CConstaterende datBergeijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 12 Toelichting Weerderdijk 5

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente BergeijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan “Weerderdijk 5, Westerhoven”19.315 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hierbij wordt

21 Bestemmingsplan Weerderdijk 5 te Westerhoven

opgemerkt dat dit enkel asbest is uit de respirabele fractie (<0,5 mg/kd d.s.). Hierbij wordt de grens voor nader asbestonderzoek (50 mg/kg d.s.) en de risiconorm van 10 mg/kg d.s. overschreden. Aan de hand hiervan is vervolgonderzoek gedaan. Nader onderzoek asbest in bodem Op basis van de resultaten uit het voornoemd verkennend bodemonderzoek is door het onderzoeksbureau Tauw een nader onderzoek naar asbest in de bodem uitgevoerd. Het onderzoek is hoofdzakelijk uitgevoerd ter hoogte van de drupzones aan de zuidoost zijde van de grote stal. Hier zijn een vijftal sleuven gegraven waaruit grondmonsters zijn genomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat er geen sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde met asbest. Er is dus geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. Echter wordt wel de toetsingsnorm voor de respirabele fractie ter plaatse van sleuf 61, 63 en 64 voor de bovengrond en bij sleuf 62 in de ondergrond overschreden. Er zijn dus (uitpandig) onaanvaardbare humane risico’s vanwege de omvang van de respirabele fractie. Om de omvang van de verontreiniging voldoende in kaart te brengen wordt geadviseerd om ter plaatse van sleuf 62 deze dieper door te zetten voor de verticale afperking. Verder dienen in oostelijke richting aanvullende sleuven gegraven te worden om de locatie horizontaal af te perken.

Graaf- en sloopcondities dienen in ieders geval onder saneringscondities plaats te vinden. In overleg met het bevoegd gezag zal worden bepaald of een saneringsonderzoek noodzakelijk is of dat direct kan worden over gegaan tot sanering van de gronden. De kenmerken van de verontreiniging (bron, verontreinigingsbeeld en locatie specifieke omstandigheden) en de bijbehorende kosten (kosten nader onderzoek zijn mogelijk hoger dan sanering) spelen hierbij een rol. Voorafgaand aan de werkzaamheden zal hiertoe een saneringsplan of BUS-melding worden ingediend bij het bevoegd gezag.

4.2.2

Geluid

Op 1 januari 2007 is de (gewijzigde) Wet geluidhinder (hierna Wgh) in werking getreden. Deze wet beschermt geluidgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van geluidsbronnen: wegverkeer, spoorwegen, industrie en luchtvaart. Door middel van zonering worden grenzen aangehouden waarmee geluidgevoelige objecten worden beschermd. De zonering betreft een afstand, uitgaande van een geluidsbron, waarbinnen het normenstelsel uit de Wgh van toepassing is. Voor de beoogde ontwikkeling zijn zes aspecten van belang om te toetsen of voldaan wordt aan het aspect geluid: 1. Is er sprake van geluidgevoelige objecten? 2. Is er sprake van geluidsoverlast door wegverkeerslawaai? 3. Is er sprake van geluidsoverlast van een spoorweg? 4. Is er sprake van geluidsoverlast door de luchtvaart? 5. Is er sprake van industrie 6. Welk effect heeft het plan op de omgeving? Geluidgevoelige objecten Een gastenverblijf wordt op basis van vaste jurisprudentie niet beschouwd als een geluidgevoelig object, zie ABRvS 30 mei 2000, nr. 199901166/1 (ECLI: NL.RVS.2004.AO5659). Wegverkeerslawaai Aangezien de bedrijfswoning ongewijzigd binnen het plangebied blijft, is een onderzoek naar wegverkeerlawaai niet van toepassing. Uit de bovenstaande jurisprudentie blijkt dat het gastenverblijf niet beschouwd wordt als geluidsgevoelig object.

Desalniettemin blijkt uit het onderzoek van Gbs Milieuadvies (Bijlage 8) dat er een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden, aangezien het verblijf inpandig gerealiseerd wordt en afgeschermd wordt door de bebouwing. Spoorweg In de omgeving van het plangebied is geen spoorweg gelegen. Dit is dus niet relevant voor beoogde ontwikkeling. Luchtvaart Het plangebied is niet gelegen in een geluidzone met betrekking tot de luchtvaart. De beoogde ontwikkeling zal derhalve geen geluidoverlast ondervinden door de luchtvaart. Industrie In de directe omgeving van het plangebied is geen industrie aanwezig. Wel is het plangebied in de nabijheid van Eurocircuit Valkenswaard gelegen. Conform de VNG-brochure valt deze inrichting het best te categoriseren als

22 Bestemmingsplan Weerderdijk 5 te Westerhoven

‘Cultuur, Sport en Recreatie - Eurocircuits, motorcrossterreinen e.d. open lucht < 8 uur/week in gebruik’. Hiervoor is in de VNG-brochure een richtafstand van maximaal 500 meter opgenomen vanwege het aspect geluid. Aangezien het plangebied is gelegen op 120 meter afstand van de inrichtingsgrens van het eurocircuit, kan niet aan deze richtafstand worden voldaan. Om te bepalen of het woon- en leefklimaat ter plaatse van de bedrijfswoning desondanks acceptabel is, is het akoestisch onderzoek geraadpleegd dat in 2018 ten behoeve van het eurocircuit is uitgevoerd (J. Sips (2018). Akoestisch onderzoek MER Eurocircuit gemeente Valkenswaard. Agel Adviseurs). Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau is maatgevend in het bepalen van een acceptabel geluidsniveau. De voorkeursgrenswaarde voor het maximaal langtijdgemiddelde beoordelingsniveau is 50 dB(A). In concrete gevallen kan een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 55 dB(A) ook acceptabel worden geacht. Op het eurocircuit komen de volgende akoestische situaties voor: 1. Alleen wedstrijden rallycross 2. Testdag niet gekentekende voertuigen samen met een training motorcross 3. Trainingsdag supermoto samen met een training motorcross 4. Trainingsdag gekentekende voertuigen samen met een training motorcross Voor de verschillende akoestische situaties zijn geluidcontouren van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau berekend.

In Afbeelding 10 zijn de geluidscontouren van de verschillende akoestische situaties weergegeven. Hieruit blijkt dat de bestaande bedrijfswoning in alle akoestische situaties tussen een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 50 - 55 dB(A) ligt. Tijdens wedstrijden voor de rallycross nabij een niveau van 55 dB(A) en op trainingsdagen voor gekentekende voertuigen samen met een training voor de motorcross nabij een niveau van 50 dB(A). Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de bestaande bedrijfswoning kan dus acceptabel worden geacht.

23 Bestemmingsplan Weerderdijk 5 te Westerhoven

Afbeelding 10: Geluidscontour AK-situatie 1 t/m 4, bestaande bedrijfswoning zwart omcirkeld (bron: J.Sips, 2018)

Effect op de omgeving Aangezien er geen geluidsgevoelig object wordt toegevoegd, is alleen effect van de beoogde ontwikkeling op de omgeving van belang. Het eventuele effect van de beoogde ontwikkeling op de omgeving qua geluid is nader toegelicht in de paragraaf ‘Bedrijven en milieuzonering’. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmering zal vormen voor het planvoornemen.

4.2.3

Luchtkwaliteit

De regelgeving omtrent de luchtkwaliteit is opgenomen in de Wet milieubeheer (Wm). De belangrijkste aspecten t.a.v. de Europese luchtkwaliteitseisen zijn vernoemd in de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderdeel uit van de Wm; hoofdstuk 5, titel 5.2. Rijk, provincies en gemeenten werken samen om de Europese eisen en doelstellingen voor het verbeteren van de luchtkwaliteit te realiseren. Overheidsinstanties zijn verplicht om bij (ruimtelijke) ingrepen en ontwikkelingen de mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Het opstellen en vaststellen van een bestemmingsplan behoort tot deze categorie, daarom is het noodzakelijk dat de eventuele gevolgen voor de luchtkwaliteit in beeld worden gebracht. Omgekeerd is het van belang dat ter plaatse het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit. Niet in betekenende mate Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden, bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen.

Wanneer bij de planvorming sprake is van één van de volgende punten vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering: ▪ Er is sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ Een plan leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; ▪ Een plan draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; ▪ Een plan past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

24 Bestemmingsplan Weerderdijk 5 te Westerhoven

Het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ staat plannen toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende plan niet in betekenende mate is. De afkorting NIBM staat voor ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ aan de luchtverontreiniging. Hiermee worden ruimtelijke plannen of (te vergunnen) activiteiten bedoeld die slechts een zeer geringe bijdrage hebben aan de luchtverontreiniging. In deze gevallen is een toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit niet nodig. Belangrijk bij toetsing van NIBM is dat aannemelijk gemaakt moet worden, dat de 3% grens niet wordt overschreden (artikel 2 van het Besluit NIBM). Wanneer gesteld kan worden dat het aannemelijk is dat de grens niet wordt overschreden, dan is het plan NIBM. De regeling NIBM geeft categorieën aan van gevallen en getalsmatige grenzen waarbinnen een plan altijd NIBM is, ongeacht de bijdrage ervan op de concentraties. Voor dergelijke gevallen mag er zonder meer van worden uitgegaan dat de bijdrage van het plan NIBM is. In alle overige gevallen of combinaties van bovenstaande grenzen moet middels een berekening worden aangetoond of de bijdrage niet in betekenende mate is of dat de grenswaarden niet worden overschreden. Met de beoogde ontwikkeling wordt een voormalig agrarisch bedrijf gesloopt en wordt er een nieuw paardenbedrijf gerealiseerd.

Voor paarden zijn geen emissiefactoren voor wat betreft de uitstoot van fijnstof vastgesteld. Wel dient bepaalt te worden of de (eventuele) toename in het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting invloed heeft op de luchtkwaliteit in de omgeving. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft hier in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil een specifieke rekentool voor ontwikkeld. Met die tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of de verkeersaantrekkende werking van een functie ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. De verkeersaantrekkende werking van de beoogde bedrijfsopzet is beschreven in paragraaf 4.6. Hieruit blijkt volgens de CROW dat de weekdaggemiddelde verkeersgeneratie van de beoogde paardenhouderij 13,2 verkeersbewegingen bedraagt. Uit de berekening van de NIBM-tool (Afbeelding 11) blijkt dat bij een dagelijkse toename van 13,2 verkeersbewegingen van en naar de inrichting de bijdrage aan de fijnstofconcentratie nog NIBM is. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving.

Afbeelding 11: Uitsnede NIBM Tool

Woon- en leefklimaat Op grond van de Wet zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m 3. Vanaf 1 januari 2015 geldt tevens een grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m 3 voor de jaargemiddelde concentratie. De achtergrondconcentratie PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied kan worden geraadpleegd via de Grootschalige Concentratie- en depositiekaarten Nederland van het RIVM. Uit onderstaande afbeeldingen is op te maken dat de achtergrondconcentratie PM10 15,48 μg/m3 bedraagt en de achtergrondconcentratie PM2,5 8,964 μg/m3. Er kan dus ruimschoots worden voldaan aan de grenswaarden voor wat betreft de concentratie PM 10 en PM2,5.

25 Bestemmingsplan Weerderdijk 5 te Westerhoven

Afbeelding 12: Uitsnede GCN-kaart PM10 (links) en PM2,5 (rechts)

Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2, die niet vaker dan 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden. De norm voor langdurende blootstelling van de bevolking is de grenswaarde van 40 μg/m3 voor de jaargemiddelde NO2-concentratie. De achtergrondconcentratie ter plaatse bedraagt 10,17 μg/m3 blijkt uit de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland. Er kan dus tevens worden voldaan aan de grenswaarde voor wat betreft NO2 concentratie.

Afbeelding 13: Uitsnede GCN-Kaart NO2 plangebied

Conclusie Door het feit dat de ontwikkeling ‘NIBM’ zal zijn kan worden geconcludeerd dat er geen negatieve gevolgen zullen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. Daarnaast wordt er ruim voldaan aan de grenswaarden van de achtergrondconcentraties. Hierdoor is te concluderen dat er ook sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.2.4

Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Deze wet schrijft afstanden voor tussen een veehouderij en geurgevoelige objecten, die moeten worden gehanteerd bij de verlening van een omgevingsvergunning milieu aan een agrarisch bedrijf waar vee wordt gehouden. Voor kleinere veehouderijen is deze wetgeving vervat in het Activiteitenbesluit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij de ontwikkeling van een veehouderij te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van bestaande geurgevoelige objecten acceptabel blijft. Bij de ontwikkeling van een nieuw geurgevoelig object dient het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied inzichtelijk te worden gemaakt. Omgekeerd dient te worden aangetoond dat de ontwikkeling niet beperkend is voor omliggende bedrijven. Paardenhouderij De dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten betreffen:

26 Bestemmingsplan Weerderdijk 5 te Westerhoven

▪ ▪

De bedrijfswoning aan de Weerderdijk 3, gelegen op een afstand van circa 172 meter tot de inrichtingsgrens. De bedrijfswoning aan de Monseigneur Smetsstraat 44, gelegen op een afstand van circa 450 meter tot de inrichtingsgrens.

Het vakantiepark ‘De Kempervennen’ aan de Kempervennendreef, is gelegen op een afstand van circa 165 meter tot de inrichtingsgrens van de beoogde paardenhouderij. Voor vakantiecentra en kampeerterreinen is een maximale afstand van 50 meter voor geluid en 30 voor geur vastgesteld. De bungalows, gelegen op ‘De Kempervennen’ kunnen gezien worden als tijdelijke bewoning. Volgens jurisprudentie blijkt dat tijdelijke bewoning niet valt onder een geur gevoelig object. Desalniettemin kan er voldaan worden aan de aan de geldende afstanden. Conform het Activiteitenbesluit geldt voor paardenhouderij die zijn gelegen buiten de bebouwde kom een vaste afstand van 50 meter. Alle objecten liggen op grotere afstand dan het gestelde minimum van 50 meter. Overige gevoelige objecten liggen op een grotere afstand dan de hierboven genoemde objecten. Hiermee wordt aan de wettelijk vastgestelde minimumafstanden voldaan en kan geconcludeerd worden dat het aspect geur geen belemmering zal vormen voor het planvoornemen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat met de vestiging van de paardenhouderij een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van geurgevoelige objecten in de omgeving gewaarborgd blijft.

Woon- en leefklimaat Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het belangrijk te toetsten of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Voor de voorgrondbelasting worden bedrijven individueel beoordeeld. Om te beginnen kan hiervoor gebruik worden gemaakt van de VNG-lijst Bedrijven en milieuzonering, waar ‘geur’ één van de toetsaspecten is. In de Kaartbank van de provincie Noord-Brabant zijn de dichtstbijzijnde veehouderijen aangegeven middels stippen, zie navolgende afbeelding. Hieruit blijkt dat de meest nabijgelegen veehouderij zich op ca. 172 meter van het plangebied bevindt, dit betreft een melkveebedrijf aan Weerderdijk 3. Voor het houden van rundvee geldt een maximale afstand van 100 meter voor geur. Aan deze afstand wordt dan ook ruimschoots voldaan.

Afbeelding 14: Kaartbank Brabant - Landbouw (Bron: https://kaartbank.brabant.nl/viewer/)

Voor de achtergrondbelasting, de cumulatieve geurbelasting, is de indicatieve kaart van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant geraadpleegd. Uit deze kaart blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Aan de hand van deze kaart kan worden aangenomen dat er ook vanuit het aspect achtergrondbelasting geur geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied.

27 Bestemmingsplan Weerderdijk 5 te Westerhoven

Afbeelding 15: Achtergrondbelasting Geur plangebied (Bron: ODZOB, peildatum 1 Januari 2020)

Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Omgekeerde werking Binnen het plangebied is al sprake van een bestaand geurgevoelig object in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij, te weten de aanwezige bedrijfswoning. In de beoogde situatie blijft de bestaande bedrijfswoning als zodanig gehandhaafd. Met de gewenste ontwikkeling blijft de afstand van dit geurgevoelige object tot de dichtstbijzijnde veehouderijen aan de Weerderdijk 3 gelijk. Er kan dus geconcludeerd worden dat het initiatief niet leidt tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen gezien de woning niet verplaatst. Daarnaast heeft de veehouderij geen mogelijkheden uitbreiding dichter naar de woning toe te realiseren kijkend naar de perceelsgrenzen. Het nieuwe recreatieverblijf leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen. Aangezien de beoogde recreatieve verblijfseenheden onderdeel gaan uit maken van een veehouderij, dienen andere veehouderijen tot deze objecten een vaste afstand van 50 meter in acht te nemen (art. 3, lid 2, Wgv). Er zijn binnen 50 meter van het plangebied geen veehouderijen van derden gelegen.

Het initiatief heeft dus met zekerheid geen onevenredige ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen tot gevolg.

4.2.5

aantasting

van

de

gebruiks-

en

Externe veiligheid

Het rijksbeleid voor externe veiligheid heeft tot doel het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving. Het gaat hierbij om situaties waarbij gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen nabij luchthavens betrokken zijn. Bij gevaarlijke stoffen moet men denken aan het vervoeren, transporteren, opslag, produceren etc. Bij externe veiligheid wordt het mogelijke risico in kaart gebracht wat derden lopen bij eventuele calamiteit. Het gaat hierbij om ‘slachtoffers van buiten de poort’. Mensen die niets met een activiteit van gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen te maken hebben, maar hier wel de dupe van worden bij een ramp. Bij externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt in externe veiligheid voor inrichtingen, voor transport van gevaarlijke stoffen en voor luchthavens. Het externe veiligheidsbeleid stelt twee doelstellingen centraal: ▪ Plaatsgebonden risico (PR): De bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; ▪ Groepsrisico (GR): De bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijke ramp met een groot aantal slachtoffers.

Het PR geeft de kans per jaar aan dat een persoon, die permanent en onbeschermd aanwezig is op een bepaalde plaats buiten een bedrijf (inrichting) of in de buurt van een vervoersmodaliteit (vervoer via weg, water, spoor of buisleiding) of nabij een luchthaven, op die plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen binnen die inrichting of op die vervoersmodaliteit of als gevolg van een ongeval nabij de luchthaven. De

28 Bestemmingsplan Weerderdijk 5 te Westerhoven

norm die voor het PR geldt, is de kans van 1:1.000.000 (10 -6). Voor kwetsbare objecten is dit een grenswaarde welke moet worden opgevolgd. Voor beperkt kwetsbare objecten is het een richtwaarde. Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval waarbij tien of meer dodelijke slachtoffers vallen in de omgeving van de risicobron. Voor het groepsrisico is geen norm gesteld. Uit het vigerende beleid, zoals onder andere vastgelegd in het Bevi, geldt een verantwoordingsplicht. Iedere verandering (af- of toename) van het groepsrisico moet inzichtelijk worden gemaakt en worden voorzien van een onderbouwing. Het beleid ligt vast in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), besluit externe veiligheid transportleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bevi Gezien de aard van de voorgenomen activiteit (wijziging van een productiegerichte paardenhouderij) is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij het plangebied. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen aan de Kempervennendreef 8 te Westerhoven. Hier is een risicobron gelegen in de vorm van een chloorbleekloogtank van 4.200 liter. Hiervoor geldt een risicocontour van 0 meter.

De inrichting aan de Kempervennendreef 8 is op circa 930 meter van de bestaande bedrijfswoning gelegen. Daarom zijn er voor het plan geen belemmeringen vanuit het Bevi. Bevb Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Ten noordoosten van het plangebied is een PRB-leiding van de Petrochemical Pipeline Service B.V. gelegen waaraan een PR 10-6 risicocontour van 0 meter is toegekend. Aan weerszijden van deze leiding is een belemmeringenstrook van 5 meter bestemd voor de aanleg, instandhouding en/of bescherming van deze brandstofleiding. Binnen deze belemmeringenstrook mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden opgericht. Het plangebied is volledig buiten deze belemmeringenstrook gelegen. Op grond van het Bevb zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied. Bevt In de Regeling Basisnet is een tabel met afstanden opgenomen voor het plaatsgebonden risico dat geldt voor transportroutes. Uit de risicokaart blijkt dat de locatie niet ligt binnen de invloedsfeer van wegen die zijn opgenomen in de tabel uit de Regeling Basisnet.

Afbeelding 16: Uitsnede risicokaart Nederland (Bron: risicokaart.nl)

Conclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het initiatief.

4.2.6

Bedrijven en milieuzonering

Goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). Voor ruimtelijke plannen is de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (hierna brochure) van toepassing bij de beoordeling van de

29 Bestemmingsplan Weerderdijk 5 te Westerhoven

afstanden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. De afstanden die hierin opgenomen zijn betreffen richtafstanden. Wanneer voldaan wordt aan de opgenomen afstanden uit deze brochure, mag gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbaar en gewaarborgd woon- en leefklimaat. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijk gebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden direct naast de hoofdinfrastructuur gelegen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid.

Het plangebied is gelegen in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich diverse functies zoals o.a. het eurocircuit Valkenswaard, Montana Snowcenter en De Kempervennen Centerparcs. In de directe omgeving van het plangebied zijn de volgende bedrijven gelegen: ▪ Victoriedijk 8, Valkenswaard – Eurocircuit Valkenswaard, gelegen op een afstand van circa 120 meter van het plangebied. ▪ Kempervennendreef 4, Westerhoven – Montana Snowcenter, gelegen op een afstand van circa 30 meter van het plangebied. ▪ Kempervennendreef, Westerhoven – Centerparcs de Kempervennen, gelegen op een afstand van circa 200 meter van het plangebied. Het bedrijf aan de Victoriedijk 8 te Valkenswaard valt het beste te categoriseren als ‘Cultuur, Sport en Recreatie Eurocircuits, motorcrossterreinen e.d. open lucht < 8 uur/week in gebruik’. Hiervoor is in de VNG-brochure een richtafstand van maximaal 500 meter opgenomen vanwege het aspect geluid. Aangezien het plangebied is gelegen op 130 meter afstand van de inrichtingsgrens van het bedrijf, kan niet aan deze richtafstand worden voldaan. In paragraaf 4.2.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen met betrekking tot het aspect geluid afkomstig van het eurocircuit.

Hieruit kan worden geconcludeerd dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande woning acceptabel is en blijft. De beoogde bed & breakfast wordt volgens jurisprudentie niet gezien als geluidsgevoelig object en hoeft daarom niet getoetst te worden. Het bedrijf aan de Kempervennendreef 4 te Westerhoven valt het beste te categoriseren als ‘kunstskibaan’. Hiervoor is in de VNG-brochure een richtafstand van maximaal 10 meter opgenomen vanwege het aspect geluid. Aangezien het plangebied is gelegen op 35 meter afstand van de inrichtingsgrens van het bedrijf, kan aan deze richtafstand worden voldaan. Hiermee is er ter plaatse van het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat en wordt het naastgelegen bedrijf niet in zijn bedrijfsmogelijkheden beperkt. Centerparcs de Kempervennen is een park dat het best te categoriseren is als ‘vakantiecentra’. Hiervoor is in de VNG-brochure een maximale afstand van 30 meter voor geluid opgenomen. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 200 meter tot de inrichtingsgrens van het park. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er voldaan wordt aan de geldende afstanden en er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Tevens wordt het bedrijf niet beperkt in zijn ontwikkelingsmogelijkheden.

Conform de VNG-brochure is voor een ‘paardenhouderij’ gelegen in gemengd gebeid de grootste richtafstand die moet worden aangehouden 30 meter voor het aspect geur. Aan deze richtafstanden wordt ten opzichte van alle locaties met gevoelige objecten in de omgeving ruimschoots voldaan, zoals in de geurparagraaf reeds is beschreven. De paardenhouderij is dus op gepaste afstand van gevoelige objecten in de omgeving gelegen. Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ legt geen beperkingen op aan het planvoornemen. Daarnaast zorgt het planvoornemen ook niet voor een negatief effect op omliggende bedrijven.

30 Bestemmingsplan Weerderdijk 5 te Westerhoven

4.2.7

Volksgezondheid

Intensieve veehouderijbedrijven, met name pluimveebedrijven, dragen bij aan de emissies van fijn stof PM 10 in Nederland. Endotoxinen kunnen onderdeel uitmaken van dit uitgestoten fijn stof. De uitstoot van fijnstof en endotoxinen kunnen negatieve effecten op de gezondheid van omwonenden van veehouderijen hebben. Bij ruimtelijke ontwikkelingen met gevoelige functies moet het aspect ‘endotoxinen’ beoordeeld worden. In dit geval is sprake van een (ongewijzigde) bedrijfswoning. Voorlopige resultaten van landelijke onderzoeken zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0; een stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is’. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Op 7 juli 2016 is het rapport ‘Emissies van endotoxinen uit de Veehouderij: emissiemetingen en verspreidingsmodelering’ (Wageningen UR Livestock Research, juni 2016, rapport 949) verschenen.

Uit dit rapport blijkt dat rondom varkens- en pluimveehouderijen mogelijk een overschrijding van de advieswaarde van 30 EU/m3 (vastgesteld door de Gezondheidsraad) aan de orde is. De uitkomsten van het endotoxine onderzoek zijn uitgewerkt in een aanvullend onderzoek (“Endotoxine concentraties rond stallen; indicatieve modelberekeningen”, ErbrinkStacks Consult, 5 september 2016). Endotoxines kunnen nog niet concreet gemeten, dan wel berekend worden. Het aanvullend onderzoek heeft wel als resultaat opgeleverd dat op basis van een fijnstofemissie (bronsterkte) de aan te houden afstand kan worden bepaald om een te hoge blootstelling aan endotoxinen te voorkomen. Op basis van deze rekentabel volgt dat bij afstanden van meer dan 200 meter, overschrijdingen van de advieswaardes voor endotoxinen bij varkenshouderijen (tot circa 1.400 kg PM10/jaar, dus bedrijven met een zeer hoge fijnstof-uitstoot), niet meer voorkomen. Voor pluimveehouderijen (tot circa 10.000 kg PM10/jaar voor vleeskuikens en tot circa 17.000 kg PM10/jaar voor leghennen) ligt deze afstand op circa 300 meter. Binnen 300 meter rondom het plangebied zijn geen intensieve veehouderijen aanwezig. Gezien deze grote afstand kan op grond van de beschikbare kennis en onderzoeksresultaten geconcludeerd worden dat het aspect endotoxines geen belemmeringen oplevert voor de beoogde ontwikkeling.

4.2.8

Spuitzones

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, over het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vast rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan en goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Het plangebied is direct aansluitend aan landbouwgronden gelegen. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van het plangebied komen geen boomgaarden voor.

Bovendien zijn tussen de bestaande woning en de aangrenzende landbouwgronden, de bedrijfsgebouwen en landschapselementen gelegen. De gronden rondom de beoogde bebouwing zullen gebuikt worden voor beweiding van paarden. Daarnaast worden nieuwe landschapselementen aangebracht worden om drift te voorkomen. Hierdoor wordt voorkomen dat drift – mocht deze al ontstaan – tot aan de woning reikt. De locatie heeft dus in relatie tot omliggende gronden geen negatief effect van spuitzones. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de directe omgeving van het plangebied heeft daarmee geen significant negatief effect op het woon- en leefklimaat op het plangebied.

31 Bestemmingsplan Weerderdijk 5 te Westerhoven

4.3 Waterparagraaf Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient er op basis van Europees beleid, Rijksbeleid en provinciaal beleid rekening gehouden te worden met de aanwezige watersystemen en waterketens. Het waarborgen en zorgdragen voor een goede afvoer en doorstroming van water moet verplicht opgenomen worden in ieder plan. Derhalve moet ieder plan voorzien zijn van een waterparagraaf. Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is van toepassing. In dit plan is het waterbeleid op hoofdlijnen omschreven en zijn de ruimtelijke aspecten die de doelstellingen die hieruit voorkomen opgenomen. Het Rijksbeleid richt zich met name op de waterveiligheid t.a.v. de grote rivieren; de Maas, Waal en Rijn en de kustlijn, de omgang met zoetwatergebieden, de algemene waterkwaliteit en grote watergebieden zoals Rijn-Maas delta, IJsselmeer gebied etc. De beoogde ontwikkelingen zijn van dermate kleine omvang dat het rijksbeleid geen gevolgen dan wel consequenties heeft voor het beoogde plan. Provinciaal waterplan Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 vastgesteld.

Door middel van het Regionaal Water en Bodem Programma wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat-robuust water- en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Het Regionaal Water en Bodem Programma is de opvolger van het Provinciaal Milieu- en Waterplan en onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking, ofwel abiotische en biotische systemen zoveel mogelijk intact laten. Het plangebied is niet gelegen binnen één van de natte natuurparels en beschermingsgebieden. Derhalve hebben de doelstellingen en uitgangspunten hiervoor geen gevolgen van beoogde plan. Waterschap De Dommel Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van NoordBrabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen.

Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuzeen afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.

We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: ▪ Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; ▪ Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; ▪ Wat schoon is moet schoon blijven. We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig

32 Bestemmingsplan Weerderdijk 5 te Westerhoven

watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: ▪ van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. ▪ van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken ▪ we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. ▪ van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Legger Een legger is een door het waterschap vastgesteld register en geeft een overzicht van: ▪ Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken; ▪ Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent; ▪ Waar de beschermingszone ligt, die noodzakelijk zijn voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen, volgens de keur, van toepassing zijn. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken. In navolgende afbeelding is een uitsnede opgenomen uit de Leggerkaart van Waterschap De Dommel.

De dichtstbijzijnde watergang in de omgeving van het plangebied is gelegen aangrenzend aan de gronden van het plangebied. Dit betreft een A-watergang. De afstand van het bouwvlak van het plangebied tot deze primaire waterlopen is voldoende doordat de aangrenzende gronden gebruikt worden als weiland. Het beoogde bouwvlak ligt niet in het profiel van de vrije ruimte of beschermingszones, waardoor het planvoornemen geen invloed heeft op de watergang. Het landschappelijk inpassingsplan reikt wel tot deze primaire watergang (paragraaf 3.2.2). Echter geldt er een zone van 5 meter ten behoeve van beheer en onderhoud van de waterloop. Binnen deze 5 meter is enkel een bestaand elzenbosje gelegen. Er wordt binnen de 5 meter beschermingszone geen nieuwe beplanting voorzien waardoor er voldoende ruimte gewaarborgd blijft ten behoeve van het onderhouden van de watergang. Het onderhoud en beheer van de watergang zal dus niet belemmerd worden.

Afbeelding 17: Leggerkaart Waterschap de Dommel – plangebied (Bron: https://dommel.webgispublisher.nl/)

Keur Waterschap De Dommel De laatste versie van de Keur is per 1 april 2021 in werking getreden en dient als aanvulling op de regels uit de Waterwet. De Keur stelt regels t.a.v. de inrichting, het gebruik, beheer en onderhoud en overige werkzaamheden aan rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen. Deze regels gelden zowel voor stromen die eigendom zijn van het waterschap als stromen die in eigendom zijn van derden. De voorschriften in de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Denk aan activiteiten zoals het lozen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater, het dempen van een sloot of het plaatsen van een duiker of brug. Op basis van artikel 3.6 is het verboden om zonder waterwetvergunning van het bestuur neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Als er sprake is van een toename van 500 m 2 of meer zal er een maatregel getroffen moeten worden in de vorm van een retentievoorziening.

33 Bestemmingsplan Weerderdijk 5 te Westerhoven

Daarnaast zijn in de Keur diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke waterhuishoudkundige functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en de invloedsgebieden Natura 2000. Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied en de voorgenomen activiteiten. Uit de Kaart Beschermde Gebieden Keur blijkt dat het plangebied gelegen is in een beschermd gebied. Op dit gebied is geen vrijstelling voor waterberging van toepassing, hiermee zijn bij elke toename aan verhard oppervlak maatregelen omtrent de waterhuishouding noodzakelijk. Verder geldt voor wat betreft het aanleggen van een poel in beschermd gebied dat: ▪ de poel een oppervlakte mag hebben van maximaal 5.000 m2; ▪ de poel niet dieper mag zijn dan de GLG (gemiddeld laagste grondwaterstand) tot een maximum van 1,20 meter diep; ▪ de poel een taludhelling heeft van aan de noordzijde minimaal 1:5 en overige taludhellingen minimaal 1:3. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is vastgelegd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2020 – 2024. Het VGRP is een planinstrument om mee te kunnen bewegen met de trans en ontwikkelingen binnen het vakgebied. Om mee te kunnen bewegen met de ontwikkelingen om ons heen is het wenslijk om het plan periodiek te actualiseren. De GRP is nu voor de periode 2020 – 2024 opgesteld.

Het VGRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van dit plan wordt vastgelegd wat de gemeente willen bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid en bewoners/bedrijven ten aanzien van afval-, hemel-, en grondwater. Het VGRP vervult vier hoofdfuncties: 1. Kader gemeentelijke zorgplichten overzicht beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater en bijdragen aan de zorgplichten oppervlaktewater en drinkwater. 2. Interne afstemming met andere vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie en met onze waterpartners. 3. Externe afstemming Met o.a. bewoners en bedrijven, ontwikkelaars en bouwbedrijven 4. Continuïteit en voortgangsbewaking vanwege de relatief lange levensduur van stedelijke watervoorzieningen en kapitaalintensieve investeringen is een lange termijn aanpak essentieel (begroting, investeringen en evaluatie). Om concrete stappen te zetten richting een waterrobuust en toekomstbestendig water- en rioleringssysteem willen we voortaan eisen stellen aan de omgang met hemelwater in vergunningplichtige trajecten. Net als het waterschap stellen we een bergingseis van 60 mm voor hemelwater, niet alleen bij een toename van verhard oppervlak, maar ook bij vervanging van verhard oppervlak.

Watertoets In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het afvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool net zoals het bedrijfsafvalwater. Het mest houdend afvalwater, afkomstig van het reinigen van de rundveestallen en veewagens wordt direct opgevangen in de drijfmestkelders hetgeen samen met de drijfmest uitgereden wordt over landbouwgronden in overeenstemming met het Besluit gebruik meststoffen. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd wat afkomstig is van de daken en erfverharding. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Onder van afschot van daken en erfverharding wordt dit hemelwater geloosd op omliggende percelen en perceelsloten. Op dit moment vinden er geen bedrijfsactiviteiten op de locatie plaats. Het niet-verontreinigde hemelwater wordt dus zonder problemen geloosd op de omliggende perceelsloten. In de beoogde situatie worden de huidige bebouwing (±2.109 m2), exclusief de bedrijfswoning (± 110 m2), en perceelsverharding (± 1.600 m2) gesaneerd. Er wordt nieuwe bedrijfsbebouwing incl. een buitenrijbak gerealiseerd met een totale oppervlakte van circa 9.790 m2. Het bedrijfsgebouw en de Bed & Breakfast kunnen mogelijk gebruik maken van de bestaande rioolaansluiting.

Door middel van de Keur van Waterschap de Dommel kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Dit om versnelde afvoer van hemelwater op het watersysteem te

34 Bestemmingsplan Weerderdijk 5 te Westerhoven

voorkomen. Bij voorkeur wordt ervoor gezorgd dat het hemelwater alsnog kan infiltreren in de bodem, eventueel via mitigerende maatregelen zoals een retentievoorziening. Volgens De Keur is het nodig mitigerende maatregelen te voorzien wanneer het verhard oppervlak toeneemt met meer dan 500 m 2, na inwerkingtreding van de Keur 2009 (01-04-2021). De grootte van de retentievoorziening moet in dat geval worden berekend conform de rekenregel die in de nieuwe Algemene regels van de Keur van de waterschappen is geïntroduceerd. Deze rekenregel luidt als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (m2) x ‘gevoeligheidsfactor’ x 0,06 (m) De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart welke bij de nieuwe Keur is toegevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval de Dommel, verdeeld in drie categorieën. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼ (Laag), ½ (Gemiddeld) en 1 (Hoog). Navolgende afbeelding geeft de gevoeligheidsfactoren weer van het plangebied. Hieruit blijkt dat een gevoeligheidsfactor van 1 (Hoog) van toepassing is.

Afbeelding 18: Gevoeligheidsfactoren plangebied (Bron: Keur waterschap de Dommel)

Het huidige dakoppervlak heeft een oppervlakte van circa 2.219 m2. Het beoogde dakoppervlak heeft een oppervlakte van circa 5.500 m2. De buitenrijbak heeft een oppervlakte van 4.400 m2 (110 x 40 m). In onderstaande tabel is het verhard oppervlak voor zowel de bestaandeals de beoogde situatie inzichtelijk gemaakt. Oppervlaktes Daken Erfverharding Buitenrijbak (eb- en vloedsysteem) Onverhard terrein Totaal

Huidig m2

Toekomstig m2 2.219 1.600 11.181 15.000

5.500 4.000 4.400 1.100 15.000

Het hemelwater wat terecht komt op de erfverharding zal onder afschot afvloeien naar omliggende de gronden. De eigen gronden beschikken over voldoende bergingscapaciteit om dit in de bodem te laten infiltreren. Het hemelwater wat terecht komt op de buitenrijbak wordt via het eb- en vloedsysteem opgevangen en gereguleerd. Het water wordt vastgehouden in natte periodes en vrijgegeven in droge periodes. Middels een overstort wordt overtollig hemelwater bij hevige regenval afgevloeid op de omliggende gronden. In het landschappelijk inpassingsplan is de aanleg van een amfibieënpoel als onderdeel van de natuurfunctie meegenomen. Hier zullen de beoogde nieuwe bedrijfsgebouwen op afgekoppeld worden om de amfibieënpoel niet droog te laten vallen. Hierbij zullen de keurregels ten aanzien van de aanleg van een poel in beschermd gebied in acht worden genomen. Tevens dient rekening te worden gehouden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand ter plaatse, omdat die de retentiecapaciteit van de amfibieënpoel bepaald. De retentiecapactiteit van de amfibieënpoel zal minimaal moeten voldoen aan de rekenregel van de Keur:

35 Bestemmingsplan Weerderdijk 5 te Westerhoven

Benodigde compensatie (in m3) = 5.500 x 1 x 0,06 = 330 m3 De retentiecapaciteit van een amfibieënpoel betreft de oppervlakte maal de gemiddelde hoogste grondwaterstand ter plaatse. De gemiddelde hoogste grondwaterstand is af te leiden uit de gedetailleerde grondwaterkaart van het beheersgebied van waterschap De Dommel. De retentievoorziening is beoogd aan de westzijde van het plangebied. Zoals uit Afbeelding 19 blijkt bedraagt de gemiddelde hoogste grondwaterstand hier circa 60 centimeter. Om minimaal 330 m3 te kunnen bergen dient de poel dus een oppervlakte te krijgen van minimaal 550 m2. Hier is op de aangegeven locatie voldoende ruimte voor.

Afbeelding 19: Uitsnede bodematlas ‘gemiddelde hoogste waterstand’ (Bron: kaart Provincie Noord Brabant)

Op dit moment is nog niet exact duidelijk waar de retentievoorziening zal worden aangelegd, maar er is aangetoond dat binnen en rondom het plangebied voldoende ruimte is om de vereiste bergingscapaciteit te creëren. Aanleg van de bergingsvoorziening is verzekerd middels een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. Bij de aanleg van de retentievoorziening zal rekening worden gehouden met regels van de Keur, de grondwaterstand ter plaatse en de minimaal vereiste inhoud. Te zijner tijd zal ook aandacht worden besteed aan de opvang en afvoer van het afstromend regenwater en de leegloop van de retentievijver, zodat er geen wateroverlast ontstaat op het eigen terrein en/of bij derden. Het aspect water vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief.

4.4 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. In de Wnb zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. Deze drie onderdelen worden hierna separaat beschreven.

4.4.1

Bescherming op gebiedsniveau

De bescherming op gebiedsniveau wordt beschreven aan de hand van wetgeving ten aanzien van Natura 2000gebieden, WAV-gebieden, het Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Natura 2000-gebieden In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld vanaf een bepaalde referentiedatum. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wnb wordt aangevraagd. Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen een belangrijke rol,

36 Bestemmingsplan Weerderdijk 5 te Westerhoven

omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Wanneer er vanuit een bedrijf stikstof neer slaat op een Natura 2000-gebied (hierna te noemen: stikstofdepositie) kan dit een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. In de directe omgeving van het plangebied is een Natura-2000 gebied gelegen (zie Afbeelding 20): ▪ Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux afstand circa 150 meter.

Afbeelding 20: Natura-2000 gebieden - plangebied (Bron: https://www.natura2000.nl/gebieden/noord-brabant)

Dat er vanuit een bedrijf stikstof neerslaat op Natura 2000-gebieden hoeft niet automatisch te betekenen dat er een vergunning in het kader van de Wnb nodig is. Uit de uitspraak van de Raad van State van 20 januari 2021 blijkt dat bij intern salderen geen vergunningplicht in het kader van de Wnb geldt. Bij intern salderen leidt de wijziging of uitbreiding van een activiteit niet tot een toename in stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie is de geldende natuurvergunning, of bij het ontbreken daarvan, de milieuvergunning waarover het bedrijf beschikte vóórdat de Vogel- of Habitatrichtlijn van toepassing werd op betrokken natuurgebieden. Daarom kunnen significante gevolgen worden uitgesloten en is er geen natuurvergunning meer nodig. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft in een Kamerbrief van 22 februari 2021 aangegeven dat een AERIUS-berekening bepalend is om vast te stellen of bij een wijziging of uitbreiding van een activiteit sprake is van intern salderen. Wanneer middels het rekenprogramma AERIUS Calculator kan worden aangetoond dat er sprake is van intern salderen, is er voor de ontwikkeling in principe geen vergunning in het kader van de Wnb benodigd. Dit kan eventueel middels een volledige aanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming worden vastgelegd in een zogeheten 'positieve weigering'.

Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. De wet maakte aanvankelijk een gedeeltelijke vrijstelling van de natuurvergunningplicht mogelijk voor een tijdelijke toename in stikstofemissie gedurende de bouw-, aanleg- en realisatiefase van een project. Op 2 november 2022 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in de zogeheten Porthos-zaak waaruit volgt dat deze bouwvrijstelling in strijd is met het Europees natuurbeschermingsrecht. Het vervallen van de bouwvrijstelling leidt ertoe dat bij alle lopende en toekomstige vergunningsaanvragen eerst moet worden aangetoond dat er in de realisatiefase geen sprake is van stikstofdepositie, om aan te tonen dat er geen schade wordt aangericht aan de nabij gelegen Natura 2000gebieden. Op de referentiedatum van 10 juni 1994 beschikte het bedrijf aan de Weerderdijk al over een milieutoestemming d.d. 2-5-1990 voor het houden van 125 melkkoeien en 57 stuks jongvee. Dit staat gelijk aan een totale ammoniakemissie van 1.875,8 kg NH3 per jaar. In de beoogde situatie worden er maximaal 50 volwassen paarden en 20 paarden in opfok op het bedrijf gehouden. Deze dieren hebben gezamenlijk een ammoniakemissie van 292 kg NH3 per jaar.

Op 23-12-2022 is er door Tauw een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming aangevraagd om aan te tonen dat er met de beoogde ontwikkeling geen sprake is van een toename in stikstofdepositie ten opzicht van de referentiesituatie. In Bijlage 9 is de beschikking op deze aanvraag opgenomen (kenmerk: Z192566). In de koopovereenkomst is opgenomen dat het overschot aan stikstof ten goede komt aan de natuur. De stikstofdepositie in de beoogde situatie is als maximum vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan. Wet ammoniak en veehouderij Naast de Wet natuurbescherming stelt de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) regels voor het houden van landbouwhuisdieren in of in een zone van 250 meter rondom WAV-gebieden (zeer kwetsbaar gebied). Oprichting van een nieuwe veehouderijen is niet toegestaan en uitbreiding van het aantal landbouwhuisdieren binnen een inrichting is eveneens niet is toegestaan, wanneer bestaande dierverblijven binnen de 250 meter zone liggen. Op grond van artikel 7, eerste lid, onder c van de Wav, is uitbreiding van het aantal dierenverblijven voor paarden en

37 Bestemmingsplan Weerderdijk 5 te Westerhoven

schapen wel toegestaan. De beoogde ontwikkeling aan de Weerderdijk voorziet in de oprichting van dierverblijven in de zone van 250 meter rondom zeer kwetsbaar gebied. Aangezien binnen de inrichting uitsluitend paarden worden gehouden, is de uitzondering van toepassing en gelden er vanuit de Wav geen beperkingen voor de gewenste ontwikkeling van de bestaande paardenhouderij. Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is in 1990 geïntroduceerd als antwoord op de achteruitgang van de natuur en biodiversiteit in Nederland. Het is een netwerk van natuurgebieden waarmee biodiversiteit behouden en versterkt wordt. Planten en dieren kunnen zich van het ene naar het andere gebied verspreiden. Soorten raken hierdoor niet geïsoleerd en hebben dus minder kans op uitsterven. De NNN bestaat uit: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 nationale parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee. Het plangebied is, zoals in onderstaande afbeelding te zien, gelegen in het Natuur Netwerk Brabant. Doordat de beoogde bebouwing buiten de zone Natuur Netwerk Brabant is gelegen blijven de natuurlijke en ecologische waarden van deze gebieden gehandhaafd.

Bovendien wordt het plangebied voorzien van een gebiedseigen landschappelijke inpassing en waterberging, waardoor deze waarden worden versterkt.

Afbeelding 21: Uitsnede kaart Instructieregels gemeenten natuur en stiltegebieden Iov plangebied

Houtopstanden Er worden geen houtopstanden gekapt. Toetsing aan de drie beschermingsregimes voor houtopstanden is daarmee niet aan de orde.

4.4.2

Soortenbescherming

In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet mogen worden gedood, gevangen of verontrust en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming van beschermde flora- en fauna opgenomen. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes omschreven. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing en vrijstelling kan worden verleend. Er zijn drie beschermingsregimes, de soorten op basis van de Vogelrichtlijn, de soorten op basis van de Habitatrichtlijn en de andere soorten genoemd in de Wet natuurbescherming (hierna Wnb). Het plangebied is een agrarische bedrijfslocatie waar al enkele jaren een melkveehouderij gevestigd is. Ten dienste van de bedrijfsvoering zijn enkele gebouwen aanwezig. De omliggende gronden zijn in gebruik als weiland en bestaan zodoende uit grasland. Het planvoornemen houdt onder andere in dat er gebouwen worden gesloopt.

Dit heeft mogelijk een negatief effect op vaste rust- en verblijfsplaatsen van beschermde soorten.

38

Bestemmingsplan Weerderdijk 5 te Westerhoven

Natuurtoets Om te bepalen of er als gevolg van het initiatief mogelijk beschermde diersoorten verstoord worden is een natuurtoets uitgevoerd door onderzoeksbureau Tauw, zie Bijlage 10. In opdracht van provincie Noord-Brabant heeft Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet Natuurbescherming voor de sloop van de huidige bebouwing, met uitzondering van de bedrijfswoning, en de bouw van een paardenfokkerij voor paarden in hogere sportsegment aan de Weerderdijk 5 te Westerhoven. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de bepalingen als opgenomen in de Wnb, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen worden verleend. Uit de natuurtoets komt naar voren dat voor de soortgroepen nader onderzoek nodig is: kleine marters/steenmarter, vogels en vleermuizen. Voor broedvogels gelden algemene regels. Vogels kunnen gedurende het gehele jaar tot broeden komen. Het aantasten van nesten met een broedgeval is een overtreding van de Wnb, hiervoor is een ontheffing nodig. Tijdens een broedvogelcontrole voorafgaand aan de werkzaamheden wordt gelet op deze nesten zodat maatregelen genomen kunnen worden waardoor het nest onaangetast blijft en de wet niet wordt overtreden. Het is daarom zaak om hier voorafgaand aan het werk rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart t/m augustus.

Een controle op nesten van broedende vogels is voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk om overtreding van de wet te voorkomen. Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald. Aangeraden wordt om niet tijdens het reguliere broedseizoen te starten met de beoogde ontwikkelingen. Als er wel in het broedseizoen gestart wordt met de beoogde ontwikkelingen dan is een broedvogelcontrole noodzakelijk voorafgaand aan de werkzaamheden. Indien voorgenoemde maatregelen worden uitgevoerd zijn negatieve effecten op broedvogels uitgesloten en is er geen ontheffing nodig. Nader soortgericht onderzoek Uit de nadere onderzoeken door Tauw blijkt dat de huismus, steenmarter, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis gebruik maken van het plangebied (Bijlage 11). Negatieve effecten op deze soorten kunnen tijdens de werkzaamheden niet worden voorkomen. Derhalve is voor deze ontwikkeling een ontheffing aangevraagd op basis van een mitigatieplan dat is ingediend bij het bevoegd gezag.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GemeenteBergeijk&id=b36eb415-86cd-4f3d-95c3-466a87baafb6