CConstaterende datBergeijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 12. PvE archeologie BOPA Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg (2026.01.16)

Gemeenteraad 26 februari 2026, gemeente BergeijkBij agendapunt: BOPA fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg, Riethoven19.998 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Indien er gegraven wordt in delen die nog niet verhard zijn of waar geen kabels en leidingen aanwezig zijn, worden de graafwerkzaamheden vanaf het maaiveld begeleid. De te begeleiden werkzaamheden betreffen de locaties waar het fietspad wordt aangelegd, de bermsloot wordt gerealiseerd en werkzaamheden in de berm. De opgraving - variant archeologische begeleiding vindt plaats tijdens de uitvoering van civieltechnische graafwerkzaamheden in onderzoeksgebied Broekhovenseweg. Er zal laagsgewijs worden verdiept, bij voorkeur in lagen van ongeveer 10 centimeter, en uitsluitend bij aanwezigheid en naargelang de aanwijzingen van een Senior KNA Archeoloog. De Senior KNA Archeoloog kan worden bijgestaan door een KNA Archeoloog/Veldtechnicus. De graafwerkzaamheden dienen voor zover mogelijk te worden uitgevoerd met een graafmachine met een gladde, dichte bak (geen tandenbak).Bij de opgraving - variant archeologische begeleiding wordt ten minste één goed leesbaar vlak aangelegd, in de top van de B-, BC- of C-horizont, vlak onder het antropogene dek. Als civieltechnische bodemingrepen niet tot in de top van het dekzand (C-horizont) reiken wordt er niet verder verdiept. Mochten sporen op een hoger niveau worden aangetroffen dan worden hier tussenvlakken aangelegd. De Senior KNA Archeoloog maakt om de 20 meter een bodemprofieltekening.

Indien er grote verschillen zitten in de bodemopbouw tussen twee naast elkaar gelegen profielen dan dient de archeoloog extra profielopnames te maken om de verschillen te verklaren. Het archeologische team volgt het civieltechnische team. De Senior KNA Archeoloog krijgt voldoende mogelijkheid om alle archeologische gegevens te documenteren. Bij het aantreffen van bijzondere sporen, bijvoorbeeld vuursteenvindplaatse, graven, muurwerk of beer- en/of waterputten, wordt het werk stilgelegd en zal in overleg met de opdrachtgever, de bevoegde overheid en de adviseur van de bevoegde overheid worden bepaald of het spoor opgegraven moet worden of mogelijk in situ kan worden behouden. In paragraaf 6.2 wordt verder ingegaan op de werkwijze. Indien de aangetroffen sporen buiten de begrenzing van de geplande ingrepen doorlopen, wordt een waarderingsadvies opgesteld aan de hand van de waarderingscriteria in de gebruikelijk. Echter de uitgebreide archeologische verwachting, nederzettingen, graven en sporen van agrarisch gebruik maken de hoge dekkingsgraad noodzakelijk.

24

Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA vingerende versie) en een advies gegeven ten aanzien van inrichting en beheer. Dat kan betekenen dat een deel van het spoor te kwetsbaar is voor behoud en dat dit verder opgegraven moet worden, maar het kan ook betekenen dat afdekking door middel van worteldoek en/of zand voldoende is om de archeologisch resten in de bodem te kunnen behouden. De opdrachtgever dient de civieltechnische aannemer erop te wijzen dat hij voldoende medewerking aan de archeologische uitvoerder verleent om het proefsleuvenonderzoek/de opgraving variant de archeologische begeleiding naar de voorwaarden van dit PvE te kunnen uitvoeren. Het is raadzaam bij de civieltechnische werkzaamheden om met het archeologisch onderzoek vooruit te werken: voorafgaand aan de civieltechnische werken wordt door de civieltechnische uitvoerder steeds een stuk opengelegd waar het civieltechnische werk korte tijd later zal worden uitgevoerd. Deze ontgraving gebeurt tot op het sporenniveau (onder het antropogene dek) en in begeleiding en op aanwijzing van de begeleidende archeoloog. Indien sporen aanwezig zijn, worden deze gedocumenteerd volgens de voorwaarden in het Programma van Eisen. Daarna is deze zone vrij voor het civieltechnische werk; de werkzaamheden kunnen dan zonder verdere begeleiding plaatsvinden.

Op deze manier behoeft een archeoloog slechts beperkt per dag aanwezig te zijn en kan stilstand voorkomen, dan wel beperkt worden. In principe voert één projectleider het veldwerk uit. Indien sporen worden aangetroffen, zal een tweede archeoloog worden ingezet om te helpen bij het inmeten en documenteren van de grondsporen. 6.2 Methoden en technieken Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA versie 4.2 (d.d. 14-03-2022). Omdat de opgraving variant archeologische begeleiding gecombineerd wordt met het civieltechnische graafwerk dienen onderstaande archeologische bepalingen ook in de voor het uit te voeren grondwerk benodigde bestek c.q. werkopdracht naar de aannemer te worden opgenomen. Voorwerk • De start, planning en werkwijze van de opgraving variant archeologische begeleiding en het afstemmen van o.a. het materieel en de verantwoordelijkheden geschiedt in nauw overleg. Voor aanvang van de werkzaamheden zal daartoe overleg (toolboxmeeting) plaatsvinden tussen opdrachtgever, directievoerder, aannemer en archeologische uitvoerder. • Het schrijven van een Plan van Aanpak (PvA) (KNA-specificatie OS01); dit is een handleiding voor het onderzoek. Het Plan van Aanpak dient ruim vóór aanvang (minimaal één week) van het veldonderzoek ter goedkeuring aan de bevoegde overheid te worden voorgelegd.

• Het doen van de onderzoeksmelding bij het centrale systeem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) door het aanvragen van een Archis3 onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.). • Het door de bevoegde overheid en opdrachtgever geaccepteerde en ondertekende Programma van Eisen wordt door de uitvoerder per email en vóór aanvang van het onderzoek, ter kennisgeving naar de depothouder gestuurd. • De bevoegde overheid dient minimaal vijf werkdagen van te voren op de hoogte te worden gesteld van de aanvang van het veldonderzoek. Omdat dit Programma van Eisen zowel voor zowel een proefsleuvenonderzoek als een opgraving – variant archeologische begeleiding geldt is voor de volledigheid besloten dat er

25

bijna geen verschil in de methoden en technieken tussen een proefsleuvenonderzoek en een opgraving – variant archeologische begeleiding is. Alle sporen en vondsten moeten daarmee volledig worden gedocumenteerd of geborgen.

Veldwerk • Er wordt uitgegaan van een onderzoek met een standaard complexiteit. Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA-specificaties OS02 t/m OS09. • Het archeologisch onderzoek staat onder leiding van een Senior KNA Archeoloog die archeologische gegevens conform de KNA documenteert. Deze leidinggevende wordt minimaal ondersteunt door één (KNA-)archeologen en/of (Senior) veldtechnici. • De ontgraving dient door een Senior KNA Archeoloog begeleid te worden. De diepte van de werkput en het aantal aan te leggen vlakken is afhankelijk van de aangetroffen stratigrafie/de diepte van de ingreep. Tijdens het afgraven van zowel de bovengrond als ook de bodemhorizonten zal aandacht moeten worden besteed aan het eerder zichtbaar worden van sporen en vondsten. Alle dergelijke vondsten en sporen dienen dan te worden gedocumenteerd voordat verder wordt gegraven naar een mogelijk dieper sporenvlak. Bij het laagsgewijs verdiepen met de graafmachine dient men ook alert te zijn op archeologische mobilia uit het antropogene dek (vuursteen, houtskool en/of crematieresten). Indien vuursteen, spikkels houtskool of crematieresten worden getraceerd, dan moet de locatie als bult blijven staan. De locatie dient vervolgens met schep schavenderwijs verdiept te worden. Indien er aanwijzingen zijn voor spoorvervaging (uitloging), zal een dieper controlevlak aangelegd moeten worden.

Depressies en laagten worden tot op een eventueel aanwezige B-horizont laagsgewijs verdiept. • Direct na aanleg van de proefsleuven in het onderzoeksgebied Eikestraat vindt op een vooraf vastgelegd tijdstip overleg plaats met de bevoegde overheid en de opdrachtgever en worden de waardering en selectie van de eventueel aanwezige vindplaatsen besproken. • De ontgravingen worden laagsgewijs uitgevoerd totdat het niveau is bereikt waarop de verwachte grondsporen zichtbaar worden. • Om te zorgen dat eventuele resten herkenbaar zijn bij het uitgraven, moet de graafmachine voorzien zijn van een gesloten bak met vlak snijvlak. • Zodra archeologische sporen worden aangetroffen, zal een leesbaar vlak moeten worden aangelegd. • Verstoorde zones dienen verder verdiept te worden tot in de top van de C-horizont ter controle van mogelijk aanwezige archeologische sporen. • Er wordt in principe uitgegaan van de aanleg van één vlak in de top van de natuurlijke afzettingen (dekzand). Wel dient bij het laagsgewijs verdiepen vanaf het maaiveld zorgvuldig rekening gehouden te worden dat archeologische resten ook op een hoger niveau aanwezig kunnen zijn. Archeologische resten worden in principe alleen verwacht in de top van het dekzand. • Voordat er verder verdiept wordt, dienen de sporen in het bovenliggende vlak volledig gedocumenteerd en afgewerkt te zijn.

• Om tot een goede waardering van de vindplaats te komen, dienen tijdens het proefsleuvenonderzoek alle sporen (van voor 1946) te worden gecoupeerd en afgewerkt om de kwaliteit en conservering van de sporen te kunnen inschatten. Een uitzondering vormen duidelijke structuren of een overvloed aan sporen. • Waar mogelijk en relevant voor de onderzoeksvragen worden monsters genomen voor 14C, OSL of dendrochronologische dateringen en voor botanisch en zoölogisch onderzoek uit kansrijke sporen. Bij het aantreffen van sporen van uitzonderlijke aard wordt contact opgenomen met de bevoegde overheid.

26

•

•

•

• •

• •

•

• • • • • • •

Archeologisch relevante structuren mogen bij het proefsleuvenonderzoek niet worden verwijderd. Deze zullen pas volledig worden onderzocht in het geval van een vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving, of indien mogelijk in situ behouden blijven. Er wordt altijd een vlaktekening gemaakt, ook wanneer geen grondsporen of structuurresten zichtbaar zijn. Deze vlaktekening is altijd in het veld aanwezig (ook bij digitaal intekenen). Alle sporen, verstoringen en bodemverkleuringen worden ingetekend en beschreven op de vlaktekeningen. Het puttenplan geeft een overzicht van alle werkputten en het gehanteerde meetsysteem. Er worden foto’s gemaakt van de algemene situatie, waaronder het terrein en omgeving bij aanvang van het werk, de vlakken, de profielen, de grondsporen in het vlak en de coupes. Tevens worden er van belangwekkende en/of kwetsbare vondsten op de plaats van aantreffen foto’s gemaakt. Ten behoeve van publicatie of expositie worden ook actie- of illustratieve foto’s gemaakt. Van de vlakken worden foto’s gemaakt in secties. De algemene velddocumentatie bestaat uit de registratie en documentatie van de werkzaamheden in het veld, met name de administratieve zijde daarvan. Dit omvat tevens het digitale gegevensbeheer van de velddocumentatie. De spoorformulieren worden ingevoerd zodat een database ontstaat van de primaire veldgegevens.

Tijdens het onderzoek wordt voldoende materiaal met diagnostische kenmerken verzameld om een uitspraak te kunnen doen over de datering, de eventuele fasering en de conserveringstoestand van de bodemlagen. Fragiele en/of belangwekkende vondsten dienen op de plaats van aantreffen gefotografeerd te worden. Tevens worden er van belangwekkende en/of kwetsbare vondsten op de plaats van aantreffen foto’s gemaakt. Ten behoeve van publicatie of expositie worden ook actie- of illustratieve foto’s gemaakt die zonder beperkingen in het kader van de AVG mogen worden ingezet voor publicitaire doeleinden. Cultuurlagen worden steekproefsgewijs doorzocht op vondstmateriaal. Binnen grondsporen worden vondsten per laag/vulling en eventueel segment verzameld. Vondsten buiten grondsporen worden in beginsel in vakken van 2 x 2 m verzameld, waarbij de behorende bodemhorizont en/of NAP-hoogte wordt geregistreerd. Metaalvondsten of mobilia met een bijzonder karakter, zoals een stenen (hamer)bijl, worden driedimensionaal ingemeten. In het geval van vondstrijke cultuurlagen en concentraties wordt in overleg met de archeologisch adviseur van de gemeente Bergeijk bepaald hoe de vondsten zullen worden verzameld en ingemeten.

Stortvondsten (indien de stort niet wordt afgevoerd) wordt onder een vondstnummer verzameld per sleuf bij het proefsleuvenonderzoek/en per 25 strekkende meter bij de opgraving variant archeologische begeleiding. Bijzondere vondsten dienen apart te worden ingemeten en onder een afzonderlijk vondstnummer te worden geregistreerd. Ook bijzondere deposities binnen sporen worden afzonderlijk geregistreerd door middel van fotografie en tekening. Het materiaal zelf wordt individueel (X-, Y- en Z-waarde) en gescheiden van het overige vondstmateriaal in het spoor verzameld. Tijdens de ontgravingswerkzaamheden wordt per haal van de graafmachine het dan voorliggende vlak met een metaaldetector gecontroleerd op de aanwezigheid van metalen voorwerpen. De metaaldetector dient te worden gehanteerd door een hierin ervaren medewerker. Metaalvondsten in het vlak en in de sporen worden als puntvondst ingemeten en onder een afzonderlijk vondstnummer geregistreerd. Daarnaast dient de stort (indien de stort niet wordt afgevoerd) per 25 strekkende meter bij de opgraving variant archeologische begeleiding met een metaaldetector te worden onderzocht.

27

• •

• • •

•

•

•

Bij het waterpassen van het vlak om de 5 meter, wordt telkens ook het maaiveld direct buiten de ontgraving meegenomen. De verschillende vondstcategorieën worden zodanig verpakt, dat de conditie van het materiaal zo optimaal mogelijk blijft. Registratie vindt plaats op een vondstenlijst. Registratie en inventarisatie van het vondstmateriaal gebeurt direct na afronding van het veldwerk. Alle aanpassingen van het archeologische onderzoek gebeuren te allen tijde in overleg met de voor het project verantwoordelijke Senior KNA Archeoloog en de bevoegde overheid. Er wordt vooralsnog niet uitgegaan van specialistisch onderzoek in het veld. Indien dit noodzakelijk blijkt, dan alleen na overleg met de bevoegde overheid en de opdrachtgever. Indien waterputten of andere diepere sporen worden aangetroffen, dan wordt hiervan door middel van een Edelmanboor en/of guts vastgesteld hoe diep deze reiken. Bij het proefsleuvenonderzoek worden deze niet verder onderzocht. Bij de opgraving variant archeologische begeleiding worden deze sporen wel opgegraven tot de maximale diepte van de geplande civieltechnische ingreep. Vuursteensites: in het geval dat vuursteensites worden aangetroffen, vindt overleg plaats met de bevoegde overheid en de opdrachtgever.

Als richtlijn geldt het volgende: indien in hert vlak sprake is van meer dan twee vuursteenvondsten per m 2 bij het laagsgewijs verdiepen, dan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van een vuursteenconcentratie. In een dergelijk geval wordt in de lengterichting van de ontgraving over een vermoede concentratie een raai van minstens 10 proefvakjes van 50 bij 50 centimeter aangelegd om de 50 centimeter. Deze vakjes handmatig uitgeschaafd. De grond wordt per laag van 5 centimeter verzameld en gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 3 millimeter. Het uitschaven vindt plaats tot een diepte waarop in twee achtereenvolgende lagen geen artefacten meer worden aangetroffen. De raai kan verlengd worden indien de concentratie groter blijkt of zich in een bepaalde richting blijkt voort te zetten. Vervolgens kan, indien blijkt dat het hier om een vuursteenconcentratie gaat, ook in de breedte van de sleuf een raai vakjes over de concentratie worden aangelegd. Van één zijde van de raai worden de profielen van de vakjes getekend, gerelateerd aan een absolute hoogte. Een verdere strategie om de omvang van de concentratie buiten de proefsleuf te bepalen, wordt in overleg met de bevoegde overheid en de opdrachtgever bepaald. Bij positieve resultaten wordt het vlak bij het proefsleuvenonderzoek niet machinaal verdiept.

Bij de opgraving variant archeologische begeleiding dient de gehele vuursteensite te worden opgegraven, na goedkeuring door de bevoegde overheid, volgens de hier boven beschreven methode. Crematiegraven die eenmaal blootgelegd zijn, zijn zeer kwetsbaar en dienen daarom nog dezelfde dag geborgen te worden. Voor de berging van crematiebegravingen is een Senior KNA Archeoloog of fysisch-antropoloog verantwoordelijk. Berging van crematieresten gebeurt volgens de inmiddels gangbare “methode Hiddink”. 14 Indien containers (bijvoorbeeld vrijwel compleet vaatwerk van aardewerk of glas) en/of beenderblokken worden aangetroffen, worden ze bij voorkeur behandeld als monsters. Dit wil zeggen dat ze “en bloc” worden geborgen. De inhoud van de containers en de beenderblokken worden via een “micro-opgraving” en/of zeefmethode onder laboratoriumomstandigheden onderzocht. Een eventuele “micro-opgraving” en uitwerking van crematiebegravingen wordt uitgevoerd door een fysisch-antropoloog. Aangetroffen inhumatiegraven worden gedocumenteerd conform KNA, versie 4.2 (d.d. 14-03-2022). Vanwege de kwetsbaarheid dienen inhumatiegraven direct geborgen te worden, in principe op de dag van aantreffen. Daarnaast is voor de opgraving van inhumatiegraven een fysisch-antropoloog verantwoordelijk met wie in samenspraak met de bevoegde overheid de onderzoeksstrategie in het veld wordt afgestemd. De

14 Hiddink 2003, 97-107.

28

•

• • •

inhumaties worden schaal 1:10 getekend, maar kunnen ook middels fotogrammetrie worden gedocumenteerd. Het menselijk skeletmateriaal dient te worden opgegraven, gedetermineerd en uitgewerkt volgens de beroepsgroep heersende normen (o.a. leeftijdsbepaling, geslachtsbepaling, pathologie, bijgaven, etc.). Bij het aantreffen van archeologische resten die, gezien de initiële verwachting, niet verwacht werden, worden de opdrachtgever, het bevoegd gezag en eigenaar van het vondstmateriaal zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld (conform de richtlijnen deselectie KNA 4.2 OS13). Na documentatie worden de proefsleuven weer gedicht. De bouwvoor wordt bij het proefsleuvenonderzoek gescheiden gehouden van de overige grond en als laatste teruggestort. Indien de aangetroffen sporen buiten de begrenzing van de geplande ingrepen doorlopen, wordt een waarderingsadvies opgesteld aan de hand van de waarderingscriteria in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.2) en een advies gegeven ten aanzien van inrichting en beheer. Dat kan betekenen dat een deel van het spoor te kwetsbaar is voor behoud en dat dit verder opgegraven moet worden, maar het kan ook betekenen dat afdekking door middel van worteldoek en/of zand voldoende is om de archeologisch resten in de bodem te kunnen behouden.

6.3 Omgang kwetsbare vondsten en monsters Kwetsbare vondsten en monsters dienen behandeld te worden conform OS11/OS11wb en de KNA-Leidraad “Eerste hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal.” In gevallen van kwetsbaar materiaal waarbij direct ernstig informatieverlies kan optreden, dient een specialist betrokken te worden. Wat betreft de opslag van vondstmateriaal levert een koele en donkere ruimte de meeste stabiliteit op. Voor kwetsbare materiaalgroepen is doorgaans meer nodig om de stabiliteit zo veel mogelijk te garanderen. Voor het behandelen en verpakken van vondsten en monsters ten behoeve van de tijdelijke opslag dienen per kwetsbare materiaalgroep de betreffende subspecificaties binnen OS11 gehanteerd te worden; ook de KNA-leidraad Veldhandleiding archeologie en de KNAleidraad Eerste Hulp bij Kwetsbaar Vondstmateriaal dienen tijdens het veldwerk en de opslag gehanteerd te worden. Tevens geldt voor alle materiaalcategorieën het advies van de specialist. 6.4 Structuren en grondsporen • • •

• • •

Er dient te worden gewerkt conform KNA-specificatie OS03 t/m OS09 (opgraven). Om de leesbaarheid te vergroten, worden sporen (en zo nodig delen van het vlak) altijd met de schep opgeschaafd. Het opgravingsvlak wordt gefotografeerd, sporen worden nauwkeurig ingekrast. De sporen worden getekend, de vlakken op schaal 1:50 en de eventuele coupetekeningen en profielen op schaal 1:20, en graven op schaal 1:10. Verder worden de sporen gefotografeerd en wordt de hoogte ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP) bepaald. De vlakken mogen ook met een GPS of fotogrammetrie getekend worden. Sporen in het vlak worden gedocumenteerd: de geïdentificeerde sporen worden beschreven en vastgelegd in dag- en weekrapporten en op daartoe geëigende formulieren, conform KNA, versie 4.2 (d.d. 14-03-2022). Sporen en lagen die zowel in het vlak als in het profiel zichtbaar zijn, krijgen hetzelfde spoor- en laagnummer. Voor een goede waardestelling en het vaststellen van de kwaliteit is het couperen van alle sporen, van voor 1946, noodzakelijk, zeker als de aard niet duidelijk is. De sporen worden in zijn geheel opgegraven en afgewerkt. Hierbij is wel terughoudendheid geboden bij paalsporen van een (gebouw)structuur als de kans op vervolg groot is en

29

•

• • •

• • • •

• •

• • • • • • •

de oriëntatie van het gebouw niet duidelijk is. De sporen worden in zijn geheel opgegraven en afgewerkt. Greppels worden in iedere werkput tegen de profielwand minstens één keer over een breedte van minstens 1 meter gecoupeerd. Daarna worden deze machinaal volledig uitgeschaafd met het oog op vondsten en om te onderzoeken of er sporen direct onder greppels aanwezig zijn. Grotere sporen worden in secties of door middel van kwadranten onderzocht. Greppelstructuren worden aan gebruiksfasen toegewezen en waar mogelijk vergeleken met de oudste kadastrale kaarten van het gebied. Grondsporen die deel uit maken van een (gebouw)structuur of grote concentraties grondsporen dienen daarentegen bij het proefsleuvenonderzoek in eerste instantie alleen (selectief) te worden gecoupeerd en niet te worden afgewerkt. Deze sporen dienen zoveel mogelijk in dezelfde richting te worden gecoupeerd. Dit heeft als doel de datering en de conservering zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen, waarbij de archeologische resten zoveel mogelijk intact gehouden worden. Dit ter beantwoording van de onderzoeksvragen. Bij de opgraving variant archeologische begeleiding dienen deze sporen wel in zijn geheel opgegraven te worden. Bij het aantreffen van verstoringen dienen deze te worden verklaard en gedateerd, zo nodig door middel van couperen.

Er kan, anders gezegd, niet worden volstaan met een duiding van “(sub)recente verstoring”. De vulling uit de gecoupeerde sporen wordt op metaal nagezocht met de metaaldetector. De coupes dienen individueel gewaterpast te worden. Splitsingen en oversnijdingen van sporen dienen op een dusdanige manier vastgelegd en onderzocht te worden, dat een eventuele fasering vastgesteld kan worden. Vondsten afkomstig uit dergelijke sporen worden per spoor en eventueel daarin te onderscheiden vullingen verzameld. Van sporen waarvan de onderkant in een dwarsdoorsnede binnen de maximale verstoringsdiepte van de civieltechnische graafwerkzaamheden niet bereikt kan worden, wordt de diepte en/of opbouw door middel van boringen bepaald. De gevonden lagen, grondsporen en structuren dienen zo mogelijk per periode te worden beschreven. De mate van uitwerking dient te zijn afgestemd op de vraagstellingen. Tevens dienen ze te worden meegenomen in de interpretatie en conclusie(s). Muurwerk moet worden ingemeten, gefotografeerd en onderzocht op constructieve aard, omvang en ouderdom conform vingerende versie KNA. Baksteengrootte, metselverband en 5- en 10-laagsmaat dienen genoteerd te worden, indien aanwezig. Bodemlagen moeten ten opzichte van eventueel muurwerk afzonderlijk worden beoordeeld. Bij putten dient het onderscheid gemaakt te worden tussen water-, afval- en beerputten.

Indien de vulling een vondstcomplex bevat, wordt materiaal met diagnostische kenmerken verzameld. Kansrijke sporen worden bemonsterd. Bij het aantreffen van bijzondere structuren en sporen dient eerst te worden overlegd met de bevoegde overheid en de opdrachtgever voordat de uitwerking ter hand genomen wordt. Indien de sporen door uitloging van het vlak slecht leesbaar zijn, dient een tweede vlak te worden aangelegd. Na documentatie worden de sporen weer dicht gegooid.

6.5 Lichten Vanaf het moment dat vondstmaterialen herkend worden tijdens het veldwerk begint de fase van het lichten, verpakken, (tijdelijk) opslaan en conserveren. In de meeste gevallen kan het

30

lichten door het veldteam ter plaatse uitgevoerd worden. In gevallen van kwetsbaar materiaal waarbij direct ernstig informatieverlies kan optreden, dient evenwel een specialist bij de lichting betrokken te worden. Wat betreft de opslag van vondstmateriaal levert een koele en donkere ruimte de meeste stabiliteit op. Voor kwetsbare materiaalgroepen is doorgaans meer nodig om de stabiliteit zo veel mogelijk te garanderen. Voor het behandelen en verpakken van vondsten en monsters ten behoeve van de tijdelijke opslag dienen per kwetsbare materiaalgroep de betreffende subspecificaties binnen OS11 gehanteerd te worden. Ook de KNA-leidraad Veldhandleiding archeologie en de KNAleidraad Eerste Hulp bij Kwetsbaar Vondstmateriaal dienen tijdens het veldwerk gehanteerd te worden. Tevens geldt voor alle materiaalcategorieën het advies van de te raadplegen specialist. 6.6 Aardwetenschappelijk onderzoek •

•

• •

Het aardwetenschappelijk onderzoek dient te worden uitgevoerd door een fysischgeograaf of een (Senior) KNA Archeoloog met aantoonbare ervaring op de hier verwachte bodem en geologie (Archeoregio: Brabants zandgebied). Het fysischgeografisch onderzoek bestaat uit het bestuderen van de profielopbouw, waarbij de aandacht is gericht op de opbouw van de bodem. Het profiel dient minimaal de bodemopbouw (bodemkundig en lithografisch) vanaf het maaiveld tot minimaal 30 centimeter beneden het niveau waarop sporen zichtbaar zijn opgeschaafd en gedocumenteerd te worden. Het lengteprofiel in proefsleuven 1 tot en met 7, 10, 11 en 21 tot en met 27 worden beschreven en getekend middels twee meter brede kolomopnames aan het begin en einde van de proefsleuf. In sleuven 8, 9 en 12 tot en met 20 dient de hele profielwand gedocumenteerd te worden, beschreven en getekend, dit om de eventueel aanwezige sporen van de raatakkers bestaande uit wallen (met mogelijk staken) op te sporen. Bij de opgraving variant archeologische begeleiding om de 25 meter. Bij afwijkende patronen in de bodemopbouw of grondsporen in de putwand (te denken valt aan lokale depressies, afvallagen, restanten van oud loopvlak, etc.) wordt het hele profiel getekend (schaal 1:20) en gefotografeerd. Profielkolommen worden gefotografeerd en getekend op schaal 1:20.

Wanneer sprake is van een overgangssituatie dan dient op die locatie een doorlopend profiel te worden gedocumenteerd. Bij afwijkende patronen in de bodemopbouw of grondsporen in de putwand (te denken valt aan oude wegen/karrensporen, lokale depressies, restanten van oud loopvlak, begravingen etc.) wordt het hele profiel getekend en gefotografeerd (schaal 1:20). De profielen behelzen minimaal de bodemopbouw (bodemkundig en lithografisch). Uitgangspunt is dat een landschappelijke reconstructie gemaakt kan worden. De profielen worden beschreven en getekend op basis van archeologica, textuur, kleur, structuur en lithostratigrafie. De interpretatie van de profielen gebeurt door de senior KNA-archeoloog. Indien onduidelijkheden ten aanzien van het bodemprofiel bestaan, wordt deze bijgestaan door een fysisch-geograaf die aantoonbare ervaring in het dekzandgebied heeft. De profielen worden beschreven en getekend op basis van bodemkundige kenmerken, archeologica, textuur, kleur, structuur, lithostratigrafie, humusgehalte, consistentie, laaggrenzen en gley-verschijnselen. Profielen worden onderzocht op vondsten, die per laag worden gedocumenteerd.

6.7 Anorganische artefacten •

Archeologisch relevante artefacten die worden aangetroffen worden verzameld. Indien mogelijk worden verschillende lagen van elkaar gescheiden. Spoorvondsten worden per spoor verzameld. Stortvondsten (indien de stort niet wordt afgevoerd) wordt onder een vondstnummer verzameld per sleuf bij het

31

• • • •

• •

proefsleuvenonderzoek/en per 25 strekkende meter bij de opgraving variant archeologische begeleiding. Archeologisch relevante vondsten en/of vondststrooiingen en/of clusters artefacten worden ter plaatse ingemeten en voorzien van een X-, Y-, en Z-waarden. Kwetsbare vondsten moeten door middel van speciale zorg en behandeling behouden (c.q. geconserveerd) worden conform KNA, versie 4.2 (d.d. 14-03-2022). Bij belangwekkende en/of kwetsbare vondsten worden op de vondstlocatie foto’s gemaakt, nadat het spoor en het object in situ fotogeniek zijn gemaakt. Wanneer de in het veld aangetroffen vondsten (hoeveelheden, soorten materialen, soorten objecten en/of dateringen en conservering) significant afwijken van wat er verwacht wordt of kan worden, is overleg nodig tussen de bevoegde overheid, de opdrachtgever en de depothouder, op aangeven van de opdrachtnemer. De depothouder maakt zijn wensen ten aanzien van selectie-deselectie van het onvoorziene materiaal kenbaar aan de bevoegde overheid en de opdrachtgever. Zo nodig komt ook de omgang met daarmee gemoeide extra kosten aan bod. De opdrachtnemer wordt over de uitkomsten van het overleg geïnformeerd door de bevoegde overheid. Zo nodig informeert de depothouder (/eigenaar) tevens de depotbeheerder.

Binnen twee dagen vanaf het moment van aantoonbaar melden/persoonlijk contact met/bij de depothouder dient een reactie ten aanzien van het wel/niet meenemen van het materiaal door de depothouder te zijn gegeven. Bij het uitblijven van een reactie binnen de afgesproken termijn mogen de overige partijen beslissen of zij het materiaal wel/niet uit het veld meenemen. Uitzondering op het bovenstaande vormt de materiaalcategorie ‘bouwmateriaal, onversierd’; dit kan meteen in het veld door de uitvoerende archeologen representatief worden geselecteerd. Bij de vondst van bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de bevoegde overheid en de opdrachtgever voordat de uitwerking ter hand genomen wordt.

6.8 Organische artefacten Het onderzoek wordt uitgevoerd conform de richtlijnen van de KNA, versie 4.2 (d.d. 14-032022). In aanvulling daarop geldt: • Alle aangetroffen organische materiaalgroepen dienen volgens de KNA leidraad Eerste Hulp bij Kwetsbaar Vondstmateriaal te worden geborgen en gedocumenteerd. De vondsten worden goed verpakt zodat de conditie van het materiaal zo optimaal mogelijk blijft. Bij bijzonder kwetsbare vondsten wordt een specialist geraadpleegd. • Alle artefacten die tijdens het aanleggen van het vlak of tijdens het aanleggen van het profiel worden aangetroffen, worden verzameld, zodat uitspraken mogelijk zijn met betrekking tot de datering, de eventuele fasering en de conserveringstoestand van de vindplaats. Indien veel vondsten aanwezig zijn, vindt in overleg met de Senior KNA Archeoloog en de bevoegde overheid een selectie plaats. • In het geval van bijzondere organische vondsten moeten - na overleg met de bevoegde overheid en de opdrachtgever - specialisten op de betreffende gebieden geraadpleegd en/of ingeschakeld worden bij het onderzoeken van de sporen en het bergen van de vondsten. 6.9 Archeozoölogische, archeobotanische en fysisch antropologische resten •

Het onderzoek wordt uitgevoerd conform de richtlijnen van de vigerende versie van de KNA.

32

•

•

•

•

Monsters worden genomen uit ecologisch veelbelovende sporen (veel houtskool, extreem goede conservering in natte omstandigheden of humeuze grondsporen en oude loop- of vegetatiehorizonten). In eerste instantie zal aan de hand van paleoecologische monsters de conserveringsgraad van organische resten in grondsporen worden gekwalificeerd. Indien monsters ook voldoende resten bevatten, kan tevens de “rijkdom” aan paleo-ecologische informatie worden vastgesteld en in het geval van de aanwezigheid van goed geconserveerde sporen dient naar gelang de vondstomstandigheden en tijdsperiode pollen- en zadenanalyses te worden genomen. Monsters worden door of in overleg met een specialist verzameld. Wanneer de sporen daartoe geschikt zijn, moeten alle sporen van één en dezelfde structuur bemonsterd worden ten behoeve van het verzamelen van botanische macroresten. Botanische macroresten, zoals houtskool, zaden, vruchten, stengelresten, etensresten, etc., dienen middels bemonstering in zakken van 5 liter verzameld te worden, conform de richtlijnen in de KNA Leidraad Veldhandleiding archeologie. Indien sprake is van veenlagen of andere bijzondere fenomenen, dan worden deze selectief (d.w.z. in relatie tot de onderzoeksvragen) bemonsterd voor pollenanalyse en/of slijpplaatonderzoek. Hout kan aanwezig zijn in diepe sporen als waterputten en waterkuilen.

Bij het aantreffen van wallen van de raatakkers en grafheuvels dienen in deze wallen/heuvels pollenbakken te worden geslagen voor pollenonderzoek. Daarnaast dienen deze sporen bemonsterd te worden voor botanische macroresten (zie hierboven). Al het hout wordt verzameld en verpakt conform de richtlijnen in de KNA Leidraad Veldhandleiding archeologie en de richtlijnen voor (de)selectie KNA, versie 4.2 (d.d. 14-03-2022), OS11 en OS13. Indien het om veel hout gaat, dient een houtspecialist in het veld te worden ingeschakeld.

6.10 Overige resten Ter beantwoording van de onderzoeksvragen dienen monsters genomen te worden voor onder meer micro-morfologisch, botanisch, diatomeeën, mijten, insecten onderzoek, pollen en nonpalynomorfe pollen (NPP) analyse en geochemisch onderzoek. Deze monsternames dienen te geschieden op basis van interpretatie door de Senior KNA Archeoloog, indien noodzakelijk in samenspraak met de daartoe ter zakekundige specialist. 6.11 Dateringstechnieken Waar mogelijk en relevant voor de onderzoeksvragen worden uit sporen met houtskool, fosfaatverkleuringen, organische of anderszins opvallende vulling monsters genomen voor 14C- of dendrochronologische dateringen; ongeacht dus of ander vondstmateriaal uitsluitsel geeft over de datering van sporen/lagen. Vaak is dit in het veld namelijk nog niet duidelijk en daarnaast dient een dateringsonderzoek ter verificatie van de determinatie van vondsten die vaak geen scherpe datering opleveren. 6.12 Bouwstenen Een bouwsteen is gedefinieerd als een logische of logistieke informatie-eenheid van de documentatie van een gravend onderzoek.

Deze bouwstenen definiëren de wijze van documenteren van de basisgegevens van een specifiek (waarnemings)proces of een specifieke activiteit binnen een archeologisch onderzoek, te weten administratieve (bijvoorbeeld: project en OM-nr./Archis3 onderzoeksmeldingsnummer) en ruimtelijkgeografische (de positie en ruimtelijke begrenzing). Een bouwsteen, of een combinatie van bouwstenen, kan bijvoorbeeld de vorm hebben van een analoge (papieren) lijst of

33

veldtekening, maar ook van een digitale data-basetabel of een kaartlaag in een CAD- of GIS-toepassing. Van de werkzaamheden in het veld dienen dag- en weekrapporten te worden bijgehouden. Tevens dienen sporen op spoorformulieren, vondsten op vondstformulieren, monsters op monsterformulieren, tekeningen op tekeningformulieren en foto’ s op fotoformulieren te worden geregistreerd. 6.13 Complexiteit De complexiteit van het archeologisch onderzoek is standaard. De mogelijkheid van het voorkomen van meerdere perioden is het enige dat het onderzoek gecompliceerd kan maken. De complexiteit van de opgraving - variant archeologische begeleiding is standaard. Doordat het onderzoek plaats vindt binnen de civieltechnische werkzaamheden zal dat beperkingen met zich meebrengen. Om de uitvoering van de opgraving - variant archeologische begeleiding voorspoedig te laten lopen, is het noodzakelijk dat goede afspraken worden gemaakt tussen civiele uitvoerder en het archeologisch veldteam voorafgaand aan de werkzaamheden en tijdens de uitvoering zelf. 6.14 Beperkingen Er zijn geen specifieke beperkingen van toepassing binnen het proefsleuvenonderzoek. Vanwege civieltechnische beperkingen is het niet mogelijk om een regulier proefsleuvenonderzoek of een archeologische opgraving uit te voeren in het onderzoeksgebied Broekhovenseweg.

Daarom wordt het onderzoek in de vorm van een opgraving variant archeologische begeleiding uitgevoerd. Het onderzoek betreft een archeologische begeleiding. Dit betekent dat de locatiekeuze waar ingrepen plaatsvinden en de diepte samenhangen met de planvorming en niet door de archeoloog bepaald worden. De begrenzing van de graafwerkzaamheden kan tijdens het archeologisch onderzoek lokaal worden overschreden. Specifiek gaat het hierbij om graafwerkzaamheden (met de schop) in het kader van metaaldetectie onderzoek, waarbij het aangelegde vlak systematisch wordt onderzocht op de aanwezigheid van metaal die door de ondiepe ligging bedreigd wordt. Daarnaast kunnen behoudenswaardige sporen worden aangetroffen die nog dieper reiken dan de verticale grens van de graafwerkzaamheden. Indien duurzaam behoud hier niet mogelijk is, dan kan in het kader van een opgraving (couperen en afwerken van sporen) hier lokaal dieper ontgraven worden. Verder moet worden opgemerkt dat slechts een beperkt oppervlak wordt blootgelegd, waardoor de interpretaties van de aangetroffen archeologische resten mogelijk beperkingen hebben.

34

HOOFDSTUK 7 EVALUATIERAPPORT, UITWERKING EN CONSERVERING 7.1 Evaluatierapport Aanvulling/verduidelijking op specificatie OS12 van de KNA versie 4.2 (d.d. 14-03-2022). • Na het veldwerk en na de technische uitwerking zoals hieronder omschreven, wordt door de projectleider - zo nodig na specialistisch advies - een evaluatierapport opgesteld volgens specificatie OS12. In het evaluatierapport worden de bevindingen van het veldwerk samengevat en wordt een voorstel gedaan voor nadere analyse van sporen, monsters en vondsten (waaronder laboratoriumonderzoek), voor de conservering van objecten en voor de opzet van het eindrapport, waaronder de keus van de te tekenen, te fotograferen en af te beelden objecten. Voorgesteld wordt welke vondsten en monsters niet bewaard (gedeponeerd) hoeven te worden. Geëvalueerd wordt in welke mate de onderzoeksvragen beantwoord kunnen worden en of voor de uitwerking gewijzigde of aanvullende onderzoeksvragen gesteld moeten worden. Geëvalueerd wordt of aanvullende of gewijzigde eisen gesteld moeten worden aan de hieronder genoemde eisen van uitwerking en conservering. • Het evaluatierapport wordt uiterlijk binnen vier weken na het veldwerk digitaal bij de bevoegde overheid en de depothouder ingediend. Het evaluatierapport wordt getoetst en vastgesteld door de bevoegde overheid en fungeert daarna als aanvulling op dit Programma van Eisen.

• De evaluatie kan worden overgeslagen, na overleg met de ODZOB, bij weinig sporen en vondsten. • Na vaststelling van het evaluatierapport geeft de vergunningaanvrager opdracht tot uitwerking, rapportage en conservering volgens het vastgestelde evaluatierapport, rekening houdende met de vastgestelde termijn voor oplevering van het concept eindrapport. • De algemene technische uitwerking omvat het digitaliseren van alle in het veld gemaakte tekeningen, het bewerken van digitale afbeeldingen en het digitale gegevensbeheer. • Digitalisering van coupetekeningen mag zo nodig worden uitgesteld tot de wetenschappelijke uitwerking. • Alle sporen en structuren worden afgebeeld op een ‘allesporenkaart’, of (bij een complexe stratigrafie) op gecombineerde vlaktekeningen. • Alle vondsten worden gereinigd en primair geanalyseerd (bakselniveau voor keramiek). • Paleo-ecologische resten worden gekarakteriseerd en gewaardeerd. • Alle foto’s, tekeningen, vondsten, monsters worden geadministreerd. Handgeschreven verslagen worden uitgetikt en gearchiveerd. Overige analoge documentatie wordt gescand en gearchiveerd. • Alle gekarakteriseerde vondsten, sporen en structuren worden geregistreerd in een digitaal gegevensbestand.

• Na goedkeuring van het evaluatierapport vindt de wetenschappelijke uitwerking plaats, waarbij materiaal- en andere specialisten worden ingeschakeld, eventueel laboratoriumonderzoek plaats vindt, objecten worden getekend en gefotografeerd en geconserveerd. De resultaten van het veldwerk worden geanalyseerd. Vondsten en monsters worden verder gewaardeerd en geanalyseerd en de gegevens worden verwerkt in teksten en in een database. • In de synthese van de onderzoeksbevindingen wordt de analyse van bodemopbouw, sporen, vondsten en monsters en andere gegevens in logisch verband geplaatst, voorzien van deugdelijke argumentatie, referenties aan de wetenschappelijke literatuur en ondersteund door tabellen, foto’s en tekeningen. In de synthese worden complexen en perioden onderscheiden en in een breder (tenminste regionaal) kader geplaatst.

35

•

Na het veldwerk wordt door de projectleider - zo nodig na specialistisch advies - een evaluatierapport opgesteld volgens specificatie OS12, tenzij door projectleider en archeologisch adviseur van de bevoegde overheid bij overleg tijdens of na het veldwerk is vastgesteld dat direct met het eindrapport kan worden begonnen.

7.2 Structuren, grondsporen en vondstspreidingen • • • •

• •

•

•

De structuren en grondsporen worden zodanig uitgewerkt dat de vraagstelling kan worden beantwoord. De analyse van de sporen is gericht op het herkennen van structuren, het toekennen van een betekenis aan de individuele sporen en/of structuren, het vinden van patronen in de materiële cultuur en het dateren van de betreffende sporen. Beschrijving structuren en grondsporen: - verspreiding en diepteligging; - beschrijving aard, fysieke kwaliteit en ouderdom (zo mogelijk). De aangetroffen lagen, grondsporen en structuren dienen per periode te worden beschreven. De mate van uitwerking dient te zijn afgestemd op de vraagstellingen. Tevens dienen de lagen, grondsporen en structuren te worden meegenomen in de interpretatie en in de conclusie(s). Alle sporen en structuren worden afgebeeld op een allesporenkaart voorzien van het landelijke coördinatengrid en topografie. Daarnaast wordt per periode een overzichtskaart gemaakt van alle sporen en structuren. Typechronologische analyse en determinatie van structuren en sites vindt plaats binnen het kader van de Archeoregio (Brabants zandgebied). Alle sporen en structuren worden afgebeeld op een allesporenkaart voorzien van het landelijke coördinatengrid. Daarnaast wordt per periode een overzichtskaart gemaakt van alle sporen en structuren.

Tenslotte zal nog een overzichtskaart worden gemaakt van de landschappelijke situatie met de sporen daarop geprojecteerd. Fysisch-geografische analyse (beschrijving bodemopbouw, analyse van gaafheid) vindt zoveel mogelijk plaats binnen de technische uitwerking. In de analyse dient in ieder geval de (paleo)landschappelijke context voor de aangetroffen activiteiten en functies beredeneerd te worden (locatiekeuzeanalyse) en de wisselwerking tussen antropogeen landgebruik en de vorming van het landschap. Specialistische analyse van paleo-ecologische resten vindt plaats volgens het vastgestelde evaluatierapport.

7.3 Analyse aardewetenschappelijke gegevens Aardwetenschappelijke analyse vindt indien mogelijk plaats in het veld op basis van het bestudeerde profiel. Deze analyse zal in de regel worden uitgevoerd door de (Senior) KNAarcheoloog en/of fysisch-geograaf. De veldgegevens van het vlak en de profielen moeten uitgewerkt worden in tekeningen en kaarten met een overzichtelijke codering conform KNA, versie 4.2 (d.d. 14-03-2022). De bodemlagen moeten duidelijk worden aangegeven in de profielen met daaraan gekoppeld een (globale) datering. 7.4 Anorganische artefacten • •

De primaire vondstverwerking bestaat uit het wassen van vondsten, het administreren van de vondsten per vondstnummer en het scheiden in verschillende materiaalcategorieën. Een archeoloog (minimaal KNA Archeoloog MA) zal het vondstmateriaal analyseren en determineren middels een quickscan. Indien noodzakelijk voor de beantwoording van

36

•

• • • • • •

de onderzoeksvragen dienen de betreffende vondsten te worden voorgelegd aan een materiaalspecialist. De anorganische artefacten dienen te worden uitgewerkt tot op het niveau dat nodig is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen. - Aardewerk: determinatie per periode, eventueel op type. - Natuursteen/vuursteen: determinaties op gesteentesoort en op werktuig/gebruikstype. - Metaal: op metaalsoort, zo mogelijk op artefacttype en periode. Vondsten uit de bouwvoor en losse vondsten van de stort of het vlak worden oppervlakkig bekeken en slechts bij bijzondere vondsten nader beschreven en geanalyseerd. Bij bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de bevoegde overheid voordat de verdere uitwerking ter hand genomen wordt. Vondsten worden beschreven conform het Archeologisch Basis Register (ABR). De vondsten worden per materiaalcategorie beschreven en gewaardeerd. Bijzondere vondsten worden door een specialist bekeken. Niet te determineren metaalklompen of klompen van metaaloxide die in een archeologische context worden gevonden, worden geröntgend ten behoeve van de determinatie, selectie (i.v.m. mogelijke conservering) en screening van de inhoud. De vondsten worden tijdelijk dusdanig opgeslagen dat de kwaliteit van het materiaal niet achteruit gaat.

7.5 Organische artefacten •

• • • •

Organische artefacten worden door specialisten geanalyseerd tot op het niveau dat noodzakelijk is om de vraagstelling uit het Programma van Eisen te beantwoorden. - Bewerkt hout (artefacten en constructiehout): determinatie op houtsoort, artefacttype, beschrijving van bewerkingssporen, eventueel datering (dendrochronologie en/of 14C-datering). - Bot: determinatie op diersoort, botelement, artefacttype, eventueel datering. Bij bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de bevoegde overheid en de opdrachtgever voordat de verdere uitwerking ter hand genomen wordt. Vondsten worden beschreven conform het Archeologisch Basis Register (ABR). De vondsten worden per materiaalcategorie beschreven en gewaardeerd. Vondsten worden beschreven en gewaardeerd. De vondsten worden tijdelijk dusdanig opgeslagen dat de kwaliteit van het materiaal niet achteruit gaat.

7.6 Archeozoölogische en -botanische resten •

•

Voor de specifieke eisen die aan de uitwerking archeozoölogische en botanische resten worden gesteld, wordt verwezen naar de KNA versie 4.2 (d.d. 14-03-2022). In aanvulling daarop, wanneer het voor het onderzoek relevant is, worden van dateerbare (grond)sporen met mogelijk goed geconserveerd archeologisch materiaal en van relevante vondstlagen (bijvoorbeeld uit beerputten) monsters genomen voor botanisch, 14C-, dendrochronologisch en paleo-ecologisch onderzoek. Monsters voor botanische macroresten en palynologische resten worden na het veldwerk, op grond van de kwetsbaarheid, direct overgedragen aan de betreffende specialist voor de bepaling van de kwaliteit en het archeologisch potentieel. Hout wordt eveneens op grond van de kwetsbaarheid, al tijdens het veldwerk of daar onmiddellijk na overgedragen aan de betreffende specialist.

37

• •

• •

Van de kwalitatief goede grondmonsters zal een specialist samen met de (Senior) KNAarcheoloog de monsters scannen op potentie in relatie tot de beantwoording van de vraagstelling. Na afloop van het veldwerk zal in overleg met de bevoegde overheid en de opdrachtgever worden vastgesteld welke monsters dienen te worden geanalyseerd. Analyse dient zich primair te richten op het verkrijgen van antwoorden op de boven verwoorde onderzoeksvragen. De materiaalanalyses worden uitgevoerd door specialisten met aantoonbare ervaring op het gebied van botanische resten en/of archeozoölogische resten uit de aangetroffen perioden. Het specialistenrapport dient (integraal) in de standaardrapportage te worden opgenomen en geïntegreerd te worden in beantwoording van onderzoeksvragen en synthese van het onderzoek.

7.7 Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.) De beeldrapportage van de uitwerking bestaat (minimaal) uit de volgende afbeeldingen: • Het beeldmateriaal dient de locatie van het onderzoek, de werkwijze en de bevindingen te illustreren. Niet gepubliceerd beeldmateriaal wordt bij de documentatie gevoegd. • Tekeningen van (in principe) alle (gecombineerde) vlakken, profielen, structuren, belangrijke individuele sporen (vlak en coupe), overzichtstekeningen, analytische en interpretatieve tekeningen en kaarten, foto’s en graphics worden voor publicatie gereed gemaakt; evenals foto’s en tekeningen van relevante objecten. • Uitsnede topografische kaart met het onderzoeksgebied. • Kaarten met de ligging van het onderzoeksgebied en de belangrijkste structuren en grondsporen. • Allesporenkaart (ASK), weergegeven per periode. • Eventueel coupetekeningen en/of foto’s. • Tekeningen en/of foto’s van de belangrijkste vondsten (na overleg met en goedkeuring van de bevoegde overheid). • Kaarten, vlak-, profiel- en coupetekeningen worden van een legenda voorzien, verwijzend naar gehanteerde kleur of arcering of andere code (bijvoorbeeld nummers van lagen). • Op alle tekeningen van een horizontaal vlak worden op regelmatige plaatsen NAPhoogtes gezet.

• In profieltekeningen moeten X, Y, Z-waarden in RD-coördinaten en NAP-hoogtes worden aangegeven met het oog op de aansluiting met vlaktekeningen en aangrenzende profielen. • In profieltekeningen worden de niveaus van de aangelegde vlakken aangegeven. • Met gekleurde (contour)lijnen, pijlen en tekst worden foto’s van profielen, complexe structuren e.d. verduidelijkt. • Toevoegen indien relevant: een afbeelding van het onderzoeksgebied met daarop weergegeven de zones die in aanmerking komen voor behoud in situ/vervolgonderzoek en/of vrijgave.

38

8

RAPPORTAGE

8.1 Uitvoeringsperiode uitwerking; opleveringstermijn (concept)eindrapport • • •

Direct aansluitend aan het veldwerk dient met de uitwerking van de veldgegevens te worden begonnen. Indien archeologische waarden zijn aangetroffen, wordt in overleg met de bevoegde overheid besloten om een evaluatierapport op te stellen. Dit rapport dient voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid en de opdrachtgever ter goedkeuring. Binnen 12 weken na einde van het veldwerk of de goedkeuring van het evaluatierapport dient een conceptrapport te worden opgeleverd aan de bevoegde overheid en de opdrachtgever. Van deze planning kan in overleg worden afgeweken, in het bijzonder wanneer analyse van vondstmateriaal meer tijd vraagt.

8.2 Procedure toetsing standaardrapport door de bevoegde overheid De bevoegde overheid en de opdrachtgever ontvangen ieder één exemplaar van het conceptrapport ter keuring. De op- en aanmerkingen van beide partijen dienen te worden verwerkt en leiden tot de definitieve versie van het rapport. 8.3 Inhoud standaardrapport Het rapport dient minimaal de volgende onderdelen te bevatten. • Een korte samenvatting van de resultaten van het voorgaand onderzoek. • Een paragraaf waarin staat vermeld wat voor soort plan het betreft, welke ontwikkelingen er gaan plaatsvinden en tot welke diepte verstoring gaat plaatsvinden en in welke fase van de planprocedure het plan zich bevindt. • Een overzichtskaart - met landelijke coördinaten - met de begrenzingen van het onderzoeksgebied (minimaal schaal 1:25.000). • Een gedetailleerde (overzichts)kaart - met landelijke coördinaten - met de ligging van de proefsleuven en de ontgraving van de opgraving – variant archeologische begeleiding, waarop de hoofdstructuren van de archeologische sites herkenbaar staan aangegeven. • Een kaart van het onderzoeksgebied waarop: - het areaal van de archeologische vindplaats en sites staat aangegeven (indien van toepassing); - het areaal van verstoorde bodemprofielen in het onderzoeksgebied staat aangegeven (indien van toepassing). • Een paragraaf met (verantwoording) methode en technieken.

• Een paragraaf met de vraagstelling en de doelstelling van het archeologisch onderzoek. • Een paragraaf over eerder gedane archeologische vondsten in het onderzoeksgebied of in de nabijheid van het onderzoeksgebied. • Een paragraaf over de fysische geografie van het onderzoeksgebied. • De resultaten van het onderzoek dienen te worden geleverd in de vorm van een standaardrapport inclusief vlaktekeningen (zie hieronder) en indien noodzakelijk profieltekeningen, vondstenlijsten (zie hieronder), sporenlijsten (zie hieronder) en monsterlijsten. • De vlaktekeningen van de proefsleuven en de ontgraving van de opgraving – variant archeologische begeleiding - met landelijke coördinaten - waarop de grondsporen (uitgesplitst naar periode) herkenbaar staan afgebeeld inclusief hun nummer. • Relevante coupetekeningen en/of foto’s. • De vondstenlijst waarin per archeologisch artefact (AF) staat aangegeven: 1. het spoor waarin het AF is aangetroffen, 2. de conserveringstoestand van het AF (verbrand, vorst schade, geërodeerd, etc.),

39

•

• • • •

• • •

3. de determinatie, 4. de datering van het AF en 5. een beschrijving van het AF (l. x b. x h., baksel/materiaal, versiering, bewerkingssporen, etc.). De sporenlijst waarin staat aangegeven: 1. het soort spoor, 2. de (conserverings-)toestand van het spoor, 3. de datering van spoor en 4. welke vondstnummers er in aanwezig zijn. Een paragraaf van vindplaatsbeschrijvingen met daarin in ieder geval de volgende thema’s: de omvang en ligging, de datering, de vondstomstandigheden, de aard van de vondsten, de conservering en de diepteligging. Tekeningen en/of foto’s van de belangrijkste vondsten. De eventuele beperkingen van de toegepaste methode. Een paragraaf met conclusies en synthese waarin de resultaten van het onderzoek op integrale wijze worden besproken. De verkregen resultaten dienen tevens bezien en geduid te worden in het licht van de bestaande kennis over de bewoningsgeschiedenis van de regio rondom het onderzoeksgebied. Een paragraaf met de antwoorden op de onderzoeksvragen. Een waardering van de nieuwe sites volgens de KNA, versie 4.2 (d.d. 14-03-2022). Een paragraaf met conclusies en aanbevelingen ten aanzien van mogelijk vervolgonderzoek.

8.4 Kwaliteit • • • • •

De auteurs zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van de rapportage. Het archeologische onderzoek vindt plaats op basis van zorgvuldigheid, betrouwbaarheid, controleerbaarheid en maatschappelijk integer handelen. Aanbevelingen en waardeoordelen van de auteurs zijn onafhankelijk ten opzichte van alle partijen en niet onderhevig aan goedkeuring van de opdrachtgever en/of de bevoegde overheid. De opdrachtgever kan geen eisen stellen of beperkingen opleggen aan de inhoud, de conclusies en de aanbevelingen. De bevoegde overheid kan alleen verbeteringen eisen bij aantoonbare tekortkomingen in de wetenschappelijke kwaliteit van de verslaglegging. Wanneer toetsende overheid en auteur tot verschillende conclusies komen, worden beide met wetenschappelijke argumentatie in het eindrapport weergegeven.

8.5 Verschijning en oplage standaardrapport en/of specialistisch deelrapport • • • • •

Het rapport wordt uitgegeven door de uitvoerende instantie en in de huisstijl van deze instantie. Het conceptrapport zal binnen twaalf weken na einde veldwerk of goedkeuring evaluatierapport worden opgeleverd. Van deze planning kan in overleg worden afgeweken. Van het conceptrapport wordt één exemplaar aan de bevoegde overheid aangeboden. De bevoegde overheid zal het rapport toetsen aan het Programma van Eisen en de KNA, versie 4.2 (d.d. 14-03-2022). Na verwerking van eventuele op- of aanmerkingen wordt het definitieve rapport opgeleverd. De rapportage wordt uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van opmerkingen door de bevoegde overheid definitief opgeleverd. Van deze planning kan in overleg worden afgeweken.

40

•

De resultaten van het onderzoek dienen een brede toegankelijkheid te krijgen. Na het verwerken van opmerkingen zal het standaardrapport digitaal worden verstuurd aan de gemeente Bergeijk, de archeologisch adviseur/toezichthouder van de gemeente Bergeijk (ODZOB), het Provinciaal Depot Bodemvondsten (PDB) Provincie Noord-Brabant, de Provincie Noord-Brabant, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), de lokale heemkundige studiegroep “Van Rijthoven toen tot Riethoven” en de Archeologische Vereniging Kempen en Peelland (AWN23).

41

HOOFDSTUK 9 (De)selectie en conservering 9.1 Selectie materiaal voor uitwerking De selectie van vondsten en monsters wordt gedaan in het licht van de vraagstelling, onder verantwoording van de Senior KNA Archeoloog. De gemaakte selectie wordt in het evaluatierapport beschreven. 9.2 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering •

• • •

Alle organische en anorganische artefacten die hiervoor in aanmerking komen, zoals houten en leren objecten en metalen voorwerpen, dienen te worden geconserveerd. Hiervan kan alleen worden afgeweken met instemming van de eigenaar van de vondsten, de provincie. De Senior KNA Archeoloog kan een voorstel tot de selectie maken, waarin hij op onderbouwde wijze aangeeft, waarom bepaalde voorwerpen niet hoeven te worden gedeponeerd. Als het depot daarmee instemt kunnen deze voorwerpen verwijderd worden. Voorwerpen die niet gedeponeerd worden, hoeven niet geconserveerd te worden. Tijdelijke opslag van geselecteerde vondsten dient zo te geschieden dat de kwaliteit ervan niet achteruit gaat. (Eerste) selectie vindt plaats door de uitvoerende instantie (Senior KNA Archeoloog, dan wel materiaalspecialist). Per object, waarvoor geadviseerd wordt het te deselecteren, omvat de vondstdocumentatie minimaal de volgende informatie: 1. (uniek) vondstnummer, 2. spoornummer c.q. context waarin de vondst is aangetroffen, 3. soort spoor c.q. context, 4. datering spoor c.q. context, 5. datering vondst, 6. aard van het object (determinatie), 7. conserveringstoestand (corrosie, etc.), 8. bijzonderheden (inscripties, bewerkingssporen, etc.), 9. röntgen J/N (röntgen van het object is verplicht als object van metaal is en de vondst op het oog niet te determineren is vanwege bijvoorbeeld corrosie), en 10.

motivering en onderbouwing voor het verwijderen uit vondstcomplex.

9.3 Selectie materiaal voor conservering •

•

• •

Alle vondsten en monsters moeten geconserveerd worden aangeleverd aan het depot, tenzij schriftelijk en op grond van een selectierapport voor conservering anders is overeengekomen met de desbetreffende depothouder c.q. eigenaar van het vondstmateriaal. Omdat nog niet bekend is hoeveel – en welke - archeologische vondsten en resten er zullen worden aangetroffen, is het niet mogelijk om een verantwoorde inschatting te maken van het aantal te verwachten kwetsbare vondsten en monsters. Daarom is, in overeenstemming met de KNA 4.2, Protocol 4001, PS07, er voor gekozen om voor de conservering van kwetsbaar vondstmateriaal een voorlopige stelpost op te nemen van € 1.000,- (ex. BTW). In het evaluatierapport zal de Senior KNA Archeoloog een voorstel doen voor het uitwerken (analyse) van het materiaal van de opgraving. Daarin zit ook een voorstel voor selectie en conservering. In een conserveringsrapport dient te worden vastgelegd welke vondsten op welke wijze en met welke middelen zijn geconserveerd. Het gesorteerde en geanalyseerde

42

• •

materiaal wordt zo geconserveerd dat het zo stabiel mogelijk kan worden opgeslagen in het gemeentelijk depot. Conservering van de geselecteerde stukken gebeurt pas na overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Zie ook eisen en goedkeuring depot voor bodemvondsten van de provincie NoordBrabant. Voor de conservering gelden bovendien de aanleveringseisen van het Provinciaal Depot Bodemvondsten (PDB) - Provincie Noord-Brabant.

43

HOOFDSTUK 10 DEPONERING 10.1 Eisen betreffende depot • • •

• •

Opgegraven vondstcomplexen (onderzoeksdocumentatie en vondsten) worden zo compleet mogelijk aangeleverd. De vondsten, monsters en documentatie dienen binnen twee jaar na afronding van het veldwerk, conform protocol 4004 (KNA 4.2 d.d. 14-03-2022) en eventuele aanvullende eisen van het Provinciaal depot voor bodemvondsten van Noord-Brabant (op voorhand op te vragen) te worden aangeleverd (http://www.thuisinbrabant.nl/collecties/provinciaaldepot-bodemvondsten). Ten aanzien van de overdracht van de vondsten dient tijdig een afspraak te worden gemaakt met de depotbeheerder. Contactadres: Waterstraat 16 5211 JD 's-Hertogenbosch T: 06 18 30 32 25 (di–vr) Depotbeheerder: Dhr. M. den Hartog (06-18303225, archeologie@brabant.nl of mdhartog@brabant.nl) Depothouder/contactpersoon voor de KNA-richtlijn selectie/deselectie (PS06): Martin Meffert, mmeffert@brabant.nl (06-55686558). De (eind)resultaten van het onderzoek worden verwerkt in het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (Archis3), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GemeenteBergeijk&id=7c01e1ef-1de1-4809-a0e6-86b3eaefe10e