RV GM2021-128724 Vaststellen Regionale Energie Strategie Metropoolregio Eindhoven totaal.pdf
Tekst van het document
de auto pakken. Overal LED verlichting. Vloerverwarming op een constante temperatuur houden in de herfst. Minder vlees eten.” • “Allemaal prachtige gedachten, maar mensen met een smalle beurs krijg je niet mee. Het kost hen teveel geld wat ze niet hebben.”
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
12
3.4
Investeringsbereidheid Tabel 7. Vraag 13: In hoeverre ben jij bereid om de komende tien jaar te investeren in energiebesparing of duurzame energie rondom jouw woning?* (N = 1.430/ %) Heb ik al
Bereid om hier in te investeren
Niet bereid om hier in te investeren
Ben er niet mee bekend
N.v.t. / dat weet ik niet
Het plaatsen van zonnepanelen op het dak van mijn woning / de woning waarin ik woon
459
34
13
2
6
Het investeren in isolatie, bijvoorbeeld muur- of dakisolatie of isolerende ramen
60
27
6
2
5
Het aanschaffen van een elektrische auto
7
38
35
4
15
Het plaatsen van een warmtepomp
11
30
35
12
12
Het aanschaffen van energiezuinige apparaten (bijvoorbeeld een energiezuinigere wasmachine of koelkast)
47
43
5
2
3
*Alleen ingevuld door woningeigenaren (zie vraag 1).
Investeringsbereidheid
We zien dat 60% van de woningeigenaren al heeft geïnvesteerd in isolatie, 27% van de respondenten is bereid om hierin te investeren. 47% heeft al energiezuinige apparaten aangeschaft, 43% is bereid dit te doen. We zien dat de respondenten het minst bereid zijn om de komende tien jaar te investeren in de aanschaf van een elektrische auto of in het plaatsen van een warmtepomp (beiden 35%). We zien dat een ruime meerderheid van de respondenten de bereidheid heeft om te investeren in zonnepanelen. 45% van de respondenten met een koopwoning geeft aan al zonnepanelen te hebben geplaatst. Dat is fors meer dan de daadwerkelijke cijfers laten zien: 14% van alle woningen in Zuidoost Brabant heeft geregistreerde zonnepanelen. Het hoge percentage van 45% kan op verschillende manieren verklaard worden, bijvoorbeeld doordat werving van de respondenten via een open link is gebeurd. Dit veronderstelt dat mensen met affiniteit met het onderwerp eerder (of enkel) geneigd zijn te reageren. Hoewel ook gewerkt is met een panel is deze scheve verdeling niet volledig rechtgetrokken met panelleden.
9
Het daadwerkelijke percentage woningen met geregistreerde zonnepanelen in Zuidoost-Brabant was in 2019 14%. Bron: CBS 2019, verkregen van https://klimaatmonitor.databank.nl/dashboard/dashboard/woningen/.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
13
4
Zonne- en windenergie In dit hoofdstuk kijken we naar duurzame opwek via zon en/of wind. Het thema ‘zonneenergie’ bevat vragen omtrent zonnepanelen op daken van respondenten. Vervolgens is er aandacht voor de combinatie(s) tussen zon en wind. We leggen verschillende opties voor de aanleg van zonneparken en windmolens voor en vragen naar de voorkeuren voor het plaatsen hiervan.
4.1
Zonne-energie In de toekomst wil energieregio Zuidoost Brabant maximaal gebruik maken van de energie die via de zon op daken van huizen en op grote daken van bedrijven opgewekt kan worden. Tabel 8. Vraag 14: Liggen er in 2030 ook zonnepanelen op jouw dak? Eén antwoord mogelijk. Uitgesplitst naar woningeigenaren en huurders (%). Anders
Gemiddeld RES- ZOB
229
25
1.684
21
27
4110
17
6
23
14
Weet ik niet, ik woon in een huurhuis
1
58
25
15
Misschien
20
4
16
16
Nee
15
11
10
14
Koopwoning
Huurwoning
N
1.430
Ja, ik heb ze nu al
48
Ja
Respondenten konden hierbij aangeven waarom ze wel, niet of misschien verwachten over tien jaar zonnepanelen op hun dak te hebben liggen. De respondenten die bij deze vraag hebben aangegeven dat ze deze over 10 jaar wel hebben (14%), geven daarbij aan dat ze er nu al mee bezig zijn, dat ze verduurzamen belangrijk vinden of het een goede (financiële) investering vinden. Enkele reacties: • • •
“Goed voor klimaat, energie geleverd door de natuur, zelfvoorzienend, wil onafhankelijk zijn van energiebedrijf.” “Als we weer gespaard hebben komen die vast binnen een paar jaar.” “Het ook de portemonnee spaart.”
De respondenten die aangeven misschien over tien jaar zonnepanelen op hun dak zullen hebben (16%), geven als reden veelal aan dat ze dit laten afhangen van de mogelijkheid voor subsidie of hun eigen financiële situatie, ze twijfelen of zonnepanelen economisch rendabel zijn of niet weten wat de terugverdient tijd is, of ze weten niet of ze over tien jaar nog in dit huis wonen. Ook vragen een aantal zich af of hun dak er wel geschikt voor is of weten sommigen nog niet of ze over 10 jaar nog in dit huis wonen. We lezen onder meer:
10
Het daadwerkelijke percentage woningen met geregistreerde zonnepanelen in Zuidoost-Brabant was in 2019 14%. Bron: CBS 2019, verkregen van https://klimaatmonitor.databank.nl/dashboard/dashboard/woningen/.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
14
• • •
“Ik niet weet of ik die investering terugverdien.” “Ons dak er nu nog niet geschikt voor is.” “Ik afwacht of er financieel meer aantrekkelijke subsidies of giften komen.”
Respondenten die aangeven dat er over tien jaar geen zonnepanelen op hun dak liggen (14%) geven onder meer aan dat hun dak hiervoor niet geschikt is of ongunstig ligt, ze in een appartement wonen, ze in een huurwoning wonen, ze het te duur of te lelijk vinden of dat ze vermoeden dat de kosten en baten niet tegen elkaar opwegen. Enkelen geven aan dat zij via andere zonnepanelen energie afnemen, bijvoorbeeld via een postcoderoos-regeling. • • •
“De kosten en terugwinning en hetgeen je terugkrijgt in geld zo onduidelijk is dat ik het niet overweeg.” “Geen geld om eerst dak te vernieuwen en te saneren.” “Het zware investering is die je niet snel terugverdient. Bovendien brandgevaarlijk.”
Verschillen tussen leeftijds- en opleidingsgroepen
In bijlage B is een uitsplitsing te vinden van deze vraag naar leeftijds- en opleidingsgroepen. We zien dat respondenten tussen de 41 en 70 jaar oud vaker dan gemiddeld aangeven al zonnepanelen op hun daken te hebben liggen. Jonge respondenten (tussen de 16 en 30 jaar oud) geven vaker dan gemiddeld aan dat zij misschien in 2030 zonnepanelen op hun dak hebben liggen (18% t.o.v. 16% gemiddeld) of dat ze dit niet weten omdat zij in een huurhuis wonen (28% t.o.v. 15% gemiddeld). Respondenten tussen de 41 en 50 jaar, en van 71 jaar en ouder geven vaker dan gemiddeld aan dat er in 2030 geen zonnepanelen op hun dak zullen liggen (respectievelijk 21% en 25% t.o.v. 14% gemiddeld). Mensen met een laag of middelbaar opleidingsniveau geven relatief vaak aan dat zij niet weten of ze in 2030 zonnepanelen op hun dak hebben liggen, aangezien ze in een huurhuis wonen (19% van de laag- en 21% van de middelbaar opgeleiden tegenover 5% van de mensen met een hoge opleiding). Mensen met een hoog opleidingsniveau geven daarentegen vaker aan dat ze al zonnepanelen hebben (51% tegenover 38% bij laag- en 35% bij middelbaar opgeleiden) of dat deze er dan zullen liggen (17% tegenover 12% bij laag en 13% bij middelbaar opgeleiden).
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
15
Figuur 4. Vraag 15: Wat heb je nodig om in de toekomst zonnepanelen op je dak te leggen?* Meerdere antwoorden mogelijk. (N = 453).
Advies op maat wat past bij mijn dak en welke aanpassingen daarvoor nodig zijn
49%
36% Informatie over zonnepanelen en leveranciers Een duurzaamheidslening, bijvoorbeeld om noodzakelijke aanpassingen te doen aan mijn dak (isolatie) of om zonnepanelen te kunnen betalen
29%
25% Anders Een aanbod waarbij ik met mijn buren zonnepanelen kan kopen
22% 0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
*Alleen ingevuld door respondenten die bij vraag 14 ‘ja’ of ‘misschien’ hebben ingevuld. Figuur 5. Vraag 16: Op welke termijn verwacht je zonnepanelen op jouw dak te installeren?* (N = 453).
< 1 jaar
15%
1 – 5 jaar
32%
5 – 7 jaar
12%
> 7 jaar
12%
Dat weet ik niet
30%
*Alleen ingevuld door respondenten die bij vraag 14 ‘ja’ of ‘misschien’ hebben ingevuld.
Zon op daken
We hebben bij vraag 15 en 16 alleen gekeken naar woningeigenaren die verwachten in 2030 (misschien) zonnepanelen op hun dak te hebben liggen. Voor deze woningeigenaren geldt dat zij de investeringen in zonnepanelen op moeten kunnen brengen én de bereidheid moeten hebben om te investeren. Voor huurders is de situatie anders. Voor het verduurzamen van de woning is een huurder afhankelijk van de verhuurder.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
16
Van de eigenaar-bewoners die verwachten in 2030 (misschien) zonnepanelen op hun dak te hebben liggen, geeft bijna de helft aan dat zij advies op maat nodig hebben over wat bij hun dak past om daadwerkelijk de zonnepanelen te leggen (49%). Verder geeft 36% aan informatie over zonnepanelen en leveranciers nodig te hebben. 29% van de respondenten heeft een duurzaamheidslening nodig om in de toekomst zonnepanelen te kunnen betalen. Individuele ondersteuningsopties hebben de voorkeur boven collectieve ondersteuningsopties. Oftewel, respondenten zijn iets vaker geïnteresseerd in een duurzaamheidslening (29%) dan in een aanbod waarbij zij met bijvoorbeeld buren gezamenlijk zonnepanelen kunnen aanschaffen (22%). Respondenten die bij vraag 15 (Wat heb je nodig om in de toekomst zonnepanelen op je dak te leggen?) ‘anders’ hebben ingevuld geven bijvoorbeeld aan dat ze ook toestemming van de VVE nodig hebben of dat ze goede informatie nodig hebben over wat betrouwbare bedrijven zijn die zonnepanelen kunnen plaatsen. Ook geven respondenten aan dat ze graag informatie/zekerheid willen over het economisch rendement of dat zij geld nodig hebben om de investering te kunnen doen. Zo lezen we onder meer: • • •
“Goede berekening wat ik kan besparen. Volgens mij kan ik beter mijn hypotheek aflossen.” “Betrouwbare firma’s die ook doen wat ze beloven.” “Zekerheid dat het niet over 2 jaar niet meer werkt omdat men dan een hoog gebouw op mijn vrije uitzicht heeft geplaatst.”
Ongeveer een derde van de respondenten die denkt in 2030 (misschien) zonnepanelen op hun dak te hebben liggen geeft aan te verwachten dat dit tussen de 1 en 5 jaar zal gebeuren (32%). Drie op de tien van deze respondenten geeft aan nog niet te weten op welke termijn zij zonnepanelen zullen nemen.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
17
4.2
Combinaties zonne- en windenergie Met alleen zonnepanelen op daken kan de regio Zuidoost Brabant niet aan haar energieopgave voldoen. Ook niet als er maximaal wordt ingezet op energiebesparing. Daarom zal een ook een combinatie van zonneparken (parken met meerdere zonnepanelen bij elkaar) en windmolenparken (parken met meerdere windmolens bij elkaar) toegepast moeten worden. Tabel 9. Vraag 17: Welke oplossingen spreken jou het meest aan? Maximaal 3 antwoorden mogelijk. (N = 1.670) % Zonneparken gekoppeld aan (energie)infrastructuur (zoals wegen, kanalen en hoogspanningslijnen)
44
Windmolens gekoppeld aan (energie)infrastructuur (zoals wegen, kanalen en hoogspanningslijnen)
41
Zonneparken met ruimte voor biodiversiteit aan de randen van natuurgebieden (biodiversiteit is de aanwezigheid van verschillende soorten dieren en planten in een bepaald gebied)
24
Zonneparken bij boerenbedrijven in mijn gemeente
21
Ik heb geen voorkeur
19
Windmolens bij boerenbedrijven in mijn gemeente
16
Windmolens plaatsen in nieuwe bossen die natuurgebieden uitbreiden en met elkaar verbinden
11
Ik wil überhaupt niet dat er wordt geïnvesteerd in zonne- en windenergie
9
Voorkeuren voor oplossingen
We zien dat zonneparken (44%) of windmolenparken (41%) gekoppeld aan (energie)infrastructuur oplossingen zijn die voor de grootste groep van de respondenten aanspreken. Verder ziet een kwart van de respondenten een oplossing in zonneparken met ruimte voor biodiversiteit aan de randen van natuurgebieden (24%). Een vijfde van de respondenten ziet een oplossing in zonneparken bij boerenbedrijven in de eigen gemeente (21%). Voor windmolens bij boerenbedrijven is dit 16%. Een vijfde van de respondenten heeft (nog) geen voorkeur (19%) en 9% van de respondenten wil überhaupt niet dat er wordt geïnvesteerd in zonne- en windenergie. Ook in de concept-RES van regio Zuidoost Brabant lezen we dat energiemaatregelen aan grootschalige infrastructuur gekoppeld kunnen worden 11. Bijvoorbeeld langs de snelwegen die de regio doorkruisen. De hoofdinfrastructuur biedt tevens kansen voor het transport van duurzame energie. De koppeling met bestaande infrastructuur sluit aan bij de voorkeuren van de respondenten.
11
Concept RES Metropoolregio Eindhoven. Energiek en innovatief! P.29.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
18
Tabel 10. Vraag 18: Om een goed beeld te krijgen van wat jij vindt van zonne- en windenergie leggen wij je enkele stellingen voor. Met zonneparken bedoelen we parken met meerdere zonnepanelen bij elkaar. In hoeverre ben je het eens of oneens met de volgende stellingen? (N = 1.660 / %) (Helemaal) eens
Niet eens, niet oneens
(Helemaal) oneens
Weet niet / geen mening
A. Ik zou willen dat mijn regio volop inzet op windenergie en ook gebieden hiervoor aanwijst in mijn regio
40
23
30
7
B. Ik vind dat windmolens altijd in een cluster van windmolens op enkele aangewezen locaties neergezet moeten worden en niet als een mozaïek door het landschap
48
22
19
11
C. Ik sta sowieso negatief ten opzichte van windenergie, ongeacht waar windmolens geplaatst worden
18
18
60
4
D. Ik zou graag willen dat mijn regio volop inzet op zonneparken en ook gebieden hiervoor aanwijst in mijn regio
42
28
25
5
E. Ik vind dat zonneparken altijd in een cluster op enkele aangewezen locaties neergezet moeten worden en niet als een mozaïek door het landschap
42
25
23
10
F. Ik sta sowieso negatief ten opzichte van zonneparken, ongeacht waar de zonneparken geplaatst worden
18
17
59
5
G. Ik vind dat mijn regio volop moet inzetten op een combinatie van windmolens en zonneparken en ook gebieden aanwijst voor een combinatie van beiden in mijn regio
41
25
28
6
H. Ik zie graag dat in iedere gemeente zonneparken en/of windmolens geplaatst worden en iedere gemeente hiermee bijdraagt aan de energieopgave
42
24
28
6
I. Ik vind dat we 1 tot 3 plekken in mijn regio (ook al is dit bij mij in de buurt) moeten aanwijzen voor de plaatsing van zonneparken en windmolens, dat voldoende is voor de gehele regio
33
25
34
8
Inzetten op wind en/of zonne-energie
We zien dat ongeveer de helft van de respondenten vindt dat windmolens altijd in clusters op de daarvoor aangewezen locaties geplaatst dienen te worden (48%). Ongeveer vijfde van de respondenten staat sowieso negatief of neutraal ten opzichte van windenergie, ongeacht waar windmolens geplaatst worden (beiden 18%). Ook staat 18% van de respondenten sowieso negatief tegenover zonneparken, ongeacht waar deze geplaatst worden. Bij de overige stellingen zien we dat ongeveer 40% het eens is, en een kwart van de respondenten het nog niet zo goed weet. In de concept-RES van regio Zuidoost Brabant is te lezen dat clusters van zonneparken of windmolens langs infrastructuur het best passen bij het mozaïekenlandschap van de regio12.
12
Concept RES Metropoolregio Eindhoven. Energiek en innovatief! P.29.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
19
4.3
Acceptatie windmolenpark Tabel 11. Vraag 27: Wanneer ben jij bereid om een windpark (park met meerdere windmolens bij elkaar) in jouw directe omgeving te accepteren? (N = 1.621). % Als ik samen met andere inwoners en/of grondeigenaren kan beslissen over het ontwikkelgebied, bijvoorbeeld over de inrichting van het windpark en de verdeling van de opbrengsten
28
Als ik heb kunnen meebeslissen over waar het windpark komt
27
Ik ben hiertoe nooit bereid
23
Als ik kan investeren en daardoor meeprofiteren van de opbrengsten van het windpark
21
Dat weet ik niet / geen mening
18
Als ik weet dat er in mijn omgeving op veel andere plekken ook windparken worden geplaatst
8
Anders, namelijk
8
Acceptatie windmolenpark
We zien bij de respondenten een verdeeldheid in de bereidheid om een windpark in de directe omgeving te accepteren. 28% van hen zou dit accepteren als zij samen met andere inwoners of grondeigenaren kunnen beslissen over het ontwikkelgebied. 27% zou een windpark accepteren als zij kunnen meebeslissen waar deze geplaatst wordt. Een vijfde van de respondenten vindt een windpark acceptabel als zij kunnen investeren en daardoor meeprofiteren van de opbrengsten van het windpark (21%). Verder geeft 23% aan dat zij nooit bereid zouden zijn om een windpark in de directe omgeving te accepteren. Bij ‘anders’ benoemen respondenten dat zij bereid zijn om een windpark in de directe omgeving te accepteren als blijkt dat de hinder voor direct omwonenden en de natuur gering of volledig afwezig is of als duidelijk wordt dat de betreffende plek de beste overweging is. Ook wordt communicatie richting (direct) omwonenden als belangrijke voorwaarde benoemt. Verder benoemen sommigen dat zij altijd bereid zijn een windpark te accepteren, anderen geven aan nooit een windpark in de directe omgeving te accepteren. Enkele reacties: • • • •
“Als de wisselende schaduwen en/of geluid niet storend zijn voor omwonenden.” “Als ik weet dat dit in de regio met alle transparante belangenafwegingen de beste plek is.” “Als het maar gebeurt.. zoveel mogelijk en zo snel mogelijk!” “Windparken moeten geplaatst worden waar veel wind is. Dat is vooral op zee, aan zee en het IJsselmeer. Niet in Oost Brabant.”
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
20
5
Warmte Voor de gebouwde omgeving maakt elke regio, als onderdeel van de RES, een Regionale Structuurvisie Warmte met daarin een voorstel hoe het warmteaanbod, de warmtevraag en de bijbehorende infrastructuur op regionaal niveau met elkaar verbonden kunnen worden. In de meeste huishoudens is aardgas nu nog een vanzelfsprekende keuze voor verwarmen en koken. Daar komt de komende 30 jaar verandering in. Niet in één keer, maar geleidelijk. De komende periode maakt iedere gemeente een plan, de Transitievisie Warmte genaamd, over hoe en wanneer de eerste woningen van het aardgas af gaan. In dit hoofdstuk gaan we in op de vraag hoe bewoners van Zuidoost Brabant aankijken tegen de overstap van aardgas naar andere warmtebronnen.
5.1
Van het aardgas af Tabel 12. Vraag 19a: Hoe kijk je naar de overstap van aardgas naar een andere warmtebron voor warm water en het verwarmen van jouw woning? Uitgesplitst naar woningeigenaren en huurders (%). A. Het is haalbaar dat alle woningen in 2050 van het aardgas af zijn
N
Koopwoning
1.391
34
13
40
13
Huurwoning
221
37
24
27
12
Anders
25
40
24
31
4
1.637
35
16
37
12
Gemiddeld RES-ZOB
(Helemaal) (Helemaal) Neutraal eens oneens
Weet niet / geen mening
Tabel 13. Vraag 19b: Hoe kijk je naar de overstap van aardgas naar een andere warmtebron voor warm water en het verwarmen van jouw woning? Uitgesplitst naar woningeigenaren en huurders (%). B. Ik maak mij zorgen over de monopoliepositie van grote energiebedrijven en wat dat betekent voor mijn energierekening
N
Koopwoning
1.393
56
19
14
10
Huurwoning
221
56
22
14
8
Anders
25
73
15
6
6
1.639
56
20
14
10
Gemiddeld RES-ZOB
(Helemaal) (Helemaal) Neutraal eens oneens
Weet niet / geen mening
Tabel 14. Vraag 19c: Hoe kijk je naar de overstap van aardgas naar een andere warmtebron voor warm water en het verwarmen van jouw woning? Uitgesplitst naar woningeigenaren en huurders (%). C. Ik maak mij zorgen over de kosten om mijn huis aan te passen
N
Koopwoning
1.363
65
14
18
3
Huurwoning
183
45
25
26
5
Anders
22
72
24
0
4
1.568
60
17
20
3
Gemiddeld RES-ZOB
(Helemaal) (Helemaal) Neutraal eens oneens
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
Weet niet / geen mening
21
Tabel 15. Vraag 19d: Hoe kijk je naar de overstap van aardgas naar een andere warmtebron voor warm water en het verwarmen van jouw woning? Uitgesplitst naar woningeigenaren en huurders (%). D. Ik maak mij geen zorgen als het gaat over het verwarmen van mijn woning zonder aardgas.
N
Koopwoning
1.373
40
17
39
4
Huurwoning
218
37
34
26
4
Anders Gemiddeld RES-ZOB
(Helemaal) (Helemaal) Neutraal eens oneens
Weet niet / geen mening
24
53
18
24
4
1.615
39
21
35
4
Tabel 16. Vraag 19e: Hoe kijk je naar de overstap van aardgas naar een andere warmtebron voor warm water en het verwarmen van jouw woning? Uitgesplitst naar woningeigenaren en huurders (%). E. Ik vind het ingewikkeld dat ik zelf niet kan kiezen hoe ik mijn woning zonder aardgas ga verwarmen.
N
Koopwoning
1.324
42
26
21
11
Huurwoning
206
35
34
21
10
Anders
23
51
27
12
10
1.553
40
28
21
11
Gemiddeld RES-ZOB
(Helemaal) (Helemaal) Neutraal eens oneens
Weet niet / geen mening
De overstap van aardgas naar een andere warmtebron
Ongeveer een derde van de respondenten denkt dat het haalbaar is dat in 2050 alle woningen van het aardgas af zijn (35%), terwijl een vergelijkbaar percentage respondenten denkt dat dit niet haalbaar is (37%). 56% van de respondenten maakt zich zorgen over de monopoliepositie van grote bedrijven. Verder maakt 60% zich zorgen over de kosten om de eigen woning aan te passen. Dit zien we, niet verrassend, vooral terug bij respondenten met een koopwoning (65% van de woningeigenaren maakt zich hier zorgen over, tegenover 45% van de huurders). De respondenten zijn verdeeld als het gaat over de zorgen omtrent het verwarmen van de woning zonder aardgas: 39% maakt zich geen zorgen, ongeveer een vijfde staat hier neutraal in (21%) en 35% maakt zich hierover wel zorgen. 40% van de respondenten geeft daarnaast aan dat zij het ingewikkeld vinden dat je zelf niet veel te kiezen hebt als het gaat om het verwarmen van de woning zonder aardag, 28% staat hier neutraal in en 21% geeft aan zich hier geen zorgen over te maken. Bij deze stellingen konden respondenten een toelichting geven. We lezen dat zij vermoeden dat het een flinke klus gaat worden om van het aardgas af te gaan en sommigen hebben er een hard hoofd in dat het gaat lukken. Ze geven aan dat het tijd nodig heeft en dat de overheid hier een duidelijke rol in moet pakken.
Daarbij vinden ze wel dat bewoners goed betrokken moeten blijven, voor het gevoel worden veel beslissingen nu voor hen genomen. Ook zetten sommige vraagtekens; zij vinden dat aardgas een schone warmtebron is die niet vervangen hoeft te worden. Enkele reacties:
•
“Er is géén goede reden voor het afschaffen van aardgas voor huishoudens. Ons gasnetwerk is kwalitatief hoogstaand en verwarming met aardgas is een van de schoonste manieren om huizen te verwarmen. Alternatieven zijn vooralsnog duur,
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
22
• • •
werken slechter en veroorzaken overlast. Met name biomassacentrales moeten direct worden afgeschaft.” “Gas is niet perse milieutechnisch ongunstig. Zou veel meer ingestoken moeten worden op isolatie.” “De kosten gaan gigantisch hoger uitvallen dan elke leverancier ons doet geloven.” “De overheid neemt de particulier onvoldoende bij de hand in de keuze en mogelijkheden van verduurzaming.”
Relatief vaak wordt genoemd dat de kosten voor het aanpassen van de woning veel te hoog zijn, al zijn er ook respondenten die aangeven dat hun huizen al zijn aangepakt. Ook verwijzen respondenten naar technologische ontwikkelingen (bijvoorbeeld warmtepompen die steeds beter en goedkoper zullen worden). Tabel 17. Vraag 20: In hoeverre hebben onderstaande warmtebronnen jouw voorkeur? (N = 1.643 / %) (Volledig) mijn voorkeur
Neutraal
(Totaal) niet mijn voorkeur
Weet niet / geen mening
Rechtstreekse warmte van de zon (via zonnecollectoren, die zonlicht omzetten in warmte)
71
16
7
6
Restwarmte uit industrie (warmte die vrijkomt bij industrieprocessen)
57
22
14
8
Warmte uit de aarde (geothermie, gebruikmakend van temperatuurverschillen in de aardoppervlakte, warmte en kouopslag)
57
22
13
9
Warmte uit water (aquathermie, bijvoorbeeld via riool-, afval-, drinken oppervlaktewater)
54
25
10
10
Warmte uit de lucht (warmtepomp)
53
21
18
8
Warmte uit afval (restafval omzetten naar warmte)
50
26
17
7
Warmte uit biomassa (grondstof uit planten, bomen, plantaardig afval dat je als bron voor energie kan gebruiken)
28
24
41
6
Alternatieve warmtebronnen
We hebben de respondenten verschillende warmtebronnen voorgelegd: 71% heeft (volledig) de voorkeur voor energie die opgewekt wordt door warmte van de zon. Daarnaast heeft 57% (volledig) de voorkeur voor restwarmte uit industrie en een even groot percentage voor warmte uit de aarde. Respondenten hebben minder de voorkeur voor warmte uit biomassa, voor 41% heeft dit (totaal) niet de voorkeur. We zien bij ongeveer alle warmtebronnen dat gemiddeld genomen een kwart van de mensen neutraal genomen hier tegenover staat. Dit kan betekenen dat zij (nog) geen goed beeld hebben van de warmtebronnen. In de concept-RES van Zuidoost Brabant wordt de huidige warmtevraag gekoppeld aan de potentie van duurzame warmtebronnen. Deze input wordt gebruikt voor de Regionale Structuurvisie Warmte (RSW)13, waarin vraag en aanbod van warmte in de regio aan elkaar gekoppeld zijn en waarin verschillende strategieën beschreven zijn voor 13
Concept RES Metropoolregio Eindhoven. Energiek en innovatief! P.44 (bijlage 9).
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
23
het verduurzamen van woningen. De RSW is vooralsnog voornamelijk inventariserend van aard; komende tijd worden mogelijkheden verder onderzocht. De resultaten van de RSW dienen als input voor de gemeentelijke Transitievisies Warmte. Al deze gemeentelijke Transitievisies Warmte zullen een gezamenlijk beeld moeten geven van de beste toepassing van verschillende warmtebronnen.14 Concluderend kunnen we op het gebied van warmte stellen dat respondenten zich met name zorgen maken over de afhankelijkheid van energiebedrijven en de energierekening, om de investeringskosten en om autonomie en zeggenschap. We zien daarbij een voorkeur voor rechtstreekse warmte uit de zon, restwarmte vanuit de industrie en warmte uit de aarde en water boven warmte uit biomassa. Tabel 18. Vraag 21: Welke warmtevoorziening heeft de voorkeur voor jouw woning? (N = 1.641) % Een individuele warmtevoorziening met eigen installaties
49
Een collectieve warmtevoorziening met (deels) gezamenlijke voorzieningen
20
Niet van toepassing, ik woon in een huurhuis
19
Dat weet ik niet / geen mening
13
Alternatieve warmtebronnen
Bijna de helft van de respondenten (49%) geeft de voorkeur aan een individuele warmtevoorziening met eigen installaties voor het verwarmen van de eigen woning. Een vijfde van hen geeft de voorkeur aan een collectieve warmtevoorziening met (deels) gezamenlijke voorzieningen. 13% heeft hierover (nog) geen mening en 19% geeft aan dat het niet van toepassing is, zij wonen in een huurhuis. Voor de (haalbaarheid van) de warmtetransitie betekent dit dat individuele oplossingen over het algemeen de voorkeur hebben boven collectieve oplossingen (waarbij sprake is van afhankelijkheid van grote warmteleveranciers en gebrek aan autonomie of keuzevrijheid). Respondenten die aangaven niet te weten welke warmtevoorziening de voorkeur voor hun woning heeft, konden hierop een toelichting geven. Zij benoemen bijvoorbeeld dat ze (nog) geen zicht hebben op de verschillende mogelijkheden, geen voorkeur voor individueel of collectief hebben of te weinig informatie over de voor- en nadelen hebben. Ook geven enkelen aan al een warmtepomp te hebben of het liefst bij aardgas willen blijven. We lezen bijvoorbeeld: • • •
14
“Ik de consequenties (voor/nadelen en kosten) nu niet kan overzien.” “Ik weet niet wat het meest efficiënt is. De beste oplossing voor het milieu moet worden gekozen.” “Wil dat er gewoon aardgas blijft anders gaat het veel te duur worden.”
Concept RES Metropoolregio Eindhoven. Energiek en innovatief! P.11, 41.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
24
6
Betrokken worden Een belangrijk onderdeel van de RES-processen is dat bewoners betrokken worden bij en meegenomen worden in de totstandkoming of uitvoering van de RES’en. Dit lezen we ook terug in de concept-RES van regio Zuidoost Brabant. Hierin staat bijvoorbeeld dat er ingezet wordt op een grote mate van participatie in de lokale omgeving bij duurzame energie, mede omdat draagvlak en acceptatie van inwoners van cruciaal belang zijn 15. In dit hoofdstuk presenteren we de resultaten met betrekking tot betrokkenheid en participatie. Wat vinden bewoners belangrijk, waarover willen zij geïnformeerd worden of waarbij willen zij betrokken worden? En welke manier zou dan de voorkeur hebben? Ook hebben we specifiek aandacht voor de financiële participatie van bewoners.
6.1
Ondersteuning woning verduurzamen Tabel 19. Vraag 22: Op welke manier ben jij geholpen om jouw woning te verduurzamen en/of om energie te besparen? Meerdere antwoorden mogelijk. (N = 1.637) % Door algemene informatie te ontvangen over de mogelijkheden die er zijn
41
Door algemene informatie te ontvangen over subsidiemogelijkheden
33
Door ervaringen van anderen te horen die in een vergelijkbare woning wonen
30
Door een keuzehulp of een duurzaamheidsscan van mijn woning
26
Door deel te nemen aan collectieve duurzaamheidsprojecten in mijn omgeving
22
Dat weet ik niet / geen mening
18
Iets anders
9
Ik heb hier überhaupt geen behoefte aan
8
Ondersteuning woning verduurzamen
We vroegen de respondenten op welke manier(en) zij geholpen zijn om hun woning te verduurzamen en/of om energie te besparen. 41% zou graag algemene informatie willen ontvangen over de mogelijkheden die er zijn. Een derde van hen (33%) heeft baat bij algemene informatie rondom subsidiemogelijkheden. Verder geeft 30% aan dat zij graag ervaringen horen van anderen in een vergelijkbare woning. 8% van de respondenten geeft aan hier überhaupt geen behoefte aan te hebben. Respondenten konden bij ‘iets anders’ een toelichting geven. Hier noemen zij bijvoorbeeld dat zij financiële ondersteuning of (onafhankelijk) advies nodig hebben. Ook benoemen enkelen dat zij zelf initiatief nemen of dit al gedaan hebben en hier geen ondersteuning bij nodig hebben. Enkele reacties: • • •
15
“Advies over maatwerkoplossingen.” “Financiële ondersteuning.” “Ik vind mijn info zelf wel. En ik kijk gewoon wat het goedkoopste is.”
Concept RES Metropoolregio Eindhoven. Energiek en innovatief! P.48.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
25
Verschillen tussen leeftijds- en opleidingsgroepen
De verschillen tussen leeftijds- en opleidingsgroepen zijn te vinden in bijlage B. We zien met name differentiatie naar opleidingsniveau. Respondenten met een laag of middelbaar opleidingsniveau geven vaker dan respondenten met een hoog opleidingsniveau aan dat zij niet weten of geen mening hebben op welke manier zij geholpen zijn om hun woning te verduurzamen en/of om energie te besparen (respectievelijk 23% en 25% tegenover 5% bij hoogopgeleiden). Hoogopgeleide respondenten geven daarnaast bij bijna alle mogelijkheden vaker aan hierdoor geholpen te zijn. Bij de leeftijdsgroepen zien we voornamelijk dat jonge respondenten (16 en 30 jaar) vaker dan de andere leeftijdsgroepen (nog) niet weten op welke manier zij geholpen zijn om hun woning te verduurzamen en/of om energie te besparen (28% t.o.v. 18% gemiddeld).
6.2
Procesparticipatie Tabel 20 Vraag 23: In hoeverre vind je de volgende aspecten belangrijk? (N = 1.635/ %) Niet belangrijk / Heel Belangrijk Onbelangrijk belangrijk niet onbelangrijk
Weet niet / geen mening
A. Inwoners kunnen meedenken bij windprojecten
35
41
15
5
4
B. Inwoners kunnen meedenken bij zonneprojecten
33
43
16
5
3
C. Inwoners kunnen investeren in windprojecten in mijn regio en er zo geld aan verdienen
16
33
30
14
6
D. Inwoners kunnen investeren in zonneprojecten in mijn regio en er zo geld aan verdienen
16
35
30
13
6
E. Inwoners kunnen mede-eigenaar worden van windprojecten in mijn regio (bijv. via een energiecoöperatie)
15
30
31
15
9
F. Inwoners kunnen mede-eigenaar worden van zonneprojecten in mijn regio (bijv. via een energiecoöperatie)
16
33
31
12
9
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
26
Betrokkenheid en participatie
Respondenten vinden het met name (heel) belangrijk dat zij kunnen meedenken bij windprojecten en bij zonneprojecten (beide 76%). Verder vindt 51% het (heel) belangrijk dat bewoners kunnen investeren in zonneprojecten in de regio en 49% dat bewoners mede-eigenaar kunnen worden van zonneprojecten in de regio. Als het gaat om windprojecten zien we vergelijkbare cijfers: 49% van de respondenten vindt het (heel) belangrijk dat bewoners kunnen investeren in windprojecten in de regio en 45% dat zij mede-eigenaar kunnen worden van windprojecten in de regio. Verschillen tussen leeftijds- en opleidingsgroepen
De verschillen tussen leeftijds- en opleidingsgroepen zijn te vinden in bijlage B. We zien op dit thema met name verschillen tussen opleidingsgroepen. Over het algemeen lijken lager en middelbaar opgeleiden een wat minder sterke mening te hebben over het meedenken, mee-investeren of mede-eigenaar worden in wind- en zonneprojecten. Zij geven relatief vaak aan de stelling niet belangrijk / niet onbelangrijk te vinden, het niet te weten of geen mening te hebben. Hoger opgeleiden vinden alle stellingen vaker ‘(heel) belangrijk’. Daarnaast antwoorden de hoogopgeleide respondenten ook vaker dan de laag- en middelbaar opgeleiden ‘onbelangrijk’ op de stellingen rondom mee-investeren en mede-eigenaar worden van zon- en windprojecten. Verder zien we dat jongeren (16 t/m 30 jaar) relatief iets minder geïnteresseerd lijken in het meedenken in wind- en zonneprojecten dan de andere leeftijdsgroepen, en vooral geïnteresseerd zijn in het investeren in en mede-eigenaar worden van wind- en zonneprojecten. De leeftijdsgroepen vanaf 41 jaar vinden het alle relatief heel belangrijk om mee te kunnen denken in wind- en zonneprojecten. Respondenten tussen de 41 en 60 jaar, en van 71 jaar en ouder vinden het minder belangrijk dan de andere leeftijdsgroepen om te investeren in of mede-eigenaar te worden van zon- en windprojecten.
Respondenten tussen de 61 en 70 jaar vinden dit juist relatief heel belangrijk.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
27
Figuur 6. Vraag 28: Wil je door jouw gemeente betrokken worden bij of geïnformeerd worden over plannen rondom duurzame energie? Eén antwoord mogelijk. Uitgesplitst naar leeftijdsgroepen (N = 1.621 / %).
100% 86%
90% 80%
81%
74%
74%
87%
87% 79%
70% 60% 50% 40% 30%
26%
26%
19%
14%
20%
13%
21% 13%
10% 0% 16-30
31-40
41-50
51-60 Ja
61-70
71+
Gemiddeld RES-ZOB
Nee
Figuur 7. Vraag 28: Wil je door jouw gemeente betrokken worden bij of geïnformeerd worden over plannen rondom duurzame energie? Eén antwoord mogelijk. Uitgesplitst naar opleidingsgroepen (N = 1.621 / %).
100%
88%
90% 70%
79%
77%
80% 65%
60% 50% 40%
35%
30%
23%
21%
20%
12%
10% 0% Laag
Midden
Hoog Ja
Gemiddeld RES-ZOB
Nee
Verschillen tussen leeftijds- en opleidingsgroepen
Vier op de vijf respondenten geven aan door de gemeente geïnformeerd of betrokken te willen worden over plannen rondom duurzame energie (79%). Respondenten tussen de 16 en 40 jaar oud geven vaker dan gemiddeld aan niet betrokken of geïnformeerd te willen worden door de gemeente bij plannen rondom duurzame energie. Er zijn met name verschillen naar opleidingsniveau. Laag opgeleide respondenten geven vaker dan gemiddeld aan niet betrokken of geïnformeerd te willen worden door de
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
28
gemeente bij plannen rondom duurzame energie. Van de respondenten met een hoge opleiding geeft 88% aan wel geïnformeerd of betrokken te willen worden tegenover 65% van de respondenten met een lage opleiding en 77% van de respondenten met een middelbare opleiding.
Niet betrokken blijven
De respondenten die bij deze vraag hebben aangegeven dat ze niet verder betrokken of geïnformeerd willen worden door hun gemeente over dit onderwerp hebben we gevraagd waarom zij dit niet willen. Zij geven aan dat ze dit niet willen omdat ze er niet mee bezig zijn, vinden dat ze hier te weinig kennis van hebben of het hen niet interesseert. Sommigen vinden zichzelf hiervoor te oud of zijn te druk. Daarbij geeft ook een deel van hen aan dat ze geen vertrouwen hebben in de gemeente/de overheid en dat burgers toch niet echt inspraak hebben. Voor sommigen is het niet van toepassing, omdat zij in een huurhuis wonen of al veel aan hun woning verduurzaamd hebben. Enkele reacties: • • • •
“Zal uiteindelijk geen enkele invloed hebben.” “Omdat besluiten al genomen zijn en inspraak voor de bühne is.” “Geen hobby werk van inwoners aub. Laat specialisten hier naar kijken die een gecoördineerd energieplan opstellen.” “Te weinig kennis hierover.”
Tabel 21. Vraag 30: Waar wil je zeker bij betrokken worden?* Meerdere antwoorden mogelijk. (N = 1.381 / %) % Over waar windmolens komen te staan
72
Over waar zonneparken komen te staan
70
Over het besluitvormingsproces rondom duurzame energie van mijn gemeente
59
Over hoe ik zelf kan investeren in en profiteren van zonne-energie in mijn gemeente
44
Over hoe een deel van de opbrengsten ten goede kan komen aan de omwonenden
43
Over hoe ik zelf kan investeren in en profiteren van windenergie in mijn gemeente
39
Over hoe een deel van de opbrengsten ten goede kan komen aan collectieve projecten (zoals cultuur, sport en leefbaarheid in de omgeving)
31
Over andere zaken *Alleen ingevuld door respondenten die bij vraag 28 ‘ja’ hebben ingevuld.
6
Betrokkenheid bij plannen rondom duurzame energie
Ruim twee derde van de respondenten die hebben aangegeven door de gemeente geïnformeerd of betrokken te willen worden, wil zeker betrokken worden bij de plaatsing (locatie) van windmolens (72%) of zonneparken (70%). Ook geeft ruim de helft aan zeker betrokken te willen worden bij het besluitvormingsproces rondom duurzame energie binnen de eigen gemeente in zijn algemeenheid (59%). De respondenten konden hier aangeven dat ze over ‘andere zaken’ geïnformeerd willen worden. Zaken die onder andere genoemd zijn: ontwikkelingen met betrekking tot
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
29
waterstof en kernenergie, alternatieven voor duurzame energie, subsidies en financiën, het tegenhouden van zonnepanelen/windmolens en over hoe de inspraak van burgers hierover geregeld is. Tabel 22. Vraag 31: Op welke manier wil je graag betrokken / geïnformeerd worden? Meerdere antwoorden mogelijk.** Uitgesplitst naar leeftijdsgroepen (N = 1.381 / %)16 16-30
31-40
41-50
51-60
61-70
71+
Gemiddeld RES-ZOB
Via een nieuwsbrief
58
64
62
61
65
61
61
Via websites
45
51
57*
42
48
42
47
Via digitale vormen (bijv. via apps, social media of online platforms)
53*
45
50
32
29
30
43
Via de (lokale) krant
25
45
49
50*
55*
60*
42
Via bijeenkomsten (bijv. van dorps- of wijkraden)
21
39
35
43*
48*
40
34
Via enquêtes / vragenlijsten
28
25
24
26
26
43*
28
Via persoonlijk contact
16
24*
22
14
22
19
19
Anders 1 2 5 **Alleen ingevuld door respondenten die bij vraag 28 ‘ja’ hebben ingevuld.
5
7*
4
3
Tabel 23. Vraag 31: Op welke manier wil je graag betrokken / geïnformeerd worden? Meerdere antwoorden mogelijk.** Uitgesplitst naar opleidingsgroepen (N = 1.381/ %) Laag
Midden
Hoog
Gemiddeld RES-ZOB
Via een nieuwsbrief
51
62
65*
61
Via websites
36
46
52*
47
Via digitale vormen (bijv. via apps, social media of online platforms)
50*
43
39
43
Via de (lokale) krant
44
38
45
42
Via bijeenkomsten (bijv. van dorps- of wijkraden)
27
27
44*
34
Via enquêtes / vragenlijsten
13
33*
29
28
Via persoonlijk contact
22
15
22*
19
4*
3
Anders 2 2 **Alleen ingevuld door respondenten die bij vraag 28 ‘ja’ hebben ingevuld.
Manieren van communiceren
Op de vraag op welke manier mensen graag betrokken willen worden komt een duidelijke voorkeur voor een nieuwsbrief naar voren: 61% van de respondenten geeft de voorkeur aan een nieuwsbrief. Ook scoren websites (47%), digitale vormen (43%), de (lokale) krant (42%) en bijeenkomsten (34%) relatief hoog. De voorkeur gaat het minste uit naar communicatie via persoonlijk contact (19%). Verschillen tussen leeftijds- en opleidingsgroepen
Jongere respondenten (tussen de 16 en 30 jaar) geven vaker dan gemiddeld de voorkeur aan digitale communicatievormen, zoals apps en social media (53%). Oudere
16
De sterretjes in de tabellen (*) verwijzen naar significante afwijkingen ten opzichte van het gemiddelde van RES-ZOB.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
30
respondenten van 71 jaar en ouder geven juist relatief vaak de voorkeur aan communicatie via de (lokale) krant (60%) of via enquêtes / vragenlijsten (43%). Over het algemeen geven laag opgeleiden op bijna alle voorgenoemde manieren van communicatie minder vaak dan gemiddeld aan hier de voorkeur voor te hebben. Hoog opgeleide respondenten benoemen verder bijna alle vormen van communicatie juist vaker dan gemiddeld. Tabel 24 Kruistabel tussen waarbij men betrokken wil worden (vraag 30) vs. de manier van betrokken worden (vraag 31) (N = 1.381/ %). Manier van betrokken worden
Waarbij betrokken worden? Bijeen- Websites komsten
6.3
Nieuwsbrief
Digitale vormen
(Lokale) krant
Enquêtes Persoonlijk contact
Anders
Over waar windmolens komen te staan
37
49
63
45
44
30
20
3
Over waar zonneparken komen te staan
37
50
63
45
47
29
21
3
Over het besluitvormingsproces rondom duurzame energie van mijn gemeente
39
51
69
45
47
33
21
3
Over hoe ik zelf kan investeren in en profiteren van zonne-energie in mijn gemeente
33
54
68
50
39
32
22
3
Over hoe een deel van de opbrengsten ten goede kan komen aan de omwonenden
34
51
69
49
46
36
19
4
Over hoe ik zelf kan investeren in en profiteren van windenergie in mijn gemeente
34
53
69
47
41
35
24
4
Over hoe een deel van de opbrengsten ten goede kan komen aan collectieve projecten (zoals cultuur, sport en leefbaarheid in de omgeving)
44
54
70
50
45
36
22
4
Over andere zaken
49
47
68
35
55
41
33
27
Financiële participatie Tabel 25. Vraag 24: Hoe vind je dat de opbrengsten van een zonnepark (park met zonnepanelen in het landschap) of windpark in jouw gemeente verdeeld zouden moeten worden? Meerdere antwoorden mogelijk. (N = 1.627) % Een deel van de opbrengsten is voor direct omwonenden, bijvoorbeeld voor de verduurzaming van hun huis.
39
Een deel van de opbrengsten komt ten goede aan alle inwoners van de regio door middel van een fonds dat wordt opgericht van waaruit investeringen in de regio worden gedaan.
33
Een deel van de opbrengsten komt ten goede aan alle inwoners van de gemeente, bijvoorbeeld door te investeren in collectieve acties voor isolatie en energiebesparing (denk aan een voetbalclub).
32
Alle investeerders ontvangen de opbrengsten, ook als deze niet direct in de regio wonen.
18
De grondeigenaren ontvangen de opbrengsten.
17
Anders
10
Dat weet ik niet
15
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
31
Verdeling opbrengsten zonnepark
39% van de respondenten vindt dat een deel van de opbrengsten van een zonnepark ten goede moeten komen aan direct omwonenden. Een derde (33%) is van mening dat een deel ten goede aan alle inwoners van een regio moet komen en eveneens een derde (32%) vindt dat dit ten goede moet komen aan alle inwoners van de gemeente, bijvoorbeeld middels collectieve acties. In de concept-RES lezen we dat er gestreefd wordt naar 50% lokaal eigendom van nieuwe zonne- en windparken. Dit is tweeledig. Enerzijds levert lokaal eigenaarschap geld op voor de samenleving, anderzijds kan het leiden tot een grotere betrokkenheid van mensen bij lokale projecten, acceptatie van energieprojecten en grotere gemeenschapszin.17 De regio heeft de ambitie om te streven naar maximale lokale participatie en het maximaal lokaal benutten van de opbrengsten. Tabel 26. Vraag 25: Stel, er komt in jouw omgeving een zonnepark of een windmolen. Zou je daaraan willen meedoen? Eén antwoord mogelijk (N = 1.626) % Ja, via een lokaal samenwerkingsverband of een lokale energiecoöperatie
13
Ja, door stukjes van een zonnepark of windmolen te kopen (via aandelen, certificaten of obligaties)
18
Nee, ik heb hier geen interesse in
24
Misschien, dat kan ik niet nog niet inschatten
37
Ik neem al deel in een zonnepark of windmolen
2
Anders
6
Meedoen aan een zonnepark of windmolen in de omgeving
37% van de respondenten geeft aan nog niet te kunnen inschatten of zij meedoen aan een zonnepark of windmolen, mocht deze in hun omgeving geplaatst worden. 13% van de respondenten geeft aan via een lokaal samenwerkingsverband of lokale energiecoöperatie te willen deelnemen. We zien dat 18% via aandelen, certificaten of obligaties mee wil doen aan een zonnepark of windmolen in de omgeving. Een kwart van de respondenten heeft geen interesse om hierin te participeren (24%). Verschillen tussen leeftijds- en opleidingsgroepen
In bijlage B zijn de verschillen tussen leeftijds- en opleidingsgroepen te vinden. Respondenten tussen de 16 en 30 jaar van energieregio Zuidoost Brabant geven vaker dan gemiddeld aan via aandelen, certificaten of obligaties mee te willen doen aan een zonnepark of windmolen in de regio of dat zij dit nog niet kunnen inschatten. Oudere respondenten van 71 jaar en ouder hebben relatief vaak geen interesse in deelname of nemen al deel in een zonnepark of windmolen. We zien dat respondenten met een laag opleidingsniveau relatief vaak aangeven geen interesse in deelname te hebben (30% van de respondenten met een lage opleiding tegenover 24% van de respondenten met een hoge opleiding). Middelbaar opgeleiden kunnen het nog lastig inschatten of zij hieraan mee willen doen (42% t.o.v. 37% 17
Concept RES Metropoolregio Eindhoven. Energiek en innovatief! P.17.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
32
gemiddeld). Tegelijkertijd zien we dat respondenten met een hoog opleidingsniveau vaker aangeven via een lokaal samenwerkingsverband of lokale energiecoöperatie te willen deelnemen (17% van de respondenten met een hoge opleiding tegenover 7% bij laag- en 12% bij middelbaar opgeleiden). Ook deelname via aandelen, certificaten of obligaties heeft hun voorkeur (21% tegenover 17% bij zowel laag- als middelbaar opgeleiden). Tabel 27. Vraag 26: Stel, je overweegt om deel te nemen aan een project op het gebied van duurzame energie bij jou in de gemeente. Wat heeft dan je voorkeur en waarom?* Eén antwoord mogelijk (N = 1.160) % Ik wil deelnemen aan een project met zon op grote daken
32
Ik wil deelnemen aan een zonnepark
12
Ik wil deelnemen aan een windmolen
9
Ik heb hier geen voorkeur voor
39
Ik wil niet deelnemen *Alleen ingevuld door respondenten die bij vraag 25 ‘ja’ of ‘misschien’ hebben ingevuld.
9
Participatie duurzame energie
Ongeveer een derde van de respondenten die (misschien) willen participeren in een zonnepark of windmolen, zou mee willen doen aan een project met zon op grote daken (32%). 12% geeft aan te willen deelnemen aan een zonnepark en 9% geeft de voorkeur aan een windmolen. Ruim een derde van de respondenten (39%) heeft geen voorkeur en 9% wil (toch) niet deelnemen. Ook bij deze vraag konden respondenten hun antwoord toelichten. Van de respondenten die willen deelnemen aan een project met zon op grote daken geeft een deel als reden dat dit het minste impact op de omgeving of op mensen heeft. Deelnemers aan een zonnepark noemen bijvoorbeeld dat dit voor hen het meeste effect heeft met een geringe impact, of dat ze hier al mee bezig zijn. Liefhebbers van een windproject (die zijn in de minderheid) geven als reden dat een windmolen de meeste stroom oplevert en wind vaker beschikbaar is dan zon.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
33
7
Achtergrond onderzoek
7.1
Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s De internetconsultatie voor de vier Brabantse RES’en kent een getrapte werkwijze: per RESregio wordt eerst een representatieve internetpeiling onder de inwoners van de regio georganiseerd. Om de resultaten van deze online peilingen te verdiepen en op onderdelen van een nadere duiding te voorzien, nodigen we per regio respondenten uit voor deelname aan een gesprek via een besloten Research Community platform: de ‘Regionale Energie Community’ (zie paragraaf 8.1.4). Regionaal maatwerk is nodig bij het opstellen van een RES. Dit geldt in het bijzonder voor de ruimtelijke inpassing van hernieuwbare opwek, opslag en de infrastructuur voor warmte en elektriciteit. Voor elke Brabantse energieregio (West-Brabant, Hart van Brabant (HvB), Noordoost Brabant (NOB) en Zuidoost Brabant (ZOB)) is een vragenlijst opgesteld waarin juist die elementen naar voren komen die voor die energieregio van belang zijn. Om daarnaast een provinciale vergelijking te kunnen maken worden de vragen over het thema betrokkenheid en participatie in elke regio op dezelfde wijze gesteld. Hierdoor kunnen de vier Brabantse energieregio’s op dit onderwerp met elkaar vergeleken worden.
7.1.1
Werving, respons en representativiteit Vanuit de wens om de vragenlijsten laagdrempelig en voor een zo breed mogelijke groep inwoners beschikbaar te maken, is ervoor gekozen om in iedere regio te werken met een open link. Deze link wordt verstuurd via de gemeenten die vallen binnen de betreffende energieregio. Zij verspreiden de link via verschillende (social media) kanalen (gemeentewebsite, Facebook et cetera). Werving via een open link vanuit verschillende (social media) kanalen impliceert dat mensen met een zekere interesse in of affiniteit met het onderwerp reageren. De representativiteit van de responsgroep is afhankelijk van het aantal respondenten en van de achtergrondkenmerken van deze respondenten. De respons bij open source onderzoek is meestal geen juiste afspiegeling van de verdeling naar de gehele populatie. Om de representativiteit te borgen, wordt gedurende de campagne tussentijds getoetst op representativiteit van de responsgroep: de verdeling naar leeftijd, opleidingsniveau en gemeenten in de responsgroep is vergeleken met de werkelijke verdeling in de populatie (Bron: CBS)18. Wanneer de respons onder bepaalde leeftijds-en/of opleidingsgroepen achterblijft wordt de vragenlijst additioneel uitgezet onder Brabantse panelleden van PanelClix met specifiek deze leeftijds-of opleidingskenmerken in de betreffende regio.
Dit om de representativiteit van de responsgroep te vergroten. Alle percentages die in de rapportages zijn opgenomen, betreffen de gewogen en dus naar leeftijd, geslacht en
18
Voor de weging naar leeftijd zijn de volgende categorieën gehanteerd: 16 tot en met 30 jaar; 31 tot en met 40 jaar; 41 tot en met 50 jaar; 51 tot en met 60 jaar; 61 tot en met 70 jaar en 71 jaar en ouder. De opleidingsniveaus18 zijn onderverdeeld in de categorieën ‘laag’, ‘midden’ en ‘hoog’.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
34
opleiding gecorrigeerde gegevens. De (gewogen) resultaten zijn voor wat betreft deze achtergrondkenmerken representatief en betrouwbaar voor de betreffende regio.19 In Bijlage A zijn de verdelingen van de respondenten naar achtergrondkenmerken te vinden. 7.1.2
Significante verschillen naar leeftijds-en opleidingsgroepen Om te onderzoeken of mensen uit verschillende leeftijds- en opleidingsgroepen en uit verschillende gemeenten anders antwoorden op de verschillende vragen en stellingen, maken we gebruik van de chi-kwadraattoets. Het gemiddelde van de ene groep wordt vergeleken met het gemiddelde van andere groepen. Deze toets beoordeelt of het verschil tussen groepen daadwerkelijk (met 95% betrouwbaarheid) in de populatie bestaat, of dat het verschil berust op de toevallige samenstelling van de responsgroep. Daar waar zich significante en relevante verschillen tussen groepen voordoen, wordt een beschrijving hiervan opgenomen in de rapportages. De tabellen met uitsplitsing van de resultaten naar leeftijds- en opleidingsgroepen zijn te vinden in bijlage B. Daar zien we bijvoorbeeld (tabel 35) dat respondenten met een laag opleidingsniveau in vergelijking met respondenten met een hoog opleidingsniveau vaker aangeven nog niet van de RES op de hoogte te zijn (68% t.o.v. 33%).
7.1.3
Research Community Om de resultaten van de online peilingen te verdiepen en op onderdelen van een nadere duiding te voorzien, worden de respondenten uitgenodigd voor deelname aan een gesprek via een besloten Research Community platform: de ‘Regionale Energie Community’. Een Research Community is een besloten platform (afgeschermde website) waarop alleen de (uitgenodigde) leden van de Research Community toegang toe hebben. In de Research Community is het mogelijk met een groep mensen gedurende een bepaalde periode in gesprek te gaan over verschillende onderwerpen. Een community bestaat uit een groep van 50 tot 70 inwoners uit de betreffende regio. Zij delen gedurende een periode van 8 dagen online ideeën en gedachten over de resultaten van de peiling, over knelpunten en oplossingsrichtingen. Hiervoor worden verschillende technieken gebruikt. In de community worden vragen gesteld, stellingen voorgelegd of deelnemers worden gevraagd te reageren op een casus. De onderwerpen die aan bod komen in de Research Community zijn mede gebaseerd op de resultaten van de internetpeiling.
19
De weegfactoren voor leeftijd, opleidingsniveau en gemeente zijn opgenomen in Bijlage A, Achtergrondkenmerken.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
35
. Achtergrondkenmerken Achtergrondkenmerken respondenten
Hieronder geven we in tabellen de achtergrondkenmerken van de 1.711 respondenten van de internetpeiling weer. De gegevens zijn ongewogen. Tabel 28. Respons naar gemeenten (vraag 0) Asten
Abs
%
34
2
Bergeijk
35
2
Best
556
32
Bladel
35
2
Cranendonck
30
2
Deurne
46
3
Eersel
9
1
Eindhoven
220
13
Geldrop-Mierlo
98
6
Gemert-Bakel
17
1
Heeze-Leende
55
3
Helmond
107
6
Laarbeek
54
3
Nuenen
67
4
Oirschot
78
5
Reusel-De Mierden
8
0
Someren
57
3
Son en Breugel
10
1
Valkenswaard
63
4
Veldhoven
102
6
Waalre
30
2
Totaal
1.711
100
Tabel 29. Weegfactoren naar gemeente20 Weegfactor
20
Asten
1,0779501382
Bergeijk
1,1670156912
Best
0,1182192101
Bladel
1,2769224547
Cranendonck
1,5443935584
Deurne
1,5472239332
Eersel
4,7035154371
Eindhoven
2,3352810345
Geldrop-Mierlo
0,8885136523
Gemert-Bakel
3,9612298421
Heeze-Leende
0,6436932561
We hebben de resultaten gewogen naar gemeente, leeftijd en
opleidingsniveau. Hierbij is de totale weegfactor per respondent een vermenigvuldiging van deze drie variabelen, waarbij we aftoppen op 5. Een respondent krijgt daarmee nooit een hogere weegfactor dan 5.
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
36
Helmond
1,8932659592
Laarbeek
0,9142138990
Nuenen
0,7649635990
Oirschot
0,5258808608
Reusel-De Mierden
3,5924794808
Someren
0,7447752971
Son en Breugel
3,7967620236
Valkenswaard
1,0852553575
Veldhoven
0,9770165457
Waalre
1,2753777063
Tabel 30. Respons naar leeftijd (vraag 3) Abs
%
16 tot en met 30 jaar
200
12
31 tot en met 40 jaar
248
14
41 tot en met 50 jaar
241
14
51 tot en met 60 jaar
342
20
61 tot en met 70 jaar
432
25
71 jaar en ouder
248
14
Tabel 31. Weegfactoren naar leeftijd Weegfactor 16 tot en met 30 jaar
1,9367858407
31 tot en met 40 jaar
1,0161500904
41 tot en met 50 jaar
1,0843558408
51 tot en met 60 jaar
0,8730817618
61 tot en met 70 jaar
0,5630721189
71 jaar en ouder
1,0825271528
Tabel 32. Respons naar hoogst afgeronde opleiding (vraag 4) Abs
%
Lagere school / basisonderwijs / geen onderwijs
18
1
Vmbo / mavo
110
6
Havo / vwo
151
9
Middelbaar beroepsonderwijs (mbo)
376
22
Hoger beroepsonderwijs (hbo)
701
41
Wetenschappelijk onderwijs (universiteit)
334
20
Wil ik niet zeggen / weet ik niet
21
1
Tabel 33. Weegfactoren naar opleidingsniveau Weegfactor Laag
3,6586972892
Middelbaar
1,2639661383
Hoog
0,5367889779
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
37
Tabel 34. Respons naar woningtype (vraag 1) Abs
%
Koopwoning
1.451
85
Huurwoning van een woningcorporatie
168
10
Huurwoning via particulier
67
4
Anders
25
1
Abs
%
Landelijk gebied / in het buitengebied (buiten de bebouwde kom)
193
11
Aan de rand van de bebouwde kom met vrij uitzicht (op weilanden, natuur, etc.)
218
13
Aan de rand van de bebouwde kom zonder vrij uitzicht
428
25
Midden in de bebouwde kom
851
50
Anders
21
1
Tabel 35. Respons naar woonplek (vraag 2)
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
38
. Significantie naar leeftijdsen opleidingsgroepen In deze bijlage zijn de significante verschillen tussen leeftijds- en opleidingsgroepen van de vragen 5a, 5b, 6, 14, 22, 23 en 25 te vinden. Daar waar zich significante verschillen van een groep respondenten ten opzichte van het gemiddelde voordoen, is dit aangegeven met een *. Vraag 5a - Als je kijkt naar wat je nu weet over de energietransitie, hoe sta je dan in het algemeen tegenover de energietransitie? Eén antwoord mogelijk. Tabel 36. Vraag 5a – uitgesplitst naar leeftijdsgroepen (N = 1.711/ %). 16-30
31-40
41-50
51-60
61-70
Gemiddeld RES ZOB
71+
Zeer negatief
3
3
10*
6
5
5
5
Negatief
10
10
6
8
10
19*
10
Neutraal
36*
31
28
26
31
30
31
Positief
34
37
33
34
28
22
33
Zeer positief
17
19
23
25
27*
23
21
Tabel 37. Vraag 5a – uitgesplitst naar opleidingsgroepen (N = 1.711 / %). Laag
Midden
Hoog
Gemiddeld RES ZOB
Zeer negatief
4
5
4
5
Negatief
8
12*
7
10
Neutraal
45*
33
22
31
Positief
26
35*
33
33
Zeer positief
16
15
33*
21
Verschillen naar leeftijds- en opleidingsgroepen
Respondenten tussen de 16 en 30 jaar oud staan over het algemeen vaker neutraal tegenover de energietransitie dan gemiddeld (36% t.o.v. 31% gemiddeld). Respondenten tussen de 41 en 50 jaar staan vaker dan gemiddeld zeer negatief staan tegenover de energietransitie (10% tegenover 5% gemiddeld). Respondenten tussen de 61 en 70 jaar oud staan vaker dan gemiddeld zeer positief hier tegenover (27% t.o.v. 21% gemiddeld), respondenten van 71 jaar en ouder zijn vaker dan gemiddeld negatief hierover (19% t.o.v. 10% gemiddeld). Respondenten met een laag opleidingsniveau staan vaker neutraal ten aanzien van de energietransitie dan respondenten met een middelbaar of hoog opleidingsniveau (45% tegenover 33% bij middelbaar opgeleiden en 22% bij hoogopgeleiden). Respondenten met een middelbaar opleidingsniveau geven vaker dan zowel negatief (12% t.o.v. 10% gemiddeld) als positief (35% t.o.v. 33% gemiddeld) tegenover de energietransitie te staan. Respondenten met een hoog opleidingsniveau geven staan vaker dan gemiddeld zeer positief tegenover de energietransitie (33% t.o.v. 16% bij laag- en 15% bij middelbaar opgeleiden).
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
39
Vraag 5b - Als je kijkt naar wat je nu weet over duurzame energie, hoe sta je dan in het algemeen tegenover het stimuleren van duurzame energie in Zuidoost Brabant? Tabel 38. Vraag 5b – uitgesplitst naar leeftijdsgroepen (N = 1.711 / %). 16-30
31-40
41-50
51-60
Zeer negatief
1
3
11*
6
Negatief
4
9
8
12*
Neutraal
29
25
31
25
Positief
39*
36
27
30
Zeer positief
27
27
24
27
71+
Gemiddeld RES ZOB
6
7
5
10
21*
9
25
28
27
29
21
33
30
24
27
61-70
Tabel 39. Vraag 5b – uitgesplitst naar opleidingsgroepen (N = 1.711 / %). Hoog
Gemiddeld RES ZOB
4
5
5
7
10
9
29
32*
19
27
35
35
30
33
22
22
36*
27
Laag
Midden
Zeer negatief
4
Negatief
10
Neutraal Positief Zeer positief
Verschillen naar leeftijds- en opleidingsgroepen
Respondenten tussen de 16 en 30 jaar staan vaker dan gemiddeld positief tegenover duurzame energie (39% t.o.v. 33% gemiddeld). Respondenten tussen de 41 en 50 jaar geven vaker dan gemiddeld aan zeer negatief tegenover duurzame energie te staan (11% t.o.v. 5% gemiddeld). Respondenten tussen de 51 en 60 jaar, en van 71 jaar en ouder staan vaker dan gemiddeld negatief tegenover duurzame energie (respectievelijk 12% en 21% tegenover 9% gemiddeld). Middelbaar opgeleiden staan vaker dan laag- en hoogopgeleiden neutraal tegenover duurzame energie (32% ten opzichte van 29% bij laagopgeleiden en 19% bij hoogopgeleiden). Hoogopgeleiden staan, evenals bij de houding tegenover de energietransitie, vaker zeer positief als het gaat om duurzame energie (36% t.o.v. 27% gemiddeld). Vraag 6 - Heb je [voordat je met deze vragenlijst startte] wel eens iets gehoord over de Regionale Energie Strategie (RES)? Eén antwoord mogelijk. Tabel 40. Vraag 6 - uitgesplitst naar leeftijdsgroepen (N = 1.711/ %) 16-30
31-40
41-50
51-60
61-70
71+
Gemiddeld RES ZOB
Ja, ik ben op de hoogte van het proces en de inhoud
10
13
21
28*
25*
33*
18
Ja, ik heb wel eens van een RES gehoord, maar geen idee van het proces of de inhoud
20
29
34
31
39*
34
28
Nee, ik was hiervan niet op de hoogte
70*
58
46
41
37
33
54
Het PON & Telos | Internetconsultatie Brabantse energie-regio’s
40
Tabel 41. Vraag 6 - uitgesplitst naar opleidingsgroepen (N = 1.711/ %) Laag
Midden
Hoog
Gemiddeld RES ZOB
Ja, ik ben op de hoogte van het proces en de inhoud
14
11
30*
18
Ja, ik heb wel eens van een RES gehoord, maar geen idee van het proces of de inhoud
27
25
32*
28
Nee, ik was hiervan niet op de hoogte
59*
63*
38
54
Verschillen naar leeftijds- en opleidingsgroepen
Respondenten met de leeftijd tussen de 16 en 30 jaar geven vaker dan gemiddeld aan nog nooit gehoord te hebben van de Regionale Energiestrategie (70% tegenover 54% gemiddeld). De leeftijdsgroepen vanaf 51 jaar en ouder geven vaker dan gemiddeld aan op de hoogte te zijn van het proces en de inhoud van de RES. Respondenten met een laag of middelbaar opleidingsniveau geven relatief vaak aan nog niet van de RES op de hoogte te zijn (respectievelijk 59% en 64% t.o.v. 38% bij respondenten met een hoog opleidingsniveau). Dit terwijl respondenten met een hoog opleidingsniveau vaker dan gemiddeld aangeven weleens van de RES te hebben gehoord (32% t.o.v. 27% bij laag- en 25% bij middelbaar opgeleiden) of bekend te zijn met het proces en de inhoud van de RES (30% t.o.v. 14% bij laagopgeleiden en 11% bij middelbaar opgeleiden). Vraag 14 - Het is de bedoeling dat in 2030 op de helft van alle daken van huizen zonnepanelen liggen. Liggen er dan ook zonnepanelen op jouw dak? Eén antwoord mogelijk. Tabel 42. Vraag 14 – uitgesplitst naar leeftijdsgroepen (N = 1.684 / %) 16-30