CConstaterende datGeldrop-Mierlo
Koppel je AI →
Document · PDF

RV GM2021-232672 Vaststellen bestemmingsplan Voortje 55 totaal.pdf

Raadsvergadering 13 december 2021, gemeente Geldrop-MierloBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Voortje 55 (RV GM2021-232672)22.335 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

2.2.3 Bebouwing Het gebouw voor de zorgtuin heeft een omvang van maximaal 300 m² en wordt centraal in de tuin gerealiseerd. Het gebouw wordt opgetrokken uit bakstenen en met een keramische dakpan gedekt.

Crijns Rentmeesters bv

11

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

Het plangebied ten noorden van dit gebouw met de dierenweide en de moestuin wordt exclusief gebruikt door cliënten van de zorgtuin, waarmee de rust voor de cliënten gewaarborgd kan blijven. Ten zuiden van dit gebouw blijft de pluktuin gelegen, hier kan interactie tussen cliënten en bezoekers plaatsvinden. Naast het gebouw voor de zorgtuin wordt een kas gerealiseerd ten behoeve van de pluk- en zorgtuin en een dierenverblijf gerealiseerd ten behoeve van de zorgtuin. In de huidige is een tunnelkas aanwezig waarin voorbereidende werkzaamheden voor de pluktuin worden verricht. De huidige tunnelkas is niet bestemd en wordt afgebroken. De kas is noodzakelijk voor schaduw en groei voor de bloemen en planten. Navolgende figuur geeft hiervan beeld van dit gebruik.

Figuur 7: Beeld van gebruik van tunnelkas in het plangebied

In de te realiseren dierenweide wordt een dierenverblijf gerealiseerd zodat de dieren droog en in de schaduw kunnen staan.

2.2.4 Landschappelijke inpassing Het plangebied is landschappelijk zeer goed ingepast met streekeigen beplanting. Deze inpassing is versterkt en verankerd in regels en verbeelding van dit bestemmingsplan. Navolgende figuur geeft de huidige landschappelijke inpassing weer.

Crijns Rentmeesters bv

12

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

Figuur 8: Landschappelijke inpassing binnen het plangebied

Navolgende figuur geeft het landschappelijk inpassingsplan voor het plangebied weer.

Figuur 9: Landschappelijk inpassingsplan binnen het plangebied

2.2.5 Ontsluiting & parkeren 2.2.5.1

Ontsluiting

Manoeuvreren en parkeren dient binnen het plangebied plaats te vinden. Het plangebied biedt hiertoe de ruimte. Voor de pluktuin is een separate ontsluiting aan ’t Voortje aanwezig die voor ontsluiting van

Crijns Rentmeesters bv

13

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

de pluktuin en dagbesteding bestemd wordt. Deze ontsluiting wordt verhard en parkeren voor bezoekers van de pluktuin vindt aan de voorzijde van het perceel plaats. Navolgende figuur geeft een beeld van deze ontsluiting.

Figuur 10: Beeld van ontsluiting voor de zorgtuin

2.2.5.2

Parkeren

Binnen het plangebied wordt een dagbestedingsfaciliteit voor 12 personen gerealiseerd. Deze cliënten worden veelal gebracht in de ochtend en gehaald in de avond. De vervoersmiddelen voor halen en brengen dienen geparkeerd te worden binnen het plangebied gedurende het halen en brengen van de cliënten. Daarnaast dient parkeerruimte te zijn voor bezoekers van de pluktuin. Deze bezoekers zijn gemiddeld een uur aanwezig in de pluktuin. Voor deze beoogde ontwikkelingen zijn geen kengetallen voor parkeren aanwezig. Aan de voorzijde van het plangebied worden 6 parkeerplaatsen voor de pluktuin. Parkeren ten behoeve van de zorgtuin vindt plaats naast het te realiseren gebouw. Daar worden zes parkeerplaatsen gerealiseerd. Het doel is op termijn zelf zorg te dragen voor vervoer met een eigen chauffeur voor halen en brengen van cliënten. In het landschappelijk inpassingsplan is de locatie voor in totaal 12 parkeerplaatsen indicatief aangeduid. Er is ruimte voor het parkeren van tenminste 12 auto’s op twee parkeerterreinen binnen het plangebied. Indien de aanwezige parkeervoorzieningen niet voldoende blijken te zijn, mag de parkeervraag niet in het openbaar gebied mag landen. In dat geval wordt op eigen terrein naar een oplossing gezocht. Hiervoor is ruimschoots de ruimte binnen het plangebied.

Crijns Rentmeesters bv

14

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

3.

BELEIDSKADERS

3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Het Rijk heeft de Nationale Omgevingsvisie opgesteld voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving is een gedeelde verantwoordelijkheid van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale politiek-bestuurlijke aandacht. De nationale belangen zijn in veel gevallen sectoraal. De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten. Deze vier integrale prioriteiten betreffen: -

Klimaat & Energie; ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;

-

Duurzame economie; duurzaam economisch groeipotentieel;

-

Stad & Regio; sterke en gezonde steden en regio’s;

-

Landelijk gebied; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

In deze vier prioriteiten komen complexe, omvangrijke en dringende opgaven samen, die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Politieke en maatschappelijke keuzes zijn vooral daar nodig, om op deze prioriteiten voortgang te boeken op een manier die draagvlak heeft en bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving. Centraal in te maken afwegingen tussen belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving in zijn volledige omvang (boven- en ondergrond). Het belangrijkste spanningsveld in die afwegingen is dat tussen beschermen en ontwikkelen. Om aan dit afwegingsproces richting te geven worden drie afwegingsprincipes gehanteerd. Deze zijn: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De beoogde herbestemming is zeer kleinschalig heeft geen betrekking op de geformuleerde nationale belangen. Wel draagt de ontwikkeling regionaal bij aan de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijke gebied.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Sinds 1 oktober 2012 is het op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, Bro, verplicht om in het geval dat een bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, in de toelichting de zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking op te nemen. Per 1 juli 2017 is een wijziging van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ in werking getreden. Het doel van deze wijziging is het vereenvoudigen van de regeling. Waar de ‘Ladder’ voorheen bestond uit drie treden waaraan getoetst diende te worden, is de kern van de gewijzigde ‘Ladder’ nu terug gebracht tot navolgende tekst: “De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk

Crijns Rentmeesters bv

15

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” Binnen het plangebied vindt toevoeging van een maatschappelijke functie plaats. De zorgfunctie wordt in samenhang met de pluktuin geëxploiteerd. Deze functies versterken elkaar. De pluktuin is bij uitstek een functie die past in het landelijke gebied. Er is geen beschikbaarheid en geschiktheid van locaties binnen bestaand stedelijk gebied. Aangetoond dient te worden dat het plan geen leegstand elders tot gevolg zal heeft welke kan leiden tot onaanvaardbare situatie zal leiden uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Het is van belang om vast te stellen dat er op lange termijn behoefte is aan de activiteit. De gemeente Geldrop-Mierlo heeft de Structuurvisie Geldrop-Mierlo vastgesteld. In deze structuurvisie is opgenomen dat ouderen door de aanwezigheid van voldoende zorgvoorzieningen lang zelfstandig blijven wonen. De gemeente stimuleert de verdere ontwikkeling van voorzieningen die gericht zijn op het welzijn van ouderen en zorgbehoevenden. In de structuurvisie heeft de gemeente geformuleerd dast behoefte is aan een multifunctioneel platteland. De sociale en economische structuur van het landelijk gebied verandert sterk.

In het landelijk gebied moet ruimte geschapen worden voor nieuwe bedrijvigheid of uitbreiding van bestaande bedrijvigheid, zoals verbrede landbouw, paardenhouderij, witvisproductie, hotelontwikkeling en zorg. Door de vergrijzing neemt de vraag naar zorg toe. Door een toename aan voorzieningen kunnen inwoners van de verschillende wijken in de gemeente langer zelfstandig wonen. Binnen de gemeente zal een evenwichtige opbouw van voorzieningen en doelgroepen moeten worden gerealiseerd. Dit heeft uiteindelijk tot gevolg dat de vraag naar voorzieningen wordt uitgesteld doordat deze vraag deels wordt opgevangen door vrijwilligerswerk en mantelzorg. De beoogde herbestemming draagt bij aan het realiseren van hoogwaardige dagbesteding voor doelgroepen. Er is behoefte aan. De dagbesteding met pluktuin kan niet binnen het stedelijke gebied worden gerealiseerd.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Brabantse Omgevingsvisie Op 14 december 2018 is de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot 2050. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Brabantse Omgevingsvisie geeft aan hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zou moeten zien. En waar we in 2030 tenminste moeten staan om die lange termijndoelen te halen. De visie noemt een vijftal hoofdopgaven: 1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. 2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken. 3. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.

Crijns Rentmeesters bv

16

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ? 5. Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt. De Brabantse Omgevingsvisie wordt uitgewerkt in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant 3.2.2.1

Inleiding

De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant geeft bindende regels die bij ruimtelijke ontwikkelingen in acht genomen moeten worden. De provincie Noord-Brabant wil met deze regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de nog in werking te treden Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er alleen inhoudelijke wijzigingen zijn doorgevoerd als die rechtstreeks voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals bijvoorbeeld het diep, rond en breed kijken van de omgevingsvisie. De regels voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn ontleend aan de Verordening ruimte Noord-Brabant. 3.2.2.2

Aanduidingen plangebied in Interim omgevingsverordening

Het plangebied is op de kaart met bindende regels voor de landbouw aangeduid als gelegen binnen een ‘stalderingsgebied’ en binnen een gebied met ‘beperkingen veehouderij’. Deze aanduidingen geven regels voor ontwikkelingen van de veehouderij. Binnen het plangebied is geen veehouderij meer aanwezig. De veehouderij is reeds jaren eerder gesaneerd middels een saneringsregeling. Derhalve is het plangebied voorzien van de aanduiding ‘Sanerings- en verplaatsingslocatie RBV’. Voor bestemmingen met deze aanduidingen geldt dat er een verbod is voor oprichting van gebouwen voor de veehouderij totdat er een passende andere herbestemming is gerealiseerd. Hiervan is reeds sprake binnen het plangebied door herbestemming van het plangebied naar een woonbestemming. Deze herbestemming ziet niet toe op uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de veehouderij. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de kaart met regels voor de landbouw waarop de ligging van het plangebied met een rode marker is aangeduid.

Figuur 11: Uitsnede kaart Interim omgevingsverordening Noord-Brabant voor het plangebied met regels voor de landbouw

Crijns Rentmeesters bv

17

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

Het plangebied is op de kaart met regels voor natuur- en stiltegebieden aangeduid als ‘attentiezone waterhuishouding’. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de kaart met regels voor de natuur en stiltegebieden waarop de ligging van het plangebied met een rode marker is aangeduid.

Figuur 12: Uitsnede kaart Interim omgevingsverordening Noord-Brabant voor het plangebied met regels voor natuur- en stiltegebieden

Het plangebied is op de kaart met regels voor het landelijke gebied aangeduid als gelegen binnen de structuur ‘Landelijk gebied’ binnen de ‘Groenblauwe mantel’. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn regels opgenomen voor ontwikkelingen binnen deze structuur. De ontwikkeling wordt in navolgende subparagrafen getoetst aan deze regels. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de kaart met regels voor het landelijk gebied waarop de ligging van het plangebied met een rode marker is aangeduid.

Figuur 13: Uitsnede kaart Interim omgevingsverordening Noord-Brabant voor het plangebied met regels voor het landelijk gebied

3.2.2.3

Regels voor bevordering van de ruimtelijke kwaliteit

Inleiding De provincie Noord-Brabant wil de ruimtelijke kwaliteit binnen de provincie bevorderen. In het algemeen houdt ruimtelijke kwaliteit in dat gebruikers van een gebied rekening houden met het karakter, de grootte en de functie ervan. Iedere ontwikkeling moet passen in de omgeving. De omgeving bestaat uit zowel aanwezige waarden als uit omliggende functies.

Crijns Rentmeesters bv

18

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn regels opgenomen voor de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. Sommige regels zijn gericht op bescherming, zoals natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Daarnaast wil de provincie ook ruimtelijke kwaliteit ontwikkelen, bijvoorbeeld door ontwikkelruimte te bieden in het buitengebied, op voorwaarde dat dit bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. De provincie vraagt gemeenten om het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toe te passen. Het doel hierbij is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Pas als dat niet kan, wordt gezocht naar de beste plek in het buitengebied om nieuwe ruimte te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verouderde locaties in stedelijk gebied opnieuw invullen en ongewenste functies in het buitengebied saneren. Indien uitbreiding van het stedelijk gebied ten koste gaat van het buitengebied, stelt de provincie als voorwaarde dat de uitbreiding gepaard gaat met een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit elders in het buitengebied. Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie Noord-Brabant heeft als doelstelling om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten.

Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende- of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag in het landelijk gebied door nieuwvestiging is hierbij het uitgangspunt. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag krijgt ook vorm door eerst de mogelijkheden binnen bestaande bebouwde omgeving optimaal te benutten. Dat betekent niet dat alle fysieke ruimte benut moet worden voordat nieuw ruimtebeslag mogelijk is. Binnen stedelijk gebied is vanuit kwaliteitsoverwegingen bijvoorbeeld ook ruimte nodig voor groenvoorzieningen en voldoende opvang van water. Een ander aspect van zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt dat gebouwen, bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen het bouwperceel. Met de beoogde herbestemming wordt bestaande locatie omgezet naar maatschappelijke bestemming. Binnen het plangebied is sprake van een pluktuin, zijnde extensief recreatieve dagrecreatie en een zorgfunctie. Voor de zorgfunctie wordt één nieuw gebouw opgericht. Dit gebouw wordt centraal in de pluktuin opgericht. Hiermee is er vóór het gebouw sprake van dagrecreatief gebruik en worden de gronden achter het gebouw slechts gebruikt voor de zorgfuncties.

Hiermee kan er rust voor cliënten in de zorgfunctie gerealiseerd worden. Achterop het perceel worden gronden gebruikt voor het hobbymatig houden van dieren. In deze weide wordt één kleinschalig dierenverblijf opgericht. Ten behoeve van de kweek van bloemen is een kasruimte noodzakelijk. Deze kasruimte wordt achter de woning gesitueerd en wordt hiermee buiten het zicht gerealiseerd. De kas wordt niet gebruikt of bezocht door bezoekers van de pluktuin. Het plangebied heeft een omvang van circa 2 hectare, waarvan meer dan de helft bestaat uit de bestemming ‘Groen’ ten behoeve van het realiseren van een landschappelijke inpassing. De omvang aan bebouwing is zeer beperkt en staat geheel ten dienste van de functies binnen het plangebied. Er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. 3.2.2.4

Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap

Vanuit het bereiken van een goede omgevingskwaliteit geldt in Brabant sinds 2014 de regeling Kwaliteitsverbetering landschap. Artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening stelt dat een ruimtelijke ontwikkeling binnen het Landelijk gebied gepaard dient te gaan met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Voor de omvang van deze kwaliteitverbetering is het van belang te bepalen in welke categorie een ontwikkeling ingedeeld kan worden. Er worden drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen onderscheiden:

Crijns Rentmeesters bv

19

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

-

Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor geen extra kwaliteitsverbetering van het landschap is vereist (geen landschappelijke inpassing en evenmin ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist).

-

Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn, maar waarbij het gaat om ontwikkelingen die een (zeer) beperkte invloed op het landschap hebben (alleen landschappelijke inpassing vereist).

-

Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn en waarbij sprake is van een (substantiële) invloed op het landschap (zowel landschappelijke inpassing als ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist).

Met de beoogde herbestemming is sprake van herbestemming van een woonbestemming naar een maatschappelijke bestemming zodat de pluktuin kan worden gebruikt in samenhang met dagbesteding voor ouderen en zorgbehoevenden. Door het herbestemmen van een bestemming kan waardevermeerdering of waardevermindering ontstaan van de grond. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt een basisinspanning van 20% van de waardevermeerdering van de grond redelijk geacht. Deze kwaliteitverbetering dient te worden geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Op meerdere wijzen kan geïnvesteerd worden in kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit kan betreffen:

-

landschappelijke inpassing van bebouwing en bestemmingsvlakken; de aanleg of herstel van natuur- en landschapselementen ter versterking van de landschapsstructuur;

-

de aanleg van recreatieve voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik (bankjes, wandelpaden, bebording, etc.);

-

de fysieke inrichtingsmaatregelen gericht op behoud en herstel van cultuurhistorie en archeologie;

-

sloop van (niet cultuurhistorisch waardevolle) gebouwen/stallen/kassen en verwijderen verharding;

-

verkleinen/opheffen van bestemmingsvlakken/bouwvlakken; fysieke bijdrage aan realisering Ecologische hoofdstructuur (EHS) en ecologische verbindingszones (EVZ’s).

Navolgende tabel geeft de te realiseren kwaliteitverbetering binnen het plangebied weer.

Crijns Rentmeesters bv

20

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

Berekening tegenprestatie kwaliteitsverbetering m²

waarde/m²

Wonen

2.287

€

250,00

€

571.750,00

Agrarisch met waarden

21.729

€

6,00

€

130.374,00

Totaal oud

24.016

€

702.124,00

Bedrijfswoning binnen maatschappelijke bestemming

2.027

€

150,00

€

304.050,00

Verkeer

151

€

15,00

€

2.265,00

Maatschappelijk bouwvlak

2.000

€

112,50

€

225.000,00

Maatschappelijk onbebouwd (pluk- en groenentuin en dierenweide)

7.170

€

15,00

€

107.550,00

Groen

12.668

€

1,00

€

12.668,00

Totaal nieuw

24.016

€

651.533,00

€

-50.591,00

€

-10.118,20

Bestemmingswinst Inspanning voor kwaliteitsverbetering

20%

waarde

Tabel 1: Tabel met tegenprestatie in het kader van kwaliteitverbetering van het landschap

Hoewel deze herbestemming niet leidt tot bestemmingsplanwinst is er wel sprake van kwaliteitverbetering van het landschap. Binnen het plangebied wordt geïnvesteerd in de kwaliteitsverbetering van het landschap door het landschappelijk inpassen van het plangebied en het duurzame onderhoud van de beoogde beplanting.

3.2.2.5

Artikel 3.26 Attentiezone waterhuishouding

Het doel van de attentiezone is om ontwikkelingen die een negatieve invloed hebben op de binnen de attentiezone gelegen natte natuurparels tegen te gaan. Stromingen in het grondwatersysteem kunnen veranderen door veranderingen van bodemopbouw of het doorboren van lagen (bij grondverzet of diepploegen). Voor activiteiten die een negatief effect op de (grond)waterstand in een natte natuurparel kunnen hebben, is een vergunning nodig. Bij het toelaten van functies die een negatief effect kunnen hebben op de waterhuishouding, geldt dat overleg met het waterschap nodig is. De herbestemming is kleinschalig en de toename aan bebouwing is marginaal en deze wordt hydrologisch neutraal. 3.2.2.6

Artikel 3.73 vestiging van niet-agrarische functies binnen het gemengd landelijk gebied

In artikel 3.73 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn regels opgenomen voor nietagrarische ontwikkelingen binnen het ‘Landelijk gebied’. Hierna wordt de beoogde herbestemming getoetst aan deze regels. Artikel 3.73 vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a.

de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving;

Crijns Rentmeesters bv

21

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. Met herbestemming van het plangebied wordt een zorgfunctie voor ouderen en zorgbehoevenden gerealiseerd die gelieerd is aan het buitengebied. Binnen het plangebied is een pluktuin aanwezig en de hoeveelheid dagbesteding die buiten plaats kan vinden wordt gemaximaliseerd. Hiervoor kunnen bijvoorbeeld ook een fruitboomgaard of een dierenweide worden gerealiseerd. De ontwikkeling draagt bij een gemengde landelijke plattelandseconomie en behoud van een leefbaar platteland met vitale dorpen. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; Er is geen sprake van splitsing van het bouwperceel. De huidige woonbestemming wordt geheel (met woning) herbestemd naar een maatschappelijke bestemming. c.

overtollige bebouwing wordt gesloopt; Binnen het plangebied is geen overtollige bebouwing meer aanwezig. Deze bebouwing is reeds gesloopt bij sanering van de veehouderij die eerder door initiatiefnemers binnen het plangebied werd geëxploiteerd.

d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1.

een kantoor met baliefunctie;

2.

lawaaisport;

3.

mestbewerking.

Binnen het plangebied is geen sprake van vestiging van een kantoor met baliefunctie, lawaaisport of mestbewerking. Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a.

over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking;

b.

welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan;

c.

dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen;

d.

dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.

Dit bestemmingsplan bepaalt welke specifieke activiteiten zijn toegestaan. Deze activiteiten passen in de omgeving. Er vindt geen buitenopslag of buitenstalling plaats. Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a.

bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein;

b.

een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²;

Crijns Rentmeesters bv

22

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

c.

een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. De pluktuin met dagbesteding is niet passend op een bedrijventerrein. Er is geen sprake van een detailhandelsvoorziening met een omvang van meer dan 200 m². De omvang van de bebouwing bedraagt substantieel minder dan 1 hectare.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Geldrop-Mierlo In 2010 is door de gemeenteraad van Geldrop-Mierlo een structuurvisie vastgesteld voor het hele grondgebied van de gemeente. In deze structuurvisie zijn de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de lange termijn op hoofdlijnen beschreven. In de structuurvisie is ook opgenomen hoe de voorziene ontwikkelingen uitgevoerd zullen worden. In samenhang met de structuurvisie is de Nota Kostenverhaal opgesteld. Deze Nota Kostenverhaal bevat de kaders op het punt van het verhaal van kosten met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen die in de structuurvisie beschreven zijn. De in 2010 vastgestelde structuurvisie is geactualiseerd naar aanleiding van ontwikkelingen die sinds vaststelling hebben plaatsgevonden. Het doel van de structuurvisie is om een integrale en interactief tot stand gekomen visie op ruimtelijke ontwikkelingen te vormen. Door een structuurvisie wordt de eenheid in het ruimtelijk beleid van de gemeente bevorderd. Het hoofddoel is te onderscheiden in een aantal subdoelen:

-

het opstellen van een Duurzaam Ruimtelijk Structuurbeeld, op basis van inventarisatie van alle bestaande waarden en al het geldende beleid;

-

het bepalen van een integraal beleid en een strategische koers (richtlijn) voor de lange termijn op de verschillende algemene beleidsterreinen (zoals water, verkeer, etc.);

-

het opstellen van een ontwikkelingsgerichte visie voor de beide kernen;

-

het bepalen van een koers voor concrete projecten en plannen;

-

het bieden van een wettelijke basis voor de gemeente om in een overeenkomst een bijdrage te kunnen vragen voor ruimtelijke ontwikkelingen en een basis te bieden voor verevening;

-

het bieden van een wettelijke basis voor de gemeente om een voorkeursrecht te kunnen vestigen.

In deze structuurvisie is opgenomen dat ouderen door de aanwezigheid van voldoende zorgvoorzieningen lang zelfstandig blijven wonen. De gemeente stimuleert de verdere ontwikkeling van voorzieningen die gericht zijn op het welzijn van ouderen en zorgbehoevenden. In de structuurvisie heeft de gemeente geformuleerd dast behoefte is aan een multifunctioneel platteland. De sociale en economische structuur van het landelijk gebied verandert sterk. In het landelijk gebied moet ruimte geschapen worden voor nieuwe bedrijvigheid of uitbreiding van bestaande bedrijvigheid, zoals verbrede landbouw, paardenhouderij, witvisproductie, hotelontwikkeling en zorg. Dit bestemmingsplan draagt hieraan bij.

Crijns Rentmeesters bv

23

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

4.

MILIEU- EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN

4.1

Bodemkwaliteit

Voorafgaand aan het volgen van een ruimtelijke procedure dient te worden nagegaan of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreinigingen geen onaanvaardbare risico’s opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Het plangebied is bij deelname aan de RBV-regeling herbestemd van een agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming. Met dit bestemmingsplan wordt deze woonbestemming herbestemd naar een maatschappelijke bestemming. Niet aannemelijk is dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde gebruik. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt een bodemonderzoek uitgevoerd.

4.2

Wegverkeerslawaai

Bij de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke woonfuncties is het noodzakelijk inzicht te verkrijgen in de mogelijke geluidshinder in het kader van de Wet geluidhinder. Langs alle wegen, woonerven en wegen met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur daargelaten, zijn geluidzones aanwezig waarbinnen de geluidhinder getoetst dient te worden. Als gevolg van de beoogde herbestemming wordt een dagbestedingsvoorziening voor zorgbehoevenden gerealiseerd op ruime afstand van de weg. Geen nieuw geluidgevoelig object wordt gerealiseerd. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is dan ook niet aan de orde.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1 Inleiding Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm).

4.3.2 Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Deze AMvB beperkt de vestiging van gevoelige bestemmingen in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen. Het besluit richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijnstof en stikstofdioxide. Dit zijn voornamelijk kinderen, ouderen en zieken. Scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardenhuizen en bijbehorende terreinen betreffen hierbij gevoelige bestemmingen.

Crijns Rentmeesters bv

24

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

Het plangebied betreft een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming' mag niet toenemen als de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden. Er is steeds een koppeling met de grenswaarden voor PM10 en NO2. Is (dreigende) normoverschrijding niet aan de orde, dan is er geen bouwverbod voor gevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone. Het op te richten gebouw is gelegen op een afstand van circa 100 meter tot de Rijksweg A67. Uit voorgaande paragrafen blijkt dat er op de planlocatie geen sprake is van een dreigende overschrijding van PM10 of NO2. Uit deze toelichting blijkt dat de locatiekeuze weloverwogen is en dat hervestiging van de beoogde maatschappelijke voorzieningen passen binnen de kaders voor een goede ruimtelijke ordening.

4.3.3 Uitstoot van gevaarlijke stoffen De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma (NSL). Binnen het NSL werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De hierin opgenomen programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen netto. Aangezien dit bestemmingsplan een herbestemming van één bestaande woonbestemming naar een kleinschalige maatschappelijke voorziening mogelijk maakt, valt dit plan onder het begrip ‘NIBM’ valt en hoeft de luchtkwaliteit niet verder te worden onderzocht in het kader van de Wet luchtkwaliteit.

4.3.4 Blootstelling aan verontreiniging 4.3.4.1

Inleiding

In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. 4.3.4.2

Fijnstof

De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof:

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde .

-

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³.

Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 voor het plangebied en directe omgeving weer.

Crijns Rentmeesters bv

25

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

Plangebied

Figuur 14: Fijnstof PM10 (bron: RIVM) waarop de ligging van het plangebied is aangeduid

Plangebied

Figuur 15: Fijnstof PM2,5 (bron: RIVM) waarop de ligging van het plangebied is aangeduid

Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 18-19 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 11-12 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging geen bezwaar is. 4.3.4.3

Stikstofdioxide

De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide:

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³. Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 binnen het plangebied en directe omgeving weer.

Crijns Rentmeesters bv

26

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

Plangebied

Figuur 16: Stikstofdioxide voor het plangebied (Bron: RIVM)

Binnen het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 20-25 µg/m³. De beoogde herbestemming is in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar.

4.4

Externe veiligheid

4.4.1 Inleiding Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen, activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In de volgende landelijke wetten, besluiten en regelingen zijn normen opgenomen waaraan een nieuwe planologische ontwikkeling moet worden getoetst:

-

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi);

-

Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations;

-

Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations;

-

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb);

-

Structuurvisie buisleidingen;

-

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet;

-

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro).

De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen).

4.4.2 Risico-contouren Ten aanzien van externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in:

Crijns Rentmeesters bv

27

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

1.

Plaatsgebonden Risico (PR): Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk wordt getroffen door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van kwetsbare objecten, alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van beperkt kwetsbare objecten;

2.

Groepsrisico (GR): Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. De gestelde norm is een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken.

4.4.3 Toets van het plangebied 4.4.3.1

Risicokaart

Binnen het plangebied of in de directe omgeving daarvan zijn geen inrichtingen gelegen die vanwege de aanwezigheid of het werken met gevaarlijke stoffen, beperkingen opleveren voor de omgeving. In de omgeving zijn geen bedrijven aanwezig die vallen onder het Bevi. Bedrijven vormen geen belemmering voor het plangebied.

Plangebied

Figuur 17: Uitsnede risicokaart externe veiligheid waarop de ligging van het plangebied is aangeduid

4.4.3.2

Transport

Wegtransport Vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden over de Rijksweg A67, gelegen ten zuiden van het plangebied. De afstand van de pluktuin tot de Rijksweg bedraagt circa 50 meter. Het invloedsgebied van de Rijksweg A67 bedraagt 4.000 meter. Daarmee ligt de locatie binnen het invloedsgebied van deze Rijksweg. De ontwikkeling is op minder dan 200 meter gelegen tot deze Rijksweg. Er dient een verantwoording in het kader van externe veiligheid te worden opgenomen.

Crijns Rentmeesters bv

28

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

Transportleidingen De dichtstbijzijnde leiding waarop het Bevb van toepassing is, een buisleiding van Gasunie Transport Services. Deze gasleiding ligt op 1 kilometer ten oosten van het plangebied. De 1% letaliteitsgrens is de uiterste grens waarbinnen beïnvloeding van het groepsrisico mogelijk is. Voor deze aardgasleiding ligt deze 1%-grens op 430 meter van de leiding. Het plangebied ligt ruim buiten deze afstand. Gezien de afstand kan worden gesteld dat het plangebied niet is gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6/jaar, dan wel het invloedsgebied van deze buisleiding. Spoorwegen, waterwegen en hoogspanningslijnen In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen of waterwegen gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. In de omgeving zijn ook geen hoogspanningslijnen aanwezig. Deze aspecten hebben geen invloed op onderhavig plan. 4.4.3.3

Verantwoording groepsrisico

Door M&A Omgeving is een verantwoording voor het groepsrisico opgenomen. Dit rapport d.d. 22 januari 2021 met rapportnummer 220-MVo55-ev-v2 behoort als bijlage bij deze toelichting. De verantwoording van het groepsrisico luidt als volgt: “De planlocatie is gelegen binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A67. Omdat de hoogte van het groepsrisico lager is dan 0,1 x oriëntatiewaarde, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Voor de locatie kan worden gesteld dat er vluchtwegen aan meerdere zijden van het perceel zijn. Vluchten kan altijd plaatsvinden aan de zijde die is afgekeerd van de Rijksweg A67. Dit garandeert te allen tijde dat vluchten mogelijk wordt gemaakt. Verder is de bereikbaarheid van de bebouwing van verschillende richtingen mogelijk. Ook het feit dat de hulpdiensten de gebouwen van verschillende zijden kunnen betreden, bevordert het mogelijke vluchten van gewonde of minder valide personen. Het pand dient conform het Bouwbesluit te worden uitgevoerd. Dat betekent dat er een ventilatie in het pand moet worden aangebracht. Deze ventilatie moet middels een knop uitgeschakeld kunnen worden. Geadviseerd wordt om deze knop in de ruimte van de dagbesteding te realiseren. Er wordt een dagbesteding gerealiseerd voor maximaal 12 personen. Deze personen zijn aan te merken als verminderd zelfredzaam.

In de praktijk zal er altijd een begeleider aanwezig zijn bij de verminderd zelfredzame personen. Deze begeleider dient geïnstrueerd te zijn dat in geval van een toxisch incident op de Rijksweg A67 de mensen binnen moeten blijven en dat de ventilatie wordt uitgeschakeld. Dit dient in de BHV-organisatie van de dagbesteding te worden geregeld.” 4.4.3.4

Advies Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost

Het advies van de Veiligheidsregio is op 1 maart 2021 ingekomen. Het advies is hierna samengevat opgenomen. Daarbij is opgenomen hoe het advies binnen het plangebied wordt verwerkt. 1. Er dient sprake te zijn van realisatie van een adequaat afvoersysteem dat ervoor zorgt dat brandbare en toxische vloeistoffen snel worden afgevoerd, zoals een vloeistofgoot. Afhan-

Crijns Rentmeesters bv

29

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

kelijk van de hoeveelheid aan gelekte stof en de soort gelekte stof kunnen de hulpverleningsdiensten besluiten om op te treden. De realisatie van een afvoergoot naast de rijksweg valt buiten de scope van deze ontwikkeling. 2. Gebouwen en gebieden moeten snel te ontruimen zijn. Ondersteunend hieraan zijn de volgende maatregelen worden onderzocht. a. Geen vluchtwegen situeren richting risicobron; b. Materialen in de gevel moeilijk brandbaar te maken zodat voortplanting van brand in de gevel wordt voorkomen; c. Hittewerende glasconstructie toepassen zodat mensen die in het gebouw verblijven meer tijd hebben om te ontvluchten. Vluchtwegen zijn van de risicobron af gesitueerd. Bij een mogelijke warme BLEVE moet tijdig worden gevlucht van de risicobron af. Hierbij is het van belang dat snel een grote afstand tot de risicobron wordt gerealiseerd. Er zijn verminderd zelfredzame personen in de dagopvang aanwezig. Dit gebouw wordt daarom in de toekomstige Omgevingswet aangemerkt als bijzonder kwetsbaar gebouw. Bij de realisatie van het gebouw voor de dagbesteding wordt rekening gehouden met de mogelijkheden zoals genoemd onder b en c uit punt 2 van het advies. De secundaire ruimten aan de loefzijde van de rijksweg A67 wordt gerealiseerd met weinig of geen glasopeningen. De primaire ruimten worden aan de lijzijde van de rijksweg A67 gesitueerd met veel glas als relatie naar de pluktuin.

Dit glas krijgt een brandvertragendheid van 30 minuten. Er wordt een borstwering onder de kozijnen en schuifdeuren opgenomen van 80 cm. De buitengevels worden opgetrokken uit baksteen. Het dak met keramische pannen. Met deze maatregelen is er tijd om het gebouw in geval een calamiteit tijdig te kunnen ontvluchten. 3. De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpverleningsdiensten mogelijk: een effectief optreden betreft conform de beleidsregels bluswatervoorziening en bereikbaarheid: 6.000 liter per minuut bij een warme BLEVE en 4.500 liter per minuut voor bestrijding van het toxische scenario. De genoemde hoeveelheden bluswater zijn niet beschikbaar ter plaatse van de A67. Ter hoogte van het plangebied is voldoende bluswater beschikbaar. Dit bluswater kan worden gebruikt voor een brand in en om het gebouw. 4. De beoogde ontwikkeling is gelegen in het buitengebied. De hulpverleningsdiensten zijn niet snel aanwezig. De aanwezigen zijn daardoor langer op hun eigen zelfredzaamheid aangewezen. Binnen het plangebied wordt een goede BHV-organisatie wordt opgezet. De BHVorganisatie dient te weten hoe te handelen bij de verschillende scenario’s. Bij het scenario warme BLEVE dient er snel gevlucht te worden van de risicobron af. Bij een toxisch scenario moet binnen worden geschuild, waarbij de centrale luchtbehandeling moet worden afgeschakeld.

Crijns Rentmeesters bv

30

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

5. Iedereen is bekend met de risico’s en weet hoe te handelen als het mis gaat: a. Neem de worst case scenario’s op in het noodplan en beoefen deze; b. Communiceer met enige regelmaat de risico’s naar de gebruikers van het plangebied. Aanvullende handvatten voor risicocommunicatie met betrekking tot gevaarlijke stoffen vindt u op vrbzo.nl in de ‘Handreiking risicocommunicatie gevaarlijke stoffen’. In aanvulling van punt 4 dient de BHV de bovengenoemde zaken op te nemen in de noodplannen. Met betrekking tot risicocommunicatie wordt nog aangegeven dat er tegenwoordig gebruik gemaakt wordt van NL-Alert. Daarnaast zijn de zogenaamde WAS-palen (WaarschuwingAlarmeringSysteem) aanwezig. 6. Voorzieningen in de zorg zijn toegankelijk voor en afgestemd op inwoners en bezoekers a. Maak inzichtelijk welke zorgbehoefte de gebruikers van het plangebied hebben. De zorgbehoefte van de gebruikers van de locatie binnen het plangebied dient in het noodplan te worden opgenomen. De opvanglocatie is niet grootschalig. De huidige zorg (ziekenhuis, huisarts, etc.) in de regio is voldoende. 4.4.3.5

Conclusie externe veiligheid

Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A67. Het plangebied is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour PR 10 -6 contour van de Rijksweg A67 en ook niet binnen het plasbrandaandachtsgebied van deze weg. Het groepsrisico is zeer laag, en neemt ten gevolge van deze ontwikkeling maar in geringe mate toe. Het groepsrisico moet beperkt worden verantwoord. De Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost heeft advies uitgebracht. Uit de verantwoording groepsrisico en het advies van de Veiligheidsregio blijkt dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5

Geurhinder

4.5.1 Inleiding Bij besluitvorming omtrent de bestemming van nieuwe voor geur gevoelige objecten dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: -

Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object);

-

Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden).

De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingskader voor de vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De Wet geurhinder en veehouderij wordt voornamelijk gebruikt om de geurbelasting veroorzaakt door veehouderijen te beoordelen bij de vergunningverlening. Indirect heeft de wet consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten. Die doorwerking van de geurregelgeving naar de ruimtelijke ordening wordt de ‘omgekeerde werking’ genoemd. De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting bepaalt in de meeste gevallen het woon- en leefklimaat op een locatie.

Crijns Rentmeesters bv

31

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

De gemeente Geldrop-Mierlo heeft geen eigen geurverordening vastgesteld, waarmee de wettelijke kaders maatgevend blijven. Derhalve gelden binnen het plangebied de geurnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij.

4.5.2 Veehouderijen in de omgeving De meest dicht bij het plangebied gelegen veehouderij is gelegen op een afstand van circa 750 meter ten westen van het plangebied. Hierna is een uitsnede weergegeven van de veehouderijbedrijvenkaart, waarop de veehouderijen ten opzichte van het plangebied zijn weergegeven.

Plangebied

Figuur 18: Veehouderijen in de omgeving van het plangebied

4.5.3 Woon- en leefklimaat Er dient binnen het plangebied sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Navolgende figuur betreft een uitsnede van deze kaart waarop de ligging van het plangebied in beeld is gebracht.

Plangebied

Figuur 19: Achtergrondbelasting- en woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied

Uit deze berekening van de Omgevingsdienst blijkt dat er binnen het plangebied sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat, met een achtergrondbelasting van 0 tot 3 oue/m³. Gesteld kan dan ook worden dat hiermee sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat.

Crijns Rentmeesters bv

32

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

4.5.4 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven De beoogde herontwikkeling mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. De beoogde herbestemming ziet op een wijziging van een voormalig agrarische bestemming (thans woonbestemming) naar een maatschappelijke bestemming. Conform artikel 14 van de Wet geurhinder en veehouderij geldt een vaste afstand van 50 meter tussen veehouderijen en voor geurgevoelig object welke is gelegen op een (voormalig) agrarisch perceel. Derhalve geldt voor de woning binnen het plangebied een vaste afstand van 50 meter tot veehouderijen. Binnen een afstand van 50 meter zijn geen veehouderijbedrijven gelegen. Het plangebied op zodanig grote afstand tot veehouderijbedrijven gelegen, dat het plangebied nooit de eerst belemmerende woning voor een veehouderijbedrijf wordt. De beoogde herbestemming belemmert de omliggende veehouderijbedrijven niet in ontwikkelingsmogelijkheden.

4.6

Gezondheid

4.6.1 Geitenhouderijen 4.6.1.1

Beleidskader

Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans hebben dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op basis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot 2 kilometer blijft het risico vergroot. 4.6.1.2

Toets van het plangebied

Het plangebied is gelegen nabij de gemeenten Geldrop-Mierlo, Someren en Heeze-Leende. In de gemeente Geldrop-Mierlo is één geitenhouderij gelegen. Deze geitenhouderij is gelegen aan Heideschoor 95. Deze geitenhouderij is niet gelegen binnen twee kilometer tot het plangebied. Binnen het grondgebied van de gemeenten Heeze-Leende en Someren zijn geen geitenhouderijen gelegen op een afstand binnen twee kilometer tot het plangebied. Herbestemming van het plangebied is in het kader geitenhouderijen geen bezwaar.

4.6.2 Endotoxinen 4.6.2.1

Beleidskader

De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is

Crijns Rentmeesters bv

33

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. In april 2018 is tevens de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. 4.6.2.2

Toets

Het plangebied is niet gelegen binnen een afstand van 250 meter tot een varkenshouderij of binnen twee kilometer van een geitenhouderij. Ook is er geen sprake van ligging van een veehouderij in de omgeving waar een combinatie van deze dieren gehouden wordt. Op een afstand van 780 meter tot het plangebied is de pluimveehouderij aan Weijer 10 gelegen. Deze pluimveehouderij is gelegen binnen een afstand van 1 kilometer tot het plangebied. Op dit bedrijf worden maximaal 2.050 leghennen gehouden. Hiermee bedraagt de aan te houden endotoxinencontour 156 meter. Het plangebied is ruim buiten deze contour gelegen. De gemeente Geldrop-Mierlo is het bevoegd gezag of een advies bij de GGD dient te worden aangevraagd.

4.6.3 Driftzonering 4.6.3.1

Beleidskader

ln het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging, waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. 4.6.3.2

Toets

De gronden rondom het plangebied betreffen bosgronden of gronden in eigendom van de initiatiefnemer. Er is geen sprake van drift in de omgeving van het plangebied. Herbestemming van het plangebied is geen bezwaar in het kader van driftzonering.

Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’. De indicatieve lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een milieugevoelige functie die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’.

4.7.2 Bedrijven in de omgeving In de directe omgeving van het plangebied is het agrarisch bedrijf aan Voortje 49 gelegen. Dit betreft een agrarisch bedrijf niet zijnde een veehouderij, een glastuinbouwbedrijf of agrarisch technisch hulpbedrijf. Voor een akkerbouwbedrijf geldt een aan te houden richtlijnafstand van 30 meter. Het plangebied is gelegen op een afstand van 130 meter en voldoet hiermee aan de aan te houden richtlijnafstand.

4.7.3 Vestiging zorgfunctie binnen het plangebied De zorgvoorziening binnen het plangebied dient in het kader van bedrijven en milieuzonering te worden gerealiseerd op een afstand van tenminste 30 meter tot gevoelige bestemmingen in de omgeving. Binnen deze afstand zijn geen andere gevoelige bestemmingen/woningen gelegen, waarmee voldaan wordt aan de aan te houden richtlijnafstand.

4.7.4 Conclusie De beoogde herontwikkeling is in het kader van de handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ dan ook geen bezwaar.

4.8

Natuur en ecologie

4.8.1 Inleiding Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving middels de Wet natuurbescherming.

Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan ‘Voortje 55 Mierlo’ - Toelichting

4.8.2 Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Het meest dichtbij gelegen Natura-2000 gebied betreft ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ en bevindt zich op een afstand van circa 120 meter ten zuiden van het plangebied. Door M&A Omgeving BV is een Aerius-berekening uitgevoerd. Dit rapport d.d. 1 september 2020 met rapportnummer 220-MVo55-lkv1 behoort als bijlage bij deze toelichting. De conclusies en aanbevelingen uit dit rapport zijn hieronder opgenomen. “Met behulp van de vigerende Aerius Calculator, is de stikstofdepositie bepaald op de nabij gelegen natuurgebieden, door de bouwactiviteiten op het terrein aan het Voortje 55 in Mierlo. Ook de uitstoot in de nieuwe gebruiksfase is hierin meegenomen. In eerste instantie is er voor gekozen om de huidige stikstofemissie door het houden van vee niet mee te nemen in de berekeningen. Een verschilberekening is pas relevant als in de nieuwe situatie er een stikstofdepositie wordt bepaald van hoger dan 0,00 mol/ha/jaar.

Dit is hier niet het geval, zodat de verschilberekening hier niet verricht hoeft te worden. Uit de resultaten blijkt dat de stikstofdepositie op de natuurgebieden 0,00 mol/ha/jr bedraagt voor het planjaar 2020. Daarmee zijn er uit oogpunt van stikstofdepositie geen belemmeringen voor de wijziging van de bestemming en de nieuwbouw van het gebouw voor de dagbesteding op het perceel.” Uit het onderzoek volgt dat de ontwikkeling uitvoerbaar is in het kader tot stikstof.

4.8.3 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met het oog op de instandhouding van soorten. De verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen. Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Met de beoogde herbestemming wordt de bestaande pluktuin positief bestemd. De woonbestemming wordt herbestemd naar een maatschappelijke bestemming. Hiervoor wordt een nieuw gebouw toegevoegd met een omvang van 300 m². De pluktuin wordt hiervoor deels verlegd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GeldropMierlo&id=0b897dc8-dca3-4f1b-bfb4-80b887ef7666