Nota bodembeheer gemeente Bergeijk d.d. 30 sept 2021.pdf
Tekst van het document
11
Ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingsvergunningen
11.1
Onderbouwing De gemeente Bergeijk kiest ervoor om de bodemkwaliteitskaart ook te hanteren als bewijsmiddel bij ruimtelijke ontwikkelingen (bestemmingsplanwijzigingen en omgevingsvergunningen). Het is niet logisch om de bodemkwaliteitskaart wél te aanvaarden bij hergebruik (waarbij in de regel grondverzet plaatsvindt), en niet bij ruimtelijke ontwikkelingen (waarbij minder vaak grondverzet plaatsvindt). Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Bergeijk blijkt dat in alle gebieden de gemiddelde waarde beduidend lager is dan de interventiewaarde en dat de P95 lager is dan de maximale waarde industrie, zodat er voldoende zekerheid is dat er binnen de zones van het gemeentelijke beheersgebied geen sanerende maatregelen nodig zullen zijn. Daarom is ervoor gekozen om de bodemkwaliteitskaart in het gehele grondgebied van Bergeijk te aanvaarden als bewijsmiddel bij ruimtelijke procedures en bij omgevingsvergunningen. Hierbij moet wel worden benadrukt dat de locatie waar de ruimtelijke ontwikkeling is gepland niet verdacht mag zijn en/of niet negatief mag zijn beïnvloed door een puntbron. Dit moet worden vastgesteld door minimaal het uitvoeren van een vooronderzoek conform de NEN 5725.
Altijd bodemonderzoek bij de functie moestuin De gebruiksfunctie moestuin wijkt af van de functie wonen omdat in moestuinen een hogere gewasconsumptie wordt verwacht dan bij gewone particuliere tuinen bij de functie wonen. Om deze reden is in de landelijke regelgeving een bijzondere plaats toebedeeld aan de functie moestuin. Dit heeft zijn grondslag in het feit dat in moestuinen ook bij gehalten lager dan de interventiewaarde, sprake kan zijn van onaanvaardbare risico's en dus van een geval van ernstige bodemverontreiniging (zie Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013). In het Besluit bodemkwaliteit is de functie moestuin niet ingedeeld bij de bodemfunctieklasse wonen, maar ondergebracht bij de niet-ingedeelde bodemfuncties (waaronder de gebruiksvormen moestuinen/volkstuinen, landbouw en natuur vallen). Dit betekent dat wat betreft de bodemkwaliteit op locaties met een gemiddelde of hoge gewasconsumptie, strengere eisen gelden. Omwille van deze strengere eisen zijn wij van mening dat de bodemkwaliteitskaart hier niet voldoende zekerheid biedt. Daarom is bij ontwikkelingen (bestemmingsplanwijzigingen en/of omgevingsgunningen) op deze locaties altijd een verkennend bodemonderzoek nodig om de bodemkwaliteit te kunnen toetsen aan de eisen die voor moestuin gelden.
11.2
Beleidsregel Gemeente Bergeijk bij verleent toestemming om in het gehele grondgebied van Bergeijk de bodekwaliteitskaart te aanvaarden als bewijsmiddel bij ruimtelijke procedures en bij omgevingsvergunningen, op voorwaarde dat:
Blad 28 van 30
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
1. 2.
Door minimaal het uitvoeren van een vooronderzoek conform NEN 5725 is vastgesteld dat de locatie waar de ruimtelijke ontwikkeling gepland is, niet verdacht is en/of niet negatief is beïnvloed door een puntbron; Het geen locatie betreft met een gemiddelde of hoge gewasconsumptie (gebruiksfunctie moestuin).
Indien ruimtelijke ontwikkelingen (bestemmingsplanwijzigingen en/of omgevingsvergunningen) een locatie betreft met de gebruiksfunctie moestuin is een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk om de bodemkwaliteit te kunnen toetsen aan de eisen die voor moestuin gelden.
Blad 29 van 30
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
12
Toets herkomst
12.1
Onderbouwing Teneinde uit te sluiten dat de locatie van herkomst als 'verdacht' ten aanzien van bodemverontreiniging moet worden bestempeld, dient voorafgaand aan grondverzet altijd een historische toets uitgevoerd te worden. Dit kan de vorm hebben van een vooronderzoek conform de NEN 5725, dan wel een compleet ingevulde Toets herkomst. In de bijlage is een formulier voor de Toets herkomst opgenomen. Om gebruik te kunnen maken van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel dient dit volledig ingevulde formulier bij de melding te worden gevoegd. Het formulier is alleen geldig indien dit door de bodemambtenaar van de gemeente van herkomst is ondertekend (lees: vrijgegeven). Volgt uit de historische toets dat sprake van een situatie als hierboven beschreven, dan kan de betreffende bodemkwaliteitskaart niet als bewijsmiddel worden gebruikt voor de milieuhygiënische kwaliteit van de vrijkomende grond (en/of de ontvangende bodem). In dat geval dient de milieuhygiënische kwaliteit op een andere wijze te worden aangetoond. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van één van de bewijsmiddelen zoals beschreven in bijlage 1, hoofdstuk 6.
12.2
Beleidsregel De gemeente Bergeijk toetst bij de melding grondverzet op basis van de kwaliteitskaart of een compleet ingevuld formulier toets herkomst is bijgevoegd bij de melding, in plaats van een NEN5725-onderzoek. Als dat zo is, toetst de gemeente of de toepassing aan de volgende voorwaarden voldoet: 1. Het formulier is door de initiatiefnemer correct ingevuld; 2. Het formulier is door de initiatiefnemer ondertekend; 3. Aan de overige voorwaarden voor het toepassen op grond van de bodemkwaliteitskaart wordt voldaan.
Blad 30 van 30
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
Bijlage 1 Wettelijk kader
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
Bijlage 1 Wettelijk kader 1
Het generieke kader
1.1
Huidige generieke kader
1.1.1
Wet bodembescherming Hoe in Nederland de bodem en het grondwater beschermd wordt, is beschreven in de Wet bodembescherming (Wbb). Zo is in de Wbb beschreven wanneer en hoe sanering van (ernstig) verontreinigde bodem en grondwater dient te worden verricht of wanneer bijvoorbeeld voor beheer van de verontreiniging moet worden gekozen. Ook lozingen in of op de bodem kunnen op grond van de Wbb worden gereguleerd. De waterbodemregelgeving die voorheen was opgenomen in de Wbb is overgegaan naar de Waterwet. Essentieel onderdeel van de bodembescherming in Nederland is de zorgplicht, welke is beschreven in artikel 13 van de Wbb. Deze bepaling verplicht ieder die handelingen uitvoert die effect kunnen hebben op de bodem, om ervoor te zorgen dat door die handelingen de bodem niet verontreinigd raakt. Indien er een verontreiniging is ontstaan, dient de veroorzaker op grond van deze zorgplicht de verontreiniging voor zo ver als redelijkerwijs mogelijk is, ongedaan te maken. De gedeputeerde staten zijn conform de Wbb bevoegd gezag voor alle nieuwe gevallen van bodemverontreiniging. In het geval de verontreiniging vóór 1987 is ontstaan, is het bevoegd gezag afhankelijk van de omvang van de verontreiniging. Tot 25m3 grond/100m3 grondwater ernstige bodemverontreiniging is de betreffende gemeente het bevoegd gezag.
Bij verontreinigingen met een grotere omvang, is de provincie het bevoegd gezag. De noodzaak voor sanering en de aard van de te nemen saneringsmaatregelen wordt bepaald door de spoedeisendheid. Of een verontreiniging als spoedeisend wordt beschouwd, is afhankelijk van de humane, ecologische en verspreidingsrisico's. Een groot deel van de saneringen handelt de provincie af via het Besluit Uniform Saneren (BUS) waarbij volstaan kan worden met een melding voorafgaand aan de sanering. De grotere en meer gecompliceerde gevallen lopen via het Wbb-spoor waarvoor een saneringsplan moet worden opgesteld. De Wet bodembescherming is daarnaast de grondslag voor een aantal besluiten en bepalingen die inhaken op het gebruik van de bodem. Voorbeeld hiervan is het voorgenoemde Besluit Uniform Saneren in het geval er sprake is van verontreinigingen in de bodem. Voor het hergebruik van (licht) verontreinigde grond en baggerspecie en voor hergebruik van bouwstoffen is het Besluit bodemkwaliteit in 2008 in werking getreden. Dit besluit wordt in navolgende paragraaf verder toegelicht.
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
1.1.2
Besluit bodemkwaliteit In juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden voor het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen. Uitgangspunt bij het toepassen van partijen grond en baggerspecie is dat deze definitief onderdeel gaan uitmaken van de bodem (een zogenoemde bodemtoepassing). Er wordt ook wel gesproken over het 'beheer van grondstromen', oftewel het op die plaats toepassen van grond (of baggerspecie) waar dit geen risico's oplevert voor enerzijds de actuele bodemkwaliteit ter plaatse (standstill-principe) en anderzijds de functie die de bodem heeft. Met de actuele bodemkwaliteit wordt de diffuse bodemkwaliteit bedoeld, ook wel achtergrondkwaliteit. Deze diffuse bodemkwaliteit is kenmerkend voor een bepaald gebied en is niet gerelateerd aan een specifieke en herkenbare bron zoals in het geval van puntverontreinigingen. Voor deze laatste vorm van verontreinigingen is het saneringsbeleid van kracht (Wet bodembescherming voor de landbodem en de Waterwet voor de waterbodem) tot het inwerking trede van de Omgevingswet. Bij het (opnieuw) toepassen van bouwstoffen is het Bbk met name gericht op het voorkomen van een nieuwe bodemverontreiniging. In figuur 4 is de positie van het Besluit bodemkwaliteit binnen het bodembeleid aangegeven.
Figuur 4: Positie van het Besluit bodemkwaliteit binnen het bodembeleid Relatie met saneringsbeleid In figuur 4 is aangegeven dat het Bbk niet van toepassing is op het saneren van bodemverontreinigingen. Dit is immers geregeld in de Wet bodembescherming. Echter, wanneer wordt gekozen voor functiegericht saneren, heeft het saneringsbeleid wél een koppeling met het Besluit bodemkwaliteit. De in de bodemkwaliteitskaart bepaalde toepassingskaart bepaalt namelijk de concentratie tot waar minimaal dient te worden gesaneerd (de terugsaneerwaarde). Het gaat hierbij om de maximale waarden voor de functieklasse landbouw/natuur, wonen of industrie. Indien door de gemeente Lokale Maximale Waarden zijn vastgesteld, gelden deze als terugsaneerwaarde.
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
Het bevoegd gezag voor de Wet bodembescherming zal derhalve voor de terugsaneerwaarden, maar ook voor de milieuhygiënische kwaliteit van de leeflaag of aanvulgrond, in eerste instantie uitgaan van de maximale waarden voor de functieklasse landbouw/natuur, wonen of industrie.
1.2
Toekomstige generieke kader
1.2.1
Intrekken Wet bodembescherming Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de Wet bodembescherming ingetrokken. Voor sommige locaties is sprake van overgangsrecht, waarbij de Wet bodembescherming nog wel van toepassing blijft. Het aanvullingsspoor bodem voegt het thema bodem en ondergrond toe aan de Omgevingswet. Het aanvullingsspoor bodem zorgt ervoor dat bodem en ondergrond een integraal onderdeel worden van de Omgevingswet en heeft 3 pijlers: 1. 2. 3.
Preventie: het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting. Toedeling van functies: het meewegen van bodemkwaliteit als het gaat om de kwaliteit van de leefomgeving, in relatie tot het gebruik hiervan. Beheer historische verontreinigingen: het op een duurzame en doelmatige manier beheren van historische verontreinigingen.
Elke pijler gebruikt instrumenten uit de Omgevingswet. De nieuwe regels komen in de plaats van de bestaande regels voor het beheer van de bodemkwaliteit. Zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen. Pijler 1: Preventie Na 1 juli 2022 geldt de algemene zorgplicht uit artikel 1.7 van de Omgevingswet en de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) voor milieubelastende activiteiten. Deze zorgplichtbepalingen zijn van toepassing op situaties waarbij bodemverontreiniging na 1 juli 2022 is ontstaan. Artikel 13 Wet bodembescherming blijft van toepassing op situaties die tussen 1 januari 1987 en 1 juli 2022 zijn veroorzaakt. Gemeentelijke overheden mogen in het lokale bodembeleid zorgplichten opnemen. Pijler 2: Toedeling van functies De tweede pijler gaat over bodemkwaliteit als onderdeel van de afweging van alle aspecten van de fysieke leefomgeving. Deze afweging is onder andere nodig bij de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Regels over het meenemen van bodemkwaliteit in de afweging worden via het aanvullingsbesluit bodem opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Pijler 3: Beheer van historische verontreinigingen Ook na 1 juli 2022 zullen er nog locaties ontdekt worden waar historische bodemverontreiniging aanwezig is en waar de veroorzaker vaak niet meer bekend is.
Bestaande regelingen uit de Wet bodembescherming zullen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet meer gelden. In de Omgevingswet is een bepaling over "toevalsvondsten" (afdeling 19.2 van de Omgevingswet) opgenomen. De toevalsvondst-regeling houdt geen saneringsplicht in en ook het toetsingskader is aanzienlijk beperkter dan de Wet bodembescherming. Voortaan dient de gemeente in de Omgevingsvisie en in het Omgevingsplan of het Omgevingsprogramma aan te geven welke eisen worden gesteld aan de bodemkwaliteit binnen de gemeentegrenzen. De wijze waarop met historische verontreinigingen wordt omgegaan, is bepaald in het omgevingsplan.
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
Overgangsrecht Wet bodembescherming (Wbb) Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is er sprake van overgangsrecht van de Wbb (hoofdstuk 3 van Aanvullingswet bodem Omgevingswet) voor wanneer er bijvoorbeeld een locatie eerder onder de Wbb is beschikt als ernstig en spoedeisend of voor locaties waar vóór de inwerkingtreding nog een saneringsplan of BUS melding is ingediend en al een beschikking op het saneringsplan is verleend. De Wbb blijft gelden totdat het besluit tot instemming met een evaluatieverslag of een nazorgplan onherroepelijk is geworden. Ook blijft de Wbb gelden voor de maatregelen of beperkingen, die in het evaluatieverslag of in het nazorgplan staan. Ook kan er voor locaties sprake zijn van overgangsrecht. De locatie valt dan (gedeeltelijk) onder het bevoegd gezag van de Wbb. In sommige situaties kunnen provincies hun bevoegdheid overdragen aan gemeenten. Voor locaties waarop het overgangsrecht niet van toepassing is, gelden onder de Ow de regels uit het BAL te weten milieubelastende activiteiten graven in de bodem (paragrafen 4.119 en 4.120) en het saneren van de bodem (paragraaf 4.121), eventueel aangevuld met maatwerkregels en/of regels die gaan over grondwaterkwaliteit uit de omgevingsverordening van de provincie.
Bevoegde gezagen omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is volgens artikel 2.3 van het BAL de gemeente bevoegd gezag voor de meeste milieubelastende activiteiten die met de bodem te maken hebben (zoals graven, saneren en toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie). Voor de gemeente zijn dit voor een deel nieuwe taken aangezien onder de huidige regelgeving graven en saneren valt onder de Wet bodembescherming waarvoor de provincies en 29 grotere gemeenten het bevoegd gezag zijn.
1.2.2
Besluit bodemkwaliteit (Bbk) onder de Omgevingswet Wanneer de Omgevingswet ingaat, komen een aantal onderdelen van het Besluit bodemkwaliteit (van vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet) in het BAL. Dit zijn regels voor het toepassen van bouwstoffen en grond en baggerspecie (plaatsgebonden regels) die zijn ingebouwd in regelgeving onder de Omgevingswet. In de paragrafen 3.2.25 en 3.2.26 van het BAL zijn deze activiteiten omschreven en gedefinieerd en in paragraaf 4.123 (toepassen bouwstoffen) en 4.124 (toepassen van grond of baggerspecie) staan de betreffende regels en eisen. De andere bepalingen uit het Besluit bodemkwaliteit van vóór de Omgevingswet, de zogenaamde niet- plaatsgebonden regels, blijven – in een sterk uitgeklede versie - in het Besluit bodemkwaliteit onder de Omgevingswet. Het gaat om regels die zich richten tot de producent, importeur, transporteur, handelaar van bouwstoffen en de regels die zich richten tot degene die onderzoeken verrichten en milieuverklaringen afgeven voor bouwstoffen, grond en baggerspecie). Ook blijven de regels voor de kwaliteitsborging (voorheen kwalibo-regels genoemd) in het Besluit bodemkwaliteit onder de Omgevingswet.
2
Bodemkwaliteitskaarten en functiekaarten Om het toepassen van grond of baggerspecie binnen de regio te vereenvoudigen is door de gemeente Bergeijk een bodemkwaliteitskaart opgesteld. Deze bodemkwaliteitskaart bestaan uit: 1. Ontgravingskaart;
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
2. Toepassingskaart; 3. Functiekaart. Momenteel beschikt de gemeente Bergeijk over een geactualiseerde bodemkwaliteitskaart welke tezamen met onderhavige Nota wordt vastgesteld: Rapport Actualisatie bodemkwaliteitskaart gemeente Bergeijk”, kenmerk 0467844.100, d.d. 22-09-2021, door Antea Group Dit hoofdstuk geeft een toelichting op de kaarten en beschrijft wanneer welke kaart gebruikt moet worden. Daarnaast wordt een toelichting gegeven op het gehanteerde stoffenpakket.
2.1
Indeling in Bodemkwaliteitszones Binnen het beheergebied van de regio worden in totaal 8 verschillende bodemkwaliteitszones onderscheiden. Het gaat hierbij om de onderstaande zones: Zone 1 t/m zone 4 en zone 7: deze zones bevatten ieder een eigen bodemkwaliteit voor vrijkomende grond of ontvangende bodem; Zones 5, 6 en 8: de bodemkwaliteit in deze zone is niet vastgesteld omdat geen sprake is van landbodem, het aantal waarnemingen is onvoldoende of er is sprake van een nietrepresentatieve bodemkwaliteit (bijv. grote mate van heterogeniteit). In Bergeijk betreffen deze zones de boven- en ondergrond van zinkassenwegen en overige uitgesloten gebieden. De uitgesloten gebieden zijn gebieden waar de bodemkwaliteit verondersteld wordt heterogeen te zijn dan wel het bodemgebruik een belemmering vormt voor vrij grondverzet. Dit betekent dat voor deze gebieden en locaties geen gebruik kan worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor het aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit van een toe te passen partij grond en/of de ontvangende bodem.
2.2
Ontgravingskaart De ontgravingskaart geeft een indicatie van de chemische kwaliteit van een partij grond die wordt ontgraven voor hergebruik elders. Hierbij is onderscheid gemaakt in de bovengrond (0,00,5 m -mv.) en de ondergrond (0,5-2,5 m -mv.). De te verwachten bodemkwaliteit is verdeeld in de drie kwaliteitsklassen die binnen het Besluit van kracht zijn (zie figuur 5).
Figuur 5: Overzicht normen landbodem In tabel 2 is voor de zones binnen de bodemkwaliteitskaart van Bergeijk samengevat welke kwaliteitsklasse van toepassing is. Tabel 2: kwaliteitsklasse vrijkomende grond
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
Bovengrond (0-0,5 m -mv)
Ondergrond (0,5-2,5 m -mv)
Zone
Kwaliteitsklasse
Zone
Kwaliteitsklasse
1
Landbouw/natuur
7
Landbouw/natuur
2
Wonen
8
Uitgesloten
3
Wonen
4
Industrie
5 en 6
Uitgesloten
Wanneer de ontgravingskaart gebruikt kan worden als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de vrijkomende grond, is opgenomen in bijlage 1, hoofdstuk 6. Aangenomen wordt dat grond uit bodemlagen dieper dan 2,5 m -mv. van eenzelfde zo niet een betere kwaliteit is dan grond afkomstig uit de laag 0,5 - 2,5 m -mv. Om deze reden wordt de ontgravingskaart van de ondergrond representatief geacht voor grond uit bodemlagen dieper dan 2,5 m -mv. met inachtneming van de ‘Toets herkomst’ zoals beschreven in bijlage 1, hoofdstuk 6.
2.3
Functiekaart Iedere gemeente is verplicht om voor haar beheergebied een functiekaart vast te stellen. De bodemfunctiekaart is een weergave van het huidige, en eventueel toekomstige, gebruik van de landbodem. Bij het toekennen van een functieklasse wordt onderscheid gemaakt in: Gebieden met de bodemfunctieklasse wonen; Gebieden met de bodemfunctieklasse industrie; Overige gebieden (deze gebieden zijn niet ingedeeld in de bodemfunctieklasse wonen of industrie). Op de bodemfunctiekaart van de gemeente Bergeijk is, vooruitlopend op de Omgevingswet, naast de functieklassen wonen en industrie tevens onderscheid gemaakt in de functies ‘natuur’ en ‘landbouw’. De bodemfunctieklassen landbouw, natuur, wonen en industrie zijn een clustering van in totaal zeven verschillende bodemfuncties. Deze bodemfuncties zijn weergegeven in tabel 3. Tabel 3: Clustering bodemfuncties tot bodemfunctieklassen Bodemfuncties 1. Moes- en volkstuinen 2. Natuur 3. Landbouw 4. Wonen met tuin 5. Plaatsen waar kinderen spelen 6. Groen met natuurwaarden 7. Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie *
Bodemfunctieklassen Landbouw/natuur Wonen* Industrie**
De functieklasse wonen omvat die bodemfuncties waarbij sprake kan zijn van veel bodemcontact en een beperkte gewasconsumptie. Hierbij moet worden gedacht aan een gewasconsumptie uit eigen tuin van rond de 10% van de totale gewasconsumptie. Wordt verwacht dat een grotere gewasconsumptie plaatsvindt, dan moet worden gekozen voor de functieklasse landbouw/natuur.
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
** Onder de functieklasse industrie vallen de minst kwetsbare bodemfuncties, met andere woorden die bodemfuncties waarbij sprake is van weinig bodemcontact en geen gewasconsumptie (bijvoorbeeld terreinen voor sport en recreatie).
Uitgesloten gebieden Binnen het beheergebied van de gemeente Bergeijk zijn de volgende gebieden uitgesloten van de functiekaart (en daarmee de bodemkwaliteitskaart): Oppervlaktewateren en waterbodem; Weggedeelten en bermen (zie ook hoofdstuk 6 van deze Nota); Zinkassenwegen (zie ook hoofdstuk 6 van deze Nota); Overige uitgesloten gebieden. Aan uitgesloten gebieden is geen functieklasse toegekend. Derhalve zijn deze gebieden als grijze vlek (‘overig’) op de functiekaart aangegeven. (Weg)bermen In de bodemkwaliteitskaart zijn zinkassenwegen, hoofdwegen en wegbermen van doorgaande wegen los van elkaar en van de omringende gebieden gezoneerd. Op basis van de bestaande kennis over het gebied wordt namelijk verwacht dat de bodemkwaliteit op deze locaties significant afwijkt van de omringende bodemkwaliteit. Meer informatie over het grondstromenbeleid van wegbermen is opgenomen in hoofdstuk 6 van deze Nota. Omgang met tussentijdse functiewijzigingen Als gevolg van een wijziging in het bestemmingsplan in het kader van de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro), kan de functie van een locatie wijzigen. Als gevolg van een dergelijke wijziging kan het voorkomen dat de functieklasse, zoals aangegeven op de functiekaart, niet meer correspondeert met de actuele functie van de locatie.
Dit zou in theorie kunnen leiden tot verkeerde afwegingen bij het toepassen van grond (of baggerspecie) volgens het generieke kader. Kleine wijzigingen van het bestemmingsplan, zoals betreffende een enkel perceel, worden i.v.m. versnippering niet doorgevoerd op de bodemfunctiekaart. In het bestemmingsplan wordt in dat geval opgenomen wat de toepassingskwaliteit is voor die locatie. Door de gemeenten wordt éénmaal per vijf jaar nagegaan of het noodzakelijk is om de functiekaart aan te passen en opnieuw vast te stellen.
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
2.4
Toepassingskaart generieke kader Op de toepassingskaart is de kwaliteitsklasse aangegeven waar een partij grond of baggerspecie aan moet voldoen wanneer men deze op een bepaalde locatie binnen de gemeente wil toepassen. Het landelijk geldende beleidskader van het Besluit bodemkwaliteit (= het generieke kader; zie bijlage 1, hoofdstuk 1 en 3) schrijft voor dat: De kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie geschikt moet zijn voor de functie die de bodem heeft én; Voor het toepassen van de partij grond of baggerspecie de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende bodem niet mag verslechteren. Dit betekent dat een op de landbodem toe te passen partij grond of baggerspecie getoetst moet worden aan zowel de kwaliteitsklasse als de functieklasse van de ontvangende bodem. De strengste van beide klassen bepaalt uiteindelijk de kwaliteitsklasse waar een toe te passen partij grond of baggerspecie aan moet voldoen. Daar waar gebiedsspecifiek beleid van toepassing is, geldt een andere toepassingskaart. Dit is nader toegelicht in bijlage 1, hoofdstuk 2.
2.5
Bodemfunctie wonen voor recreatieparken Binnen de gemeente Bergeijk zijn meerdere grootschalige recreatieparken/vakantieparken aanwezig. Voorheen waren deze parken op de bodemfunctiekaart aangewezen als functie ‘overig (landbouw/natuur)’. Het heeft het de voorkeur om de bodemfunctieklasse voor zover als mogelijk te koppelen aan het actuele bodemgebruik. Dit, omdat mogelijkerwijs meerdere regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving gekoppeld kunnen worden aan de bodemfunctie van een gebied. Gezien het gebruik van de fysieke leefomgeving binnen een vakantiepark, is de gemeente Bergeijk van mening dat de bodemfunctie wonen beter bij deze parken past. Om deze reden krijgen de recreatieparken/vakantieparken op de bodemfunctiekaart de bodemfunctie wonen toegewezen. Zoals in de bijlage van deze Nota, hoofdstuk 2 te lezen is, wordt de toepassingskwaliteit bepaald aan de hand van de strengste van de twee: ontgravingskwaliteit en bodemfunctie. Gezien de bodemkwaliteit binnen de recreatieparken voldoet aan de achtergrondwaarden (zie ook de geactualiseerde bodemkwaliteitskaart5), wordt de toepassingskwaliteit binnen de parken tevens achtergrondwaarden. Gezien op basis van de voorgaande bodemkwaliteitskaart uitsluitend klasse achtergrondwaarden kon worden toegepast, wijzigt er voor de uitvoeringspraktijk voor de grondstromen derhalve op dit moment niets.
2.6
Bodemkwaliteitskaarten en bodemfunctiekaart onder de Omgevingswet De bodemkwaliteitskaart en bodemfunctiekaart behouden onder de Omgevingswet hun centrale functie binnen het lokale bodembeleid. De bodemkwaliteitskaart en bodemfunctiekaart worden via het overgangsrecht automatisch onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan na 5 “Rapport Actualisatie bodemkwaliteitskaart gemeente Bergeijk”, kenmerk 0467844.100, d.d. 22-09-2021,
door Antea Group.
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
inwerkingtreding van de Omgevingswet. De bodemkwaliteitskaart blijft bruikbaar als basis voor de afgifte van een milieuverklaring bodemkwaliteit, op basis van artikel 27 van het nieuwe Besluit bodemkwaliteit. Na 2029 wordt de bodemkwaliteitskaart in principe onderdeel van het omgevingsplan van de gemeente. Een bodemkwaliteitskaart kan ook als losstaand document vastgesteld worden. Gelijk aan de huidige situatie dient de bodemkwaliteitskaart eens per vijf jaar geactualiseerd te worden. Indien de bodemkwaliteitskaart gebruikt wordt als milieuverklaring, dient aan de volgende zaken te worden voldaan: De bodemkwaliteitskaart is ten hoogste vijf jaar geleden vastgesteld dan wel geactualiseerd; Er is een vooronderzoek conform de NEN 5725 uitgevoerd. Een gemeente kan van de bovenstaande voorwaarden afwijken. Voor de gemeente Bergeijk mag, in plaats van een NEN 5725-onderzoek, tevens gebruik gemaakt worden van een volledig ingevuld formulier Toets herkomst, zie deel 2. Meer over het gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel van de bodemkwaliteit is beschreven in bijlage 1 van deze Nota, hoofdstuk 6. De bodemfunctiekaart wordt onderdeel van het omgevingsplan op basis van artikel 5.89p van het BKL (indeling landbodem in bodemfunctieklassen). Ook onder de Omgevingswet is de lokale overheid vrij om binnen haar beheergebied gebieden een functie aan te wijzen.
Het vastleggen van de bodemfunctie is onder de Omgevingswet zelfs een verplichting (BKL, artikel 5.89p). De uitwerking van de bodemfuncties binnen het beheergebied wordt opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente of wordt vastgesteld als losstaand document. De functie van de bodemkwaliteitskaart, eisen aan de bodemkwaliteitskaart en hoe de bodemkwaliteitskaart gebruikt kan worden voor de milieuverklaring bodemkwaliteit zijn beschreven in hoofdstuk 3 (artikelen 26 t/m 32) van het nieuwe Besluit bodemkwaliteit en in verder detail in hoofdstukken 5 en 7 van de nieuwe Regeling bodemkwaliteit. De bodemkwaliteitskaart behoudt onder de Omgevingswet dezelfde functies voor de uitvoering van het bodembeleid als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten6 is beschreven aan welke eisen bodemkwaliteitskaarten dienen te voldoen. Onder het huidige stelsel is het opstellen van een bodemkwaliteitskaart conform deze eisen een verplichting vanuit de Regeling bodemkwaliteit. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is deze Richtlijn niet langer een verplichting maar een richtlijn. De bodemkwaliteitskaart moet worden opgesteld op grond van de regels die daartoe zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit.
6 Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, 3 september 2007, met wijzigingsblad van 1 januari 2019. Beschikbaar
via: https://www.nen.nl/milieu/bodem
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
3
Generieke toepassingseisen
3.1
Het generieke toepassingskader Bij het op landbodem toepassen van grond en baggerspecie is het uitgangspunt dat de bodem zijn functie duurzaam kan blijven vervullen. Vandaar ook dat in het Besluit bodemkwaliteit de milieuhygiënische kwaliteit, van zowel een toe te passen partij grond (of baggerspecie) als van de ontvangende bodem, is gekoppeld aan de gebruiksfuncties van de bodem. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de functies c.q. klassen landbouw/natuur, wonen en industrie. Het Besluit bodemkwaliteit bevat landelijk geldende generieke regels voor het toepassen van grond en baggerspecie: • Generieke bodemtoepassing; • Verspreiden van baggerspecie; • Tijdelijke uitname • Grootschalige bodemtoepassing; • Tijdelijke opslag. Generieke toepassingskader onder de Omgevingswet Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet was het generieke toepassingskader beschreven in hoofdstuk 4 van het Besluit bodemkwaliteit. Met de ingang van de Omgevingswet gelden voor het toepassen van grond of baggerspecie algemene rijksregels en is het generieke toepassingskader niet meer beschreven in het Besluit bodemkwaliteit maar in het Besluit activiteiten leefomgeving (BAL, paragraaf 3.2.26 en 2.124).
Functionele en nuttige toepassing Het toepassen van grond en baggerspecie als bodem is alleen toegestaan indien sprake is van een functionele en nuttige toepassing zoals bedoeld in respectievelijk artikel 5 en artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit. Hiermee wordt bedoeld dat het om een toepassing moet gaan in een hoedanigheid en hoeveelheid die nodig is voor het functioneren van de betreffende toepassing. In artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit worden voorbeelden genoemd van wat onder een nuttige toepassing wordt verstaan. Aangezien een deel van deze toepassingen betrekking heeft op het toepassen in oppervlaktewater, zijn hieronder alleen de nuttige toepassingen weergegeven die zich binnen de regio (op landbodem) kunnen voordoen: Bouw- en wegconstructies (wegen, spoorwegen en geluidswallen); Ophoging van industrieterreinen, woningbouwlocaties en landbouw- en natuurgronden; Afdekken van saneringslocaties; Verspreiden van baggerspecie op het aan de watergang grenzende perceel; Tijdelijke opslag van grond en baggerspecie (voorafgaand aan het toepassen hiervan). Functionele toepassing onder de Omgevingswet Met inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft het toepassen van grond of baggerspecie, net als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, alleen toegestaan in een functionele toepassing.
Deze functionele toepassingen staan in het tweede en derde lid van artikel 4.1269 van het BAL. Grond of baggerspecie wordt, voor zover de grond of baggerspecie een afvalstof is, alleen toegepast als sprake is van een nuttige toepassing als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Niet alleen de aanleg van een functionele toepassing, maar ook de instandhouding,
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
het herstel, de verandering en de uitbreiding daarvan valt onder het toepassen van grond en baggerspecie. Toepassen van sterk verontreinigde grond Hergebruik van sterk verontreinigde grond is onder het Bbk niet zondermeer toegestaan. Wanneer sprake is van een gebiedseigen diffuse verontreiniging, waarbij de gehalten boven de interventiewaarden liggen, maar er geen sprake is van het overschrijden van het saneringscriterium (zie figuur 6), kan de gemeente het herschikken van deze grond binnen het geval van bodemverontreiniging namelijk toestaan door hiervoor gebiedsspecifiek beleid op te stellen. Het herschikken binnen het saneringsgeval moet daarnaast in een saneringsplan worden beschreven. De wettelijke basis hiervoor ligt in de Wet bodembescherming en bij het desbetreffende bevoegde gezag. Toepassen van sterk verontreinigde grond onder de Omgevingswet Voor het toepassen van sterk verontreinigde grond geldt dat dit alleen mag plaatsvinden voor zover de grond of baggerspecie afkomstig is van een diffuus sterk verontreinigde locatie en deze grond of baggerspecie ook weer wordt toegepast op een diffuus sterk verontreinigde locatie binnen het bodembeheergebied (artikel 4.1273 van het BAL).
In paragraaf 4.124 van het BAL zijn de specifieke voorwaarden en beperkingen opgenomen voor het stellen van maatwerkregels en maatwerkvoorschriften voor de kwaliteitseisen waaraan grond of baggerspecie bij het toepassen moeten voldoen. De eisen kunnen worden verscherpt (bij behoefte aan meer bescherming) maar ook worden versoepeld. Het versoepelen van kan echter alleen als de grond of baggerspecie afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied (die wordt aangewezen in het omgevingsplan) en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast. Afdeklagen In sommige verontreinigingssituaties wordt gekozen voor het afdekken van de bodemverontreiniging door een leeflaagconstructie. De leeflaag heeft in principe een dikte van 1 meter, waardoor contactrisico’s worden voorkomen. De grond of baggerspecie die wordt toegepast als leeflaag, dient voor wat betreft de kwaliteit overeen te komen met de omgevingskwaliteit, d.w.z. de ontgravingskwaliteit van de omliggende bodem. Hiertoe dient de bodemkwaliteitskaart geraadpleegd te worden. Afdeklagen onder de Omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet moet een afdeklaag voldoen aan de eisen die in artikel 4.1241 van het BAL staan. De leeflaagconstructie moet een minimale dikte van 1,0 meter hebben en een kwaliteit die volgt uit artikel 4.1272 van het BAL.
De kwaliteit van de afdeklaag komt overeen met de algemene kwaliteitseisen voor het toepassen van grond of baggerspecie op de landbodem. Dit houdt in dat de combinatie van de bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem en de bodemfunctieklasse de toepassingseis bepaalt. De initiatiefnemer die toepast toont de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem aan met een milieuverklaring bodemkwaliteit. Dit kan met de bodemkwaliteitskaart, mits de bodemkwaliteitskaart door de gemeente is vastgesteld en de toepassingslocatie op de kaart is ingedeeld. Als de gemeente geen bodemkwaliteitskaart heeft of de locatie daarop niet is ingedeeld, kan de initiatiefnemer de kwaliteitsklasse bepalen met een bodemonderzoek volgens NEN 5740. Bij het maken van een leeflaagconstructie gelden dezelfde kwaliteitseisen als voor het toepassen van grond of baggerspecie.
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
3.2
Gebiedsspecifiek toepassingskader Naast de generieke toepassingskaders biedt het Besluit bodemkwaliteit, lokale bodembeheerders, in het bijzonder de gemeenten, de mogelijkheid om gebiedsspecifiek beleid te formuleren. Met gebiedsspecifiek beleid kan binnen een bepaald gebied extra ruimte worden gecreëerd voor de afzet van vrijkomende grond- en baggerstromen (door het vaststellen van zogenoemde lokale maximale waarden; zie figuur 6).
Figuur 6: Generiek versus gebiedsspecifiek beleid
De gemeente Bergeijk heeft gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. In hoofdstuk 4 is het gebiedsspecifieke beleid nader uitgewerkt. Voor meer informatie en achtergronden over de verschillende toepassingskaders wordt verwezen naar de Handreiking Besluit bodemkwaliteit7.
3.2.1
Gebiedsspecifiek beleid onder de Omgevingswet Onder de Omgevingswet blijft de mogelijkheid om gebiedsspecifiek beleid voor de toepassing van grond en baggerspecie in de vorm van Lokale Maximale Waarden bestaan. Dit kan door middel van maatwerkregels in het Omgevingsplan (artikel 4.1273). De specifieke voorwaarden en beperkingen voor het stellen van maatwerkregels en -voorschriften voor de kwaliteitseisen waaraan grond of baggerspecie moet voldoen, zijn beschreven in paragraaf 4.124 van het BAL. Hierin staat dat met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 4.1272 eerste en tweede lid, alleen wordt toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast.
Een andere voorwaarde is dat met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift het toepassen van grond of baggerspecie waarin een verontreinigde stof aanwezig is in een zodanige concentratie dat de grond of baggerspecie volgens de voor die stof geldende kwaliteitseis, als bedoeld in artikel 25d van het besluit bodemkwaliteit, als sterk verontreinigde grond of baggerspecie moet worden aangemerkt, alleen is toegestaan indien: De toe te passen grond of baggerspecie is ontgraven uit een locatie waar de bodem diffuus sterk met de stof verontreinigd is; De grond of baggerspecie wordt toegepast op een locatie waar de bodem al voor het toepassen diffuus sterk met de stof verontreinigd was.
7
uitgave van Bodem+, te downloaden via https://www.bodemplus.nl/@132203/handreiking-bbk/
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
3.3
Toepassen op landbodem Indien geen gebiedsspecifiek beleid van toepassing is gelden de generieke regels uit het Besluit bodemkwaliteit. Dit generieke toepassingskader wordt beschreven in de artikelen 54 t/m 61 van het Bbk. Tevens is er landelijk beleid voor grootschalige toepassingen (toepassen van minimaal 5000 m3) en voor de tijdelijke opslag van grond en baggerspecie. De procedure voor het melden is uitgewerkt in bijlage 1 van deze Nota, hoofdstuk 7. De uitgangspunten van het generieke toepassingskader zijn: De milieuhygiënische kwaliteit van de toe te passen partij grond of baggerspecie moet geschikt zijn voor het gebruik van de ontvangende landbodem (de zogenoemde bodemfunctieklasse) én Door het toepassen van de partij grond of baggerspecie mag de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende bodem niet verslechteren. Voor zowel een toe te passen partij grond of baggerspecie als voor de ontvangende bodem wordt onderscheid gemaakt in drie kwaliteitsklassen: AW20008, wonen en industrie. Deze klassen zijn weergegeven in figuur 7.
Figuur 7: Overzicht kwaliteitsklassen landbodem Voor de maximale waarden van de klassen AW2000, wonen en industrie wordt uitgegaan van de normen in tabel 1 van bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit. Voor wat betreft het gebruik van de bodem heeft de gemeente een bodemfunctiekaart opgesteld. Op deze functiekaart is het huidige (en toekomstige) gebruik van de bodem aangegeven. Toepassen volgens het generieke kader betekent dat de toe te passen partij grond of baggerspecie moet worden getoetst aan zowel de kwaliteitsklasse als de functieklasse van de ontvangende bodem. In figuur 8 is de generieke bodemtoepassing grafisch weergegeven.
Figuur 8: Generieke bodemtoepassing
8 Dit zijn landelijk geldende achtergrondwaarden (AW2000) die de bovengrens aangeven voor wat in de
dagelijkse praktijk 'schone grond' wordt genoemd. Deze achtergrondwaarden zijn vastgesteld op basis van gehalten zoals deze voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden.
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
De kwaliteit van de ontvangende bodem en de functie die deze bodem vervult vallen niet altijd in dezelfde klasse. Omdat voor beide sprake moet zijn van stand-still, wordt de kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie bepaald door de strengste van de twee klassen. In tabel 4 is van de diverse combinaties van kwaliteits- en functieklassen aangegeven wat dit betekent voor de kwaliteitsklasse van de toe te passen partij. Tabel 4: Systematiek generiek toepassingskader Functie (op kaart) * Landbouw Landbouw
Actuele bodemkwaliteit AW2000 Wonen
Welke kwaliteit toepassen? AW2000 AW2000
Landbouw Natuur Natuur Natuur
Industrie AW2000 Wonen Industrie
AW2000 AW2000 AW2000 AW2000
Wonen Wonen Wonen Industrie
AW2000 Wonen Industrie AW2000
AW2000 Wonen Wonen AW2000
Industrie Wonen Wonen Industrie Industrie Industrie * De bodemfunctiesklassen landbouw en natuur zijn op de bodemfunctiekaart van gemeente Bergeijk van elkaar gescheiden.
Toepassen in de ondergrond De generieke toepassingskaart geeft alleen de vereiste (maximale) kwaliteitsklasse aan voor partijen grond of baggerspecie die op het maaiveld of in de bovengrond (0,0 - 0,5 m -mv.) worden toegepast. Het kan echter voorkomen dat een partij grond of baggerspecie in de ondergrond (vanaf 0,5 m mv.) wordt toegepast, bijvoorbeeld bij ontgravingsputten. In dat geval dient de toepasser zelf, aan de hand van zowel de functieklasse als de kwaliteitsklasse van dit traject van de ontvangende bodem, de maximaal toegestane kwaliteitsklasse voor de toe te passen partij grond of baggerspecie te bepalen. Uitgesloten gebieden Van een aantal gebieden binnen de regio is de kwaliteitsklasse van de ontvangende landbodem niet bekend (uitgesloten gebieden). Dit betekent dat voor iedere partij grond of baggerspecie die ter plaatse van deze locaties (generiek) wordt toegepast, de toepassingskaart niet als uitgangspunt voor de vereiste kwaliteitsklasse kan worden gehanteerd. Voor deze uitgesloten gebieden dient men zelf, aan de hand van tabel 4, de vereiste kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie te bepalen. Hiervoor dient allereerst de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem te worden vastgesteld. Vervolgens dient van de bodemfunctiekaart van de betreffende locatie de functieklasse te worden afgelezen.
Voor die gevallen dat ook geen functieklasse bekend is, dient in overleg te worden getreden met de gemeente. Voor partijen grond of baggerspecie van de klasse AW2000 (= schone grond), is de bovengenoemde dubbele toetsing niet noodzakelijk, vanwege het feit dat deze kwaliteitsklasse vrij toepasbaar is. Lokaal onderzoek
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
Een lokaal bodemonderzoek en een partijkeuring geven meer zekerheid over de milieuhygiënische kwaliteit, van respectievelijk de ontvangende bodem en een partij toe te passen grond, dan de bodemkwaliteitskaart. Dit betekent dat wanneer op de locatie van herkomst en/of de locatie van toepassing een partijkeuring of een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd dat voldoet aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit, er geen gebruik mag worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart (ontgravingskaart of toepassingskaart) als bewijsmiddel. In dat geval moet worden uitgegaan van de (eventueel afwijkende) kwaliteitsklasse van het lokaal uitgevoerde onderzoek en dient de vereiste kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie zo nodig te worden afgeleid uit tabel 4. Omgaan met bodemvreemd materiaal In het Besluit bodemkwaliteit is, in de definitie van grond en baggerspecie, een bovengrens van 20% (gewichtsprocent) gesteld aan het percentage bodemvreemd materiaal. Voor grondverzet binnen de gemeente Bergeijk is voor dit thema lokaal beleid opgesteld, zie deel 1, hoofdstuk 2.
3.3.1
Toepassen landbodem onder de Omgevingswet Het generieke beleid van voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor toepassen van grond en baggerspecie is uitgangspunt in artikel 4.1272 BAL in samenhang met artikel 25d Besluit bodemkwaliteit. De kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie op de landbodem moet voldoen aan 2 eisen, namelijk aan: De kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem ter plaatse van toepassing én De bodemfunctieklasse ter plaatse van de toepassing. De toe te passen grond moet bij een toepassing op de landbodem voldoen aan de strengste van bovenstaande twee eisen (dubbele toets). De indeling in kwaliteitsklassen blijft in principe gelijk aan het stelsel van het besluit Bodemkwaliteit. Het Besluit activiteiten leefomgeving kent de volgende vijf kwaliteitsklassen: Landbouw/natuur Wonen Industrie Matig verontreinigd Sterk verontreinigd De maximale waarden voor de kwaliteitsklassen zijn te vinden in tabel 1 van Bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2021. Het maximumpercentage bodemvreemd materiaal blijft net voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet 50%. Maatwerk is onder voorwaarden mogelijk (artikel 4.1273 BAL).
Maatwerk is mogelijk voor: grootschalig toepassen (artikel 4.1274 BAL); toepassen in een diepe plas (artikel 4.1276 BAL); verspreiden van baggerspecie (artikel 4.1278 BAL); toepassen van tarragrond (artikel 4.1280 BAL); grootschalig toepassen (artikel 4.1275 BAL); toepassen in diepe plas (artikel 4.1277 BAL);
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
verspreiden van baggerspecie (artikel 4.1279 BAL).
Vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet was er al gebiedsspecifiek beleid mogelijk voor de vier eerstgenoemde maatwerkmogelijkheden, maar met de invoering van de omgevingswet zijn er nu ook maatregelen mogelijk voor grootschalig toepassen, toepassen in diepe plas en verspreiden van baggerspecie.
3.4
Verspreiden baggerspecie over aangrenzende percelen Het op de kant verspreiden van baggerspecie is een activiteit waarvoor het waterschap het bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Het is daarmee een activiteit die buiten de reikwijdte van deze bodembeheernota valt. Omdat het verspreiden van baggerspecie echter wel in de gemeente kan voorkomen, is er bewust voor gekozen om in de beheernota een korte toelichting op dit toetsingskader op te nemen. Algemeen Het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen is vastgelegd in artikel 35, lid f van het Besluit bodemkwaliteit: “Verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen, met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang grenzende percelen”. Voor de relevantie, oftewel de nuttigheid, van het op de kant zetten van baggerspecie kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het op hoogte brengen van landbouwpercelen of het herstellen of verbeteren van bestaande kades die vanuit hun functie een bepaalde hoogteligging moeten hebben. Zodra het gaat om de aanleg van nieuwe kades, dan dient een ander toetsingskader te worden gehanteerd (generieke toepassing, grootschalige toepassing of eventueel het gebiedsspecifieke beleid).
Naast het aantonen van de nuttigheid, is het tevens van belang dat het gaat om het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt uit de bestaande aangrenzende watergang. Opgemerkt wordt dat het beschreven toetsingskader niet geldt voor het verspreiden van baggerspecie afkomstig vanuit de omgeving van riooloverstorten (tot 250 meter aan weerszijden van de riooloverstort). Deze baggerspecie wordt als puntbron aangemerkt en dit valt buiten de reikwijdte van het Besluit. Milieuhygiënische kwaliteit Voordat baggerspecie op de aangrenzende percelen mag worden verspreid, is inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit noodzakelijk. In bijlage 1 van deze Nota, hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de milieuhygiënische verklaringen die hiervoor als bewijsmiddel kunnen worden gebruikt. In de normstelling is rekening gehouden met de landbouwfunctie die de aangrenzende percelen over het algemeen hebben. De bovengrens voor de milieuhygiënische kwaliteit van baggerspecie die nog mag worden verspreid, is daarom gebaseerd op de zogenaamde msPAF-toets (msPAF = meer stoffen Potentieel Aangetaste Fractie van lagere organismen). In tabel 1 van bijlage B in de Regeling bodemkwaliteit is aangegeven voor welke parameters de msPAF-toets moet worden uitgevoerd en voor welke stoffen 'normale' samenstellingswaarden gelden.
Daarnaast mogen de in de baggerspecie gemeten gehalten de interventiewaarden voor landbodem niet overschrijden. In figuur 9 is de normstelling voor verspreiding over aangrenzende percelen schematisch weergegeven.
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
Figuur 9: Normstelling verspreiden baggerspecie Voorwaarden Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen gelden de volgende voorwaarden: Voor baggerspecie waarvan de milieuhygiënische kwaliteit voldoet aan de generieke verspreidingsnorm geldt de ontvangstplicht; De baggerspecie mag tot aan de perceelsgrens worden verspreid; Er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteitsklasse of functieklasse van de ontvangende bodem; Het verspreiden van baggerspecie hoeft niet te worden gemeld, zie bijlage 1. Acceptatieplicht Het Besluit bodemkwaliteit geeft alleen de milieuhygiënische randvoorwaarden, met de bijbehorende reikwijdte, waarbinnen mag worden verspreid. Het Besluit staat verder los van de bevoegdheden, eigendomsverhoudingen en ‘ontvangstplichten’ die rondom het verspreiden van baggerspecie vanuit de Waterstaatswet in de Keur van waterschappen zijn geregeld. Het Besluit geeft daarnaast ook geen maat voor de laagdikte of hoeveelheden. In de Handreiking Besluit bodemkwaliteit is hierover alleen vermeld dat de hoeveelheid, en de daarmee samenhangende laagdikte, in overleg met de eigenaar van het perceel wordt bepaald.
3.4.1
Verspreiden baggerspecie over aangrenzende percelen onder de Omgevingswet In artikel 4.1278 van het BAL staan de specifieke kwaliteitseisen vermeld voor het verspreiden van baggerspecie op de landbodem. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is verspreiding van baggerspecie over het aangrenzende perceel of op landbouwgronden die tot maximaal 10 km afstand liggen van waar de baggerspecie vandaan komt, aangewezen als een functionele toepassing. Dit omdat de toepassing tot doel heeft om de bodemgesteldheid te herstellen of verbeteren. Met de ingang van de Omgevingswet valt een weilanddepot ook onder het verspreiden van baggerspecie. Kwaliteitseisen Net als in het kader voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden er ook onder de Omgevingswet specifieke kwaliteitseisen voor het verspreiden van baggerspecie op de landbodem die afwijken van de algemene kwaliteitseisen voor toepassen op de landbodem. Het gaat hier om kwaliteitseisen voor ‘verspreiden geschikte baggerspecie’. In tabel 3b van bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit 2021 staan de specifieke kwaliteitseisen vermeld. Een milieuverklaring bodemkwaliteit moet beschikbaar zijn alvorens een initiatiefnemer de baggerspecie verspreidt. Maatwerk verspreiden baggerspecie
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
Wanneer baggerspecie niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor verspreiden, is het mogelijk om het via een maatwerkregel of -voorschrift toch nog te mogen verspreiden. De voorwaarden voor maatwerk staan in 4.1279 van het BAL. Soepelere eisen mogen alleen als de toe te passen baggerspecie komt uit hetzelfde bodembeheergebied (aangewezen door gemeente of waterschap in het omgevingsplan of waterschapverordening) als waar ze weer worden toegepast. Voor het verspreiden van sterk verontreinigde baggerspecie gelden de volgende regels: De baggerspecie is afkomstig uit het bodembeheergebied waar de bagger ook weer in wordt toegepast. De toe te passen baggerspecie is ontgraven uit een locatie waar de bodem diffuus sterk met de stof is verontreinigd. De baggerspecie wordt toegepast op een locatie waar de bodem al voor het toepassen diffuus sterk met de stof was verontreinigd.
3.5
Tijdelijke uitname Artikel 36 lid 3 van het Besluit bodemkwaliteit regelt de tijdelijke uitname van grond of baggerspecie. In dit artikel staat dat het tijdelijk verplaatsen of uit de toepassing wegnemen van grond of baggerspecie is toegestaan indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in die toepassing wordt aangebracht. Op of nabij dezelfde plaats is in het Besluit niet gedefinieerd als afstand. Aangezien lokale omstandigheden van invloed zijn, beoordeelt de gemeente per geval of sprake is van 'op of nabij'. Dit betekent dat een initiatiefnemer vooraf contact legt met het bevoegd gezag indien deze van mening is dat de op en nabij regeling om te zorgen dat het werk bekend is bij de toezichthouders, waardoor mogelijke interrupties tijdens het werk worden voorkomen. In het geval van tijdelijke uitname hoeft de milieuhygiënische kwaliteit van de ontvangende (water)bodem of van de terug te plaatsen grond of baggerspecie niet te worden aangetoond. Het is echter mogelijk dat er, op basis van andere wet- en regelgeving, toch een onderzoeksverplichting geldt, zoals in het kader van arboveiligheid. Wanneer uit deze onderzoeken blijkt dat sprake is van een verontreiniging, mag de grond of baggerspecie niet zomaar worden teruggeplaatst. Dit in verband met de zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming.
Deze zorgplicht, in relatie tot tijdelijke uitname, betekent feitelijk dat wanneer men aanwijzingen heeft (bijvoorbeeld op basis van bekende onderzoeksgegevens of zintuiglijke waarnemingen) dat met het terugplaatsen van tijdelijk uitgenomen grond of baggerspecie de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem, het grondwater of het oppervlaktewater zou kunnen verslechteren, er maatregelen dienen te worden getroffen om dit te voorkomen. Naast het niet hoeven aantonen van de milieuhygiënische kwaliteit, hoeft het tijdelijk uitnemen, eventueel op de locatie opslaan en terugplaatsen van grond of baggerspecie ook niet te worden gemeld in het kader van het Besluit bodemkwaliteit.
3.5.1
Tijdelijke uitname onder de Omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet valt het tijdelijk uitnemen van grond of baggerspecie niet onder de milieubelastende activiteit ‘toepassen van grond of baggerspecie’ (artikel 3.2.26 van het BAL), maar onder de milieubelastende activiteit ‘graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde (artikel 3.2.21 van het BAL).
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
Het is toegestaan om de ontgraven grond na afloop van het werk weer terug te plaatsen in de oorspronkelijke bodem. Daarvoor gelden de volgende voorwaarden: De grond heeft geen bewerking ondergaan, anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal. Het terugplaatsen vindt plaats op of nabij het ontgravingsprofiel. De aanduiding ‘op of nabij’ geeft aan dat er enige speelruimte is, waarbij de afbakening van geval tot geval kan verschillen. Het terugplaatsen vindt plaats onder dezelfde omstandigheden. Er is bijvoorbeeld geen sprake van terugplaatsen onder dezelfde omstandigheden, als grond van boven de grondwaterspiegel wordt teruggeplaatst naar onder de grondwaterspiegel (of omgekeerd).
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
4
Grootschalige bodemtoepassing Een grootschalige bodemtoepassing is een toepassing waarin een grote hoeveelheid grond of baggerspecie wordt toegepast. Zoals beschreven in de artikelen 62 t/m 64 van het Besluit bodemkwaliteit is de voorwaarde dat minimaal een volume van 5.000 m3 en een toepassingshoogte van 2 meter moet worden aangehouden. Op grond van het gestelde in artikel 63 van het Besluit mogen, voor wat betreft het toepassen op landbodem, alleen de volgende toepassingen onder de noemer van een grootschalige toepassing worden gerealiseerd: Toepassingen van grond en baggerspecie in bouw- en wegconstructies, waaronder wegen, spoorwegen en geluidswallen; Toepassingen van grond en baggerspecie voor het afdekken van een saneringslocatie of een stortplaats, met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor de omgeving; Toepassing van grond en baggerspecie in aanvullingen, waaronder de herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen. Omdat het niet is toegestaan dat de grootschalige bodemtoepassing definitief onderdeel gaat uitmaken van de bodem, kan bij ophogingen van industrieterreinen en woningbouwlocaties niet worden gekozen voor het toetsingskader van een grootschalige bodemtoepassing.
Criteria grootschalige bodemtoepassing De partij grond of baggerspecie die in een grootschalige toepassing wordt verwerkt hoeft, in tegenstelling tot een generieke bodemtoepassing, niet te worden getoetst aan de kwaliteits- en functieklasse van de ontvangende bodem. Wel wordt een bovengrens gesteld aan de kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie, namelijk maximaal klasse industrie. Aangezien een partij met de kwaliteitsklasse industrie (of wonen) op een schonere bodem mag worden toegepast, moet worden voorkomen dat hierdoor de ontvangende bodem verontreinigd raakt. Vandaar dat aan de toe te passen partij grond of baggerspecie eisen worden gesteld aan de mate van uitloging die mag optreden (in de vorm van maximale emissiewaarden). De grootschalige bodemtoepassing moet worden afgedekt met een leeflaag van grond of baggerspecie van tenminste 0,5 meter. In figuur 10 is de grootschalige bodemtoepassing grafisch weergegeven. Het Besluit bodemkwaliteit voorziet tevens in een verplichting tot beheer en nazorg. De aangewezen beheerder is verantwoordelijk voor het in stand houden van de vorm en de hoeveelheid waarin deze is toegepast en geregistreerd staat.
Figuur 10: Grootschalige bodemtoepassing
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
Uitzonderingsgevallen Voor Rijkswegen, provinciale wegen en spoorwegen, waarop een aaneengesloten laag bouwstoffen wordt toegepast, geldt een minimale toepassingshoogte van 0,5 meter. Daarnaast mag, voor de aanleg van de bermen of taluds, tot maximaal 10 m uit de weg, grond of baggerspecie van maximaal de kwaliteitsklasse industrie worden gebruikt (zie figuur 11). 10 meter berm
10 meter berm
Figuur 11: Uitzondering Rijkswegen, Provinciale wegen en spoorwegen
4.1
Grootschalige toepassing onder de Omgevingswet De voorwaarden voor grootschalige toepassing en de kwaliteitseisen zijn onder de Omgevingswet vergelijkbaar met het kader voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, maar biedt nu ook mogelijkheden voor maatwerk. Het generieke beleid van voor de Omgevingswet voor grootschalige toepassing is het uitgangspunt in artikel 4.1274 BAL in samenhang met artikel 25d Besluit bodemkwaliteit. In hoeverre maatwerk mogelijk is ten aanzien van het grootschalig toepassen is beschreven in artikel 4.1275 van het BAL. Onderstaande figuur geeft een overzicht van de grootschalige bodemtoepassing.
Figuur 12: Eisen aan grootschalige bodemtoepassing
Nota Bodembeheer Gemeente Bergeijk projectnummer 0467844.100 30 september 2021 revisie 01 Gemeente Bergeijk
Maatwerkmogelijkheden grootschalig toepassen Als grond of baggerspecie niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor grootschalig toepassen, is toepassing alleen nog mogelijk via een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift. De voorwaarden voor maatwerk staan in artikel 4.1275 van het BAL. Alleen wanneer de toe te passen grond of baggerspecie afkomstig is uit hetzelfde bodembeheergebied als waar die weer toegepast gaat worden, zijn soepelere eisen mogelijk. Het bodembeheergebied wordt aangewezen door de gemeente of het waterschap in het omgevingsplan of de waterschapverordening. Op deze manier zal de bodemkwaliteit in het aangewezen beheergebied niet verslechteren (stand-still). Voor het grootschalig toepassen van sterk verontreinigde grond of baggerspecie gelden minimaal de volgende regels voor de grond of baggerspecie: De partij is afkomstig uit het beheergebied waar deze ook weer wordt toegepast; de verontreiniging is ontstaan door diffuse verontreiniging; toepassen vindt plaats op een locatie waar de bodem reeds diffuus is verontreinigd met dezelfde stof. Bestaande grootschalige toepassingen Voor het in stand houden, herstellen, veranderen of uitbreiden van een eerder gerealiseerde grootschalige toepassing gelden de afwijkende kwaliteitseisen uit artikel 4.1274 van het BAL.