CConstaterende datGeldrop-Mierlo
Koppel je AI →
Document · PDF

Fazantlaan-West (Luchen)_D04_Toelichting excl markering

Commissie Ruimte 26 augustus 2024, gemeente Geldrop-MierloBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Luchen Fazantlaan-west22.518 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voor Geldrop-Mierlo, als onderdeel van het Stedelijk Gebied Eindhoven, wordt door de provincie een groei verwacht van ongeveer 3% tot een inwonertal van 40.225 in 2040.

Beoordeling De bevolkingsopbouw van Geldrop-Mierlo, en vooral de ontwikkeling daarin de komende decennia, illustreert goed wat de effecten van de vergrijzing zijn (zie Figuur 25).

Figuur 25: Toekomstige Bevolkingsopbouw. Bron: MRE Woonwensenonderzoek 2017 en MRE Woonbehoeftenonderzoek 2014 Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 29

In 2018 telde Geldrop-Mierlo in totaal 17.429 woningen. Het overgrote deel betreft koopwoningen, namelijk 11.331 tegenover 6.077 huurwoningen. Iets minder dan een derde van de koopwoningen heeft een WOZ-waarde tot €200.000 en mag derhalve gerekend worden tot de sociale woningvoorraad. Het gros van de koopwoningen heeft echter een WOZ-waarde tussen de €200.000 en €345.000 en wordt beschouwd als middeldure koop. Uit het meest recente onderzoek van de MRE naar de sociale woningvoorraad in Zuidoost-Brabant (2018) komt naar voren dat Geldrop-Mierlo in theorie over voldoende sociale huur- en koopwoningen beschikt, wanneer dit aantal wordt afgezet tegen het aantal huishoudens dat op grond van hun inkomen tot de doelgroepen gerekend mogen worden. Verder dient ook rekening gehouden te worden met de mate van scheefwonen. Als huishoudens met een jaarlijks huishoudinkomen boven de €39.874,- in sociale huurwoningen blijven wonen (goedkope scheefwoners) dan belemmert dat de doorstroming en drukt dat de beschikbaarheid van sociale woningen voor de echte doelgroep. Het tegenovergestelde kan echter ook plaats vinden: huishoudens met een beperkt inkomen (tot de huurtoeslaggrens) die wonen in een huurwoning met een huurprijs boven de aftoppingsgrens. Evenals in iedere andere Nederlandse gemeente is ook in Geldrop-Mierlo sprake van een zekere mate van scheefwonen.

In 2016 moest bijna 15% van de huishoudens in een corporatiewoning beschouwd worden als goedkope scheefwoners (tegenover 12% gemiddeld in Nederland). Over de hele periode 2012-2018 is de totale woningvoorraad in Geldrop-Mierlo met 1,9% toegenomen en is sprake van een uiterst lichte jaarlijkse groei (gemiddeld 0,3%). Rekening houdend met de bevolkingsgroei tot 2040 is in Geldrop-Mierlo een uitbreiding noodzakelijk van de woningvoorraad van circa 1.500 woningen. Oftewel een groei van 8,7% ten opzichte van 2018. Dat is een aanzienlijke intensivering ten opzichte van het eerdergenoemde groeitempo van 1,9% in de periode 2012-2018. In de voorgaande passages is duidelijk naar voren gekomen dat een combinatie van demografische ontwikkelingen, conjuncturele ontwikkelingen en duurzaamheidsbeleid de vraag naar woningen sterk zal beïnvloeden. Waar de grootste groep inwoners in Geldrop-Mierlo anno 2019 nog bestaat uit 40 tot 59-jarigen zal dat de komende jaren verschuiven naar de oudere leeftijdscategorieën. Het aantal inwoners in Geldrop-Mierlo van 60 jaar of ouder zal naar 2040 met 25% toenemen. De groep van 80 jaar en ouder zal zelfs bijna verdubbelen ten opzichte van 2019. Dit betekent dat de opgave de komende jaren sterk in het teken staat van voldoende woningaanbod creëren voor de oudere doelgroepen die steeds langer zelfstandig blijven wonen.

Hierbij zal het in het bijzonder gaan om het levensloopbestendig bouwen en maken van bestaande woningen. Bovendien zullen woningen klaargemaakt moeten worden voor combinaties van wonen en zorg. De ontwikkelingen vertalen zich vanzelfsprekend ook naar de gezinssamenstelling (zie Tabel 2). Het aandeel eenpersoonshuishoudens in het totaal aantal huishoudens in Geldrop-Mierlo neemt van 30% in 2017 toe tot 38% in 2040. Daar tegenover wordt een relatief sterke daling verwacht van het aantal huishoudens bestaande uit samenwonenden zonder kinderen. Dit betekent verder dat de vraag naar kleinere woningtypes de komende jaren sterk zal toenemen.

Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 30

Tabel 2: De ontwikkeling in gezinssamenstelling in Geldrop-Mierlo tot 2040

Beoordeling en conclusie Er staat de gemeente Geldrop-Mierlo een grote woningbouwopgave te wachten waarbij er tot het jaar 2040 ruim 1.500 woningen bijgebouwd dienen te worden. Daarnaast spelen er kwesties zoals onvoldoende woonruimte voor bepaalde groepen (zoals starters) en scheefwonen waardoor de behoefte niet aansluit bij het aanbod. Omdat de plannen voor de woonwijk Fazantlaan-West voorzien in zowel woningen voor het hogere segment als tiny houses, wordt op een duurzame manier bijgedragen aan de doelen gesteld zoals in de woonvisie.

Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 31

4.0

MILIEUASPECTEN

Voor het ontwikkelen en in stand houden van een leefbare en duurzame gemeente dient bij ruimtelijke planvorming rekening te worden gehouden met verschillende omgevingsaspecten. Door rekening te houden met deze aspecten kan een goed leefklimaat worden gegarandeerd voor nu en de toekomst. In dit hoofdstuk worden de verschillende omgevingsaspecten die van belang zijn voor het plangebied nader toegelicht.

4.1

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING

Toetsingskader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. De richtafstand tussen een milieugevoelige functie en de milieubelastende activiteit wordt bepaald vanaf de gevel van de gevoelige functie, die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is, tot de grens van de inrichting. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. De richtafstanden zijn afhankelijk van het omgevingstype waarbinnen de milieugevoelige bestemming ligt. De VNG-publicatie gaat uit van het omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied of van een gemengd gebied. Een rustige woonwijk/rustig buitengebied kan aangemerkt worden als een gebied zonder functiemenging en een minimale invloed van invloeden van wegverkeer.

Bij een gemengd gebied is sprake van een functiemenging tussen wonen en milieubelastende activiteiten, van wonen langs drukke gebiedsontsluitingswegen of bij lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Voor het omgevingstype gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één stap worden verlaagd, behalve voor het aspect gevaar. De richtafstandenlijst biedt voor een scala aan typen bedrijvigheid de richtafstanden tot gevoelige bestemmingen vanwege geur, stof, geluid en gevaar.

Beoordeling Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een woongebied met bijbehorende voorzieningen zoals groen en parkeren. Het plangebied bevindt zich aan de westzijde van de uitbreidingswijk Luchen, aan de rand van de bebouwde kern en het buitengebied. In de directe nabijheid bevindt zich voornamelijk woongebied. Ten westen van het plangebied ligt het bungalowpark ‘bospark ’t Wolfsven’. Het plangebied ligt in een omgeving die te typeren valt als ‘rustig gebied’. Invloed van het bospark ‘t Wolfsven -> nieuwe woningen Voor het bospark wordt vanuit de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) een richtafstand aangehouden van 50 meter (gebaseerd op richtlijn voor kampeerterreinen en vakantiecentra’s). Daarbij moet worden uitgegaan van de grens van het terrein. De nieuwe woningen in de wijk Fazantlaan-West worden daarmee binnen de richtafstand van het vakantiepark gerealiseerd. Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 32

Het gebied van het bospark grenzend aan het plangebied nabij de Eksterlaan is zeer luw qua recreatieactiviteiten. Het is in gebruik als bosgebied met een ven, en is tevens onderdeel van het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Mogelijk wordt hier gewandeld, maar het ligt niet voor de hand dat de recreatiefaciliteiten aan deze zijde van het park in de toekomst worden uitgebreid. Hiermee kan het woon- en leefklimaat ter plaatse van de toekomstige woningen worden gegarandeerd. Aan de noordzijde zijn wel recreatiewoningen gelegen. De afstand van de recreatiewoningen tot aan de grens van de uitgeefbare percelen bedraagt 51,5 meter. Tussen de recreatiewoningen en de woonpercelen ligt een weg/fietsstraat (Luchenseheide), een brede berm en een bosschage. Gezien de ruime afstand kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van onevenredige milieuhinder ten aanzien van het bospark ter plaatse van de woningen. Invloed van de nieuwe woningen -> bospark ‘t Wolfsven Het bospark kan als milieuhinderlijke functie belemmerd worden in de (toekomstige) bedrijfsvoering door de aanwezigheid van milieugevoelige objecten zoals woningen. In het geval van het bospark ’t Wolfsven geldt dat gezien de vestiging van het NNB op de gronden nabij het plangebied, het niet waarschijnlijk is dat de recreatieactiviteiten in dit deel van het vakantiepark grootschalig worden uitgebreid.

In elk geval geldt dat de woning aan de Luchenseheide 17 de maatgevende woning is voor eventuele uitbreidingsruimte van het vakantiepark. Daarmee vormt de woningbouwontwikkeling ‘Fazantlaan-West’ geen belemmering voor de bedrijfsvoering van het bospark ’t Wolfsven.

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het bestemmingsplan.

4.2

MOBILITEIT

De realisatie van woongelegenheid kan leiden tot extra verkeer. Dit is afhankelijk van de bestaande functies op de locatie. Ten opzichte van deze bestaande functies wordt de toekomstige verkeersaantrekkende werking in beeld gebracht. Ook moet er voorzien worden in voldoende parkeerplaatsen bij woningen. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een nieuwe planologische regeling voor 15 bungalows, 5 vrijstaande woningen en maximaal 15 tiny houses. Gezien de planlocatie momenteel onbebouwd is, neemt het aantal woningen (en dus verkeer) per saldo toe. Het plangebied wordt ontsloten door een nieuwe hoofdstructuur die de Luchenseheide met de Vlinderlaan verbindt. Doodlopende wegenstructuur wordt vermeden door de weg het Zandoogje met de Luchenseheide te verbinden. De nieuwe woningen zullen via de nieuwe verkeersstructuur ontsloten worden. De wegen Koolmees en Luchenseheide zijn ingericht als een fietsstraat en deze sluit ook op de Vlinderlaan aan. Deze wegen maken onderdeel uit van de recreatieve fietsverbinding tussen Luchen, het Eindhovens kanaal en recreatiegebied Gulbergen. Gezien de ligging ten opzichte van de nieuwe woningen zal deze route in mindere mate het autoverkeer verwerken wat gunstig is voor de veiligheid op de fietsstraat.

Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 33

4.2.1

Verkeer

Toetsingskader Op basis van de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ is de verkeersgeneratie berekend waarbij conform de Nota Parkeernormen Geldrop-Mierlo wordt uitgegaan van het gebiedstype ‘Rest bebouwde kom’. Voor de mate van stedelijkheid is gebruik gemaakt voor de data van Statline, hierin heeft de gemeente de classificatie ‘3’ (matig stedelijk) gekregen. Het stedenbouwkundig plan omvat het volgende woningbouwprogramma: ▪ 15 bungalows – ‘koop, huis, vrijstaand’ ▪ 5 vrijstaande woningen – ‘koop, huis, vrijstaand’ ▪ 15 tiny houses – ‘kleine eenpersoonswoning / tiny house’ Op basis hiervan is de maximale verkeersgeneratie voor een vrijstaande koopwoning 8,6 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etmaal) en voor een tiny house 2,4 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etmaal).

Hieronder is per wegdeel aangegeven wat de verkeersaantrekkende werking is: • Zandoogje (4 vrijstaande woningen): 4 x 8,6 = 34,4 mvt/etm • Koolmees (4 vrijstaande woningen): 4 x 8,6 = 34,4 mvt/etm • Huizen tegenover veld tiny house (2 vrijstaande huizen): 2 x 8,6 = 17,2 mvt/etm • Woningen in de lus (6 vrijstaande woningen): 6 x 8,6 = 51,6 mvt/etm • Woningen nieuw aan te leggen weg (2 vrijstaande woningen): 2 x 8,6 = 17,2 mvt/etm • Fazantlaan (2 vrijstaande woningen): 2 x 8,6 = 17,2 mvt/etm • Veld tiny houses: 15 x 2,4 = 36 mvt/etm De ontwikkeling resulteert in totaal in een toename aan verkeer van 208 motorvoertuigen per etmaal. De ontsluiting van de buurt verloopt middels een aantakking op de Vlinderlaan en Zandoogje. Daarnaast faciliteert de fietsstraat Koolmees voor een deel in de ontsluiting.

4.2.2

Parkeren

Toetsingskader In de parkeervisie van de gemeente Geldrop-Mierlo (vastgesteld juli 2022) is aangegeven dat bij nieuwbouw zal worden gestuurd op beperking van autobezit en -gebruik om zo een leefomgeving te creëren die niet alleen bereikbaar is, maar ook een prettige verblijfskwaliteit heeft met aandacht voor groen en ontmoeten. Tegelijkertijd ligt er de opdracht om de woningbouwopgave van Geldrop-Mierlo zo veel en zo snel mogelijk te faciliteren en niet te frustreren. Bovenstaande doelen worden bereikt op basis van vier hoofdlijnen: 1. Een beter bij de verdichtingsambities passende gebiedsindeling en waar mogelijk aangepaste, lagere normen; 2. De fiets als kans: heldere normen voor het parkeren van de fiets; 3. Meer mogelijkheden voor het verminderen van de afhankelijkheid van de privéauto op basis van een innovatieve benadering van mobiliteit; 4. Het stimuleren van gebruik van parkeervoorzieningen op afstand op basis van langere loopafstanden. Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 34

Het primaire beleidsuitgangspunt in deze Nota Parkeernormen is dat de parkeerbehoefte van een ruimtelijke ontwikkeling (fiets- en autoparkeren) volledig op eigen terrein wordt opgelost. Eigen terrein is gedefinieerd als grond waarover de initiatiefnemer kan beschikken ter plaatse van de ruimtelijke ontwikkeling, dan wel in de nabijheid binnen de, in figuur 30 genoemde, maximale loopafstanden wanneer dit exclusief bestemd is voor de genoemde ontwikkeling.

Figuur 26: maximaal acceptabele loopafstanden. Bron: Nota parkeernormen Geldrop-Mierlo.

De toepassing van parkeernormen leidt tot een zekere theoretische parkeerbehoefte. Het is gebruikelijk om, indien de parkeerbehoefte niet (volledig) op eigen terrein kan worden opgelost, te onderzoeken of bestaande parkeercapaciteit in de openbare ruimte kan worden benut. Parkeerplaatsen die aantoonbaar beschikbaar zijn op de momenten van de dag/week waarop het bouwplan tot een parkeerbehoefte leidt. Het is niet vanzelfsprekend dat, wanneer de parkeerbehoefte niet (volledig) op eigen terrein kan worden opgelost, het tekort in de openbare ruimte opgelost kan worden. Het is enkel mogelijk om de parkeerbehoefte van een bouwplan af te wentelen naar de openbare ruimte, als de parkeerdruk in de eindsituatie (na afwenteling) niet hoger is dan 85,0%. Ruimtelijke ontwikkelingen brengen naast een parkeerbehoefte van auto's, ook een behoefte aan fietsparkeerplaatsen met zich mee. Geldrop-Mierlo wil het gebruik van de fiets maximaal stimuleren als alternatief voor de privéauto. Het fietsparkeren vormt om deze reden een belangrijk onderdeel van deze nota.

Beoordeling De planlocatie ligt in het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ van de gemeentelijke Nota parkeernormen. De autoparkeernomen die gelden zijn gebaseerd op de midden bandbreedte en bedragen. Voor zowel de bungalows als de vrijstaande woningen, wordt uitgegaan van categorie ‘koop, huis, vrijstaand’ met een parkeernorm van 1,9 voor bewoners en 0,2 voor bezoekers. Voor de tiny houses wordt uitgegaan van de categorie ‘kleine eenpersoonswoning’ en wordt een parkeernorm van 0,5 voor bewoners en 0,2 voor bezoekers gehanteerd. Aantal Koop, huis, vrijstaand Kleine eenpersoonswoning

20 15

Norm bewoners 1,9 0,5

Norm bezoekers 0,2 0,2

Aantal parkeerplaatsen 42 10,5

Tabel 3: parkeerbalans ontwikkeling Fazantlaan-West

Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 35

Voor het plangebied betekent dit concreet dat er 46 (45,5) parkeerplaatsen nodig zijn voor bewoners (20x 1,9 + 15x 0,5) en 7 voor bezoekers (20x 0,2 + 15x 0,2). Dit betekent dat er in totaal 53 parkeerplaatsen noodzakelijk zijn. Het primaire beleidsuitgangspunt in de Nota Parkeernormen is dat de parkeerbehoefte van een ruimtelijke ontwikkeling (fiets- en autoparkeren) volledig op eigen terrein wordt opgelost. Eigen terrein is gedefinieerd als grond waarover de initiatiefnemer kan beschikken ter plaatse van de ruimtelijke ontwikkeling, danwel in de nabijheid binnen de maximale loopafstand van 100 meter en wanneer dit exclusief bestemd is voor de genoemde ontwikkeling. De bungalows en de vrijstaande woningen kunnen voorzien in 2 parkeerplaatsen voor eigen behoefte op het eigen perceel. Voor de tiny houses geldt dat parkeren niet op eigen terrein mag plaatsvinden. In de openbare ruimte dienen daarom 15 parkeerplaatsen (7,5 bewoners tiny houses + 3 bezoekers tiny houses + 4 bezoekers parkeren bungalows/vrijstaande woningen) te worden aangelegd. In het stedenbouwkundig plan (zie paragraaf 2.3.2.) zijn in de directe nabijheid van de tiny houses locatie 11 parkeerplaatsen gesitueerd. Daarnaast zijn verspreid over het plangebied 7 parkeerplaatsen gepland in de openbare ruimte voor overig bezoekers parkeren. Hiermee wordt ruim voldaan aan de eisen gesteld in de Nota parkeernormen.

4.3

AKOESTIEK

Toetsingskader Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling met geluidsgevoelige gebouwen (waaronder woningen), nieuwe wegen en de reconstructie van bestaande wegen dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh is alleen van toepassing binnen de wettelijk vastgestelde zone van een weg. Een akoestisch onderzoek in het kader van de Wgh is alleen noodzakelijk wanneer de ontwikkeling plaatsvindt binnen een zone van een (spoor)weg en/of industrieterrein en waarbij sprake is van geluidgevoelige bestemmingen. Daarnaast dient op grond van de Wro, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, het akoestische klimaat inzichtelijk te worden gemaakt. Daarbij dient aangetoond te worden dat er geen sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat vanuit akoestisch oogpunt.

Beoordeling De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling voorziet in de realisatie van een nieuwe geluidgevoelige bestemming binnen de geluidzonde van wegen. Het plan maakt de bouw van woningen mogelijk binnen de geluidzone Wgh van de Luchenseheide. Voor een beoordeling in het kader van een goede ruimtelijk ordening is ook het gedeelde van de Koolmees, Vlinderlaan en Zandoogje dat binnen de bebouwde kom ligt relevant. De maximale snelheid bedraagt daar 30 km/uur. Om deze reden is door Stantec een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage opgenomen bij deze toelichting. De geluidbelasting op de gevels van de nieuw te bouwen woning dient voor de betreffende gezoneerde wegen te worden getoetst aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB uit de Wgh. De Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 36

ruimtelijke ontwikkeling bevindt zich in stedelijk gebied (binnen de bebouwde kom) en betreft nieuwbouw. De maximaal vast te stellen ontheffingswaarde bedraagt derhalve 63 dB. Voor het onderzoek is een akoestisch rekenmodel wegverkeerslawaai opgesteld en zijn de geluidbelastingen berekend volgens Standaardrekenmethode 2 overeenkomstig het Rmg 2012. De berekeningen zijn uitgevoerd met het rekenprogramma Geomilieu, versie 2022.41. Door het wegverkeer op de Luchenseheide wordt de hoogst toelaatbare geluidbelasting niet overschreden en is het vaststellen van hogere waarden niet benodigd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatieve geluidbelasting berekend, welke varieert van 26 dB tot maximaal 49 dB. Dit betekent dat de MKM Lden geclassificeerd is als “Goed”, waardoor ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een akoestisch goed woon- en leefklimaat.

Conclusie Het aspect geluid is geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4

LUCHTKWALITEIT

4.4.1

Wet milieubeheer

Toetsingskader Luchtkwaliteit is geregeld in de Wet milieubeheer. Een specifiek onderdeel van deze wet is de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). Hierin is bepaald wanneer de mate van de bijdrage aan de luchtverontreiniging verwaarloosbaar klein is. In zo'n geval hoeft een project niet langer meer getoetst te worden, ongeacht of in de huidige situatie al sprake is van een overschrijding van grenswaarden. De NIBM-regeling van 3% is gekoppeld aan de vaststelling van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), omdat in dit programma hiervoor maatregelen tegenover staan die het tijdig behalen van de grenswaarden waarborgen.

Beoordeling en conclusie Middels de NIBM-tool is hierna inzicht verkregen in de invloed van het plangebied op de luchtkwaliteit. Aan de basis hiervan staat de berekening van de toename van de verkeersgeneratie ten gevolge van voorliggend plan. Een vergelijking is gemaakt tussen de huidige planologische situatie en de beoogde toekomstige situatie. Er wordt geconcludeerd dat de verkeersgeneratie met maximaal 208 verkeersbewegingen per etmaal zal toenemen; dit betreft een worst-case benadering uitgaande van de maximale norm. Het aandeel vrachtverkeer is gesteld op 0% in verband met de afwezigheid van enige commerciële ruimten of activiteiten. Als voorgaande gegevens in de NIBM-tool worden ingevoerd, dan blijkt de bijdrage als gevolg van de ontwikkeling 'niet in betekende mate bij te dragen' (zie het volgende figuur).

Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 37

Figuur 27: NIBM berekening

4.4.2

Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CILMK)

Toetsingskader Uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening dient ook beoordeeld te worden of het aanvaardbaar is om het project op deze locatie te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan de ter plaatse bestaande luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project zelf 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur onder andere bij een woning, school of sportterrein. Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging wordt gebruik gemaakt van de, door het ministerie van Infrastructuur en Milieu, beschikbaar gestelde digitale monitoringstool. Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging wordt gebruik gemaakt van de, door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, beschikbaar gestelde digitale monitoringstool. Het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) heeft als doel luchtkwaliteitgegevens over Nederland voor iedereen op één plaats, uniform en laagdrempelig beschikbaar te stellen, en daarmee de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit (digitaal) te ondersteunen.

Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 38

Beoordeling Via de CIMLK-Monitoringstool (monitoringsronde 2022) zijn voorts de concentraties voor de jaren 2021 en 2030 afgelezen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt op basis van de gegevens van de CILMK-monitoringstool. Geen van de wegen nabij het plangebied is opgenomen in deze monitoringtool. De meest dichtstbijzijnde meetpunten bevinden zich aan de Industrieweg op 1,5 kilometer afstand en zijn derhalve niet volledig representatief voor de lokale luchtkwaliteit.

Meetpunt

Figuur 28: Uitsnede uit de CIMLK-monitoringstool met de planlocatie zichtbaar.

Stofgroep

2021

2030

NO2 PM10 PM2,5

15,8 17,6 10,4

11,8 14,5 7,5

Jaargemiddelde maximale grenswaarde 40 μg/m³ 40 μg/m³ 25 μg/m³

WHOadvieswaarden (jaargemiddelden) 40 μg/m³ 20 μg/m³ 10 μg/m³

Tabel 4: Resultaten uit de CIMLK tool.

Conclusie In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de NIBM-tool en de CIMLK-Monitoringstool geraadpleegd. Hieruit blijkt dat de activiteiten als NIBM kunnen worden beschouwd en voldoen aan de WHO-advieswaarden. Vanwege de algemene trend dat de emissies en achtergrondconcentraties dalen, worden ook in de toekomst geen overschrijdingen verwacht. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmeringen voor de haalbaarheid.

Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 39

4.5

WATER

Toetsingskader Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt.

Beleid waterschap de Dommel Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.

Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie': op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: ▪ Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt ▪ Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan ▪ Wat schoon is moet schoon blijven Het waterschap geeft aan dat we ons, nog meer dan voorheen, moeten aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen.

Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 40

vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: ▪ van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. ▪ van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. ▪ van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid.

Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.

Beleid gemeente Geldrop-Mierlo Gemeentelijk Rioleringsplan Geldrop-Mierlo 2023-2027 Het gemeentelijk rioleringsbeleid is vastgelegd in het gemeentelijk rioleringsplan (GRP 2023-2027). Hierin staat welke keuzes de gemeente maakt over hoe zij om gaat met afval-, regen- en grondwater. De gemeente Geldrop-Mierlo gaat zich richten op de volgende speerpunten: ▪ Duurzame waterketen: De inzameling en het transport van afvalwater moet zo doelmatig mogelijk plaatsvinden zodat de volksgezondheid niet in het geding komt. ▪ Een klimaatbestendig watersysteem: We gaan het systeem zo inrichten dat we de klimaatveranderingen beter kunnen opvangen. Iedereen heeft hier een verantwoordelijkheid. Bij nieuwbouw moet regenwater voortaan eerst in een berging op eigen terrein worden opgevangen voordat het mag worden geloosd op de openbare riolering. Bij reconstructies streven we ernaar om zoveel mogelijk verhard oppervlak af te koppelen. De inspanningsverplichting van de gemeente ingeval van hinder of overlast door zware regenval is duidelijker omschreven en aangescherpt.

Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 41

▪ Grondwaterhuishouding in balans: Perceeleigenaren zijn beginsel zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen tegen gevolgen van te hoge of te lage grondwaterstanden. Bij alle ontwikkelingen in gebieden moeten we ervoor zorgen dat er geen dusdanige wijzigingen in de grondwaterstand ontstaan die aanleiding kunnen geven tot hinder of schade. We streven ernaar om zoveel mogelijk regenwater in de bodem te brengen Dit kan rechtstreeks door terreinen onverhard te laten of te maken, dan wel via infiltratievoorzieningen. ▪ Water als ordenend principe: Bij alle ruimtelijke ontwikkelingen moet het water leidend zijn in de planvorming. Dat betekent dat eerst moet worden gekeken hoe het water kan worden opgevangen en verwerkt, en dat de rest van de ontwikkeling zich daar omheen moet plooien. ▪ Gezond, schoon en beleefbaar water: Door het gescheiden inzamelen, en gescheiden houden van regen - en afvalwater voorkomen we onnodige belasting van de waterzuivering maar voorkomen we ook onnodige natuurschade (riool overstorten) ▪ Samen werken aan water: De gemeente werkt samen met andere partners in de waterketen. Dit zijn de gemeenten, de waterschappen en Brabant Water. De samenwerkingsverbanden zijn een uitvloeisel van het Bestuursakkoord Water 2011. Met deze platforms wordt kennis uitgewisseld maar ook (rijks-) subsidies aangevraagd.

De gemeente hanteert voor zowel nieuwbouw als reconstructies het uitgangspunt dat elke vierkante meter verhard oppervlak moet worden gecompenseerd met een regenwaterberging. De norm die de gemeente hiervoor hanteert is 60 L/m2. Bij alle ontwikkelingen binnen de gemeente is deze beleidsregel leidend. Dit geldt zowel voor particulier terrein als de openbare ruimte en voor lozingen op de bodem en op oppervlaktewater. De gemeente hanteert altijd de 60 mm norm voor waterberging en houdt geen rekening met een gevoeligheidsfactor zoals het waterschap dat doet. Naast de gemeentelijke regels blijven ook de regels van het waterschap van toepassing, waarbij de zwaarste ‘eis’ leidend is. Voor wat betreft bouwplannen dienen deze beleidsregels te worden vertaald in een bestemmingsplan.

Beoordeling Bodemopbouw De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot sterk siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De regionale bodemopbouw bestaat tot circa 25 m beneden maaiveld uit zeer fijn tot matig grof zand, afgewisseld met leem. Voor de waterhuishouding betekent dit dat er rekening moet worden gehouden met enige mate van infiltratie, maar dat dit vermogen beperkt wordt door de aanwezigheid van leem. Op de locatie van het plangebied is een leemlaag op ca 2,5 m-mv. waargenomen. Roestvorming wat duidt op een tijdelijke aanwezigheid van het grondwater (indicatie GHG) is waargenomen op ca. 1,0 m-mv. Momenteel wordt er infiltratieonderzoek uitgevoerd naar de infiltratie mogelijkheden in het plangebied. Grondwater Door Geofox-Lexmond B.V. is een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de gemiddelde grondwaterstand op +18,0 m NAP ligt. De GHG en de GLG, die zijn afgeleid uit het onderzoek, liggen op +18,60 en +17,60 m NAP. In een onderzoek, uitgevoerd door MOS Grondmechanica is een GHG beschreven van +18,30 m NAP. Mos heeft haar GHG gebaseerd op gegevens van het TNO. Die geven een GHG aan die ligt tussen +18,30 m en +19,70 m NAP.

Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 42

Op basis van deze gegevens uit uitgevoerde onderzoeken gaan wij ervan uit dat de GHG op +18,60 m NAP ligt. De GHG ligt hiermee in het plangebied gemiddeld 1 m -mv. Met deze ontwateringsdiepte wordt geen grondwateroverlast verwacht. Het plan heeft geen gevolgen voor het grondwater. Het plangebied ligt niet binnen een provinciale grondwaterbeschermingszone ten behoeve van drinkwaterwinning en brengt geen verontreiniging van het grondwater met zich mee. Er is sprake van voldoende ontwateringsdiepte voor de bouw van woningen. Oppervlaktewater In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Net ten oosten van het plangebied ligt een droge greppel en de bestaande waterberging. Deze waterberging is aangelegd ten behoeve van het plangebied Landkaartje in 2021. Aan de oostzijde van de Sint Catharinaweg ligt de Luchense Wetering. De capaciteit van dat watersysteem staat geheel ten dienste van de daarom heen liggende bestaande en toekomstige bouwplannen. Het is niet mogelijk om dit systeem te belasten met extra water vanuit Luchen Fazantlaan. Waterkwaliteit Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen functies mogelijk gemaakt die een bedreiging vormen voor de grondwaterkwaliteit. Er wordt op gelet dat niet-uitloogbare bouwmaterialen worden gebruikt, om te voorkomen dat het hemelwater wordt vervuild.

In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met het hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Hemel- en vuilwaterriolering In het plangebied is geen riolering aanwezig. Wel ligt er in de Fazantlaan ten zuiden van het plangebied een gemengde riolering (ø300 en ø400mm). Dit is de afwatering van de zuidelijk gelegen woonwijk. De leiding heeft een meest bovenstroomse b.o.b. van +18,88 m NAP. De wijk Luchen 2 ten noorden van het plangebied heeft een gescheiden stelsel. Het watersysteem van Luchen fase 2 laat geen verdere uitbreiding toe. Het watersysteem van Luchen Fazantlaan moet daarom geheel gescheiden blijven van dat van Luchen fase 2. Voor de afvoer van afvalwater kan het beste aansluiting worden gezocht op het bestaande rioolstelsel van de wijk aan de Fazantlaan. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin is uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per persoon.

Op basis van maximaal 35 woningen en een gemiddelde bezetting van 2,5 personen/woning, wordt uitgegaan van 87,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 87,5 x 120 liter = 10.500 liter per dag wordt geloosd. Dit is een worst-case benadering, omdat de gemiddelde bezetting van tiny houses lager ligt dan 2,5. Aangezien er nu geen bebouwing aanwezig is in het plangebied komt dit overeen met een toename van circa 10,5 m³/dag. De berekening is gebaseerd op basis van gemiddelden en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. De aansluiting op het riool wordt geregeld door de gemeente. Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 43

De uitgangspunten voor het hemel- en vuilwaterriool zijn als volgt: ▪ Waterverbruik 120 liter/inwoner/dag met een piek van 10 l/ uur/ inwoner ▪ Woningbezetting 2,5 inwoners ▪ Ontwerpvullingsgraad leiding 50% ▪ Verhang leidingen 4‰ aflopend naar 2‰ ▪ Minimale diameter ø250 mm ▪ Minimale dekking 1,3 m ▪ Maximale afstand van woning naar vuilwaterriolering = 15 m Het onder vrij verval aansluiten op de Fazantlaan naar het zuiden is niet mogelijk in verband met een hoge b.o.b. van de leiding in de Fazantlaan en daarmee onvoldoende dekking. Het vuilwater zal daarom met een pomp aangesloten dienen te worden op het gemengde rioolstelsel in de Fazantlaan. De te verwachten hoeveelheid droogweerafvoer dat vrij gaat komen is 0,82 m3/h. Dit komt voort uit de berekening met 35 woningen * 2,5 inwoners * 0,010 m3/h piek voor waterverbruik = 0,87 m³/h + 10% marge. Een standaard rioleringspomp van ca. 15 m3/h is voldoende om de droogweerafvoer te verpompen en is er ook nog ruimte beschikbaar voor eventuele toekomstige uitbreidingen. Voor de vuilwaterriolering kan een afmeting van ø250 mm aangehouden worden. Dit is ruim voldoende voor de inzameling en transport van het afvalwater.

Geadviseerd wordt om te toetsen of de extra afvoer op het gemengde rioolstelsel naar het zuiden past of niet Klimaatadaptatie/Verdroging Een van de effecten van klimaatverandering is dat er vaker langere periodes zijn van droog en warm weer, alsmede nattere periodes met hevige regenval. Ook in de regio Geldrop speelt het probleem droogte, hierom is het wenselijk om tijdens droge dan wel natte periodes water vast te kunnen houden in de openbare ruimte. De bodem zelf heeft goede waterretentiemogelijkheden, vanwege een goede infiltratie laag (zand) bovenop een slechte infiltratie laag (leem). Maar er moet wel een mogelijkheid zijn tot infiltratie; bij verharde grond is dat niet zomaar het geval. Daarom wordt de verwezenlijking van onverharde grond óf infiltratie mogelijkheden in verharde grond geadviseerd om klimaat- en toekomstgericht te ontwikkelen. Het is daarnaast mogelijk om opvangreservoirs, zoals infiltratiekratten, of waterberging te realiseren. Het verwezenlijken van goede infiltratie heeft daarnaast een positief effect op overstromingen door regenbuien.

Beschrijving huidige en toekomstige situatie Het plangebied heeft een totaal oppervlakte van circa 31 ha. In de huidige situatie bestaat uit perceel uit voornamelijk agrarisch grondgebruik met enkele paden. In onderstaande tabel is het totaal oppervlak per typering, de aanname voor het te verwachten verhard oppervlak en het afvoerend verhard oppervlak dat hieruit resulteert opgenomen. Daarnaast is voor de openbare ruimte onderscheid gemaakt tussen infrastructuur (incl. parkeerplaatsen), retentievoorziening en overig/groen. Voor elk type is een aanname gedaan van het te verwachten verhard oppervlak op basis van kentallen van eerdere ontwikkelingen van Luchen. Voor de tiny-houses is uitgegaan dat er naast de huisjes van 36-40 m² (20% van totaal) ook een vergelijkbaar oppervlak aan verharding wordt ingericht (ca. 20%). Voor de bepaling van het afvoerend verhard oppervlak is gerekend dat alle verhardingen volledig afstromen (afvoercoëfficiënt van 1). Het totale afvoerend verhard oppervlak welke afwatert is 1,53 ha. Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 44

Tabel 5: Overzicht bepaling totaal oppervlak en afvoerend verhard oppervlak

De bergingsopgave is in beeld gebracht op basis van de bergingseis van 60 mm conform het beleid van het waterschap. Aanvullend hierop geldt een bergingseis van 60 mm op eigen terrein om daarmee een klimaatrobuuste inrichting te realiseren. Uitgaande van de eis van het waterschap moet er een totale waterberging van 917 m3 worden gerealiseerd in openbare gebied.

Tabel 6: Benodigde waterberging 60mm

Het plangebied heeft een hoogteligging die varieert tussen NAP +19,75m tot +21,45m. Het nieuwe maaiveld dient verder afgestemd te worden op de omgeving. Het straatniveau van de Koolmees ten noorden van het plangebied ligt op ca. +20,4 m NAP, het straatniveau van de Fazantlaan ten zuiden van het plangebied op ca. +20,2 m NAP. Als deze hoogte ongeveer wordt aangehouden worden géén problemen voorzien ten aanzien van de ontwatering. In het plangebied is greppel aanwezig. Daarnaast ligt in het zuidenoosten van het plangebied een bestaande wadi die ten behoeve van plangebied Landkaartje is aangelegd. Het uitgangspunt is om de waterberging binnen het plangebied een plek te geven. In het beleid van het waterschap is een bergingseis van 60 mm opgenomen. Daarnaast geldt een aanvullende eis van 60 mm op eigen terrein. Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 45

Er worden 3 wadi’s aangelegd als waterbergende functies. De wadi’s worden ruimtelijk gekoppeld aan de groenstructuren in het plan. De verspreide ligging versterkt het waterbergende vermogen. Voor een goede waterhuishouding tussen het plangebied en het hoger gelegen buitengebied wordt er in het westen een watergang voorzien. Deze zone wordt tevens benut om het hoogteverschil op te vangen. De bestaande greppel langs de Fazantlaan en Koolmees voorziet eveneens in de afwatering. Ten noorden van de buurtontsluiting is een zoekgebied voor een tijdelijke waterbergende functie opgenomen. Indien de huidige opzet niet voldoende waterberging voorziet, kan hier de waterberging uitgebreid worden. In het schetsontwerp met bovenstaande ingrepen 1.400 m² opgenomen als reservering voor een retentievoorziening. Uitgaande van een gemiddelde peilstijging van 0,40 m kan er ca. 560 m3 water geborgen worden. Dit is onvoldoende om te voldoen aan de benodigde berging van 917 m3 (60 mm bergingseis). Er zijn aanvullende maatregelen nodig om de overige 357 m3 water te kunnen bergen. Conform het beleid van de gemeente Geldrop-Mierlo moet op eigen terrein 60 mm worden geborgen. Als er op eigen terrein 60 mm wordt geborgen dan zijn aanvullende ondergrondse maatregelen niet meer nodig. De gemeente kiest ervoor om de totaal benodigde berging in openbaar gebied te realiseren.

Met aanvullende ondergrondse maatregelen kan deze benodigde berging wel worden vervuld. Om te voldoen aan de bergingseis is aanvullende waterberging noodzakelijk. De GHG ligt op ca. 1.60 m -mv, waardoor een ondergrondse voorziening met een hoogte van ca. 1m mogelijk is onder de fundering of als wegcunet. Hier kan ruimte voor waterberging gevonden worden door het toepassen van verschillende ondergrondse voorzieningen. Bij het toepassen van IT-riolering met daar omheen lavakoffers kan ca. 540 m3 water geborgen worden. Bij toepassing van Bufferblock als fundering van de wegen kan ca. 505 m3 water geborgen worden. Bij de toepassing van Rockflow kan verreweg het meeste water geborgen worden, ca. 990 m3.

Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 46

Figuur 29: Kaart waterhuishouding (bron: stedenbouwkundig plan Fazantlaan-West BRO d.d. 12-07-2023)

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. De waterparagraaf wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg voorgelegd aan het waterschap. Middels een voorwaardelijke verplichting in de regels wordt geborgd dat er voldoende water in het plangebied wordt opgevangen en geïnfiltreerd. Bij de nieuwbouw wordt hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd. Het afvalwater zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op een nieuw aan te leggen rioleringsstelsel in de omgeving. Voor hemelwater wordt de toename van afvoer van afstromend hemelwater gecompenseerd conform de eisen van het waterschap. De realisatie en instandhouding van deze waterbergingsvoorziening c.q. infiltratievoorziening met voldoende capaciteit wordt geborgd middels een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. Daarmee zal de ontwikkeling hydrologisch neutraal zijn.

4.6

NATUUR

Toetsingskader De natuurwet- en regelgeving kent twee sporen, namelijk een soortgericht spoor en een gebiedsgericht spoor. De bescherming van deze twee sporen is geregeld in de Wet natuurbescherming. Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 47

tot actuele natuurwetgeving. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. In dit kader is inzicht gewenst in de aanwezige natuurwaarden en de mogelijk daarmee samenhangende consequenties vanuit de natuurwetgeving. Door BRO is in september 2022 een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De rapportage is als bijlage opgenomen bij de toelichting. Hierna volgen de belangrijkste bevindingen.

Beoordeling gebiedsbescherming Natura2000 Het meest dichtstbijzijnde natura2000 gebied is de Strabrechtse Heide & Beuven op ruim 2,3 kilometer afstand van het plangebied. Werkzaamheden kunnen voor negatieve effecten zorgen zoals verdroging, vernatting, trillingen, geluidsverstoring of lichtvervuiling. Gelet op de ligging van het plangebied en de beperkte impact van de ingreep, kan verstoring van soorten in Natura 2000-gebied door licht, geluid of trilling op voorhand worden uitgesloten. Op het aspect stikstof wordt in paragraaf 4.3 nader ingegaan.

2,3 km

Figuur 30: De planlocatie ten opzichte van het Natura2000 netwerk

Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 48

Natuur Netwerk Nederland Het plangebied vormt de overgang van de kern van Mierlo naar het buitengebied met bos. In het figuur hieronder is dan ook te zien dat de planlocatie grenst aan het Natuur Netwerk Nederland (NNN). In paragraaf 3.2.2 wordt nader ingegaan op het potentiële effect van de ontwikkeling op het functioneren van het NNB en de groenblauwe mantel.

Figuur 31: De planlocatie ten opzichte van het Natuur Netwerk Nederland (NNN)

4.6.1

Beoordeling soortenbescherming

De ontwikkeling kan negatieve gevolgen hebben voor de wezel, bunzing en steenmarter, wat een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming betreft. Daarom zal middels soortgericht vervolgonderzoek eerst inzichtelijk moeten worden of in de huidige situatie verblijfplaatsen en essentieel leefgebied aanwezig zijn van de betreffende soort(groep)en. Das Voor de das dient conform het Kennisdocument Das verspreid over het jaar in totaal driemaal naar actieve gebruikssporen te worden gezocht. Bij afwezigheid hiervan kan gebruik redelijkerwijs worden uitgesloten. Daarnaast zullen de cameravallen die voor het marteronderzoek gebruikt worden, ook gecheckt worden op aanwezigheid van das. Grondgebonden zoogdieren Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plangebied de niet vrijgestelde soorten wezel, bunzing steenmarter, eekhoorn, das, bever en waterspitsmuis voor. Het plangebied bestaat voornamelijk uit intensief akker- en grasland, wat geen geschikt leefgebied voor de kleine marterachtigen betreft. Langs de bosranden zijn binnen het plangebied enkele struwelen van brandnetel en braam aanwezig waarbinnen potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn in de vorm van stapels hout en stenen en konijnen- en muizenholen. Ook voor steenmarter zijn deze deels geschikt. Binnen het plangebied zijn geen nesten of sporen van de eekhoorn aangetroffen.

Aan de zuidrand van het noordelijke perceel is in een ruigtestrook een vervallen burcht aanwezig, mogelijk van das. Het betreft circa 5 pijpen die allemaal niet in gebruik zijn, te zien aan ingestorte ingangen en door materiaal (begroeiing, bladeren) bijna dichtgeslibd zijn. Dicht bij de burcht is een aangevreten maiskolf aangetroffen, vrij ver van de dichtstbijzijnde maisakker vandaan. Het is onduidelijk of dit door de das is gedaan. Voor de bever en waterspitsmuis is geen geschikt leefgebied Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 49

aanwezig. De aanwezigheid van andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten. Langs de bosranden is leefgebied en potentiële verblijfplaatsen van de marterachtigen aanwezig. Vervolgonderzoek dient uit te wijzen of de wezel, bunzing en steenmarter van het gebied gebruik maken. Er zijn mogelijke sporen van de das aangetroffen binnen het plangebied. Er dient duidelijk te worden of de das gebruik maakt van het plangebied. Dit kan door het uitvoeren van twee extra bezoeken verspreid over het jaar, waarbij gezocht wordt naar sporen van de das. In het kader van de zorgplicht is het daarnaast noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen van een algemene soort. Door Stantec is in het najaar van 2023 conform het Kennisdocument Das een nader onderzoek uitgevoerd naar leef- en verblijfsplaaten van de gronden door de das. Het onderzoek is als bijlage opgenomen bij de toelichting. Hierna volgen de belangrijkste bevindingen van het nader onderzoek: ▪ Burchten/holen Ter plaatse van het plangebied is geen hoofdburcht en/of bijburcht aangetroffen. Aan de rand van het plangebied is een vluchtpijp waargenomen. Een vluchtpijp is een vaste rustplaats en onderdeel van het functioneel leefgebied van de das.

Met de voorgenomen werkzaamheden wordt de vluchtpijp vernietigd. Het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantings- of rustplaatsen van de das (artikel 3.10 lid 2, sub b). Voor de voorgenomen nieuwbouwwerkzaamheden dient een ontheffingsaanvraag te worden ingediend. ▪ Migratieroutes Het plangebied wordt door de das gebruikt om te migreren van de hoofdburcht naar de foerageergebieden. Op basis van het camera- en sporenonderzoek kan geconcludeerd worden dat de migratieroute niet heel frequent gebruikt wordt. Er zijn geen aanwijzingen dat het een essentiële migratieroute betreft. In de omgeving van het plangebied zijn voldoende alternatieven aanwezig in de vorm van houtwallen, groenstroken, bosgebieden en kleinschalig landschap. In het voorgenomen inrichtingsplan zijn groenstroken ingetekend ter plaatse van de huidige migratieroute. Hiermee kan de locatie dienen als migratieroute van de burcht naar de foerageergebieden. ▪ Essentieel functioneel leefgebied Het plangebied is onderdeel van een functioneel leefgebied. Het grasveld en de maisvelden dienen als foerageergebied en de lanen en bosrand kunnen als oriëntatie- en schuilmogelijkheden. Het plangebied is geen essentieel onderdeel van het leefgebied omdat er in de nabije omgeving voldoende alternatieven aanwezig zijn. De planlocatie ligt aan de rand van het leefgebied tegen de bebouwde omgeving aan.

Ter plaatse van het plangebied is veel verstoring in de vorm van fietsers, honden en overige recreatie. Uitgaande van een suboptimaal leefgebied (150 hectare) verdwijnt er 4% van het gebied (6 hectare). Er zal geen ruimtebeslag plaatsvinden op de groenstrook die kan fungeren als migratie- en oriëntatiestrook. Hiermee is migratie van de burcht naar de foerageergebieden in de nieuwe situatie nog steeds mogelijk via het plangebied.

Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 50

De steenmarter en kleine marterachtigen zijn geen onderdeel van het nader onderzoek. Ten aanzien van de verblijfplaatsen van marterachtigen wordt direct ingestoken op een mitigatie- en compensatieplan. Hiermee wordt het nader onderzoek overgeslagen en wordt er uitgegaan dat de soort voorkomt binnen het plangebied. Op de camerabeelden van het nader onderzoek naar de das was te zien dat bunzing en steenmarter gebruik maken van het plangebied als leef- en foerageergebied. De bunzing kan de vluchtpijp ook gebruiken als vaste rust- en verblijfplaats. Naast voor de das is voor de steenmarter en kleine marterachtigen een ontheffing noodzakelijk in het kader van de Wet Natuurbescherming. Voor de ontheffing Wnb is in het mitigatie- en compensatieplan beschreven welke maatregelen getroffen worden om de vernietiging van vaste rust- en verblijfplaatsen te compenseren. Deze rapportage is toegevoegd aan de ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming.

4.7

STIKSTOF

Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb, per 1 januari 2017) regelt de bescherming van natuurgebieden die uniek zijn voor Nederland en Europa, de bescherming van planten en dieren en van bossen en andere houtopstanden. Voor de Wet natuurbescherming heeft de Europese regelgeving als uitgangspunt gediend. De gebiedsbescherming in de Wnb richt zich uitsluitend op Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudings doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Handelingen of activiteiten binnen en buiten beschermde natuurgebieden die schadelijk zijn voor de doelstellingen van het gebied zijn verboden, tenzij door het bevoegd gezag hier vergunning voor is verleend.

Beoordeling Het plangebied ligt op een afstand van ca. 2,3 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied ‘Strabrechtse Heide & Beuven’. Door Stantec is een onderzoek (zie bijlage) uitgevoerd naar de stikstofdepositie vanwege het stedenbouwkundig plan ‘Fazantlaan-West’. De berekening is uitgevoerd met de AERIUS Calculator 2023.2 (releasedatum 29 maart 2024). Voor zowel de sloop- /bouwfase en gebruiksfase is bepaald wat de bijdrage van het plan is aan stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden is. Vervolgens is bepaald of deze resultaten leiden tot mogelijk significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden en of een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. De realisatie van het woningbouwplan zorgt voor emissie van stikstof, doordat de bouwactiviteiten verkeersbewegingen genereren en er (mobiele) werktuigen, voorzien van verbrandingsmotoren, op de bouwplaats in werking zijn. Nadat het bouwplan is opgeleverd vindt ook stikstofemissie plaats tijdens het gebruik ervan.

Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 51

Aangegeven is dat bouw zal aanvangen in 2025. Gezien de geringe stikstofruimte door de korte afstand tot nabijgelegen Natura 2000-gebieden is uitgegaan van een bouwfase van 2 jaar. De stikstofberekening dient in nader te bepalen zichtjaren te gebeuren. Dit plan zal 2 zichtjaren bevatten, waarvan de bouwfase in zowel zichtjaar 2025 als 2026 beschouwd wordt. De gebruiksfase is tevens (worst-case) in 2026 beschouwd. Door Stantec is een reële prognose opgesteld van de in te zetten mobiele werktuigen en bouwverkeer tijdens de bouwactiviteiten. Deze uitgangspunten met betrekking tot de bouwfase en inzet van materieel zijn opgenomen in de begeleidende memo. Ten aanzien van de gebruiksfase is het uitgangspunt dat woningen gasloos worden gebouwd, waardoor er geen stikstof uitstotende installaties aanwezig zijn in de nieuwe woningen. Dit betekent dat de stikstofemissie voor de toekomstige gebruiksfase wordt bepaald door de verkeersaantrekkende werking van gemotoriseerd verkeer.

Conclusie Uit de berekening blijkt dat de bouwactiviteiten alsmede het toekomstige gebruik van de nieuwe woningen niet leiden tot stikstof-depositie ter plaatse van de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Op grond van de Wet Natuurbescherming geldt een vrijstelling van de vergunningplicht en is nader onderzoek niet noodzakelijk. Voorwaarde is wel dat er AdBlue (6%) toegepast dient te worden tijdens de gehele bouwfase.

4.8

BODEM

Toetsingskader Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient bij ruimtelijke ontwikkelingen de bodemkwaliteit te worden beschouwd. Bij ruimtelijke plannen met een functiewijziging dient te worden aangetoond dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de functie die ter plaatse wordt beoogd. Met een milieuhygiënisch vooronderzoek (bodem) wordt inzicht verkregen in de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en de mogelijke aanwezigheid van verontreinigde stoffen in de grond of het freatisch grondwater. Op basis van de resultaten van het onderzoek kan worden vastgesteld of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem een belemmering vormt voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. De percelen zijn in het verleden allemaal eens onderzocht, maar de onderzoeken zijn gedateerd en een actualiserend bodemonderzoek is daarom noodzakelijk.

Beoordeling Door Stantec is in december 2023 een verkennend bodemonderzoek om inzicht te krijgen in de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en daarmee vast te stellen of op de locatie verontreinigende stoffen in de grond of het freatisch grondwater aanwezig zijn. Het onderzoeksrapport is als bijlage 8 bij de toelichting opgenomen. Met het verkennend bodemonderzoek is de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in voldoende mate vastgesteld. In de boven- en ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. De matig verhoogde concentratie koper en de overige licht verhoogde concentraties in het grondwater worden gezien als regionale waarden. De resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek geven geen aanleiding voor het verrichten van een nader bodemonderzoek. Stantec | Bestemmingsplan ‘Fazantlaan-West (Luchen) 52

De resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek vormen geen belemmering voor werkzaamheden ten behoeve van de herinrichting van het gebied en de toekomstige bestemming ‘wonen’. Eventueel vrijkomende grond kan waarschijnlijk op of buiten de locatie worden hergebruikt. Door de aard en concentraties van de in de grond aanwezige stoffen kent bij eventuele graafwerkzaamheden vrijkomende grond mogelijk een beperkt gebruik. Als vrijkomende grond elders wordt hergebruikt kunnen partijkeuringen conform het Besluit bodemkwaliteit noodzakelijk zijn om de uiteindelijke hergebruiksmogelijkheden van de grond vast te stellen.

Conclusie Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek is er ten aanzien van bodemkwaliteit geen belemmering voor het gebruik van de locatie als woonfunctie.

4.9

ARCHEOLOGIE EN ERFGOED

4.9.1

Archeologie

Toetsingskader Gemeenten hebben op basis van de Monumentenwet en de Wet op de archeologische monumentenzorg de rol van bevoegd gezag op gebied van archeologie. Dit betekent dat de zorg voor het bodemarchief niet langer vrijblijvend is, maar dat zij de verantwoordelijkheid moeten nemen voor de archeologische monumentenzorg.

Beoordeling In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse archeologische onderzoeken uitgevoerd. Op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart van de gemeente heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting. In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. In het noorden grenst het plangebied aan de deels opgegraven nederzetting uit de late prehistorie, waarbij de verwachting is uitgesproken dat de vindplaats naar het westen mogelijk doorloopt. Bureau- en booronderzoek 2006 Uit het in 2006 uitgevoerde archeologische bureau- en booronderzoek in het plangebied Luchen bleek dat er een hoge verwachting was op vindplaatsen van jagers-verzamelaars uit de vroege prehistorie, een hoge tot lage verwachting op vindplaatsen uit het Neolithicum en de Vroege Bronstijd. Voor de Midden-Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen gold een hoge trefkans op bewoningssporen van meerdere wijdverspreide erven op de dekzandruggen. Ook was een urnenveld niet uit te sluiten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GeldropMierlo&id=e20807eb-659b-4234-b4f7-9bd2efd227b0