Toelichting en Regels -concept vastgesteld bestemmingsplan Forest Village.pdf
Tekst van het document
De extra verkeersgeneratie ten opzichte van de huidige situatie bedraagt voor de toekomstige situatie van Forest Village Bergeijk maximaal circa 1.010 motorvoertuigen per etmaal.
Hoofdstuk 4
27
Verkeersveiligheid Met de geplande aanpassingen aan de Hoge Rijt en de Weebosscherweg voldoen de betreffende wegen aan de richtlijnen voor een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom. Dit maakt een veilig gebruik van deze wegen mogelijk. De extra verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van ‘Forest Village Bergeijk’ zorgen niet voor een aantasting van de verkeersveiligheid. De verkeersafwikkeling op het kruispunt Hoge Rijt – Weebosscherweg – Zwarte Bergendreef zal ook in een worst-case scenario voldoende zijn. Dit betekent dat de kans klein is dat verkeer risico’s gaat nemen bij het in- en uitrijden van de Zwarte Bergendreef. De kans dat tegemoetkomende voertuigen elkaar moeten passeren op de Zwarte Bergendreef neemt toe. Hierbij moeten deze voertuigen deels gebruik maken van de bermen. Dit levert geen problemen op wat betreft de verkeersveiligheid, tenzij de kwaliteit van de bermen onvoldoende is. Een te groot hoogteverschil tussen rijbaan en berm en/of gaten in de bermen kunnen onveilig zijn voor met name fietsers als ze uit moeten wijken en in de berm terecht komen. Voor de veiligheid is het gewenst dat de bermen voldoende draagkrachtig zijn. Gedeeld gebruik van de Zwarte Bergendreef door personenauto’s en fietsers is geen belemmering.
Volgens de richtlijnen van het CROW (‘Handboek wegontwerp’) maken op erftoegangswegen alle verkeerssoorten in beginsel gebruik van dezelfde rijbaan. De afwikkeling van (veel) fietsers op een verhardingsbreedte van circa 3,50 meter - 4,50 meter kan alleen bij relatief hoge intensiteiten niet als Duurzaam Veilig worden aangemerkt. Bij verkeersintensiteiten hoger dan 2.000 à 2.500 mvt/etmaal zijn dan ook fietsvoorzieningen noodzakelijk. De intensiteiten op de Zwarte Bergendreef zijn aanzienlijk lager dan 2.000 motorvoertuigen per etmaal. De gereden snelheid op de Zwarte Bergendreef zal gezien de wegbreedte over het algemeen lager dan 60 km/h zijn. 4.1.4 Conclusie De parkeervraag van de recreatiewoningen, de beheerderswoning en de daggasten van het zwembad bedraagt in totaal 593,2 plaatsen. Indien ook het hotel of een recreatieappartementengebouw voor toeristisch recreatief gebruik gerealiseerd wordt dan bedraagt de parkeervraag 645,2 plaatsen. De te realiseren parkeercapaciteit volgens het ‘Masterplan FVB’ bedraagt 732 parkeerplaatsen. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de parkeereis, ook op het moment dat het hotel of recreatieappartementengebouw gerealiseerd wordt. De extra verkeersgeneratie ten opzichte van de huidige situatie bedraagt voor de toekomstige situatie van Forest Village Bergeijk maximaal circa 1.010 motorvoertuigen per etmaal (inclusief 5% vrachtverkeer).
De toekomstige verkeersbewegingen zullen op reguliere drukke momenten (drukste uur op een gemiddelde werkdag) niet leiden tot wachttijden op het kruispunt Hoge Rijt - Weebosscherweg – Zwarte Bergendreef. Dit betekent dat de verkeersafwikkeling ter plaatse goed zal zijn. In de zomermaanden kunnen er kortstondig piekbelastingen zijn, als alle verblijfsgasten in een korte periode aankomen of vertrekken. In de periode dat alle verblijfsgasten gelijktijdig vertrekken of aankomen is de gemiddelde wachttijd op de Zwarte Bergendreef om de Hoge Rijt en Weebosscherweg op te rijden minder dan 15 seconden. Deze wachttijd is acceptabel. Op de Hoge Rijt en Weebosscherweg is geen sprake van wachttijden. De verkeersafwikkeling op het kruispunt Hoge Rijt – Weebosscherweg – Zwarte Bergendreef zal dus ook in een worst-case scenario voldoende zijn.
Hoofdstuk 4
28
De verkeerstoename zal niet voor verkeersonveilige situaties zorgen op de wegen rondom het park. Het gedeeld gebruik van de Zwarte Bergendreef door personenauto’s en fietsers vormt geen belemmering. Wel is het advies om de bermen van de Zwarte Bergendreef voldoende draagkrachtig te maken.
4.2 Geluid (wegverkeerslawaai) 4.2.1 Toetsingskader Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel 4.6 Breedte geluidszones langs wegen
Stedelijk gebied Buiten stedelijk gebied
Aantal rijstroken
Zone breedte
1 of 2
200 meter
3 of meer
350 meter
1 of 2
250 meter
3 of 4
400 meter
5 of meer
600 meter
4.2.2 Conclusie Met dit initiatief wordt de herontwikkeling van een bestaand recreatiepark mogelijk gemaakt. Een recreatiepark kan niet gezien worden als een geluidsgevoelige functie op basis van de Wet geluidhinder. Om deze reden is wegverkeerslawaai niet relevant voor dit initiatief. Het geluid naar de omgeving dat wordt gevormd door de gewenste ontwikkeling is behandeld in paragraaf 4.4 ‘Bedrijven en milieuzonering’.
4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.
Hoofdstuk 4
29
Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek Om te bepalen of de luchtkwaliteit in de toekomstige situatie aan de normen voldoet is de NIBM-tool ingevuld. Het aantal extra voertuigbeweging in de toekomstige situatie in berekend in paragraaf 4.1 en komt op 1.010 motorvoertuigen per etmaal.
In de NIBM-tool is het aantal extra voertuigbewegingen van 1.010 ingevuld, voor het aandeel vrachtverkeer is uitgegaan van 5%, planrealisatie 2021. Door deze gegevens in te vullen in de NIBM-tool is te zien dat de hoeveelheid NO2 in de toekomstige situatie 1,05 µg/m3 zal zijn en het aandeel aan PM-10 zal 0,20 µg/m3 zijn. Hierdoor is de bijdrage van het extra verkeer ‘niet in betekenende mate’. In de tabel 4.7 is dit weergegeven.
Tabel 4.7: NIBM-tool
Invloed luchtkwaliteit op initiatief Daarnaast moet aangetoond worden dat sprake is van een goed werk- en leefklimaat ter plaatse van het recreatiepark. Om deze reden zijn de achtergrondwaarden (m.b.t. de luchtkwaliteit) ter plaatse van het plangebied onderzocht middels de NSL-monitoringstool. In tabel 4.8 staan de achtergrondwaarden weergegeven van de meest nabijgelegen meetpunten. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden hier ruim onder de norm liggen. Hierdoor kan worden gezegd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed werk- en leefklimaat met betrekking tot de luchtkwaliteit.
Hoofdstuk 4
30
Meetpunt 25865 25866 22370 22371 Norm
NO2 μg/m3 PM10 μg/m3 15.0 19.8 14.9 19.7 12.4 17.1 12.4 17.1 40 40
PM10 overschrijdingsdagen 7.4 7.4 6.1 6.1 35
PM2.5 μg/m3 11.4 11.4 10.6 10.6 25
Jaar 2020 2020 2020 2020
Tabel 4.8 Achtergrondwaarden NSL-monitoringstool
4.3.3 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is ‘niet in betekenende mate’, waardoor geen nader onderzoek t.b.v. de luchtkwaliteit noodzakelijk is. Ook de normen voor de achtergrondwaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden niet overschreden. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’3. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorps-
3
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
31
kernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek Recreatiepark naar omgeving Een recreatiepark wordt in de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering bezien als milieucategorie 3.1, met bijbehorende minimaal aan te houden afstand van 50 meter ten opzichte van een geluidsgevoelige bestemming. Binnen een straal van 50 meter rondom het recreatiepark zijn geen woningen aanwezig. Daarnaast wordt ten opzichte van de vigerende planologische situatie niet voorzien in vakantiewoningen/stacaravans dichterbij (burger)woningen dan in de huidige situatie mogelijk is. Recreatiepark ten opzichte van bestaande vakantiebungalows Ter afscherming van en buffering tussen de bestaande bungalows en de zone waar nieuwe functies behorende bij Forest Village Bergeijk kunnen komen, is een strook van tenminste 5 meter aangeduid, waar geen bebouwing, ontsluitingsroutes en parkeerplaatsen, afvalcontainers e.d. zijn toestaan. Daarnaast is de zone waar centrale voorzieningen toegelaten zodanig gelegd dat deze op ten minste 5 meter van de perceelsgrens van de dichtstbijzijnde bestaande bungalow komt te liggen. De individuele voorzieningen op het park dienen te voldoen aan de wet- en regelgeving op milieugebied.
4.4.3 Conclusie Het recreatiepark is een inrichting behorende tot milieucategorie 3.1. In de omgeving zijn geen woningen aanwezig. Hierdoor zorgt het aspect bedrijven en milieuzonering niet voor belemmeringen.
4.5 Geur agrarisch Onderhavig plan voorziet in de realisatie van geurgevoelige objecten in het buitengebied van Luyksgestel. Echter liggen er in de omgeving van het plangebied geen veehouderijen of andere bedrijven met een bepaalde ‘geur-uitstraling’. Het aspect geur zal daarom niet voor belemmeringen zorgen voor onderhavig bestemmingsplan.
4.6 Kabels en leidingen Binnen de grenzen van het plangebied lopen geen kabels en/of leidingen die relevant zijn voor de ontwikkelingen van het plangebied. Een inventarisatie op basis van de Risicokaart van Nederland (zie paragraaf 4.7) geeft aan dat er in de buurt van het plangebied geen gasleidingen gelegen zijn. In de omgeving van het plangebied lopen geen hoogspanningsleidingen.
Hoofdstuk 4
32
4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
4.7.2 Onderzoek De risicobronnen in (de omgeving) van het plangebied zijn geïnventariseerd op basis van de Risicokaart, figuur 4.2 toont een uitsnede van de risicokaart. Binnen het plangebied is een propaantank aanwezig, welke niet alleen is weergegeven op de Risicokaart maar ook in het vigerende bestemmingsplan. De propaantank heeft een inhoud van 40 m3 en heeft een risicoafstand (PR10-6) van 30 meter. Het is de bedoeling dat deze propaantank verwijderd zal worden omdat hiervoor na toepassing van duurzaamheidsmaatregelen geen noodzaak meer bestaat. In de toekomstige situatie is er geen sprake meer van een risicobron in het plangebied. De huidige vakantiewoningen zullen aanwezig blijven in het plangebied. Deze bestaande vakantiewoningen worden momenteel voorzien van energie door de propaantank met een inhoud van 40 m³. Er treden vooralsnog geen veranderingen op in de
Hoofdstuk 4
33
energievoorziening van de huidige vakantiewoningen. Hierdoor bestaat de kans dat de propaantank niet verwijderd zal worden. Na de transformatie van het huidige vakantiepark naar het toekomstige vakantie- en recreatiepark zal de locatie van de propaantank (in het geval deze niet wordt verwijderd) onveranderd blijven. In de huidige situatie zijn er rondom de propaantank uitsluitend twee tennisbanen gelegen. In de toekomstige situatie zullen op deze locatie eveneens slechts centrale sportvoorzieningen zoals een tennisbaan en de centrale parkeerplaats gerealiseerd in de omgeving van de propaantank. Bij de inrichting van deze zone zal rekening worden gehouden met de veiligheidscontouren vanuit de propaantank. Het zoekgebied voor het hotel/recreatieappartementencomplex en ook de overige faciliteiten voor kwetsbare of beperkt kwetsbare groepen zijn gelegen op circa 70 meter van de propaantank. Dit is ruimschoots buiten de risicoafstand (PR10-6) van 30 meter van de propaantank. In de omgeving van het plangebied zijn verder geen risicobronnen aanwezig. Een uitsnede van de Risicokaart is onderstaand weergegeven. 4.7.3 Conclusie De risicoafstanden van de omliggende risicobronnen vallen niet binnen de grenzen van het plangebied. Het aspect externe veiligheid zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig planvoornemen.
4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet
Hoofdstuk 4
34
in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. 4.8.2 Onderzoek Quickscan Flora en Fauna Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming (incl. stikstof) De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied.
De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn in figuur 1 afgebeeld. Het gaat om ‘Valleigebied van de Kleine Nete met brongebieden moerassen en heiden’ (België), ‘Ronde Put’ (België), ‘Hageven met Dommelvallei, Beverbeekse Heide, Warmbeek en Wateringen’ (België) en ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’. Deze liggen respectievelijk op circa 2,7 km, 3,5 km, 4,0 km en 3,3 km afstand van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van maximaal 340 vakantiewoningen, (via een wijzigingsbevoegdheid een hotel of recreatieappartementencomplex), recreatievoorzieningen en infrastructuur betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is niet uit te sluiten. Er heeft onderzoek plaatsgevonden in de vorm van een AERIUS-berekening om uit te wijzen of er een toename van stikstofdepositie plaatsvindt. Dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hieronder de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek.
In juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden waarbij een vrijstelling geldt voor stikstofuitstoot tijdens de bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten waardoor het makkelijker is een vergunning te krijgen voor de bouw van initiatieven waarbij in de gebruiksfase weinig stikstofuitstoot plaatsvindt. Op basis van voorgaande is de stikstofdepositieberekening voor het ruimtelijk initiatief Forest Village Bergeijk uitsluitend gericht op de gebruiksfase. Gebruiksfase De nieuwe beheerderswoning evenals de vakantiewoningen worden gasloos opgeleverd en zorgen dan ook niet voor stikstofemissie. De verkeersbewegingen die met de gebruiksfase samenhangen zorgen hier echter wel voor.
Hoofdstuk 4
35
De verwachte verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen in alle fases van de ontwikkeling is berekend op basis van de CROW-publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren". Hierbij is uitgegaan van een ‘niet stedelijk’ gebied in de rest bebouwde kom van Luyksgestel. In totaal worden maximaal 988,5 verkeersbewegingen per etmaal gegenereerd op een gemiddelde weekdag met de voorgenomen ontwikkeling (exclusief hotel). Wanneer de verkeersgeneratie van het hotel wordt meegenomen bedraagt de totale verkeersgeneratie (uitgaande van een worst-case scenario) 1.196 mvt/etmaal. Voor de volledigheid zijn ook 2 zware vrachtbewegingen per etmaal meegenomen (bewegingen voor bijvoorbeeld een vuilniswagen en/of bevoorrading van de centrale voorzieningen). Deze bewegingen zijn over de aanliggende wegen gemodelleerd, waarbij 100% van de bewegingen over de enige mogelijke richtingen ingevoerd. Hierbij zijn dus meer bewegingen gemodelleerd dan daadwerkelijk plaats gaan vinden, waardoor onzekerheid over de richting van de bewegingen wordt opgevangen. Het rekenresultaat met de ingevoerde verkeersgeneratie is voor gebruiksfase 1 tot en met 3 niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. De berekening voor gebruiksfase 1 tot en met 4 laat echter wel een depositieresultaat van 0,01 mol/ha/j zien. Om deze reden is een salderingsberekening uitgevoerd voor het voorliggend ruimtelijk initiaitef.
Momenteel staan er in het plangebied immers ook al chalets/lodges/stacaravans en vakantiehuizen. Deze worden op gas gestookt. In totaal zijn er maximaal 340 chalets/lodges/stacaravans aanwezig. Doordat er geen gebruiksgegevens bekend zijn van de huidige chalets/lodges/stacaravans, is gerekend met kengetallen uit de AERIUS calculator. Als kengetal is uitgegaan van ‘appartement’ omdat dit het meest overeenkomt met de toekomstige lodges. Ook voor de chalets/lodges/stacaravans is uitgegaan van ‘appartement’. De uitstoot van een recreatieappartement komt neer op circa 1,1 kg/j NOx per jaar. Het verschil is echter dat een recreatieappartement gedurende het hele jaar gebruikt wordt, een chalet/lodge/stacaravan of vakantiehuis/-villa wordt slechts een bepaald deel van het jaar gebruikt. Hierdoor is bij de berekening van de huidige stikstofdepositie uitgegaan van een verbruik van: Chalet/lodge/stacaravan (per stuk): 0,2 kg/j NOx. Daarnaast worden twee van de drie bedrijfswoningen geamoveerd. Hiervoor is uitgegaan van twee vrijstaande woningen met een uitstoot van 6,1 kg/j NOx. De totale uitstoot van de chalets/lodges/stacaravans komt neer op een totale uitstoot van 74,1 kg/j NOx. Uit de verschilberekening blijkt dat bij saldering van de referentiesituatie de uitstoot van de totale gebruiksfase onder de 0,00 mol/ha/j blijft.
Dit houdt in dat het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de gebruiksfase van het voorgenomen ruimtelijk initiatief. In het kader van de omgevingsvergunning wordt er ten finale nader onderzoek gedaan of er sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden. Echter blijkt op basis van de uitgevoerde berekeningen dat het plan in beginsel haalbaar is. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het
Hoofdstuk 4
36
Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB, maar wordt aan alle zijden begrensd door het NNB. Externe werking op het NNB De ontwikkeling kan enkele negatieve effecten veroorzaken binnen het naastgelegen NNB. Deze zijn echter allen te voorkomen door het slim inrichten van het plangebied. Indien het onderstaande in acht wordt genomen zal er geen significant effect optreden op de wezenlijk waarde en kenmerken van het NNB ter plaatse: - Met betrekking tot verlichting is het noodzakelijk een verlichtingsplan op te stellen waarbij de inrichting met betrekking tot locatie, armaturen en kleur, uitstraling op de bosranden voorkomt. Ook kan gewerkt worden met het plaatsen van (inheems) opgaand groen; - Met betrekking tot waterhuishouding wordt geadviseerd maatregelen te treffen om het hemelwater ter plaatse (vertraagd) in te laten zijgen.
Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Binnen de voorgenomen plannen zal een deel van de huidige beplanting worden verwijderd. Dit betreft onderdelen van houtopstanden. Het plangebied is gelegen buiten de bebouwde kom houtopstanden en er dient een kapmelding te worden ingediend bij de provincie Noord-Brabant, via de Omgevingsdienst Brabant-Noord. De bomen dienen binnen 3 jaar te worden herplant. Indien de herplant op andere grond plaatsvindt is een ontheffing noodzakelijk.
Voor de kap van de bomen dient daarnaast te worden voldaan aan het gemeentelijk kapbeleid, zoals beschreven in de APV 2019, artikel 4:11. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
Hoofdstuk 4
37
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Zo zijn, in tegenstelling tot een aantal andere provincies, de kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) binnen de provincie Noord-Brabant niet vrijgesteld.
Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt.
De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. In tabel 4.9 is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Soortgroep
Algemeen
Potentieel
Sprake van
aanwezig
overtreding
Ja
Te voorkomen
Broedvogels
Vervolgtraject / maatregelen
Bijzonderheden / opmerkingen
Plangebied buiten broedseizoen
Globale broedseizoen loopt van maart tot
bouwrijp maken of controle vooraf
half augustus
Jaarrond beschermd
Nee
Nee
-
-
Verblijfplaatsen
Ja
Ja
Ontheffingsaanvraag verblijfsplaats
Betreft twee paarverblijfplaatsen en een
gewone dwergvleermuis ingediend
zomerverblijfplaats van de gewone dwerg-
bij ODBN
vleermuis
Vleermuizen
Hoofdstuk 4
38
Tabel 4.9 Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen Foerageerhabitat
Ja
Nee
-
-
Vliegroutes
Ja
Nee
-
-
Grondgebonden zoogdieren
Ja
Ja
Ontheffingsaanvraag verblijfplaat-
Betreft verblijfplaats in de vorm van konij-
sen steenmarter ingediend bij
nenholen en snoeiafvalhoop
ODBN Reptielen
Nee
Nee
-
-
Amfibieën
Ja
Ja
Ontheffingsaanvraag Alpen-
Bevindt zich in een vijver in een van de
watersalamanderingediend bij
tuinen
ODBN Vissen
Nee
Nee
-
-
Ongewervelden
Nee
Nee
-
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
Figuur 4.3 Aandachtspuntenkaart flora en fauna
Hoofdstuk 4
39
4.8.3 Conclusie Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen: Voor de kap van houtopstanden dient een kapmelding te worden ingediend bij de provincie NoordBrabant via de Omgevingsdienst Brabant Noord; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven; Op basis van de quickscan is de aanwezigheid van marterachtigen niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek dient hierom uitsluitsel te geven.
Binnen het plangebied zijn één zomer- en paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis aangetroffen, en is het plangebied onderdeel van het leefgebied van de steenmarter. Bij vernielen of beschadigen van de verblijfplaatsen van deze soorten wordt een overtreding begaan op de Wet natuurbescherming. De voorgenomen werkzaamheden zijn ontheffingsplichtig. Hiervoor dient een ontheffing aangevraagd te worden bij het bevoegd gezag, in dit geval de Omgevingsdienst Brabant- Noord (ODBN), deze is in voorbereiding. De ontheffing zal moet worden onderbouwd met een activiteitenplan, waarin onder andere compenserende en mitigerende maatregelen, alternatievenafwegingen en onderbouwing van het wettelijk belang staan beschreven. Daarnaast is er onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van de Alpenwatersalamander en de veldparelmoervlinder. De veldparelmoervlinder is niet aangetroffen binnen het plangebied. Wel zijn er in drie vijvers Alpenwatersalamanders gevonden. Het verwijderen van de aanwezige vijvers is ontheffingsplichtig. Dit zal mee worden genomen in de ontheffingsaanvraag van de steenmarter.
4.8.4 Soortspecifiek onderzoek en ontheffingsaanvraag Binnen het plangebied zijn één zomer- en paarverblijfplaats en één paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis aangetroffen, is het plangebied onderdeel van het leefgebied van de steenmarter en bevindt zich Alpenwatersalamander in een van de tuinvijvertjes. Bij vernielen of beschadigen van de verblijfplaatsen van deze soorten wordt een overtreding begaan op de Wet natuurbescherming. De voorgenomen werkzaamheden zijn ontheffingsplichtig. Hiervoor is een ontheffing aangevraagd bij het bevoegd gezag, in dit geval de Omgevingsdienst Brabant- Noord (ODBN). De ontheffingsaanvraag is onderbouwd met een activiteitenplan, waarin onder andere compenserende en mitigerende maatregelen, alternatievenafwegingen en onderbouwing van het wettelijk belang staan beschreven. Met het plan wordt tevens ingezet op de verbetering van de groenstructuur (ca. 30% toename van groen). Voor de realisatie van groen ten behoeve van de verbetering van de groenstructuur is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hiermee is de realisatie van groen juridisch geborgd.
Hoofdstuk 4
40
4.9 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is vooronderzoek bodem uitgevoerd conform de richtlijnen van de NEN 5725 van het Nederlands Normalisatie Instituut 4.9.2 Onderzoek Aeres Milieu heeft een historisch bodemonderzoek voor het plangebied uitgevoerd. Doel van het onderzoek is om op basis van de onderzoeksgegevens vast te stellen of er sprake is van een mogelijke verontreiniging van de bodem met stoffen die een belemmering kunnen vormen met het oog op de voorgenomen ontwikkelingen. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.
Uit de verzamelde (historische) informatie en het uitgevoerde locatiebezoek is gebleken dat de onderzoekslocatie grotendeels als onverdacht te beschouwen is. Een potentiële bodemverontreiniging is te verwachten ter plaatse van de afgebrande stacaravan op kavel 233 en het afgebrande horecapand. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek ter plaatse wordt noodzakelijk geacht. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem kan niet worden uitgesloten binnen het gehele plangebied. Ter plaatse van een gedeelte van het horecapand, het zuidelijk gelegen magazijn (asbestverdachte golfplatendakbedekking) en kavel 111 wordt een verkennend asbest in bodemonderzoek geadviseerd. Tevens wordt geadviseerd om de diverse paden met een puinbijmenging (zuiden oostelijk) mee te nemen in het verkennend asbest onderzoek om de aanwezigheid van asbest uit te kunnen sluiten. Ten aanzien van de locatie van het horecapand is de vervuilde bodem reeds gesaneerd. Hiervoor heeft een eindcontrole na asbestverwijdering plaatsgevonden. Uit de eindcontrole blijkt dat het plangebied kan worden vrijgegeven. 4.9.3 Conclusie Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek wordt de onderzoekslocatie als “onverdacht” beschouwd met een verdachte deellocatie, namelijk de afgebrande stacaravan op kavel 233 en het afgebrande horecapand.
Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek ter plaatse wordt noodzakelijk geacht. In het kader van de vergunningverlening wordt ter plaatse van de afgebrande stacaravan op kavel 233 en afgebrande horecapand een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem kan niet worden uitgesloten binnen het gehele plangebied. Derhalve wordt een verkennend asbest in bodemonderzoek geadviseerd. Een ver-
Hoofdstuk 4
41
kennend asbest in de bodemonderzoek wordt uitgevoerd in het kader van de verdere plan- en vergunningprocedure. Voorgenoemde onderzoeken zijn reeds in uitvoering en worden naar gelang de vorderingen van de onderzoeken toegevoegd aan de toelichting van voorliggend bestemmingsplan.
Figuur 4.4 aandachtspuntenkaart, bodem
4.10 Water 4.10.1 Toetsingskader Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geimplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschapsbeleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. Naast dit beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant (2016 – 2021) ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Het ‘PMWP’ staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving.
Voor het grotere oppervlaktewater zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame
Hoofdstuk 4
42
watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. De doelen van het waterschap voor de periode van 2022 tot 2027 staan beschreven in het (ontwerp) waterbeheerprogramma. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de watertransitie; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding in 2050. Dat vertaalt zich in een koerswijziging voor het waterschap en met een verschil in aanpak en boodschap naar de gebieden. De rode draad daarbij is het belang van water voor een toekomstbestendige leefomgeving. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. De drie Brabantse waterschappen De Dommel, Aa en Maas en Brabantse Delta hebben hiervoor een gezamenlijke Keur opgesteld. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet een vergunning aanvragen.
In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Afhankelijk van de werkzaamheden in het oppervlaktewater kan een vergunning benodigd zijn. Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(her/ver)bouwplannen worden door het bevoegd gezag getoetst en gekeurd. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Voor de grote planontwikkeling is afstemming met het bevoegd gezag (gemeente Bergeijk en Waterschap De Dommel) noodzakelijk. Voor het lokale beleid heeft de gemeente Bergeijk een verbreed gemeentelijk rioleringsplan (20202024) opgesteld, waarin het beleid ten aanzien van vuil- en regenwater is vastgelegd overeenkomstig met het beleid van het waterschap. Deze visie is tevens meegenomen in de Milieuvisie Bergeijk 20202029. Om concrete stappen te zetten richting een waterrobuust en toekomstbestendig water- en rioleringssysteem wordt een bergingseis van 60 mm voor hemelwater bij een toename of vervanging van verhard oppervlak vereist. Omdat de grondslag niet overal hetzelfde is, wordt bij herontwikkeling en herinrichting op openbaar terrein een gebiedsreductiefactor toegepast. Bij nieuwbouw dient voldoende ruimte vrijgehouden te worden en dient altijd 60 mm waterberging te worden aangebracht.
Samen met het verschil tussen straatpeil en vloerpeil is er dan voldoende opvangcapaciteit om een extreme bui op te vangen. 4.10.2 Onderzoek Er is door Aeres Milieu een waterparagraaf opgesteld voor de voorgenomen ontwikkeling. Het doel van deze rapportage is een beschrijving geven van de manier waarop rekening wordt gehouden met de gevolgen van de voorgenomen planontwikkeling op het perceel voor de waterhuishouding. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.
Hoofdstuk 4
43
Door middel van de waterparagraaf wordt het planvoornemen hydrologisch beschreven, waarna toetsing plaatsvindt door het bevoegd gezag voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Ter plaatse is voldoende drooglegging aanwezig (GHG ca. 1,2-2 m-mv). Om instroom van hemelwater tegen te gaan, wordt geadviseerd om een vloerpeil van 10-20 cm boven het bestaande maaiveld aan te houden. Bij de nieuwbouw zal net als bestaand een gescheiden stelsel aangelegd worden. Gezien de bestaande situatie met een zwembad, horeca en ca. 1.000 bezoekers (ca. 20-40 m3/uur) is er bij de nieuwe planontwikkeling met maximaal 340 lodges, horeca, zwembad en via een wijzigingsbevoegdheid een hotel/recreatieappartementengebouw geen significante toename aan afvalwater uit het plangebied te verwachten. Dit zal dus door het bestaande stelsel verwerkt kunnen worden. Piekbelasting of storingen in de afvoer kunnen in het eigen te vernieuwen stelsel en eventueel enkele putten op eigen terrein geborgen worden om overlast te vermijden. Voor wijzigingen aan de afvoer uit het plangebied dient bij de gemeente Bergeijk een vergunning aangevraagd te worden. Bij het planvoornemen neemt het verhard oppervlak niet of nauwelijks toe. De maximale bouwmogelijkheden blijven gelijk (maximaal 26.000 m²).
Voor de vernieuwing van het gehele verharde oppervlak en de verwerking op eigen terrein dient gerekend te worden op een totale waterberging van (40.950 m² x 60 mm / 4 (reductiefactor)=) ca. 614 m³. Het hemelwater zal net als bestaand op eigen terrein verwerkt worden middels infiltratie in de bodem. Naar verwachting kan hemelwater ter plaatse voldoende snel infiltreren. In de huidige situatie is geen wateroverlast bekend. Bij de aanleg van een absolute infiltratievoorziening wordt geadviseerd voorafgaand infiltratiemetingen uit te voeren. Bij de lodges zal infiltratie lokaal plaatsvinden (al dan niet met een afloop naar de geplande groenstroken nabij de lodges). De twee ringen worden verhard ten behoeve de toegankelijkheid tot het terrein. De parkeerplaatsen worden van waterpasserende bestrating voorzien zodat water ter plaatse kan infiltreren. Het hemelwater van de wegen kan langs de wegen in de grasberm verwerkt worden middels infiltratie. Door het lokale, occasionele verkeer is ter plaatse geen verontreiniging van de bodem te verwachten. Het frequentere autoverkeer dient noordoostelijk op het parkeerterrein te parkeren (buiten de grondwaterbeschermingszone). Indien extra waterbuffering wenselijk is, kan dit in een ondergelegen funderingspakket aangelegd worden.
De toekomstige centrale bebouwing zal voorzien worden van groene gevels waardoor de waterafvoer verder vertraagd wordt en deze in de omgeving opgaat. Bij het voldoen aan de milieuhygiënische voorwaarden, kan het dakwater rechtstreeks afvoeren naar een aan te leggen hemelwatervoorziening, bijvoorbeeld slootje of in het geplande natuurlijke water. Dit water wil men samen met een zandstrand ter plaatse van het bestaande zwembad realiseren (buiten de grondwaterbeschermingszone). Door de aanleg van een gescheiden stelsel, de aanleg van een infiltratievoorziening voor de verhardingstoename, het klimaatbestendiger maken van het planvoornemen (totale waterberging ca. 614 m3) en rekening te houden met de genoemde aandachtspunten wordt hydrologisch gezien positief ontwikkeld en is geen wateroverlast te verwachten door de voorgenomen bestemmingsplanwijziging.
Hoofdstuk 4
44
Tevens neemt het risico op een potentiële grond- of waterverontreiniging in het recreatiegebied ( gelegen in een grondwaterbeschermingszone) verder af. Bij de nadere planuitwerking wordt in overleg met het bevoegd gezag een nadere planuitwerking opgemaakt waarbij de toekomstige bouwpeilen en HWA- en DWA-stelsels concreet vastgelegd worden. Grondwaterbeschermingsgebied Rondom het plangebied is een ecologische hoofdstructuur (natuur netwerk Brabant) aanwezig. Tevens ligt in Luyksgestel een grondwaterbeschermingsgebied in het kader van de drinkwaterwinning. Hier wordt 1,7 miljoen m3/jaar onttrokken met een vergunning voor 2 miljoen m3/jaar. Het beschermingsgebied kent twee zones: een waterwingebied en daaromheen een grondwaterbeschermingsgebied (25-jaarszone). Er liggen geen watergangen binnen het grondwaterbeschermingsgebied. Het plangebied ligt zuidoostelijk van het waterwingebied en grotendeels binnen de 25-jaarszone, zie onderstaande afbeelding.
Figuur 4.5: Ligging in grondwaterbeschermingsgebied (rechts) en ligging t.o.v. waterwingebied (links)
Door de voorgenomen herontwikkeling zullen de bestaande risico’s verder ingeperkt worden en door het nemen van gepaste maatregelen worden de emissies ten opzichte van de bestaande situatie (van wegen, daken, gebruik gevaarlijke stoffen) verder verminderd. De bestaande centrale bebouwing met restaurant wordt gesloopt en maakt plaats voor een nieuwbouw nabij de oostgrens van het grondwaterbeschermingsgebied. Uitloging naar het grondwater wordt onder andere voorkomen door nieuwbouw en het gebruik van niet-schadelijke / uitloogbare (bouw)materialen. Het centrale parkeerterrein waar voornamelijk de verkeerscirculatie plaatsvindt wordt daarom buiten de beschermingszone aangelegd. Voorafgaand aan infiltratie in de bodem worden gepaste maatregelen genomen (zoals een bermpassage) om verontreinigingen op te vangen. Het bestaande rioolstelsel doorheen het gehele plangebied wordt vernieuwd De recreatieplas zal volledig dicht worden aangelegd. Hierdoor treedt er geen infiltratie op naar het grondwater. Risico’s bij recreatieterreinen zijn bestrijdingsmiddelen, benzine en oliecomponenten ter plaatse van de parkeerplaatsen en eventueel gevaarlijke (onderhouds)producten bij panden en zwembad. Hiervoor kunnen andere, gepaste maatregelen genomen worden tot inperking van risico’s en vermijden van emissies. De waterplas kan binnen het grondwaterbeschermingsgebied aangelegd worden
Hoofdstuk 4
45
omdat aan de criteria voldaan wordt waarbij het voornaamste is dat de ontgraving boven 3 meter onder maaiveld plaatsvindt. Daarnaast blijft het oppervlak van de ontgraving beneden de grenswaarde van 12,5 hectare (oppervlak van de recreatieplas betreft namelijk 5.000 m²). Wel dient een startmelding plaats te vinden. Dit is ook van toepassing voor het infiltreren van het hemelwater van gebouwen of wegen binnen het grondwaterbeschermingsgebied en de aanleg van diepere funderingen bij nieuwbouw. Er zal bij verdere planuitwerking en vergunningverlening getoetst worden aan o.a. artikelen 2.7 t/m 2.13 van de interim Omgevingsverordening. Als onderdeel van de als bijlage aan dit bestemmingsplan gehechte waterparagraaf is een pre-toetsing aan deze artikelen toegevoegd. Doorvertaling naar planregels Evenals bij een waterwingebied is er binnen grondwaterbeschermingsgebied een generieke regeling opgenomen voor activiteiten in de bodem zodat de risico's voor de kwaliteit van het grondwater niet toenemen. De regeling omvat boorputten, grond- en funderingswerkzaamheden, sonderingen en saneringen in het kader van de Wet bodembescherming. Activiteiten in de bodem tot 3 meter diepte zijn rechtstreeks toegestaan omdat dit weinig invloed heeft op de kwaliteit van het grondwater en dus doorgaans geen gevaar oplevert.
Lekstromen naar het diepere grondwater wordt voorkomen door voldoende afdekking/opvulling en is via protocollen geregeld. De waterplas kan binnen het grondwaterbeschermingsgebied aangelegd worden omdat aan de criteria voldaan wordt waarbij het voornaamste is dat de ontgraving boven 3 meter onder maaiveld plaatsvindt. Daarnaast blijft het oppervlak van de ontgraving beneden de grenswaarde van 12,5 hectare (oppervlak van de recreatieplas betreft namelijk 5.000 m²). Wel dient een startmelding plaats te vinden. Dit is ook van toepassing voor het infiltreren van het hemelwater van gebouwen of wegen binnen het grondwaterbeschermingsgebied en de aanleg van diepere funderingen bij nieuwbouw. Er zal bij verdere planuitwerking en vergunningverlening getoetst worden aan o.a. artikelen 2.7 t/m 2.13 van de interim Omgevingsverordening. Als onderdeel van de als bijlage aan dit bestemmingsplan gehechte waterparagraaf is een pre-toetsing aan deze artikelen toegevoegd. Daarnaast is er in de regels van voorliggend bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin de borging van voldoende waterberging is geregeld. Vanuit planologische opzicht wijzigt de situatie overigens niet omdat in de huidige situatie en planologisch regime reeds een zwembad, centrale voorzieningen en de aanleg van water en waterbergende voorzieningen in beginsel zijn toegestaan.
Overige aandachtspunten en randvoorwaarden Afkoppelen/niet aankoppelen staat voor het scheiden van hemelwater- en afvalwaterafvoer, op een afgewogen manier zodat een duurzaam watersysteem ontstaat. Daarbij moet men rekening houden met de waterhuishouding, de inrichting van de openbare ruimte, de milieuhygiënische gevolgen en de zorg voor de volksgezondheid en welzijn. Het is noodzakelijk de afvoer van water goed te dimensioneren. Bij het voldoen aan de milieuhygiënische randvoorwaarden (dubo-materialen etc.) kan de afgekoppelde afstromende neerslag rechtstreeks via (mol)goten, lijnafwatering of ander traditioneel afvoermateriaal naar een aan te leggen voorziening stromen om in de bodem te infiltreren. Wel moeten in de afvoersystemen voorzieningen worden gerealiseerd die blad, zand e.d., die verstoppingen kunnen veroorzaken, achterhouden. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven ten behoeve het reinigen en het onderhoud. Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal nood-
Hoofdstuk 4
46
zakelijk zijn om te garanderen dat de systemen blijven functioneren. Ook moet de (nood)overloop regelmatig worden onderhouden. Ondergrondse voorzieningen dienen altijd voorzien te zijn van een goed bereikbare blad- en zandvanger en/of ontluchtingspunt/overloop. Toe te passen duurzame materialen: Platte daken: beton of bekleed met EPDM rubber; APP en/of SBS gemodificeerd bitumen. Dakgoten en afvoerpijpen; PVC/PP/PE/ staal, aluminium, bij voorkeur geen gecoate materialen. Ontsluitingspaden / wegen / terrassen; voorzien van natuurlijk of niet-uitloogbare materialen zoals keramische of betonproducten. Indien onvoldoende aandacht wordt gegeven aan het ontwerp en dimensionering, kan wateroverlast ontstaan. Het moet ten alle tijden worden voorkomen dat wateroverlast bij de woningen en bij derden ontstaat. Het gebruik en het overlopen van de infiltratievoorziening mag niet leiden tot schade aan in de nabijheid liggende percelen, gewassen en opstallen. Schade, direct en/ of indirect, die eventueel ontstaat is en blijft voor rekening van de ontwikkelaar/eigenaar van het plangebied. In geen geval mag de afvalwaterriolering op een infiltratie- en/of bergingsvoorziening worden aangesloten. Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden.
Wanneer een bronnering nodig is voor de bouwwerkzaamheden of bij andere ingrepen op de plaatselijke waterhuishouding (lozing / infiltratie of werkzaamheden in de buurt van een watergang), moeten in het kader van de Waterwet vergunningen/meldingen worden aangevraagd via de reguliere procedure (Omgevingsloket). Op de afgekoppelde “buitenverhardingen” mogen geen handelingen worden uitgevoerd die vervuiling van het oppervlak veroorzaken. Wil men toch buitenactiviteiten verrichten waarbij vervuiling van verhard oppervlak ontstaat b.v. het reinigen van voertuigen of het schoonmaken van onderdelen, dan moet het gedeelte waar deze activiteit(en) plaatsvindt voorzien worden van de juiste bodem beschermende maatregelen (Nederlandse Richtlijn voor Bodembescherming). Dit betekent dat het vrijkomende afvalwater al dan niet via een olie/benzine-afscheider of andere noodzakelijke (reiniging)voorziening naar het afvalwaterriool moet worden getransporteerd of geloosd, en niet in de bodem mag worden geïnfiltreerd of op oppervlaktewater worden geloosd. Het is onwenselijk chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de verharde oppervlakken. Daarnaast is toepassing van gladheidsbestrijding middels zout minder wenselijk geacht.
Bij toepassing kunnen deze stoffen met het hemelwater afstromen naar de bodem of het oppervlaktewater en deze nadelig beïnvloeden. Indien toepassing noodzakelijk blijkt, wordt geadviseerd dit zo effectief mogelijk te doen. 4.10.3 Conclusie Het aspect ‘water’ zal niet voor belemmeringen zorgen voor onderhavig bestemmingsplan, mits rekening gehouden wordt met de aandachtspunten die hierboven beschreven zijn.
Hoofdstuk 4
47
4.11 Archeologie 4.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Op de Archeologische beleidskaart van de gemeente Bergeijk (Erfgoedkaart A2- en Kempengemeenten) ligt de onderzoekslocatie deels in een zone Categorie 4: Gebied met een hoge archeologische verwachting en deels in een zone Categorie 6: Gebied met een lage archeologische verwachting. Voor de Categorie 4 geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 30 cm -mv.
Voor de Categorie 6 geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 25.000 m² en dieper dan 40 cm -mv of 50 cm -mv bij agrarisch bestemde gronden. Er is derhalve door Aeres milieu een archeologisch onderzoek uitgevoerd, welke is opgenomen in de bijlagen van dit plan. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies van dit onderzoek. 4.11.2 Onderzoek Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek kan worden gesteld dat voor de periode laat-paleolithicum tot mesolithicum een middelhoge archeologische verwachting geldt. Voor de periode neolithicum-ijzertijd geldt een hoge verwachting en voor de periode romeinse tijd tot nieuwe tijd is de verwachting laag. Het is niet duidelijk uit welke periode de kamduinen, die op de archeologische verwachtingskaart een hoge verwachting hebben, dateren. Ook is niet duidelijk in hoeverre het zuidoostelijk deel van het plangebied is verstoord door de aanleg van eerder aanwezige waterplassen. Er moet daarom in die delen van het plangebied met een hoge en middelhoge verwachting op te erfgoedkaart in eerste instantie een vervolgonderzoek uitgevoerd worden door middel van verkennende boringen, mits hier grondroerende activiteiten voorzien zijn. Hiermee kan de ondergrond in kaart worden gebracht en de ouderdom (en dus de archeologische verwachting) worden toegespitst.
Het uitgevoerde onderzoek is verricht conform de gestelde eisen en gebruikelijke methoden. Het onderzoek is gericht op het inzichtelijk maken van de toestand van het aanwezige bodemarchief. Hiermee kan de beschadiging dan wel vernietiging als gevolg van de voorgenomen verstoring van een mogelijk aanwezig bodemarchief tot een minimum worden beperkt. Echter kan door de aard van het onderzoek, steekproefsgewijs, niet volledig worden uitgesloten dat er archeologische resten aan- of afwezig zullen zijn. Als gevolg hiervan is bij het aantreffen van archeologische resten het, conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en 5.11 (Waarneming), een meldingsplicht van toepassing. Het archeologisch rapport is beoordeeld in opdracht van het bevoegd gezag beoordeel door de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant. Er is tevens een selectieadvies opgesteld. Het advies Archeologische