CConstaterende datGeldrop-Mierlo
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Heiderschoor 10 - Toelichting

Commissie Ruimte 9 april 2024, gemeente Geldrop-MierloBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Heiderschoor 10 Mierlo17.580 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

27

Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie.

in Artikel

3.9

Bij de beoogde ontwikkeling wordt meerwaarde gecreëerd door het toekennen van een passende vervolgfunctie aan een voormalige agrarische bedrijfslocatie. De ontwikkeling gaat uit van een vervolgfunctie met qua bebouwing en milieu-impact minder invloed op de omgeving, terwijl de locatie een rendabel perspectief wordt geboden en een bijdrage wordt geleverd aan de leefbaarheid van het buitengebied. Tevens is een inpassingsplan opgesteld ten behoeve van de ontwikkeling (zie paragraaf 2.2). Met het initiatief wordt dan ook invulling gegeven aan het aspect ‘meerwaardecreatie’. Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b.

het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken. Onderdeel van het plan is beperking van het bestemmingsvlak aan de noordzijde en inpassing van de locatie. Op deze manier wordt gezorgd voor een bij de ontwikkeling passende kwaliteitsverbetering van het landschap.

Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

28

Bij de ontwikkeling is geen sprake van toepassing van de regeling voor ‘maatwerk met als doel omgevingskwaliteit’. De beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant is dan ook niet van toepassing. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief past binnen de beleidslijnen uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en dit beleidskader geen belemmering vormt voor het plan.

3.3.

Gemeentelijk beleid

3.3.1.

Structuurvisie gemeente Geldrop-Mierlo

De gemeentelijke structuurvisie is vastgesteld op 13 december 2010. In de structuurvisie is het ruimtelijk beleid op hoofdlijnen voor de gehele gemeente weergegeven. Het beleid voor het platteland richt zich, onder meer in navolging van de reconstructieplannen, op het werken aan een nieuw evenwicht tussen de verschillende functies, met aandacht voor functies die elkaar ‘in de weg zitten’ en zich daardoor niet goed kunnen ontwikkelen. Afhankelijk van de situatie wordt gekozen voor scheiding of verweving. Heiderschoor 10 en omgeving zijn op het Duurzaam Ruimtelijk Structuurbeeld, dat onderdeel uitmaakt van de Structuurvisie, aangewezen als ‘Agrarisch gebied’. In de nabijheid is een strook aangewezen als ‘Landschapsecologische verbindingszone’. Voor het agrarisch gebied geldt dat de landbouw hier in beginsel ruimte krijgt om zich door te ontwikkelen. Het agrarisch gebied is relatief open. Deze openheid voegt een gebiedseigen kwaliteit toe aan het landschap en dient dan ook zoveel mogelijk gehandhaafd te blijven. Het landschap biedt niet alleen mogelijkheden deze openheid te versterken, maar ook voor de inplaatsing van de bestaande en nieuwe functies. De landschapsecologische verbindingszone is bedoeld om natuurgebieden te verbinden, zodat een ecologisch netwerk gerealiseerd wordt. In de Structuurvisie uit 2010 is geen beleid vastgelegd voor de transitie van het buitengebied.

Van belang is dat geen sprake is van een duurzame agrarische locatie en dat het streven is voor vrijkomende agrarische locaties een passende vervolgfunctie te realiseren.

Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

29

4.

Onderzoeksaspecten

4.1.

Inleiding

Bij de toekenning van een nieuwe functie aan een bepaald gebied dient rekening gehouden te worden met mogelijke (milieu-)effecten op de omgeving en vanuit de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten zoals bedrijven en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, bodem, geur en externe veiligheid wordt in de volgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar planologische aspecten, zoals kabels en leidingen, water, archeologie en cultuurhistorie, natuur, verkeer en parkeren en duurzaamheid. Ook de hieruit voortkomende bevindingen worden in dit hoofdstuk toegelicht.

4.2.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Algemeen In de Wet milieubeheer is aangeven dat voor bepaalde ontwikkelingen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. In de wet is de procedure beschreven en zijn de inhoudelijke eisen opgenomen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen ‘m.e.r.-plichtige activiteiten’, waarvoor een volledig milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld en ‘m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten’, waarbij moet worden afgewogen of sprake kan zijn van significant negatieve gevolgen voor het milieu. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het ruimtelijk plan of de omgevingsvergunning plan m.e.r.-plichtig, project m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. In het Besluit m.e.r. zijn voor deze activiteiten drempelwaarden opgenomen. Daarnaast zijn er ruimtelijke ontwikkelingen die onder de drempelwaarden blijven. Voor dit soort situaties geldt dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' uitgevoerd moet worden. Deze toets is weliswaar 'vormvrij'; de wet stelt echter wel eisen aan de inhoud. In de praktijk betekent dat in de toelichting bij het ruimtelijk plan een paragraaf 'vormvrije m.e.r.beoordeling' wordt opgenomen.

Beoordeling In dit geval is voorliggende toelichting onderdeel van een bestemmingsplan, dat hergebruik van een voormalig agrarisch bedrijf voor kleinschalige bedrijvigheid met bedrijfswoning en ondersteunende functies mogelijk maakt. Er is geen sprake van een activiteit die genoemd wordt in onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is dan ook niet aan de orde en het opstellen van een aanmeldingsnotitie of plan-m.e.r. niet noodzakelijk.

4.3.

Bedrijven en milieuzonering

Goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen).

Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

30

In het plangebied verdwijnt het agrarisch bouwvlak. In de toekomst vormen kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en wonen het hoofdgebruik op de locatie. In plaats van één bedrijfswoning en agrarisch bedrijf met caravanstalling zijn op de locatie in de toekomst één bedrijfswoning, een kleinschalig bedrijf en de caravanstalling toegestaan. Met de functie ‘bedrijfswoning’ is zowel in de huidige als in de toekomstige situatie sprake van een milieugevoelige functie. Ook een bedrijfswoning vormt immers een gevoelige functie ten opzichte van omliggende inrichtingen. Het verdwijnen van het agrarisch bedrijf heeft positieve gevolgen voor de (directe) omgeving van de locatie. De milieu-invloed van deze bedrijvigheid op de omgeving verdwijnt immers (grotendeels). Wel wordt in onderstaande toetsing het nieuwe bedrijfsmatig gebruik beoordeeld op z’n invloed naar de omgeving. Aan de hand van de (indicatieve) lijst ´Bedrijven en Milieuzonering´, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG, 2009), is een toets uitgevoerd van de milieuhygiënische situatie ter plaatse van het Heiderschoor. Eén van de belangrijkste bouwstenen bij milieuzonering is de richtafstandenlijst. Deze lijst biedt voor een scala aan typen bedrijvigheid de richtafstanden tot gevoelige bestemmingen vanwege geur, stof, geluid en gevaar.

Daarnaast zijn indices voor verkeersaantrekkende werking, bodem, lucht en visueel opgenomen in de lijst. De opgenomen richtafstanden betreffen indicatief de aan te houden afstand tussen hinder veroorzakende en milieugevoelige functies. Indien dit voldoende gemotiveerd wordt kan hiervan afgeweken worden. De afstand dient (in principe) te worden gemeten vanaf de bestemmingsgrens van de inrichting tot de milieugevoelige functie. Bij het bepalen van de richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • Het betreft ‘gemiddeld’ moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen. • De richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’. Wanneer sprake is van ‘gemengd gebied’ kan de richtafstand met één trede worden verlaagd; • De richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. • Bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten (zoals productie, opslag, kantoren, parkeerterreinen) kunnen deze deelactiviteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie.

• De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Dit betekent dat gemotiveerd afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. De richtafstanden zijn weergegeven in afstandsklassen. De richtafstanden voor de te onderscheiden bedrijfstypen zijn afgeleid van: - in Nederland aanvaarde normen voor de emissies door milieubelastende activiteiten; - in Nederland voorgeschreven of aanvaarde grens- en richtwaarden voor de immissies bij woningen en andere milieugevoelige bestemmingen; Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

31

-

ervaringen en waarnemingen met betrekking tot de omvang en schadelijkheid van emissies door activiteiten.

De grootste afstand voor geur, stof, geluid en gevaar is bepalend voor de indeling in de milieucategorie. De volgende tabel geeft inzicht in het verband tussen de afstand en de milieucategorie. Milieucategorie Richtafstand 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

De locatie Heiderschoor 10 is gelegen in een gebied met diverse bedrijven en functies. Het gebied kan dan ook aangemerkt worden als ‘gemengd gebied’, waarvoor de milieucategorie één trede verlaagt mag worden ten opzichte van een ‘rustig woongebied’. In de nieuwe situatie is sprake van drie bedrijfsmatige deelactiviteiten. In de navolgende tabel is de omschrijving van de bedrijvigheid en toetsing ten opzichte van de omgeving opgenomen. Bedrijfsactiviteit

VNG-categorie

1. Caravanstalling 2. Kleinschalig bedrijf (hovenier en kleinschalig grondverzet)*

Toegekende milieucategorie VNG-lijst

Minimale aanbevolen afstand VNG-lijst in gemengd gebied (meter) 10 10

Opslaggebouwen 2 Plantsoenendiensten 2 en hoveniersbedrijven: b.o. <= 500 m2 Dienstverlening t.b.v. 2 10 de landbouw algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o. <= 500 m2 3. Stalling één eigen Autoparkeerterreinen, 2 10 vrachtwagen parkeergarages * Initiatiefnemers zijn met name gespecialiseerd in een specifiek deel van het hovenierswerk, de grovere werkzaamheden waarvoor specifieke apparatuur benodigd is. Om een goede afweging te Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

32

maken is voor de toetsing ook aansluiting gezocht bij de categorie ‘Dienstverlening t.b.v. de landbouw <= 500 m2’ uit de VNG-lijst. De aard van de werkzaamheden is hiermee vergelijkbaar en tevens vinden deze eveneens plaats bij derden (locatie klant/ afnemer). Heiderschoor 12 is bestemd als burgerwoning en daarnaast zijn op de locaties Heiderschoor 9 en 13 bedrijfswoningen aanwezig. Deze 3 bestemmingsvlakken zijn binnen 10 meter van het plangebied Heiderschoor 10 gelegen. Tussen Heiderschoor 12 en de bedrijfsactiviteiten is een afscheiding aanwezig, in de vorm van een groenstructuur. Ten opzichte van Heiderschoor 9 en 13 wordt de ruimtelijke barrière gevormd door de aanwezige weg. Het plangebied wordt van oudsher benut voor een gemengd agrarisch bedrijf, met melkveehouderij als hoofdtak. Op grond van de VNG-lijst geldt hiervoor milieucategorie 3.2 met, in gemengd gebied, 50 meter als aanbevolen afstand. Deze activiteiten, met een significant grotere milieu-invloed, vervallen met voorliggende ontwikkeling. Voor Heiderschoor 9 en 13 geldt dat op deze locaties eveneens bedrijvigheid toegestaan en aanwezig is, waardoor de invloed van bedrijfsactiviteiten uit milieucategorie 2 op Heiderschoor 10 weg zullen vallen in de eigen bedrijvigheid en niet zullen leiden tot milieuhygiënische belemmeringen.

Heiderschoor 12 ligt reeds sinds lange tijd ingebed tussen bedrijfsmatige activiteiten. In z’n algemeenheid worden activiteiten in categorie 1 en 2 geacht inpasbaar te zijn in de woonomgeving. Ten opzichte van de huidige situatie is sprake van een verbetering waarbij geldt dat de bedrijfsgebouwen op ruim 16 meter afstand van de woonbestemming zijn gelegen en dat de afstand tot de woning zo’n 24 meter bedraagt. In de geldende planregels van de bestemming ‘Wonen’ is bepaald dat bij vervangende herbouw, de woning uitsluitend op de bestaande locatie gesitueerd mag worden. Een verkleining van de afstand tussen de bedrijfsmatige activiteiten op Heiderschoor 10 en de woning op Heiderschoor 12 is dan ook niet aan de orde. Conclusie De bestemming van de locatie wordt omgevormd van ‘Agrarisch’ naar ‘Bedrijf’, met een specifieke functieaanduiding voor het type activiteiten. De bedrijfswoning op Heiderschoor 10 is reeds bestaand, waardoor geen sprake is van een wijziging in de toetsing ten opzichte van omliggende inrichtingen. De beperkte bedrijfsmatige activiteiten die worden toegestaan kunnen enige invloed hebben op functies in de omgeving. Gezien de functies in de omgeving, de aard van het gebied en het beoogde gebruik is duidelijk dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal worden geboden.

4.4.

Bodem

Bij een functiewijziging dient gemotiveerd te worden dat de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoende is ten opzichte van de in het plan toegelaten bestemming/ functie. De (milieuhygiënische) bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de volgens de bestemming toegestane functie(s). In het kader van voorliggende bestemmingswijziging is door BodemInzicht een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd op basis Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

33

van de richtlijnen zoals deze zijn vastgelegd in de norm NEN5740. De onderzoeksrapportage (Verkennend bodemonderzoek Heiderschoor 10 te Mierlo. BodemInzicht, 29 maart 2022) is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting. De conclusie van het onderzoek luidt als volgt: Op basis van het vooronderzoek worden de voormalige ondergrondse HBO tank, de voormalige bovengrondse dieseltank en de huidige dieseltank als verdacht (VEP/VEP-OO) beschouwd. De toekomstige woonbestemming wordt, met het oog op het voormalig gebruik als agrarisch erf, beschouwd als een verdachte niet-lijnvormige locatie (VED-HE-NL, tabel 9.1). Veldbevindingen Tijdens het verrichte veldwerk zijn regelmatig sporen tot zwakke bijmengingen van baksteen aangetroffen in de opgeboorde grond. Plaatselijk zijn sporen glas waargenomen in de bovengrond. Boringen 4 en 5a zijn gestaakt. De bijmengingen worden niet als asbestverdacht beoordeeld. Resultaten grondanalyses In BG1 van bovengrond ter plaatse van de voormalige bovengrondse dieseltank is geen gehalte aan minerale olie gemeten boven de achtergrondwaarde. In BG2 van bovengrond ter plaatse van de huidige bovengrondse dieseltank is geen gehalte aan minerale olie gemeten boven de achtergrondwaarde. In BG3 van zwak baksteenhoudende bovengrond zijn gehaltes aan zink, cadmium en PAK gemeten boven de achtergrondwaarden.

De licht verhoogde gehaltes zijn gerelateerd aan de aangetroffen bijmenging van baksteen en het gebruik van de locatie door de jaren heen. De verhoogde concentraties vormen geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. In BG4 van sporen baksteen- en glashoudende bovengrond zijn geen stoffen aangetoond boven de achtergrondwaarde. In BG5 van visueel schone bovengrond is een gehalte aan zink gemeten boven de achtergrondwaarde. De verhoogde concentratie vormt geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. In OG1 van de ondergrond ter plaatse van de voormalige ondergrondse huisbrandolietank is geen gehalte aan minerale olie aangetoond boven de achtergrondwaarde. In OG2 van de visueel schone ondergrond zijn geen gehaltes aan onderzochte stoffen gemeten boven de achtergrondwaarden. Resultaten grondwateranalyses In het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 is een gehalte aan barium gedetecteerd boven de streefwaarden. De verhoging aan barium is toe te schrijven aan een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde. De aangetoonde concentratie vormt geen aanleiding voor nader onderzoek. In het grondwater ter plaatse van peilbuizen 2 en 3a zijn geen gehaltes aan minerale olie gemeten boven de streefwaarde. Conclusie en advies De resultaten van het onderzoek ter plaatse van het agrarisch erf stemmen overeen met de gestelde hypothese.

De resultaten vormen geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksstrategie. De aanwezigheid van de dieseltank en de voormalige brandstoftanks hebben niet geleid tot bodemverontreiniging met minerale olie.

Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

34

De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging. Bovenbeschreven verkennend onderzoek is getoetst door het bevoegd gezag, waarbij aanleiding is gezien aanvullend onderzoek te verlangen in de vorm van verkennend asbestonderzoek en aanvullend onderzoek ter plaatse van een gestaakte boring. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in de rapportage ‘Verkennend asbestonderzoek Heiderschoor 10 te Mierlo’ (BodemInzicht, 12 oktober 2023), opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. In het onderzoek zijn de volgende conclusies en advies opgenomen: Aanvullend vooronderzoek NEN5725 De volledige laag puin (40-60 cm-mv) ter plaatse van de oprit wordt als asbestverdacht beschouwd. Het betreft een afgedekte fundatie van een kleinschalige locatie waarbij uitgegaan wordt van een verdachte heterogene funderingslaag (NEN5897, tabel 6). In eerste instantie wordt de fundatie onderzocht. Wanneer uit de analyseresultaten blijkt dat de fundatielaag sterk asbesthoudend is, wordt ook de bodem onder de fundatielaag ingezet voor analyse. Ter plaatse van meetpunt 4 worden aanvullende boringen verricht. Indien een asbestverdachte situatie wordt aangetroffen worden monsters ingezet voor analyse.

Asbestonderzoek NEN5897 Veldwaarnemingen asbestonderzoek Een maaiveldinspectie is niet verricht, als gevolg van de aanwezigheid van straatwerk. Onder de bestrating en een laag zand is van 0,25 tot 0,50 m-mv een halverharding van metselpuin aangetroffen. De puinlaag is gezeefd en geïnspecteerd op asbestverdachte fragmenten. Er zijn geen asbestverdachte fragmenten waargenomen. De onderliggende bodem, bestaande uit zwak humeus zand, is eveneens gezeefd. Visueel zijn geen bijmengingen of asbestverdachte fragmenten aangetroffen. Analyseresultaten asbest In het geanalyseerde mengmonster mm1 is een concentratie asbest aangetroffen. Uit de berekening van het gewogen gehalte blijkt een gehalte van 2 mg/kgds. De halfverharding, bestaande uit metselpuin, is niet ernstig verontreinigd met asbest. Het aangetoonde gewogen gehalte aan asbest is dermate laag, dat een asbestanalyse van het grondmengmonster mm2, samengesteld uit visueel schone bodem onder de halfverharding, niet zinvol wordt geacht. Conclusie De locatie is onverdacht op aanwezigheid van asbest in bodem. Aanvullend onderzoek meetpunt 4 Ter plaatse van meetpunt 4 is middels het maken van een proefgat, vastgesteld wat de reden is van de gestaakte boring tijdens het verkennend bodemonderzoek. Ter plaatse van meetpunt 4 is een onder een laag zand en gravel (oude erfverharding) een laag baksteen aangetroffen.

Met een stootijzer en schep is getracht de laag baksteen te verwijderen. Hierbij is op een diepte van 52 cm -maaiveld een ruimte aangetroffen. De bodem van deze ruimte is gepeild op 1,60 minus maaiveld en deze bestaat uit een betonvloer of vergelijkbaar. Geconcludeerd is dat hier sprake is van een septic- of mestput. Dit wordt bevestigd door de huidige eigenaar/bewoner. Bewoner geeft aan dat de put toebehoorde aan de voormalige boerderij, welke in 1958 is gesloopt. De put is niet meer in Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

35

gebruik. Het aangetroffen gravel en onderliggende laag baksteen zijn visueel beoordeeld en worden niet als asbestverdacht beschouwd. Met een prikstok is de globale contour van de put vastgesteld. Hierbij blijkt sprake van een put met afmetingen van 15 x 3 meter, parallel aan de huidige voorgevel van de boerderij en naastgelegen weg. Conclusie Aanvullend onderzoek wordt niet zinvol geacht. Advies Ter plaatse van de onderzoekslocaties zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De halfverharding en put vormen geen belemmering voor de bestemmingswijziging.

4.5.

Geluid

Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. Hierbij kan gedacht worden aan weg- en railverkeer, maar ook aan industriële activiteiten. De Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en het Bouwbesluit geven normen weer voor de hoogst acceptabele geluidbelasting en minimale geluidwering bij geluidgevoelige functies, zoals woningen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen bestaande en nieuwe situaties. Wegverkeerslawaai Op grond van de Wet geluidhinder dient voor nieuwe geluidgevoelige objecten getoetst te worden aan de geluidbelasting vanaf omliggende zoneplichtige wegen. Het plan voorziet niet in de realisatie van een nieuwe geluidgevoelige functie. De woning Heiderschoor 10 is reeds bestaand. Aangezien het Heiderschoor voor gemotoriseerd verkeer een doodlopende weg vormt en de verkeersintensiteiten beperkt zijn, is een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde niet aan de orde. Bij de bedrijfsmatige activiteiten is geen sprake van geluidgevoelige functies. Een akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Industrielawaai Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidcontour van een gezoneerd bedrijventerrein. De eventuele geluidsinvloed van omliggende bedrijven en inrichtingen op het plangebied en omgekeerd is reeds getoetst in paragraaf 4.3. Aan de, op grond van de VNG-brochure, aanbevolen afstanden wordt voldaan.

Een nader akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Voor de eigen bedrijfsactiviteiten, binnen het plangebied, geldt dat deze (o.a. voor het aspect Geluid) dienen te voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit. Conclusie Het aspect geluid legt, zowel voor het onderdeel ‘wegverkeer’ als voor het onderdeel ‘industrielawaai’, geen beperkingen op aan de beoogde functiewijziging van het plangebied.

Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

36

4.6.

Luchtkwaliteit

Wet Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: • • • •

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Hierna wordt ingegaan op het feit dat het initiatief ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, waardoor luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering vormen. ‘Niet in betekenende mate (NIBM)’ In het Besluit NIBM is vastgelegd wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: •

Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM. • Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. De Regeling NIBM geeft voor een aantal soorten van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Het gaat daarbij om woningbouwprojecten, kantoorprojecten en enkele inrichtingen (bijvoorbeeld landbouwinrichtingen). Als een project binnen de begrenzing van de Regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de grenswaarden nodig. Het project geldt dan als een NIBMproject en kan doorgaan zonder dat extra maatregelen worden genomen. Tevens is er dan geen luchtkwaliteitsonderzoek nodig. De 3% is als volgt gekwantificeerd: •

•

Voor woningbouw geldt dat de 3% grens is vastgesteld op 1.500 woningen (bij 1 ontsluitingsweg) en op 3.000 woningen in het geval van 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Voor kantoren geldt dat de 1% grens is vastgesteld op 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte kantoorgebouwen (bij 1 ontsluitingsweg) en op 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte

Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

37

kantoorgebouwen in het verkeersverdeling.

geval van 2 ontsluitingswegen met

een gelijkmatige

Bij voorliggend initiatief is sprake van herbestemming van een agrarisch bedrijf tot kleinschalig bedrijf. De omvang van dit initiatief en verkeersaantrekkende werking is dusdanig beperkt, dat de ontwikkeling ruimschoots binnen de NIBM-grens valt. Het plan geldt dan ook als een NIBM-project. Huidige achtergrondconcentratie Naast het effect dat het plan heeft op de luchtkwaliteit dient ook gekeken te worden naar de luchtkwaliteit in het plangebied zelf indien een nieuw gevoelig object wordt gerealiseerd. In deze situatie is sprake van een bestaand gevoelig object, de (bedrijfs-)woning, en worden geen gevoelige objecten toegevoegd. Een nadere toets aan het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Voor de volledigheid is de kaart ‘Achtergrondbelasting fijnstof (PM10) door veehouderijen’ geraadpleegd voor het plangebied. Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde concentratie minder dan 20 ug/m3 bedraagt. Er is dan ook geen sprake van een overbelaste situatie voor het aspect fijnstof door veehouderijen.

Afbeelding 14: Achtergrondbelasting fijnstof PM10door veehouderijen (bron: ODZOB)

Conclusie Door het feit dat de ontwikkeling ‘NIBM’ is, kan geconcludeerd worden dat er geen negatieve gevolgen zullen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. Daarnaast wordt geen gevoelige functie toegevoegd. Geconcludeerd wordt dan ook dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de bestemmingswijziging van het plangebied Heiderschoor 10.

Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

38

4.7.

Veehouderij: geur en gezondheid

Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Deze wet schrijft afstanden voor tussen een veehouderij en geurgevoelige objecten die moeten worden gehanteerd bij de verlening van een omgevingsvergunning milieu aan een agrarisch bedrijf waar vee wordt gehouden. Beoogde ontwikkeling voorziet in de beëindiging van een veehouderij, waarmee vanuit het plangebied de (negatieve) invloed op de omgeving voor het aspect geur verdwijnt. Binnen het plangebied wordt geen nieuwe geurgevoelige functie toegestaan. De woonfunctie is reeds bestaand en was ook als agrarische bedrijfswoning gevoelig voor de geuremissie van andere bedrijven. Voor de bedrijvigheid geldt dat het plangebied wordt benut voor stalling en opslag. Binnen het plangebied worden geen bedrijfsactiviteiten uitgevoerd, waardoor hier niet gedurende langere termijn mensen aanwezig zijn. Er is dan ook geen sprake van een nieuwe geurgevoelige functie binnen het plangebied.

Afbeelding 15: Achtergrondbelasting geur (bron: ODZOB, peildatum maart 2022)

Voor de volledigheid is de indicatieve kaart van de Omgevingsdienst Zuid-Oost Brabant geraadpleegd om zicht te krijgen op de achtergrondbelasting, de cumulatieve geurbelasting, binnen het plangebied. Uit deze kaart blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed tot zeer goed woon- en leefklimaat. Nu de berekende belasting dusdanig laag is, kan aan de hand van deze kaart worden aangenomen dat er vanuit het aspect geur sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Op basis van het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

39

Gezondheid Geitenhouderij Uit VGO-onderzoeken is gebleken dat tot 2 km rond geitenhouderijen een verhoogde kans op longontsteking bestaat. Naar aanleiding daarvan hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant besloten tot een moratorium op de geitenhouderij, om uitbreiden van dierenverblijven en omschakelen naar geitenhouderij tegen te gaan. Omgekeerd dient bij ontwikkeling van nieuwe gevoelige functies beoordeeld te worden of sprake is van een geitenhouderij binnen 2 km van het plangebied. Voorliggend plan voorziet niet in een nieuwe gevoelige functie nu de woning reeds bestaand is en de bedrijfsactiviteiten extern worden uitgevoerd en ter plaatse uitsluitend bestaan uit stalling en opslag. Een nadere toets voor het aspect ‘geitenhouderij’ is dan ook niet noodzakelijk. Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt.

Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. De gronden ten noorden en oosten van het plangebied zijn in eigendom van initiatiefnemer en worden gebruikt als extensief hooiland. Door initiatiefnemer worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Ten zuiden van het plangebied is de openbare weg gelegen, met aan de overzijde enkele bedrijven. Ook hier is geen gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aan de orde. Ten westen van het plangebied ligt een burgerwoning, waar eveneens geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Binnen het plangebied is dan ook geen sprake van gezondheidsrisico’s door toepassing van gewasbeschermingsmiddelen.

4.8.

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege: • het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen door bedrijven (inrichtingen);

Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

40

• • •

het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, waterwegen, spoorwegen en buisleidingen); het gebruik van luchthavens; het gebruik van windturbines.

Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden, richtwaarden en oriënterende waarden opgenomen voor het zogenaamde plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Daarnaast is er specifieke wetgeving voor de opslag van vuurwerk en munitie. Voor transport van gevaarlijke stoffen is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden, waarmee het verplicht is geworden transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd, vast te leggen in het bestemmingsplan. Verder is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van belang (Bevb). Voor luchthavens geldt specifiek beleid, dat deels nog in ontwikkeling is. De regels over externe veiligheid en windturbines zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. De laatste twee onderdelen zijn niet relevant voor dit bestemmingsplan. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet getoetst worden aan het externe veiligheidsbeleid. In ruimtelijke plannen moet worden ingegaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico.

(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

41

Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Plangebied De ontwikkeling voorziet niet in nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Ook worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die externe veiligheidsrisico’s voor de omgeving met zich meebrengen. Over het noordelijk deel van het plangebied, zo’n 100 meter ten noordoosten van het voorzien bestemmingsvlak ‘Bedrijf’, loopt een hoogspanningsverbinding. Aan weerszijden van de leiding geldt op basis van het bestemmingsplan een beschermingszone van 25 meter. Binnen deze zone mogen geen gebouwen worden opgericht en geen hoogopgaande beplanting worden aangebracht. Beiden zijn met voorliggend plan niet voorzien in deze zone. Vanuit de A67 geldt een zone ‘groepsrisico beperkt’ voor het plangebied. De plaatsgebonden risicocontour van deze weg reikt echter niet tot het plangebied. Omdat binnen het plangebied geen toename van het aantal personen plaatsvindt is geen verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Een verder toetsing aan het aspect externe veiligheid is dan ook niet noodzakelijk.

4.9.

Waterparagraaf

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient er op basis van Europees beleid, Rijksbeleid en provinciaal beleid rekening gehouden te worden met de aanwezige watersystemen en waterketens. Het waarborgen en zorgdragen voor een goede afvoer en doorstroming van water moet verplicht opgenomen worden in ieder plan. Derhalve moet ieder plan voorzien zijn van een waterparagraaf. Beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Waterplan, het Nationaal Bestuursakkoord Water, de provinciale Interim omgevingsverordening en het Waterbeheerplan 2022-2027 van Waterschap de Dommel. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). De visie van Waterschap De Dommel is vervat in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5). Het waterbeheerplan beschrijft de doelstellingen van Waterschap De Dommel en hoe zij deze doelstellingen willen realiseren. Hiermee wil het waterschap de watertransitie in gang zetten: een aanpak die moet zorgen voor een toekomstbestendig watersysteem.

Nieuw is dat het Waterschap gaat werken volgend drie basisprincipes van de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt; • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

42

•

Wat schoon is, moet schoon blijven.

Daarnaast is het uitgangspunt te werken vanuit een gebiedsgerichte aanpak. De aanpak wordt verlegd van het beekdal naar een aanpak op grotere schaal. Voor de onderwerpen waar nodig heeft het waterschap nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma. Ook gelden vanuit het waterschap verordeningen; de Keur en de legger. De waterschapsdoelen zijn doorvertaald in beleidsregels, waaronder de Keur. De drie Noord-Brabantse Waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben gezamenlijk besloten om de Keuren te uniformeren en te dereguleren. De nieuwe uniforme keuren zijn in werking getreden op 1 maart 2015. In de Keuren zijn diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke waterhuishoudkundige functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en de invloedsgebieden Natura 2000. Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied en de voorgenomen activiteiten. Een ander zeer belangrijk en vaak ruimtevragend aspect betreft de verplichting om zorgvuldig om te gaan met neerslag afkomstig van een toename van verhard of bebouwd oppervlak of door het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak.

Een watervergunning is noodzakelijk, tenzij: • Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of: • De toename van verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of: • De toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak, of • De toename van verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 is, en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. Er moet dan een voorziening worden getroffen met een minimale retentiecapaciteit, conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 De gevoeligheidsfactor kan 1, ½, of ¼ bedragen en is aangeduid op de kaart ‘Algemene regel versnelde afvoer regenwater door verhard oppervlak’, toebehorende aan de Keur. Daarnaast zijn een aantal voorschriften gesteld aan nieuwe retentievoorzieningen, zoals dat de bodem boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) dient te liggen, er een vertraagde afvoer naar het oppervlaktewater plaatsvindt (diameter 4 cm) en er sprake dient te zijn van een overloopconstructie. Als uitgangspunt van het beleid geldt dat de eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt primair verantwoordelijk is voor de verwerking van het hemelwater. Hergebruik van hemelwater wordt hierbij gestimuleerd (wassen auto, sproeien tuin e.d.).

Uit de Kaart Beschermde Gebieden Keur blijkt dat het plangebied niet gelegen is in beschermd gebied. Wel is de waterloop direct ten oosten van het plangebied aangewezen als ‘Beschermd gebied’. Er is geen sprake van wijziging van deze of direct aangrenzende gronden. Tevens is het plangebied niet gelegen in een waterwingebied, boringvrije zone of ‘Beperkt invloedsgebied Natura 2000’ vanuit de Contouren beregeningsbeleid. Voor het plangebied geldt de gevoeligheidsfactor 1, zo blijkt uit de kaart ‘Algemene regels versnelde afvoer regenwater door verhard oppervlak’. Deze gevoeligheidsfactor wordt toegepast bij de rekenregels voor eventuele benodigde waterberging. Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

43

Afbeelding 16: Uitsnede Kaart Algemene regels versnelde afvoer regenwater door verhard oppervlak (bron: Waterschap de Dommel)

Hemelwater Het plangebied is in de huidige situatie merendeels bebouwd of verhard. De huidige verharde oppervlakte bedraagt circa 3.850 m2. Dit wordt gevormd door de bestaande bebouwing, de inritten, parkeer- en manoeuvreerruimte, de sleufsilo en overige verharding. Met het voorliggende plan neemt de verharding af en neemt de omvang onbebouwde gronden toe. Ter plaatse van de landschappelijke inpassing, (sier-)tuin en hobbyweide blijft/ wordt infiltratie van hemelwater in de toekomstige situatie zonder beperkingen mogelijk. Ook op de agrarische gronden blijft dit mogelijk. In de toekomstige situatie bedraagt de totale oppervlakte bebouwing + verharding ca. 3.600 m2. Nu de hoeveelheid verharding afneemt en footprint van de bebouwing gelijk blijft, is sprake van een gunstige ontwikkeling voor bergings- en infiltratiemogelijkheden voor hemelwater. Uitbreiding van de hoeveelheid bebouwing is niet aan de orde, nu de oppervlaktematen voor de verschillende deelactiviteiten in de regels zijn vastgelegd. Desondanks wordt binnen het plangebied gestreefd naar opvang, hergebruik en infiltratie van hemelwater. Het hemelwater dat terechtkomt op de te herbouwen schuur zal geheel worden afgekoppeld en geïnfiltreerd binnen het plangebied. Er is sprake van ruim voldoende onbebouwde ruimte, die mogelijkheden biedt om het niet-verontreinigd hemelwater ter plaatse te laten infiltreren.

Afvalwater Het (huishoudelijk) afvalwater van het perceel blijft, net als in de huidige situatie, aangesloten op het vuilwaterdeel van de bestaande riolering.

Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

44

Oppervlaktewater Rond en binnen het plangebied zijn enkele perceelssloten aanwezig die voor afwatering zorgen. De sloten langs het Heiderschoor en aan de achterzijde (noordzijde) van het huidig bouwvlak blijven ongewijzigd behouden. De sloot aan de noordoostzijde van het huidige erf, haaks op het Heiderschoor, verdwijnt in verband met het verleggen van de inrit. Deze sloot ligt op eigen terrein, aan weerszijden omgeven door eigen grond. Aangezien het water in de sloot langs de weg in noordoostelijke richting stroomt en achter het huidig bouwvlak in westelijke richting, is goede afwatering op eigen terrein geborgd. Daarnaast blijven de gronden ten noordoosten onbebouwd en onverhard, waardoor incidentele wateropvang en - berging mogelijk is.

Afbeelding 17. Weergave watergangen in de omgeving van plangebied en sloten op eigen terrein met stroomrichting (bron: Legger Waterschap de Dommel, bewerkt Bu-RO Ester (weergave stroomrichtingen))

Overleg waterbeheerder Het concept ontwerp bestemmingsplan is getoetst door Waterschap De Dommel en met inachtneming van enkele opmerkingen akkoord bevonden. Deze paragraaf is aangepast naar aanleiding van de gemaakte opmerkingen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het initiatief geen belemmeringen oplevert voor de waterhuishoudkundige situatie en dat de waterhuishoudkundige situatie ook geen belemmeringen oplevert voor de bestemmingswijziging Heiderschoor 10.

Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

45

4.10.

Wet natuurbescherming

Bij iedere ontwikkeling dienen de eventuele gevolgen ten aanzien van de natuurbescherming inzichtelijk gemaakt te worden. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en Fauna wet (soortenbescherming) en de Boswet zijn opgegaan in deze overkoepelende wet. Uitgangspunt van de wet is dat beschermde gebieden en soorten niet aangetast mogen worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Gebiedsbescherming Door het Rijk zijn in Nederland Natura 2000-gebieden aangewezen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000 gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om gebieden naar keuze, gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland, aan te wijzen en te beschermen via eigen provinciaal beleid. Deze gebieden worden aangeduid als ‘bijzondere provinciale natuurgebieden’, onderscheidenlijk ‘bijzondere provinciale landschappen’.

Natura 2000-gebieden en ook andere natuurgebieden kunnen schade ondervinden door diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Soortenbescherming In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet mogen worden gedood, gevangen of verontrust en beschermde plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming van beschermde flora- en fauna opgenomen. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes omschreven. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing en vrijstelling kan worden verleend. Er zijn drie beschermingsregimes, de soorten op basis van de Vogelrichtlijn, de soorten op basis van de Habitatrichtlijn en de andere soorten genoemd in de Wet natuurbescherming (Wnb).

Situatie Heiderschoor 10 Voor Natura 2000-gebieden dient getoetst te worden op relevantie en effect van een 20-tal verstoringsfactoren; stikstofdepositie en 19 overige effecten (geluid, licht, etc.).

Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

46

In dit geval is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op circa 3,8 km afstand gelegen (Strabrechtse Heide & Beuven, aangewezen 2013). Gezien de aard, de omvang, het effectbereik en de afstand zijn significant negatieve effecten door de 19 overige effecten op voorhand uit te sluiten. Voor het aspect ‘stikstofdepositie’ geldt dat in voorliggende situatie sprake is van het wegbestemmen van een veehouderij. Hierdoor is het niet meer mogelijk op de locatie een bedrijf te exploiteren dat zorgt voor een stikstof- en ammoniakdepositie op gevoelige natuur als gevolg van het houden van dieren. In de nieuwe situatie zijn de relevante emissiebronnen alleen de vervoersbewegingen vanwege de woning en akkerbouwtak, activiteiten die ook in de huidige situatie reeds aanwezig zijn, en de emissie vanuit de kleinschalige bedrijvigheid. Gezien de beperkte omvang van de emissies en de afstand, mag in deze specifieke situatie worden aangenomen dat significant negatieve effecten door stikstofdepositie op voorhand zijn uit te sluiten. Voor de volledigheid is een AERIUS-berekening uitgevoerd. De resultaten zijn vastgelegd in de memo ‘Toelichtende memo behorende bij Aerius-berekening Heiderschoor 10 te Mierlo’ (NOX Advies, 22 november 2023), opgenomen als bijlage 4 bij deze toelichting.

Uit dit onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van dit plan vrijkomt in zowel de bouw- als gebruiksfase leidt tot een depositieresultaat van 0,00 mol N/ha/jaar in relatie tot de referentiesituatie. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en vormt het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden. Een passende beoordeling is derhalve niet aan de orde. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmeringen voor de haalbaarheid van de ruimtelijke procedure.

Afbeelding 18: Uitsnede kaartbeeld Natura2000 gebieden met aanduiding locatie Heiderschoor 10 (bron: provincie Noord-Brabant)

Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

47

Overige beschermde gebieden De strook ten oosten van het plangebied is aangewezen als Natuurnetwerk Brabant (NNB). Voorliggend plan voorziet in een wijziging van de planologisch-juridische regeling, waardoor exploitatie van een veehouderij ter plaatse niet meer is toegestaan. Deze ontwikkeling zorgt er voor dat de negatieve effecten van de veehouderij op de omliggende natuur verdwijnen. In de nieuwe situatie is sprake van kleinschalige bedrijfsactiviteiten die inpandig, in reeds bestaande/ te herbouwen bedrijfsgebouwen, worden uitgevoerd. De bebouwde functies worden robuust groen ingepast en het agrarisch grondgebruik van het grasland wordt geëxtensiveerd.

Afbeelding 19: Uitsnede kaartbeeld Natuurnetwerk Brabant met aanduiding locatie Heiderschoor 10 (bron: provincie Noord-Brabant)

Houtopstanden Met betrekking tot bomenkap kunnen drie beschermingsregimes aan de orde zijn. De Wet natuurbescherming onderdeel houtopstanden, de Gemeentelijke kapverordening (APV Houtopstanden) en/of omgevingsvergunningplicht werken en werkzaamheden op grond van het bestemmingsplan voor het rooien van vegetatie/houtgewas. De bestaande houtopstanden blijven gehandhaafd bij de voorgenomen ontwikkeling. Toetsing aan de genoemde beschermingsregimes is daarmee niet aan de orde. Soortenbescherming De ruimtelijke situatie in het plangebied wijzigt beperkt door de sloop en herbouw van één gebouw, sloop van een bouwwerk, het verwijderen van verharding en aanplant van groen. Het te slopen gebouw bestaat uit houten wanden met een golfplaten dak. De bouwwijze en het gebruik van het Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

48

gebouw maken het ongeschikt voor gebouwbewonende soorten. Gezien de verschijningsvorm en het gebruik van het te slopen bouwwerk kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat in of op dit bouwwerk planten- of diersoorten voorkomen die wettelijk beschermd zijn. Ter plaatse van de verharding is geen sprake van groeiplaatsen, waardoor kan worden gesteld dat hier geen beschermde plantensoorten voorkomen. Voor het overige blijft de ruimtelijke situatie ongewijzigd, met uitzondering van de aanplant van de landschappelijke inpassing. Deze toevoeging heeft positieve invloed hebben op planten- en diersoorten. Gezien de aard van de ontwikkeling en beperkte omvang van de ruimtelijke ingreep, kan een negatieve invloed op planten- en diersoorten in het plangebied worden uitgesloten.

4.11.

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: • De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; • Er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen. De gemeente Geldrop-Mierlo heeft in 2012 haar ‘Beleidsplan archeologische monumentenzorg 2012’ vastgesteld. Daarnaast is het grondgebied van de gemeente Geldrop-Mierlo opgenomen in de regionale interactieve erfgoedkaart, opgesteld door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Het plangebied is op de beleidskaart deels aangewezen als ‘Gebied van archeologische waarde’ en deels als ‘Gebied met hoge verwachting’ en esdek. De archeologische (verwachtings-)waarden zijn doorvertaald in het bestemmingsplan, waarin voor het plangebied de dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ zijn opgenomen.

Op grond van deze bestemming geldt een onderzoeksplicht bij bodemverstoringen van respectievelijk 100 m2 en 500 m2 en in beide gevallen meer dan 0,5m onder maaiveld. De dubbelbestemmingen zijn overgenomen in voorliggend bestemmingsplan, waardoor deze als toetsingskader gelden bij ontwikkelingen in het plangebied waarbij de bodem geroerd wordt.

Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

49

Afbeelding 20: Uitsnede archeologische beleidskaart, omgeving Heiderschoor 10 (bron: odzob.nl)

Cultuurhistorie In de erfgoedkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant is het aspect ‘cultuurhistorie’ opgenomen. In het kaartbeeld ‘Cultuurhistorische waardenkaart’ zijn binnen of direct rondom het plangebied geen cultuurhistorische waardevolle elementen opgenomen. Met de voorgenomen wijziging is geen sprake van wijziging van de ligging, structuur en/ of karakteristiek van ruimtelijke elementen buiten het plangebied. Het initiatief heeft dan ook geen gevolgen voor cultuurhistorische waarden in de omgeving. Conclusie De aspecten ‘archeologie’ en ‘cultuurhistorie’ leggen geen beperkingen op aan de herbestemming van het plangebied.

4.12.

Verkeer en parkeren

Ontsluiting en verkeersbewegingen Het Heiderschoor vormt voor gemotoriseerd verkeer geen doorgaande route. De weg loopt in zuidelijke richting dood, na woning Heiderschoor 23 (zo’n 260 meter ten zuidwesten van Heiderschoor 10). Na de woning Heiderschoor 14 is een aftakking van het Heiderschoor in noordelijke richting aanwezig. Deze weg is na ruim 90 meter voorzien van een slagboom, waardoor gemotoriseerd verkeer gestremd wordt. De slagboom is tientallen jaren geleden geplaatst om sluipverkeer tegen te gaan. De bewoners van het Heiderschoor beschikken over een pasje, waarmee zij de slagboom kunnen openen en toch in noordelijke richting kunnen rijden. Door initiatiefnemers wordt van deze mogelijkheid slechts zeer incidenteel (enkele keren per jaar) gebruik gemaakt. Het overgrote deel van de verkeersbewegingen van Heiderschoor 10 vindt dan ook plaats in oostelijke richting.

Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

50

De huidige vervoersbewegingen bestaan uit de vervoersbewegingen ten behoeve van: - de bedrijfswoning, - de akkerbouwtak, - de caravanstalling, - de nevenactiviteiten. In het verleden was van en naar de locatie nog sprake van vervoersbewegingen ten dienste van de melkveehouderij. Het betrof zowel vrachtverkeer (voer, mest, dieren) als personenauto’s (dierenarts, adviseurs, vertegenwoordigers). In de nieuwe situatie bestaan de vervoersbewegingen uit de bewegingen ten behoeve van de woning, de caravanstalling, de kleinschalige bedrijvigheid en akkerbouwactiviteiten. Voor de woning, akkerbouwactiviteiten en caravanstalling is er geen sprake van een wijziging. Voor de vrachtwagen is sprake van gemiddeld 2 bewegingen per dag (vertrekken en terugkomen). Veelal vindt één beweging in de nachtperiode plaats. Vanuit het milieuspoor zijn maximaal 4 bewegingen in de nachtperiode toegestaan. Voor het aantal bewegingen in de dagperiode geldt vanuit dit aspect geen maximum. Voor de voertuigen die gebruikt worden voor de kleinschalige bedrijvigheid is sprake van gemiddeld 2 bewegingen met 1 of 2 voertuigen op de gemiddeld 3 dagen/ week dat deze werkzaamheden worden uitgevoerd. De overige verkeersbewegingen vanuit de locatie zijn toe te schrijven aan de bedrijfswoning en caravanstalling. Hiervoor is geen sprake van een wijziging tussen de voormalige, huidige en gewenste situatie.

Heiderschoor 10 beschikt over één in- en uitrit, aan de westzijde van het perceel. De in- en uitrit wordt voor zowel de woning als de bedrijfsactiviteiten gebruikt. Op het eigen terrein is voldoende ruimte aanwezig voor manoeuvreren en parkeren. In de nieuwe situatie wordt een nieuwe inrit aan de oostzijde van de bebouwing gerealiseerd, waardoor de verkeersintensiteiten aan de zijde van de woning Heiderschoor 12 worden verminderd. Deze aanpassing is tot stand gekomen als uitkomst van de Omgevingsdialoog (zie ook paragraaf 6.2.1 en bijlage 3), waarbij dit door de bewoners van Heiderschoor 12 is geopperd. Het Heiderschoor is goed in staat de verkeersintensiteiten op te vangen. Vanuit het Heiderschoor zijn de doorgaande wegenstructuren richting Mierlo en Helmond bereikbaar. Parkeren Parkeren vindt nu en in de toekomst plaats op eigen terrein. Op eigen terrein is voldoende ruimte voor manoeuvreren, parkeren, laden en lossen. Dit zal dan ook niet op de openbare weg plaatsvinden. Volledigheidshalve is een berekening gemaakt van de parkeerbehoefte vanuit de voorgenomen functies op Heiderschoor 10. Hiervoor is, zover als mogelijk, gebruik gemaakt van het gemeentelijk parkeerbeleid, zoals vastgelegd in de Nota Parkeernormen Geldrop-Mierlo, gepubliceerd 2 januari 2023.

Bestemmingsplan ‘Heiderschoor 10 te Mierlo’ | toelichting

51

Zone: Mierlo – Buitengebied Norm 1. Hoofdgroep: wonen 2,1 + 0,2 Koop, huis, vrijstaand 2. Bedrijf arbeidsextensief/ 1,1 bezoekersextensief Totaal

Aantal binnen Parkeerbehoefte plangebied 1 2,3 4,7

5,2 7,5

Bij deze berekening gelden een aantal aanvullingen: a. De kleinschalige bedrijvigheid wordt geëxploiteerd door initiatiefnemers en wordt op locatie uitgevoerd. De aan de hand van de normen berekende parkeerdruk van 5,2 plaatsen ligt significant hoger dan de behoefte vanuit de feitelijke activiteiten zal zijn. Tevens geldt dat er sprake is van een gedeeltelijke dubbele toerekening, aangezien de voertuigen van initiatiefnemers ook (deels) worden meegenomen in de parkeernorm van de woning; b. Als nevenactiviteit is en blijft ter plaatse een caravanstalling aanwezig. De stalling vindt plaats in de voormalige melkveestal. De caravaneigenaren komen uitsluitend ten behoeve van het brengen/ halen op het terrein en verblijven hier niet langer dan nodig is. Vanuit deze nevenactiviteit is er dan ook geen sprake van parkeerdruk; c. Initiatiefnemers zijn als hoofdberoep chauffeur en stallen één eigen vrachtwagen binnen het plangebied wanneer zijn niet onderweg zijn. De totale parkeerdruk bestaat afgerond dan ook uit (maximaal) 8 personenauto’s en 1 vrachtwagen. Op eigen terrein is zowel tussen de voormalige jongeveestal en voormalige koeienstal, als links langs de inrit en achter de voormalige koeienstal ruimte voor parkeren. Hiermee is er ruim voldoende ruimte om de (theoretische) parkeerbehoefte op te vangen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GeldropMierlo&id=d5739f08-9320-4d80-8cd2-9f404a5b2584