werkzaamheden die hier mogelijk hebben plaatsgevonden. Behalve de gronden binnen de percelen aan De Swette 31 en de Feintensloane 62a zijn de gronden binnen de negen hiervoor bedoelde percelen op grond van het voorliggende bestemmingsplan bestemd als ‘Bedrijventerrein’ of als ‘Bedrijventerrein – Gezoneerd’. Ook in de bestaande situatie liggen deze percelen binnen het bedrijventerrein. Op basis hiervan wordt het uitvoeren van een onderzoek naar de mogelijk “verdachte” werkzaamheden niet nodig geacht. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat op de gronden binnen de percelen aan de Ambachtstrjitte 4 en 10 en de Mûnestrjitte 6, 8 en 14, bestemd als ‘Bedrijventerrein – Gezoneerd’ de bouw van bedrijfswoningen niet mogelijk is op grond van het bestemmingsplan. De bouw van bedrijfswoningen op de gronden binnen de andere percelen, bestemd als ‘Bedrijventerrein’, wordt mogelijk geacht. De gronden binnen de percelen aan De Swette 31 en de Feintensloane 62a zijn zowel in het geldende bestemmingsplan als op grond van het voorliggende bestemmingsplan bestemd als ‘Wonen’. In de bestaande situatie is op deze twee percelen een woning aanwezig.
Op basis hiervan wordt het uitvoeren van een onderzoek naar de mogelijk “verdachte” locaties vooralsnog niet nodig geacht en is het gebruik van de gronden binnen de percelen voor wonen mogelijk. CONCLUSIE
De uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan wordt niet door verontreiniging van de bodem belemmerd. 4.11
Duurzaamheid Duurzaamheid van een gebied of in relatie tot een ruimtelijke ontwikkeling kan tot uitdrukking komen in de thema’s: kwaliteit van de leefomgeving, water, energie, mobiliteit, natuur/ecologie en milieu. Onder deze laatste kan onder meer het volgende worden verstaan: gezondheid, externe veiligheid,
66
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
materiaalkeuze en hergebruik van materialen, duurzaam slopen, geluid, lucht en beheer/onderhoud van een gebied of gebouw. Er bestaat geen wettelijke verplichting om het thema duurzaamheid in bestemmingsplannen vast te leggen. Wel vormt het een belangrijk onderwerp in het sociaal-maatschappelijke debat en daarmee een belangrijk aandachtspunt in het overheidsbeleid. Gemeenten streven in dat kader naar een duurzame (gebouwde) omgeving. Bestemmingsplannen kunnen echter beperkt worden gehanteerd om duurzame energieaspecten te regelen. Voor eventuele ambitieuze duurzame energiedoelstellingen dienen dan ook extra instrumenten, zoals privaatrechtelijke overeenkomsten, ingezet te worden. Er is bij bewoners en ondernemers in de gemeente Dantumadiel vraag naar het mogen plaatsen c.q. realiseren van zonnepanelen. Het opwekken van zonneenergie is een ontwikkeling die in en rond de dorpen te verwachten is. In het provinciale beleid (Verordening Romte) wordt deze ontwikkeling zowel individueel bij woningen, als projectmatig, in de vorm van zonneweiden, voor mogelijk gehouden. De plaatsing van zonnecollectoren en fotovoltaïsche cellen op daken in het
AFWIJKINGSMOGELIJKHEID
plangebied is gewoon mogelijk binnen de regels van dit bestemmingsplan. Aan-
BIJ (BEDRIJFS-)WONINGEN
vullend is een regeling opgenomen die voorziet in het toestaan van kleinschalige duurzame energievoorzieningen bij (bedrijfs-)woningen. Het gaat dan om voorzieningen direct op en aansluitend aan het erf (bouwperceel) waarop (bedrijfs-)woningen zijn toegestaan. Wel is het nodig om hiervoor een ruimtelijke procedure van het afwijken van het bestemmingsplan te doorlopen. Het betreft hier de reguliere afwijkingsprocedure met een doorlooptijd van 8 weken. Op deze wijze is gewaarborgd dat aan een aantal voorwaarden is voldaan, voordat zonnepanelen worden geplaatst op een bouwperceel van de (bedrijfs)woning of op een aansluitend perceel. Het uitgangspunt van de afwijkingsmogelijkheid is dat ruimte wordt geboden voor het opwekken van energie voor de eigen behoefte. De afwijkingsmogelijkheid is dan ook in oppervlakte begrensd.
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
67
5
J u r i d i s c h e
t o e l i c h t i n g
5.1
Algemeen Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), die zijn ingevoerd op 1 juli 2008. De regels van het bestemmingsplan zijn eveneens afgestemd op de op 1 oktober 2010 in werking getreden Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ook zijn de Ruimtelijke Ordening Standaarden 2012 toegepast. In het Bro is een formulering opgenomen ten aanzien van de antidubbeltelregel en het overgangsrecht. Deze teksten zijn neergelegd in de regels van het voorliggende bestemmingsplan. In de Wabo zijn begrippen als bouwvergunning en aanlegvergunning vervangen door de omgevingsvergunning voor het bouwen en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Aansluitend is de voorgenoemde terminologie verwerkt in de Ruimtelijke Ordening Standaarden 2012. De RO-standaarden 2012 zijn op 1 juli 2013 verplicht gesteld. De RO-standaarden bestaan uit: de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012), de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke instrumenten 2012 (STRI2012) en de Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen 2012 (PRBP2012). De RO-Standaarden zien op de totstandkoming van een digitaal bestemmingsplan.
De koppeling tussen de kaart/verbeelding, de toelichting en de regels wordt in de systematiek van de RO-Standaarden ‘het digitale bestemmingsplan’ genoemd. Het ‘digitale bestemmingsplan’ is vervat in een GML. Deze digitale verplichting is ingegaan op 1 januari 2010. Vanaf dat moment heeft het digitale plan voorrang op het analoge plan. 5.2
Bestemmingsplanprocedure De bestemmingsplanprocedure is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de procedure zijn de verschillende hierna uiteengezette fasen te onderscheiden.
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
69
Voorbereidingsprocedure - voorontwerpbestemmingsplan Voor het opstellen van een voorontwerpbestemmingsplan verricht de gemeente onderzoek naar de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen, naar de bestaande toestand en naar mogelijke en wenselijke ontwikkelingen binnen een gemeente. Het voorontwerpbestemmingsplan wordt voor overleg gezonden aan de in artikel 3.1.1 van het Bro genoemde instanties. Bovendien wordt het voorontwerp ter inzage gelegd voor inspraak op de wijze zoals die in de gemeentelijke inspraakverordening is vastgelegd. De gemeente reageert vervolgens op het overleg ex artikel 3.1.1 Bro en de inspraak door in de toelichting van het plan op de gemaakte op- en aanmerkingen in te gaan en aan te geven welk standpunt de gemeente daarover inneemt. Vaststellingsprocedure - ontwerpbestemmingsplan Na aankondiging in de Staatscourant en in één of meer plaatselijke dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp naar voren brengen. Na afloop van de termijn van de terinzagelegging stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd uiterlijk 12 weken na de termijn van terinzagelegging vast.
Beroepsprocedure – vastgesteld bestemmingsplan Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Indien Gedeputeerde Staten en/of de Minister (wie het aangaat) een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, vindt de bekendmaking en terinzagelegging uiterlijk 6 weken na de vaststelling plaats. Uiterlijk tot 6 weken na terinzagelegging van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS). Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan zienswijzen van gedeputeerde staten en/of de minister (wie het aangaat) wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingplan ter inzage gelegd.
70
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
5.3
Inhoud bestemmingsplan Op grond van artikel 3.1.3 Bro en artikel 3.1.6 Bro moet een bestemmingsplan worden vervat in: 1.
een beschrijving van de bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven;
2.
bij of krachtens wet kunnen bestemmingen worden voorgeschreven;
3.
bij of krachtens wet kunnen regels worden voorgeschreven;
4.
wanneer nodig uitwerkings- en wijzigingsregels en regels voor het afwijken bij een omgevingsvergunning.
Daarnaast dient een dergelijk plan vergezeld te gaan van een toelichting, waarin de aan het plan ten grondslag liggende gedachten, de uitkomsten van het onderzoek, de uitkomsten van het overleg en de rapportering van de inspraak zijn vermeld. In het plan zijn de al dan niet in directe relatie met een bestemming staande
LEIDINGEN EN DERGELIJKE
voorzieningen, zoals ondergrondse leidingen, paden, voorzieningen ten behoeve van de waterbeheersing in de vorm van watergangen, duikers, waterkeringen en dergelijke in de bestemming begrepen, zonder dat dit in elke bestemming
uitdrukkelijk
is
vermeld.
Ten
aanzien
van
de
planologische
belangenafweging is een nadere regeling in het algemeen niet nodig. Voor zover uitsluiting of een nadere regeling wenselijk is, is dit uitdrukkelijk in de regels vermeld. Indien dergelijke voorzieningen beperkingen met zich meebrengen, kan dit in onderling overleg tussen belanghebbenden worden geregeld. Onder de zogenaamde getolereerde activiteiten zijn ingevolge de jurisprudentie niet begrepen grootschalige voorzieningen, zoals het landelijke net van aardgasleidingen met een druk van 20 bar en meer. Voor dergelijke leidingen dient in bestemmingsplannen een regeling te worden opgenomen. In het plangebied lopen een aantal van dergelijke leidingen, die zijn bestemd door middel van een dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’. Bij de regeling van de bedrijven, zoals die voorkomen binnen de bestemmingen
REGELING BEDRIJVEN
‘Bedrijventerrein’, ‘Bedrijventerrein – Gezoneerd’ en ‘Wonen’ is gebruik ge-
BINNEN HET PLANGEBIED
maakt van de categorie-indeling, zoals opgenomen in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering van 2009. In deze publicatie zijn, naast industriële bedrijven tevens andersoortige bedrijven, zoals agrarische bedrijven en detailhandelsbedrijven opgenomen. Een aantal van deze bedrijfstakken vragen, om planologisch relevante factoren, een afzonderlijke situering en een afzonderlijke bestemming. De betreffende bedrijven zijn in de VNG-publicatie ingedeeld in een zestal klassen met bijbehorende gewenste afstand tot milieugevoelige functies.
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
71
Relevant voor het plangebied zijn: -
categorie 1: afstand 0 en 10 m;
-
categorie 2: afstand 30 m;
-
categorie 3.1: afstand 50 m;
-
categorie 3.2: afstand 100 m;
-
categorie 4.1: afstand 200 m.
Deze afstanden zijn als volgt als onderdeel van de bestemmingsomschrijving in een plan te vertalen: 1.
categorie 1: bedrijven toelaatbaar tussen of onmiddellijk naast woningen;
2.
categorie 2: bedrijven toelaatbaar tussen of naast woningen voor zover er geen sprake is van een specifieke woonbuurt;
3.
categorie 3 en hoger: toelaatbaar op bedrijventerreinen, waarbij aandacht dient te zijn voor eventueel aanwezige bedrijfswoningen.
In het voorliggende plan is in de bestemming ‘Bedrijventerrein’ bedrijvigheid in de milieucategorieën 1 tot en met 3.1 mogelijk en in de bestemming ‘Bedrijventerrein – Gezoneerd’ tot en met 4.1. De gronden waarop een bepaald type bedrijvigheid is toegestaan, zijn ingedeeld door middel van het opnemen van specifieke functieaanduidingen hiervoor (“bedrijf tot en met categorie X”). Deze indeling is opgenomen in afstemming met de situering ten opzichte van omliggende hindergevoelige functies (zoals reguliere woningen). Zie voor een aanvullende toelichting hierover paragraaf 4.3. In het voorliggende plan is binnen de bestemming ‘Wonen’, mits aangeduid met de aanduiding “bedrijf” bedrijvigheid in milieucategorie 1 en 2 toegestaan. AFSTEMMING
In verband met de afstemming op de gemeentelijke welstandsnota is in de
WELSTANDSNOTA
regels in artikel 22.1 een afstemmingsparagraaf opgenomen. Hierin is aangegeven dat wanneer de regels in het bestemmingsplan met betrekking tot de voorgeschreven goothoogte en bouwhoogte, de dakhelling en de plaatsing op het perceel ruimte bieden voor verschillende mogelijkheden van het realiseren van gebouwen deze ruimte tevens is bedoeld voor het kunnen stellen van voorwaarden op basis van de in artikel 12a van de Woningwet aangegeven welstandscriteria.
BOUWPERCEEL
In de regels is het begrip bouwperceel als volgt omschreven: “een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten”. Ter toelichting kan het volgende worden opgemerkt. Met bouwperceel wordt fundamenteel iets anders bedoeld dan met bouwvlak. Het bouwvlak is bijvoorbeeld noodzakelijk wanneer men binnen een bestemmingsvlak de situering van gebouwen nader wenst aan te geven. Het is een bestuursrechtelijke term.
72
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
In feite is het bouwperceel het stuk grond dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning moet worden aangemerkt als behorende bij de aangevraagde bebouwing. Het begrip ‘bouwperceel’ kan nodig zijn om het toelaatbare bebouwingsareaal rechtvaardig per vestiging, per bedrijf, per beheerseenheid of per wooneenheid etc. te verdelen. Zowel een bestemmingsvlak als een bouwvlak kan dan ook meerdere bouwpercelen omvatten. In de regels zijn de begrippen ondergeschikte bebouwing en ondergeschikte
ONDERGESCHIKTE
gebouwen opgenomen. Ondergeschikte gebouwen zijn aan- en uitbouwen aan
BOUWWERKEN
het hoofdgebouw en vrijstaande bijgebouwen. Onder deze definitie vallen niet overkappingen, omdat dit geen gebouwen zijn. Daarom is ook het begrip ondergeschikte bebouwing opgenomen. Hieronder vallen de ondergeschikte gebouwen plus de overkappingen. In de regels wordt verder een onderscheid gemaakt tussen ‘aan het hoofdgebouw gebouwde ondergeschikte gebouwen’ (aan- en uitbouwen aan het hoofdgebouw) en ‘vrijstaande ondergeschikte gebouwen’ (vrijstaande bijgebouwen). De regeling voor ondergeschikte bebouwing is schematisch als volgt weergegeven:
Figuur 12. Schematische weergave regeling voor ondergeschikte bebouwing
Kenmerk van een wijzigingsbevoegdheid is dat hieraan door het gemeentebe-
WIJZIGINGS-
stuur medewerking kan worden verleend. Er is daarmee geen sprake van een
BEVOEGDHEDEN
verplichting tot realisatie. Indien een initiatiefnemer een passende ontwikkeling bij de gemeente indient, kan een wijzigingsprocedure worden gestart. De wijzigingsprocedure is opgenomen in de Wro. Eerst moet een wijzigingsplan worden opgesteld. Het wijzi-
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
73
gingsplan moet voldoen aan de wettelijke verplichtingen. Dit houdt in dat onder meer aandacht moet worden besteed aan diverse milieuaspecten zoals aspecten met betrekking tot archeologie, ecologie, geluidhinder, externe veiligheid, bodemonderzoek en hinder van bedrijvigheid. Indien uit de verrichte (bureau)onderzoeken is gebleken dat er geen belemmeringen in het wijzigingsgebied aanwezig zijn, wordt het wijzigingsplan uitvoerbaar geacht. In sommige gevallen zal een aanvullend onderzoek moeten worden uitgevoerd, voordat de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan kan worden vastgesteld. Ook moet de economische uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan zijn aangetoond in het kader van het verplichte kostenverhaal op grond van afdeling 6.4 Wro Grondexploitatie. Bovendien doorloopt een wijzigingsplan een wettelijke procedure die de mogelijkheid biedt zienswijzen aan het bevoegd gezag kenbaar te maken. Dit houdt in dat belanghebbenden hun mening aan het college van burgemeester en wethouders kenbaar mogen maken. Op deze zienswijzen wordt gereageerd en de reactie van het college van burgemeester en wethouders wordt aan de belanghebbenden kenbaar gemaakt. Hierna wordt het wijzigingsplan vastgesteld en staat er beroep tegen open voor diegenen die een zienswijze hebben ingediend. PERSOONSGEBONDEN OVERGANGSRECHT
In elk bestemmingsplan is overgangsrecht opgenomen. De voorgeschreven teksten zijn ontleend aan artikel 3.2.1 en 3.2.2 Bro. Daarnaast biedt artikel 3.2.3 Bro de grondslag om persoonsgebonden overgangsrecht op te nemen. In artikel 24, lid 24.3 is persoonsgebonden overgangsrecht opgenomen voor het reguliee bewonen van de bedrijfswoning aan het Tsjerkepaad 4 in Feanwâlden. Vanaf het moment dat de huidige eigenaren de woning in 1981 kochten hebben zij die in strijd met de planologie gebruikt voor regulier wonen. Bij het bestemmingsplan Veenwouden-Zuid (1993) is dit gebruik onder het algemene overgangsrecht gebracht. Bij het opstellen van het nieuwe bestemmingsplan ‘Feanwâlden-Súd’ moet rekening worden gehouden met nu geldende wet- en regelgeving. Het Bro geeft een algemeen geldende overgangsregeling (een standaardbepaling) die in elk nieuw bestemmingsplan moet worden opgenomen. In deze wettelijke standaardbepaling is ervoor gekozen illegale bouwwerken én illegaal gebruik expliciet uit te sluiten van het overgangsrecht bouwen en gebruik. Deze uitsluiting geldt echter niet voor gebruik dat onder het overgangsrecht viel van het voorheen geldende bestemmingsplan. Dit gebruik werd immers beschermd door het overgangsrecht van dat plan.
Het opnieuw onderbrengen onder het algemene overgangsrecht kan volgens jurisprudentie alleen als de raad aannemelijk maakt dat het gebruik daadwerkelijk binnen de planperiode van het nieuwe bestemmingsplan zal worden gestaakt. (Terzijde wordt opge-
74
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
merkt dat de wettelijke planperiode van 10 jaar inmiddels is vervallen.) Het aannemelijk maken is in het voorliggende geval lastig, omdat op grond van het overgangsrecht het reguliere wonen door de huidige eigenaren én mogelijk nieuwe eigenaren/gebruikers mag worden voortgezet (mits niet langer onderbroken dan één jaar). Gezocht is naar een passende planologische oplossing. Een oplossing bestaat uit het persoonsgebonden overgangsrecht of de uitsterfregeling. Het idee achter het toepassen van persoonsgebonden overgangsrecht of de uitsterfregeling is dat het gebruik, indien dat eenmaal is beëindigd, niet wordt hervat. Het persoonsgebonden overgangsrecht (dat in artikel 3.2.3 van het Bro is neergelegd) is een bijzondere vorm van overgangsrecht voor natuurlijke personen. Het is gebonden aan een persoon (bijvoorbeeld de bewoner) en aan een functie (het gebruik als woning). Als de bewoner aan wie het persoonsgebonden overgangsrecht is gebonden, het gebruik als woning staakt, kan dit niet worden hervat. Ook niet door een ander persoon. Bedrijven kunnen geen beroep doen op deze regeling. Een uitsterfregeling kan een bepaald gebruik toestaan, maar regelt dat het gebruik na beëindiging niet mag worden hervat. Verder is deze regeling alleen functiegebonden en niet persoonsgebonden. Ook kan het op bedrijven worden toegepast.
Zo kan een uitsterfregeling bijvoorbeeld gebonden zijn aan een gebruik als kantoor. Eventuele rechtsopvolgers die dat kantoorgebruik voortzetten, kunnen ook van de uitsterfregeling profiteren. Bij de keuze tussen deze twee alternatieven dient een zorgvuldige belangenafweging te worden gemaakt. Het gaat dan niet alleen om het belang van een goede ruimtelijke ordening, maar ook om de belangen van de betrokkene. Bij de belangen van de betrokkene dient zorgvuldig te worden gekeken naar de beperkingen die worden opgelegd in het bestemmingsplan. Duidelijk is dat een uitsterfregeling minder beperkend is dan persoonsgebonden overgangsrecht. De uitsterfregeling biedt meer rechtszekerheid. In het geval van het gebruik van het Tsjerkepaad 4 is gekozen voor het persoonsgebonden overgangsrecht op basis van artikel 3.2.3 van het Bro. Uit jurisprudentie van de AbRvS blijkt dat dit artikel ook de mogelijkheid biedt om persoonsgebonden overgangsrecht op te nemen in gevallen waarin het bestaande gebruik al in het voordien geldende bestemmingsplan onder de beschermende werking van het overgangsrecht viel, het dienovereenkomstig bestemmen van dat gebruik naar het oordeel van de gemeenteraad niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar de gemeenteraad ook geen aanleiding ziet om actief over te gaan tot beëindiging van het gebruik door aankoop of onteigening.
Wanneer er wordt overgegaan tot een woonbestemming zal in het bestemmingsplan ‘Feanwâlden-Súd’ de bestemming voor een deel aangepast moeten worden van de bestemming ‘Bedrijventerrein, nader aangeduid met “bedrijf tot en met categorie 3.1” naar ‘Bedrijventerrein, nader aangeduid met “bedrijf tot en met categorie 2”. Vestiging van bedrijven in de categorie 3.1 is dan ter plekke niet meer mogelijk. De mogelijkheden van de eigenaren van die bedrijfspercelen worden dan ook be-
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
75
perkt. Behoud en vestigingsmogelijkheden van bedrijven in milieucategorie 3.1 wordt bij de bestemmingsplanherziening ‘Feanwâlden-Súd’ nadrukkelijk nagestreefd. Aankoop en/of onteigening van het Tsjerkepaad 4 ligt vooralsnog niet in de rede. Om enigszins tegemoet te komen aan de eigenaren van het betreffende perceel en de daarbij ontstane planologische situatie is een persoonsgebonden regeling in het bestemmingsplan ‘Feanwâlden–Súd’ opgenomen. Daarbij is in aanmerking genomen dat het direct beëindigen van het strijdig gebruik zou leiden tot onevenredig ingrijpen in de persoonlijke (financiële) situatie van de huidige bewoners. Als het regulier wonen ter plaatse dan stopt, wordt de gewenste situatie bereikt, namelijk een gebruik overeenkomstig de bedrijvenbestemming. Als het gebruik in overeenstemming is met de bedrijvenbestemming kan ook weer worden verbouwd en is het perceel ook weer verkoopbaar. BOUWVLAK
Het Tsjerkepaad 1 en 4 hebben in de voorgaande bestemmingsplannen geen bouwvlak. Uit het oogpunt dat de woningen veelvuldig via het overgangsrecht werden beschermd en omdat de bebouwing niet belemmerend werkt ten opzichte van omliggende bestemmingen en het niet wenselijk is het overgangsrecht meerdere keren van toepassing te verklaren, is in dit bestemmingsplan een bouwvlak toegekend aan het Tsjerkepaad 1 en 4. 5.4
Afzonderlijke bestemmingen AGRARISCH
De bestemming ‘Agrarisch’ is gericht op de percelen in het plangebied met een agrarisch karakter. Er zijn geen agrarische bedrijven in het plangebied gesitueerd. Hobbymatig gebruik ten behoeve van het houden van dieren is eveneens in de bestemming begrepen. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen of overkappingen worden gebouwd.
BEDRIJF – NUTSVOORZIENING
De in het plangebied gelegen transformatorhuisjes vallen onder de in het plan opgenomen bestemmingen. Zij zijn niet apart bestemd. De bestemming ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’ heeft specifiek betrekking op het gasontvangststation aan de Feintensloane (op het bedrijventerrein). Eén van de in het gebied aanwezige gasleidingen sluit aan op dit gasontvangststation.
BEDRIJVENTERREIN
Het westelijke deel van het plangebied (tot iets voorbij de Ambachtstrjitte) is
EN BEDRIJVENTERREIN -
bestemd als ‘Bedrijventerrein - Gezoneerd’. Op dit bedrijventerrein zijn ge-
GEZONEERD
luidzoneringsplichtige inrichtingen toegestaan. Het overige deel van de aanwezige bedrijvigheid is opgenomen in de bestemming ‘Bedrijventerrein’, dan wel in de bestemming ‘Wonen’ mits aangeduid met “bedrijf”. Qua bestemmingsregels is daar waar mogelijk op elkaar aangesloten.
76
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
Binnen de bestemming ‘Bedrijventerrein’ is bedrijvigheid in de categorieën 1 t/m 3.1 toegestaan, mits de bedrijven zijn genoemd in de bij de regels behorende ‘Staat van bedrijven’. Aan de gronden binnen de bestemming ‘Bedrijventerrein - Gezoneerd’ is toegevoegd dat bedrijvigheid in de categorieën 3.2 en 4.1 is toegestaan, mits de bedrijven zijn genoemd in de bij de regels behorende ‘Staat van bedrijven’. Op deze gronden mag zich zwaardere bedrijvigheid vestigen. Zie ook paragraaf 4.3 met betrekking tot Bedrijven en milieuhinder en paragraaf 2.1.1 betreffende de planomschrijving van het bestaande deel van het bedrijven- en industrieterrein De Swette. Op een enkele locatie is al een bedrijf aanwezig dat zwaarder is dan de toegestane milieucategorie, in zo’n situatie is een specifieke aanduiding voor de betreffende bedrijfsactiviteit opgenomen. Op deze manier is gewaarborgd dat het bedrijf op die locatie is toegestaan en ter plaatse kan voortbestaan. Daarnaast zijn de voor ‘Bedrijventerrein - Gezoneerd’ bestemde gronden aangemerkt als een geluidgezoneerd industrieterrein. Zie hiervoor ook paragraaf 4.3. Dit betekent dat geluidzoneringsplichtige bedrijvigheid als genoemd in onderdeel D van bijlage I Besluit omgevingsrecht ook is toegestaan. In de bestemmingsomschrijving is dit gewaarborgd doordat is opgenomen dat geluidzoneringsplichtige inrichtingen zijn toegestaan.
Het kan voorkomen dat dit type bedrijvigheid op het punt van geluid in een hogere categorie valt, dan dat op de betreffende gronden is toegestaan. Omdat het een geluidgezoneerd industrieterrein is, wordt het aspect geluid in het kader van de toegestane milieucategorie niet meegewogen. Op alle overige aspecten dient de bedrijfsvoering wel te passen binnen de aan de gronden toegekende categorie. Detailhandel is toegestaan voor zover dit betreft productiegebonden detailhandel en detailhandel als ondergeschikt bestanddeel van een bedrijf in goederen die qua aard rechtstreeks verband houden met de bedrijfsuitoefening. In deze bestemming is ook de verkoop van goederen via internet toegestaan, voor zover de primaire bedrijfsactiviteit opslag en distributie betreft. Bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. De oppervlakte van een bouwperceel mag niet meer dan 5.000 m² bedragen. De toegestane maatvoering en het bebouwingspercentage zijn door middel van een aanduiding op de verbeelding aangegeven. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag buiten het bouwvlak niet meer dan 3 meter en binnen het bouwvlak niet meer dan 10 meter bedragen. Door middel van het opnemen van nadere eisen in de bestemmingsregels kan sturing worden gegeven aan de plaats van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
In de bestemming komen zowel vrijstaande als inpandige bedrijfswoningen voor. Alle bedrijfswoningen zijn voorzien van de aanduiding “bedrijfswoning”. Voor het overige mogen geen bedrijfswoningen meer worden gebouwd binnen de bestemming ‘Bedrijventerrein – Gezoneerd’. In de bestemming ‘Bedrijventerrein’ mag via een afwijkingsprocedure een bedrijfswoning worden gebouwd,
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
77
met als beperkende voorwaarde dat niet meer dan één bedrijfswoning per bouwperceel is toegestaan. BOS
De bestemming ‘Bos’ geldt voor opgaande beplanting. De gronden zijn met name bedoeld voor bos en bebossing en extensief dagrecreatief medegebruik. Ter plaatse zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. De bestemming is toegekend aan het stuk grond ten noordwesten van de Freiahôf.
GROEN
Het ‘park’ bij het nieuw ingerichte stationsgebied heeft de bestemming ‘Groen’ gekregen. Binnen deze bestemming zijn groenvoorzieningen in de vorm van park en opgaand groen en grasperken mogelijk. Daarnaast is binnen deze bestemming ook ruimte geboden aan onder andere waterlopen, waterberging en waterpartijen.
HORECA
De horecagelegenheid aan de Stasjonswei 1 heeft de bestemming ‘Horeca’ gekregen. Binnen de bestemming is het bedrijfsmatig verstrekken van logies toegestaan.
KANTOOR
Het kantoor aan de Suderwei 2 is als zodanig bestemd en mag worden gebruikt voor zowel een woonfunctie als een kantoorfunctie. De voorzijde van het gebouw betreft een karakteristieke zijde. Hieraan zijn in de bouwregels specifieke eisen gesteld qua maatvoering. Aan het overige deel van het kantoorpand is een maatvoering toegekend via een aanduiding op de verbeelding.
MAATSCHAPPELIJK
De bestemming ‘Maatschappelijk’ heeft betrekking op alle religieuze, medische, sociale, culturele en onderwijsinstellingen. De bestemmingsregeling sluit aan bij de huidige situatie, maar maakt de verschillende functies onderling uitwisselbaar.
TUIN
De voortuinen in de woongebieden zijn bestemd als ‘Tuin’. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Alleen erkers tot een breedte van ten hoogste 2/3e van de breedte van de voorgevel of 1/3e van de breedte van de zijgevel en tot een diepte van ten hoogste 1 meter en een bouwhoogte van ten hoogste de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw waaraan gebouwd wordt, zijn toegestaan. Op deze manier blijven de voortuinen van de woningen vrij van ondergeschikte bebouwing. Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend worden gebouwd voor zover deze omgevingsvergunningvrij zijn. In uitzonderingssituaties kan middels een wijzigingsbevoegdheid onder voorwaarden medewerking worden verleend tot het deels bebouwen van deze gronden.
VERKEER
De meest belangrijke doorgaande wegen binnen het plangebied zijn bestemd als ‘Verkeer’. Bij de inrichting van deze bestemming wordt gestreefd naar een goede afwikkeling van het doorgaande verkeer.
78
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
De door het plangebied lopende spoorlijn Leeuwarden – Groningen valt onder
VERKEER - RAILVERKEER
de bestemming ‘Verkeer - Railverkeer’. De bestemming ‘Wonen’ is gericht op woningen, al dan niet in combinatie met
WONEN
ruimten voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf. De toegestane beroepen zijn gelimiteerd in de lijst die als bijlage 2 bij de regels is opgenomen. Andere (niet-woon)functies zijn toegestaan, mits daarvoor op de verbeelding aanduidingen zijn aangegeven. Het gaat dan om bijvoorbeeld bestaande bedrijvigheid binnen de woonbestemming. In de gebruiksregels is expliciet aangeven dat vrijstaande ondergeschikte gebouwen niet gebruikt mogen worden ten behoeve van bewoning, een aan-huisverbonden beroep, winkel en bedrijfsruimten. Daarnaast is niet-permanente bewoning uitgesloten, evenals het gebruik van gebouwen ten behoeve van koffiehuizen/coffeeshops. Ook is in verband met de 100%-letaliteitszone voor een aantal bouwvlakken die hierbinnen vallen de aanduiding “zorgwoning – uitgesloten” opgenomen. Hiermee wordt bewerkstelligd dat de gronden en bouwwerken niet worden gebruikt ten behoeve van een zorgfunctie. De huidige stedenbouwkundige structuur is uitgangspunt. Behalve van bebouwingsregels is hier gebruik gemaakt van bouwvlakken en andere aanduidingen op de verbeelding. Wel is de juridische vormgeving zodanig dat veranderingen van woningen en ondergeschikte bebouwing mogelijk is, zolang de hoofdstructuur en het woonklimaat in het algemeen niet worden aangetast. De dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ heeft betrekking op de hogedruk aard-
LEIDING - GAS
gastransportleidingen binnen het plangebied. Bebouwing anders dan ten behoeve van deze dubbelbestemming is niet toegestaan. De gronden binnen de gebiedsaanduiding “geluidzone – industrie” stellen
GELUIDZONE - INDUSTRIE
voorwaarden aan de onderliggende bestemmingen die hierbinnen liggen. Voor de gronden binnen de aanduiding geldt dat de geluidsruimte voor industrie is beschermd en in stand gehouden moet worden. Tevens zijn geluidgevoelige objecten en geluidgevoelige functies beschermd tegen het geluid afkomstig van het industrielawaai. Ten behoeve van nieuwe geluidgevoelige objecten en functies mag niet worden gebouwd. Dit is opgenomen in de bouwregels. Door middel van een afwijkingsmogelijkheid van de bouwregels kan hiervan worden afgeweken, mits is aangetoond door middel van een deskundigenverklaring dat met het oog op de geluidsbelasting vanwege een industrieterrein kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde dan wel een verkregen hogere waarde. Deze waarborg is ook opgenomen voor het gebruik van gronden en bouwwerken. Voor het spoorweglawaai is een soortgelijke regeling opgenomen met de ge-
GELUIDZONE - SPOOR
biedsaanduiding “geluidzone – spoor”, zoals is beschreven in het onderdeel “geluidzone – industrie”.
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
79
VEILIGHEIDSZONE - BEDRIJF
De gebiedsaanduiding “veiligheidszone - bedrijf” is bestemd voor het tegengaan van een te hoog veiligheidsrisico voor kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten vanwege de aanwezigheid van een gasontvangststation.
80
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
6
M a a t s c h a p p e l i j k e
u i t v o e r b a a r h e i d
6.1
Overleg Het plan is voor overleg toegestuurd aan de provincie Fryslân, Wetterskip Fryslân en N.V. Nederlandse Gasunie. De ingekomen reacties zijn als bijlage 12 bij de voorliggende toelichting opgenomen. De opmerkingen van de provincie zijn in het onderstaande samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien. De overige overlegreacties worden niet apart samengevat en van een reactie voorzien. De betreffende aspecten zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Vooroverleg reactie 1 Kantoren (categorie 1) In het stationsgebied en op het bedrijventerrein zijn zelfstandige kantoren toegestaan. Wij menen dat er gezien de huidige economische omstandigheden geen markt is voor kantoren in Feanwâlden. Er is ook geen kantorenplan, zoals bedoeld in artikel 5.1.2 Verordening Romte aanwezig, op grond waarvan de vestiging van kantoren is toegestaan. Wij menen dat met inachtneming van artikel 5.1.2. lid 2 en artikel 5.2.2. Verordening Romte in het stationsgebied ruimte geboden kan worden voor enkele (2 of 3) kantoren met een maximale vloeroppervlakte van 600 m² per kantoor. Op het bedrijventerrein zelf dienen kantoren uitgesloten te worden. Reactie gemeente Artikel 5.1.2 en artikel 5.2.2. gaan over recreatie en toerisme en wij gaan er dan ook vanuit dat artikel 4.1.2 en artikel 4.2.2. wordt bedoeld dat wel het kantoorbeleid betreft.
De reactie is verwerkt in de regels van het bestemmingsplan. Op het bedrijventerrein zijn kantoren uitgesloten. De mogelijkheden zijn toegekend aan de zone van het stationsgebied. Vooroverleg reactie 2 Uitbreiding bedrijventerrein (categorie 2) In 2010 heeft bestuurlijk overleg plaatsgebonden over de verdere ruimtelijke ontwikkeling van De Swette. Op 22 juni 2010 hebben wij u een brief gestuurd met daarin de afspraak dat voor de kern Feanwâlden voor de periode tot 2010 kan worden uitgegaan van een uitbreiding van 5 ha. In het convenant bedrijventerrein Noordoost is opgenomen dat bij Feanwâlden ruimte is voor een uitbreiding van netto 5 ha. Het opnemen van 1,5 ha (netto) nieuw bedrijventerrein en ook de wijzigingsbevoegdheid om op termijn de tweede fase aan te
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
81
kunnen leggen, past binnen de gemaakte afspraken en is in overeenstemming met artikel 5.1.1 Verordening Romte. Wel adviseren wij u in de wijzigingsbevoegdheid als criterium toe te voegen dat de wijziging alleen plaats vindt wanneer dit past binnen een door ons geaccordeerd bedrijventerreinplan en wanneer vooraf is nagegaan of voor de ontstane behoefte binnenstedelijke locaties beschikbaar zijn. Verder vinden wij het van belang dat een verdere uitbreiding van het bedrijventerrein landschappelijk goed wordt ingepast. Dit moet als criterium in de wijzigingsbevoegdheid worden opgenomen. De aanleg van beplanting moet te zijner tijd met een voorwaardelijke gebruiksbepaling in de planregels geborgd worden. Reactie gemeente In het bestemmingsplan is de mogelijkheid voor de wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Onderdeel van het wijzigingsplan is het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking, waarin criteria als behoefte en beschikbaarheid van binnenstedelijke locaties aan de orde komen. Aan de wijzigingsbevoegdheid is het afwegingscriterium inzake het geaccordeerde bedrijventerreinplan toegevoegd. Daarmee zijn de criteria voldoende gewaarborgd. De voorwaardelijke bepaling ten aanzien van een goede landschappelijke inpassing zal te zijner tijd in het wijzigingsplan worden opgenomen. De gemeente vindt het net als de provincie van groot belang dat hieraan invulling wordt gegeven.
In de criteria die aan het gebruikmaken van de wijzigingsbevoegdheid worden gesteld, is dan ook de goede landschappelijke inpassing opgenomen. Vooroverleg reactie 3 Woningbouw (categorie 2) Naast de woningbouw aan de Freiahôf biedt het plan de mogelijkheid om bedrijfswoningen op het bedrijventerrein te realiseren. Voor bedrijfswoningen buiten het BSG moet ruimte gereserveerd worden in het woonprogramma. Wij adviseren u in paragraaf 3.4.3 van de toelichting aan te geven in hoeverre in het woonprogramma rekening is gehouden met te bouwen bedrijfswoningen en in artikel 5.4 lid a van de planregels als voorwaarde toe te voegen dat een bedrijfswoning moet passen binnen het geaccordeerde woonplan. Reactie gemeente De ruimte voor nieuwbouw (bij afwijking) van bedrijfswoningen is gereserveerd in het Woonprogramma 2015-2020 van de DDFK gemeenten (vastgesteld 31 mei 2016) en de beleidsvisie Wonen 2016-2020 (versie 12) d.d. 2 februari 2016. In de toelichting van dit bestemmingsplan is dit verwoord. Vooroverleg reactie 4 Archeologie/cultuurhistorie (categorie 2) In de toelichting staat dat u voornemens bent archeologisch onderzoek en aanvullend cultuurhistorisch onderzoek te laten verrichten. Dit betekent dat wij
82
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
vooralsnog niet kunnen beoordelen in hoeverre is voldaan aan artikel 3.2.1 Verordening Romte. In het kader van het ontwerpplan zullen wij dit nader bekijken. Wij adviseren u, wanneer onderzoeken bijzonderheden opleveren, tussentijds nader in overleg te treden met de provinciale dienst. Reactie gemeente De Steekproef heeft in 2015 een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 11 en de samenvatting ervan is verwerkt in de toelichting. Ook is een tekst over cultuurhistorie in de toelichting opgenomen, waarin aansluiting is gezocht bij de Verordening Romte. Daarbij wordt ook opgemerkt dat het bestemmingsplan de uitbreiding van het bedrijventerrein mogelijk maakt en dat hierbij de kenmerkende cultuurhistorische aspecten in landschappelijk opzicht vertaald worden in het nieuwe landschap dat door bedrijfsontwikkeling zal ontstaan. Vooroverlegreactie 5 Landschappelijke inpassing (categorie 2) De uitbreiding van het bedrijventerrein wordt voorzien van afschermende beplanting. Aan de gronden heeft u de bestemming ‘Groen’ toegekend. In de bestemmingsomschrijving van de bestemming ‘groen’ is aangegeven dat op de gronden ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van groen – afschermende beplanting” afschermende beplanting wordt gerealiseerd en behouden. Wij menen dat de aanleg van de beplanting hiermee nog niet is gewaarborgd.