CConstaterende datBergeijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting en Regels -concept vastgesteld bestemmingsplan Forest Village.pdf

Gemeenteraad 27 januari 2022, gemeente BergeijkBij agendapunt: Raadsvoorstel bestemmingsplan Forest Village Bergeijk28.703 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Hoofdstuk 4

48

Monumentenzorg 2020 – nr. 163 is opgenomen als bijlage. Het huidige onderzoeksverslag is van voldoende kwaliteit om de archeologische potentie en waarde van het plangebied duidelijk te maken. Derhalve wordt een vervolgonderzoek noodzakelijk geacht door middel van verkennende boringen in te stellen in de zones die nu een hoge en middelhoge archeologische verwachting hebben. Het nader onderzoek heeft reeds plaatsgevonden in de vorm van een verkennend booronderzoek. De verkennende boringen zijn op onderstaande locaties geplaatst.

Figuur 4.6 Advieskaart archeologisch vervolgonderzoek, incl. locaties boringen

Op basis van het uitgevoerde verkennend veldonderzoek door middel van boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw binnen het grootste deel van het plangebied bestaat uit (deels) intacte humuspodzolgrond. Hierdoor is de kans groot dat archeologische resten in de ondergrond kunnen worden aangetroffen. De in het vooronderzoek opgestelde archeologische verwachting (middelhoog voor laat-paleolithicum – vroege middeleeuwen) blijft dan ook gehandhaafd. De bodemopbouw ter plaatse van Type II boringen bestaat uit een AC-profiel. Er zijn geen sporen aangetroffen van een oorspronkelijke podzolbodem. Dit is mogelijk het gevolg van een egalisatie voorafgaand aan de ontginning van het gebied of opname in het bovenliggend dek door ploegen van de akker. De overgangen naar de natuurlijke ondergrond is veelal scherp. Op basis van deze gegevens is de archeologische verwachting ter plaatse van Type II-boringen voor het aantreffen van archeologische resten voor de perioden (laat-paleolithicum – vroege middeleeuwen) bijgesteld naar laag. De verwachting voor de periode late middeleeuwen – nieuwe tijd was al laag. Ter plaatse van Type II boringen wordt geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht, zie blauwe kleur op Figuur 4.6.

Hoofdstuk 4

49

De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling kunnen ter plaatse van Type I en IIIboringen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Op basis van de bodemkundige gesteldheid blijft de middelhoge archeologische verwachting ter plaatse van Type I en III-boringen voor het aantreffen van archeologische resten uit de periode laat-paleolithicum – vroege middeleeuwen gehandhaafd. Archeologische resten kunnen onder de humus houdende bovengrond (0-40 centimeter beneden maaiveld) aanwezig zijn. Deze boringen zijn op in rode kleur aangegeven op Figuur 4.6. Wanneer in dit deel van het plangebied graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden dan kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaat. Op basis hiervan wordt voor dit deel van het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd. Dit vervolgonderzoek vindt bij voorkeur in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaats. Hiervoor dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) ter toetsing te worden voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Bergeijk). 4.11.3 Conclusie Indien er grondroerende activiteiten gaan plaatsvinden ter plaatse van de locaties van de boringen met een rode kleur in figuur 4.6 dient een vervolgonderzoek plaats te vinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek.

Buiten deze gebieden vormt het aspect archeologie verder niet voor belemmeringen en kan, ondanks dat hier nog een dubbelbestemming van toepassing is, verwezen worden naar het uitgevoerde booronderzoek op basis waarvan vrijstelling kan worden verkregen. In het kader van de omgevingsvergunningsaanvraag voor het bouwen wordt, daar waar ingrepen in het bodemarchief zijn voorzien, vervolgonderzoek uitgevoerd op basis van een goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

4.12 Cultuurhistorie 4.12.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 4.12.2 Onderzoek In figuur 4.6 is een uitsnede van de CHW-kaart van Noord-Brabant weergegeven. In de omgeving van het plangebied zijn cultuurhistorische waarden aanwezig. Zo zijn er lijnen van redelijk hoge waarde (gele lijnen) en is er ten oosten van het plangebied een Terrein van hoge archeologische waarde is

Hoofdstuk 4

50

gelegen. Dit terrein valt net buiten het plangebied en er worden hier rondom geen bodemingrepen gedaan. Overige cultuurhistorische waarden liggen niet binnen het plangebied maar op redelijke afstand. van het plangebied.

Figuur 4.7: CHW-kaart (plangebied blauw omkaderd)

Onderhavige ontwikkeling zal geen negatieve invloed hebben op monumenten, beeldbepalende panden en cultuurhistorische waarden in de omgeving. Tevens zijn in het plangebied geen monumentale bomen, waardevolle bouwkunsten, historisch groen of historische lijnen met een hoge waarde gelegen. De ontwikkelingen van het plangebied zullen ook geen negatieve invloed hebben op deze elementen in de omgeving. 4.12.3 Conclusie Binnen het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorisch waardevolle elementen. Het aspect ‘cultuurhistorie’ zal geen invloed hebben op het plangebied.

4.13 Bezonning/schaduwwerking In Nederland bestaan geen wettelijke regels omtrent de bezonning van percelen en gevels. Wel dient het aspect in het kader van een goede ruimtelijke ordening te worden beschouwd. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in wijzigingen van de bouwmogelijkheden op de locatie van het Forest Village Bergeijk. Op het centrale deel van het park is een nieuw gebouwencomplex waar de centrale voorzieningen zijn ondergebracht geprojecteerd. Er is mede omwille van reductie van effecten op de bezonning en schaduwwerking op de omliggende panden en percelen, gekozen voor een bouwregeling die specifiek aan de randen van de bebouwing op het centrale deel eisen stelt aan maximaal toegestane gooten bouwhoogten.

Hoofdstuk 4

51

Vanwege de wijzigingen in de bebouwingsmogelijkheden en de aanwezigheid van bestaande bungalows in de nabijheid van het plangebied, is vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening en zorgvuldige belangenafweging studie naar de schaduwwerking uitgevoerd. Deze is als bijlage opgenomen. Voor deze studie is een systematiek gebruikt, welke is afgeleid van de zogenaamde Haagse Norm. De Haagse Norm is gebaseerd op de TNO-richtlijn welke bestaat uit een ‘lichte’ en ‘strenge’ richtlijn. In het bezonningsdiagram wordt de volgende richtlijn getoetst: Ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 21 maart tot en met 21 september op de gevel en op een gedeelte van een perceel. In deze studie zijn de relevante percelen en gevels van omliggende bungalows bekeken en uit de bezonningsdiagrammen is af te leiden dat er op de gevels en delen van percelen van omliggende bungalows van 21 maart tot en met 21 september gedurende tenminste 2 uur sprake is van voldoende bezonning op de beschouwde momenten, zie onderstaande tabel. Alleen in december is voor het meest nabijgelegen perceel met bestaande bungalow op de zuidwestelijke gevel en het zuidwestelijke deel van het perceel sprake van minder dan 2 uur bezonning.

Blijkens de diagrammen wordt de schaduw in de ochtend (9u) echter niet veroorzaakt door de nieuwe bebouwing van de centrale voorzieningen maar door omliggende (deels reeds bestaande) bosschages. Van onevenredige extra schaduwwerking vanwege de nieuwe bebouwing is dan ook geen sprake. Daarbij is voor andere gevels van de bewuste bestaande bungalow wel sprake van voldoende bezonning en wordt in december doorgaans niet in de tuin gezeten. Tabel: onderzochte momenten, studie naar schaduwwerking

Daarbij is voor het bezonningsdiagram nog geen rekening gehouden met de aan te houden bufferzone van 5 meter tussen de bestaande bungalows en de zone voor de centrale voorzieningen. Het volume dat op grond van het bestemmingsplan uiteindelijk is toegestaan geeft dus nog een beduidend gunstigere situatie. Vanuit bezonning en schaduwwerking zijn geen belemmeringen te verwachten vanwege de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

4.14 M.e.r.-plicht 4.14.1 Toetsingskader en onderzoek Gemeenten en provincies moeten bij bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleinere projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project be-

Hoofdstuk 4

52

langrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. 4.14.2 Conclusie De herontwikkeling van het recreatiepark is opgenomen in onderdeel D (categorie D.10) van bijlage II van het Besluit m.e.r. De activiteit betreft de aanleg, wijziging of uitbreiding van skihellingen, skiliften, kabelspoorwegen en bijbehorende voorzieningen, jachthavens, vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen, permanente kampeer- en caravanterreinen, of themaparken. In dit geval is er sprake van een wijziging van een recreatiepark buiten stedelijke zones. In het geval van voornoemde activiteiten is direct een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk als de activiteit gaat om een activiteit die betrekking heeft op:  250.000 bezoekers of meer per jaar,  een oppervlakte van 25 hectare of meer,  100 ligplaatsen of meer of,  een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied.

Hoewel planologisch weinig verandert qua bebouwingsmogelijkheden en aantallen personen dat maximaal kan overnachten, en gelijkblijvend m² voor centrale voorzieningen, verandert de typologie van het vakantie- en recreatiepark qua uitstraling wel en ook is een meer gebiedspassende terreininrichting voorzien waarmee de facto gesteld kan worden dat sprake is van een ‘wijziging’. Zorgvuldigheidshalve dient daarom een MER-beoordelingsprocedure doorlopen te worden.

Hoofdstuk 4

53

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels zijn daarnaast afgestemd op het vigerende bestemmingsplan en de herziening van het betreffende plan. Hiermee wordt een zoveel mogelijk uniforme systematiek van de bestemmingsplannen binnen Bergeijk nagestreefd. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4.

inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages,

Hoofdstuk 5

54

hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). Een bestemming kan de volgende elementen bevatten (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten):  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit wordt met een bouwvlak en aanduidingen op de verbeelding aangeven. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven.

Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen:  anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.  algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering.  algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd.  algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.  overige regels: in dit artikel is opgenomen op welke wijze naar andere wettelijke regelingen wordt verwezen in dit plan. Ook is geregeld welke onderdelen van de Bouwverordening aanvullend op dit bestemmingsplan werking hebben.

Hoofdstuk 5

55

Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

5.3 Bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Recreatie – Verblijfsrecreatie Het plangebied is geheel bestemd als ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’. Binnen deze bestemming zijn onder meer de volgende functies toegestaan: verblijfsrecreatie, één recreatiebedrijf voor de centrale bedrijfsmatige exploitatie van verblijfsrecreatie en recreatiewoningen, dagrecreatieve en centrale voorzieningen (uitsluitend binnen de op de verbeelding aangeduide zone), dagrecreatieve en centrale sportvoorzieningen (uitsluitend binnen de op de verbeelding aangeduide zone), één bedrijfs-/beheerderswoning op de aangeduide plek, parkeervoorzieningen, voorzieningen van verkeer en verblijf, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, extensief recreatief medegebruik. Tevens is een zone opgenomen waarbinnen de ontsluitingen voor gemotoriseerd verkeer op het omliggende wegennet en de wegen met een verzamelfunctie voor de verkeersafwikkeling van meerdere lokale ontsluitingswegen dienen te worden gerealiseerd. Ter plaatse van de aanduiding ‘water’ dient minimaal 2.000 m² aan water gerealiseerd te worden.

Binnen de bufferzone rondom de bestaande recreatiewoningen (buiten het plangebied) zijn uitsluitend groenvoorzieningen, paden (uitsluitend ten dienste van de ontsluiting van bestaande bungalows), water, waterhuishoudkundige voorzieningen, inen uitritten en één ontsluitingsweg per vlak toegestaan. Binnen deze zone mogen ook geen gebouwen worden gebouwd. Aan de ingebruikname en het gebruikt houden van meer dan 75 en meer dan 250 recreatiewoningen is een voorwaardelijke verplichting gekoppeld. Deze houdt in dat er bij meer dan 75 recreatiewoningen tevens een centrale voorzieningengebouw, bestaande uit een binnenzwembad en ten minste één andere nader omschreven publieksgerichte voorziening (zoals receptie, sauna-/fitnessvoorziening, sporten speelvoorziening, horeca), in gebruik moet zijn. Daarnaast is in het centrale voorzieningengebouw tevens een kantoorfunctie mogelijk. Bij meer dan 250 recreatiewoningen dient het centrale voorzieningen uit ten minste 4 verschillende voorzieningen (waaronder een binnenzwembad) te bestaan. Deze verplichting is ook opgenomen als voorwaarde voor het verkrijgen van omgevingsvergunningen voor het bouwen.

Tevens zijn voorwaardelijke verplichtingen opgenomen ten aanzien van het realiseren van voldoende parkeerplaatsen, waterberging, alsmede het aanleggen en in stand houden van de landschappelijke inpassing en groenvoorzieningen, die in de bijlage zijn aangegeven. Ten aanzien van het bouwen gelden verschillende regels voor:  Gebouwen voor centrale voorzieningen en dagrecreatie;  Gebouwen voor dagrecreatie en/of centrale sportvoorzieningen;  Recreatiewoningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde daarbij. Hierbij is onder meer het maximum aantal bedden vastgelegd;  Recreatie-appartementen;  Bedrijfswoning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken;

Hoofdstuk 5

56

(Overige) bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarbij onder andere constructies voor duurzame energie opwekking (zonnepanelen) mogelijk zijn gemaakt. Ten slotte is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, die het mogelijk maakt om onder voorwaarden een recreatieappartementengebouw of hotel toe te staan binnen de zone die voor ‘wetgevingszone – wijzigingsgebied hotel’ is aangewezen. Dit kan door nieuwbouw, dan wel door omzetten van recreatieappartementen naar hotelkamers. Het aantal bedden mag niet meer dan 200 bedragen. Waarde – Archeologie Tevens is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ gehandhaafd. Er geldt een onderzoeksverplichting in geval van (bouw)werkzaamheden met een diepte van minimaal 0,30 m en een oppervlakte van 500 m² en groter.

Hoofdstuk 5

57

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid Er is met de ontwikkelende partij een overeenkomst gesloten, waarin een en ander met betrekking tot het wettelijk verplichte kosten verhaal is vastgelegd. Daarnaast heeft de ontwikkelende partij een overeenkomst gesloten met een exploitant voor de vakantiewoningen. Hiermee is de centrale exploitatie gedurende een langjarige periode is geborgd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden:  Vooroverleg;  Inspraak;  Vaststellingsprocedure. Voorafgaand is in het kader van het planvormingsproces rondom het Masterplan en concept bestemmingsplan een omgevingsdialoog gehouden. Omgevingsdialoog Op 15 oktober 2019 heeft een informatieavond plaatsgevonden voor omwonenden, belanghebbenden en andere belangstellenden. Tijdens deze informatieavond is het masterplan van het recreatiepark Forest Village gepresenteerd. Inspraak Het voorontwerpbestemmingsplan Forest Village Bergeijk van de gemeente Bergeijk heeft in het kader van de inspraakprocedure met ingang van 22 april 2021 gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegen in het gemeentehuis aan de Burgemeester Magneestraat 1 te Bergeijk.

Tevens is het voorontwerp raadpleegbaar geweest via de website van de gemeente Bergeijk en via www.ruimtelijkeplannen.nl. Op 29 april 2021 heeft een informatieavond in de vorm van een webinar plaatsgevonden. Gedurende de periode van de inzage zijn twee unieke inspraakreacties ingediend. In de als bijlage 10 bij onderhavig bestemmingsplan opgenomen ‘Nota inspraak en vooroverleg’ zijn de ingediende reacties

Hoofdstuk 6

58

samengevat en van een standpunt van de gemeente voorzien. Hierbij is tevens aangegeven in hoeverre het plan in de ontwerpfase is aangepast ten opzichte van het voorontwerp. Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het voorontwerpbestemmingsplan is conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voor vooroverleg gezonden naar diverse instanties. Daarop zijn vooroverlegreacties ontvangen van de Provincie Noord-Brabant en van Waterschap De Dommel. In de als bijlage 10 bij onderhavig bestemmingsplan opgenomen ‘Nota inspraak en vooroverleg’ zijn de ingediende reacties samengevat en van een standpunt van de gemeente voorzien. Hierbij is tevens aangegeven in hoeverre het plan in de ontwerpfase is aangepast ten opzichte van het voorontwerp. Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening.

Als onderdeel van deze procedure heeft het ontwerpbestemmingsplan het ontwerpbestemmingsplan “Forest Village” vanaf 21 oktober 2021 voor zes weken ter inzage gelegen. Gedurende die termijn kon er door eenieder een zienswijzen worden ingediend aangaande het ontwerpbestemmingsplan. Tijdens de zienswijzentermijn zijn er vier zienswijzen ingediend. Voor een samenvatting van en reactie op de ingediende zienswijzen wordt kortheidshalve verwezen naar de ‘Nota van zienswijzen en wijzigingen’ welke als bijlage bij het Raadsbesluit is gevoegd. Ook is daarin een overzicht opgenomen van de doorgevoerde (ambtshalve) wijzigingen. De wijzigingen hebben betrekking op:  het verwerken van enkele aanvullende omgevingsonderzoeken;  het stikstofonderzoek (bijlage 8);  de studie naar schaduwwerking (bijlage 12);  het schrappen van de mogelijkheid van het mogelijk maken van ‘paden’, anders dan ten dienste van de ontsluiting van bestaande bungalows binnen de bufferzone (artikel 3.1 sub m);  het schrappen van artikel 3.2.4, lid e.1 omwille van het voorkomen dat recreatiewoningen met lokaal een hogere goothoogte (max. 6 meter), verplicht een platte afdekking (bepaald was dat deze ook een bouwhoogte van max. 6 meter kregen) moeten krijgen.

Beroep bestemmingsplan Na vaststelling van het bestemmingsplan door de raad, is het bestemmingsplan voor de tweede maal voor een periode van zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden beroep instellen tegen het bestemmingsplan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien binnen de beroepstermijn geen beroep wordt ingesteld, is het bestemmingsplan na het verstrijken van de beroepstermijn onherroepelijk. Belanghebbenden kunnen eventueel ook een voorlopige voorziening vragen tegen het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 6

59

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Regiekaart Forest Village Bijlage 2: Verkeer- en parkeeraspecten Bijlage 3: Laddertoets Bijlage 4: Historisch bodemonderzoek Bijlage 5: Waterparagraaf Bijlage 6: Archeologisch onderzoek Bijlage 7: Flora en Fauna onderzoeken Bijlage 8: Stikstofonderzoek Bijlage 9: Aanmeldingsnotitie m.e.r. beoordeling Bijlage 10: Nota inspraak en vooroverleg Bijlage 11: Landschapsplan Bijlage 12: Studie naar schaduwwerking

Forest Village Bergeijk

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

4

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

4 11

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

13

Artikel 3 Artikel 4

Recreatie - Vakantiecentrum Waarde - Archeologie

13 20

Hoofdstuk 3

Algemene regels

23

Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels

23 24 25 26 28

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

29

Artikel 10 Artikel 11

Overgangsrecht Slotregel

29 30

2

Bestemmingsplan "Forest Village Bergeijk" (vastgesteld)

Regels

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1

Plan

het bestemmingsplan Forest Village Bergeijk met identificatienummer NL.IMRO.1724.BPUzwa0080-VAST van de gemeente Bergeijk. 1.2

Bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3

Aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4

Aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5

Afhankelijke woonruimte

een bijbehorend bouwwerk bij een woning of een deel van de woning, dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met die woning en waar een gedeelte van de huishouding, zoals gehuisvest in die woning, uit een oogpunt van mantelzorg is ondergebracht. 1.6

Archeologische waarden

waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang zijn en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigen. 1.7

Archeologische verwachting

de verwachting die aan een gebied is toegekend in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten. 1.8

Bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.9

Bedrijfsmatige exploitatie

het via één recreatiebedrijf voeren van de exploitatie en het beheer van een complex van recreatiewoningen.

4

Bestemmingsplan "Forest Village Bergeijk" (vastgesteld)

1.10

Bedrijfs- c.q. beheerderswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting ter plaatse noodzakelijk is, gelet op het feitelijk gebruik van het gebouw en/of terrein in overeenstemming met de bestemming. 1.11

Bestaand(e situatie)

a. t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig en toegestaan (legaal gerealiseerd) op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning; b. t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig en toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. 1.12

Bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak. 1.13

Bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.14

Bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw of ander bouwwerk, met een dak. 1.15

Bodemingrepen

werken en werkzaamheden waarvan mag worden aangenomen dat zij het bodemarchief kunnen aantasten. 1.16

Bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.17

Bouwgrens

de grens van een bouwvlak. 1.18

Bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

Bestemmingsplan "Forest Village Bergeijk" (vastgesteld)

5

1.19

Bouwperceelsgrens

de grens van een bouwperceel. 1.20

Bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.21

Bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.22

Centrale sportvoorzieningen

gemeenschappelijke en/of ondergeschikte sport- en speelvoorzieningen ten dienste van het ter plaatse gevestigde recreatiebedrijf, waaronder in ieder geval worden begrepen: zwembad, speelvoorzieningen, een midgetgolfbaan, sport- en speelvelden, squash-/saunaruimte, service-, opslag- en onderhoudsgebouwen. 1.23

Centrale voorzieningen

gemeenschappelijke en/of ondergeschikte voorzieningen ten dienste van het ter plaatse gevestigde recreatiebedrijf, waaronder een binnenzwembad, speelvoorzieningen, een midgetgolfbaan, sport- en speelvelden, horecavoorzieningen, squash-/saunaruimte, bowlingbanen, zaal- en congresaccommodatie, winkel, alsmede bijbehorende voorzieningen, zoals receptiegebouw, service-, opslag-, kantoor- en onderhoudsgebouwen. 1.24

Dagrecreatie

het verblijf ten behoeve van recreatieve doeleinden zonder dat op het terrein een overnachting plaatsvindt. 1.25

Deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg

een door het college van Burgemeester en Wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de gemeentelijke archeologische monumentenzorg. 1.26

Detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.27

Dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen.

6

Bestemmingsplan "Forest Village Bergeijk" (vastgesteld)

1.28

Extensief recreatief medegebruik

een vorm van recreatief medegebruik die nauwelijks of geen invloed heeft op de in de bestemmingsomschrijving van de bestemmingen gegeven doeleinden zoals wandelen, fietsen en dergelijke. 1.29

Gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.30

Hoofdgebouw

een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 1.31

Hotel

een voorziening, die tot hoofddoel heeft het op commerciële basis bieden van overnachtingsmogelijkheden met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden en/of dranken voor consumptie ter plaatse. 1.32

Hoofdverblijf

de plaats die gedurende een aaneengesloten halfjaar tenminste 2/3 van die tijd als woning in gebruik is en fungeert als het centrum van de sociale en maatschappelijke activiteiten van betrokkene en welke een voor permanente bewoning geschikte verblijfplaats is, dat tenminste bestaat uit een keuken, woon-, was- en slaapgelegenheid. 1.33

Hydrologisch neutraal ontwikkelen

het nemen van volledig compenserende maatregelen om afstromend hemelwater te verwerken waar het verharde oppervlak toeneemt of verhard oppervlak wordt afgekoppeld en hierbij de onderstaande waterkwantiteitstrits toe te passen voor schoon hemelwater, afkomstig van verhard oppervlak: 1. 2. 3. 4. 5.

Hergebruik; Vasthouden / infiltreren; Bergen; Afvoeren naar oppervlaktewater; Afvoeren naar een rioolstelsel.

1.34

Kunstobject

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met artistieke waarde. 1.35

Landschapswaarden/landschappelijke waarden

bijzondere landschappelijke kenmerken van een gebied of object in de zin van aantrekkelijkheid, herkenbaarheid/identiteit en diversiteit bestaande uit aardkundige, cultuurhistorische en visueel-ruimtelijke waarden, afzonderlijk of in onderlinge samenhang.

Bestemmingsplan "Forest Village Bergeijk" (vastgesteld)

7

1.36

Lokale ontsluitingsweg

wegen met een functie voor de afwikkeling van al dan niet gemotoriseerd verkeer voor ten hoogste 40 recreatiewoningen, alsmede calamiteitenroutes en ontsluitingen ten behoeve van het laden en lossen en/of parkeren voor personeel. 1.37

Natuurwaarden

waarden in verband met de aanwezigheid van bijzondere planten, dieren en leefgemeenschappen in onderlinge samenhang en in samenhang met hun leefomgeving (biotoop) en welke verband houden met zaken als verscheidenheid/zeldzaamheid, natuurlijkheid/ongestoordheid en kenmerkendheid voor het gebied. 1.38

Ondergronds bouwwerk

een (gedeelte van een) bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen op ten minste 1,75 m beneden peil. 1.39

Opgraven/opgraving

de ontsluiting van een vindplaats met als doel de informatie te verzamelen en vast te leggen die nodig is voor het beantwoorden van de in het Programma van Eisen verwoorde onderzoeksvra(a)g(en) en het behalen van de onderzoeksdoelstellingen verricht door of namens de gemeente of door een dienst, bedrijf of instelling beschikkend over een opgravingvergunning ex artikel 39 van de Monumentenwet en werkend volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA). 1.40

Overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, bestaande uit een vrijstaande dakconstructie met maximaal één wand. 1.41

Permanente bewoning

bewoning van een gebouw of recreatiewoning als hoofdverblijf. 1.42

Prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.43

Recreatie-appartement

een (gedeelte van een) gebouw, geen recreatiewoning, geen woonkeet en geen caravan of ander bouwsel op wielen zijnde, zodanig dat deze boven dan wel beneden en naast elkaar zijn gesitueerd, bestemd voor recreatieve doeleinden, uitsluitend door een of meer personen, die zijn/hun hoofdverblijf elders heeft/hebben en daar gedurende een aaneengesloten halfjaar tenminste 2/3 van die tijd wonen. 1.44

Recreatiebedrijf

een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon dat de centrale bedrijfsmatige exploitatie verzorgt van een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein.

8

Bestemmingsplan "Forest Village Bergeijk" (vastgesteld)

1.45

Recreatiewoning

een gebouw, geen recreatie-appartement, geen woonkeet en geen caravan of ander bouwsel op wielen zijnde, bestemd voor recreatieve doeleinden, uitsluitend door een of meer personen, die zijn/hun hoofdverblijf elders heeft/hebben en daar gedurende een aaneengesloten halfjaar tenminste 2/3 van die tijd wonen. 1.46

Seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.47

Veranda

al dan niet overdekte buitenruimte, zonder eigen wand, gebouwd aanpandig aan een recreatiewoning. 1.48

Verblijfsrecreatie

het verblijf ten behoeve van recreatieve doeleinden dat gepaard gaat met één of meer overnachtingen op het terrein. 1.49

Voorzieningen van algemeen nut

voorzieningen ten behoeve van een op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer. 1.50

Water

het oppervlakte aan water zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. 1.51

Waterhuishoudkundige voorzieningen

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit, waaronder duikers, stuwen, gemalen, inlaten en voorzieningen ten behoeve van berging en infiltratie van hemelwater. 1.52

Waterpeil

de hoogte (het niveau) van de waterspiegel gemeten naar NAP op het moment van aanvraag van de omgevingsvergunning of bestemmingswijziging. Dit kan betrekking hebben op zowel oppervlaktewater als grondwater. 1.53

Werk

een constructie geen gebouw of bouwwerk zijnde.

Bestemmingsplan "Forest Village Bergeijk" (vastgesteld)

9

1.54

Woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

10

Bestemmingsplan "Forest Village Bergeijk" (vastgesteld)

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1

de afstand tot de bouwperceelsgrens:

tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is. 2.2

het (totaal) bebouwd oppervlak:

de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen. 2.3

het bebouwingspercentage:

het oppervlak dat met bouwwerken mag worden bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming. 2.4

de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van onderschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5

de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.6

de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.7

de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.8

de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk:

vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend. 2.9

de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.10

peil:

a. voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de Bestemmingsplan "Forest Village Bergeijk" (vastgesteld)

11

weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b. voor gebouwen anders dan bedoeld onder a.: de hoogte ter plaatse van de hoofdtoegang van het betreffende gebouw; c. indien in het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterpeil; d. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld. 2.11

ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, balkons, luifels en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt.

12

Bestemmingsplan "Forest Village Bergeijk" (vastgesteld)

Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1

Bestemmingsregels

Recreatie - Vakantiecentrum

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie - Vakantiecentrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. veblijfsrecreatie; b. één recreatiebedrijf voor de centrale bedrijfsmatige exploitatie van verblijfsrecreatie in de vorm van recreatiewoningen, alsmede bijbehorende voorzieningen; c. dagrecreatieve en centrale voorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - dagrecreatie en centrale voorzieningen'; d. dagrecreatieve en centrale sportvoorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - centrale sportvoorzieningen'; e. maximaal één bedrijfs- c.q. beheerderswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'; f. parkeervoorzieningen, in elk geval ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein', een en ander met inachtname van het bepaalde in artikel 3.3.2; g. voorzieningen voor verkeer en verblijf, met dien verstande dat ontsluitingen voor gemotoriseerd verkeer met een functie van de afwikkeling van gemotoriseerd verkeer op het in de omgeving aanwezige aansluitende wegennet, alsmede een verzamelfunctie voor de afwikkeling van verkeer van meerdere lokale ontsluitingswegen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting' mogen worden gesitueerd; h. groenvoorzieningen; i.

water en waterhuishoudkundige voorzieningen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'water' ten minste 2.000 m² water gerealiseerd dient te worden; j. extensief recreatief medegebruik; k. speelvoorzieningen; l. ter plaatse van de aanduiding 'groen', uitsluitend voor groenvoorzieningen, paden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen; m. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - bufferzone', uitsluitend voor groenvoorzieningen, paden ten dienste van de ontsluiting van bestaande recreatiewoningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, in- en uitritten en maximaal één lokale ontsluitingsweg per aanduidingsvlak; alsmede voor: n. tuinen, erven, paden en verhardingen; o. de aanleg en instandhouding van groenvoorzieningen en de daarmee verband houdende landschappelijke waarden conform de als Bijlage 1 Landschappelijke inrichtingsprincipes opgenomen landschappelijke inrichtingsprincipes. 3.2

Bouwregels

3.2.1

Algemeen

a. Het bebouwd oppervlak van alle gebouwen binnen de bestemming mag niet meer bedragen dan 26.000 m²; b. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - bufferzone' zijn geen gebouwen toegestaan.

Bestemmingsplan "Forest Village Bergeijk" (vastgesteld)

13

3.2.2

Centrale voorzieningen en dagrecreatie

Voor het bouwen van gebouwen ten dienste van dagrecreatie en/of centrale voorzieningen gelden de volgende regels: a. de gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - dagrecreatie en centrale voorzieningen'; b. het bebouwd oppervlak van de in de aanhef bedoelde gebouwen mag niet meer bedragen dan 4.000 m², een en ander met inachtname van het bepaalde in lid 3.2.1; c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 10 m, tenzij op de verbeelding anders aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)'; d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 15 m; e. in afwijking van het bepaalde in sub a en van artikel 2.11 mogen ondergeschikte bouwdelen ook buiten de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - dagrecreatie en centrale voorzieningen' worden gebouwd, mits de overschrijding niet meer dan 3 m bedraagt. 3.2.3

Centrale sportvoorzieningen

Voor het bouwen van gebouwen ten dienste van dagrecreatie en/of centrale sportvoorzieningen gelden de volgende regels: a. de gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - centrale sportvoorzieningen'; b. het bebouwd oppervlak van de in de aanhef bedoelde gebouwen mag niet meer bedragen dan 25 m², een en ander met inachtname van het bepaalde in lid 3.2.1; c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m; d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6 m. 3.2.4

Recreatiewoningen

Voor het bouwen van recreatiewoningen gelden de volgende regels: a. recreatiewoningen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatiewoningen' met in achtneming van het bepaalde in artikel 3.1 onder l.; b. het aantal recreatiewoningen binnen de bestemming mag niet meer dan 340 bedragen en het totaal aantal bedden in de recreatiewoningen binnen de bestemming mag niet meer dan 1.850 bedragen; c. het totaal bebouwd oppervlak van de recreatiewoningen, inclusief bijbehorende bouwwerken, binnen de bestemming mag niet meer dan 22.000 m² bedragen, waarbij de oppervlakte per recreatiewoning niet meer dan 70 m² mag bedragen, met dien verstande dat: 1. maximaal 200 recreatiewoningen een oppervlakte groter dan 70 m² per recreatiewoning mogen hebben; en 2. van de in sub 1. bedoelde recreatiewoningen maximaal 5 recreatiewoningen een oppervlakte groter dan 150 m² per recreatiewoning mogen hebben, waarvan 4 met een maximum van 200 m² en één met een maximum van 225 m²; 3. het bepaalde in lid 3.2.1 onverkort van toepassing is; d. de goothoogte van recreatiewoningen mag niet meer dan 5 m bedragen, met dien verstande dat over maximaal 70% van de totale gevellengte per recreatiewoning een goothoogte van maximaal 6 m is toegestaan; e. de bouwhoogte van recreatiewoningen mag niet meer dan 7,5 m bedragen, met dien verstande dat 1.

voor zover een recreatiewoning gedeeltelijk een goothoogte van meer dan 4,5 m heeft conform het bepaalde onder d., de bouwhoogte van de recreatiewoning niet meer dan 6 m mag betreffen;maximaal één recreatiewoning een bouwhoogte van niet meer dan 8 m mag hebben; f. er zijn zowel geschakelde als vrijstaande recreatiewoningen toegestaan; g. een omgevingsvergunning voor het bouwen van een recreatiewoning, voor zover er op het moment van aanvraag, dan wel na verlening van de aanvraag, meer dan 75 recreatiewoningen binnen de bestemming gebouwd en/of vergund zijn, wordt uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat ten tijde van de betreffende aanvraag tevens een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouw ten 14

Bestemmingsplan "Forest Village Bergeijk" (vastgesteld)

dienste van centrale voorzieningen is verleend, dan wel een ontvankelijke aanvraag daartoe is ingediend. Het betreffende gebouw ten dienste van centrale voorzieningen dient te bestaan uit een binnenzwembad en ten minste 1 van de navolgend opgesomde functies: 1. speelvoorzieningen; 2. midgetgolfbaan; 3. sport- en/of speelvelden; 4. horecavoorziening(en); 5. squash- en/of saunaruimte; 6. bowlingbanen; 7. zaal- en/of congresaccommodatie; 8. winkel; 9. receptiegebouw; h. een omgevingsvergunning voor het bouwen van een recreatiewoning, voor zover er op het moment van aanvraag, dan wel na verlening van de aanvraag, meer dan 250 recreatiewoningen binnen de bestemming gebouwd en/of vergund zijn, wordt uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat ten tijde van de aanvraag tevens een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouw ten dienste van centrale voorzieningen is verleend, dan wel een ontvankelijke aanvraag daartoe is ingediend. Het betreffende gebouw ten dienste van centrale voorzieningen dient te bestaan uit een binnenzwembad en ten minste 3 van de navolgend opgesomde functies: 1. speelvoorzieningen; 2. midgetgolfbaan; 3. sport- en/of speelvelden; 4. horecavoorziening(en); 5. squash- en/of saunaruimte; 6. bowlingbanen; 7. zaal- en/of congresaccommodatie; 8. winkel; 9. receptiegebouw; 3.2.5

Bedrijfswoning

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels: a. b. c. d. e.

bedrijfswoningen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' worden gebouwd; binnen de bestemming is maximaal één bedrijfswoning toegestaan; de inhoud van de bedrijfswoning mag niet minder dan 250 m³ en niet meer dan 750 m³ bedragen; de goothoogte van de bedrijfswoning mag niet meer dan 4,5 m bedragen; het bepaalde in lid 3.2.1 is onverkort van toepassing.

3.2.6

Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoning

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning gelden de volgende regels; a. de gezamenlijk oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 50 m² per bedrijfswoning bedragen, een en ander met inachtname van het bepaalde in lid 3.2.1; b. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 3 m bedragen; c. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 4,5 m bedragen. 3.2.7

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij recreatiewoningen

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij recreatiewoningen gelden de volgende regels: a. per recreatiewoning is maximaal één terras, vlonder, pergola of veranda toegestaan met een maximale oppervlakte van: 1. 15 m² voor zover het betreft recreatiewoningen met een oppervlakte van minder dan 150 m²;

Bestemmingsplan "Forest Village Bergeijk" (vastgesteld)

15

2. 25 m² voor zover het betreft recreatiewoningen met een oppervlakte van 150 m² of meer; 3. met dien verstande dat de oppervlakte van de voorzieningen zoals genoemd in sub a niet meetellen voor het bepalen van het bebouwd opervlak zoals bedoeld in lid 3.2.4 sub c; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij recreatiewoningen mag niet meer dan 3,5 m bedragen, met dien verstande dat de goot- en bouwhoogte van veranda's niet meer mag bedragen dan de goot- en bouwhoogte van de recreatiewoning. 3.2.8

Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan bedoeld in lid 3.2.7, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen met dien verstande dat erf- en terreinafscheidingen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduidingen 'wetgevingszone - wijzigingsgebied hotel', 'ontsluiting', 'parkeerterrein', 'specifieke vorm van recreatie - dagrecreatie en/of centrale voorzieningen', 'specifieke vorm van recreatie - centrale sportvoorzieningen'; b. de bouwhoogte van lichtmasten ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van recreatie dagrecreatie en centrale voorzieningen', 'specifieke vorm van recreatie - centrale sportvoorzieningen' en 'parkeerterrein' mag niet meer dan 18 m bedragen; c. de bouwhoogte van speelvoorzieningen mag niet meer dan 8 m bedragen; d. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van dagrecreatie ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - dagrecreatie en centrale voorzieningen' en 'specifieke vorm van recreatie - centrale sportvoorzieningen', waaronder in ieder geval begrepen glijbanen, duikplanken, bassin van een buitenbad en ballenvangers bedraagt ten hoogste 15 m; e.

ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - uitkijktoren' is maximaal één uitkijktoren toegestaan, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 25 m en de oppervlakte niet meer dan 50 m² mag bedragen; f. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van duurzame energie-opwekking toegestaan, waarbij de bouwhoogte niet meer dan 3,5 m mag bedragen; g. ter plaatse van de aanduiding 'water' zijn steigers toegestaan, met dien verstande dat de oppervlakte niet meer dan 200 m² en de bouwhoogte niet meer dan 3,5 m mag bedragen; h. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mag niet meer dan 3,5 m bedragen. 3.3

Specifieke gebruiksregels

3.3.1

Algemeen

a. Verblijfsrecreatie in de vorm van recreatiewoningen is uitsluitend toegestaan met een centrale bedrijfsmatige exploitatie. b. Het gebruik van recreatiewoningen is slechts toegestaan wanneer deze gezamenlijk bedrijfsmatig worden geëxploiteerd als één recreatiebedrijf, zoals bedoeld in artikel 3.1 sub b. c. Tot een gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval verstaan de huisvesting van arbeidsmigranten in gebouwen. d. Tot een gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval verstaan een gebruik van permanente bewoning van gebouwen, met uitzondering van een bedrijfswoning. 3.3.2

Parkeren

Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels of wordt voorzien in voldoende parkeer- en stallingsgelegenheid. Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien wordt voldaan aan de volgende regels:

16

Bestemmingsplan "Forest Village Bergeijk" (vastgesteld)

a. In het geval van de oprichting of uitbreiding van een gebouw dient binnen het plangebied ten behoeve van het parkeren van auto's en het stallen van fietsen te worden voorzien in voldoende parkeer- en stallingsgelegenheid. b. In het geval van functiewijziging van een gebouw en/of van gronden dient binnen het plangebied ten behoeve van het parkeren van auto's en het stallen van fietsen te worden voorzien in voldoende parkeer- en stallingsgelegenheid. c. Voor het bepalen van de benodigde parkeer- en stallingsgelegenheid dient te worden voldaan aan de Nota Parkeernormen 2017, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 23 februari 2017. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt de aanvraag omgevingsvergunning getoetst aan het gewijzigde parkeerbeleid zoals geldend ten tijde van de aanvraag voor een omgevingsvergunning. d. Het is toegestaan om in afwijking van het bepaalde onder c., de volgende parkeernormen te hanteren: 1. recreatiewoningen met maximaal 4 bedden: 1 parkeerplaats; 2. recreatiewoningen met minimaal 5 en maximaal 8 bedden: 2 parkeerplaatsen; 3. recreatiewoningen met minimaal 9 en maximaal 10 bedden: 3 parkeerplaatsen; 4. recreatiewoningen met minimaal 11 en maximaal 12 bedden: 4 parkeerplaatsen; 5. recreatiewoningen met minimaal 13 en maximaal 16 bedden: 5 parkeerplaatsen; 6.

recreatiewoningen met minimaal 17 en maximaal 20 bedden: 6 parkeerplaatsen; 7. recreatiewoningen met minimaal 21 en maximaal 24 bedden: 8 parkeerplaatsen; 8. 0,09 parkeerplaatsen per recreatiewoning ten behoeve van personeel; e. De parkeer- en stallingsvoorzieningen als bedoeld onder a tot en met d dienen in stand te worden gehouden. f. Te allen tijden dient ten minste 50% van de totale parkeerbehoefte van de binnen het plangebied aangewezen gebouwen en functies ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' te worden opgevangen. 3.3.3

Groen

a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bebouwing, zoals bedoeld in lid 3.2.2, 3.2.3 en/of 3.2.4 wordt uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat binnen de bestemming conform een uitgewerkt inrichtingsplan, dat voldoet aan het als Bijlage 2 opgenomen landschappelijke inpassingsplan, groenvoorzieningen worden aangelegd en in stand gehouden, waarbij gefaseerde aanleg naar evenredigheid van het te realiseren areaal is toegestaan; b. Tot een gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval gerekend het gebruiken van gronden en bebouwing ten dienste van de in artikel 3.1 sub a en b bedoelde doeleinden zonder: 1. de aanleg van de onder a bedoelde groenvoorziening, uiterlijk binnen één jaar na ingebruikname van de betreffende bebouwing waarvoor een omgevingsvergunning is verleend; 2. duurzame instandhouding van de onder sub a bedoelde groenvoorzieningen; c. Tot een gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval gerekend het gebruiken van de gronden ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van recreatie - centrale sportvoorzieningen', 'parkeerterrein', 'ontsluiting' en/of 'water' conform de in lid 3.1 opgenomen doeleinden zonder: 1.

de aanleg en instandhouding van groenvoorzieningen conform een uitgewerkt inrichtingsplan, dat voldoet aan het als Bijlage 2 opgenomen landschappelijke inpassingsplan, waarbij gefaseerde aanleg naar evenredigheid van het te realiseren areaal is toegestaan; 2. duurzame instandhouding van de onder 1. bedoelde groenvoorzieningen. 3.3.4

Ingebruikname recreatiewoningen na ingebruikname centrale voorzieningen

Ten aanzien van het gebruik van verblijfsrecreatie in de vorm van recreatiewoningen gelden de volgende regels: a. het in gebruik nemen van een recreatiewoning, voor zover er op het moment van ingebruikname meer dan 75 recreatiewoningen binnen de bestemming in gebruik zijn, is uitsluitend toegestaan

Bestemmingsplan "Forest Village Bergeijk" (vastgesteld)

17

onder de voorwaarde dat ten tijde van de betreffende ingebruikname tevens een gebouw ten dienste van centrale voorzieningen, bestaande uit een binnenzwembad en ten minste 1 van de navolgend opgesomde functies, in gebruik is genomen: 1. speelvoorzieningen; 2. midgetgolfbaan; 3. sport- en/of speelvelden; 4. horecavoorziening(en); 5. squash- en/of saunaruimte; 6. bowlingbanen; 7. zaal- en/of congresaccommodatie; 8. winkel; 9. receptiegebouw; b. het in gebruik nemen van een recreatiewoning, voor zover er op het moment van ingebruikname meer dan 250 recreatiewoningen binnen de bestemming in gebruik zijn, is uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat ten tijde van de betreffende ingebruikname tevens een gebouw ten dienste van centrale voorzieningen, bestaande uit een binnenzwembad en ten minste 3 van de navolgend opgesomde functies, in gebruik is genomen: 1. speelvoorzieningen; 2. midgetgolfbaan; 3. sport- en/of speelvelden; 4. horecavoorziening(en); 5. squash- en/of saunaruimte; 6. bowlingbanen; 7. zaal- en/of congresaccommodatie; 8. winkel; 9. receptiegebouw; c. tot een gebruik strijdig met de bestemming wordt gerekend: 1. het gebruiken van meer dan 75 recreatiewoningen voor verblijfsrecreatie zonder het gebruiken van een gebouw ten dienste van centrale voorzieningen binnen de bestemming, zoals bedoeld onder a.; 2.

het gebruiken van meer dan 250 recreatiewoningen voor verblijfsrecreatie zonder het gebruiken van een gebouw ten dienste van centrale voorzieningen binnen de bestemming, zoals bedoeld onder b. 3.3.5

Voorwaardelijke verplichting hemelwaterberging

Alvorens de gronden binnen het plangebied in gebruik genomen worden voor de doeleinden als bedoeld in lid 3.1 sub a t/m g, dient voldaan te worden aan de volgende voorwaarden: a. aangetoond dient te zijn dat de toename van de afvoer van afstromend regenwater vanwege het toevoegen van verharding voorafgaand gecompenseerd wordt in een waterberging met voldoende capaciteit conform een norm van 60 mm/m² verharding, waarbij de waterberging na realisatie in stand moet worden gehouden; b. de compensatie dient ten minste naar evenredigheid van de realisatie van verhardingen gerealiseerd te worden; c. in afwijking van het bepaalde in sub a zijn alternatieven toegestaan, mits deze gelijkwaardig zijn met de doelstelling van hydrologisch neutraal ontwikkelen. 3.4

Afwijken van de gebruiksregels

3.4.1

Afwijken ten behoeve van gelijkwaardige landschappelijke inpassing

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.3.3 ten behoeve van een afwijkende invulling van de noodzakelijke landschappelijke inpassing en inrichting, zoals bedoeld in lid 3.3.3, mits:

18

Bestemmingsplan "Forest Village Bergeijk" (vastgesteld)

a. dit geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de in het plangebied en de omgeving aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische, waterhuishoudkundige en/of ecologische waarden; b. voldaan wordt aan de in Bijlage 1 beschreven inrichtingsprincipes. 3.5

Wijzigingsbevoegdheid

3.5.1

Hotel of recreatie-appartementen

Het bevoegd gezag kan het plan ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied hotel' wijzigen ten behoeve van het toestaan van een recreatie-appartementengebouw dan wel een hotel, dan wel het omzetten van recreatie-appartementen naar een hotel, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het aantal bedden mag niet meer dan 200 bedragen; b. het bebouwd oppervlak mag niet meer bedragen dan 1.500 m², met dien verstande dat tevens voldaan moet worden aan het bepaalde in lid 3.2.1 alsmede aan het bepaalde in 3.2.4 sub c aanhef; c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 10 m; d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 13 m; e. in afwijking van het bepaalde in sub c mag de goothoogte 13 meter bedragen over maximaal 75% van het bebouwd oppervlak; f. het bouwen en/of gebruiken van de gronden voor zowel een hotel als recreatie-appartementen is niet toegestaan; g. voldaan wordt aan het bepaalde in lid 3.3.2; h. aangetoond is dat er een actuele behoefte aan recreatie-appartementen dan wel een hotel bestaat; i. er wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd inrichtingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GemeenteBergeijk&id=8c02ba06-b301-4ec6-b14a-46e61d66f052