BP Bezorgershof Geldrop - Toelichting
Tekst van het document
o
Overgang van privé naar openbaar ontwerpen en zorgen voor een uniforme uitstraling.
Groen karakter: o
Uitdrukkelijke opgave om te vergroenen onder andere door toepassing van groene gevels en daken.
·
o
aandacht voor natuurinclusief bouwen, verduurzamen, hemelwaterberging en hittestress.
o
Behoud van bestaande (waardevolle en karakteristieke) bomen in het plangebied.
Aantrekkelijke doorgangen: o
Een goede zichtbeëindiging draagt bij aan de oriëntatie, de aantrekkelijkheid, de herkenbaarheid en de beslotenheid. Dit kan ook een buigende straatwand of een bijzondere boom zijn.
o
Groene ruimten dragen eveneens bij aan de aantrekkelijkheid van de doorgang. Dit kan bijvoorbeeld door toepassing van een pocket-park.
o
Wisselende breedten dragen bij aan de aantrekkelijkheid: meer lucht en licht in de doorgang en een afwisselend beeld zonder dat de kleinschaligheid verloren gaat.
Doorwerking plangebied De ruimtelijke kaders voor ontwikkeling van het Bezorgershof zijn leidend voor de planopzet van voorliggend bestemmingsplan. Toekomstige ontwikkelingen zullen aan deze kaders worden getoetst. De kaders zijn doorvertaald in de uitgangspunten van de regiekaarten voor zowel het beheer- als het ontwikkelingsgerichte plandeel. Bij hoeken, onderdoorgangen en doorsteken kan een hoogteaccent worden toegevoegd tot maximaal 14 meter. Voor de overige bebouwing kan worden gebouwd tot maximaal 14 meter met een kap. Dit wijkt af van de vermelde bouwhoogte in de ruimtelijke kaders. Om een kwalitatieve verdichting te realiseren wordt dit mogelijk gemaakt met een afwijkingsbevoegdheid. Hier worden meerdere kwaliteitseisen aan gesteld. Hierdoor passen de in het bestemmingsplan opgenomen ruimtelijk-stedenbouwkundige uitgangspunten en kaders bij de ambities van de in 2022 vastgestelde Ruimtelijke kaders centrum Geldrop. 3.3.6
Programma Duurzaamheid 2023
Het Programma Duurzaamheid is op 6 februari 2023 vastgesteld. Het programma duurzaamheid bestaat uit twee delen: een beleidsdeel en een uitvoeringsagenda. In het beleidsdeel heeft de gemeente de duurzaamheidsambities binnen Geldrop-Mierlo op een rij gezet en verder uitgewerkt. Vervolgens zijn de ambities naar doelen vertaald. In de uitvoeringsagenda schrijft de gemeente op wat ze de komende jaren concreet gaat doen om de doelen die in het beleidsdeel zijn benoemd te behalen. Het Programma Duurzaamheid stelt ambities, opgaven, doelen en gebiedsprogramma’s voor de thema’s: energie, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Doorwerking plangebied Het plangebied bestaat uit een beheer- en een ontwikkelingsgericht deel. Aan de regelsom het ontwikkelingsgerichte deel (binnengebied) te transformeren is de voorwaarde gekoppeld dat bij herontwikkeling dient te worden aangesloten op het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid, klimaatadaptatie en energiezuinigheid. Dit vormt een uitwerkingsaspect.
Bezorgershof te Geldrop
29
4
Omgevingsaspecten
In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald. Het plan wordt aan deze elementen getoetst. Een en ander dient ter onderbouwing waarom er sprake is van een goede ruimtelijke ordening bij realisatie van de in het plan opgenomen planologische mogelijkheden.
Verkeer en parkeren 4.1.1
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bepaald wat de verkeersaantrekkende werking van het plangebied is. Om te bepalen wat de effecten van het plan op de verkeersaantrekkende werking van het plangebied zijn, kan gebruik worden gemaakt van de CROW-kengetallen (publicatie 381). Deze kengetallen geven een indicatie van de met het plan gepaard gaande extra verkeersgeneratie. De gemeente heeft – mede gebaseerd op deze kengetallen – eigen parkeerbeleid vastgesteld. Dit is vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen Geldrop-Mierlo’ (1 november 2022). 4.1.2
Onderzoek
Er is in basis sprake van een beheersmatig bestemmingsplan. Via wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden is de toevoeging van woningen mogelijk gemaakt. De auto-ontsluiting voor het Bezorgershof bevindt zich aan de zuidzijde waar deze aantakt op de Langstraat en zowel private als openbare parkeerplaatsen ontsluit. De verkeersintensiteit van de Langstraat ten westen van de ontsluiting van het Bezorgershof is 2.600 mvt/etmaal en 4.200 mvt/etmaal ten oosten van de ontsluiting van het Bezorgershof. De ontsluitingswegen zijn vanuit hier eenvoudig te bereiken.
Figuur 23 Intensiteiten van het wegennetwerk, Gemiddelde werkdag in 2019 (bron: BBMA verkeersmodel)
De toekomstige woningen, die na toepassing van de binnenplanse bevoegdheden kunnen worden gerealiseerd, bevinden zich aan het Bezorgershof dat momenteel fungeert als openbaar parkeerterrein. Een aanpassing van de openbare ruimte biedt kansen om een aangenamere leefruimte in het Bezorgershof te creëren door te vergroenen. Mogelijk dat hierdoor de parkeercapaciteit van het terrein zelf verandert. Vanuit de gemeente zijn er autoparkeernormen opgesteld waarin projecten moeten voorzien. Deze moeten bij de
Bezorgershof te Geldrop
30
toepassing van de afwijkings-/wijzigingsbevoegdheden worden gehanteerd. De focus ligt erop zoveel mogelijk bewonersparkeren in de toekomstige ontwikkelingen op te lossen. Het is echter waarschijnlijk dat niet de volledige parkeerbehoefte in het bouwplan kan worden opgelost. In dergelijke gevallen kan onderzocht worden of de parkeerbehoefte gefaciliteerd kan worden door gebruik te maken van bestaande parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Deze parkeerplaatsen dienen op loopafstand (<400m) van het Bezorgershof te worden voorzien. Hiervoor zijn enkele locaties mogelijk, die (mede) door mogelijke toekomstige verschuivingen van de parkeermogelijkheden in en rondom het centrum kunnen worden benut. Verschillende opties worden onderzocht, maar een definitieve keuze voor de parkeeroplossing is nog niet gemaakt. Omdat de winkels aan het Bezorgershof afhankelijk zijn van bezorgingen worden ook plaatsen voor het laden en lossen goederen in het Bezorgershof voorzien. Dit is in de huidige situatie ook mogelijk. Op basis van deze punten is de verwachting dat er geen onacceptabele bijkomende verkeersdruk op de bestaande wegen wordt veroorzaakt door de nieuwe ontwikkeling. De gemeente heeft de wens om autogebruik te verminderen. Dit wordt mede mogelijk gemaakt door mobiliteitscorrecties op parkeren te voorzien indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, namelijk: ·
Ligging nabij hoogwaardig openbaar vervoer;
·
Inzet van een autodeelconcept;
·
Excellente fiets- en scooter parkeeroplossing.
Aangezien het Bezorgershof is gelegen in het centrum van Geldrop kunnen deze correcties worden gestapeld tot 30% van de totale normatieve parkeerbehoefte. Afhankelijk van het definitieve programma kan de uiteindelijke parkeerbehoefte worden bepaald aan de hand van de ‘Nota Parkeernormen Geldrop-Mierlo’. 4.1.3
Conclusie
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. Wel is dit een aandachtspunt bij nadere uitwerking van de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden.
Geluid 4.2.1
Toetsingskader
Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: ·
de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;
·
de aanleg van een nieuwe weg;
·
de reconstructie van een bestaande weg.
De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt in beginsel buiten beschouwing worden gelaten, tenzij het meenemen van deze wegen noodzakelijk wordt geacht in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Tabel 2 Breedte geluidszones langs wegen
Stedelijk gebied
Buiten stedelijk gebied
Aantal rijstroken
Zone breedte
1 of 2
200 meter
3 of meer
350 meter
1 of 2
250 meter
3 of 4
400 meter
5 of meer
600 meter
Bezorgershof te Geldrop
31
In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Tabel 3 Maximale ontheffingswaarden Situatie
Maximale ontheffingswaarde
Artikel
Stedelijk gebied ·
Nieuwe woningen
63 dB
Artikel 83, lid 2 Wgh
·
Vervangende nieuwbouw
68 dB
Artikel 83, lid 5 Wgh
Buiten stedelijk gebied ·
Nieuwe woningen
53 dB
Artikel 83, lid 1 Wgh
·
Agrarische bedrijfsbebouwing
58 dB
Artikel 83, lid 4 Wgh
·
Vervangende nieuwbouw
58 dB
Artikel 83, lid 7 Wgh
·
Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van
63 dB
Artikel 83, lid 6 Wgh
een autoweg of autosnelweg *Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.
4.2.2
Onderzoek
Dit bestemmingsplan beoogt om een actuele juridisch-planologische regeling voor het plangebied te bieden voor zowel de beheersituatie als voor toekomstige ruimtelijk-functionele ontwikkelingen binnen het gebied, zoals transformaties en herontwikkeling. Het bestemmingsplan is in beginsel conserverend van aard, maar door middel van een aantal afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden worden transformatie en herontwikkeling onder voorwaarden mogelijk gemaakt. In totaal kunnen binnen het plangebied maximaal 110 extra woningen worden toegevoegd. Daarmee worden met de toepassing van de binnenplanse bevoegdheden nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Ten aanzien van de Wgh zijn op voorhand geen belemmeringen te verwachten bij de toepassing van deze bevoegdheden. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen wegen, spoorwegen of industrieterreinen met een geluidzone aanwezig. Wel liggen op enige afstand (ca. 100 meter) de Mierloseweg/Nieuwendijk en de Helze. Dit betreft wegen met een snelheidsregime van 50 km/uur. Tussen deze wegen en het plangebied zijn grote gebouwen gelegen die voor afscherming zorgen. Bovendien zijn tussen de wegen en het plangebied, alsmede aan de randen van het plangebied zelf bestaande geluidsgevoelige gebouwen toegestaan en feitelijk ook aanwezig.
Gezien de afstand tot de betreffende wegen en de mogelijke nieuwere geluidgevoelige functies in de omgeving, kan redelijkerwijs gesteld worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in toekomstig toe te voegen woningen in het gebied. Bij toepassing van de binnenplanse bevoegdheden moet bovendien worden getoetst of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.2.3 Conclusie Het aspect geluid (Wet geluidhinder) vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
Bezorgershof te Geldrop
32
Luchtkwaliteit 4.3.1
Toetsingskader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan (minstens) één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: ·
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.
·
Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
·
Het project draagt op zichzelf niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
·
Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
Om te bepalen of een project niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging: ·
Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM.
·
Het project zorgt voor een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m³).
4.3.2
Onderzoek
Dit bestemmingsplan beoogt om een actuele juridisch-planologische regeling voor het plangebied te bieden voor zowel de beheersituatie als voor toekomstige ruimtelijk-functionele ontwikkelingen binnen het gebied, zoals transformaties en herontwikkeling. Het bestemmingsplan is in beginsel conserverend van aard, maar door middel van een aantal afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden worden transformatie en herontwikkeling onder voorwaarden mogelijk gemaakt. In totaal kunnen maximaal 110 extra woningen worden toegevoegd binnen het plangebied, na toepassing van de afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid. Gezien de maximale omvang van toe te voegen woningen, staat op voorhand vast dat het plan ook bij maximale planologische invulling ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt. Dit is pas het geval indien er meer dan 1.500 woningen worden gerealiseerd, conform de Regeling NIBM. Nader onderzoek is daarom niet aan de orde. Daarnaast blijkt uit raadpleging van de monitoringstool van het NSL dat de luchtkwaliteit nabij het plangebied ruimschoots voldoet aan de grenswaarden uit de Wm. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied is daarmee voldoende geborgd. 4.3.3
Conclusie
Er bestaan geen belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.
Bedrijven en milieuzonering 4.4.1
Toetsingskader
Milieuzonering is het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening gehouden worden met milieuzonering om zo de kwaliteit van het woon en
Bezorgershof te Geldrop
33
leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast moeten bedrijven echter ook voldoende zekerheid hebben dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor.
Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woonwerkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2
Onderzoek
In het plangebied, dat behoort tot het centrumgebied van Geldrop, en in de directe omgeving daarvan zijn diverse stedelijke functies aanwezig en planologisch toegestaan. Dit betreft een combinatie van wonen en overige gangbare centrumfuncties, zoals horeca, detailhandel, kantoren/dienstverlening en bedrijvigheid. In het kader van dit bestemmingsplan is een inventarisatie verricht naar de bestaande functies in het plangebied. In paragraaf 2.1 ‘Huidige situatie’ van deze toelichting is dit nader beschreven en is dit gevisualiseerd. Het plangebied en de omgeving daarvan kunnen gezien de diversiteit aan functies worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’. Er is in de bestaande situatie sprake van een combinatie van woningen met deze geïnventariseerde functies. Dergelijke centrumfuncties zijn in basis goed mengbaar met woningen in een centrumgebied/gemengd gebied. Dit geldt ook voor de in dit bestemmingsplan toegestane functies, namelijk horeca, kantoren met baliefunctie, detailhandel, publieksverzorgende ambacht en dienstverlening, die naast het wonen worden toegestaan in lijn met de vigerende bestemmingen.
Bij de toepassing van de in het plan opgenomen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden, die het mogelijk maken om nieuwe woningen en bijbehorende voorzieningen toe te voegen, zal specifiek moeten worden getoetst of er belemmeringen over en weer tussen woningen en overige functies aan de orde zijn. Op voorhand is dit niet het geval, omdat de toegestane functies zoals aangegeven goed mengbaar zijn met wonen. Nader onderzoek in het kader van dit bestemmingsplan is daarom niet noodzakelijk. 4.4.3
Conclusie
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot bedrijven en milieuzonering.
Bezorgershof te Geldrop
34
Geur agrarisch 4.5.1
Toetsingskader
Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de Regeling geurhinder veehouderij (Rgv). De hierin opgenomen geurnormen hebben betrekking op de toevoeging van veehouderijen in de buurt van geurgevoelige objecten. Bij nieuwe planologische projecten anders dan veehouderijen dient in het kader van de Wet ruimtelijke ordening te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. Daarbij moeten twee zaken worden aangetoond: ·
Er sprake is van een aanvaardbaar woon en leefklimaat bij de toegevoegde geurgevoelige objecten; en
·
Veehouderijen worden niet onevenredig in hun belangen wordt geschaad.
Bij een en ander moet worden uitgegaan van de cumulatie van geurhinder van alle veehouderijen in de omgeving. Daarnaast is het niet automatisch zo dat wanneer geurnormen overschreden worden, er geen sprake is van een goed woon en leefklimaat – en vice versa. Een gemeente zal per geval moeten beoordelen of er sprake is van een goed woon en leefklimaat. 4.5.2
Onderzoek
Dit bestemmingsplan beoogt om een actuele juridisch-planologische regeling voor het plangebied te bieden voor zowel de beheersituatie als voor toekomstige ruimtelijk-functionele ontwikkelingen binnen het gebied, zoals transformaties en herontwikkeling. Het bestemmingsplan is in beginsel conserverend van aard, maar door middel van een aantal afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden worden transformatie en herontwikkeling onder voorwaarden mogelijk gemaakt. In totaal kunnen maximaal 110 extra woningen worden toegevoegd binnen het plangebied, na toepassing van de afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid. Daarmee kunnen nieuwe geurgevoelige objecten worden opgericht. Echter, in de huidige situatie zijn aan de buitenranden van het plangebied al geurgevoelige objecten aanwezig. Verder ligt het plangebied in het centrumgebied van Geldrop op ruime afstand van veehouderijen. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot het aspect geurhinder is daarom verzekerd. Ook staat op voorhand vast dat er geen belemmeringen voor veehouderijen aan de orde zijn. 4.5.3
Conclusie
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect geur agrarisch.
Kabels en leidingen 4.6.1
Onderzoek
Aan de hand van de ‘Netkaart’ van het RIVM kan achterhaald worden of het plangebied zich bevindt in een magneetveldzone van een of meerdere hoogspanningslijnen. Uit deze kaart volgt dat ter plaatse van het plangebied en in de directe omgeving geen planologisch gezien relevante kabels en leidingen aanwezig zijn. Op een afstand van circa 1,4 kilometer van het plangebied gelegen, bevindt zich de dichtstbijzijnde hoogspanningslijn aan de westelijke rand van de bebouwde kom van Geldrop. Gelet op de ruime afstand tussen deze hoogspanningslijn en het plangebied, vormt de aanwezigheid van deze verbinding geen belemmering voor het plan. In het plangebied is wel een bestaande nutsvoorziening aanwezig. Bij transformatie moet rekening worden gehouden met eventuele verleggingen van kabels en leidingen. Dit vormt een aandachtspunt bij de
Bezorgershof te Geldrop
35
toepassing van de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheden, maar vormt op voorhand geen belemmering voor de uitvoerbaarheid daarvan. 4.6.2
Conclusie
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect kabels en leidingen.
Externe veiligheid 4.7.1
Toetsingskader
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: ·
activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;
·
transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
·
transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water.
Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen.
De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
4.7.2
Onderzoek
Dit bestemmingsplan beoogt om een actuele juridisch-planologische regeling voor het plangebied te bieden voor zowel de beheersituatie als voor toekomstige ruimtelijk-functionele ontwikkelingen binnen het gebied, zoals transformaties en herontwikkeling. Het bestemmingsplan is in beginsel conserverend van aard, maar door middel van een aantal afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden worden transformatie en herontwikkeling
Bezorgershof te Geldrop
36
onder voorwaarden mogelijk gemaakt. In totaal kunnen maximaal 110 extra woningen worden toegevoegd binnen het plangebied, na toepassing van de afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid. Een woning is een kwetsbaar object in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het aspect externe veiligheid is dan ook relevant bij de toepassing van deze binnenplanse bevoegdheden. In het kader van dit bestemmingsplan is daarom onderzocht in hoeverre er mogelijk risico’s/belemmeringen in verband met de externe veiligheid kunnen optreden bij de toepassing van de binnenplanse bevoegdheden. De locaties van de risicovolle inrichtingen en transportroutes zijn achterhaald door middel van de kaarten met betrekking tot de externe veiligheid die zijn opgenomen in de ‘Atlas Leefomgeving’. Raadpleging van het kaartmateriaal geeft de volgende informatie. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen Bevi-inrichtingen, transportroutes of leidingen gesitueerd, waarop de regelgeving van het Bevi, Bevt respectievelijk Bevb van toepassing is. Ten zuiden van het plangebied, op een afstand van circa 400 meter, bevindt zich een aardgastransportleiding (Z-514-14). Dit betreft een ‘Aardgasleiding NEN 3650-leiding’, deze aardgasleidingen hebben een maximaal invloedsgebied van 580 meter. De plaatsgebonden risicocontour 106 reikt niet buiten de buisleiding.
Dit betekent dat bij de toepassing van de binnenplanse bevoegdheden een
beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk kan zijn. Gezien de afstand tot deze risicobron, is een uitgebreide verantwoording niet aan de orde. In beginsel zijn er geen belemmeringen te verwachten. De invloedsgebieden en plaatsgebonden risicocontouren 10-6 van Bevi-inrichtingen reiken niet over het plangebied. Transportroutes voor gevaarlijke stoffen liggen op relatief grote afstand van het plangebied. Het plangebied ligt echter wel binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Eindhoven-Venlo en de A2. Gezien de grote afstanden tot het plangebied (ruimschoots meer dan 200 meter), volstaat een beperkte verantwoording van het groepsrisico bij de toepassing van de afwijkings-/wijzigingsbevoegdheden en zijn er in beginsel geen belemmeringen te verwachten. 4.7.3
Conclusie
Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect externe veiligheid.
Ecologie 4.8.1
Toetsingskader
De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.
Bezorgershof te Geldrop
37
Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden. 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; ·
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);
·
soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);
·
andere soorten (artikel 3.10).
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar
Bezorgershof te Geldrop
38
worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2
Onderzoek
Wettelijke gebiedsbescherming Het plangebied ligt in het centrum van Geldrop. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Strabrechtse Heide & Beuven’, dat op circa 1,5 kilometer afstand van het plangebied ligt. De effecten die eventueel in Natura-2000 gebieden kunnen optreden betreffen externe effecten. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om een toename van geluid, licht of stikstofdepositie. Gezien de afstand tussen het Natura 2000-gebied en het plangebied en het tussenliggende stedelijke gebied, kunnen significant negatieve effecten in beginsel worden uitgesloten. Een uitzondering hierop vormt een eventuele toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats. Significant negatieve effecten zijn in dit opzicht, gezien de aard en omvang van de het plan (inclusief binnenplanse bevoegdheden) en de afstand tot stikstofgevoelige habitats op voorhand niet uitgesloten. Stikstofberekening Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een globale AERIUS-berekening uitgevoerd. Aangezien het planvoornemen bestaat om in een periode van 10 jaar 110 appartementen te realiseren binnen het plangebied, is de berekening gebaseerd op de realisatie van 11 appartementen in periode van één jaar. Uit deze berekening blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase géén rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j.
Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. In de bijlagen is de door AERIUS gegenereerde rapportage voor de aanlegfase en gebruiksfase opgenomen. Omdat voorliggend bestemmingsplan beoogt om een actuele juridisch-planologische regeling voor het plangebied te bieden, worden niet direct appartementen gerealiseerd. Het bestemmingsplan is in beginsel conserverend van aard, maar door middel van een aantal afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden worden transformatie en herontwikkeling onder voorwaarden mogelijk gemaakt. In totaal kunnen maximaal 110 extra woningen worden toegevoegd binnen het plangebied, na toepassing van de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheid. Op het moment dat er daadwerkelijk wordt overgegaan op het bouwen van appartementen, dient opnieuw een AERIUS-berekening gemaakt te worden, met de op dat moment meest actuele AERIUS Calculator. Planologische gebiedsbescherming Op grond van artikel 1.12, tweede lid, Wet natuurbescherming, wijzen de Gedeputeerde Staten van de provincie in hun provincie gebieden aan die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant hebben in dat kader het Natuurnetwerk Brabant (NNB) aangewezen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
In deze verordening is in artikel 3.16 tevens geregeld dat er een externe werking uitgaat van het NNB. Dat betekent dat regelingen met betrekking tot NNB-gebieden niet alleen in acht genomen moeten worden bij ontwikkelingen in NNBgebieden maar mogelijk ook bij ontwikkelingen buiten deze gebieden. Dat laatste is het geval wanneer er sprake is van een aantasting van ecologische waarden en kernmerken van NNB-gebied. Uit de provinciale Omgevingsverordening volgt dat het plangebied niet gelegen is binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of Natuurnetwerk Brabant (NNB). De afstand tot de dichtstbijzijnde locatie van het NNN/NNB tot het plangebied bedraagt circa 175 meter. Gezien de aard en omvang van de ontwikkelingen, die onderhavig bestemmingsplan faciliteert, de onderlinge afstand en de tussengelegen bestaande stedelijke
Bezorgershof te Geldrop
39
voorzieningen, zullen de omgevingscondities naar verwachting gelijk blijven. Er is daarom geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. Soortenbescherming Het bestemmingsplan is in hoofdzaak beheersmatig. Bij de toepassing van de in het plan opgenomen transformatiemogelijkheden, zal op basis van concrete planvoornemens een quickscan flora en fauna moeten worden uitgevoerd om de potentiële effecten op beschermde soorten in beeld te brengen. Aangezien deze effecten sterk samenhangen met concrete ontwikkelingen, is het uitvoeren van ecologisch onderzoek in het kader van dit bestemmingsplan niet doelmatig. 4.8.3
Conclusie
Er bestaan geen belemmeringen met betrekking tot het aspect ecologie.
Bodem 4.9.1
Toetsingskader
In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.9.2
Onderzoek
Bij planologische functiewijzigingen dient te worden onderzocht of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. Dit bestemmingsplan beoogt om een actuele juridisch-planologische regeling voor het plangebied te bieden voor zowel de beheersituatie als voor toekomstige ruimtelijk-functionele ontwikkelingen binnen het gebied, zoals transformaties en herontwikkeling. Het bestemmingsplan is in beginsel conserverend van aard, maar door middel van een aantal afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden worden transformatie en herontwikkeling onder voorwaarden mogelijk gemaakt. In totaal kunnen maximaal 110 extra woningen worden toegevoegd binnen het plangebied, na toepassing van de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheid. Daarmee kan er, daar waar thans nog geen woningen aanwezig zijn, sprake zijn van een gevoeligere functie. In dergelijke gevallen is een bodemonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek zal bij de toepassing van de binnenplanse bevoegdheden in voorkomende gevallen moeten worden uitgevoerd. Op voorhand is er geen aanleiding om belemmeringen in dit opzicht te verwachten. 4.9.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering in het kader van dit bestemmingsplan. Bij de toepassing van de in het plan opgenomen afwijkings-/wijzigingsbevoegdheden moet in voorkomende gevallen een bodemonderzoek worden verricht.
Water 4.10.1
Toetsingskader
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die
Bezorgershof te Geldrop
40
mogelijk wordt gemaakt. Dat wordt gedaan middels een watertoets. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente (water)advies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Provincie De provincie Noord-Brabant heeft het ‘Regionaal Water- en Bodem programma (RWP), Provincie NoordBrabant 2022 – 2027’ opgesteld. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. In dit document verwoordt de provincie hoe ze de komende jaren gaat werken aan voldoende water, schoon water, veilig water, vitale bodem en klimaatadaptatie. Het RWP biedt waterschappen en gemeenten een kader voor hun eigen beleid. Het RWP staat niet op zichzelf, maar wordt in samenhang gezien met andere provinciale opgaven op het gebied van leefbaarheid, cultuur en vrije tijd, wonen en werken, leefbaarheid, energie, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, archeologie en cultuurhistorie, en duurzame circulaire economie.
Op deze manier draagt het bij aan een integrale benadering van de duurzame (fysieke) leefomgeving. Het opgenomen beleid in dit RWP is een doorontwikkeling van het beleid zoals opgenomen in het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP). De urgentie is echter afgelopen jaren sterk toegenomen. Waterschap Sinds maart 2015 bestaat er een gezamenlijke Keur die opgesteld is door de Brabantse Waterschappen. Voor waterschap De Dommel, waaronder de bebouwde kom van Geldrop valt, zijn de regels uit deze gezamenlijke keur formeel ondergebracht in de ‘Keur Waterschap De Dommel 2015’ (Keur). Op grond van de Keur zijn algemene regels (‘Algemene regels Waterschap De Dommel’; Algemene Regels) en een aantal beleidsdocumenten opgesteld. Relevant voor transformatie- en herontwikkelingsopgaven is de kwestie van het afvoeren van hemelwater. In artikel 3.6 van de Keur is een verbod opgenomen om zonder vergunning over te gaan tot het tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen van regenwater. In artikel 15 van de Algemene Regels is vervolgens een bepaling opgenomen aan de hand waarvan in bepaalde gevallen vrijstelling kan worden verleend van het in artikel 3.6 van de Keur vastgelegde verbod. Een voorbeeld van wanneer vrijstelling kan worden verleend is wanneer de toegevoegde verharde oppervlakte maximaal 500 m² is.
Naast bovengenoemde is voor ruimtelijke ontwikkelingen relevant dat het uitgangspunt is dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal moeten worden uitgevoerd. Dit is als zodanig vastgelegd in de ‘Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater’ van Waterschap De Dommel. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding of afkoppelen van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. In dit kader wordt door waterschappen in zijn algemeenheid de volgende voorkeursvolgorde aangehouden met betrekking tot hemelwater dat op verharde oppervlakten, waarbij de eerste optie het meest en de vijfde optie het minst wenselijk wordt bevonden: 1. hergebruik; 2. vasthouden / infiltreren; 3. bergen en afvoeren; 4. afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect); 5. afvoeren naar de riolering.
Bezorgershof te Geldrop
41
Waterschap De Dommel heeft tevens een waterbeheerprogramma voor de periode 2022-2027 opgesteld. De doelen die hierin beschreven staan zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied en waarborgen van de aanwezigheid van voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. 4.10.2
Onderzoek
Oppervlaktewater In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ook voorziet het plan niet in de toevoeging van nieuw oppervlaktewater. Op circa 125 meter afstand, ten oosten van het plangebied, is de rivier de Dommel gelegen. Verder zijn in de omgeving geen relevante oppervlaktewateren aanwezig. Gelet op de afstand tot de Dommel en de aard en omvang van het plan kunnen (negatieve) effecten op betreffende oppervlaktewateren redelijkerwijs worden uitgesloten. Hemelwater Uitgangspunt met betrekking tot hemelwater is dat het in beginsel verboden is om vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. In de planregels is vastgelegd dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet worden aangetoond dat wordt voorzien in een bergings-/infiltratievoorziening van voldoende grootte, waarin het hemelwater afkomstig van het dakoppervlak en/of erfverharding van de bebouwing wordt geborgen/geïnfiltreerd. De capaciteit van de bergings-/infiltratievoorziening wordt bepaald conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m²). Dit vormt een uitwerkingsvraagstuk in het kader van de toepassing van de in het plan opgenomen bevoegdheden. Deze eis geldt voor de gehele nieuwe ontwikkeling.
Grondwater De plangebieden zijn niet gelegen in een grondwaterbeschermings- of grondwaterwingebied. De voorgenomen ontwikkelingen zullen zowel kwantitatief als kwalitatief gezien geen significante invloed hebben op het grondwater. 4.10.3
Conclusie
Er bestaan geen belemmeringen met betrekking tot het aspect water.
Archeologie 4.11.1
Toetsingskader
De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2024 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden.
Bezorgershof te Geldrop
42
Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. Op de onderstaande kaart is het archeologisch beleid weergegeven.
Figuur 24 Archeologische beleidskaart 2012 (SRE Milieudienst)
4.11.2
Onderzoek
De gemeente Geldrop-Mierlo beschikt over een archeologisch beleidsplan met bijbehorende archeologische beleidskaart (zie figuur 24). Een groot deel van het plangebied, uitgezonderd een deel van de bestaande bebouwing, is in de beleidskaart aangemerkt als een gebied van archeologische waarde (categorie 2). Voor bodemingrepen met een omvang van meer dan 100 m² met een diepte van minimaal 30 centimeter, is een archeologische onderzoeksverplichting van toepassing. Dit bestemmingsplan voorziet uitsluitend na het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid in nieuwe bouwmogelijkheden, waarbij deze drempelwaarde mogelijk overschreden wordt. Indien dit het geval is, zal bij de toepassing van deze bevoegdheid archeologisch onderzoek moeten worden uitgevoerd. Ter waarborging van de archeologische belangen, is in het bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ opgenomen, daar waar de gronden in de gemeentelijke beleidskaart zijn aangeduid met categorie 2. Op deze wijze is de bescherming van eventuele archeologische waarden planologisch voldoende geborgd. Indien tijdens de toekomstige werkzaamheden resten worden aangetroffen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze resten van archeologische waarde zijn, geldt een wettelijke meldingsplicht conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet. 4.11.3
Conclusie
Het aspect archeologie zorgt niet voor belemmeringen met betrekking tot het bestemmingsplan. Ten aanzien van dit aspect is in het bestemmingsplan een adequaat planologisch beschermingsregime opgenomen.
Cultuurhistorie 4.12.1
Toetsingskader
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan.
Bezorgershof te Geldrop
43
De Erfgoedwet bevat de wet en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.12.2
Onderzoek
Aan de hand van Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant is bepaald of in en rondom het plangebied relevante cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Een uitsnede van deze kaart is opgenomen in onderstaande figuur.
Figuur 25 CHW kaart (Provincie Noord-Brabant)
Uit de CHW kaart volgt dat binnen het plangebied sprake is van de aanwezigheid van meerdere cultuurhistorische waarden. Zo zijn er drie bouwwerken aangeduid als waardevolle bouwkunst (gemeentelijk monumentaal) en één als rijksmonument. Verder is het Bezorgershof het oudste bouwblok van Geldrop. Hierdoor is het logischerwijs aangeduid als terrein van hoge archeologische waarde en historische stedenbouw, en is het gelegen aan historische geografie van redelijk hoge waarde. In de omgeving is ook sprake van cultuurhistorische waarden. Zo zijn er meerdere rijksmonumenten gelegen zoals de SintBrigidakerk en de oude weverijfabriek. Verder ligt er ten noorden van het Bezorgershof het kasteel van Geldrop waarvan zowel de bebouwing als het groen als waardevol en/of als erfgoed zijn aangeduid. Binnen het plangebied zijn drie panden aangewezen als gemeentelijk monument en één gebouw is aangeduid als rijksmonument. Zie de navolgende figuur, waarin deze zijn weergegeven. In het beeldboek, dat is opgenomen in de bijlagen, is een nadere omschrijving van deze panden en hun context opgenomen. Buiten de monumenten zijn ook enkele gebouwen aan het Bezorgershof aangeduid als karakteristiek/ cultuurhistorisch waardevol. Bij deze panden is geen sprake van een monumentale of cultuurhistorische waarden, maar dragen de panden wel bij aan de beeldkwaliteit en identiteit van het Bezorgershof.
Het gaat om 13 panden met deze status. In totaal zijn er 17 panden aan het Bezorgershof die als waardevol worden gezien. Verder bestaat het blok grotendeels uit kleinschaligere 20ste eeuwse bebouwing.
Bezorgershof te Geldrop
44
Figuur 26 Inventarisatie panden
Bij het ontwikkelen van het Bezorgershof is het belangrijk dat de historische stedenbouw en de waardevolle panden worden behouden. De niet-waardevolle 20ste -eeuwse bebouwing kan daarentegen profiteren van gevelverbetering om een aantrekkelijker en samenhangend straatbeeld te creëren. Hiervoor is een stimuleringsregeling geverbetering Centrum Geldrop in het leven geroepen. 4.12.3
Conclusie
Het plangebied omvat een aantal cultuurhistorisch waardevolle elementen en panden. Deze zijn betrokken bij de totstandkoming van de ruimtelijk-stedenbouwkundige principes en randvoorwaarden voor toekomstige ontwikkelingen binnen het plangebied. Ter bescherming van deze cultuurhistorische waarden bij toekomstige ontwikkelingen binnen het plangebied zijn adequate planologische beschermingsregimes opgenomen in het bestemmingsplan. Bij toepassing van de opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor transformatie/herontwikkeling moet hieraan worden getoetst.
Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.13.1
Toetsingskader
Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden is het opstellen van een milieueffectrapport (MER) dan nodig. In hoeverre een ontwikkeling als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van categorie D11.2 te kwalificeren is, kan niet in algemene zin worden beantwoord. In de jurisprudentie zijn echter wel aanknopingspunten te vinden die kunnen worden gebruikt in de beoordeling of al dan niet sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Deze aanknopingspunten worden beschreven in de navolgende alinea’s.
Bezorgershof te Geldrop
45
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘ABRvS’; ‘Afdeling’) heeft in haar uitspraak van 18 juli 2018 duidelijk gemaakt dat ook een behoorlijke wijziging niet gekwalificeerd hoeft te worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (ECLI:NL:RVS:2018:2414). Ook de ABRvS spreekt uit dat het begrip ruimte laat voor interpretatie en afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval. Volgens de ABRvS spelen onder andere de aard en omvang van een ontwikkeling een rol bij de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Bij de beantwoording van deze vraag is niet doorslaggevend of er sprake is van aanzienlijke negatieve milieugevolgen (zie ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694). De Afdeling bevestigt dit laatste nog eens in een uitspraak van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348). In aanvulling op bovenstaande blijkt uit een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant echter wel dat het feit dat milieugevolgen van een project beperkt zijn kan worden meegenomen in een onderbouwing dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject (zie Rechtbank Oost-Brabant 6 november 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:5778).
Daarnaast is het ook van belang in hoeverre er sprake is van een functiewijziging en een toename in de bebouwde oppervlakte (zie ABRvS 2 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348; ABRvS 18 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1297; ABRvS 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3055). Ten aanzien van dit laatste kiest de Afdeling dus voor een planologische vergelijking van de nieuwe situatie ten opzichte van de oude. Indien er sprake is van een toename in bebouwde oppervlakte, kan het niet of slechts beperkt optreden van milieugevolgen worden aangevoerd als grond waarom er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject (zie ABRvS 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3055). 4.13.2
Onderzoek
Dit bestemmingsplan beoogt om een actuele juridisch-planologische regeling voor het plangebied te bieden voor zowel de beheersituatie als voor toekomstige ruimtelijk-functionele ontwikkelingen binnen het gebied, zoals transformaties en herontwikkeling. Het bestemmingsplan is in beginsel conserverend van aard, maar door middel van een aantal afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden worden transformatie en herontwikkeling onder voorwaarden mogelijk gemaakt. In totaal kunnen maximaal 110 extra woningen worden toegevoegd binnen het plangebied, na toepassing van de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheid. In het voorliggende geval is sprake van een netto toename van 110 wooneenheden bij toepassing van de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheid. Deze ontwikkeling kan worden begrepen onder categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelingsproject). De ontwikkeling blijft echter ruimschoots onder de genoemde drempelwaarden. Daarom is enkel een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht.
Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Uit paragraaf 4.8 ‘Ecologie’ blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is.
Bezorgershof te Geldrop
46
4.13.3
Conclusie
De voorgenomen woningbouwontwikkeling betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarom is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Deze rapportage is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Op basis van de vormvrije m.e.r.beoordeling wordt geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een MER. De gemeente neemt op dit punt een separaat besluit.
Bezorgershof te Geldrop
47
5
Juridische planopzet
In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.
Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functieen bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Dit bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
Plansystematiek In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. Het bestemmingsplan is in hoofdzaak conserverend van aard, waardoor voor de beheersituatie de bestaande bouw- en gebruiksregels als uitgangspunt zijn genomen. Qua systematiek is aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Reststroken’, dat voor een deel van het plangebied geldt. Ook is rekening gehouden met de vigerende thematische ruimtelijke plannen. Voor de in het plan opgenomen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden, waarmee transformatie en herontwikkeling binnen het plangebied onder voorwaarden wordt gefaciliteerd, is maatwerk gehanteerd. Dit vanwege de specifieke aard en randvoorwaarden voor deze bevoegdheden. De regels van het plan bestaan conform de SVBP2012 uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en stolregels aan de orde komen. Hieronder worden de regels in de onderscheiden hoofdstukken kort toegelicht. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat alle bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren: Begrippen (Artikel 1): In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het plan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen.
Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Bezorgershof te Geldrop
48
Wijze van meten (Artikel 2): Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In hoofdstuk 2 komen de verschillende bestemmingen aan de orde. Alle zelfstandige regelingen, die gevolgen hebben voor de bouw- of gebruiksmogelijkheden van de gronden, zijn als een bestemming vormgegeven. In het plangebied zijn de enkelbestemmingen ‘Centrum – 1’ en ‘Verkeer’ opgenomen. Verder zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’, ‘Waarde – Cultuurhistorie’ en ‘Waarde – Waardevolle boom’ opgenomen. In de volgende paragraaf worden de bestemmingen inhoudelijk toegelicht. De bestemmingen kunnen uit de volgende onderdelen (leden) bestaan, waarbij niet alle onderdelen in elke bestemming opgenomen behoeven te zijn; ·
Bestemmingsomschrijving;
·
Bouwregels;
·
Nadere eisen;
·
Afwijken van de bouwregels;
·
Specifieke gebruiksregels;
·
Afwijken van de gebruiksregels;
·
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
·
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
·
Wijzigingsbevoegdheid.
De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: Algemene regels Hoofdstuk 3: algemene regels ·