CConstaterende datBergeijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 12. PvE archeologie BOPA Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg (2026.01.16)

Gemeenteraad 26 februari 2026, gemeente BergeijkBij agendapunt: BOPA fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg, Riethoven19.998 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Programma van Eisen Projectnummer:

51028754.021

Referentienummer:

51028754.021 C2

Datum:

29-09-2025

PvE|SW 51028754.021 Plangebied Fietspaden Broekhovenseweg en Eikestraat te Walik, gemeente Bergeijk Inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven en Opgraving – variant archeologische begeleiding

Sweco Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen Nederland

Drs. bc. A.H. Schutte Senior KNA Archeoloog T +31 (0) 640896274

Sweco Nederland B.V. Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Verantwoording Titel

Programma van Eisen Plangebied Fietspaden Broekhovenseweg en Eikestraat te Walik, gemeente Bergeijk. Inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven en Opgraving – variant archeologische begeleiding

Projectnummer

51028754.021

Referentienummer

SWNL51028754.021

Revisie

C2

Datum

29-09-2025

Auteur

Drs. bc. A.H. Schutte Senior KNA Archeoloog (actornummer 43842407)

E-mailadres

arjan.schutte@sweco.nl

Gecontroleerd door

P. Beurskens MA Senior KNA Archeoloog (actornummer 69784247)

Paraaf gecontroleerd

Goedgekeurd door

Drs. T.H.L. Hos Teammanager

Paraaf goedgekeurd

Sweco voert archeologisch onderzoek uit onder procescertificaat SIKB BRL 4000 ’Archeologie’ (KNA, versie 4.2 (d.d. 14-03-2022)) en de protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004. De archeologische werkzaamheden worden uitgevoerd in overeenstemming met de Kwaliteitsnorm van de Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.2 (d.d. 14-03-2022)).

2

Programma van Eisen Format conform KNA versie 4.2 (d.d. 14-03-2022) Locatie Plangebied Fietspaden Broekhovenseweg en Eikestraat te Walik, gemeente Bergeijk. Projectnaam Fietspaden Broekhovenseweg en Eikestraat te Walik Plaats binnen archeologisch proces X IVO – Proefsleuven (IVO-P) met een doorstart naar een Opgraving X Opgraven Landbodems – variant Archeologische Begeleiding Opsteller

Naam, adres, telefoon, e-mail

datum

Senior KNA Archeoloog

Dhr. drs. bc. A.H. Schutte Sweco Nederland B.V., kantoor Swalmen Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen T: 0475 - 504961 E: arjan.schutte@sweco.nl Naam, adres, telefoon, e-mail

29-09-2025

Opdrachtgever

Gemeente Bergeijk K. Pennix Burgemeester Magneestraat 1 5571 HB Bergeijk Postbus 10000 5570 GA Bergeijk T: 0497-551455 T: 088 – 4970 218 E: info@bergeijk.nl Goedkeuring bevoegde overheid Naam, adres, telefoon, e-mail

paraaf

datum

paraaf

datum

paraaf

X Gemeente

Gemeente Bergeijk Burgemeester Magneestraat 1 0 Provincie 5571 HB Bergeijk 0 Rijk Postbus 10000 5570 GA Bergeijk 0 Overig T: 0497-551455 E: info@bergeijk.nl Adviseur namens de bevoegde overheid Naam, adres, telefoon, e-mail Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant Dhr. J.H.M. de Raad Wal 28 Postbus 8035 / 5601 KA Eindhoven T: 06-40710267 E: J.deRaad@odzob.nl

1-10-2025

3

Kennisgeving Depothouder/eigenaar Naam, adres, telefoon, e-mail Provinciaal Depot Bodemvondsten (PDB) - Provincie Noord-Brabant Contactpersoon: Dhr. M. den Hartog Waterstraat 16 5211 JD ´s-Hertogenbosch T: 073-6812812 M: 06-18303225 E: archeologie@brabant.nl/mdhartog@brabant.nl

4

INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED/ONDERZOEKSGEBIED ......................... 8 HOOFDSTUK 2 AANLEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK EN GEMEENTELIJK BESLUIT . 10 2.1 Aanleiding ...........................................................................................................................10 2.2 Motivering ...........................................................................................................................10 2.3 Gemeentelijk besluit .........................................................................................................11 HOOFDSTUK 3 EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK ........................................................................ 12 HOOFDSTUK 4 ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING ........................................................................

13 4.1 Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context ..................................13 4.2 Aard en ouderdom van de vindplaats(en) .....................................................................16 4.3 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) .......................................................16 4.4 Structuren en sporen ........................................................................................................17 4.5 Anorganische artefacten ..................................................................................................17 4.6 Organische artefacten ......................................................................................................17 4.7 Archeozoölogische en botanische resten ......................................................................18 4.8 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen ...............................................18 4.9 Gaafheid en conservering ................................................................................................18 HOOFDSTUK 5 DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING .......................................................................

19 5.1 Doelstelling .........................................................................................................................19 5.2 Relatie met NOaA en/of andere onderzoekskaders ....................................................19 5.3 Vraagstelling ......................................................................................................................20 5.4 Aanbeveling .......................................................................................................................22 HOOFDSTUK 6 STRATEGIE, METHODEN EN TECHNIEKEN ..............................................................

23 6.1 Strategie .............................................................................................................................23 6.2 Methoden en technieken ..................................................................................................25 6.3 Omgang kwetsbare vondsten en monsters ...................................................................29 6.4 Structuren en grondsporen ..............................................................................................29 6.5 Lichten ................................................................................................................................30 6.6 Aardwetenschappelijk onderzoek ...................................................................................31 6.7 Anorganische artefacten ..................................................................................................31 6.8 Organische artefacten ......................................................................................................32 6.9 Archeozoölogische, archeobotanische en fysisch antropologische resten ..............32 6.10 Overige resten .................................................................................................................33 6.11 Dateringstechnieken .......................................................................................................33 6.12

Bouwstenen .....................................................................................................................33 6.13 Complexiteit .....................................................................................................................34 6.14 Beperkingen .....................................................................................................................34 HOOFDSTUK 7 EVALUATIERAPPORT, UITWERKING EN CONSERVERING ........................................ 35 7.1 Evaluatierapport ................................................................................................................35 7.2 Structuren, grondsporen en vondstspreidingen............................................................36 7.3 Analyse aardewetenschappelijke gegevens .................................................................36 7.4 Anorganische artefacten ..................................................................................................36

5

7.5 Organische artefacten ......................................................................................................37 7.6 Archeozoölogische en -botanische resten ....................................................................37 7.7 Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.) ...........................................38 8

RAPPORTAGE ....................................................................................................................... 39 8.1 Uitvoeringsperiode uitwerking; opleveringstermijn (concept)eindrapport .................39 8.2 Procedure toetsing standaardrapport door de bevoegde overheid ...........................39 8.3 Inhoud standaardrapport ..................................................................................................39 8.4 Kwaliteit ..............................................................................................................................40 8.5 Verschijning en oplage standaardrapport en/of specialistisch deelrapport ..............40

HOOFDSTUK 9 (De)selectie en conservering.................................................................................. 42 9.1 Selectie materiaal voor uitwerking ..................................................................................42 9.2 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering ....................................................42 9.3 Selectie materiaal voor conservering .............................................................................42 HOOFDSTUK 10 DEPONERING ....................................................................................................... 44 10.1 Eisen betreffende depot .................................................................................................44 10.2 Te leveren product ..........................................................................................................44 10.3 E-depot .............................................................................................................................45 HOOFDSTUK 11 RANDVOORWAARDEN EN AANVULLENDE EISEN .................................................

46 11.1 Personele randvoorwaarden .........................................................................................46 11.2 Overlegmomenten ..........................................................................................................46 11.3 Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie ....................................................47 11.4 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen ......................................................47 HOOFDSTUK 12 WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET VASTGESTELDE PVE ................................. 48 12.1 Wijzigingen tijdens het veldwerk ...................................................................................48 12.2 Belangrijke wijzigingen ...................................................................................................48 12.3 Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk ...............................49 12.4 Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering ....................................49 13

AANVULLENDE EISEN ........................................................................................................... 50 13.1 Uitvoeringsperiode en opleveringstermijn veldwerk ..................................................50 13.2 Uitvoeringscondities veldwerk .......................................................................................50 13.3 Ontplofbare Oorlogsresten (OO (voorheen NGE)) en veldgraven ..........................50

LITERATUUR EN BRONNEN ............................................................................................................ 52 Literatuur ...................................................................................................................................52 Bronnen .....................................................................................................................................52 Figuren .......................................................................................................................................... 53 Bijlagen ......................................................................................................................................... 75

6

FIGUREN Figuur 1a: Het plangebied en onderzoeksgebied Broekhovenseweg op de topografische kaart (1:25.000). Figuur 1b: Het plangebied en onderzoeksgebied Eikestraat op de topografische kaart (1:25.000). Figuur 2a: Het plangebied en onderzoeksgebied Broekhovenseweg op de kadastrale kaart. Figuur 2b: Het plangebied en onderzoeksgebied Eikestraat op de kadastrale kaart. Figuur 3a: Het plangebied en onderzoeksgebied Broekhovenseweg op een luchtfoto uit 2024. Figuur 3b: Het plangebied en onderzoeksgebied Eikestraat op een luchtfoto uit 2024. Figuur 4a: Boorpuntenkaart vooronderzoek plangebied Broekhovenseweg. Figuur 4b: Boorpuntenkaart vooronderzoek plangebied Eikestraat Figuur 5a: Het onderzoeksgebied Broekhovenseweg op de Geomorfologische kaart van Nederland. Figuur 5b: Het onderzoeksgebied Eikestraat op de Geomorfologische kaart van Nederland. Figuur 6a: Het onderzoeksgebied Broekhovenseweg op de bodemkaart van Nederland. Figuur 6b: Het onderzoeksgebied Eikestraat op de bodemkaart van Nederland. Figuur 7a: Archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het onderzoeksgebied Broekhovenseweg. Figuur 7b: Archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het onderzoeksgebied Eikestraat. Figuur 8: Proefsleuvenplan onderzoeksgebied Eikestraat Figuur 9a: Onderzoeksgebied Broekhovenseweg op de kadastrale minuut.

Figuur 9b: Proefsleuvenplan onderzoeksgebied Eikestraat op de kadastrale minuut. BIJLAGEN Bijlage 1: Tabel met de verwachtte aantallen Bijlage 2: Overzicht te raadplegen specialisten/specialismen

7

HOOFDSTUK 1 ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED/ONDERZOEKSGEBIED

Projectnaam Provincie Gemeente Plaats Toponiem Kaartbladnummer x/y-coördinaten (centrum) Broekhovenseweg x/y-coördinaten (centrum) Eikestraat Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie NoordBrabant Archeologische beleidskaart gemeente Bergeijk

CMA/AMK-status Archis-monumentnummer Archis-waarnemingsnummer Oppervlakte plangebied Broekhovenseweg1 Oppervlakte plangebied Eikestraat2 Oppervlakte onderzoeksgebied Broekhovenseweg 3 Oppervlakte onderzoeksgebied Eikestraat 4 Huidig grondgebruik

Voorgenomen bodemingrepen

Fietspaden Broekhovenseweg en Eikestraat te Walik Noord-Brabant Gemeente Bergeijk Walik Fietspaden Broekhovenseweg en Eikestraat 51 D & 57 B (1:25.000) X: 155.091/Y: 375.350 X: 153.555/Y: 372.851 Het plangebied ligt niet in een complex van cultuurhistorische belang en een cultuurhistorische waardevol gebied. Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Bergeijk ligt de onderzoekslocatie grotendeels in een gebied met een middelhoge tot hoge archeologische verwachting. Een klein deel van de Eikestraat en een deel van de Broekhovenseweg ligt in een gebied met een lage verwachting. Daarnaast ligt een deel van de Eikestraat in een archeologisch waardevol gebied. n.v.t. n.v.t. n.v.t. ca. 5.500 m2 ca.18.560 m2 ca. 2.100 m2 ca. 15.460 m2 Het onderzoeksgebied Broekhovenseweg is momenteel in gebruik fietspad, weg en agrarische percelen. Het onderzoeksgebied Eikestraat is momenteel in gebruik weg, bos, agrarische percelen en verkeersplein. In het plangebied is de realisatie gepland van twee fietspaden met berm en zaksloot, langs de Broekhovenseweg, 1,1 kilometer lang, en Eikestraat, 1,7 kilometer lang Hierbij zal een gebied met een oppervlakte van circa 24.060 m2 worden heringericht, met een breedte 8,5 tot 10 meter tot een diepte van 37 centimeter (12 cm dikte voor het fietspad zelf en 25 cm dikte voor de onderliggende fundering en onderkant zaksloot) beneden maaiveld.

In het oostelijk deel van de Broekhovensweg wordt

1

Het gebied waarbinnen de realisering van de planvorming het bodemarchief kan bedreigen. Het gebied waarbinnen de realisering van de planvorming het bodemarchief kan bedreigen. 3 Het gebied waarop dit onderzoek betrekking heeft. 4 Het gebied waarop dit onderzoek betrekking heeft. 2

8

NAP-hoogte maaiveld

Grondwatertrap

het bestaande fietspad verbreed, in het zuidelijke deel van Eikseweg vinden bij de rotonde ook werkzaamheden in de bermen plaats (deels vervangen oud fietspad met gras). Het maaiveld in het onderzoeksgebied Broekhovenseweg ligt volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN4) tussen circa 23,5 en 24,5 meter +NAP. Het maaiveld in het onderzoeksgebied Eikestraat ligt volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN4) tussen circa 28,7 en 29,4 m NAP. Het onderzoeksgebied Broekhovenseweg bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met sterk wisselende grondtrappen: grondwatertrap II tot en met VII. In het westelijke deel ligt het grondwater ondieper dan in het grootste deel van het oostelijke deel ondanks de aanwezigheid van enkeerdgronden in het westelijke deel. Onderzoeksgebied Eiksestraat heeft grondwatertrappen VIVII (overwegend VII).

De geldigheid van dit PvE is 1 jaar na vaststelling door de bevoegde overheid, tenzij het PvE als voorwaarde is opgenomen in een verleende vergunning. Sweco voert archeologisch onderzoek uit onder procescertificaat SIKB BRL 4000 ’Archeologie’ (versie 4.2 (d.d. 14-03-2022)) en de protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004. Het Programma van Eisen is uitgevoerd conform SIKB BRL 4000 protocol 4001 versie 4.2 (d.d. 14-03-2022).

9

HOOFDSTUK 2 AANLEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK EN GEMEENTELIJK BESLUIT 2.1 Aanleiding Op de planlocatie Broekhovenseweg en Eikestraat (zie figuren 1a en 1b en bijlage 3) te Walik worden nieuwe fietspaden gerealiseerd met berm en zaksloot, langs de Broekhovenseweg, 1,1 kilometer lang, en Eikestraat, 1,7 kilometer lang. Hierbij zal een gebied met een oppervlakte van circa met een oppervlakte van circa 24.060 m2 worden heringericht, met een breedte 8,5 tot 10 meter tot een diepte van 37 centimeter (12 cm dikte voor het fietspad zelf en 25 cm dikte voor de onderliggende fundering en onderkant zaksloot) beneden maaiveld. In het oostelijk deel van de Broekhovensweg wordt het bestaande fietspad verbreed, in het zuidelijke deel van Eikseweg vinden bij de rotonde ook werkzaamheden in de bermen plaats (deels vervangen oud fietspad met gras). 5 Het onderzoek komt voort uit het gemeentelijk selectiebesluit om in te stemmen met het door Sweco gegeven advies voor een vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving variant archeologische begeleiding voor het oostelijke deel van de Broekhovenseweg en een proefsleuven onderzoek in delen van het plangebied Eikestraat. 2.2 Motivering6 Bij het bureauonderzoek is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld.

Volgens deze verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische waarden uit de perioden Laat paleolithicum en Mesolithicum laag. De verwachting voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen is hoog en voor de Nieuwe tijd middelhoog. Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase, figuur 4a en figuur 4b) blijkt dat aan de oostzijde van de Broekhovenseweg de bodemverstoring minimaal is. Het mogelijke archeologische niveau ligt hier op 20 tot 65 centimeter onder maaiveld. Bij de westzijde van het oostelijke deel ligt de ongestoorde bodem op 55 tot 95 centimeter onder maaiveld. Voor het westelijke deel van de Broekhovenseweg, geldt dat er sprake is van een bouwvoor en plaatselijk grotendeels geroerde lagen, op de C-horizont. Bij het veldonderzoek bleek dat dit een van nature erg nat gebied was. De bospercelen aan de Eikestraat hebben een sterk overeenkomende bodemopbouw. Onder een laag matig humeuze bosgrond van 5 tot 70 centimeter (voornamelijk tussen de 5 en de 30) ligt over het algemeen gelijk de C-horizont. De akkers aan de Eikestraat vertonen meer variatie. Bij zes boringen is een bouwvoor, van 20 – 50 centimeter dik aangetroffen, met daaronder direct de C-horizont. Bij zeven boringen zit onder de bouwvoor een geroerde laag en de C-horizont ligt op 55 centimeter tot 1 meter onder maaiveld.

Aan de zuidzijde van de Eikestraat (boringen 49 – 51) bestaat de bodemopbouw in de berm uit een bouwvoor die 30 tot 40 centimeter dik is met daaronder een geroerde laag van 20 tot 35 centimeter dik. De geroerde laag toont aan dat de top van de C-horizont geroerd is. Bij het noordelijke deel van de rotonde (boring 52) ligt onder een 30 centimeter dikke A-horizont gelijk de C-horizont, ook hier zijn er geen aanwijzingen voor een diep verstoorde C-horizont. De bodem bij de rotonde en de directe omgeving vertonen een redelijk grote verstoorde bodemopbouw. Voor het oostelijke deel van de Broekhovensweg is het advies een vervolgonderzoek uit te voeren bij bodemverstorende werkzaamheden vanaf het maaiveld. Indien de ingrepen hier beperkt blijven tot alleen asfalteren van het bestaande fietspad is er geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk. Voor het westelijke deel van de Broekhovenseweg wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd (boringen 11-21). Alles wijst erop dat deze percelen erg nat waren en waarschijnlijk pas geschikt voor menselijk gebruik nadat de 5 6

Schutte, 2025. Schutte, 2025.

10

enkeerdgronden zijn opgebracht. Wel kunnen jagers en verzamelaars hier naar toe zijn getrokken, maar door de sterk verstoorde bodemopbouw is de kans klein dat er nog behoudenswaardige resten uit deze periode aanwezig zijn. Gezien de archeologische waarden in en rondom het onderzoeksgebied Eikestraat, drie boringen zijn gezet in een AMK terrein en drie andere liggen er vlak langs, en het ontbreken van aanwijzingen voor diepe verstoringen in een groot deel van de boringen is de kans aanwezig dat er in het onderzoeksgebied Eikestraat nog archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Voor een groot deel van het onderzoeksgebied Eikestraat wordt vervolgonderzoek geadviseerd. Alleen voor een deel van het agrarische perceel D252 en het deel rond de rotonde wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd (boringen 30-33 en 54-58) vanwege diepgaande verstoringen en de ligging van het potentiële archeologisch vlak dieper dan 70 centimeter onder maaiveld (bij boringen 30-33). Bij boringen 42 en 43 ligt het potentiële archeologisch vlak ook dieper dan 70 centimeter onder maaiveld maar gezien de aanwezigheid van een AMK-terrein aldaar wordt voor dit deel toch vervolgonderzoek geadviseerd. 2.3 Gemeentelijk besluit De bevoegde overheid (gemeente Bergeijk) heeft ingestemd met het advies van Sweco om een vervolgonderzoek uit te laten voeren.

Voor het oostelijke deel van plangebied Broekhovenseweg is op dit moment nog onduidelijk of de bodemingrepen diep genoeg gaan om archeologisch onderzoek noodzakelijk te laten zijn. Voor de zekerheid wordt de geadviseerde een opgraving - variant archeologische begeleiding toch meegenomen in dit Programma van Eisen. De bevoegde overheid heeft besloten om het proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren na het verwijderen van de aanwezige begroeiing, waarbij eventuele wortels in de grond worden weg gefreesd. De gemeente heeft niet aangegeven dat er aanvullende eisen zijn, die niet in de KNA staan, waar bij het onderzoek rekening mee moet worden gehouden.

11

HOOFDSTUK 3 EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK Vooronderzoek(en) Soort onderzoek Uitvoerder Uitvoeringsperiode Rapportage

Bewaarplaats vondsten/documentatie Resultaten specialistisch onderzoek Archeobotanisch Archeozoölogisch Fysisch-antropologisch Fysisch-geografisch Geofysisch Archeologisch materiaal Geraadpleegde bronnen en partijen Overige literatuur Amateurarcheologen

Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Sweco maart-april 2025 Schutte, A.H., 2025: Archeologisch onderzoek plangebied Fietspaden Broekhovenseweg en Eikestraat te Walik, gemeente Bergeijk. Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. verkennende boringen. SWECO ARCHEOLOGISCHE RAPPORTEN 51028754.002. Swalmen. Sweco/ Provinciaal Depot Bodemvondsten (PDB) - Provincie Noord-Brabant Niet van toepassing. Niet van toepassing. Niet van toepassing. Over het algemeen A/C profielen, aan de oostzijde van de Broekhovenseweg komt plaatselijk nog B-/BC-horizont voor. Niet van toepassing. Niet van toepassing. Niet van toepassing. Niet van toepassing.

12

HOOFDSTUK 4 ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING 4.1 Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context 7 Locatie, recente ingrepen en verstoringen Het plangebied betreft deels nieuw aan te leggen fietspaden aan de Broekhovenseweg en Eikestraat, in het buitengebied ten noordoosten (Broekhovensweg) en zuiden (Eikestraat) van Walik, in de gemeente Bergeijk (zie figuren 1,a 1b, 2a, en 2b en bijlage 3). Broekhovensweg betreft een tracé met een lengte van circa 1,1 kilometer en heeft een oppervlak van circa 5.500 m2. Eikestraat betreft een tracé met een lengte van circa 1,7 kilometer en heeft een oppervlak van circa 18.560 m2. Het maaiveld in het deelgebied Broekhovenseweg ligt volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN4) tussen circa 23,5 en 24,5 meter +NAP en de centrumcoördinaten van het plangebied zijn X: 155.091 en Y: 375.350. Het maaiveld in het deelgebied Eikestraat ligt volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN4) tussen circa 28,7 en 29,4 m NAP en de centrumcoördinaten van het plangebied zijn X: 153.555 en Y: 372.851. Het deelgebied Broekhovenseweg is kadastraal bekend als gemeente Riethoven, Sectie E, nummer 550 (ged.), 873 (ged.), 1476 (ged.), 108 (ged.), 115 (ged.), 938 (ged.), 899 (ged.) en gemeente Riethoven, Sectie A, nummer 1734 (ged.), 1518 (ged.) (zie kaart 2).

Het deelgebied Eikestraat is kadastraal bekend als gemeente Riethoven, Sectie D, nummers 927 (ged.), 469 (ged.), 704 (ged.), 705 (ged.), 706 (ged.), 707 (ged.), 242 (ged.), 243 (ged.), 244 (ged.), 245 (ged.), 246 (ged.), 248 (ged.), 249 (ged.), 242 (ged.), 569 (ged.), 759 (ged.), 928 (ged.), 595 (ged.), 271 (ged.), 272 (ged.), 273 (ged.), 274 (ged.), 275 (ged.), 276 (ged.), 278 (ged.), 277 (ged.), 1113 (ged.) en gemeente Bergeijk, Sectie A, nummers 1136 (ged.), 1547 (ged.), 1333 (ged.) en 1332 (ged.). Het deelgebied Broekhovenseweg is momenteel in gebruik fietspad, weg en agrarische percelen. Het deelgebied Eikestraat is momenteel in gebruik weg, bos, agrarische percelen en verkeersplein (zie figuren 3a en 3b). Over het algemeen bestaat de bodemopbouw uit antropogene lagen op dekzand, met aan de oostzijde van de Broekhovenseweg nog restanten van bodemvorming. Aan de westzijde van de Broekhovenseweg is plaatselijk boven he dekzand veen aangetroffen. Voor het oostelijke deel van de Broekhovensweg is het advies een vervolgonderzoek uit te voeren bij bodemverstorende werkzaamheden vanaf het maaiveld. Indien de ingrepen hier beperkt blijven tot alleen asfalteren van het bestaande fietspad is er geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk. Voor het westelijke deel van de Broekhovenseweg wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd (boringen 11-21) (zie figuur 4a).

Voor een groot deel van het deelgebied Eikestraat wordt vervolgonderzoek geadviseerd. Alleen voor een deel van het agrarische perceel D252 (bij boringen 30-33) en het deel rond de rotonde (boringen 54-58) wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd (boringen 54-58) (zie figuur 4b). Het onderzoeksgebied Broekhovensweg heeft een oppervlak van circa 2.100 m2 en het onderzoeksgebied Eikestraat heeft een oppervlakte van circa 15.460 m2. Over het algemeen bestaat de bodemopbouw uit een licht tot plaatselijk matig verstoord pakket (bouwvoor en geroerde laag) op de C-horizont, alleen in delen van obnderrzoeksgebied Broekhovensweg is er nog een B-/BC-horizont aangetroffen. Fysiek-landschappelijke, geologische, geomorfologische en bodemkundige kenmerken In het Vroeg en Midden Pleistoceen is er in het zuiden van Brabant een dik pakket rivierzanden en grinden afgezet door voorlopers van de Rijn en Maas. Deze afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Sterksel en komen op een aantal plekken in het plangebied aan het oppervlak voor, afgedekt door een dun pakket Laat Pleistocene dekzanden. Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en 7

Schutte, 2025.

13

silt. In deze periode werd over een groot deel van Nederland een pakket dekzand afgezet over oudere afzettingen (waaronder de Formatie van Sterksel). De dekzanden zijn onderverdeeld in het Oude en Jonge dekzand. Het Oude dekzand is tijdens het Pleniglaciaal afgezet in horizontaal gelaagde pakketten. Door verspoeling komen er vaak lemige of (zwak) grindige banden in het Oude dekzand voor. Het Jonge dekzand is tijdens het Laat Glaciaal afgezet in de vorm van dekzandruggen. Het Jonge dekzand is uitsluitend eolisch afgezet en bevat daardoor geen leem- en grindfractie. Het Jonge dekzand wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel waaronder ook het Oude dekzand valt. In onderzoeksgebied Broekhovenseweg komt aan de westzijde als laatste natuurlijke afzetting stuifzanden van het Laagpakket van Kootwijk voor, welke eveneens behoort tot de Formatie van Boxtel. Deze stuifzanden zijn lokaal verstoven en hoofdzakelijk sinds de Middeleeuwen ontstaan, voornamelijk door menselijke invloeden (ontbossing en agrarisch gebruik). In het meest westelijke deel komt het laagpakket van Wierden aan het oppervlak voor. In het onderzoeksgebied Eikenstraat komt aan de noordzijde het laagpakket van Wierden aan het oppervlak voor, in het zuidelijke deel ligt de Formatie van Sterksel aan het oppervlak. Geomorfologie (zie figuren 5a en 5b).

Op de geomorfologische kaart ligt de noordoostelijke punt van het onderzoeksgebied Broekhovenseweg op terrasafzettingswelvingen (L41), het grootste deel ligt op Landduinen met bijbehorende vlakten en laagten (L54) en een klein stukje aan de westzijde ligt op terrasafzettingsvlakte (M41). Het grootste deel van het onderzoeksgebied Eikestraat ligt op dekzandwelvingen (L51), alleen de zuidelijke punt ligt op terrasafzettingswelvingen (L41). Bij oude rivierafzettingen beneden een terrassenkruising (dat is het punt waar terrassen als gevolg van insnijding door een rivier zijn overgegaan in een afzettingsvlakte) komen terrrasafzettingswelvingen (L41) voor, waarvan het ontstaan moeilijk is te verklaren. Landduinen met bijbehorende vlakten en laagten zijn door de wind uit stuifzand opgeworpen landduinen, heuvels inclusief de tussenliggende uitgestoven laagten en vlakten (L54). Bij oude rivierafzettingen beneden een terrassenkruising (dat is het punt waar terrassen als gevolg van insnijding door een rivier zijn overgegaan in een afzettingsvlakte) komen terrasafzettingsvlakte voor (M41). Hierop bevindt zich in sommige gebieden dekzand. Bij windafzettingen en in het bijzonder bij die met flauwe hellingen (dekzand) komt vaak een zwak golvend oppervlak voor, waarvan de terreinverheffingen niet afzonderlijk kunnen worden aangegeven, dit zijn dekzandwelvingen (L51).

Fysisch landschap Op de kaart fysisch landschap, onderdeel van de Interactieve erfgoedkaart van Bergeijk, loopt het onderzoeksgebied Broekhovenseweg van oost naar west over een gebied met duinen en kamduinen. Op deze zelfde kaart loopt onderzoeksgebied Eiksestraat van noord naar zuid over hoge dekzandruggen, lage dekzandruggen en helemaal in het zuiden over lage zandgronden. Bodem (zie figuren 6a en 6b). Op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is de het grootste deel onderzoeksgebied Broekhovenseweg gekarteerd als haarpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (Hd21), het centrale deel is gekarteerd als gooreerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (pZn21), meest zuidelijke deel is gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21). Onderzoeksgebied Broekhovenseweg heeft grondwatertrappen VI-VII. Op dezelfde bodemkaart is het noordelijke deel en een deel van het centrale deel van onderzoeksgebied Eikestraat gekarteerd als vorstvaaggronden; lemig fijn zand (Zb23), een deel van het centrale deel is gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgronden; lemig fijn zand (zEZ23) en het zuidelijke deel is gekarteerd als

14

gooreerdgronden; lemig fijn zand (pZn23). Onderzoeksgebied Eiksestraat heeft grondwatertrappen VI-VII (overwegend VII). Haarpodzolen zijn podzolen die onder heide en soms onder bos zijn gevormd. Het moedermateriaal bestaat uit schraal, kalkloos en leemarm grof dekzand, grof oud rivierzand of fluvioglaciaal zand. De grondwaterstanden waren zowel tijdens het ontstaan als daarna altijd laag. Haarpodzolgronden hebben een dunne A horizont, een lichtgrijs gekleurde Ehorizont en een zwarte humusrijke B-horizont. De E-horizont wordt vanwege zijn grijze kleur vaak loodzandlaag genoemd. Een gooreerdgrond heeft een donker gekleurde bovengrond, bestaande uit humuslaag en A-horizont, van 20 tot maximaal 50 cm dikte. Deze ligt op een dikke, maar zwak ontwikkelde zandige podzol-B-horizont. Daaronder bevindt zich soms een sterk gebleekte, vrijwel ijzerloze ondergrond. Roestvlekken, die duiden op periodieke hoge grondwaterstanden, kunnen alleen op een diepte van meer dan 35 cm voorkomen. Ondanks de vaak zeer hoge waterstanden ontbreekt een duidelijke gereduceerde blauwgrijze ondergrond. Het humusgehalte van de bovengrond is vaak hoog. Een vorstvaaggrond vertoont weinig tekenen van bodemvorming en is een bodem met een schrale bovengrond. Hieronder, tot maximaal 60–80 cm diep, bevindt zich een zwak ontwikkelde bruin gekleurde Bw-horizont.

In sommige gevallen is er sprake van een moderpodzol (een Bws-horizont). In deze bodemlaag is het zand bedekt met ijzerhuidjes. Er vindt in deze bodems nauwelijks inspoeling van humus plaats. De bodem is dan ook humusarm. Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Regionale archeologische context (zie figuren 7a en 7b) Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Bergeijk ligt het onderzoeksgebied Broekhovenseweg grotendeels in een gebied met een middelhoge verwachting, de westzijde heeft een hoge archeologische verwachting. Een klein deel ligt in een gebied met een lage verwachting. Onderzoeksgebied Eikestraat heeft grotendeels een hoge archeologische verwachting, alleen de zuidzijde heeft een lage verwachting. Daarnaast ligt een deel van de Eikestraat in een archeologisch waardevol gebied. In een straal van 500 meter rondom het onderzoeksgebied Broekhovenseweg liggen geen AMK terreinen. In onderzoeksgebied Eikestraat ligt een AMK-terrein, een terrein met (restanten van) een grafheuvel uit het Laat Neolithicum en/of de Bronstijd en begravingen (urnenveld) uit de Late Bronstijd en/of IJzertijd (AMK-terrein 5005).

In een straal van 500 meter ten zuiden en westen van onderzoeksgebied Eiksestraat liggen nog eens vijf AMKterreinen. Direct en vrijwel direct ten zuiden van onderzoeksgebied Eikestraat liggen terreinen met sporen van bewoning uit de IJzertijd en/of Romeinse tijd, sporen van begraving (urnenveld) uit de Late Bronstijd - IJzertijd en twee grafheuvels uit het Neolithicum en/of de Bronstijd, alsook mogelijke sporen van begraving (rijengrafveld) uit de Vroege Middeleeuwen (AMK-terreinen 15290, 13436 & 16087). Op 130 meter ten westen van onderzoeksgebied Eiksestraat ligt een terrein met sporen van bewoning uit de IJzertijd en/of Romeinse tijd (AMK-terrein 4996) en 190 meter ten westen ligt een terrein met sporen van bewoning en begraving uit de Romeinse tijd. In een straal van 500 meter rondom onderzoeksgebied Broekhovenseweg zijn geen archeologische vindplaatsen bekend (er zijn binnen deze straal alleen bureau- en booronderzoeken uitgevoerd. In een straal van 500 meter rondom onderzoeksgebied Eikestraat zijn bij een proefsleuvenonderzoek naast een restant van een diep ingegraven kuil uit de Bronstijd – Romeinse tijd kuilen en paalkuilen uit de Nieuwe tijd aangetroffen, restanten van agrarisch gebruik en percelering. Binnen een straal van 500 meter rondom het onderzoeksgebied

15

Eikestraat staan 20 losse archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Al deze vondstmeldingen liggen op de dekzandwelving ten westen/zuidwesten van de Eikestraat. Ze betreffen vuursteen- en natuursteenvondsten uit het Midden Paleolithicum, Mesolithicum en Neolithicum, vondsten van aardewerk uit de IJzertijd en Romeinse tijd, grafheuvels en graven uit het Laat Neolithicum tot en met de IJzertijd met bijgiften uit deze perioden. Een aantal van deze vondsten zijn gedaan in de 19e eeuw, o.a. gedaan door M. Panken (18191904) schoolmeester en amateur archeoloog, en in de jaren ’50, ’60 en ’80 van de 20 e eeuw door G. Beex (provinciaal archeoloog) en H. Brunsting (toen conservator aan het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden). Ten westen van het onderzoeksgebied Eikestraat is op AHN een raatakkercomplex/celtic field zichtbaar. Cultuurlandschappelijke en historisch-geografische kenmerken Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal (zie bv. Figuur 9a) lag het onderzoeksgebied Broekhovenseweg vanaf de eerste helft van de 19e eeuw tot heden in een natuurgebied, in eerste instantie heide, vervolgens heide en bos en tenslotte alleen bos. De huidige Broekhovenseweg loopt op de oudste kaarten deels door het onderzoeksgebied (dit kan een cartografische fout zijn) maar vanaf de kaart uit 1901 ligt hij ten noorden van het onderzoeksgebied.

Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische (zie bv. Figuur 9b) lag het onderzoeksgebied Broekhovenseweg vanaf de eerste helft van de 19 e eeuw tot heden grotendeels in een natuurgebied met hier tussen agrarische percelen. Het natuurgebied bestond uit bos en op bepaalde momenten uit heide. Delen van het onderzoeksgebied kruisen de Eikestraat. De Eikestraat lijkt op de oudste kaarten niet op de huidige plek te liggen maar dit betreft waarschijnlijk ook een cartografische fout. 4.2 Aard en ouderdom van de vindplaats(en) Aard en ouderdom van de vindplaatsen zijn onbekend. Het plangebied ligt niet in een gradiëntsituatie naar open water. Het plangebied heeft daardoor een lage verwachting voor de perioden Laat paleolithicum en Mesolithicum. Ten zuidwesten van het deelgebied Eikestraat is een vindplaats uit het Midden Paleolithicum aangetroffen maar dit ligt op dermate grote afstand van het plangebied dat er niet verwacht wordt dat deze vindplaats doorloopt tot in het plangebied. De bodem in het grootste deel van het plangebied is geschikt voor agrarisch gebruik en bewoning, een klein deel was mogelijk te nat. Ten westen en zuidwesten van het deelgebied Eikestraat zijn duidelijke aanwijzingen dat hier vanaf het Neolithicum tot in de Romeinse tijd menselijke activiteiten hebben plaats gevonden, o.a. door de aanwezigheid nederzettingsterreinen en grafvelden.

Ten westen van het deelgebied Eikestraat is op AHN ook nog een raatakkercomplex/celtic field zichtbaar. De verwachting voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen in het plangebied is daarom hoog. Het plangebied ligt op het historisch kaartmateriaal langs en deels op een doorgaande weg. De percelen zijn echter grotendeels in gebruik als natuur of agrarisch percelen. De kans op bewoningssporen uit de Nieuwe tijd wordt daarom klein geacht, mogelijk zijn er wel sporen van agrarisch gebruik aanwezig in het plangebied. De verwachting voor archeologische resten uit de Nieuwe tijd is daarom middelhoog. 4.3 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) Begrenzing en oppervlakte van de totale vindplaats (dus ook buiten het onderzoeksgebied) De gemiddelde omvang van bewoningssporen is enkele honderden vierkante meters. Landbouwarealen kunnen enkele duizenden vierkante meters omvatten met daarin sporen

16

van greppels van enkele tientallen tot honderden meters lang. Infrastructuur bestaat uit lijnelementen van onbepaalde lengte en breedte. De omvang van resten van rituele handelingen, begravingen en resten van strijd zijn doorgaans beperkt tot puntvondsten. Begrenzing en oppervlakte van (het deel van) de vindplaats binnen het onderzoeksgebied Idem, met een maximum van 17.560 m2 (totale omvang onderzoeksgebied). 4.4 Structuren en sporen Op grond van het archeologische vooronderzoek blijkt dat resten van bewoning in het onderzoeksgebied terug kunnen gaan tot in het Paleolithicum (al is de verwachting laag voor het Paleolithicum en Mesolithicum). Uit het Laat Paleolithicum tot en met Laat Neolithicum kunnen indicaties van bewerking van vuursteen, halffabricaten, productieafval en productiegereedschap voorkomen, evenals indicaties van kortdurende nederzettingen/kampen (haardkuilen, verbrand vuursteen) en indicaties voor jacht/voedselverzameling (werktuigen (spitsen, bijlen, schrabbers, stekers etc.)). Uit de perioden Laat Neolithicum en de Bronstijd/IJzertijd/Romeinse tijd kunnen paalgaten, greppels, waterputten, (afval)kuilen, crematiegraven (met of zonder containers), plaggenstapelingen (of andere ophogingslagen), urnen en andere vondsten van natuur- en vuursteen en aardewerk voorkomen. Het kan gaan om grafkuilen, kringgreppels, vlakgraven, langbedden en grafheuvels.

Ook kunnen er paalsporen worden aangetroffen. Mogelijk zijn er ook karrensporen aanwezig. Uit de Midden-Bronstijd tot en met de Romeinse tijd worden in het deelgebied Eikestraat raatakkers verwacht, hiervan kunnen nog resten van de wallen worden aangetroffen met daarin en onder sporen van staken als onderdeel van een hekwerk, alsook spit- en ploegsporen in de top van de C-horizont. De sporen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd bestaan uit nederzettings- en ontginningssporen, waaronder kuilen, greppels en paalkuilen, en resten van agrarische landinrichting, zoals karrensporen, greppels, kuilen en spitsporen. 4.5 Anorganische artefacten De aan te treffen anorganische artefacten kunnen bestaan uit voor de perioden kenmerkend keramiek (aardewerk, steengoed, porselein), glas, baksteen, natuursteen, vuursteen, metalen voorwerpen. Voor de periode Paleolithicum-Mesolithicum-Vroeg Neolithicum kunnen strooiingen van bewerkt vuursteen en restproducten van vuursteenbewerking (microdebitage) aangetroffen worden. 4.6 Organische artefacten De aan te treffen organische artefacten kunnen bestaan uit gebruiksvoorwerpen en afval van hout, been, leer, textiel gewei of hoorn; verder bouwhout/vlechtwerk etc.

Als algemene vuistregel kan worden gesteld dat in die gebiedsdelen waar in een gedeelte van het jaar de gemiddeld laagste grondwaterspiegel dieper is dan 120 cm -mv en de bodem sterk ontkalkt is, weinig of geen goed geconserveerde organische artefacten in onverkoolde toestand worden verwacht. In deze gebiedsdelen zijn die enkel bewaard in verkoolde toestand, maar de mate van conservering zal wisselend zijn. In die gebiedsdelen waar de laagste grondwaterspiegel hoger is dan 120 cm -mv, kunnen organische artefacten daarentegen goed geconserveerd zijn - al dan niet in verkoolde toestand. Verder is de conservering van organisch materiaal in het algemeen beter in diep ingegraven

17

grondsporen, al dan niet in gebiedsdelen met een ontkalkte bodem. Gezien de landschappelijke ligging van het onderzoeksgebied en grondwatertrap VI - VII, is het niet waarschijnlijk dat dat metalen en organische resten buiten diep ingegraven grondsporen goed zijn geconserveerd. 4.7 Archeozoölogische en botanische resten Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast anorganische en organische vondsten ook resten van zaden, pollen of organisch afval worden aangetroffen. Waar het grondwater permanent aanwezig is, zijn archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en -botanische resten in het algemeen redelijk tot goed geconserveerd. Gezien de archeologische context worden in het algemeen veel van dergelijke resten verwacht, maar of dit daadwerkelijk het geval is, is afhankelijk van factoren als geomorfologie, textuur van de bodem, ontwatering, aanwezigheid van waterkerende lagen en datering. Gezien de landschappelijke ligging van het onderzoeksgebied is het niet waarschijnlijk dat organisch materiaal onverkoold buiten diep ingegraven grondsporen goed is geconserveerd.

4.8 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen De archeologische resten uit de perioden Paleolithicum tot en met Nieuwe tijd worden verwacht onder het antropogeen dek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont op een diepte variërend van 20-70 cm -mv in onderzoeksgebied Broekhovenweweg en 5 tot 70 cm -mv in onderzoeksgebied Eikestraat, onder de geroerde lagen. De vondstenlaag is opgenomen onder in antropogeen dek. 4.9 Gaafheid en conservering Structuren, sporen, vondsten, archeozoölogische en botanische resten. Door de verwachtte lage grondwaterspiegel zal eventueel aanwezig organisch vondstmateriaal - archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten niet tot slecht geconserveerd zijn en deze resten zullen waarschijnlijk alleen worden aangetroffen in diepe en vochtige sporen. Over de precieze gaafheid en conservering van de mogelijk aanwezige structuren, sporen, vondsten, archeozoölogische en botanische resten kan niet veel worden gezegd. Dit zal het archeologische onderzoek moeten uitwijzen. Het verkennend booronderzoek heeft aangetoond dat de bodemopbouw in delen van de Broekhovensweg en in de gehele Eikestraat verstoord is. Archeologische resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum zullen verstoord zijn, evenals een deel van de sporen uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd.

18

HOOFDSTUK 5 DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING 5.1 Doelstelling Het doel van het proefsleuvenonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het vooronderzoek. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Het proefsleuvenonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Dit omvat de aanof afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Doel van de opgraving - variant archeologische begeleiding is het documenteren van gegevens en het veilig stellen van materiaal van de verwachte en bekende vindplaatsen om daarmee informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het verleden. De opgraving variant archeologische begeleiding dient minimaal een inhoudelijke bijdrage te leveren aan de kennis over de aan- of afwezigheid van vindplaatsen in het onderzoeksgebied. Aanwezige archeologische waarden worden zo volledig mogelijk gedocumenteerd en geborgen om deze voor duurzaam ex situ behoud in aanmerking te laten komen. 5.2 Relatie met NOaA en/of andere onderzoekskaders Het onderzoek valt binnen de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie onder het Brabants zandgebied.

Op dit onderzoek zijn de volgende bovenregionale onderzoeksvragen van de NOaA 2.0 van toepassing: 2. De dynamiek van het Nederlandse landschap 5. Sociale en economische differentiatie 6. Emigratie, immigratie, acculturatie 7. De archeologie van het rituele 9. Dodenbestel en grafmonumenten 13. De verankering van het boerenbestaan 14. De rol van natuurlijke voedselbronnen na de introductie van de landbouw 16. Overgang Romeinse tijd naar Vroege Middeleeuwen 17. ‘Frankisering’ en kerstening 21. De dynamiek van het landgebruik 22. Mens - materiële cultuurrelaties 23. Netwerken en infrastructuur Uit het Paleolithicum en Mesolithicum kunnen in het onderzoeksgebied sporen van jagersverzamelaars worden aangetroffen. Het gaat hier om tijdelijke kampementen. Het landschap wordt vanaf het Neolithicum door de mens op diverse wijzen ingericht en gebruikt. De nalatenschap van deze inrichting en het gebruik daarvan geeft ons de mogelijkheid inzicht te krijgen in het leef- en denkpatroon van de bewoners gedurende de Late Prehistorie en de Middeleeuwen. De vraagstellingen bij dit thema beslaan een breed geheel. De aandacht bij het onderzoek naar het natuurlijke landschap is vooral gericht op de niet door de mens beïnvloede omgeving c.q. die aspecten van de natuur die uiteindelijk het menselijk handelen hebben beïnvloed. Bij dit onderzoeksthema staat de ontstaanswijze van het gebied centraal.

Er kan namelijk naast de landschappelijke ligging van de vindplaatsen ook een beeld van de ruimere regio verkregen worden.

19

5.3 Vraagstelling De belangrijkste vraagstelling betreft het toetsen van de archeologische verwachting. Bij het Inventariserend Veldonderzoek Proefsleuven en de opgraving variant archeologische begeleiding dienen de onderstaande onderzoeksvragen te worden beantwoord. Voor alle vragen geldt, dat indien ze niet beantwoord kunnen worden, de meest waarschijnlijke oorzaak hiervan dient te worden genoemd. Indien geen antwoord mogelijk is, dient dat toegelicht te worden. Geef de mate van zekerheid of onzekerheid aan. Antwoorden op vragen, waarop in eerste instantie het antwoord ja/nee is, dienen te worden toegelicht met een beargumenteerde interpretatie. Bodemopbouw en landschap 1. Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van het onderzoeksgebied (geologie, bodemkunde, geomorfologie, afstand tot water, reliëf)? 2. Hoe is de opbouw van het profiel in bodemkundige zin? Is er sprake van een podzol, veenvorming, etc.? Zijn er fases te onderscheiden in de bodemopbouw? Wat zijn de onderscheidende kenmerken daarvan en wat is de waarschijnlijke datering? 3. Zijn er aan de onderkant van de bouwvoor ontginningssporen, zoals spitsporen aanwezig? Kan aan de hand van archeologisch vondstmateriaal uit de bouwvoor een uitspraak worden gedaan over de ouderdom en/of de vorming ervan? 4. Is er sprake van (sub)recente8 verstoring en post-depositionele processen? 5.

Indien het onderzoek geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert, welke verklaring is hiervoor dan te geven? 6. Indien het onderzoek wel archeologische fenomenen heeft opgeleverd, hoe kan de vindplaats beschreven en geïnterpreteerd worden? Houd daarbij rekening met onderstaande vragen. Sporen en structuren 7. Wat is de aard en/of de functie van de sporen? Wat is de relatieve en/of absolute datering van de sporen? Waarop is de datering gebaseerd? In welke mate zijn lagen en sporen op vlakken te koppelen aan profielen? 8. Wat is de begrenzing, diepteligging en de ruimtelijke spreiding, zowel in horizontale als verticale zin, van de sites en wat is de onderlinge samenhang? 9. Welke structuren zijn te onderscheiden? 9 Wat is het complextype, de constructiewijze en/of de plattegrond en/of het type van de structuren? Wat is de relatieve en/of absolute datering van de structuren? Zijn er aanwijzingen voor landgebruik (off-site patronen) in de zin van wegen, percelering, akkers, grondstofwinning, vennen, etc.? 10. Zijn er aanwijzingen voor agrarische en/of ambachtelijke activiteiten? Zo ja, waaruit blijkt dat? 11. Wat is de inrichting en interne structuur van de vindplaats? Zijn er sites te onderscheiden?10 Hoe is de horizontale en verticale spreiding van sporen, structuren en sites en wat is hun samenhang?

8

Onder subrecent wordt verstaan: na circa 1900. Onder recent wordt verstaan: na circa 1950. Onder structuren worden verstaan al dan niet volledige plattegronden van houten gebouwen of constructies, resten van stenen gebouwen en karakteristieke, functioneel te onderscheiden grondsporen, zoals hutkommen, waterputten, graven, etc. 10 De volgende definities worden gehanteerd: een vindplaats is een gebied, waarvan de grenzen zowel door archeologische als niet-archeologische factoren bepaald kunnen zijn, waarbinnen archeologische fenomenen, ongeacht datering of complextype, zijn waargenomen. Een site is een ruimtelijk af te grenzen, specifiek te omschrijven archeologisch functioneel complex met een specifieke datering. Binnen een vindplaats kunnen zich 9

20

12. Kunnen meerdere bewoningsfasen (relatief en absoluut) onderscheiden worden? 13. Kunnen meerdere gebruiksfasen (relatief en absoluut) onderscheiden worden? 14. Wanneer en waarom zijn de sites en de vindplaats in zijn geheel verlaten of in onbruik geraakt? 15. Indien graven worden gevonden: is sprake van enkele individuele graven of een grafveld? Wat is de aard, conservering en datering van de graven? Raatakkers 16. Op de AHN is ten westen van het onderzoeksgebied Eikestraat een raatakkercomplex/celtic field zichtbaar, loopt deze door in het onderzoeksgebied en zo ja, hoe uit deze zich. 17. Indien er een raatakkercomplex/celtic field in het onderzoeksgebied ligt is er iets te zeggen over de gebruiksduur? 18. Zijn de wallen nog herkenbaar in het vlak en zijn er sporen van staken (als onderdeel van een hekwerk) in en onder de wallen waar te nemen? 19. Zijn er spit- en ploegsporen aanwezig en zo ja wat zegt dit over de intensiteit van het gebruik? 20. Zijn huisplaatsen in alle fasen een integraal onderdeel van raatakkers? 21. Op welke manier is er sprake van een planmatige opzet van de raatakkers of is er eerst sprake van losse clusters van veldjes die uiteindelijk aanéén worden gevoegd tot grote raatakkercomplexen van tientallen hectares? 22. Welke rollen spelen bemesting, braak- en brandcultuur bij de Raatakkers? 23. Welke gewassen werden er verbouwd? 24.

Zijn er aanwijzingen dat er sprake is geweest van bemesting van de raatakkers met huisafval en/of plaggen met mest uit stallen? Vondsten en paleo-ecologische resten 25. Welke mobiele vondsten zijn gedaan? Om welke materialen, soorten, typen, functies, aantallen, gewichten gaat het en uit welke context komen de vondsten? 11 Wat is de datering van de vondsten en waarop is de datering gebaseerd? 26. Wat is de aard en conservering van paleo-ecologische resten?12 In welke mate en in welke context zijn ze aangetroffen? Waardebepaling: 27. In welke mate zijn de archeologische kenmerken van de locatie zichtbaar of herkenbaar en in welke mate is er sprake van belevingswaarde? 28. Wat is de fysieke kwaliteit van de aangetroffen fenomenen? Welke verschillen zijn er ten aanzien van dit aspect binnen het onderzoeksgebied? 29. Wat is de inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen fenomenen en welke verschillen zijn er ten aanzien van dit aspect binnen het onderzoeksgebied? 30. Waar en in welke mate is deze locatie geschikt voor paleo-ecologisch en natuurwetenschappelijk onderzoek? Welke methoden zijn het meest kansrijk? 31. Welke waarde is er samenvattend te geven aan het onderzoeksgebied en de daarin te onderscheiden delen (binnen verticale en/of horizontale grenzen; complextypen, periode, sites)? Beschrijf en beredeneer de verschillen in waarde. Conclusie, evaluatie, aanbevelingen: 32.

Hoe verhouden de conclusies zich tot de resultaten van de eerdere archeologische onderzoeken in de omgeving van het onderzoeksgebied? In welke mate wijkt de

meerdere sites bevinden. 11 Deze vraag wordt in een tabel (bijlage) met toelichtende tekst in het rapport beantwoord. 12 Deze vraag wordt in een tabel (bijlage) met toelichtende tekst in het rapport beantwoord.

21

geconstateerde waarde af van de eerder toegekende waarde of van de gespecificeerde verwachting? 33. Welk risico lopen de geconstateerde archeologische waarden door de voorgenomen verstoring? Is behoud in situ of verder onderzoek (behoud ex situ) vanuit het perspectief van de Archeologische Monumentenzorg gewenst? 34. Welke strategische en methodische aanbevelingen kunnen worden gegeven voor vervolgonderzoek, zowel binnen het onderhavige onderzoeksgebied als in aangrenzende of naburige percelen?

Bij het aantreffen van een bepaald complex kan het verder noodzakelijk zijn om de onderzoeksvragen uit dit Programma van Eisen aan te vullen, specifiek gericht op de aard en ouderdom van de aangetroffen vindplaats. Hier zal dan schriftelijk een aanvulling op dit Programma van Eisen voor opgesteld moeten worden.

5.4 Aanbeveling Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek dient een aanbeveling te worden gedaan betreffende een archeologisch verantwoorde omgang met het onderzoeksgebied. Met betrekking tot die omgang zijn er drie opties: • behoud in situ; • definitieve opgraving; • vrijgeven. Op basis van de onderzoeksresultaten dient de gemeente Bergeijk een selectiebesluit te kunnen maken. Het proefsleuvenonderzoek dient tevens uitspraken te doen over de archeologische verwachting van de directe omgeving van het onderzoeksgebied. De opgraving – variant archeologische begeleiding dient uitspraken te doen over de archeologische verwachting van de directe omgeving van het onderzoeksgebied.

22

HOOFDSTUK 6 STRATEGIE, METHODEN EN TECHNIEKEN 6.1 Strategie In aanvulling op de richtlijnen in de KNA versie 4.2 (d.d. 14-03-2022): De onderzoeksvragen kunnen worden beantwoord door middel van een karterend/waarderend proefsleuvenonderzoek en een opgraving – variant archeologische begeleiding (BRL400/KNA versie 4.2 (d.d. 14-03-2022). Het uitgangspunt is een vindplaatsgerichte benadering. Door middel van het proefsleuvenonderzoek en de opgraving – variant archeologische begeleiding moet inzicht worden verkregen in onder andere de aan- of afwezigheid en gaafheid van grondsporen en vondstconcentraties en de aan- of afwezigheid en conservering van paleo-ecologische resten. De volgende protocollen en bijbehorende specificaties van de KNA versie 4.2 (d.d. 14-032022) zijn op het onderzoek van toepassing: • Protocol 4001 – Programma van Eisen; • Protocol 4004 – Opgraven; • Protocol 4006 – Specialistisch Onderzoek; • Protocol 4010 – Depotbeheer. Daarnaast zijn de volgende standaarden, leidraden en specificaties van toepassing: • Beoordelingsrichtlijn BRL 4000 Archeologie en bijlagen; • KNA versie 4.2 (d.d.

14-03-2022) Bijlagen bij protocollen I, III en IV; • Specificaties PvE PS06 en PS07; • Specificaties opgraven OS01 t/m OS17; • Specificaties deponeren DS01-DS03, DS05; • KNA-Leidraad Veldhandleiding Archeologie • KNA-Leidraad Archeozoölogie • KNA-Leidraad Archeobotanie • KNA-Leidraad Eerste Hulp bij Kwetsbaar Vondstmateriaal De strategie richt zich op het gehele onderzoeksgebied en dient te leiden tot een goed begrip van het landschap en tot de interpretatie van de archeologische fenomenen in hun landschappelijke context. Documentatie van de profielen dient inzicht te geven in de landschappelijke opbouw en in de stratigrafie. Documentatie van de vlakken dient inzicht te geven in de ruimtelijke geleding en in de spreiding en aard van sporen, structuren en vondsten. Documentatie van de sporen in het vlak en in coupes dient in samenhang met het verzamelen van vondsten en nemen van monsters inzicht te geven in de aard, datering en kwaliteit van sporen. Het team dat het archeologisch onderzoek uitvoert staat onder leiding van een Senior KNA Archeoloog die ervaring heeft met onderzoek in het Brabants zandgebied en vindplaatsen beneden plaggendekken en in dekzandgebieden. In het veld worden de werkzaamheden continu uitgevoerd door deze Senior KNA Archeoloog, bijgestaan door minimaal één (KNA-)archeoloog en/of (Senior) veldtechnici.

Eikestraat In het onderzoeksgebied Eikestraat worden 27 proefsleuven aangelegd van 25 bij 4 meter (zie figuur 8 en 9b). De sleuven worden in een rij aangelegd gelegd met 25 meter tussen de sleuven. Hiermee wordt 2.700 m2, ongeveer 19% van de totale oppervlakte van het onderzoeksgebied Eikestraat (circa 15.460 m2) onderzocht.13 Met het plaatsen van de 13

Door het lineaire karakter van het plangebied ligt de onderzoekintensiteit hoger dan te doen

23

proefsleuven wordt verwacht dat archeologische sporen die in het plangebied verwacht worden zullen worden aangesneden, dit zijn sporen van graven (inclusie bijbehorende structuren), nederzettingen en van de raatakkers die mogelijk doorlopen tot in het plangebied. Er kan maximaal 200 m² extra proefsleuf aangelegd worden, indien van belang en noodzakelijk voor een goede waardenstelling. Deze aanvullende vierkante meters kunnen worden gebruikt om nieuwe proefsleuven aan te leggen of een proefsleuf te verlengen of te verbreden, bijvoorbeeld om een groter deel van een structuur bloot te leggen, een spoor te vervolgen of om de begrenzing van een vindplaats beter in beeld te brengen. Ook kunnen er, tussen sleuven 8 tot 10 en 12 tot 21, daar waar de raatakkers verwacht worden (en bij sleuven 16 tot 21 graven) handmatig laagsgewijs proefputjes gegraven worden van 1 x 1 meter om archeologische sporen beter in beeld te brengen. De aanleg van de extra vierkante meters proefsleuf en de proefputjes gebeurt alleen in overleg en na goedkeuring van de bevoegde overheid. Broekhovenseweg De opgraving – variant archeologische begeleiding vindt plaats tijdens de uitvoering van civieltechnische graafwerkzaamheden in onderzoeksgebied Broekhovenseweg. Alle graafwerkzaamheden dieper dan de huidige ondergrondse infrastructuur worden onderzocht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GemeenteBergeijk&id=7c01e1ef-1de1-4809-a0e6-86b3eaefe10e