CConstaterende datBergeijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Motivering BOPA Nieuwstraat 66

Gemeenteraad 29 januari 2026, gemeente BergeijkBij agendapunt: BOPA Nieuwstraat 6623.365 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.2.2

Toetsing De nieuwe woningen worden ‘all electric’. Er wordt dus geen gebruik gemaakt van gas, De woningen worden voorzien van zonnepanelen en warmtepompen en goede vloer-, daken gevelisolatie en zullen BENG (bijna energieneutraal) worden uitgevoerd.

4.2.3

Conclusie Maatregelen die inherent zijn aan duurzaam bouwen worden toegepast bij de ontwikkeling van het initiatief.

4.3

Gezondheid

4.3.1

Algemeen/Wettelijk kader Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben (§ 5.1.4 Bkl). De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, kwaliteit van de buitenlucht en bodem. Deze aspecten zijn in elders in hoofdstuk 4 van deze onderbouwing BOPA gemotiveerd.

UrbiTom

30

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ‘Nieuwstraat 66, Bergeijk’

Gemeente Bergeijk

In deze paragraaf wordt, aanvullend op de bovengenoemde aspecten, aandacht besteed aan endotoxinen en spuitzones. 4.3.2

Toetsing - Pluimvee- en varkenshouderijen De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit vrijkomende fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een belangrijk bestanddeel in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 2.0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie.

Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woonen leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. In de Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 2.0’ worden de volgende richtafstanden gehanteerd: Pluimveebedrijven: binnen een afstand van 1 kilometer liggen woon- of verblijfsruimten van derden Overige veehouderijen: binnen afstand van 250 meter ligt een bebouwde kom. Kortste afstand van het projectgebied tot een varkenshouderij bedraagt 1,2 km (varkenshouderij Berkterbeemden 3, Bergeijk). Ruimschoots meer dan de richtafstand van 250 m. Op 1,2 km afstand ligt de dichts bij het projectgebied gelegen pluimveehouderij aan de Burg. Aertslaan 16, Bergeijk. Er wordt ruim buiten de richtafstand van 1 km gebleven.

UrbiTom

31

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ‘Nieuwstraat 66, Bergeijk’

Gemeente Bergeijk

Conclusie Er is geen sprake van een overschrijding van de endotoxine advieswaarde ter plaatse van het projectgebied. 4.3.3

Toetsing - Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat, heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locaties) vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s. De dichtstbijzijnde geitenhouderij ligt op een afstand van 3,3 km van het projectgebied (Weebosch 2, Weebosch), dus op meer dan 2 kilometer afstand. Conclusie Er is vanwege geitenhouderijen geen sprake van belemmeringen voor het initiatief.

4.3.4

Toetsing - Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. De bovenbeschreven afstand van 50 m is gebaseerd op de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen bij gewassen, waar hoog gespoten moet worden, zoals fruitbomen. Het projectgebied is gelegen in het komgebied van Bergeijk. Gebieden met een agrarische functie, waar mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, bevinden zich op een kortste afstand van ca. 240 m van het projectgebied.

Conclusie Binnen een afstand van 50 m tot ( de nieuwe woningbouwmogelijkheden in) het projectgebied worden geen gewasbeschermingsmiddelen toegepast. Er is geen sprake van beperkingen voor woningbouw door spuitzones.

UrbiTom

32

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ‘Nieuwstraat 66, Bergeijk’

Gemeente Bergeijk

4.3.5

Conclusie Er zijn voor het initiatief geen belemmeringen vanwege het aspect volksgezondheid.

4.4

Weging waterbelang

4.4.1

Algemeen/wettelijk kader Om ervoor te zorgen dat de waterbelangen een goede plek krijgen en evenwichtig worden afgewogen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets uitgevoerd. Onder de Omgevingswet is dit proces vastgelegd onder de noemer ‘weging van het waterbelang’. 4.4.1.1. Waterrelevant beleid De planlocatie is gelegen binnen het beheersgebied van waterschap De Dommel en de gemeente Bergeijk. 4.4.1.2.

Beleid Waterschap

Algemeen In Europa wordt de Europese regelgeving van de Kader Richtlijn Water (KRW) gehanteerd. Het doel van de KRW is dat uiterlijk in 2027 alle maatregelen zijn uitgevoerd om het water in Europa schoon en gezond te krijgen en te houden. De KRW heeft drie planperiodes: 20092015, 2016-2021 en 2022-2027. Deze richtlijn vertaalt zich naar Nederland in beleidsplannen op drie niveaus: het Nationaal Water Programma op rijksniveau, de Regionale Water Programma’s op provinciaal niveau en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. De richtlijn vanuit Europa en de beleidsplannen van het Rijk en de provincie NoordBrabant geven de kaders voor het Waterbeheerprogramma van De Dommel. De keuzes in dit WBP zijn in lijn met die kaders. Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’ Met ingang van 1 januari 2022 is het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’ in werking getreden. Dit waterbeheerprogramma beschrijft de doelen en inspanningen van Waterschap De Dommel voor de periode 2022-2027. In dit waterbeheerprogramma is een indeling gemaakt in de volgende thema’s: 1. Droge Voeten 2. Schoon Water 3. Voldoende Water Streven is om uiterlijk in 2050 de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig te hebben.

Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet en een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. In het waterbeheersplan is de route naar 2050 beschreven.

UrbiTom

33

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ‘Nieuwstraat 66, Bergeijk’

Gemeente Bergeijk

Aansluitend op het waterbeheerplan is er de Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024. Deze is per 1 januari 2024 in werking getreden. In de Waterschapsverordening (art 2.2 lid 5) is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van de verharde oppervlakte of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. In art 2.31 (Aanwijzing vergunningvrije gevallen) is aangegeven dat dit verbod is van toepassing is tenzij: Het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of; de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; de toename van het verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel. Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06. Bij alle in- en uitbreidingsplannen adviseert en toetst het Waterschap op hydrologische effecten, waarbij het hydrologisch neutraal ontwikkelen het uitgangspunt is. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving.

Daarnaast is het streven om het schone en het verontreinigde water zoveel mogelijk te scheiden. Voor nieuwbouw geldt dat het “schone” regenwater van het “vuile” huishoudelijke afvalwater gescheiden opgevangen en verwerkt dient te worden. Het huishoudelijke afvalwater dient in overleg met de gemeente aangesloten te worden op een bestaand rioolstelsel in de omgeving van de planontwikkeling. Voor de afvoer van hemelwater geldt het uitgangspunt ‘hydrologisch neutraal ontwikkelen’. Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Voor behandeling van dit water geldt de trits hergebruik-vasthouden-afvoeren, nader gespecificeerd in een vijftal opties, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. hergebruik; 2. vasthouden / infiltreren; 3. bergen; 4. afvoeren naar oppervlaktewater; 5. afvoeren naar de riolering. -

De initiatiefnemer dient deze opties te doorlopen en te beargumenteren voor welke optie wordt gekozen. ‘Vasthouden’ betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater / riolering mogelijk. In dit geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Bij een compenserende berging kan worden gedacht aan een vijver, een infiltratievoorziening of buffersloot met een geknepen afvoer naar een watergang.

UrbiTom

34

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ‘Nieuwstraat 66, Bergeijk’

-

-

Gemeente Bergeijk

Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid eisen aan de afvoer van hemelwater. Voor hemelwaterafvoer naar oppervlaktewater gelden de bepalingen uit de Waterschapsverordening Waterschap De Dommel. In de waterparagraaf dient duidelijk te worden welk type infiltratie- en/of bergingsvoorziening wordt toegepast. Middels een tekening kan inzicht worden gegeven in de locatie en het ruimtebeslag van de voorziening(en). Hierbij dient aandacht te worden besteed aan de leegloop en overstort van de voorziening. Tevens dient inzichtelijk gemaakt te worden dat er door de nieuwe ontwikkeling geen problemen elders worden veroorzaakt. Bij de inrichting, bouwen en beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen te worden toegevoegd aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Conform de waterkwaliteitstrits, 1. schoonhouden 2. scheiden 3. zuiveren, dienen de mogelijkheden voor bronmaatregelen (schoonhouden) te worden onderzocht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan zorgvuldige materiaalkeuze (pakket duurzaam bouwen), geen blootstelling van uitloogbare bouwmaterialen zoals zink, koper en lood aan hemelwater en een verantwoord beheer van de openbare ruimte (weg- en groenbeheer).

4.4.1.3. Beleid gemeente Bergeijk - vGRP 2020-2024 Het waterbeleid van de gemeente Bergeijk is vervat in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) 2020-2024, waarin geconstateerd wordt dat Bergeijk al een flinke stap heeft gezet in het beperken van de kans op wateroverlast. Door klimaatverandering ontstaat echter een nieuwe opgave: Buien worden extremer en de frequentie waarmee zware buien optreden neemt toe. Om op de toekomst voorbereid te zijn en een goed woon- en vestigingsklimaat te behouden zijn nieuwe investeringen nodig. Extra en grote hoeveelheden regenwater moeten worden verwerkt om waterschade te voorkomen. Het ondergronds afvoeren van deze extremen is kostbaar, maar bovengrondse oplossingen voor berging vergen ruimte en zijn daardoor sterk afhankelijk van andere claims op de bovengrond. Hemelwater Voor een toekomstbestendig (her)inrichting wil de gemeente meldings- en vergunningplichtige ingrepen benutten om een versnelde afvoer van neerslag te compenseren door waterberging. Hierbij wordt een koers aangehouden, waarin het beleid van de gemeente het beleid van het waterschap aanvult. Het gaat hierbij om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij het verhard oppervlak toeneemt of opnieuw wordt aangelegd (oppakken verharding).

In de nieuwe koers worden voor beide type ontwikkelingen eisen aan de verwerking van hemelwater op eigen terrein gesteld: Bij ontwikkelingen (toename of sloop/herbouw/opnieuw aanleggen) >50 m² waarbij op een gemeentelijke voorziening wordt geloosd is het gemeentelijk hemelwaterbeleid van toepassing; Voor ontwikkelingen die direct op oppervlaktewater in beheer van het waterschap lozen is het beleid van Waterschap De Dommel van toepassing. Dit betekent dat bij een toename >500 m² aan de bergingsopgave zoals beschreven in de Waterschapsverordening moet worden voldaan.

UrbiTom

35

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ‘Nieuwstraat 66, Bergeijk’

Gemeente Bergeijk

Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar de volgende situaties: nieuwbouw (het bebouwen van nog onbebouwd gebied); herstructurering (een ingreep in de bebouwde omgeving met nieuwbouw na sloop of hergebruik na renovatie); herinrichting (het vernieuwen van de openbare ruimte in multidisciplinaire rioolvervangingsprojecten, waarbij de werkzaamheden alleen plaatsvinden in de openbare ruimte en niet/minimaal op particulier terrein en het verhard oppervlak niet toeneemt); vernieuwing / het technisch in stand houden door vernieuwing (monodisciplinair project). Bij deze situaties varieert de vrijheid om de benodigde voorzieningen aan te leggen en het stedelijk watersysteem te verbeteren van maximaal (nieuwbouw) naar minimaal (vernieuwing). In voorliggend plan is sprake van nieuwbouw. Voor nieuwbouw verplicht de gemeente de aanleg van 60 mm hemelwaterberging op eigen terrein. Alleen als dit aantoonbaar niet doelmatig/haalbaar is of transport naar een opvanglocatie buiten het projectgebied doelmatiger is, dan is verwerking buiten het projectgebied toegestaan. Afvalwater De gemeente wil bewust omgaan met afvalwater. Dit zit namelijk vol schaarse en waardevolle grondstoffen. Naast de grondstof voor het opwekken van energie, bevat het afvalwater bijvoorbeeld fosfaat, stikstof, kalium en bouwstenen voor bio-plastics.

De gemeente is voorstander van hergebruik van energie en grondstoffen door deze weer uit het afvalwater te halen. Hoe minder het afvalwater wordt verdund met grond- en regenwater en hoe gelijkmatiger het afvalwater door de gemeente wordt aangeleverd des te (kosten)efficiënter kan dit plaatsvinden. Door schoon en vuil water te scheiden wil de gemeente hier doelmatig aan bijdragen. 4.4.2

Toetsing - Locatiestudie Het onderzoeksgebied betreft de percelen, kadastraal bekend gemeente Bergeijk, sectie D, nummers 3028 (ged.), 3044, 3499, 5973 (ged.). Totaaloppervlakte van dit perceel bedraagt 1.337 m2 (bron: situatietekening Keeris Architecten). Uit de kaart die bij de Waterschapsverordening hoort wordt duidelijk dat het projectgebied is gelegen buiten beschermde gebieden, attentiegebieden of beekdalen. Wel is het gebied gelegen binnen een attentiegebied, invloedsgebied Natura 2000 of beperkt invloedsgebied Natura 2000. Hier zijn regels van toepassing die betrekking hebben op het ontwateren van gronden middels drainagemiddelen en het onttrekken van grondwater voor beregening van grasland. Deze regels zijn voor het projectgebied, met een woonfunctie, niet van toepassing.

UrbiTom

36

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ‘Nieuwstraat 66, Bergeijk’

Gemeente Bergeijk

Toename verharding en noodzaak waterberging Door de ontwikkeling is er sprake van een toename van verharding in het projectgebied (toename van ca. 640 m2). Het totaal aan bestaande en nieuwe verharding in de nieuwe situatie bedraagt 980 m2.

Bebouwing Verharde buitenruimte Totaal verhard oppervlak Onverhard oppervlak Totaal perceelsoppervlak

Huidige situatie (m2) 210 130

Toekomstige situatie (m2) 490 460

340

950

997

387

1.337

1.337

Met behulp van een eenvoudige rekenregel uit de Algemene Regel, behorend bij de Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024, kan de vereiste compensatie per ontwikkelscenario berekend worden. Voor ontwikkelingen, waarvan de toename van het verhard oppervlak meer dan 500 m2 bedraagt, is compenserende waterberging vereist. De hydrologische gevolgen van ontwikkelingen, kleiner dan 500 m2, zijn voor het ontvangende watersysteem namelijk beperkt. Tevens zou bij ontwikkelingen van deze omvang noodzakelijke compensatie bij een geïsoleerde voorziening resulteren in een voorziening die slecht beheer(s)baar is en weinig zekerheid op functioneren biedt. De ontwikkeling, die onderwerp is van voorliggende onderbouwing BOPA, heeft een verhardingstoename van meer dan 500 m2. Ingevolge de Waterschapsverordening moet daarom voorzien worden in compenserende waterberging. Ingevolge het beleid van de gemeente Bergeijk, zoals vervat in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP 2020-2024) moet er voor nieuwprojecten voorzien worden in een waterberging op eigen terrein van 60 mm, waarbij gerekend wordt met de aanwezige verharding in het projectgebied na nieuwbouw (zowel verharding die reeds aanwezig was als nieuwe verharding).

Voor hierboven omschreven verharde oppervlak kan de vereiste compensatie berekend worden door dit oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). Er dient dus een waterbergingsvoorziening met een inhoud van 57 m3 (950 x 0,06 m3) gerealiseerd te worden. Grondwaterstand, infiltratiemogelijkheden en waterberging In de nabijheid van het projectgebied zijn twee peilbuizen, waar de grondwaterstanden langjarig gemeten zijn. Hieruit valt af te leiden dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand ca. 30,5 m + N.A.P. is bij de peilbuis net ten westen van het projectgebied (peilbuis

UrbiTom

37

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ‘Nieuwstraat 66, Bergeijk’

Gemeente Bergeijk

B57B0156-001 aan de Hooge Berkt nabij de Beisterveldenweg) en ca. 27,5 m + N.A.P. bij een peilbuis meer op afstand is oostelijke richting (peilbuis B57B0166-001 aan de Riethovensedijk) (bron: Dinoloket). Het maaiveld ter plaatse van het projectgebied ligt op ca. 33,4 m + N.A.P. De GHG ligt dus op een vrij grote diepte van ten hoogste ca. 3 m -mv. Dit stemt ook overeen met de grondwaterstand, die bij het veldonderzoek voor het verkennend bodemonderzoek is gemeten: 3.5 m – maaiveld. Deze meting is verricht in februari 2025, dus tijdens een natte winter, volgend op een nat jaar. De bodem bestaat uit zeer fijn tot matig grof, zand zonder leemlagen. Het perceel is als woonperceel in gebruik geweest. Voor de tuin, waar de infiltratievoorzieningen kunnen worden aangelegd, is er geen reden om aan te nemen dat de grond verdicht is. De infiltratiemogelijkheden zijn derhalve naar alle waarschijnlijkheid goed. Er wordt voorzien in hemelwaterinfiltratie op eigen terrein onder de gemeenschappelijke parkeerplaats (zie situatietekening). Gezien de lage GHG kan berging tot op vrij grote diepte gerealiseerd worden. Er wordt voorzien in een overloop naar de Nieuwstraat, waarnaar het water kan afvloeien bij een zeer groot hemelwateraanbod.

Waterkwaliteit – scheiding van afvalwater en hemelwater Ten behoeve van de waterkwaliteit zal de voorgestelde ontwikkeling bij de aanleg geen gebruik maken van uitloogbare materialen, waardoor de uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater voorkomen wordt. Binnen het bouwplan wordt het huishoudelijke afvalwater (DWA) gescheiden van het hemelwater (HWA). De DWA wordt aangesloten op het bestaande vuilwaterrioleringsstelsel van de Nieuwstraat. Het hemelwater van de bestaande bebouwing blijft afgevoerd worden naar het gemeentelijk riool via de bestaande HWA. Het (afval)water dat voor de nieuwe woningen afgevoerd moet worden bevat geen chemische stoffen die schadelijk zijn voor het water in het openbaar riool. Ook geeft het af te voeren water geen stankoverlast en bevat het water geen snel bezinkende- en/of grove afvalstoffen. Van een verontreiniging van het rioolwater door toedoen van het afvalwater is dan ook geen sprake. 4.4.3

Conclusie In het kader van de planprocedure zijn de gevolgen ten aanzien van de waterhuishouding inzichtelijk gemaakt en de daaruit voortkomende waterbergingsbehoefte. Geconcludeerd kan worden dat, vanwege onderhavige omgevingsplanactiviteit, moet worden voorzien in 57 m3 bergingscompensatie op eigen terrein vanwege een verharding in de nieuwe situatie van 950 m2 (dakvlakken en terreinverharding). Dit is, gezien de grootte van het perceel en de diepgelegen gemiddeld hoogste grondwaterstand eenvoudig uitvoerbaar, zodat er geen belemmeringen aanwezig zijn vanuit het aspect water.

UrbiTom

38

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ‘Nieuwstraat 66, Bergeijk’

4.5

Gemeente Bergeijk

Klimaatadaptatie Ons klimaat verandert. Er zijn meer warme perioden met hogere temperaturen dan voorheen en er zijn meer buien met veel neerslag in korte tijd. Het initiatief betreft 8 woningen op een ruim perceel, waar ruimte is voor enig opgaand groen om hittestress tegen te gaan. Door te voorzien in infiltratiemogelijkheden conform de eisen van gemeente en waterschap wordt uitvoering gegeven aan klimaatadaptief waterbeleid (zie ook paragraaf 4.4 – Weging waterbelang).

4.6

Groen Binnen het projectgebied zal een deel van de bomen op het achterperceel van Bremdreef 5 moeten worden gerooid. De bomen in het plangebied van het tijdelijk deel van het omgevingsplan ‘Woonbos Hooge Berkt’ zijn op de kaart met waardevolle bomen van de gemeente Bergeijk als zodanig aangeduid, zoals is te zien op onderstaande kaart.

Uitsnede kaart waardevolle vlakten, structuren en bomen gemeente Bergeijk, met zwart omlijnd het projectgebied en daarbinnen rood aangeduid het gedeelte waar bomen gerooid moeten worden.

Op basis van de APV, artikel 4.11, is het verboden om zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen, onder meer wanneer deze houtopstanden opgenomen zijn in de Lijst waardevolle bomen, gemeente Bergeijk. In lijn met, wat is aangegeven in het principebesluit van de gemeente voor het project zal worden zorggedragen voor compensatie van de te rooien bomen.

UrbiTom

39

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ‘Nieuwstraat 66, Bergeijk’

Gemeente Bergeijk

Hiervoor heeft de initiatiefnemer een compensatieplan laten vervaardigen door Renders uit Riethoven.

Het betreft de compensatie voor de rooi van 8 grove dennen. Op het terrein aan de Bremdreef 5 wordt voorzien in het terugplanten van 3 beuken (Fagus sylvatica) en 1 tamme kastanje (Castanea sativa). In de voortuinen van de nieuwe woningen worden 4 sierkersen (Prunus sargentii) aangeplant. Kapwerkzaamheden zullen verricht te worden buiten het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli). Tijdens de bouwfase zal de bouwplaats (en het omliggende bosgebied) niet worden verlicht tussen zonsondergang en zonsopkomst. Dit om het verstoren van jagende vleermuizen te voorkomen.

4.7

Verkeer

4.7.1

Toetsingskader De wijziging van functie heeft effect op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect hiervan is. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid te worden getoetst.

UrbiTom

40

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ‘Nieuwstraat 66, Bergeijk’

4.7.2

Gemeente Bergeijk

Toetsing Ontsluiting Het initiatief wordt ontsloten op de Nieuwstraat, een woonstraat die de noordwestelijke woongebieden van Bergeijk verbindt met het dorpscentrum. Het projectgebied ligt op korte afstand van het dorpscentrum van Bergeijk. Parkeren Voor de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de richtcijfers voor parkeernormering die zijn vervat in de nota ‘Parkeer- en Elektrisch Laden Beleid 2025 Gemeente Bergeijk’. In deze nota worden de gemiddelde parkeerrichtlijnen van het CROW gehanteerd, zoals opgenomen in brochure 744: ‘Parkeerkencijfers 2024’. Voor berekening van de parkeerbehoefte in het projectgebied wordt uitgegaan van een gebied met de kenmerken ‘weinig stedelijk gebied’ gelegen buiten het kernwinkelapparaat, dus in de ‘rest van de bebouwde kom’. Met behulp van parkeernormen wordt de parkeereis bepaald voor ruimtelijke ontwikkelingen. Parkeernormen worden niet gebruikt om bestaande parkeerdruk in beeld te brengen of te corrigeren. De parkeereis is het totaal aan parkeerplaatsen waar een ontwikkeling in moet voorzien. Parkeereis -

-

-

-

Parkeereis appartement sociale huur < 75 m2 b.v.o. (0,4 – 1,2, dus gemiddeld 0,8 pp/wo excl. bezoekersparkeren + 0,2 bezoekersparkerplaats = 1,0 pp/wo x 3 sociale huurappartementen = 3 parkeerplaatsen Parkeereis appartement koop < 75 m2 b.v.o.: (0,9 – 1,7, dus gemiddeld 1,3 pp/wo excl. bezoekersparkeren + 0,2 bezoekersparkeerplaats = 1,5 pp/wo x 1 appartement =) 1,5 parkeerplaatsen. Parkeereis appartement koop 75 - 100 m2 b.v.o.: (1,0 – 1,8, dus gemiddeld 1,4 pp/wo excl. bezoekersparkeren + 0,2 bezoekersparkeerplaats = 1,6 pp/wo x 3 appartementen =) 4,8 parkeerplaatsen. Parkeereis appartement koop > 100 m2 b.v.o.: (1,4 – 2,2, dus gemiddeld 1,8 pp/wo excl. bezoekersparkeren + 0,2 bezoekersparkeerplaats = 2 pp/wo x 1 appartement =) 2,0 parkeerplaatsen.

Totale parkeereis bedraagt derhalve 11,3 parkeerplaatsen. Te realiseren parkeerplaatsen Er is in het ontwerp sprake van 4 parkeerplaatsen op een gemeenschappelijk parkeerterrein, een dubbele oprit zonder garage en 3 lange opritten met twee opstelplaatsen achter elkaar, zonder garage. Ingevolge de nota ‘Parkeer- en Elektrisch Laden Beleid 2025 Gemeente Bergeijk’ wordt een dubbele oprit zonder garage als 2 parkeerplaatsen gerekend, evenals een lange oprit. Totaal wordt er derhalve voorzien in (4 + 2 + 6 =) 12 parkeerplaatsen. Hiermee wordt ruimschoots aan de parkeereis voldaan.

UrbiTom

41

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ‘Nieuwstraat 66, Bergeijk’

Gemeente Bergeijk

Situatietekening met daarin opgenomen de 8 parkeerplaatsen op eigen terrein

Verkeersgeneratie Bestaande situatie: Voor de bestaande situatie wordt de verkeersgeneratie bepaald door 1 vrijstaande woning Ingevolge de CROW-brochure ‘Parkeerkencijfers 2024’ bedraagt de gemiddelde verkeersgeneratie voor een vrijstaande woning: 8,2 motorvoertuigen/etmaal. Nieuwe situatie: -

Gemiddelde verkeersgeneratie appartementen sociale huur < 75 m2 b.v.o. = 3,3mvt/etm/wo x 3 appartementen = 9,9 motorvoertuigen/etmaal Gemiddelde verkeersgeneratie appartementen koop < 75 m2 b.v.o. = 5,6 mvt/etm/wo x 1 appartement = 5,6 motorvoertuigen/etmaal Gemiddelde verkeersgeneratie appartementen koop 75 - 100 m2 b.v.o. = 6 mvt/etm/wo x 3 appartementen = 18 motorvoertuigen/etmaal Gemiddelde verkeersgeneratie appartementen koop > 100 m2 b.v.o. = 7,4 mvt/etm/wo x 1 appartement = 7,4 motorvoertuigen/etmaal

Totale verkeersgeneratie: = 40,9 motorvoertuigen/etmaal. Er is dus sprake van een verkeerstoename van (40,9 – 8,2 = afgerond) 33 motorvoertuigen/etmaal, vanwege het initiatief. Dit aantal past ruimschoots binnen de capaciteit van de Nieuwstraat.

UrbiTom

42

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ‘Nieuwstraat 66, Bergeijk’

Gemeente Bergeijk

Openbaar vervoer Bergeijk is met het openbaar vervoer alleen per bus bereikbaar. De dichtst bij het projectgebied gelegen bushaltes bevinden zich aan de Nieuwstraat op ca. 240 m loopafstand. Het projectgebied is dus voldoende bereikbaar met het openbaar vervoer. Fietsparkeren In het projectgebied worden 5 bergingen gerealiseerd, waar de fietsen voor de nieuwe woningen kunnen worden gestald. Hiervoor is ook ruimte op het (eigen) voorterrein en buiten bij de bergingen (bezoekers). 4.7.3

Conclusie Op eigen terrein kunnen 16 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. De parkeereis bedraagt 11,3 parkeerplaatsen. Er wordt derhalve ruimschoots aan de parkeereis voldaan. Door de nieuwe ontwikkeling is er een geringe toename van de verkeersintensiteiten in en om het projectgebied, die binnen de verkeerscapaciteit van de Nieuwstraat probleemloos kan worden opgevangen. Bereikbaarheid met het openbaar vervoer is voldoende.

4.8

Ecologie

4.8.1

Algemeen/wettelijk kader In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de

UrbiTom

43

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ‘Nieuwstraat 66, Bergeijk’

Gemeente Bergeijk

natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 4. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 5. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 6. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, alsook om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren.

Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 4.8.2

Toetsing 4.7.2.1 gebiedsbescherming Het is voor een goede ruimtelijke ordening van belang dat geen sprake is van significante gevolgen voor de omliggende natuur. Het projectgebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een ruimtelijk plan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In dit geval is het projectgebied op een dergelijke afstand gelegen dat er van een negatief effect op het dichtstbijzijnde NNB-gebied geen sprake is. Tevens betreft het een beperkte ingreep (verbouwing t.b.v. nieuwe woningen binnen de bebouwde kom). Het projectgebied is op ca. 1,6 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied gelegen (gebiedsnummer 136 - Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux – De Keersop)

UrbiTom

44

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ‘Nieuwstraat 66, Bergeijk’

Gemeente Bergeijk

Om zekerheid te verkrijgen over eventuele stikstofdepositie, is door Van Empel Milieuadvies uit Bergeijk in mei 2025 een berekening stikstofdepositie uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn opgenomen in een rapport dat als bijlage bij deze onderbouwing BOPA is gevoegd. 4.7.2.2 Conclusie gebiedsbescherming Uit de rekenresultaten blijkt dat de gewenste ontwikkeling in de aanlegfase en de gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden of extra hexagonen met een hersteldoel. De stikstofdepositie in de beoogde situatie bedraagt 0,00 mol/ha/jr. Het is essentieel dat de aannemer ten tijde van de bouwwerkzaamheden bij de op diesel aangedreven machines en werktuigen gebruik maakt van minimaal stageklasse IV materiaal (met AdBlue-systeem). Met deze uitgangspunten blijft onderhavige aanlegfase binnen de gewenste drempelwaarde van 0,00 mol/ha/jr. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie, geen significant nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect verzuring op Natura 2000-gebieden veroorzaakt. Conform de bijlage bij het persbericht over de uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van 18 december 2024 zaaknummer 202201311/1, het “Schema beoordelingskader intern salderen” (zie bijlage 1 bij rapportage) is er geen passende beoordeling noodzakelijk.

4.7.2.3 Soortenbescherming Er wordt in het kader van de Omgevingswet nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. Door Exlan is in februari 2025 een quickscan soortenbescherming verricht. De rapportage hiervan is opgenomen als bijlage bij deze plantoelichting. De bevindingen uit deze rapportage zijn navolgend weergegeven: Veldbezoek Flora algemeen Bij de planlocatie zijn geen bijzondere beplantingen aangetroffen. Er is tevens gelet op de aanwezigheid van (beschermde) muurvegetatie. De tuin en erfgrens bestaan uit gras en bamboe. In de tuin aan de andere zijde van de perceelsgrens staan grove dennen zonder onderbegroeiïng. In de voortuin is een haag van taxus en beuk aanwezig. Grondgebonden zoogdieren Specifiek wordt bekeken of binnen de betreffende inrichting verwacht kan worden of er streng beschermde zoogdieren; steenmarter, boommarter, bunzing, hermelijn, wezel, eekhoorn en das kunnen worden aangetroffen.

UrbiTom

45

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ‘Nieuwstraat 66, Bergeijk’

Gemeente Bergeijk

Steenmarter De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Daarnaast laten steenmarters enorm veel sporen achter. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of verblijfplaats door deze soort. Daarvoor is het karakter van het woonhuis te gesloten. Boommarter De woonwijk achter de projectlocatie zou best het leefgebied van de boommarter kunnen zijn. Boommarters lijken veel op de steenmarter maar heeft zijn verblijfplaats in holtes van bomen. Dit kunnen eekhoornnesten of spechtenholtes zijn. Boommarters maken ook gebruik van speciale kasten. De te kappen grove dennen zijn niet voorzien van holtes die geschikt zijn voor de boommarter. Het beschadigen van een vaste verblijfplaats is daarmee uitgesloten. Mogelijk dat ze onderdeel uitmaken van het jaaggebied. Maar door het kappen van enkele bomen wordt geen essentieel onderdeel van het habitat beschadigd, waardoor een marter niet meer zou kunnen voortbestaan in deze omgeving. Kleine marterachtigen De onderzoekslocatie biedt geen geschikte verblijflocaties voor de hermelijn, wezel en bunzing.

De soorten maken gebruik van oude holen van onder andere mollen en muizen, maar ook houtwallen, steenhopen en ruimtes onder boomwortels. Desbetreffende soorten hebben binnen hun territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn er geen marters of sporen van marters aangetroffen op de onderzoekslocatie. Echter, dit betekent niet dat het gebied niet potentieel in gebruik is door de hermelijn, wezel en/of bunzing als migratieroute. Gezien de onderzoekslocatie kleiner is dan één hectare kan gesteld worden dat deze geen essentieel onderdeel uitmaakt van het leefgebied van een van genoemde soorten. Er wort bij herinrichting van het gebied voorzien in nieuwe aanplant. Er is geen sprake van een negatief effect op genoemde soorten. Eekhoorn De onderzoekslocatie is zeker geschikt leefgebied van de eekhoorn. De aanwezigheid van de vele (oude) bomen in een groot gebied maakt dit zeer geschikt. De te kappen grove dennen zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten of holten die door een eekhoorn gebruikt kunnen worden. Deze zijn niet waargenomen. Door het weghalen van 8 bomen aan de rand van een groot bomenrijk gebied is niet van grote invloed op het leefgebied van de eekhoorn. Een negatief effect als gevolg van de werkzaamheden is uitgesloten. Bever Er leven bevers in de Keersop. Maar voor de bever is op de onderzoekslocatie geen geschikt habitat aanwezig.

De bever leeft in het water of de waterkant. Rondom de projectlocatie is geen water aanwezig. Verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen van de bever kunnen worden uitgesloten.

UrbiTom

46

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ‘Nieuwstraat 66, Bergeijk’

Gemeente Bergeijk

Das De projectlocatie en de omgeving eromheen behoort niet tot het leefgebied van de das. Zij maken hun burchten in de grens tussen bos(jes) en weilanden. Bij voorkeur in een talud, verstopt in de dekking. Dassen leven uitsluitend buiten het stedelijk gebied. Daarnaast hebben zij droge grond nodig om hun holen in te graven. De omgeving rondom Bergeijk is te nat voor de das. Het verstoren van een vaste rust- en verblijfplaats is daarmee uit te sluiten. Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vleermuizen Het projectgebied is zeer nauwkeurig beoordeeld op de mogelijke waarde voor vleermuizen. Hierbij is gelet op de geschiktheid van de aanwezige bebouwing als verblijfplaats voor deze dieren: aanwezigheid van spouwgaten en andere openingen in muren en daken, vetstrepen, uitwerpselen en prooiresten bij gevelopeningen. Verblijfsruimte voor vleermuizen hebben specifieke voorwaarden zoals een stabiele temperatuur en het tochtvrij zijn. Bij vleermuizen worden vier verblijfplaatsen onderscheiden; winterverblijven, zomerverblijven, kraamverblijven en paarverblijven. Aan de winterverblijven worden de hoogste eisen gesteld, daarna de kraamverblijven, dan de zomerverblijven en tenslotte de paarverblijven, waarbij de vleermuizen een zeer korte tijd op een bepaalde locatie kunnen verblijven.

De te slopen woning is gebouwd in 1950 en bestaat uit een stenen draagconstructie met houten gevelbekleding. De houten lamellen en gevelbekleding sluit naadloos op elkaar aan. Ook de dakgoot sluit naadloos aan op de gevelbekleding. Er zijn geen kapotte of loszittende planken. Op het dak liggen dakpannen op piepschuimen isolatieplaten. Het piepschuim is erg glad. Vleermuizen kunnen zich hier niet aan vasthouden. De dakpannen sluiten onderling strak aan en ook loodslabben rond de schoorsteen en dakkapel sluiten goed aan. Hierdoor is het gebouw niet toegankelijk voor vleermuizen. De te kappen grove dennen zijn gecontroleerd op holten en spleten die door vleermuizen gebruikt kunnen worden. Deze zijn niet aanwezig. Daarnaast zijn naaldbomen minder geschikt voor vleermuizen omdat de hars in het hout blijft kleven aan de vlieghuid waardoor deze kan beschadigen. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op de aanwezige habitat, gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen. In de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig in de vorm van bomenrijen en bosranden.

UrbiTom

47

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ‘Nieuwstraat 66, Bergeijk’

Gemeente Bergeijk

Vliegroutes Gebouw minnende vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen zoals houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfsplaatsen en foerageergebieden. Deze zijn aanwezig langs de Eigenberg en de Churchilllaan. Een bosgebied wordt vaak door boom bewonende vleermuizen gebruikt om te foerageren. Door het wegnemen van 8 dennen aan de rand van een groot bomenrijk gebied, wordt geen essentieel jaaggebied of vliegroute voor vleermuizen aangetast. Wel is het belangrijk dat de bosrand in de nachtperiode niet wordt verlicht. Ook niet tijdens de bouwfase. Vogels Tijdens het bezoek is met name gelet op de aanwezigheid van nesten en rustplaatsen voor vogels. Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het stedelijk gebied, grenzend aan bosgebied kunnen dit zijn: boomvalk, buizerd, havik, sperwer, wespendief, huismus, steenuil, kerkuil, gierzwaluw, huiszwaluw, bosuil, ransuil en torenvalk. Boomvalk De boomvalk is een soort die geen eigen nest maakt, maar broedt in gebruikte kraaienen/of eksternesten in verschillende typen bos(randen) of in solitaire bomen, populierensingels, of op erven. De soort komt vooral voor in open en halfopen landschappen zoals boerenland en dorpen, alsook in buitenwijken van steden.

De bomen op- en nabij de projectlocatie zijn gecontroleerd op dergelijke nesten, deze zijn niet aangetroffen. Negatieve effecten op de boomvalk als gevolg van de werkzaamheden zijn derhalve niet aan de orde. Buizerd en havik De buizerd en havik broeden op grote nesten van ongeveer een meter in doorsnede en 60 centimeter diep. Dergelijke nesten zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Een broedgeval van de buizerd en havik is daarom uit te sluiten. Wespendief en sperwer De wespendief is doorgaans gebonden aan grotere bosgebieden van zowel loof- als naaldbomen. Bij voorkeur is er afwisseling binnen het bosgebied aanwezig in de vorm van open plekken. De sperwer broedt bij voorkeur meer verborgen in naaldbomen. Hoewel deze situatie zich hier voordoet, is er door de aanwezigheid van vele bomen onvoldoende rust voor de wespendief en sperwer, waardoor een broedgeval van deze vogels kan worden uitgesloten. Daarnaast zijn de te kappen dennen gecontroleerd op nesten. Deze zijn niet aangetroffen. Steenuil en kerkuil De kerkuil en steenuil hebben een voorkeur voor cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. Beide soorten broeden in gebouwen en gebruiken ook graag speciale nestkasten. Daarnaast worden door de steenuil ook wel boomholten gebruikt, mits er zich grote holten in bevinden.

Het woonhuis is in zijn geheel gecontroleerd op de aanwezigheid van steen- en kerkuilen en is vooral gelet op de aanwezigheid

UrbiTom

48

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ‘Nieuwstraat 66, Bergeijk’

Gemeente Bergeijk

van sporen; braakballen, veren en uitwerpselen. Er zijn geen (sporen van) steen- en kerkuilen waargenomen. Daarvoor is de woning te gesloten van karakter. Er is geen sprake van een afname van belangrijk foerageergebied. Er blijft er voldoende foerageergebied aanwezig in de omgeving. Huismus Ook voor de huismus, die veel te vinden is in agrarisch gebied en vooral gebonden aan gebouwen is, is het nest jaarrond beschermd. Het habitat van een huismus moet bestaan uit een combinatie van: plekken voor nestgelegenheid jaarrond beschikbaar zijn van voedsel (voor volwassen en jongen) dekking (stekelige struiken, groenblijvende struiken en klimplanten, coniferen, klimop) plekken voor stofbaden drinkwater Ontbreekt een van de onderdelen of liggen ze te ver van elkaar verwijderd, dan is de habitat niet geschikt. Huismussen zijn cultuurvolgers en houden erg van stedelijke omgeving. De aanwezigheid van bos is voor de huismus niet gunstig. Dekking in de vorm van struiken is voor hen essentieel, maar geen bos. Er zijn tijdens het veldbezoek geen huismussen gezien of gehoord. Er zijn geen nesten van huismussen gevonden in de te slopen bebouwing. Gierzwaluw en huiszwaluw De Gierzwaluw heeft sterk de voorkeur voor hoge (oude) gebouwen in de oude kern van dorpen en steden. Ze bouwen hun nesten achter spleten en gaten. Een groot deel van hun leven bevinden ze zich in de lucht.

Tijdens de broedtijd zitten ze op hun nesten. Voor hun nestgelegenheid zijn gierzwaluwen afhankelijk van beschikbaarheid van gebouwen met geschikte holtes. De openingen in de bebouwing moet vrij zijn van versperringen, zodat er een invliegroute mogelijk is. Bovendien gebruiken gierzwaluwen hoogte om zich te laten vallen en zo snelheid te maken waardoor ze bij het wegvliegen minder gemakkelijk gegrepen kunnen worden door roofvogels. De openingen dienen derhalve op minimaal 2,5 meter of hoger te zitten. De te slopen woning heeft geen geschikte invliegopeningen. De dakpannen zijn allemaal heel en liggen niet scheef. Ook zijn er geen openingen achter loodslabben. Een huiszwaluw bouwt zijn nest vaak onder witte overstekken. De te slopen woning heeft wel een overstek, maar deze is niet wit van kleur. Er zijn geen zwaluwnesten aangetroffen tijdens het veldonderzoek. Bosuil en ransuil De bosuil is de meest voorkomende uilensoort in Europa. Maar omdat hij vooral ’s nachts leeft, wordt hij niet altijd opgemerkt. Ze leven in veel verschillende biotopen: loof- en naaldbossen, stadsparken en groene woonwijken. Dat komt omdat ze flexibel in prooikeuze zijn. De bosuil broedt overwegend in boomholtes van (oude) bomen. Er moet het hele jaar voldoende voedsel beschikbaar en bereikbaar zijn. Daarnaast zijn voldoende roest- en broedplaatsen belangrijk.

UrbiTom

49

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ‘Nieuwstraat 66, Bergeijk’

Gemeente Bergeijk

Ook de ransuil komt in veel verschillende leefgebieden voor en broedt in bomen. Echter gebruikt een ransuil vaak geen holtes, maar oude kraaien- of eksternesten. Omdat een ransuil in open velden/plekken en langs wegbermen jaagt, komen ze niet veel voor in dicht beboste gebieden. In de te kappen dennen zijn geen holtes of nesten aanwezig die door een uil gebruikt kunnen worden. Ook worden de te kappen dennen niet gebruikt als roestplek. Er zijn geen braakballen en poepsporen aangetroffen. Daarnaast wordt hier geen essentieel deel van het jaaggebied onttrokken. Een negatief effect op de bosuil en ransuil is hier niet te verwachten. Torenvalk Een torenvalk bouwt zelf geen nest. Ze gebruiken oude kraaiennesten of speciale torenvalkkasten. Een torenvalk jaagt in open of halfopen landschappen. In een landschap met veel (kort) grasland, heide, hoogvenen, duinen en akkers is voor hen het voedsel goed te vinden. Al biddend in de lucht jaagt hij op prooien op de grond. Op het menu staan vooral woelmuizen maar ook zangvogels en kuikens van weidevogels. De omgeving van de projectlocatie is te bebost en bewoond. Hierdoor is hier geen sprake van geschikt leefgebied van de torenvalk. Overige broedvogels De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals de merel en winterkoning.

De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Er zijn geen nesten van overige broedvogels aangetroffen in de te slopen bebouwing. Reptielen, amfibieën en vissen Er zijn tijdens het terreinbezoek geen reptielen, amfibieën en/of vissen waargenomen. Voor de in Nederland voorkomende reptielsoorten zoals de hazelworm, de levendbarende hagedis en ringslang biedt de onderzoekslocatie geen geschikt habitat. Deze soorten worden vrijwel alleen aangetroffen in specifieke natuurgebieden. In de omgeving van de projectlocatie komen alleen levendbarende hagedissen voor. Deze hagedissen leven in een habitat waar een afwisseling is tussen ruigte (voor de dekking) en open plekken (om op te warmen). Veen- en heidegebieden zijn daarom geschikt habitat. Daaraan voldoet de omgeving op de projectlocatie niet. Dit geldt ook voor de specifieke beschermende amfibieënsoorten die veel eisen stellen aan zijn habitat; alpenwatersalamander, heikikker, vinpootsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Deze zijn allen uit te sluiten omdat de betreffende locatie geen goed habitat biedt voor deze soorten door het ontbreken van voldoende oppervlaktewater. De onderzoekslocatie vormt wel een geschikt habitat voor algemene amfibieënsoorten als de bruine kikker en de gewone pad.

Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de begroeiing en onder takken- of stenenhopen. Voor algemene amfibieënsoorten geldt in het kader van de Omgevingswet een vrijstelling, zodat een ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is. Het is echter wel zaak om aandacht te schenken aan de zorgplicht.

UrbiTom

50

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ‘Nieuwstraat 66, Bergeijk’

Gemeente Bergeijk

Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. Overige Van de overige soortgroepen, zoals dagvlinders, insecten en libellen, kan worden aangenomen dat deze soorten gedurende het jaar in het projectgebied aanwezig kunnen zijn of dit gebied in de migratieroute hebben liggen. Afhankelijk van het seizoen zijn mogelijk algemene soorten te vinden op/of binnen de planlocatie. Specifieke beschermende soorten zijn voornamelijk afhankelijk van specifieke terreinkenmerken met specifieke biotopen. Binnen het projectgebied is een dergelijk biotoop niet aanwezig. Specifieke zorgplicht Er worden geen negatieve effecten verwacht voor de soorten die vallen onder de specifieke zorgplicht (voor zover niet in voorgaande paragrafen benoemd). Het voorkomen van deze soorten is op of in de directe omgeving van de projectlocatie niet vastgesteld en/of er is geen geschikt habitat op de onderzoekslocatie Het kan incidenteel gebeuren deze soorten ondanks de uitgevoerde quickscan, toch voorkomen op de projectlocatie en tijdens de activiteiten hinder ondervinden van de werkzaamheden. In dat geval kunnen negatieve gevolgen voorkomen worden door te voldoen aan de algemene zorgplicht of het inschakelen van een ecologisch deskundige.

Effecten van de ingreep De effecten op beschermde soorten zijn onderzocht op basis van het voornemen binnen het projectgebied. Flora algemeen Er is geen bijzondere flora aangetroffen binnen het projectgebied, negatieve effecten zijn uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Verstoring van algemene zoogdieren vindt mogelijk plaats. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als de egel, konijn en diverse muissoorten. De verblijfsplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingreep echter niet aangetast. Verblijfplaatsen van beschermde zoogdiersoorten zijn ter plaatse niet aangetroffen. Vleermuizen Er zijn geen sporen van vleermuizen aangetroffen waaruit blijkt dat de gebouwen als verblijfplaats worden gebruikt. Nader onderzoek in het kader van de soortenbescherming is niet noodzakelijk.

UrbiTom

51

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ‘Nieuwstraat 66, Bergeijk’

Gemeente Bergeijk

Vogels Door de voorgenomen ingreep worden geen vogels en jaarrond beschermde nesten aangetast. Reptielen, amfibieën en vissen Er zijn geen reptielen, amfibieën en/of vissen waargenomen. De instandhoudingsdoelstellingen komen niet in het gedrang. Overige Omdat er geen geschikt biotoop is waargenomen voor overige beschermde soorten, zijn negatieve effecten uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. 4.7.2.4 Conclusie soortenbescherming Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door, waar mogelijk, antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het projectgebied voor? Welke status hebben deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? 3. Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig? De herontwikkeling van de bestaande bebouwing tot woningen zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het projectgebied is geen geschikt habitat aanwezig voor strikt beschermde soorten.

Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren- of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het projectgebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden hoeft derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een Omgevingswetvergunning voor de activiteit flora en fauna is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Omgevingsverordening voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Wat kort gezegd inhoudt dat al het mogelijke gedaan moet worden om het doden van dieren te voorkomen en eventueel aanwezige individuen te laten vluchten als zij verstoord worden.

4.9

Luchtkwaliteit

4.9.1

Algemeen/wettelijk kader Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof

UrbiTom

52

Onderbouwing voor een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan ‘Nieuwstraat 66, Bergeijk’

Gemeente Bergeijk

(PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. In Afdeling 2.2 van het Bkl zijn omgevingswaarden opgenomen voor stikstofoxiden, stikstofdioxiden, fijnstof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon. In Nederland worden over het algemeen alleen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) mogelijk overschrijdingen verwacht. Uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl volgt vervolgens dat wanneer een (wijziging van het) omgevingsplan activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide dan wel fijnstof in de buitenlucht, de omgevingswaarden als genoemd in afdeling 2.2. in acht worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Jaargemiddelde grenswaarde NO2 Jaargemiddelde grenswaarde PM10 Daggemiddelde grenswaarde PM10

norm 40 µg/m3 40 µg/m3 max. 35 dagen/jaar > 50 µg/m3

ingangsdatum 1-1-2015 1-6-2011 1-6-2011

Een wijzigingsbesluit voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien: aannemelijk is gemaakt dat het plan niet leidt tot het overschrijden van een grenswaarde danwel niet leidt tot een toename van reeds bestaande overschrijding van een grenswaarde; aannemelijk is gemaakt dat de luchtkwaliteit als gevolg van het plan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; danwel bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit, door een met het plan samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (saldering); aannemelijk is gemaakt dat het plan NIBM bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen. 4.9.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GemeenteBergeijk&id=dfece996-dfc8-49fe-acf3-71bb0b6f9d0e