Rapport 'Een Toekomstbestendig Weverijmuseum - scenarioanalyse en business case'.pdf
Tekst van het document
Ruimte voor groepen. Het ontbreekt het museum op dit moment nog aan voldoende ruimte om – voor langere tijd en tijdens reguliere openingstijden – grotere groepen bezoekers te ontvangen (bijvoorbeeld scholen). Op de begane grond biedt hal 1 ruimte, maar deze ruimte is moeilijker in te zetten tijdens reguliere openingstijden. Op de eerste verdieping is een ruimte die hiervoor geschikt te maken is, maar dan zijn enkele fysieke aanpassingen nodig, zoals het verhogen van de balken. Ook zijn aanpassingen nodig die de ruimte klimatologisch geschikter maken. Dat is ook nodig voor de kantoorfuncties die op deze verdieping gehuisvest zijn. Ruimte voor wisseltentoonstellingen. In de afgelopen jaren gebruikte het museum zes weken tijdens de zomervakantie een ruimte van De Wiele Creatief voor een wisseltentoonstelling. In de ontwikkeling van een wisseltentoonstelling gaat veel tijd zitten, een doorlooptijd van zes weken is te kort om alle potentiële bezoekers de kans te geven de tentoonstelling te bezoeken. Absoluut noodzakelijk is het daarom dat er ruimte wordt gecreëerd voor de wisseltentoonstellingen. Dit kan mogelijk door inbreiding. Het museum heeft weinig vrije ruimte in hal 2 en hal 3, maar zou ook kunnen kijken naar de eerder genoemde ruimte op de eerste verdieping of de kantineruimte.
Het huren van een flexibel inzetbare ruimte in de Weeffabriek is een alternatief, maar is minder gunstig financieel en organisatorisch. Financieel Het taakstellend budget voor eenmalige aanpassingen en ontwikkelingen (inhoudelijk en ruimtelijk-fysiek) van het museum is geraamd op ongeveer € 35.000,- tot € 50.000,-. Meer informatie hierover is te vinden in Bijlage 3. 33
SCENARIO B: MUSEALE SCHAKEL TEXTIELINDUSTRIE IN BRAINPORTREGIO Inhoudelijke ambitie: De Brainportregio staat bekend om haar maakindustrie. In dit scenario profileert het Weverijmuseum zich als de museale schakel die de textielindustrie in de Brainportregio representeert. Het museum richt zich niet alleen op het verleden, maar maakt ook nadrukkelijk verbindingen met het heden en de toekomst. Dit vertaalt zich in de volgende inhoudelijke stappen: • Het Weverijmuseum blijft het weefproces zichtbaar en beleefbaar maken. Er is in het museum niet alleen aandacht voor textieltoepassingen en machines, maar ook steeds meer voor de cultuurhistorie uit de 19e en 20e eeuw. Het museum laat het leven in de Brainportregio zien, maar wel altijd vanuit de blik van het textiel. Potentiële onderwerpen zijn Van Gogh, het boerenleven en de Strabrechtse Heide. Het museum besteedt ook aandacht aan de verschillende culturen die in de Brainportregio aanwezig zijn, als schakeling naar het heden. • Het museum werkt aan een betere inbedding in de regionale maakindustrie. Er is meer aandacht voor nieuwe, duurzame materialen in de productie, het eerlijke verhaal over textiel wordt verteld en met de (hightech-)industrie worden verbindingen gelegd. Het museum sluit hiermee aan op de New Dutch-themalijn van Eindhoven365 en het NBTC, met de nieuwe weefmachine als exponent.
• Het museum maakt verbinding lokaal en regionaal door aandacht voor huisnijverheid (in de vorm van markten, cursussen en workshops), SCENARIO’S TOEKOMSTBESTENDIG WEVERIJMUSEUM
leertrajecten voor studenten en experimenteerruimte voor jonge, regionale ontwerpers. Het museum wordt echter géén designmuseum. • Basisscholen en middelbare scholen uit de regio weten de weg naar het museum beter te vinden. • Jaarlijks organiseert het museum minstens twee wisseltentoonstellingen waarin verleden, heden en toekomst een plekje krijgen.
Aansluiting op potentiële doelgroepen: De inhoudelijke ambities sluiten aan op de huidige (niche-)bezoeker, die voor het erfgoed en speciale wisseltentoonstellingen naar het museum komt. Door meer – en langer durende – wisseltentoonstellingen te bieden trekt het museum meer van deze bezoekers. De bredere thematische insteek van het museum maakt het museum aantrekkelijker voor museaal publiek in de Brainportregio. Bezoekers die eerder niet zouden overwegen naar het Weverijmuseum te gaan, komen dus in aanraking met het museum. Ook meer verblijfsgasten weten de weg naar het museum te vinden. Scholen worden belangrijker voor het museum. Daarnaast sluit het museum beter aan op bedrijven en regionale ontwerpers.
Ambitieniveau: Bovengemiddeld. Het museum ontwikkelt in dit scenario aanmerkelijk meer activiteiten dan in de huidige situatie en werkt bovendien actief aan haar positionering in de Brainportregio. Dit geeft het bovengemiddeld ambitieniveau, dat ook tijd zal kosten om tot volle wasdom te laten komen. 34
Maatschappelijke meerwaarde: Scenario B heeft op de volgende wijze effect op de vijf museale waarden. Collectiewaarde Meer aandacht voor de cultuurhistorie van de Brainportregio zorgt ervoor dat in de collectie andere accenten gaan ontstaan. De rijkere diversiteit aan onderwerpen noopt tot het maken van kritische keuzes en zorgt voor een hogere collectiewaarde. Als belangrijke museale schakel van de textielindustrie gaat het museum ook aan de slag met nieuwe, duurzame materialen, wat tot de ontwikkeling van stukken leidt die mogelijk een aanvulling op de huidige collectie vormen.
programma’s voor middelbare scholen, die nu nog niet bestaan. Het versterkt bovendien de samenwerking met bestaande partners als het Summa College en het SintLucas, en bestaande programma’s voor basisscholen worden aangescherpt. Hierdoor weten meer scholieren hun weg naar het museum te vinden. Daar leren zij ook over het gebruik van nieuwe, duurzame materialen. Belevingswaarde In de vaste tentoonstelling en wisseltentoonstellingen zijn bezoekers in staat een divers palet aan onderwerpen te beleven, allen vanuit de bril van de textielindustrie. Door het hogere aantal wisseltentoonstellingen neemt automatisch de belevingswaarde toe.
Verbindende waarde Het museum maakt in dit scenario meer verbinding met de regionale maakindustrie en met jonge, regionaal gewortelde ontwerpers. Met haar tentoonstellingen draagt het museum niet alleen bij aan begrip bij scholieren over de textielindustrie, maar ook over het leven in de 19e en 20e eeuw in de Brainportregio. Het museum zoekt actief verbinding met de regio
Economische waarde Economische waarde ontstaat door een hoger aantal bezoeken. Dit vertaalt zich in het geval van het Weverijmuseum ook in hogere bestedingen in de museumwinkel en horeca. Vaak gaan museumbezoeken gepaard met aanvullende bestedingen buiten het museum. Hiervoor is meer aandacht in hoofdstuk 5.
Educatieve waarde Het museum gaat in dit scenario scholieren meer kansen geven om zich te ontwikkelen, bijvoorbeeld in de vormgeving van nieuwe tentoonstellingen en in leertrajecten.
Collectiewaarde
Het museum gaat bovendien aan de slag met eigen educatie-
Maatschappelijke meerwaarde
Verbindende waarde
+ tot ++
Educatieve waarde
+ tot ++
Belevingswaarde
+/- tot +
Economische waarde SCENARIO’S TOEKOMSTBESTENDIG WEVERIJMUSEUM
+
+
Randvoorwaarden: Organisatorisch De inhoudelijke ambities gaan samen met een professionalisering van de organisatie. In dit scenario gaan we uit van een bestuur-directie-model, waarbij het bestuur (bestaande uit vrijwilligers) op hoofdlijnen bestuurt en de directie de uitvoerende functie uitoefent namens het bestuur. De taken en verantwoordelijkheden van de directie zijn vastgelegd in het directie-reglement. We gaan in dit scenario uit van de aanstelling van: Directeur (0,8 FTE) Curator/Conservator (0,4 FTE) Educator (0,2 FTE) Marketeer (0,3 FTE) Fysiek-ruimtelijk Vaste tentoonstelling op orde. De basis – de vaste tentoonstelling inclusief de ontvangst van het publiek – moet op orde zijn. Bezoekers van het museum ervaren nu nog problemen bij het beluisteren van het audiovisuele materiaal in de museale experience (in hal 2) als tegelijkertijd een demonstratie wordt gegeven op de weefgetouwen (in hal 3). Hiervoor zijn aanpassingen in de museale experience nodig. De aanpassingen worden daar waar nodig en mogelijk gecombineerd met een lichte accentverschuiving, met iets meer aandacht voor regionale cultuurhistorie. Ontvangstruimte op orde. Het museum ervaart beperkingen met de huidige entree en de inrichting van hal 1, die als entree, museumwinkel en horeca fungeert. Binnen de mogelijkheden worden deze
beperkingen aangepakt. Ruimte voor groepen. Het ontbreekt het museum op dit moment nog aan voldoende ruimte om – voor langere tijd en tijdens reguliere openingstijden – grotere groepen bezoekers te ontvangen (bijvoorbeeld scholen). Op de begane grond biedt hal 1 ruimte, maar deze ruimte is moeilijker in te zetten tijdens reguliere openingstijden. Op de eerste verdieping is een ruimte die hiervoor geschikt te maken is, maar dan zijn enkele fysieke aanpassingen nodig, zoals het verhogen van de balken. Ook zijn aanpassingen nodig die de ruimte klimatologisch geschikter maken. Dat is ook nodig voor de andere functies die op deze verdieping gehuisvest zijn. Ruimte voor wisseltentoonstellingen. In de afgelopen jaren gebruikte het museum zes weken tijdens de zomervakantie een ruimte van De Wiele Creatief voor een wisseltentoonstelling. In de ontwikkeling van een wisseltentoonstelling gaat veel tijd zitten, een doorlooptijd van zes weken is te kort om alle potentiële bezoekers de kans te geven de tentoonstelling te bezoeken. Absoluut noodzakelijk is het daarom dat er ruimte wordt gecreëerd voor de wisseltentoonstellingen. Dit kan mogelijk door inbreiding. Het museum heeft weinig vrije ruimte in hal 2 en hal 3, maar zou ook kunnen kijken naar de eerder genoemde ruimte op de eerste verdieping of de kantineruimte.
Het huren van een flexibel inzetbare ruimte in de Weeffabriek is een alternatief, maar is minder gunstig financieel en organisatorisch. Financieel Het taakstellend budget voor eenmalige aanpassingen en ontwikkelingen (inhoudelijk en ruimtelijk-fysiek) van het museum is geraamd op € 35.000,- tot € 50.000,-. Meer informatie hierover is te vinden in Bijlage 3.
STIP OP DE HORIZON: NATIONAAL WEVERIJMUSEUM Inhoudelijke ambitie: Als stip op de horizon is het laatste scenario opgenomen. Het Weverijmuseum draagt hierin haar eigenlijke positie in het Nederlandse museale landschap uit: het museum met de grootste collectie historische weefgetouwen met als USP werkend museum. Het Weverijmuseum wordt het Nationaal Weverijmuseum. Dit vertaalt zich in de volgende inhoudelijke stappen: • Het museum blijft in de basis draaien om de beleving van het erfgoed en de techniek. Maar het museum breidt haar basis wel uit. De vaste tentoonstelling wordt herzien en aantrekkelijker gemaakt voor een brede doelgroep (met name voor gezinnen met kinderen), door een hogere mate van interactiviteit, meer fun en allerlei doe-plekken (bijv. design studio). • Het museum programmeert ook drie tot vier wisseltentoonstellingen per jaar. Daarbij verdeelt het haar aandacht tussen textieltoepassingen en cultuurhistorie, en besteedt het aandacht aan onderwerpen uit Nederland en buitenland. Daarmee maakt het museum ook verbinding met expats en arbeidsmigranten in de regio. Eén tot twee van de wisseltentoonstellingen zijn opgezet in samenwerking met jonge, regionaal gewortelde ontwerpers en/of met scholen.
• Het museum neemt een aanjagende/leidende rol in het Weefnetwerk, en profileert zich nog sterker als de hoeder van het ambacht • De verbinding met het heden en de toekomst volgt uit de aandacht voor nieuwe, duurzame materialen in de productie. Het museum sluit hiermee aan op de New Dutch-themalijn van Eindhoven365 en het NBTC, met de nieuwe weefmachine als exponent. SCENARIO’S TOEKOMSTBESTENDIG WEVERIJMUSEUM
• Het museum benut de trend van huisnijverheid, incl. stoffenmarkten en een toename van diversiteit aan producten in museumwinkel (ook in samenwerking met regionale bedrijvigheid).
Aansluiting op potentiële doelgroepen: De inhoudelijke ambities sluiten aan op de huidige (niche-)bezoeker, die voor het erfgoed en speciale wisseltentoonstellingen naar het museum komt. Door meer – en langer durende – wisseltentoonstellingen te bieden trekt het museum meer van deze bezoekers. De bredere thematische en meer interactieve insteek van het museum maakt het museum aantrekkelijker voor nieuwe doelgroepen. Gezinnen met kinderen, zowel uit de regio als verblijfsgasten, weten de weg naar het museum gemakkelijker te vinden. Met de wisseltentoonstellingen speelt het museum in op het museaal publiek in de Brainportregio. Bezoekers die eerder niet zouden overwegen naar het Weverijmuseum te gaan, komen dus in aanraking met het museum. Scholen worden belangrijker voor het museum. Daarnaast sluit het museum beter aan op bedrijven en regionale ontwerpers.
Ambitieniveau: Bovengemiddeld. Dit scenario is het meest ambitieus. Niet alleen omdat het museum in dit geval groter wordt en allerlei activiteiten toevoegt aan haar programmering, maar ook omdat op een geheel nieuwe doelgroep wordt ingezet en een veel groter bereik.
37
Maatschappelijke meerwaarde: Het scenario dat als stip op de horizon fungeert, heeft op de volgende wijze effect op de vijf museale waarden. Collectiewaarde Met haar collectie richt het museum zich al niet alleen op regionale stukken, de reikwijdte is al breder. In dit scenario zal wel meer aandacht zijn voor de cultuurhistorie van de 19e en 20e eeuw, waardoor in de collectie andere accenten gaan ontstaan. Ook gaat het museum aan de slag met nieuwe, duurzame materialen, wat tot de ontwikkeling van stukken leidt die mogelijk een aanvulling op de huidige collectie vormen. Verbindende waarde Het museum neemt in dit scenario een aanjagende rol in. Het museum zorgt op nationaal niveau voor meer verbinding. Ook maakt het museum in dit scenario meer verbinding met de regionale maakindustrie en met jonge, regionaal gewortelde ontwerpers. Met de tentoonstellingen draagt het museum sterker bij aan begrip bij scholieren over de textielindustrie, maar ook bij het leven in de 19e en 20e eeuw. Educatieve waarde Het museum biedt scholieren meer kansen om zich te ontwikkelen, bijvoorbeeld in het meehelpen aan de vormgeving van nieuwe tentoonstellingen en in leertrajecten. Het museum gaat bovendien aan de slag met eigen educatieprogramma’s voor middelbare scholen, die nu nog niet bestaan. Het versterkt bovendien de samenwerking met
bestaande partners, en bestaande programma’s voor basisscholen worden aangescherpt. Hierdoor weten meer scholieren hun weg naar het museum te vinden. Daar leren zij ook over het gebruik van nieuwe, duurzame materialen. Belevingswaarde In de vaste tentoonstelling neemt de belevingswaarde toe, door meer interactiviteit, meer fun en allerlei doe-plekken. Op die manier kan de bezoeker ook spelenderwijs het verhaal van het Weverijmuseum beleven. Het hogere aantal wisseltentoonstellingen draagt ook bij aan de toename van de belevingswaarde.
Economische waarde Economische waarde ontstaat door een hoger aantal bezoeken, in dit scenario is de toename het hoogst. Dit vertaalt zich in het geval van het Weverijmuseum ook in hogere bestedingen in de museumwinkel en horeca. Vaak gaan museumbezoeken gepaard met aanvullende bestedingen buiten het museum. Hiervoor is meer aandacht in hoofdstuk 5. Maatschappelijke meerwaarde Collectiewaarde Verbindende waarde
+ tot ++
Educatieve waarde
+ tot ++
Belevingswaarde
+ tot ++
Economische waarde SCENARIO’S TOEKOMSTBESTENDIG WEVERIJMUSEUM
+
++ 38
Randvoorwaarden: Organisatorisch De inhoudelijke ambities gaan samen met een professionalisering van de organisatie. In dit scenario gaan we uit van een bestuur-directie-model, waarbij het bestuur (bestaande uit vrijwilligers) op hoofdlijnen bestuurt en de directie de uitvoerende functie uitoefent namens het bestuur. De taken en verantwoordelijkheden van de directie zijn vastgelegd in het directie-reglement. We gaan in dit scenario uit van de aanstelling van: Directeur (0,8 FTE) Curator/Conservator (0,6 FTE) Educator (0,4 FTE) Marketeer (0,6 FTE) Administratief medewerker (0,6 FTE) Fysiek-ruimtelijk Vaste tentoonstelling deels vernieuwd. De basis – de vaste tentoonstelling inclusief de ontvangst van het publiek – wordt deels vernieuwd. Er is meer aandacht voor interactiviteit, fun en doe-plekken. Dat is niet alleen in de huidige hal 1 en 2, maar ook in hal 3 waar iets meer balans komt tussen demonstraties en andere vormen van beleving met de machines. Er is ook aandacht voor de afstemming tussen hal 2 en hal 3 in verband met geluidsoverlast. Structureel meer ruimte nodig. Het museum heeft met alle plannen in SCENARIO’S TOEKOMSTBESTENDIG WEVERIJMUSEUM
dit scenario structureel meer ruimte nodig. Sowieso omdat het museum in dit scenario veel meer wisseltentoonstellingen programmeert, maar ook omdat de nieuwe accenten in de vaste tentoonstelling wellicht om iets meer ruimte vragen. De uitbreiding van het museum sluit aan op de huidige ruimte van het museum en integreert zo goed als mogelijk het Sagebien-waterrad. Ook andere huidige beperkingen aan de entree en inrichting van hal 1 worden aangepakt. Ruimte voor groepen. Het ontbreekt het museum op dit moment nog aan een fatsoenlijke ruimte om – voor langere tijd – grotere groepen bezoekers te ontvangen (bijvoorbeeld scholen). Dat kan nu nog in hal 1, maar dat is bij een toenemend aantal bezoekers geen structurele oplossing, ook niet bij goed inplannen qua openingstijden. Op de eerste verdieping is een ruimte die hiervoor geschikt te maken is, maar er zijn enkele fysieke aanpassingen nodig, zoals het verhogen van de balken. Ook zijn aanpassingen nodig die de ruimte klimatologisch geschikter maken. Dat is ook nodig voor de andere functies die op deze verdieping gehuisvest zijn. Financieel Om meerdere redenen is dit scenario nadrukkelijk als een stip op de horizon geformuleerd. Het is nog precies te maken op welke wijze dit scenario ruimtelijke ingrepen vraagt. Daarom is ook geen inzicht te geven in het benodigde budget voor eenmalige aanpassingen en ontwikkelingen.
39
5
Raming bezoeken en exploitatie
40
5.1. RAMING BEZOEKEN Uitgangspunten bezoekraming In hoofdstuk 4 zijn drie scenario’s uitgewerkt. Voor alle varianten is een bezoekraming gemaakt die geldt voor een gemiddeld exploitatiejaar. Er moet rekening gehouden worden met een bandbreedte van 10-20% naar boven en naar beneden vanwege succesvolle of minder succesvolle uitwerking van de scenario’s. We gaan bij de ramingen uit van een marktconforme entreeprijs en van het voeren van de Museumkaart, zoals het Weverijmuseum al vanaf begin 2023 doet. In hoofdstuk 4 is ook de ontwikkeling van de organisatie per scenario uitgewerkt. Deze uitgangspunten gelden ook bij de raming van het aantal bezoeken.
Wat leren we van de andere textielmusea in Nederland? In hoofdstuk 3 zijn in het kader van de contextanalyse al diverse textielmusea besproken. Met name het TextielMuseum in Tilburg is een grote trekker die erin slaagt met speciale wisseltentoonstellingen bezoekers van verder weg naar de stad te trekken. Dat doet het met tentoonstellingen en samenwerkingsverbanden met ontwerpers die tot de (inter-)nationale top behoren. De ligging vlakbij kunstmuseum De Pont is een voordeel in verband met de mogelijkheden voor combinatiebezoeken.
condities, enkele tienduizenden bezoekers per jaar mogelijk zijn. Bij de eerste twee musea ligt het accent sterk op gezinnen met kinderen en is de bezoekervaring sterk interactief, bij het laatste museum ligt de nadruk wat meer op het erfgoed en tentoonstellingen over textiel en/of de industriële samenleving. Zeker de Museumfabriek en het LWL-Museum TextilWerk beschikken over (veel) meer vierkante meters dan het Weverijmuseum (ca. 1.500-1.600 m2). In de eerste twee scenario’s is de uitbreidingsruimte bovendien beperkt, en zijn we uitgegaan van inbreiding. De ligging van het Weverijmuseum, in de dichtbevolkte Brainportregio, is weliswaar gunstiger dan bijvoorbeeld de ligging van het LWL-Museum TextilWerk in Bocholt, maar de ruimte biedt minder mogelijkheden om met een palet aan activiteiten en tentoonstellingen op een groot aantal doelgroepen in te zetten. In het derde scenario, met de stap naar het Nederlands of Nationaal Weverijmuseum, zijn die mogelijkheden er wel bij voldoende uitbreidingsruimte en financiële mogelijkheden. De kleinere textielmusea, die net als het Weverijmuseum vaak de nadruk leggen op het tonen en demonstreren van erfgoed en/of de historie van de textielindustrie, trekken minder bezoekers. De omvang en kracht van de organisatie is mede bepalend voor de openstelling en het aantal bezoeken.
Er was ook aandacht voor diverse middelgrote trekkers, zoals de Museumfabriek in Enschede, het Industriemuseum in Gent en het LWLMuseum TextilWerk in Bocholt. Deze musea laten zien dat, onder de juiste RAMING BEZOEKEN EN EXPLOITATIE
41
Wat leren we van de musea in de regio? Zowel Eindhoven als de gemeenten niet ver van Eindhoven bieden inwoners, verblijfsgasten en dagbezoekers van verder weg diverse mogelijkheden voor een museumbezoek. Op de volgende pagina zijn kerngegevens van enkele musea in de Brainportregio opgenomen: Het Nederlands Steendrukmuseum te Valkenswaard trekt van de musea in de benchmark voorlopig de minste bezoekers. Het aantal bezoekers in de tabel heeft betrekking op het jaar 2020, en geeft dus aan dat er meer mogelijk is in niet-coronajaren(1). Sinds enkele jaren zet het museum actiever in op wisseltentoonstellingen waarin kunst en lithografie worden verbonden. Deze strategie zet het museum door en moet in de toekomst dus tot meer bezoekers gaan leiden(2). Museum de Wieger is een kunstmuseum en cultureel centrum dat jaarlijks meer dan 10.000 bezoeken trekt(3). Net als het huidige Weverijmuseum bedient het museum een specifiek publiek. Het museum heeft in de afgelopen jaren een stap in het aantal bezoeken kunnen maken met de aanstelling van een betaalde directeur. Het Kempenmuseum de Acht Zaligheden (Eersel) en het Boerenbondsmuseum (Gemert) combineren binnen- en buitenactiviteiten. Zeker het Boerenbondsmuseum kan terugvallen op een zeer uitgebreide schil aan vrijwilligers. Het aantal betaalde krachten is, in relatie tot het aantal bezoeken, beperkt(4).
Het Kempenmuseum kent een minder omvangrijke organisatie en een lager bezoekaantal(5). Het aantal bezoeken is wel hoger dan in het Weverijmuseum. Vermoedelijk heeft dat te maken met het toerisme in de regio. In de Kempen vinden jaarlijks circa 2,6 miljoen overnachtingen plaats(6). RAMING BEZOEKEN EN EXPLOITATIE
Museum Klok en Peel en het DAF Museum trekken van de gebenchmarkte musea de meeste bezoekers. Het DAF Museum heeft haar verbinding met het merk DAF als groot voordeel, Museum Klok & Peel beschikt over een zeer uitgebreide collectie en behoort zeker op het gebied van klokken en beiaards tot de internationale top(7). Dit zijn niet de enige musea in de Brainportregio. Er zijn musea die nóg meer bezoekers trekken (bijv. het Van Abbemuseum, Philips Museum), maar ook diverse musea die minder bezoeken trekken. Alle musea in de benchmark laten wel zien dat met een beperkte schil aan betaalde krachten, aangevuld met een groot aantal vrijwilligers (150-250), in deze regio al een behoorlijk aantal bezoeken te trekken is. Dat heeft wat betreft deze musea ook met de uniciteit, de aantrekkelijkheid van het onderwerp voor brede doelgroepen en/of koppeling aan een merk te maken. De grote hoeveelheid inwoners in de regio is hierbij een voordeel. Uit de benchmark van textielmusea bleek eerder dat de musea er niet allemaal in slagen om een groot aantal bezoeken te trekken, zelfs met betaalde krachten in dienst. De factoren die hieraan ten grondslag liggen, zijn divers: een niet zo omvangrijke thuismarkt, weinig toerisme, weinig oppervlak en/of andere musea in de omgeving die een vergelijkbaar thema centraal stellen.
42
Museum
Aantal bezoeken
Gepubliceerde entreeprijs
Museumkaart geldig
Aantal FTE betaald/ vrijwilligers
Thematiek en aantal wisseltentoonstellingen
Nederlands Steendrukmuseum
9.000
€ 8,-
Ja
Ca. 2 FTE / 55
Steendrukkunst, lithografie, tentoonstellingen gericht op kunst, mogelijkheden voor makers, drukdemonstraties en workshops, 1-2 wisseltentoonstellingen
Museum De Wieger
12.000
€ 9,-
Ja
Ca. 1 FTE / 60
Hendrik Wiegersma, tuinpad van mijn vader, kunst 20e eeuw, culturele voorstellingen, 2-4 wisseltentoonstellingen
Kempenmuseum De Acht Zaligheden
15.878
€ 7,50
Ja
1 FTE / 92
Streekmuseum, Kempische leven tot 1950, oudhollandse spelen, bloemen- en kruidentuin, groepsarrangementen, 1 tot 2 wisseltentoonstellingen
Boerenbondsmuseum Gemert
45.000
€ 6,-
Nee
<1 FTE / 240
Levende have, ambachtshuisjes, handkrachtzuivelfabriek, houtzagerij, typisch Brabants dorp anno 1900
Museum Klok en Peel
45.238
€ 10,-
Ja
Ca. 3-4 FTE / 200
Grootste collectie klokken en beiaards ter wereld, daarnaast collectie natuur- en cultuurhistorie de Peel, 3-4 wisseltentoonstellingen
DAF Museum
55.000
€ 12,50
Ja
1 FTE/ 170
DAF-voertuigen, onderwijs rondom thema’s mobiliteit, duurzaamheid en (verkeers-)veiligheid, verhuringen en evenementen, 1-2 wisseltentoonstellingen
Tabel 5.1. Benchmark regionale musea De gehanteerde bronnen zijn opgenomen in de bronnenlijst.
43
Hoeveel bezoeken zijn mogelijk voor het Weverijmuseum? Het Weverijmuseum trekt haar bezoeken van inwoners uit de eigen regio, verblijfsgasten, scholen en bezoekers van verder weg. Er zijn: • Bijna 800.000 inwoners in de Brainportregio; • Circa 400.000 overnachtingen in de gemeente Geldrop-Mierlo, waarvan circa 70-80% met een toeristisch motief is; • Ongeveer 16.000 leerlingen in de leeftijd 7-14 jaar in de gemeente Geldrop-Mierlo en omliggende gemeenten (Eindhoven niet meegerekend). De basis om meer bezoek te trekken dan in de afgelopen jaren is dus aanwezig. In 2019 bezochten Nederlanders bijna 23 miljoen keer een museum(1). Dat houdt in dat de Nederlander gemiddeld 1,3-1,4 bezoeken per jaar aan musea bracht. In stedelijke gebieden is dat aantal doorgaans wat hoger. Ook net buiten de Brainportregio zijn nog enkele steden die ook veel inwoners hebben (Tilburg, ‘s-Hertogenbosch, Roermond, Weert). Dat betekent dat het potentieel aan bezoeken alleen al uit de thuismarkt (inwoners regio) groot is. Bovendien bezoekt ongeveer 15% van de verblijfsgasten een museum tijdens een vakantie(2) en zijn met unieke wisseltentoonstellingen ook bezoekers van verder weg te trekken. Passen we deze cijfers toe, dan zijn door inwoners in de eigen regio en door verblijfsgasten in de gemeente Geldrop-Mierlo al zo’n 1,1 miljoen museumbezoeken te verwachten.
De concurrentie is echter groot, ook van musea buiten de regio. Het ambitieniveau is wisselend per scenario. Dat betekent ook dat de mogelijkheden om op het bezoekpotentieel in te spelen afwijkt per scenario.
Scenario A: Hoeder van het ambacht Voor scenario A gaan we ervan uit dat het Weverijmuseum aanspraak kan maken op circa 8.000 tot 10.000 bezoeken per jaar. Hiervoor zijn de volgende redenen: De professionaliseringsslag moet ertoe leiden dat het Weverijmuseum in de komende jaren organisatorisch in staat is meer activiteiten van de grond te laten komen. Dit gaat onder meer om een uitgebreid educatieprogramma, met lessen die goed aansluiten op het curriculum van de basisschool en onderbouw van de middelbare school. Tevens werkt het museum aan netwerkvorming en treedt het op als hoeder van het ambacht. Randvoorwaarde is dat er voldoende ruimte is om groepen te ontvangen én wisseltentoonstellingen te organiseren (in het huidige museum of, bij gebrek aan opties, in een ruimte in de Weeffabriek). De toename in activiteiten en tentoonstellingen gaat gepaard met hogere (gerichte) marketinguitgaven en actieve bewerking van het lokale/regionale educatieve veld. Dit moet tot een stijging van het aantal bezoeken ten opzichte van de huidige situatie leiden. Als referentie verwijzen we onder meer naar Museum de Kantfabriek die ook vanuit een actieve rol in landelijke netwerken, met enkele wisseltentoonstellingen per jaar (op een iets groter oppervlak dan het Weverijmuseum) tot ongeveer 8.000 tot 10.000 bezoeken per jaar komt.
Dat is gezien het huidige aantal bezoekers en de inzet op educatie, behoud van het ambacht en wisseltentoonstellingen ook mogelijk voor het Weverijmuseum. Veel hoger is ondanks de professionaliseringsslag niet te verwachten door een gebrek aan structurele ruimte voor meerdere wisseltentoonstellingen per jaar. Bovendien woont een deel van de inwoners in de regio niet ver van Museum de Kantfabriek en het 44 TextielMuseum, op dat vlak is dus ook concurrentie aanwezig.
Scenario B: Museale schakel textielindustrie in Brainportregio In scenario B profileert het Weverijmuseum zich meer als dé museale schakel van de textielindustrie in de Brainportregio en wordt sterk de verbinding met het heden en de toekomst gezocht. We gaan ervan uit dat het museum in dit scenario circa 12.000 tot 14.000 bezoeken per jaar kan trekken, om de volgende redenen: Het ambitieniveau in dit scenario is bovengemiddeld, met onder meer twee wisseltentoonstellingen per jaar (in eigen ruimtes of, bij gebrek aan opties, in een flexibel inzetbare ruimte in de Weeffabriek). Er is meer aandacht voor cultuurhistorie van de 19e en 20e eeuw, maar altijd vanuit het perspectief van textiel (met potentiële onderwerpen als het boerenleven, Van Gogh, Strabrechtse Heide). In de exposities en in de verbinding met de regio wordt ook sterker de verbinding gemaakt met het heden en de toekomst (bijvoorbeeld gebruik duurzame materialen en nieuwe technieken maar ook met verschillende culturen in de Brainportregio). Al deze zaken moeten ertoe leiden dat het museum meer onder de aandacht komt bij het museale publiek in de Brainportregio. Het museum ontwikkelt samen met partners cursussen en workshops en breidt waar mogelijk het aantal (stoffen-)markten uit. Evenementen zorgen voor meer redenen tot herhaalbezoek.
Als referentie wordt onder meer verwezen naar het Nederlands Steendrukmuseum, dat in coronatijd er al in slaagde 9.000 bezoeken te trekken met een aansprekende wisseltentoonstelling, en naar de diverse musea die bezoekers weten te trekken met cultuurhistorische onderwerpen. Deze onderwerpen sluiten in potentie goed aan op de interesses van een deel van de verblijfsgasten. RAMING BEZOEKEN EN EXPLOITATIE
Stip op de horizon: Nationaal Weverijmuseum In het scenario dat als stip op de horizon fungeert profileert het museum zich op bovenregionaal niveau – in naam zelfs op nationaal niveau. We gaan ervan uit dat het museum in dit scenario circa 20.000 tot 30.000 bezoeken per jaar kan trekken, om de volgende redenen: Het museum bereikt met deze invulling meerdere doelgroepen op structurele wijze. Met de wisseltentoonstellingen bereikt het museum het reguliere museumpubliek in de Brainportregio eenvoudiger, het verhogen van het interactiviteits- en fungehalte en de toevoeging van doeplekken maakt ook het inspelen op de voorkeuren van gezinnen met kinderen (uit de eigen regio en onder verblijfsgasten) gemakkelijker. Dit zorgt ervoor dat het museum het gehele jaar onder de aandacht blijft en daarmee haar bereik kan vergroten. Het museum maakt in organisatorisch opzicht behoorlijke stappen. Met 3 FTE aan betaalde krachten naast de vele vrijwilligers ontstaat er een stabiele basis om op allerlei vlakken het museum door te ontwikkelen. Als referentie wordt onder meer verwezen naar de Museumfabriek in Enschede en het Industriemuseum in Gent. Deze musea trekken nog enkele tienduizenden bezoekers meer per jaar, maar beschikken ook over meer ruimte en zijn echt in de stad zelf.
De onzekerheid over de mogelijkheden om te groeien maakt ook dat de bandbreedte voor dit scenario ruimer geformuleerd is. Aan alle voorwaarden (wat betreft omvang thuismarkt, toerisme, scholen) wordt verder voldaan om een stap in deze richting te zetten.
45
5.2. RAMING EXPLOITATIE Uitgangspunten raming In deze paragraaf wordt voor alle scenario’s de exploitatie van het Weverijmuseum geraamd. In eerste instantie is aandacht voor een volwaardig exploitatiejaar na een aanloopperiode, dat niet als piekjaar beschouwd moet worden. Uitgegaan wordt van het vierde jaar na doorvoering van de veranderingen, ofwel 2027. Dit ene exploitatiejaar wordt uiteindelijk doorvertaald naar een meerjarenbegroting over vijf jaren, met komend jaar (2024) als eerste jaar. Omdat gebruik is gemaakt van inschattingen en ervaringscijfers dient ten allen tijde rekening gehouden te worden met een bandbreedte van circa 10% naar boven en naar beneden. Voor de raming van het scenario Stip op de horizon: Nationaal Weverijmuseum moet rekening worden gehouden met een grotere bandbreedte. Dit heeft te maken met de concretisering van de attractiewaarde van het museum. In dit stadium is deze uitwerking niet mogelijk, omdat in dat geval ook meer duidelijkheid nodig is voor de toename aan structurele ruimte voor het museum. Om deze reden worden ook alleen de potentiële baten in kaart gebracht en ramen we aan het einde van de paragraaf de benodigde subsidie. Alle bedragen zijn exclusief BTW en uitgedrukt in het prijspeil van 2023. Het effect van inflatie is niet verwerkt in deze versie van de exploitatiebegroting.
Inflatie raakt de omzet, maar ook de kosten stijgen (vaak) evenredig mee. De prijzen van 2023 vormen een goed uitgangspunt. Het geraamde aantal bezoeken uit de vorige paragraaf geldt als basis voor de financiële onderbouwing van de business case, met name aan de batenzijde. In de onderstaande tabel is een onderscheid gemaakt RAMING BEZOEKEN EN EXPLOITATIE
naar de doelgroepen educatie, recreatief regulier en recreatief groepen. Dit onderscheid is gebaseerd op de accenten in ieder scenario. In scenario A is de aandacht voor educatie bijvoorbeeld groot, en dus ook het aandeel van deze doelgroep in de totale bezoeken. In het scenario Stip op de horizon wordt voor educatie het marktconforme aandeel (10%) aangehouden en ligt de nadruk veel meer op reguliere bezoeken. Aan de lastenzijde wordt in de onderbouwing gebruik gemaakt van percentages van de omzet voor diverse lasten. Daarnaast is inzicht gegeven in de financiële gevolgen van de professionalisering van de organisatie. De meeste musea hebben subsidies nodig om de verschillen tussen de eigen inkomsten en de lasten te kunnen compenseren. Bij de raming van de subsidies houden we de principes van het Iglo-model van adviesbureau Berenschot in het achterhoofd(1). In dit model (zie ook de volgende pagina) wordt een onderscheid gemaakt tussen de financiering van de basisvoorziening van culturele instellingen (dus huisvesting, infrastructuur en beheersorganisatie), de subsidiabele culturele en maatschappelijke activiteiten en de overige culturele en commerciële activiteiten. De publieke financiering die nodig is voor een toekomstbestendige exploitatie moet in de juiste verhouding staan tot de lasten van musea. Scenario A
Scenario B
Stip op de horizon
Recreatief, regulier
5.000
8.000
19.000
Recreatief, groepen
2.000
3.000
3.500
Educatief
2.000
2.000
2.500
Totaal
9.000
13.000
25.000
Tabel 5.2. Uitgangspunten bezoeken drie scenario’s
46
Figuur 6.1. Iglo-model financiering culturele voorzieningen Bron: Berenschot (2022), Corona, cultuur en gemeenten deel 2, p.47. Onderzoek in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
RAMING BEZOEKEN EN EXPLOITATIE
47
Raming baten De baten bestaan uit de volgende posten: Entree (incl. arrangementen) Horeca Winkel en verkoop Sponsoring Donaties en giften Bijdragen uit fondsen Subsidies De omvang van de post subsidies volgt pas als het verschil tussen baten (excl. subsidies) en lasten duidelijk is. Op dat moment wordt de omvang van de post subsidies ook gerelateerd aan de lasten van het museum (op basis van het Iglo-model). Entree (incl. arrangementen) Het Weverijmuseum vraagt in 2023 een entree van € 8,50 voor bezoekers vanaf 13 jaar. Kinderen in de leeftijd 8-12 jaar mogen voor € 4,- naar binnen, jongere kinderen mogen het museum gratis bezoeken. Bezoekers in het bezit van een Museumkaart mogen ook gratis naar binnen. Scholen betalen € 3,50 per leerling, tenzij zij aangesloten zij aangesloten zijn bij Museumschatjes van Erfgoed Brabant. Het museum biedt ook drie arrangementen aan, onder meer in samenwerking met de stichting Rondje Geldrop.
ook afhankelijk van de prijsstelling van aanbieders in de regio, omdat potentiële bezoekers hun recreatiekeuzes mede op basis van de prijs van alternatieven afwegen. In bijlage 4 is een overzicht van gepubliceerde entreeprijzen opgenomen. Op basis hiervan stellen we vast: Het huidige prijsniveau van het Weverijmuseum bevindt zich in de middenmoot. De prijzen van de musea in de benchmark variëren namelijk tussen € 5,- en € 13,50. Het recent vernieuwde Van Gogh Village Museum hanteert de hoogste entreeprijs. De musea in met name Eindhoven hanteren een hoger dan gemiddeld prijsniveau, buiten Eindhoven zijn de prijzen over het algemeen wat lager. De verwachting is niet dat het Weverijmuseum heel veel meer kan vragen voor een bezoek aan het museum, zeker in scenario A. In dat scenario is het bezoekniveau redelijk goed vergelijkbaar met dat van Museum de Wieger in Deurne en het Nederlands Steendrukmuseum in Valkenswaard. Zij vragen respectievelijk € 9,- en € 8,- per bezoek. Als het aantal bezoeken verder toeneemt, ontstaan ook mogelijkheden om de entreeprijzen iets te verhogen. In het geval van het scenarioNationaal Weverijmuseum zijn hier zeker mogelijkheden toe, omdat in dit geval de gemiddelde bezoekduur naar verwachting toeneemt. Voor het Weverijmuseum gaan we daarom uit van: Een gepubliceerde entreeprijs van € 9,- in Scenario A.
Een gepubliceerde entreeprijs van € 10,- in Scenario B. Een gepubliceerde entreeprijs van € 11,50 in het scenario dat als stip op de horizon fungeert.
Bij ieder ambitieniveau hoort een aparte prijsstelling. Deze prijsstelling is 48
In de tabel rechts zijn de verwachte entreebaten per scenario uitgewerkt. In de raming is uitgegaan van: Een verwachte yield (gemiddelde gerealiseerde entreeprijs per bezoek) van 75% van de gepubliceerde entreeprijs voor reguliere recreatieve bezoekers, en 80% voor recreatieve groepen (arrangementen). De afslag van de gepubliceerde entreeprijs is in verband met gratis bezoeken door kinderen en de afdracht van BTW. Er geldt een extra afslag voor Museumkaartbezoekers. We gaan ervan uit dat dit geldt voor 60% van de reguliere recreatieve bezoekers (in alle scenario’s). Daarmee is het aandeel van de Museumkaartbezoekers in het totaal ongeveer 35% tot 45%. Dit is in lijn met het aandeel van museumbezoeken door Museumkaarthouders in Nederland. De yield per bezoek van een Museumkaartbezoeker varieert tussen 60 en 65%. Per bezoek van een scholier gaan we uit van een bedrag van € 3,50. De totale entreebaten zijn in scenario A circa € 50.000,- en in scenario B circa € 83.000,-. In het scenario-Nationaal Weverijmuseum nemen de entreebaten toe tot bijna € 185.000,-.
Aantal
Gepubliceerde entreeprijs
Yield
Entreebaten
Recreatief, regulier
2.000
€ 9,-
75%
€ 13.500,-
Recreatief, regulier Museumkaart
3.000
€ 9,-
63%
€ 17.000,-
Recreatief, groepen
2.000
€ 8,-
80%
€ 12.800,-
Educatief
2.000
€ 3,50
Totaal
9.000
Scenario A
€ 7.000,€ 50.300,-
Scenario B Recreatief, regulier
3.200
€ 10,-
75%
€ 24.000,-
Recreatief, regulier Museumkaart
4.800
€ 10,-
63%
€ 30.200,-
Recreatief, groepen
3.000
€ 9,-
80%
€ 21.600,-
Educatief
2.000
€ 3,50
Totaal
13.000
€ 7.000,€ 82.800,-
Stip op de horizon Recreatief, regulier
7.600
€ 11,50
75%
€ 65.500,-
Recreatief, regulier Museumkaart
11.400
€ 11,50
63%
€ 82.600,-
Recreatief, groepen
3.500
€ 10,-
80%
€ 28.000,-
Educatief
2.500
€ 3,50
Totaal
RAMING BEZOEKEN EN EXPLOITATIE
25.000
Tabel 5.3. Raming entreebaten Alle bedragen zijn afgerond op honderdtallen.
€ 8.800,€ 184.900,-
49
Horeca In de afgelopen jaren waren de baten uit horeca laag in verband met de coronarestricties. In het jaar 2019 realiseerde het museum circa € 3.200,aan horecainkomsten. In relatie tot ongeveer 3.100 bezoekers komt dit neer op iets meer dan € 1,- per bezoek. Dit gemiddelde komt overeen met het beeld dat op landelijk niveau bestaat(1). De horecabestedingen kunnen bij een goede lunchkaart oplopen tot wel zo’n € 3,- tot € 4,- per bezoeker, maar veel musea hebben een beperkter assortiment. Dat geldt ook voor het Weverijmuseum, waar de horeca met name is om na te praten over het bezoek, in combinatie met de aankoop van producten. Voor lunches kunnen bezoekers terecht bij de horeca van de Weeffabriek of in het centrum van Geldrop. Vanwege prijsstijgingen in de afgelopen jaren zouden we wel van een hoger gemiddelde per bezoek uitgaan, van € 1,25 in scenario A en B. Een deel van de bezoekers koopt daarmee geen consumptie, een ander deel besteedt juist meer. In het geval van het scenario-Nationaal Weverijmuseum neemt de bezoekduur aan het museum toe, waardoor ook een hoger bestedingspatroon te verwachten valt. We gaan in dat geval uit van € 1,50 per bezoek. Winkel en verkoop Volgens het CBS waren de inkomsten van musea als gevolg van verkopen in de winkel in 2019 € 56 mln.
Aangezien er bijna 34 miljoen museumbezoeken plaatsvonden in dat jaar, was het gemiddelde per bezoek circa € 1,65(2). Het Weverijmuseum realiseerde in de afgelopen jaren veel hogere opbrengsten uit de winkel, ook per bezoek. In 2019 en 2021 was de omzet uit de winkel ongeveer € 28.000,-, voor geweven goederen en smeerkussens. Het museum stelt dat ongeveer 75% van de omzet uit RAMING BEZOEK EN EXPLOITATIE
geweven goederen voortkomt uit fysieke bezoeken aan het museum, de overige omzet zijn bestellingen van andere partijen. Dat betekent dat de gemiddelde bestedingen aan geweven goederen per bezoek in 2019 uitkwamen op € 6,45 en in 2021 op € 3,56. In 2021 was het gemiddelde niveau lager door het succes van de Kimono-expositie, die ander publiek trok dan in eerdere jaren. Bovendien beschikte de winkel in die drukke periode over te weinig voorraad(3). Met deze gemiddelden presteert het Weverijmuseum aanmerkelijk beter dan een gemiddeld museum. De aanschaf van de nieuwe weefmachine leidt er bovendien toe dat de productiecapaciteit van het museum zal toenemen. Was deze met de oude machines nog ongeveer € 30.000,- per jaar, in de nieuwe situatie neemt deze toe tot (zeker) € 50.000,- per jaar. De potentiële omzet als gevolg van de nieuwe weefmachine hangt samen met productietijden en beschikbaarheid van wevers. Meer diversificatie en iets duurdere producten kunnen wel tot een hogere omzet leiden bij een gelijkblijvende capaciteit. Om deze reden gaan wij ervan uit dat de bestedingen per bezoek in de toekomst op het niveau van € 3,50 per bezoek zullen blijven (in scenario A en B), ondanks de toename van bijvoorbeeld schoolbezoek.
In scenario-Nationaal Weverijmuseum gaan we uit van € 2,00 per bezoek, omdat in dat geval tijd en beschikbare wevers nog meer een beperkende factor zullen vormen. Bovendien verandert het publiek sterk in dit geval. Het stelt het museum wellicht wel in staat om hogere prijzen te vragen. Het aantal bezoekers en bijbehorende winkelbestedingen bepaalt ook de mogelijkheden om voor andere instellingen producten te produceren. De verwachting is dat deze mogelijkheden afnemen als het aantal bezoekers 50
verder gaat toenemen. Eventueel kan een samenwerking met commerciële partners worden gezocht om hier toch invulling aan te geven. In alle drie scenario’s gaan we uit van circa € 8.000,- aan extra baten. Tenslotte is er nog de productie van smeerkussens, dat als nicheproduct wordt verkocht aan diverse instellingen. We zijn in de raming uitgegaan van het gemiddelde over drie kalenderjaren (2019-2021) en komen tot € 6.500,- in ieder scenario. De totale baten uit winkel en verkoop zijn daarmee als volgt: • Scenario A: € 46.000,• Scenario B: € 60.000,• Scenario-Nationaal Weverijmuseum: € 64.500,Sponsoring, donaties en giften Het Weverijmuseum kan (vrijwel) ieder jaar rekenen op sponsoring, donaties en giften. In de afgelopen jaren waren er wel verschillen zichtbaar. Het gemiddelde in de jaren 2019-2021 kwam uit op ongeveer € 4.700,- per jaar. De mogelijkheden in de toekomst hangen sterk samen met de mate van inzet die het museum levert. Met de professionalisering van de organisatie is te verwachten dat de baten zullen toenemen. Zeker in scenario B is er veel aandacht voor netwerkvorming in de Brainportregio. Om die reden gaan we in dat scenario uit van een totaalbedrag van € 8.000,- per jaar, in scenario A gaan we uit van € 5.000,- per jaar. In scenario-Nationaal Weverijmuseum handhaven we de verwachting van € 8.000,- per jaar.
RAMING BEZOEKEN EN EXPLOITATIE
Experimenteren met verkoop en productie Met de huidige producten realiseert het Weverijmuseum uitstekende verkoopresultaten, zonder sterk bedrijfsmatig te werk te gaan. De productie staat namelijk in dienst van de bezoeker en sluit aan op de voorkeuren van de vrijwilligers. Dat moet in de toekomst zo blijven. Het is wel raadzaam om voorzichtig te experimenteren met de verkoop, om te zien of ook andere producten aanslaan bij de bezoeker. Of door samen te werken met andere instellingen (zoals het Van Gogh Village Museum) voor gethematiseerde producten. Het museum doet er bovendien verstandig aan om naar een goede balans te zoeken tussen productie en openstelling. Als het helpt om op sommige ochtenden of één dag in de week alleen op afspraak voor groepen open te gaan, is dit te overwegen. Dit omdat bij meer bezoekers het museum in principe al vrij snel tegen de grenzen van de productiecapaciteit aanloopt. In dat geval zal het museum steeds vaker ‘nee’ moeten verkopen in de museumwinkel.
51
Bijdragen uit fondsen De ervaring leert dat er voor de ontwikkeling van wisseltentoonstellingen of aanpassingen aan de vaste tentoonstelling bijdragen uit fondsen verworven kunnen worden. Dit vraagt inzet van het museum, maar kan dus ook tot extra baten leiden. Toch is het belangrijk voorzichtig te blijven, want een te rooskleurige verwachting kan tot tegenvallers leiden. Daarom gaan we uit van € 3.000,- in scenario A, € 7.500,- in scenario B en ongeveer € 10.000,- in scenario-Nationaal Weverijmuseum. Verhuur nieuw weefgetouw In de meest recente meerjarenbegroting van het Weverijmuseum heeft het museum verhuurinkomsten opgenomen in relatie tot het nieuwe weefgetouw(1). Wij hebben dit bedrag (€ 7.200,-) in de raming overgenomen. Aan de lastenzijde zijn ook leasekosten opgenomen. Baten exclusief subsidies De totale baten exclusief subsidies zijn in scenario A € 122.800,- en in scenario B € 181.800,-. In het scenario dat als stip op de horizon fungeert, nemen de baten exclusief subsidies toe tot circa € 312.000,-. De directe en indirecte opbrengsten zijn daarmee in beide scenario’s fors hoger dan in het kalenderjaar 2021 (€ 60.000,-), het recente jaar met de meeste bezoekers.
RAMING BEZOEKEN EN EXPLOITATIE
Scenario A
Scenario B
ScenarioNationaal Weverijmuseum
Entree
€ 50.300,-
€ 82.800,-
€ 184.900,-
Horeca
€ 11.300,-
€ 16.300,-
€ 37.500,-
Geweven goederen museumbezoek
€ 31.500,-
€ 45.500,-
€ 50.000,-
Geweven goederen overig
€ 8.000,-
€ 8.000,-
€ 8.000,-
Smeerkussens
€ 6.500,-
€ 6.500,-
€ 6.500,-
Sponsoring, giften en donaties
€ 5.000,-
€ 8.000,-
€ 8.000,-
Bijdragen uit fondsen
€ 3.000,-
€ 7.500,-
€ 10.000,-
Verhuur nieuw weefgetouw
€ 7.200,-
€ 7.200,-
€ 7.200,-
Totale baten exclusief subsidies
€ 122.800,-
€ 181.800,-
€ 312.100,-
Winkel en verkoop
Tabel 5.4. Raming baten (excl. subsidies) Alle bedragen zijn afgerond op honderdtallen.
52
Raming lasten De lasten bestaan uit de volgende posten: Inkoop horeca en winkel Collectie, educatie en tentoonstellingen Marketing en communicatie Huisvesting Personeel en vrijwilligers Algemeen Leasekosten nieuw weefgetouw Onvoorzien Inkoop horeca en winkel Musea worden voor de horeca doorgaans geconfronteerd met circa 3035% van de omzet aan inkooplasten. Voor de producten in de museumwinkel geldt dat deze sterk variëren, afhankelijk van de uniciteit van de producten, de kwaliteit en de hoeveelheid die wordt ingekocht. De inkoopkosten voor de winkel variëren doorgaans tussen 40 en 70%. Bij het Weverijmuseum zijn de inkoopkosten lager omdat een groot deel van de producten zelf wordt geproduceerd. De inkoopkosten varieerden bovendien sterk. Over de jaren 2019-2021 gerekend waren de inkoopkosten gemiddeld 27% van de baten over horeca en winkel. Zeker in scenario B zal in de komende jaren wellicht ook meer geëxperimenteerd worden als het gaat om de productie voor de winkel. Daarom gaan we voor de horeca en winkel gezamenlijk uit van een inkooppercentage van 30% tot 35% van de baten, in beide scenario’s. Voor de horeca wordt bij groepen samengewerkt met de Weeffabriek. RAMING BEZOEKEN EN EXPLOITATIE
Collectie, educatie en tentoonstellingen In alle scenario’s heeft het museum ambities om haar activiteiten uit te breiden en zo meer mensen te bereiken. In scenario A ligt de nadruk meer op activiteiten met betrekking tot het ambacht en op educatie. In scenario B zijn er meer wisseltentoonstellingen. Meer activiteiten zijn alleen mogelijk als er ook voldoende financiële mogelijkheden zijn. Elders in het land zien we bij kleinere musea dat zij doorgaans zo’n 5-10% van de totale baten spenderen aan collectiebeheer, educatie en tentoonstellingen(1,2). Voor beide scenario’s rekenen we met 5% van de baten. De ambities zijn in scenario B groter, maar dat geldt ook voor de omvang van de baten door het hogere bezoekaantal. Met hogere inkomsten uit fondsen is een hoger aandeel mogelijk. Marketing en communicatie In het verleden besteedde het Weverijmuseum weinig middelen aan marketing en communicatie. Bij wisseltentoonstellingen werd ondersteuning gezocht bij Villagemarketing Geldrop-Mierlo, dat binnen haar kerntaken deze ondersteuning kon bieden. Villagemarketing GeldropMierlo zal ook in de toekomst een belangrijke partner voor het Weverijmuseum blijven.
Met een hoger ambitieniveau zal het museum echter ook op meer structurele wijze invulling moeten geven aan marketing en communicatie, om onder de aandacht te blijven bij potentiële bezoekers (uit de regio, verblijfsgasten en nichepubliek). Uit cijfers van het CBS blijkt dat een gemiddeld museum in 2019 circa € 1,- per bezoek aan out-of-pocket kosten besteedde voor marketing en communicatie(3). Dit staat nog los van de uitgaven aan personeel dat zich 53
met marketing en communicatie bezig houdt. Uiteraard zijn er per museum grote verschillen. Sommige (vaak grotere) musea zetten sterk in op marketing, kleinere musea besteden vaak minder aan marketing en communicatie. Voor het Weverijmuseum gaan we uit van € 1,- per bezoek aan out-of-pocket kosten in scenario A, in scenario B € 1,25 per bezoek. We gaan ervan uit dat het absolute niveau in jaar 4 ook voor de aanloopjaren geldt, omdat in de eerste jaren extra stappen nodig zijn om de potentiële bezoeker te bereiken. Huisvesting De huisvestingslasten bestaan bij het Weverijmuseum uit vier componenten: • Onderhoud machines en inventaris • Huishoudkosten (o.m. energie en water) • Schoonmaakkosten • Huur Onderhoud machines en inventaris Met name deze post is anders bij het Weverijmuseum dan bij andere musea, gezien de collectie machines en weefgetouwen waar het museum over beschikt. Deze worden bovendien nog voor demonstraties en productie ingezet, waardoor er ieder jaar lasten voor onderhoud zijn. In de afgelopen jaren waren deze onderhoudslasten gemiddeld € 6.700,-. We gaan in alle scenario’s uit van € 7.000,- aan lasten, conform de meerjarenbegroting van het Weverijmuseum.
RAMING BEZOEKEN EN EXPLOITATIE
Energie en water In de afgelopen jaren was deze post gemiddeld € 6.300,- per jaar (genaamd huishoudkosten door Weverijmuseum). We gaan van dit bedrag uit voor zowel scenario A als B. Schoonmaakkosten De schoonmaakkosten van het Weverijmuseum waren in de afgelopen jaren relatief laag (circa € 1.500,- tot € 3.000,-). Meer bezoekers zal er toe leiden dat de lasten voor schoonmaak zullen toenemen. We gaan ervan uit dat er geen inhuur nodig is en gaan uit van € 4.000,- aan lasten per jaar, in scenario A en B. Huur In de huidige situatie draagt het museum huur af aan Stichting Centrum Hofdael, dat het complex Centrum Hofdael/Weeffabriek weer huurt van de gemeente Geldrop-Mierlo. In het Bedrijfsplan 2022-2024 was als huurbedrag voor 2023 circa € 75.000,- aangehouden(1). Als het museum erin slaagt de wisseltentoonstellingen in de eigen ruimtes te realiseren, dan blijven de huurlasten hetzelfde. Hiervoor moet door het museum kritisch naar de beschikbare ruimte worden gekeken. We gaan dus voorlopig niet uit van aanvullende lasten voor huur. Als dat wél nodig gaat zijn, is het verstandig om in scenario A uit te gaan van € 5.000,- aan meerkosten en in scenario B van € 10.000,-.
Tussen het museum en de gemeente Geldrop-Mierlo zullen mogelijk wel aanvullende afspraken worden gemaakt over de verrekening van de kosten (meerjarige afschrijving) van gebouwaanpassingen via de huur 54 en huursubsidie.
Totale huisvestingslasten De totale huisvestingslasten zijn in scenario A en B circa € 92.000,-. Personeel en vrijwilligers In hoofdstuk 4 is uiteengezet welke personele invulling past bij ieder scenario. De kosten die samengaan met de inhuur van het personeel zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Museum CAO(1). In de onderstaande tabel zijn per scenario de lasten geraamd (zowel werknemers- als werkgeversdeel). In scenario A bedragen de lasten bijna € 72.000,-, in scenario B bijna € 120.000,-. Naast de lasten voor het betaald personeel heeft het museum te maken met lasten voor de vrijwilligers. We gaan op jaarbasis uit van € 9.000,- aan lasten in scenario A en € 12.000,- in scenario B.
Onvoorzien Hoewel het Weverijmuseum inmiddels 40 jaar actief is als museum, is het met alle wijzigingen verstandig om met onvoorziene lasten rekening te houden. We gaan uit van 2% van de baten in beide scenario’s.
Functie
Aantal FTE
Schaal
Lasten
Scenario A: Hoeder van het ambacht Directeur
0,6
12
€ 48.300,-
Educator
0,2
9
€ 11.700,-
Marketeer
0,2
9
€ 11.700,-
Totaal
1,0
€ 71.700,-
Scenario B: Museale schakel textielindustrie in Brainportregio
Algemeen Algemene lasten zijn doorgaans 5 tot 10% van de baten, zo blijkt uit benchmarks van musea elders. Voor het Weverijmuseum gaan we uit van houden wij de onderkant van deze bandbreedte (5%), voor zowel scenario A als scenario B. Leasekosten nieuw weefgetouw In de meerjarenbegroting 2023-2025 heeft het Weverijmuseum een toelichting opgenomen op de lasten als gevolg van de aanschaf van het nieuwe weefgetouw. Deze zijn € 18.000,- voor een periode van 7 jaar.
RAMING BEZOEKEN EN EXPLOITATIE
Directeur
0,8
12
€ 64.400,-
Curator/Conservator
0,4
10
€ 26.100,-
Educator
0,2
9
€ 11.700,-
Marketeer
0,3
9
€ 17.600,-
Totaal
1,7
€ 119.800,-
Tabel 5.5. Raming personeelslasten Alle bedragen zijn afgerond op honderdtallen. In scenario A kan overwogen worden voor de functie directeur in te zetten op iemand met een sterk educatie- of marketingprofiel, zodat de twee functies door één persoon kunnen worden ingevuld.
55
Subsidie gemeente Geldrop-Mierlo Tot op het jaar 2022 ontving het museum een subsidie van de gemeente Geldrop-Mierlo bestemd voor de huur. Daarnaast kon het museum aanspraak maken op een incidentele subsidie voor tentoonstellingen en projecten. In scenario A en B wordt het subsidiebedrag dat nodig is voor de activiteiten, de huur en het personeel hoger. In de tabel op de volgende pagina is een volledige raming van baten en lasten opgenomen voor een stabiel exploitatiejaar, inclusief een raming van de subsidies. Naar verwachting is in scenario A € 140.000,- en in scenario B € 160.000,- nodig voor een neutraal of licht positief resultaat. Dit is inclusief de huidige bijdrage die het museum ontvangt voor de betaling van de huur (€ 65.325,-, op basis van de beschikking voor de jaren 2021-2024). Mogelijk dat dit nog iets wordt verhoogd door een verrekening van kosten van gebouwaanpassingen). Dat betekent dat de exploitatiesubsidie in scenario A circa € 74.675,- per jaar moet bedragen, en € 94.675,- in scenario B. Deze bedragen zijn niet geïndexeerd. Belangrijk is of deze subsidie ook voldoende is voor een neutraal of licht positief resultaat in andere jaren. Dit hangt mede samen met het aantal bezoeken dat het Weverijmuseum in die jaren kan trekken.
In de museale sector zijn doorgaans twee bewegingen zichtbaar: • Een (grootscheepse) vernieuwing van een bestaand museum dat, met behulp van een marketingcampagne voor de opening, erin slaagt de potentiële bezoeker weet te enthousiasmeren. Gevolg is dat in het jaar na opening het bezoek een stevige impuls krijgt en daarna licht terug RAMING BEZOEKEN EN EXPLOITATIE
zakt naar het stabiele niveau. • Een (kleine) vernieuwing van een bestaand museum. Omdat er relatief weinig inhoudelijke veranderingen zijn, is een uitgebreide marketingcampagne vooraf vaak niet logisch en moet vooral ingezet worden op het langzaam opbouwen van het bezoekniveau. In dit geval duurt het enkele jaren om het stabiele bezoekniveau te bereiken. Er zijn wel inhoudelijke vernieuwingen gepland in scenario’s A en B, maar er is geen sprake van een grootse herinrichting van bijvoorbeeld de vaste tentoonstelling (in het scenario Stip op de horizon is hier wel sprake van). Het is wat betreft scenario A en B daarom waarschijnlijk dat het Weverijmuseum langzaam naar een nieuw, stabiel bezoekniveau zal doorgroeien. Voor de uitvoering van alle plannen is tijd nodig, waardoor het museum pas op een later moment van alle ontwikkelingen gaat profiteren. In de onderstaande tabel is opgenomen welke bezoekcijfers we per scenario verwachten. Als deze bezoekcijfers gelden, zal het Weverijmuseum zeker in jaar 1 en jaar 2 met een tekort geconfronteerd worden bij genoemde subsidiebedragen. De ramingen voor de eerste vijf jaren zijn in Bijlage 5 opgenomen. In de eenmalige bijdrage (zie bijlage 3) zijn daarom frictiekosten opgenomen ter compensatie van de tekorten. Jaar
Scenario A
Scenario B
Jaar 1
5.000
7.000
Jaar 2
7.000
9.000
Jaar 3
8.500
11.000
Jaar 4
9.000
13.000
Jaar 5
9.000
13.000
Tabel 5.6. Raming bezoeken eerste vijf jaren
56
Scenario A
Scenario B
Entree
€ 50.300,-
€ 82.800,-
Horeca
€ 11.300,-
€ 16.300,-
Winkel en verkoop
€ 46.000,-
€ 60.000,-
Sponsoring, giften en donaties
€ 5.000,-
€ 8.000,-
Huursubsidie gemeente
€ 65.325,-
€ 65.325,-
Exploitatiesubsidie gemeente
€ 74.675,-
€ 94.675,-
Bijdragen uit fondsen
€ 3.000,-
€ 7.500,-
Verhuur weefgetouw
€ 7.200,-
€ 7.200,-
Totaal
€ 262.800,-
€ 341.800,-
Inkoop horeca, winkel en verkoop
€ 18.600,-
€ 24.800,-
Collectie, educatie en tentoonstellingen
€ 13.100,-
€ 17.100,-
Marketing en communicatie
€ 8.100,-
€ 14.300,-
Huisvesting
€ 92.300,-
€ 92.300,-
Personeel en vrijwilligers
€ 80.700,-
€ 131.800,-
Algemeen
€ 13.100,-
€ 17.100,-
Leasekosten nieuw weefgetouw
€ 18.000,-
€ 18.000,-
Onvoorzien
€ 5.300,-
€ 6.800,-
Totaal
€ 249.200,-
€ 322.200,-
Resultaat
€ 13.600,-
€ 19.600,-
De gemeentelijke subsidie in perspectief De geraamde subsidie in ieder scenario kan in perspectief worden geplaatst aan de hand van het Iglo-model. In het Iglo-model wordt ervan uitgegaan dat de huisvestingslasten en algemene lasten volledig worden gesubsidieerd, en de personeels- en vrijwilligerslasten, lasten voor marketing en communicatie en activiteitenlasten deels. Vaak wordt hiervoor een aandeel van 30% tot 40% aangehouden. In dat geval zou de totale subsidie in scenario A circa € 135.000,- tot € 146.000,- per jaar kunnen bedragen, en circa € 158.000,- tot € 175.000,- in scenario B. De geraamde subsidie in het stabiele exploitatiejaar is daarmee in lijn. Het museum heeft voldoende eigen verdienvermogen om een deel van de lasten terug te verdienen vanuit de bezoekersinkomsten.
Baten
De geraamde subsidie is ook in perspectief van de omvang van de gemeente geplaatst. In Bijlage 6 is een overzicht opgenomen van gemeenten met 40.000 tot 50.000 inwoners die een museum subsidiëren. Uit het overzicht is af te leiden dat diverse gemeenten met een vergelijkbaar aantal inwoners ruimer ondersteunen. Bij een zeer hoge toekenning is hier vaak een meervoudige reden voor. Er zijn ook circa twintig gemeenten met 40.000 tot 50.000 inwoners die geen museum ondersteunen.
Lasten
RAMING BEZOEKEN EN EXPLOITATIE
Tabel 5.7. Raming baten en lasten in stabiel exploitatiejaar Alle bedragen zijn afgerond op honderdtallen.
57
5.3. RAMING ECONOMISCHE WAARDE Het Weverijmuseum genereert waarde voor de samenleving met de collectie, door verbindingen te maken, door educatie en door een beleving te bieden. Het museum heeft echter ook economische waarde. Dat zit enerzijds in imago-effecten: het hebben van een voorziening als het Weverijmuseum draagt bij aan de aantrekkelijkheid van GeldropMierlo als woonlocatie en als toeristisch-recreatieve bestemming. Anderzijds zijn er economische effecten, die uiteen valt in diverse componenten: • Directe economische impact in het museum; • Directe economische impact buiten het museum; • Indirecte economische impact; • Belastingen voor de gemeente (OZB, toeristenbelasting etc.).