3. Geconsolideerde versie BP Feanwâlden-Súd -0403 [toe+rgls+blgn]
Tekst van het document
Onderzoek ombouw van verbeterd gescheiden stelsel naar gescheiden stelsels.
-
Monitoring van het rioolstelsel en riooloverstorten om zo naast het theoretische inzicht meer feitelijk inzicht te krijgen in de toestand en het functioneren van het stelsel. Met deze aanpak moet het mogelijk worden om maatwerk te leveren voor het hydraulisch functioneren en het energieverbruik van het rioolstelsel.
-
Gebruik van materialen die de waterkwaliteit niet negatief beïnvloeden.
-
Daar waar mogelijk regenwater afkoppelen van het gemengde rioolstelsel.
3 . 4 . 6
Landschapsbeleidsplan 2003
In de gemeente is een aantal ontwikkelingen gaande waarvoor een landschappelijke context belangrijk is. Hiertoe is in 2003 een nieuw landschapsbeleidsplan opgesteld. Dit plan schept een kader voor een scala van maatregelen die betrekking hebben op landschap en natuur in Dantumadiel. Het landschapsbeleidsplan verwoordt een visie waarbij zowel het behouden en versterken van het kenmerkende landschap als de diverse ontwikkelingsmogelijkheden een belangrijke rol spelen. Per landschapstype zijn in het plan één of meer strategieën uitgezet. Feanwâlden valt binnen het gebied “De Wouden”. Het behoud en versterken van het besloten landschap van noord-zuid gerichte elzensingels is hier een belangrijk streven. Tegelijkertijd is in De Wouden een groot aantal ontwikkelingen aan de orde, zoals de ontwikkeling van De Centrale As en de toename van bedrijvigheid. Binnen het gebied De Wouden is voor Feanwâlden en omgeving uitvoerig ingegaan op de te behouden en te versterken waarden. Als identiteitsdragers voor dit gebied worden genoemd: -
oorspronkelijke dorp Feanwâlden ‘opgenomen’ in nieuwere wijken;
-
Schierstins;
-
patroon van vaarten en sloten;
-
Feanwâldsterwâl = vaartdorp.
Kansen voor Feanwâlden worden gezien in het verbinden en het creëren van een nieuw gebied tussen Feanwâlden en de natuuras. Benadrukt wordt dat het met betrekking tot De Centrale As van groot belang is dat juiste afwegingen worden gemaakt op het vlak van locatie en inrichting.
32
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
3 . 4 . 7
Welstandsnota
Het welstandsbeleid van de gemeente Dantumadiel is opnieuw vastgesteld bij besluit van 4 juli 2016. Vanaf dat moment is er sprake van welstandsregimes conform bijgaand kaartbeeld, waarvan het kaartfragment met betrekking tot voorliggend plangebied in navolgende figuur is getoond.
Figuur 5. Fragment welstandsnota
Feanwâlden is opgedeeld in verschillende deelgebieden met elk een eigen welstandsbenadering. In het plangebied van Feanwâlden-Súd zijn de volgende gebieden van belang: 1.
een deelgebied langs de oude weg die valt onder ‘historisch waardevolle dorpskern’.
2.
de nieuwere woongebieden en het bedrijventerrein zijn aangemerkt als ‘welstandsvrij’;
3.
de overige gebiedsdelen vallen onder ‘buitengebied’. In dit gebiedsdeel wordt geen welstandstoets toegepast op de woonfunctie. Voor de overige functies geldt wel een welstandstoets.
4.
Met de ‘ster-aanduiding’ op de kaart ter plaatse van het stationsgebied wordt aangegeven dat daar criteria gelden.
3 . 4 . 8
Karakteristieke gebouwen
De gemeente heeft in samenhang met het actueel maken van de welstandsnota ook gekeken naar een actueel beeld van de karakteristieke panden. Daarbij is een eerdere inventarisatie ‘karakteristieke bebouwing in Dantumadeel’ (uit 1996) en de resultaten van het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) betrokken. Binnen het plangebied zijn zes adressen aangemerkt als karakteristiek, die met voorliggend bestemmingsplan ook als zodanig op de verbeelding zijn aangeduid.
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
33
Figuur 6. Locaties van karakteristieke panden in geel. In groen bebouwing uit het MIP (maar niet als karakteristiek aangemerkt)
34
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
M i l i e u -
4
e n
a n d e r e
r a n d v o o r w a a r d e n
4.1
Milieueffectrapportage Op 1 september 1994 is het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) in
WET- EN REGELGEVING
werking getreden. Hierin is bepaald voor welke plannen een milieueffectrapport nodig is. Op grond van het voorliggende bestemmingsplan zijn de in tabel 2 opgenomen
ONDERZOEK
zogenoemde m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten relevant. In de tabel zijn ook de (richtinggevende) drempelwaarden voor deze activiteiten opgenomen. Tabel 2. Relevante m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten (bron: Besluit milieueffectrapportage) activiteit D 11.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van
drempelwaarde In gevallen waarin de activiteit betrek-
een stedelijk ontwikkelingsproject met
king heeft op:
inbegrip van de bouw van winkelcentra
1º. een oppervlakte van 100 hectare of
of parkeerterreinen
meer, 2º. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3º. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
D 11.3 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer
Het mogelijk maken van m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten maar niet mogelijk maken van overschrijdingen van de drempelwaarden betekent dat een zogenoemde vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Daaruit moet blijken of er mogelijk sprake is van een belangrijk negatief milieueffect. Voor het voorliggende bestemmingsplan zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn hierna, in dit hoofdstuk, opgenomen. Deze onderzoeken waren er op gericht: -
om te beoordelen of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening met de vaststelling van het bestemmingsplan;
-
om inzicht te krijgen in de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan; én,
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
35
-
om te beoordelen of er mogelijk sprake is van een belangrijk negatief milieueffect vanwege de activiteiten die op grond van het bestemmingsplan mogelijk zijn.
Uit de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat een belangrijk negatief milieueffect niet voor mogelijk wordt gehouden. CONCLUSIE
Vanwege de activiteiten die op grond van het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt wordt een belangrijk negatief milieueffect niet voor mogelijk gehouden. Het opstellen van een milieueffectrapport voor het bestemmingsplan (planMER) is dan ook niet nodig geweest. 4.2
Geluid WET- EN REGELGEVING
Op 1 februari 1980 is de Wet geluidhinder (Wgh) in werking getreden. De Wgh is er op gericht de geluidhinder vanwege industrie-, wegverkeers- en spoorwegverkeerslawaai te voorkomen en te beperken. De laatste wijziging van de wet is op 14 april 2016 in werking getreden. 4 . 2 . 1
Industrielawaai WET- EN REGELGEVING
In de Wgh is bepaald dat wanneer in een bestemmingsplan gronden zo worden bestemd dat daardoor sprake is van een industrieterrein, ook een (geluids)zone bij dit terrein moet worden vastgesteld. Er is sprake van een industrieterrein als op (een deel van) de betreffende gronden de vestiging van bedrijven met een grote geluidsbelasting mogelijk is. De geluidsbelasting van de op het terrein gevestigde bedrijven samen mag buiten deze geluidszone ten hoogste 50 dB(A) zijn. Een geluidszone bij een industrieterrein kan alleen worden aangepast door het vaststellen van een bestemmingsplan. De ten hoogste toegestane geluidsbelasting vanwege het industrielawaai op een gevel van een woning buiten het industrieterrein maar binnen de geluidszone is 50 dB(A). Door het college van burgemeester en wethouders (B&W) kan hiervoor een hogere waarde worden verleend van ten hoogste 55 dB(A) voor nieuwe woningen en 60 dB(A) voor bestaande woningen.
ONDERZOEK
Op grond van het voorliggende bestemmingsplan is op een deel van het bedrijventerrein De Swette de vestiging van zogenoemde “grote lawaaimakers” mogelijk. Dit deel is dan ook een industrieterrein zoals bedoeld in de Wgh. Dit betekent dat bij dit deel van het terrein een geluidszone moet worden vastgesteld.
36
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
Zoals in hoofdstuk 2 is opgemerkt was het bestaande deel van het bedrijventerrein De Swette al een industrieterrein waarbij ook een geluidszone was vastgesteld. In het voorliggende bestemmingsplan is, op basis van een goede ruimtelijke ordening, de keuze gemaakt om het industrieterrein en de geluidszone te verkleinen. Om inzicht te krijgen in de mogelijkheden voor het verkleinen van het industrieterrein en de geluidszone is door de FUMO een geluidsonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn opgenomen in het rapport “Akoestisch onderzoek zone ‘Industrieterrein’ bestemmingsplan ‘Feanwâlden-Súd’” van 26 mei 2021 en met als kenmerk 2020-FUMO-0042928. Het rapport is in bijlage 2 bij het voorliggende bestemmingsplan opgenomen. Uit de resultaten blijkt dat door het verkleinen van het industrieterrein tot alleen het westelijke deel van het bedrijventerrein, het mogelijk is om de bestaande geluidszone te verkleinen tot de op basis van het onderzoek bepaalde geluidszone. In figuur 7 is het nieuwe industrieterrein en de nieuwe geluidszone in het bestemmingsplangebied weergegeven. verklaring bestemmingsplangebied industrieterrein geluidszone
Figuur 7. Nieuwe geluidszone (in het bestemmingsplangebied) bij het nieuwe industrieterrein
Door het aanpassen van het industrieterrein ligt de bedrijfswoning op het perceel aan De Swette 13 niet meer op het industrieterrein. De woning ligt wel binnen de nieuwe geluidszone. Dit betekent dat de grenswaarde voor de ten hoogste toegestane geluidsbelasting op grond van de Wgh hierdoor wel van toepassing is op de woning. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat voor de woning een hogere grenswaarde van 55 dB(A) kan worden vastgesteld. Het besluit voor het verlenen van deze hogere grenswaarde is samen met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
37
Voor een aantal bedrijven moet de zogenoemde geluidsruimte worden aangepast omdat er sprake is van overschrijdingen van de (bestaande) geluidszone. Hiervoor zijn voor de betreffende bedrijven maatwerkvoorschriften vastgesteld. CONCLUSIE
Een belangrijk negatief effect door geluidhinder vanwege industrielawaai wordt na het vaststellen van de nodige hogere waarde door B&W niet voor mogelijk gehouden. Ook de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan wordt na het vaststellen van de hogere waarde (en het vaststellen van de maatwerkvoorschriften) niet door geluidhinder vanwege industrielawaai belemmerd. 4 . 2 . 2
Wegverkeerslawaai WET- EN REGELGEVING
In de Wgh is bepaald dat bij elke weg een (geluids)zone aanwezig is. Dit met uitzondering van: -
wegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;
-
wegen waarop een snelheid van ten hoogste 30 km per uur is toegestaan.
Voor wegen met ten hoogste twee rijstroken binnen het stedelijk gebied is de grootte van de geluidszone 200 meter. Buiten het stedelijk gebied is de grootte 250 meter. De ten hoogste toegestane geluidsbelasting vanwege het wegverkeerslawaai op een gevel van een woning binnen een dergelijke geluidszone is 48 dB. ONDERZOEK
Op de wegen in en in de omgeving van het bestemmingsplangebied is een snelheid van 30, 50, 60 of 80 kilometer per uur toegestaan. Dit betekent dat er bij een deel van deze wegen een geluidszone aanwezig is. Een deel van het bestemmingsplangebied ligt binnen de geluidszones bij de wegen in en in de omgeving van het bestemmingsplangebied. Voor zover er ontwikkelingsruimte voor nieuwe geluidsgevoelige gebouwen zoals (bedrijfs)woningen in de nabijheid van de geluidszones liggen treft dit het bedrijventerrein. Aldaar geldt deze mogelijkheid slechts na een afwijkingsprocedure en daarbij geldt onder meer de milieusituatie als afwegingscriterium. Daardoor zal in geval men hier gebruik van maakt alsdan gekeken moeten worden naar het aspect wegverkeerslawaai.
CONCLUSIE
Voor wat betreft het aspect wegverkeerslawaai mag voorliggend bestemmingsplan uitvoerbaar worden geacht. 4 . 2 . 3
Spoorwegverkeerslawaai WET- EN REGELGEVING
In de Wgh is bepaald dat voor het voorkomen of beperken van geluidhinder vanwege spoorwegen, op grond van een algemene maatregel van bestuur, regels kunnen worden vastgesteld.
38
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
Op grond hiervan zijn in het Besluit geluidhinder (Bgh), dat op 1 januari 2007 in werking is getreden, regels voor geluidszones bij spoorwegen opgenomen. De betreffende spoorwegen zijn opgenomen op de geluidplafondkaart. In het Bgh is bepaald dat voor spoorwegen met een geluidproductieplafond kleiner dan 56 dB de grootte van de geluidszone 100 meter is. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting vanwege het spoorwegverkeerslawaai op een gevel van een (nieuwe) woning is 55 dB. Door het college van burgemeester en wethouders (B&W) kan hiervoor een hogere waarde worden verleend van ten hoogste 68 dB. Het bestemmingsplan ligt grotendeels binnen de wettelijke zone van het spoor
ONDERZOEK
Leeuwarden – Groningen. In dat kader is dan akoestisch onderzoek verplicht. Door de FUMO is in 2021 dit akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek ‘Akoestisch onderzoek geluidbelasting railverkeer t.b.v. bestemmingsplan Feanwâlden-Súd’ is opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting. Bedrijfswoningen Op grond van het voorliggende bestemmingsplan wordt de bouw van bedrijfswoningen door middel van een afwijkingsmogelijkheid mogelijk gemaakt. Dit betekent dat de bouw van bedrijfswoningen alleen onder voorwaarden mogelijk is. Eén van de voorwaarden is dat ‘het geluidniveau vanwege wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai op de gevel van de bedrijfswoning niet meer mag bedragen dan de voorkeursgrenswaarde dan wel een verkregen hogere grenswaarde’. Voor wat betreft de voorkeursgrenswaarde is de ligging van de 55 dBgeluidscontour van belang. Omdat een groot deel van de bouwvlakken waarvoor de afwijkingsmogelijkheid geldt buiten de 55 dB geluidscontour liggen, is het voor wat betreft vorengenoemde voorwaarde mogelijk om gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid. Er is hierdoor namelijk in beginsel geen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 55 dB (of de hogere waarde van 68 dB) in (een groot deel van) de bouwvlakken. Op basis van de hiervoor opgenomen overwegingen wordt een belangrijk nega-
CONCLUSIE
tief effect door geluidhinder vanwege spoorwegverkeerslawaai niet voor mogelijk gehouden. De uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan wordt niet door geluidhinder vanwege spoorwegverkeerslawaai belemmerd.
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
39
4.3
Bedrijven en milieuhinder NORMSTELLING EN BELEID
Uit oogpunt van ruimtelijke ordening Bedrijven (of andere milieubelastende bedrijvigheid) in de directe omgeving van woningen (of (andere) milieugevoelige gebieden) kunnen ter plaatse (milieu)hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Voor een goede ruimtelijke ordening, zoals die uitgangspunt is van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is het waarborgen van een goede woon- en leefomgeving noodzakelijk. Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient daarbij tot een voldoende ruimtelijk-functionele afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en hindergevoelige functies (waaronder woningen) te worden gekomen. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden voor milieubelastende activiteiten uit de basiszoneringslijst in de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) uit 2009. Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Per bedrijfstype zijn voor elk van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar minimale afstanden aangegeven. In de meeste gevallen kunnen deze minimale afstanden worden aangehouden tussen een bedrijf en hindergevoelige functies om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. De grootste aangegeven afstand is daarbij bepalend.
De genoemde maten zijn richtinggevend, maar met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken. Bij de bepaling van de minimale richtafstanden in de VNG-publicatie zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: -
het gaat om ‘gemiddelde’ moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen;
-
de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten;
-
bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten (zoals productie, opslag, kantoren, parkeerterreinen) kunnen deze deelactiviteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie.
SYSTEMATIEK BEDRIJVEN- EN MILIEUZONERING In de VNG-publicatie worden twee omgevingstypen onderscheiden, te weten: 1.
Rustige woonwijk dan wel rustig buitengebied: Functiescheiding wordt nagestreefd door de minimale richtafstanden te hanteren die in een lijst bij omgevingstype 1 zijn opgenomen, waarbij een bepaalde bij een bedrijf of voorziening behorende milieucategorie tot een zoneringsafstand ten opzichte van een hindergevoelige functie leidt. De volgende richtaf-
40
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
standen met bijbehorende milieucategorie (cat.) worden in de VNGpublicatie gehanteerd: 10 m voor cat. 1, 30 m voor cat. 2, 50 m voor cat. 3.1, 100 m voor cat. 3.2, 200 m voor cat. 4.1, 300 m voor cat. 4.2, 500 m voor cat. 5.1, 700 m voor cat. 5.2, 1.000 m voor cat. 5.3 en 1.500 m voor cat. 6. De milieucategorie is een aanwijzing voor de milieubelasting van een bedrijf: hoe hoger de milieucategorie van een bedrijf, hoe groter de milieubelasting van het bedrijf. De richtafstanden lopen dan ook op naar mate sprake is van een bedrijf in een hogere categorie. Voor een rustig gebied met functiescheiding geldt dat er, behalve voorzieningen zoals een school, nauwelijks andere bedrijven of voorzieningen zijn gevestigd. 2.
Gemengd gebied: Bij de aanwezigheid en het naast elkaar samengaan van uiteenlopende hinderveroorzakende en hindergevoelige functies is sprake van functiemenging. In een dergelijk gemengd gebied kunnen in de directe omgeving van woningen kleine bedrijven zijn gevestigd. Ook lintbebouwing in het landelijk gebied met overwegend agrarische en andere bedrijven of gebieden direct langs hoofdwegen kunnen als gemengd gebied worden beschouwd. In tegenstelling tot de rustige woongebieden van omgevingstype 1 zijn in dergelijke levendige gebieden met matige tot sterke functiemenging milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieugevoelige objecten mogelijk. Hiertoe bestaat de methode dat de bij functiescheiding op grond van de VNG-publicatie aangegeven minimale richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (milieucategorie 1 wordt 0, 2 wordt 1, 3.1 wordt 2, etc.). Bij het type gemengd gebied mag de richtafstand dus worden verlaagd zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat (waarbij alleen wat betreft het aspect gevaar in gemengd gebied geen verlaging van een afstandsstap mag plaatsvinden). Verdere reducties zijn blijkens de toelichting in de VNG-publicatie niet te verantwoorden, omdat in algemene zin niet aannemelijk kan worden gemaakt dat het woon- en leefklimaat niet wordt aangetast en het functioneren van bedrijven niet in gevaar wordt gebracht.
Een ander methode die daarom dan ook wel wordt toegepast is om te werken met een categorie-indeling waarbij voorwaarden voor de inpassing zijn gegeven, te weten: -
Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend.
-
Categorie B: Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden.
-
Categorie C: Activiteiten zoals genoemd bij categorie B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
41
Het omgevingstype is bepalend voor de daadwerkelijk te hanteren afstanden. Daarbij geldt verder ten aanzien van het wonen bij een bedrijf of op een bedrijven- of industrieterrein dat een bedrijfswoning als een specifiek woningtype wordt aangemerkt waar minder hoge eisen aan het woon- en leefklimaat kunnen worden gesteld. Bedrijfswoningen zijn in het algemeen minder milieugevoelig dan wat voor reguliere woningen geldt in de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering uit 2009 stelt hierover op pagina 36 het volgende met betrekking tot de milieuzonering en gevoelige functies op een bedrijventerrein: “De richtafstandenlijsten kunnen niet zonder meer worden toegepast indien gevoelige functies óp een bedrijventerrein voorkomen. Het gaat hier om historisch gegroeide situaties waar burgerwoningen (verspreid of gegroepeerd) zijn vermengd met milieubelastende bedrijvigheid. Het gaat ook om gevoelige functies die bewust op een bedrijventerrein of industrieterrein zijn gesitueerd, zoals bedrijfswoningen of een kinderdagverblijf. Deze situaties vallen buiten de kaders van de richtafstandenlijsten. Hier kan een lager kwaliteitsniveau van het woon- en leefklimaat worden aanvaard. Voor deze gevoelige functies is niettemin een minimaal beschermingsniveau noodzakelijk.
Tegelijkertijd dient te worden voorkómen dat naburige bedrijven in het milieuvergunningenspoor onevenredig worden belemmerd door de aanwezigheid van gevoelige functies. Bestaande en nieuwe bedrijfswoningen dienen, evenals andere gevoelige functies, daarom bij de uitwerking van milieuzonering te worden betrokken. Voor de regeling in het bestemmingsplan kunnen de volgende uitgangspunten als leidraad dienen: •
Bij de toelating van nieuwe gevoelige functies wordt mede rekening gehouden met de belangen van bestaande bedrijven (inclusief eventuele planschade). Om nieuwe knelpunten te voorkomen kan de gemeente er voor kiezen om nieuwe gevoelige functies slechts via een binnenplanse ontheffing toe te laten.
•
Nieuwe gevoelige functies zijn in het algemeen niet gewenst in gebieden waar bedrijfsactiviteiten uit categorie 3.2 en hoger (richtafstand van 100 m en meer) zijn gevestigd of toelaatbaar zijn.
•
De locaties van bestaande – te handhaven – gevoelige functies worden strak begrensd; het verdient aanbeveling hier mogelijk planschadeeffecten mee te wegen.”
Uit oogpunt van milieu Bedrijvigheid in de directe omgeving van woningen (of (andere) milieugevoelige gebieden) kunnen daar (milieu)hinder vanwege geluid, geur, stof, gevaar en dergelijke veroorzaken. Op grond van de Wet milieubeheer (Wm) zijn bedrijven en instellingen verplicht te voldoen aan de eisen van een AMvB, dan wel
42
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
een omgevingsvergunning milieu te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met de omliggende woonbebouwing. Door middel van milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder voor hindergevoelige functies, zoals woningen, zo veel mogelijk voorkomen. De aanwezigheid van reeds bestaande bedrijvigheid in het plangebied mag op grond van de thans verleende (milieu)vergunningen aanvaardbaar worden geacht. De verleende (milieu)vergunningen bieden voorts de garantie dat problemen tussen bestaande bedrijvigheid en hindergevoelige objecten voor nu en in de toekomst in voldoende mate reeds zijn afgedekt. Het voorliggende plan heeft deels betrekking op een geluidgezoneerd bedrij-
ONDERZOEK
venterrein (industrieterrein). Naast het aspect geluid, dat met het instellen van een geluidzonering rondom het industrieterrein is geregeld (en afdoende geborgd, als omschreven in paragraaf 4.2.1 ‘Geluid – Industrielawaai’), zijn de aspecten geur, stof en gevaar relevant. Met name het thema ‘geur’ is vaak meebepalend voor de milieucategorisering. Voor stof en gevaar is dat veelal in mindere mate het geval. In en rondom het bestemmingsplangebied zijn verschillende (bedrijfs)woningen gebouwd. Om een goede woon- en leefomgeving ter plaatse van deze (bedrijfs)woningen te waarborgen moet in beginsel voldoende afstand tussen de woningen en de bedrijven in en in de omgeving van het bestemmingsplan gewaarborgd worden. Voor het bepalen van een voldoende afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering van 2009. In tabel 3 zijn de voor het plangebied van dit bestemmingsplan relevante richtafstanden opgenomen. De richtafstand wordt gemeten vanaf de grens van het bedrijfsperceel tot de gevel van het gevoelige object. Tabel 3. Milieucategorisering en daarvoor geldende minimale richtafstand op basis van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering van 2009 milieucategorie
richtafstand (m) woongebied
gemengd gebied
1
10
0
2
30
10
3.1
50
30
3.2
100
50
4.1
200
100
Voor dit bestemmingsplan is het uitgangspunt dat de woningen in en in de directe omgeving van het bestemmingsplangebied in een gemengd gebied liggen. De woningen liggen in een gebied waar, met inbegrip van de bedrijven die op het bedrijventerrein De Swette zijn gevestigd, een groot aantal bedrijven zijn
gesitueerd.
Ook
ligt
het
gebied
in
de
directe
omgeving
van
hoofd(spoor)wegen. Dit betekent dat tussen deze woningen en bedrijven in beginsel de in tabel 3 onder ‘gemengd gebied’ opgenomen richtafstanden kunnen worden gehanteerd.
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
43
Bedrijventerrein (niet geluidgezoneerd) Daarbij is ook het uitgangspunt dat de bestaande (bedrijfs)woningen op het bedrijventerrein en industrieterrein in een ‘gemengd gebied’ liggen. Tussen deze woningen en bedrijven moeten in beginsel dan ook de in tabel 3 onder ‘gemengd gebied’ opgenomen richtafstanden worden gewaarborgd. Met dien verstande dat in de directe omgeving van deze (bedrijfs)woningen, bedrijven in ten hoogste milieucategorie 3.1 aanvaardbaar worden geacht. Met andere woorden: het waarborgen van de richtafstand tussen deze (bedrijfs)woningen en bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 (met een maximaal aan te houden richtafstand van 30 m voor geluid, geur en stof) wordt niet nodig geacht. Hiermee sluit dit bestemmingsplan aan op de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering van 2009 waarin staat aangetekend dat nieuwe (bedrijfs)woningen in het algemeen niet gewenst zijn op locaties waar de vestiging van bedrijven in gebieden van milieucategorie 3.2 en hoger mogelijk is. Industrieterrein (geluidgezoneerd) Bij het bepalen van de milieuzonering op het industrieterrein zijn de bestaande bedrijfswoningen op het industrieterrein betreffende het aspect geluid niet nader beschouwd in het kader van Bedrijven en milieuzonering omdat sprake is van een ingesteld geluidgezoneerd terrein.
Het thema gevaar is reeds onderwerp van studie geweest bij het “Advies Externe Veiligheid inzake ‘bestemmingsplan Feanwâlden-Súd 2021’” (waar in navolgende paragraaf 4.4 ‘Externe veiligheid’ nader op is ingegaan), en door het verder uitsluiten van risicovolle inrichtingen in de planregels voor beide bedrijventerreinbestemmingen. Daarmee blijven de aspecten geur en stof over voor de beoordeling van de inpasbaarheid van bedrijvigheid in de omgeving van (bedrijfsmatige of reguliere) woonfuncties op en rondom het industrieterrein in het kader van de VNGpublicatie. Aangezien de vestiging van bedrijven tot ten hoogste milieucategorie 3.1 op basis van een goede ruimtelijke ordening als toelaatbaar wordt gezien, is de keuze gemaakt om de Staat van Bedrijven hierop verder in te richten wat betreft de mogelijke hinderoverlast van geur en stof. Dit heeft er in geresulteerd dat alle bedrijvigheid die ziet op geur- en/of stofhinder waarvoor een minimale richtafstand zou gelden van meer dan 100 m (van milieucategorie 3.2 in geval van functiescheiding) of meer ten opzichte van hindergevoelige functies uit de Staat van Bedrijven-lijst is gehaald. Regelingen m.b.t. stof en geur onder de Omgevingswet per 01-01-2024 Het voorkomen van hinder door stof was voorheen ook al geregeld in het Activiteitenbesluit.
Dit is nu bij inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. En dat heeft er inmiddels mede toe geleid dat het hinderaspect stof niet meer in de herziene VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering uit 2024 is teruggekeerd, evenals het hinderaspect gevaar. Wat betreft geur is de gemeente met de inwerkingtreding van de Omgevingswet verantwoordelijk voor de te stellen regels in het omgevingsplan. De gemeente bepaalt zelf daarin in welke mate zij geurhinder aanvaardbaar vindt
44
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
op geurgevoelige gebouwen. Daarbij mag rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en kan dit vastleggen in het omgevingsplan (Afdeling 5.1 Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties van het Besluit kwaliteit leefomgeving, Bkl). De instructieregels zijn opgenomen in §5.1.4.6 van het Bkl. De raad heeft tot en met 2031 de tijd om regels voor geur in het tijdelijke deel van het omgevingsplan (de zogenaamde Bruidsschat) om te vormen in eigen regels in het uiteindelijke omgevingsplan. Bijzonderheden Het voorliggende bestemmingsplan voorziet dus met de opgenomen milieuzonering in een ruimtelijke scheiding tussen verschillende bedrijfscategorieën op het bedrijventerrein en industrieterrein De Swette. In de aangegeven milieucategorie ter plaatse van de aanduidingen op de verbeelding is de vestiging van bedrijven mogelijk voor zover die in bijlage 1 bij de regels zijn opgenomen, voor wat betreft de aangegeven ten hoogste toegelaten milieucategorie dan wel lager. Hierop zijn de volgende afwijkingen van toepassing: 1.
Op het industrieterrein is ook de vestiging van bedrijven in een milieucategorie hoger dan de voor een milieuzone betreffende categorie mogelijk, als het bedrijf vanwege de geluidsbelasting, een bedrijf in een milieucategorie hoger dan de voor de milieuzone betreffende categorie is. Als voorbeeld: op een deel van de gronden van het industrieterrein is de vestiging van bedrijven in milieucategorie 3.2 mogelijk. Hier is echter ook de vestiging van een bedrijf in milieucategorie 4.1 mogelijk als dit bedrijf alleen vanwege geluidsbelasting een bedrijf in deze categorie is. Het bedrijf mag vanwege geur- en stofbelasting en gevaar ten hoogste een bedrijf in milieucategorie 3.2 zijn. Deze afwijking hangt samen met de vaststelling van het terrein als industrieterrein waar de vestiging van “grote lawaaimakers” mogelijk is. Afwijkingen op basis van geur kunnen wel mogelijk zijn, maar dat kan pas worden toegestaan na onderbouwing en een milieutechnische toetsing van de impact op geurgevoelige gebouwen, waarbij geurhinder hooguit vergelijkbaar is met de thans in de Staat van Bedrijven genoemde milieubelastende activiteiten.
2.
Op het industrieterrein is reeds één bestaand bedrijf in een milieucategorie hoger aanwezig dan op basis van de toegepaste milieuzonering in dit bestemmingsplan zou kunnen zijn toegelaten. Dit betreft het metaaloppervlaktebehandelingsbedrijf SRI aan De Swette 3a die daarom als zodanig specifiek is aangeduid en waarmee is geregeld dat de huidige bedrijvigheid ter plaatse is toegestaan. Omdat sprake is van een bestaande situatie is dit bedrijf op grond van het voorliggende bestemmingsplan op het industrieterrein mogelijk gemaakt door deze in het bijzonder aan te duiden.
Een belangrijk negatief effect door milieuhinder van bedrijven op woonfunc-
CONCLUSIE
ties in en rondom het plangebied, en op bedrijfswoningen in de bedrijvenbestemmingen in het plangebied, wordt op basis van voorgaande niet verwacht.
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
45
De uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt niet door het omgevingsthema Bedrijven en milieuhinder belemmerd. 4.4
Externe veiligheid WET- EN REGELGEVING
Op 13 juni 2001 is door de regering het vierde Nationale milieubeleidsplan (NMP4) vastgesteld. Hierin zet zij haar (nieuwe) externe veiligheidsbeleid uiteen. Dit beleid is gericht op het beheersen van de risico’s in de omgeving vanwege het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Uitgangspunten van dit beleid zijn: -
het plaatsgebonden risico (PR): het risico op een plaats; de kans dat een persoon die onafgebroken op die plaats aanwezig is overlijdt vanwege een ongeval met een gevaarlijke stof;
-
het groepsrisico (GR): de kans dat 10, 100 of 1.000 personen overlijden vanwege een ongeval met een gevaarlijke stof.
Voor het plaatsgebonden risico en groepsrisico zijn grenswaarden opgesteld. Deze zijn uitgangspunt voor het ruimtelijk beleid en het milieubeleid. Voor het plaatsgebonden risico wordt (voor ‘nieuwe’ ruimtelijke ontwikkelingen) een kans van één op een miljoen (10-6) op het overlijden van een persoon vanwege een ongeval aanvaardbaar geacht. Overschrijding van deze grenswaarde is niet mogelijk. Voor het groepsrisico wordt een kans van: -
eens per honderdduizend jaar (10-5) op het overlijden van 10 personen of meer;
-
eens per tien miljoen jaar (10-7) op het overlijden van 100 personen of meer;
-
eens per miljard jaar (10-9) op het overlijden van 1.000 personen of meer,
bij inrichtingen aanvaardbaar geacht. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over onder andere (spoor)wegen wordt een kans van achtereenvolgens 10-4, 10-6 en 10-8 per jaar aanvaardbaar geacht. Deze waarden zijn richtinggevende waarden. Dit betekent dat een overschrijding van deze waarden mogelijk is als de gemeente dit voldoende kan onderbouwen. Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. De regelgeving zoals die in het Bevi is opgenomen, is gericht op het beperken van de risico’s van een ongeval met gevaarlijke stoffen in inrichtingen (bedrijven) voor personen. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en de richtinggevende waarde voor het groepsrisico zijn in het Bevi vastgesteld.
46
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over de weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Aan de hand van de Wet Basisnet kunnen gemeenten toetsen waar nieuwe kwetsbare objecten kunnen worden gebouwd. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) zijn regels opgenomen voor de risico’s bij buisleidingen. In het Bevb is bepaald dat in een bestemmingsplan de ligging van de leidingen en de zogenoemde belemmeringenstrook bij deze leidingen in het bestemmingsplangebied moet zijn weergegeven. De belemmeringenstrook is ten minste 5 meter aan elke kant van de leiding. In een bestemmingsplan mogen in beginsel geen mogelijkheden voor de bouw van bouwwerken binnen de belemmeringenstrook worden opgenomen. Ook mogen geen mogelijkheden voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden (waardoor sprake is van verstoring van de werking van de leiding) opgenomen worden. Ook is in het Bevb bepaald dat in een bestemmingsplan een onderbouwing moet worden opgenomen waaruit blijkt dat het groepsrisico aanvaardbaar wordt geacht. Om inzicht te krijgen in de risico’s vanwege het gebruik, de opslag en het ver-
ONDERZOEK
voer van gevaarlijke stoffen is door de FUMO een externe veiligheidsonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn opgenomen in het rapport “Advies Externe veiligheid inzake ‘Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd”
van augustus
2021. Het rapport is als bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen.
Figuur 8. Begrenzing plangebied met de aanwezige risicobronnen
Uit de professionele Risicokaart valt af te lezen dat in het plangebied en in de directe nabijheid enkele risicobronnen zijn gelegen waarvan de risicocontou-
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
47
ren of het invloedsgebied binnen het plangebied liggen. In het plangebied bevinden zich de volgende risicobronnen: -
transportinrichtingen waar risicovolle activiteiten plaatsvinden;
-
transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
-
transport van gevaarlijke stoffen over wegen;
-
transport van gevaarlijke stoffen over het spoor.
Transportinrichtingen waar risicovolle activiteiten plaatsvinden In het plangebied is aan de Feintensloane 52 te Feanwâlden een gasontvangststation (GOS) gelegen. Op basis van de veiligheidsafstanden die zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit dient voor stations met een maximale capaciteit van ≤ 40.000 m3 per uur een afstand tot kwetsbare objecten van 15 meter en tot beperkt kwetsbare objecten van 4 meter te worden gehanteerd. Aan de Feintensloane 50a is een woonfunctie gelegen. De bestemming is ‘bedrijventerrein’. Het betreft hier een bedrijfswoning die volgens het Bevi kan worden gezien als een beperkt kwetsbaar object. De woonfunctie (bedrijfswoning) voldoet aan de afstandseis van 4 meter. Geconcludeerd kan worden dat het gasontvangststation geen belemmering vormt voor het bestemmingsplan mits geborgd wordt dat geen beperkt kwetsbare objecten binnen een afstand van 4 meter van het station kunnen worden gevestigd en geen kwetsbare objecten binnen een afstand van 15 meter van het station kunnen worden gevestigd. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen In en in de nabijheid van het plangebied loopt een hogedruk aardgastransportleiding van NV Nederlandse Gasunie. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is hier op van toepassing.
Volgens de gegevens van Gasunie en de professionele Risicokaart heeft de leiding de kenmerken die in onderstaande tabel worden weergegeven: Hogedruk aardgastransportleiding Eigenaar
Leiding-
Diameter
Druk
1%-letaliteitszone
100%-
naam
(inch)
(bar)
(invloedsgebied)
letaliteitszone
in (m)
in (m)
Gasunie
N-505-30
8
40
95
50
Gasunie
A-596
8
80
130
70
Figuur 9. Hogedruk aardgastransportleidingen
De (toekomstige) objecten in het plangebied liggen voor wat betreft transportleiding N-505-30 (deels) binnen de 100%-letaliteitszone. Indien een plangebied binnen de 100%-letaliteitszone valt, dient een volledige verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Dit betekent dat ook gekeken moet worden naar maatregelen ter beperking van het groepsrisico, andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en mogelijkheden of maatregelen ter beperking van het groepsrisico.
48
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
Het rekenprogramma CAROLA kan worden gebruikt om te toetsen of wordt voldaan aan de risiconormen voor de externe veiligheid uit het Bevb. PR: Het Bevb stelt dat geen kwetsbare objecten mogen voorkomen binnen de 10 -6contouren van leidingen waarin gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Als dat toch het geval is dan is er sprake van een zogenaamd knelpunt. Uit zowel het rekenprogramma CAROLA als uit de professionele Risicokaart is gebleken dat geen sprake is van een PR10-6-contour. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het plaatsgebonden risico van de hogedruk aardgastransportleiding geen belemmering vormt voor de haalbaarheid van voorliggend plan. GR: Voor de hogedruk aardgastransportleiding A-596 is het groepsrisico binnen het invloedsgebied zodanig laag dat er geen GR-curve valt waar te nemen. Voor leiding N-505-30 is wel een GR-curve waar te nemen die onder de oriëntatiewaarde is gelegen. Belemmeringenstrook: In artikel 14, lid 1 van het Bevb is vastgelegd dat in een bestemmingsplan de ligging van de in het plangebied aanwezige buisleidingen, alsmede de daarbij behorende belemmeringenstrook moet worden weergegeven. Voor aardgastransportleiding N-505-30 bedraagt de belemmeringenstrook ten minste 4 meter aan weerszijden, gemeten vanuit het hart van de buisleiding.
Voor aardgastransportleiding A-596 moet tenminste 5 meter aan weerzijden, gemeten vanuit het hart van de buisleiding, worden aangehouden. AANBEVELINGEN Met betrekking tot het invloedsgebied van de buisleiding wordt geadviseerd om: -
binnen de zogenoemde 100%-letaliteitszone geen nieuwe “kwetsbare objecten” (zoals woningen) mogelijk te maken;
-
binnen de zogenoemde 1%-letaliteitszone bij voorkeur geen nieuwe “kwetsbare objecten” mogelijk te maken;
-
niet zonder meer nieuwe “beperkt kwetsbare objecten” binnen de 100%-letaliteitszone mogelijk te maken;
-
niet zonder meer nieuwe “beperkt kwetsbare objecten” binnen de 1%letaliteitszone mogelijk te maken;
-
vluchtroutes van de bron af aan te leggen.
Op de verbeelding behorend bij dit bestemmingsplan zijn de aanbevolen belemmeringsstroken opgenomen. In de regels is hierbij een passende regeling opgenomen met de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ conform de hiervoor genoemde aanbevelingen.
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
49
Transport van gevaarlijke stoffen over wegen Ten zuiden van het plangebied ligt de provinciale weg N356 (De Centrale As) waarover lokaal transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. In artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is opgenomen dat wanneer een bestemmingsplan binnen een afstand van 200 meter van een transportroute is gelegen, het groepsrisico dient te worden verantwoord. Aangezien het plangebied binnen een afstand van 200 meter van de N356 is gelegen, is deze weg relevant in verband met het vervoer van gevaarlijke stoffen. In de zin van het Basisnet is de N356 geen basisnetroute. Voor transportroutes, niet zijnde een basisnetroute moet volgens de Regeling basisnet (Rbn) een berekening overeenkomstig de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) worden uitgevoerd.
Figuur 10. Traject N356
PR: Volgens de vuistregelmethodiek van HART heeft een weg binnen de bebouwde kom geen PR10-6 contour. GR: Volgens de HART moet een RBM-II berekening uitgevoerd worden wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5. Hiervan is geen sprake. Wanneer GF3 minder is dan 10 maal de drempelwaarde uit tabel 8 van de HART, wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden. Het aantal transporten op de N356 is gesteld op 234 op basis van een onderzoek in 2016 in het kader van het Fries Uitvoeringsprogramma Omgevingsveiligheid 2015-2018 door de provincie Fryslân. De minimale afstand tussen bebouwing en de weg is circa 10 meter, de maximale dichtheid van personen is 40 p/ha.
50
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
Het aflezen van tabel 8 van de HART geeft 1.830 transporten GF3 om 10% van de oriëntatiewaarde te overschrijden en 18.300 om de oriëntatiewaarde te overschrijden. Het aantal GF3 transporten bedraagt 234 voor de N356. De 10% van de oriëntatiewaarde wordt niet overschreden. Transport van gevaarlijke stoffen over het spoor Door het plangebied loopt de spoorlijn Groningen-Leeuwarden. Zeer incidenteel zal hier transport van gevaarlijke stoffen plaatsvinden in geval dit niet mogelijk is via het reguliere traject Groningen-Meppel. Op basis van het Bevt, Basisnet Spoor en het rapport ‘Vervoer van gevaarlijke stoffen door Fryslân’ kan worden gesteld dat voor zowel het plaatsgebonden risico als het groepsrisico geen knelpunten zijn met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor. Geconcludeerd kan worden dat het incidentele transport van gevaarlijke stoffen over het spoor geen belemmering vormt voor het plan. Advies Brandweer Fryslân Bij brief van 2 mei 2017 is Brandweer Fryslân verzocht advies uit te brengen omtrent de externe veiligheid in relatie tot het bestemmingsplan FeanwâldenSúd. Het advies is op 8 juni 2017 ontvangen en is in bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. De Brandweer Fryslân heeft in haar advies gekeken naar de aanwezigheid van een hogedruk aardgasleiding en een gasdrukstation.
Aan de noord- en oostzijde van het plangebied is een aantal hogedruk aardgasleidingen aanwezig. Incidenten met een aardgasleiding kunnen een grote impact hebben. Daarom adviseert Brandweer Fryslân om geen bedrijfswoningen in de eerste ring (50 meter) te situeren. Rondom het gasdrukmeet- en regelstation aan de Feitensloane is een veiligheidszone aangebracht zodat hier wordt voorkomen dat (beperkt) kwetsbare objecten ontwikkeld kunnen worden. Ten aanzien van opkomsttijden, bereikbaarheid en bluswatervoorziening voorziet Brandweer Fryslân geen problemen. Dat de wettelijke normtijd van 10 minuten opkomsttijd voor bedrijventerreinen met twee minuten wordt overschreden, hoeft geen bezwaren op te leveren omdat er niet wordt voorzien in functies voor verminderd zelfredzame personen. Vanuit hulpverleningsperspectief is het onwenselijk om functies voor verminderd zelfredzame personen binnen een invloedsgebied van een risicobron te situeren. Het plangebied is voldoende bereikbaar voor hulpdiensten. Zowel het gebied als de objecten in het gebied zijn van meerdere zijden te bereiken. Daarnaast zijn op het bestaande terrein voldoende brandkranen aanwezig. Een aandachtspunt is dat bij mogelijke ontwikkelingen in de toekomst rekening wordt gehouden met de situering van (nieuwe) wegen, deze moeten liefst van de risicobron af worden gerealiseerd.
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
51
CONCLUSIE
Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de haalbaarheid van het voorliggende plan, mits de adviezen van de FUMO en Brandweer Fryslân worden opgevolgd. 4.5
Verkeer en parkeren WET- EN REGELGEVING
Op basis van het uitgangspunt dat een bestemmingsplan wordt opgesteld om de goede ruimtelijke ordening te waarborgen, is het ook nodig om onderzoek uit te voeren naar de effecten van het plan op het verkeer en het parkeren en deze effecten te beoordelen. 4 . 5 . 1
Verkeer ONDERZOEK
Om inzicht te krijgen in de effecten van dit bestemmingsplan op het verkeer is hiernaar onderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn hierna opgenomen. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van de uitgave “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” (CROW-publicatie 317) van het CROW (Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-,Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek). Hierin zijn “parkeerkencijfers en kencijfers voor verkeersgeneratie” opgenomen. Deze kunnen gebruikt worden om de effecten van ontwikkelingen op het verkeer en het parkeren te bepalen. Verkeer vanwege mogelijk toekomstige uitbreiding van het bedrijventerrein De uitbreiding van het bedrijventerrein wordt wellicht op termijn in (ten minste) twee delen mogelijk gemaakt. Voor het eerste deel is in paragraaf 2.1.3 een planidee opgenomen. Deze is ook op verkeerseffecten beoordeeld. In de uitgave “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” worden verschillende bedrijventerreinen onderscheiden. De mogelijk toekomstige uitbreiding van het bedrijventerrein komt overeen met de omschrijving van een “gemengd terrein”1 in de uitgave. Op basis van de uitgave mag een verkeersdruk van 158 motorvoertuigbewegingen per hectare (netto) bedrijventerrein per weekdag verwacht worden. Deze verkeersdruk wordt bepaald door 128 personenautobewegingen en 30 vrachtautobewegingen.
Hierbij is opgemerkt dat deze verkeersdruk sterk uiteen kan lopen. In tabel 5 is een overzicht opgenomen van de verkeersdruk die verwacht kan worden in geval van uitbreiding van het bedrijventerrein. 1
In de uitgave “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” is een “gemend terrein” omschreven als “terrein met een hindercategorie 1, 2, 3, of 4, bestemd voor reguliere bedrijvigheid en niet behorende tot de categorieën ‘hoogwaardig bedrijvenpark’ of ‘distributiepark’. gemengde bedrijven kennen een gevarieerd aanbod aan bedrijvigheid, voornamelijk bestaande uit licht moderne industrie en overige (‘modale’) industrie”.
52
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
Bij het aantal motorvoertuigbewegingen per weekdag is opgemerkt dat de verkeersdruk per werkdag bepaald kan worden door de verkeersdruk per weekdag te vermenigvuldigen met 1,33. De verkeersdruk die vanwege de uitbreiding van het bedrijventerrein dan verwacht kan worden, is dan ook 790 motorvoertuigbewegingen per weekdag of 1.051 motorvoertuigbewegingen per werkdag. Tabel 5. Verkeersdruk in geval van toekomstige uitbreiding van het bedrijventerrein De Swette oppervlakte
aantal motorvoertuigbewegingen per weekdag
(netto)
personenauto
vrachtauto
totaal
ha
st/ha (netto)
st/ha (netto)
st/ha (netto)
st
1,5
128
30
158
237
deel 2
3,5
128
30
158
totaal
5,0
deel 1
totaal
553 790
De verkeersafwikkeling van het verkeer van het bedrijventerrein zal vooral over de Mûnestrjitte richting de Woudweg plaatsvinden. Op basis van Duurzaam Veilig is de Mûnestrjitte aan te duiden als een “erftoegangsweg”. Op dergelijke wegen is een verkeersdruk van ten hoogste 4.000 motorvoertuigbewegingen (binnen de bebouwde kom) tot 6.000 motorvoertuigbewegingen (buiten de bebouwde kom) mogelijk. De bestaande verkeerssituatie op de Mûnestrjitte in overweging nemende, is de verwachting dat er bij een toename van 1.051 motorvoertuigbewegingen per werkdag geen sprake is van een overschrijding van een verkeersdruk van 4.000 tot 6.000 motorvoertuigbewegingen per werkdag. Een belangrijk negatief effect vanwege dit bestemmingsplan met betrekking
CONCLUSIE
tot het aspect verkeer wordt niet voor mogelijk gehouden. De uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt niet door onaanvaardbare effecten vanwege het verkeer belemmerd. 4 . 5 . 2
Parkeren
Om inzicht te krijgen in de effecten van dit bestemmingsplan op het parkeren is hiernaar onderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn hierna opgenomen. Ook voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van de uitgave “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” van het CROW. Parkeren vanwege mogelijk toekomstige uitbreiding van het bedrijventerrein Hiervoor in paragraaf 4.5.1 is al opgemerkt dat de mogelijk toekomstige bedrijfsgronden bij uitbreiding overeenkomt met de omschrijving van een “gemengd terrein” in de uitgave “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” van het CROW. Op dit terrein zouden zich in de toekomst mogelijk uiteenlopende bedrijven kunnen vestigen.
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
53
In de uitgave worden verschillende bedrijven onderscheiden. Mogelijke bedrijvigheid voor vestiging op eventueel toekomstige uitbreiding van het bedrijventerrein komen wat betreft de parkeerdruk naar verwachting overeen met de omschrijving “bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief (industrie, landbouw, werkplaats)” en “bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)” in de uitgave van het CROW. Op basis daarvan mag een parkeerdruk van 0,8 tot 2,6 personenauto’s per 100 m² bedrijfsvloeroppervlakte (bvo)2 verwacht worden. Uitgangspunt hierbij is dat de gronden in een “weinig stedelijk gebied” liggen zoals bedoeld in de uitgave. Bij ontwikkeling op termijn van het bedrijfsterrein zal rekening gehouden moeten worden met de mogelijkheid om voldoende parkeermogelijkheden op eigen terrein van de bedrijven aan te leggen. CONCLUSIE
Een belangrijk negatief effect vanwege dit bestemmingsplan met betrekking tot het aspect parkeren wordt niet voor mogelijk gehouden. De uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan wordt niet door onaanvaardbare effecten vanwege het parkeren belemmerd. 4.6
Luchtkwaliteit WET- EN REGELGEVING
Op 1 maart 1993 is de Wet milieubeheer (Wm) in werking getreden. Onder andere de Europese regelgeving voor de luchtkwaliteit is met de inwerkingtreding van de wijziging van de Wm (onderdeel luchtkwaliteitseisen) op 15 november 2007 in de Nederlandse wet- en regelgeving verwerkt. Uitgangspunt van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Hierin is bepaald wanneer en op welke manier overschrijdingen van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit moeten worden behandeld. In het NSL worden ook nieuwe ontwikkelingen zoals plannen voor de bouw van woningen overwogen. Plannen die binnen het NSL passen, hoeven niet meer te worden beoordeeld aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Ook plannen die ‘niet in betekenende mate’ (nibm) gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit hoeven niet meer aan deze grenswaarden te worden beoordeeld. De eisen om te kunnen beoordelen of bij een plan sprake is van nibm zijn vastgesteld in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB)-nibm. In de AMvB-nibm is bepaald dat nadat het samenwerkingsprogramma of een programma voor de regio is vastgesteld, een grenswaarde van 3% afname van 2
Vanwege een “bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats)” mag een verkeersdruk van 2,1 tot 2,6 personenauto’s per 100 m² bedrijfsvloeroppervlakte verwacht worden en vanwege een “bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)” een verkeersdruk van 0,8 tot 1,3 personenauto’s per 100 m² bedrijfsvloeroppervlakte.
54
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
de luchtkwaliteit als ‘niet in betekenende mate’ kan worden aangeduid. Dit betekent een toename van ten hoogste 1,2 microgram per m3 stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Om inzicht te krijgen in de effecten van het voorliggende bestemmingsplan op
ONDERZOEK
de luchtkwaliteit is hiernaar onderzoek uitgevoerd. Hiervoor is gebruik gemaakt van de zogenoemde NIBM-tool (versie 2015) van het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Dit rekenmodel kan gebruikt worden om het effect van plannen op de lucht te bepalen. Voor de NIBM-tool is het nodig om inzicht te krijgen in (de toename van) het aantal motorvoertuigbewegingen per weekdag vanwege een bestemmingsplan. Uit de resultaten van het onderzoek naar de mogelijke effecten van het voorliggende bestemmingsplan op het verkeer (zoals omschreven in paragraaf 4.5.1) zou vanwege een toekomstige uitbreiding van het bedrijventerrein een toename van 790 motorvoertuigbewegingen per weekdag verwacht kunnen worden. Hierbij kunnen 640 bewegingen vanwege personenauto’s en 150 bewegingen vanwege vrachtauto’s worden onderscheiden. In tabel 6 is een overzicht opgenomen van de toename van het aantal motorvoertuigbewegingen per weekdag, onderscheiden naar personenauto’s en vrachtauto’s. Tabel 6. Toename verkeersgeneratie bij mogelijke uitbreiding van het bedrijventerrein De Swette
bedrijventerrein deel 1 bedrijventerrein deel 2
aantal motorvoertuigbewegingen per weekdag personenauto vrachtauto totaal st % st % st 192 81 45 19 237 448 81 105 19 553
De mogelijk toekomstige uitbreiding van het bedrijventerrein ligt aan de oostzijde van het bestaande bedrijventerrein in het plangebied. De verwachte verkeersgeneratie bedraagt voor 790 mvt/etmaal. Daarbij kan er van worden uitgegaan dat zowel de Mûnestrjitte als een extra ontsluiting op het tweede gedeelte, gelijkmatig gebruikt worden als ontsluiting van de totale uitbreiding van het bedrijventerrein (deel 1 en 2). In figuur 11 zijn de resultaten van de berekening met de NIBM-tool van beide delen weergegeven. Hieruit blijkt dat er bij een eventueel toekomstige uitbreiding, zoals in dit bestemmingsplan geschetst, geen sprake zal zijn van een “in betekenende mate” toename van NO2 en PM10 in de lucht.
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
55
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2018
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
395
Aandeel vrachtverkeer
18.9%
3
0.93
PM10 in μg/m3
0.12
Extra verkeer als gevolg van het plan
NO2 in μg/m
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
1.2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Figuur 11. Resultaat van de NIBM-tool deel 1 en 2 bedrijventerrein
Binnen het ‘Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit’ worden PM2,5-metingen uitgevoerd. Dit leidt tot ‘grootschalige concentratiekaarten’ waarin zowel de huidige als toekomstige achtergrondconcentraties voor PM2,5 zijn opgenomen. Uit deze kaarten blijkt dat binnen Nederland geen overschrijdingen van de jaargemiddelde concentratie van PM2,5 bekend zijn. Aangenomen wordt dat wanneer voldaan wordt aan de maatgevende grenswaarde voor PM10, ook wordt voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5. Hoewel mag worden geconstateerd dat voorliggend bestemmingsplan valt onder ‘niet in betekenende mate’ bijdrage aan de luchtkwaliteit, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het plangebied al niet zodanig is dat de normen voor een goed woon- en leefklimaat worden overschreden. Daartoe is gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN) 2016, welke in 2017 zijn gepubliceerd. Het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) produceert deze kaarten jaarlijks. De kaarten geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en betreffen zowel recente als toekomstige jaren. Per kilometervak worden de concentraties voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen weergegeven waarvoor Europese regelgeving bestaat. De kaarten op deze website hebben een juridisch-formele status.
De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor ruimtelijke plannen betreffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10). De grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) uit de wet zijn opgenomen in de navolgende tabel. Tabel 7. Grenswaarden luchtconcentraties NO2 en PM10 Luchtconcentratie
56
Norm
NO2
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3
PM2,5
jaargemiddelde concentratie
25 µg/m3
PM10
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd – 8 augustus 2025
Uit de GCN blijkt dat in het plangebied de volgende achtergrondniveaus zijn gemeten en worden verwacht voor NO2, PM2,5 en PM10. Tabel 8. Achtergrondniveaus luchtkwaliteit Stof
2016
2020*)
2025*)
2030*)
NO2
3
9,39 µg/m
3
8,17 µg/m
3
6,92 µg/m3
8,09 µg/m
3
7,29 µg/m
3
6,51 µg/m3
15,33 µg/m
3
14,38 µg/m
3
13,45 µg/m3
PM2,5 PM10 *)
10,81 µg/m 7,10 µg/m
3
14,12 µg/m
3
gegevens 2017
Uit de gemeten en berekende achtergrondniveaus blijkt dat deze ruim onder de wettelijke normen blijven. Het voorliggende bestemmingsplan kan worden beschouwd als ‘niet in beteke-
CONCLUSIE
nende mate’ van invloed op de luchtkwaliteit. Daarnaast is de luchtkwaliteit in en rond het plangebied zodanig dat de normen voor een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is dan ook niet aan de orde. 4.7
Water In onder ander de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Waterplan en
WET- EN REGELGEVING
e
de adviezen van de Commissie Waterbeheer 21 eeuw is het beleid met betrekking tot het water(beheer) vastgelegd. Het beleid is gericht op het duurzaam behandelen van water. Dit betekent onder andere het waarborgen van voldoende veiligheid en het beperken van de kans op hinder vanwege water. In de nota Anders omgaan met water is bepaald dat de gevolgen van (ruimtelijke) ontwikkelingen voor de waterhuishouding uitdrukkelijk in onder andere bestemmingsplannen moeten worden overwogen. Hiervoor moet de zogenoemde watertoets worden uitgevoerd. De watertoets is het vroeg informeren (van de waterbeheerder), het adviseren (door de waterbeheerder), het overwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige belangen in ruimtelijke plannen en besluiten. Op 22 december 2009 is de Waterwet (Wtw) in werking getreden. Uitgangspunt van de Wtw is een volledig beheer van het watersysteem. Op grond van de Wtw is er ook een goede samenhang tussen het waterbeleid en de ruimtelijke ordening. Ook in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in de toelichting bij een bestemmingsplan inzicht verkregen moet worden in de gevolgen van het bestemmingsplan voor de waterhuishouding en hoe deze gevolgen in het bestemmingsplan zijn betrokken.
040.00.07.35.00.toe - Bestemmingsplan Feanwâlden-Súd - 8 augustus 2025
57
ONDERZOEK