Bestemmingsplan 1. Toelichting Genoenhuizerweg 6 Geldrop
Tekst van het document
In de paragraaf 5.3 van dit bestemmingsplan is verantwoord dat dit plan niet leidt tot aantasting van cultuurhistorische waarden. Er is sprake van een bedrijfsterrein dat wordt herbestemd. In de huidige situatie zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Deze herbestemming is tot stand gekomen op basis van een gebiedsvisie op deze omgeving op basis van diep, rond en breed kijken. Met deze herontwikkeling is juist sprake van een duurzame verankering en verbinding van natuur-, en cultuurhistorische waarden voor de toekomst, terwijl ook een bijdrage wordt geleverd aan de woningbouwopgave in de gemeente Geldrop-Mierlo. Regels voor Groenblauwe mantel Het plangebied is gelegen binnen de Groenblauwe mantel. Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Nieuwe ontwikkelingen passen daarom qua aard en schaal bij het ontwikkelingsperspectief voor de groenblauwe mantel en houden rekening met omliggende waarden. Met dit plan is rekening gehouden met de ligging binnen de Groenblauwe mantel. In samenhang met de realisatie van de woningen word een omvang van circa 3.465 m² van het plangebied bestemd als ‘Groen’ en als zodanig ingericht met streekeigen landschapselementen. Dit betreft landschappelijke bomen, knip- en scheerhagen en een struweelhaag. Ook wordt een poel gerealiseerd.
In dit plan is veel aandacht besteed aan de omgang met hemelwater. Dit is concreet uitgewerkt in het waterplan dat door Kragten is opgesteld en als bijlage bij deze toelichting is opgenomen. Dit plan is samengevat in de waterparagraaf van dit bestemmingsplan. Dit plan draagt bij aan het behoud en de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. In samenhang met deze ontwikkeling is een bedrijfsbestemming binnen het plangebied gesaneerd. Regels voor attentiezone waterhuishouding Navolgende figuur geeft een uitsnede van de kaart met natuur- en stiltegebieden, waarop de ligging van het plangebied is aangeduid. Het plangebied is deels gelegen binnen een attentiezone voor de waterhuishouding.
Crijns Rentmeesters bv
33
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
Plangebied Figuur 21: Uitsnede kaart natuur- en stiltegebied waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
Een bestemmingsplan van toepassing is binnen een attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het Natuur Netwerk Brabant. Dit bestemmingsplan heeft geen negatief effect op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het Natuur Netwerk Brabant. In samenhang met deze ontwikkeling worden gronden duurzaam landschappelijk ingepast met ruimte voor waterberging binnen het plangebied. Deze inpassing is met een groenbestemming verankerd in dit bestemmingsplan. Een bedrijfsbestemming wordt hiermee gesaneerd en wegbestemd. Per saldo nemen de verhardingsmogelijkheden af. Staldering en beperkingen veehouderij Het plangebied is aangeduid als gelegen binnen een stalderingsgebied en een gebied met beperkingen voor de veehouderij. Binnen deze aanduidingen gelden extra voorwaarden voor de ontwikkeling van veehouderijen gericht op het voorkomen van een verdere regionale concentratie van vee en het tegengaan van (verdere) leegstand. De toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel is alleen mogelijk als er elders dierenverblijven verdwijnen; het zogenaamde stalderen. De beoogde herontwikkeling heeft geen toename van dierenverblijven tot gevolg.
De beoogde herontwikkeling is niet in strijd met de regels die gelden binnen het ‘Stalderingsgebied’ of ‘Beperkingen veehouderij’.
4.2.3
Omgevingsverordening Provincie Noord-Brabant
4.2.3.1
Beleidskader
Inleiding De omgevingsverordening bevat alle regels op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving, zoals over milieu, natuur, ruimtelijke ordening, wegen, water en bodem. De omgevingsverordening is een voor de provincie verplicht instrument uit de Omgevingswet, en treedt op 1 januari 2024 in werking. De omgevingsverordening sluit aan op de Omgevingswet en de werkwijze van de Omgevingsvisie. De regels sluiten aan bij het diep, rond en breed kijken uit de omgevingsvisie. Maar zijn ook gebaseerd op overig vastgesteld beleid, zoals de doelen en ambities voor duurzame energie uit de
Crijns Rentmeesters bv
34
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
Energie-agenda of bij de uitwerking van beleid in het Regionaal Water- en Bodem Programma. In het algemeen geldt dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten, bijvoorbeeld omdat de provincie vanuit de wet verantwoordelijk is om bepaalde doelen te halen, of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening. Bij het opnemen van instructieregels aan gemeente en waterschap geldt dat deze nodig zijn vanuit de opgaven en ambities uit de omgevingsvisie, bijvoorbeeld omdat waarden of een onderwerp gemeentegrens overstijgend zijn of om een uniform beleid binnen de provincie te realiseren. Bij het vormgeven van de instructieregels geldt dat waar mogelijk is gewerkt met kaders die ruimte bieden voor eigen beleidsmatige invullingen. Omgevingskwaliteit De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die bepaald wordt door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. De karakteristiek van een plek of gebied bestaat uit herkomst- en belevingswaarden. Onderling zijn deze nauw verbonden en geworteld in een lang historisch ontwikkelingsproces.
Herkomstwaarde gaat onder andere over verbondenheid, eigenheid en herkenbaarheid, cultuurhistorische verscheidenheid, cultuurhistorische waarden en de leesbaarheid van de omgeving in tijd en ruimte. De gebruiks- en toekomstwaarden van een plek of gebied zijn vooral verbonden met de maatschappelijke en ruimtelijke dynamiek. Actuele maatschappelijke opgaven en vraagstukken zijn veelal in grote mate bepalend voor de toekomstige kwaliteit van de leefomgeving. Gebruikswaarde heeft onder andere betrekking op een goede bereikbaarheid en functionaliteit van locaties, effectiviteit en productiviteit, externe veiligheid, een schoon milieu en een goede waterhuishouding. Bij toekomstwaarde gaat het bijvoorbeeld om stabiliteit en flexibiliteit, duurzaamheid, draagvlak voor een betekenisvolle toekomst, erfgoed, rekening houden met ecologische voorraden en duurzame ecosystemen. Voor een gezonde leefomgeving gaat de provincie uit van 'positieve gezondheid'. Naast een gezonde leefomgeving is ook een veilige leefomgeving belangrijk bij een evenwichtige toedeling van functies en activiteiten. Bij de evenwichtige toedeling van functies speelt de balans tussen beschermen en benutten een belangrijke rol. Bij de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit gaat het zowel om het beschermen van waarden als het bijdragen aan de ontwikkeling van waarden en functies in een gebied.
De zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit omvat een aantal basisprincipes in combinatie met een diepe en ronde manier van kijken, die afkomstig zijn uit de Brabantse omgevingsvisie: zorgvuldig ruimtegebruik toepassing van de lagenbenadering meerwaardecreatie In deze verordening zijn geen regels opgenomen voor de brede manier van kijken. De brede manier van kijken sluit aan bij de uitgangspunten van de Omgevingswet dat een ontwikkeling samen met iedereen die het aangaat wordt opgepakt. Participatie en samenwerking zijn daarbij in de Brabantse praktijk een vanzelfsprekendheid. Afwegingen worden met de juiste betrokkenen en omwonenden van een initiatief of in een gebied samen gemaakt; op een sociaal inclusieve manier dus. Hierdoor kunnen slimme combinaties gelegd worden en komt de gebiedskennis en betrokkenheid vanuit de omgeving goed tot haar recht. Deze omgeving omvat niet alleen de direct omwonenden, maar ook
Crijns Rentmeesters bv
35
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
inbreng van kennisinstellingen en initiatiefnemers van elders die hun ervaringen delen. Breed kijken omvat ook het over provincie en landsgrenzen heen kijken. Gemeenten geven invulling aan een goede omgevingskwaliteit op lokaal niveau door een afweging te maken in een concreet geval. Vanuit provinciaal belang zijn er naast de basisprincipes voor omgevingskwaliteit ook specifieke regels voor bepaalde activiteiten en functies opgenomen in deze verordening. Sommige regels zijn gericht op bescherming van waarden, zoals natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Soms zijn de regels gericht op ontwikkeling, bijvoorbeeld door ontwikkelruimte te koppelen aan een versterking van kwaliteit door groenontwikkeling of sloop van leegstaande bebouwing. In het besluit tot vaststelling van het omgevingsplan of in de toelichting van het plan onderbouwt de gemeente dat de inzet van de kwaliteitsverbetering past binnen het beleid voor een gebied of de omgeving. Dit kan bijvoorbeeld door aan te geven dat de maatregelen passen bij het aanwezige landschapstype of door te verwijzen naar een landschapsplan of gemeentelijke structuurvisie waarin landschapsdoelen zijn opgenomen. Landschapsverbeterende maatregelen kunnen daarbij ook bijdragen aan klimaatadaptatie. Vanuit meerwaardecreatie is het zelfs gewenst om waar mogelijk opgaven te combineren.
Ontwikkelingsrichting Bij de afweging over de ontwikkeling van nieuwe activiteiten en functies in het Landelijk gebied is het belangrijk na te denken of dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waar de locatie ligt. Om de afweging te kunnen maken in een concreet geval is het nodig dat een gemeente beleid uitwerkt waarin een ontwikkelingsrichting voor de verschillende typen gebied is opgenomen. Stedelijke ontwikkeling De gebieden Verstedelijking afweegbaar zoals gehanteerd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn vervallen. Gemeenten zijn daardoor zelf aan zet om gebaseerd op de diep-rondbreed methodiek uit de omgevingsvisie een afweging te maken waar stedelijke ontwikkeling het beste een plek kan krijgen. Vanuit zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in stedelijk gebied, blijft een binnenstedelijke ontwikkeling voorrang hebben De wet biedt de mogelijkheid dat Gedeputeerde Staten voor de vergunningverlening voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit gevallen aanwijst waarvoor verplicht advies (met instemming) gevraagd moet worden. Hiervoor wordt een apart besluit genomen door Gedeputeerde Staten. Realisatie van een stedelijke ontwikkeling buiten Stedelijk gebied is als zodanig aangewezen.
Artikel 5.56 Afwijkende regels stedelijke ontwikkeling Als er vanuit kwaliteit of kwantiteit in Stedelijk gebied onvoldoende ruimte aanwezig is, dan bestaat er de mogelijkheid dat een stedelijke ontwikkeling binnen het werkingsgebied Landelijk gebied wordt gerealiseerd. Als er nieuw ruimtebeslag nodig is, wordt met toepassing van de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies gekeken naar welk gebied daarvoor in aanmerking komt en onder welke voorwaarden. Als voor een locatie waarden zijn geïdentificeerd in deze verordening geldt dat de stedelijke ontwikkeling rekening houdt met de opgenomen regels en dat de stedelijke ontwikkeling plaatsvindt in samenhang en in evenredigheid met een groene en blauwe landschapsontwikkeling binnen het gebied of de naaste omgeving. De rode ontwikkeling vindt dus in een evenredige verhouding met de ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische waarden of landschapskwaliteiten plaats. In deze gebieden is een intensieve verstedelijking vanuit de zorgplicht voor omge-
Crijns Rentmeesters bv
36
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
vingskwaliteit in het algemeen niet passend. Het is gewenst dat over een concrete invulling tijdig overleg met de provincie wordt gevoerd. Artikel 5.56 is hierna opgenomen. Artikel 5.56 Afwijkende regels stedelijke ontwikkeling In afwijking van artikel 5.55 Duurzame stedelijke ontwikkeling , eerste lid, aanhef, kan een omgevingsplan voorzien in een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen , binnen Landelijk gebied als: a. binnen Stedelijk gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is; b. transformatie van cultuurhistorisch waardevol of ander geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort; c. dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in artikel 5.12 ; d. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 7.2 Regionaal samenwerken ; e. de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting is afgestemd op de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving, waaronder de met deze verordening te beschermen en te ontwikkelen waarden; en f. de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting houdt rekening met een duurzame afronding van het Stedelijk gebied. 4.2.3.2 Toets Het plangebied is gedeeltelijk gelegen binnen het Landelijk gebied.
Met deze ontwikkeling vindt een kwantitatieve toevoeging van woningbouwplaats op een saneringslocatie binnen de kern. De rode ontwikkeling vindt in een evenredige verhouding met de ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische waarden of landschapskwaliteiten plaats. Dit is nader toegelicht in hoofdstuk 3 van deze toelichting. Deze ontwikkeling past binnen de Omgevingsverordening. Hierna is dit samengevat toegelicht met een toets aan de regels. a. binnen stedelijk gebied is feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar. Met dit plan wordt een duurzame afronding van het stedelijk gebied gerealiseerd waarbij sprake is van een mix tussen wonen en groen; b. transformatie van cultuurhistorisch waardevol of ander geschikt leegstaand vastgoed behoort niet tot de mogelijkheden, wel is sprake van hergebruik van een voormalig bedrijfsperceel; c. de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, dit is nader toegelicht in paragraaf 3.2 van deze toelichting; d. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken. Dit is nader toegelicht in paragraaf 4.1.2 van deze toelichting; e. de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting is afgestemd op de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving. Dit is nader toegelicht in paragraaf 3.3 en hoofdstuk 5 van deze toelichting. f.
de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting houdt rekening met een duurzame afronding van het Stedelijk gebied. Met deze ontwikkeling wordt het gebied tussen de kern en Gijzenrooiseweg duurzaam afgrond.
Crijns Rentmeesters bv
37
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
4.3 Regionaal beleid 4.3.1
Afsprakenkader Wonen Stedelijk Gebied Eindhoven
4.3.1.1 Beleidskader In 2017 is in de negen gemeenten van het Stedelijk Gebied Eindhoven (hierna ook SGE) het Afsprakenkader Wonen vastgesteld. Dit is daarna op 13 december 2017 bekrachtigd in het Regionaal Ruimtelijk overleg van regio Zuidoost van de provincie Noord-Brabant. Daarnaast is in 2018 de SGE visie op wonen in de 9 gemeenten vastgesteld. Tenslotte is in maart 2019 een Woondeal gesloten tussen het SGE, het ministerie van BZK en de provincie Noord-Brabant. De belangrijkste uitgangspunten van het Afsprakenkader en de Visie op Wonen zijn de navolgende : a. Ruim baan geven aan initiatieven die uitgaan van herstructurering, transformatie en inbreiding. Dit betreft de locaties binnen het Stedelijk gebied zoals dat is aangegeven in de provinciale verordening. b. Geen nieuwe uitleglocaties tenzij het portefeuillehoudersoverleg hierover een unanieme beslissing neemt. c. Voor grotere projecten geldt dat een instemming van het SGE portefeuillehoudersoverleg wonen nodig is voordat een bestemmingsplan in procedure wordt gebracht. Het portefeuillehoudersoverleg baseert zich op het advies van het onafhankelijke SGE coördinatieteam wonen. Voor Veldhoven is dit het geval vanaf 75 woningen. d. Woningbouwontwikkelingen kwantitatief en kwalitatief monitoren. e. Kwantitatieve provinciale prognoses 2017 in principe als richtinggevend beschouwen op het niveau van het Stedelijk Gebied.
Zo optimaal mogelijk gebruik makend van de ruimte die de Brabantse Agenda Wonen biedt. Dit onderdeel is deels achterhaald door het sluiten van de Woondeal. Er zijn 7 Brainport Principes: 1. Koesteren van identiteit; 2. Ruimte voor innovatie; 3. Vraaggericht ontwikkelen; 4. Invloed voor bewoners; 5. Aantrekkelijke en gevarieerde woonmilieus; 6. Benutting regionaal schaalniveau; 7. Gezonde verstedelijking. Doelen die moeten worden behaald zijn: Van concurreren op kwantiteit naar samenwerken op kwaliteit; Kwaliteitsverbetering (nieuwbouw-)woningaanbod in het gehele SGE; De principes gelden overal, maar het resultaat kan verschillend zijn (zgn. Level Playing Field) Stap naar een completer en diverse woningaanbod in het SGE; Woningbouwprojecten meer nadrukkelijk een bijdrage laten leveren aan de ‘gezonde, slimme en duurzame stad’.
Crijns Rentmeesters bv
38
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
Hoe wordt dit gerealiseerd? - Gezamenlijk de lat hoog leggen; - Gezamenlijke ambitie met zo hoog mogelijk kwaliteitsniveau voor nieuwbouwwoningen; - Elkaar èn bouwers/ontwikkelaars prikkelen: ‘we doen niet meer wat we deden, vanaf vandaag gaan we het anders doen’. De initiatiefnemer moet deze kwaliteitskenmerken kunnen toelichten en verantwoorden. Een team van specialisten uit de verschillende gemeenten beoordeelt en stelt de score vast op een schaal van 1 tot 10. Deze score wordt vervolgens grafisch weergegeven. Op deze manier ontstaat voor ieder initiatief een uniek figuur en is direct zichtbaar op elke aspecten een project goed of minder goed scoort en is duidelijk of een project voldoende scoort om door te kunnen of dat aanpassingen noodzakelijk zijn. 4.3.1.2 Toets Een ontwikkeling vanaf twaalf woningen dient getoetst te worden aan de Brainport principes. Binnen het plangebied worden twaalf woningen gerealiseerd. Desondanks is het plan ter toetsing voorgelegd aan de regio en akkoord bevonden. Het plan past binnen de principes. De toets aan de principes en het akkoord is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.
4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1
Omgevingsvisie Geldrop-Mierlo 2040
4.4.1.1 Beleidskader De gemeente Geldrop-Mierlo heeft het ontwerp van de Omgevingsvisie Geldrop-Mierlo 2040 gepubliceerd. De omgevingsvisie biedt een vooruitblik op de leefomgeving tot het jaar 2040. Het is een langetermijnvisie op de doelen en ambities voor de fysieke leefomgeving. Het doel is om de gemeente Geldrop-Mierlo door te ontwikkelen als een groene recreatieve woongemeente met stadse trekjes en een dorpse gemoedelijkheid. Daarvoor zijn zes speerpunten geformuleerd: Duurzaam verbonden in de regio; de inrichting van onderwijsmogelijkheden, voorzieningen, bedrijvigheid en mobiliteit in Geldrop-Mierlo is afgestemd op het aanbod binnen het Stedelijk Gebied Eindhoven. Er zijn goede wandel- en fietsverbindingen tussen de wijken en het centrum en goede fiets- en OV-verbindingen met Eindhoven en Helmond. Er is een goede autobereikbaarheid is goed, waarbij het autoverkeer is verduurzaamd Doorlopend groen; de natuurgebieden dragen bij aan robuuste regionale, doorlopende groenstructuren en bovenregionale ecologische verbindingen voor het versterken van de biodiversiteit. Dit biedt ook recreatiemogelijkheden voor de inwoners van de gemeente en het Stedelijk Gebied Eindhoven.
Een stralend middelpunt (in Geldrop en Mierlo); beide kernen hebben een multifunctioneel centrum waar winkelen, recreëren, wonen, verblijven, cultuur en vermaak samen komen en vormen het middelpunt van het dorpse leven en het vertrekpunt voor een recreatief bezoek of bezoek aan een evenement. Het woningaanbod in de centra is afgestemd op de woonbehoefte van ouderen, alleenstaanden en jongeren. Naar groene sociale wijken; de ambities op het vlak van gezondheid en sociale cohesie worden in de leefomgeving ondersteund door groene wijken en ruimte voor ontmoeting. De wijken zijn
Crijns Rentmeesters bv
39
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
in belangrijke mate duurzaam ingericht qua energieverbruik en –opwekking en klimaat adaptief ingericht. In alle wijken is er een goed gevarieerd woningaanbod waarop is en wordt geanticipeerd op de veranderende samenstelling van de bevolking. Naar een multifunctioneel buitengebied; in het buitengebied zijn functies en opgaven met elkaar verweven. Landbouw, natuur, recreatie en bedrijvigheid versterken elkaar en er is ruimte ingebed voor waterberging, duurzame opwek van energie en alternatieve woonvormen. Versterken economische kracht; de bedrijventerreinen zijn vitaal ingericht. Qua bedrijvigheid ligt de focus op het midden- en kleinbedrijf, de recreatieve sector en eventuele segmenten binnen de Brainport regio.
4.4.1.2 Toets Met dit plan wordt het gebied tussen het centrum van Geldrop en de Gijzenrooiseweg duurzaam heringericht voor de toekomst. Een voormalige bedrijfslocatie wordt herbestemd en ingericht met twaalf levensloopbestendige woningen. Daarnaast is met de inrichting sprake van een goede en duurzame groenbestemming met een verbeterde langzaamverkeersverbinding. Dit plan past in de omgevingsvisie.
4.4.2
Woonvisie Geldrop-Mierlo
4.4.2.1 Beleidskader De gemeente Geldrop-Mierlo heeft in 2020 de Woonvisie Geldrop-Mierlo 2020-2028 ‘Geldrop-Mierlo is niet zomaar een plek, het is ons thuis’ vastgesteld. De focus voor wonen ligt op de navolgende uitgangspunten: meer (betaalbare) woningen voor 1 en 2 persoonshuishoudens met name voor starters en senioren; beperkte toevoeging van sociale huurwoningen waarbij gestreefd wordt naar leefbare en vitale wijken met een gezonde mix aan woningentypen en doelgroepen; meer aandacht voor transformatie en sloop/nieuwbouw; op peil houden van de sociale woningvoorraad; nieuwe woningen moet passen in de wijk; een goede balans van woningtypen in wijken; inzetten op doorstroming door: o met name voor starters, senioren en alleenstaanden te bouwen: o middeldure huurwoningen toe te voegen: o Voldoende woningen realiseren om de uitstroom “beschermd wonen” en “maatschappelijke opvang” mogelijk te maken; ruimte geven aan nieuwe woonconcepten, Tiny houses, kangoeroewoningen of mantelzorgwoningen. 4.4.2.2 Toets Met dit plan worden twaalf levensloopbestendige woningen gerealiseerd op een transformatielocatie. Deze woningen dragen bij aan realiseren van doorstroming in de woningmarkt. Uit de woonvisie blijkt ook dat er behoefte is aan deze woningen. Dit is toegelicht in paragraaf 4.1.2 van deze toelichting. Dit plan past binnen en sluit aan bij de Woonvisie Geldrop-Mierlo
Crijns Rentmeesters bv
40
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
5. MILIEUASPECTEN 5.1 Bodem 5.1.1
Beleidskader
Voorafgaand aan het volgen van een ruimtelijke procedure dient te worden nagegaan of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreinigingen geen onaanvaardbare risico’s opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet.
5.1.2
Toets
Binnen het plangebied zijn bodemonderzoeken uitgevoerd. Tritium Advies heeft verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek met datum 9 december 2019 en rapportnummer 1910/254/TB01, versie 0 behoort als bijlage bij deze toelichting. Dit rapport met datum 2 april 2021 en rapportnummer rapport C215425.006/PHE behoort als bijlage bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat er geen sprake is van een belemmering voor het voorgenomen gebruik en dat er geen sprake is van een geval van bodemverontreiniging met asbest of van met asbest verontreinigd puin. Daarnaast zijn door Archimil asbestonderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken met datum 2 april 2021 met rapportnummer rapport C215425.006/PHE en datum 15 augustus 2023 met rapportnummer rapport C230189.006/PHE (Fase 2) behoren als bijlagen bij deze toelichting. Uit dit rapport blijkt dat er geen sprake is van een geval van bodemverontreiniging met asbest. Dit komt overeen met de resultaten van het nader onderzoek naar asbest op het westelijk aangrenzend terrein. De aanwezigheid van de loods met een asbesthoudend dak heeft niet geleid tot een bodemverontreiniging ter plaatse van de onverharde regendrupzone. De bodem is geschikt voor het beoogde gebruik.
5.2 Waterhuishouding 5.2.1
Beleidskader
5.2.1.1 Inleiding Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijk optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. 5.2.1.2 Keur De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap.
Crijns Rentmeesters bv
41
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
5.2.1.3
Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen hanteren dezelfde beleidsuitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². 5.2.1.4 Gemeentelijke Rioleringsplan Geldrop-Mierlo 2023-2027 Het Gemeentelijke Rioleringsplan Geldrop-Mierlo plan bevat zowel het riolerings- als het waterbeleid omdat dit niet los van elkaar kan worden gezien. De gemeente geeft in dit plan aandacht aan zes speerpunten: 1.
Duurzame waterketen: de inzameling en het transport van afvalwater moet zo doelmatig mogelijk plaatsvinden zodat de volksgezondheid niet in het geding komt. 2. Een klimaatbestendig watersysteem: het systeem wordt zo ingericht dat de klimaatveranderingen beter wordt opgevangen. Bij nieuwbouw moet regenwater voortaan eerst in een berging op eigen terrein worden opgevangen voordat het mag worden geloosd op de openbare riolering. Bij reconstructies verhard oppervlak zoveel mogelijk te worden afgekoppeld. De inspanningsverplichting van de gemeente ingeval van hinder of overlast door zware regenval is duidelijker omschreven en aangescherpt. 3. Grondwaterhuishouding in balans: perceeleigenaren zijn beginsel zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen tegen gevolgen van te hoge of te lage grondwaterstanden. Zoveel mogelijk regenwater dient geborgen te worden in de bodem. Dit kan rechtstreeks door terreinen onverhard te laten of te maken, dan wel via infiltratievoorzieningen. 4. Water als ordenend principe: bij alle ruimtelijke ontwikkelingen moet het water leidend zijn in de planvorming. Eerst moet worden gekeken hoe het water kan worden opgevangen en verwerkt, de rest van de ontwikkeling plooit zich daar omheen. 5.
Gezond, schoon en beleefbaar water: door het gescheiden inzamelen en gescheiden houden van regen - en afvalwater wordt onnodige belasting van de waterzuivering voorkomen, evenals onnodige natuurschade; 6. Samen werken aan water: de gemeente werkt samen met andere partners in de waterketen. Dit zijn de gemeenten, de waterschappen en Brabant Water. Met deze platforms wordt kennis uitgewisseld maar ook (rijks-) subsidies aangevraagd. Bij toevoeging van verharding hanteert de gemeente Geldrop-Mierlo altijd de 60 mm norm voor waterberging en houdt geen rekening met een gevoeligheidsfactor zoals het waterschap dat doet. De genoemde 60mm norm geldt voor de gehele toename van het verharde oppervlak.
Crijns Rentmeesters bv
42
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
5.2.2
Toets
5.2.2.1 Keur Het plangebied is aangeduid als gelegen binnen een attentiegebied in het kader van de keur. Dit is weergegeven in navolgende figuur.
Plangebied Figuur 22: Ligging van het plangebied binnen beschermingsgebieden in de Keur
In de attentiegebieden wordt getoetst aan het (hydrologisch) standstillbeginsel volgens het "nee, tenzij-regime". Bepalend hierbij is in hoeverre er bij de ingreep een hydrologische relatie is met water binnen het beschermd gebied. Dit betekent dat alleen een vergunning kan worden verleend indien de ingreep geen negatieve invloed heeft op de het beschermd keurgebied. Het standstillbeginsel houdt in dat een waterhuishoudkundige bescherming wordt voorgestaan, waarbij enkel waterhuishoudkundige ingrepen mogen plaatsvinden binnen het attentiegebied wanneer deze zijn gericht op het verbeteren van de condities voor de natuur en/of op verbetering van de landbouwkundige condities. Binnen het plangebied worden twaalf woningen gerealiseerd. Dit leidt tot een toename van het verhard oppervlak. Binnen het plangebied wordt echter zorggedragen voor infiltratie van al het hemelwater binnen het plangebied. De ontwikkeling heeft geen invloed op het beschermd gebied in het kader van de keur. 5.2.2.2 Beleidsregel voor afvoer van hemelwater en Gemeentelijke Rioleringsplan Geldrop-Mierlo Binnen het plangebied vindt een toename van verhard oppervlak plaats met een omvang van meer dan 500 m². Bij toevoeging van verharding hanteert de gemeente Geldrop-Mierlo een norm van 60 mm norm voor waterberging. Dit wordt voor het plangebied in navolgende paragraaf uitgewerkt 5.2.2.3
Waterhuishoudkundige aspecten binnen het plangebied
Huidige situatie en beoogde verharding Binnen het plangebied waren een tuinbouwloods en kassen aanwezig met een omvang van 500 m². Deze bebouwing is vooruitlopend op deze herontwikkeling al gesloopt. De bedrijfswoning blijft be-
Crijns Rentmeesters bv
43
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
houden en wordt herbestemd naar een woonbestemming. Tevens was de bedrijfsontsluiting al aanwezig. Deze ontsluiting wordt hergebruikt en verlengd. Navolgende tabel geeft een beeld van de huidige en beoogde verharde oppervlakte binnen het plangebied. Verhard oppervlak
Daken
Situatie voor herontwikkeling
Beoogde situatie
Bedrijfswoning (180 m²)
Woning voormalige bedrijfswoning ( 180 m²)
Loods (320 m²)
Nieuwe woningen, gemiddeld (100 m² x 14 =) 1.400 m²
Kassen (180 m²) Ontsluiting en parkeren
1.500 m²
7.800 m²
Totaal
2.180 m²
9.380 m²
Tabel 6: Tabel met huidige en beoogde oppervlakte verhardingen binnen het plangebied
Per saldo is er sprake van een toename van verharding met een omvang van circa 7.200 m². 5.2.2.4 Bodemsamenstelling Het westen van het plangebied is een hoge zwarte enkeerdgronden (zEZ21). Het oosten is als ‘|h BEBOUW’ gekarteerd wat inhoudt dat dit deel van de bodemkaart gekarteerd is als bebouwing en dat de bovengrond naar verwachting sterk geroerd is. Wanneer er naar de bodemtypes in de omgeving wordt gekeken is het het meest voor de hand liggend dat de oorspronkelijke bodem ook bestaat uit “zEZ21”. Bij dit bodemtype bestaat de bovenlaag van de bodem uit leemarm en zwaklemig fijn zand. Dit bodemtype staat bekend om zijn matige waterdoorlatendheid. De GHG is NAP + 18,8 m. Hiermee ligt de GHG van het plangebied circa 0,5 m tot 0,8 m beneden maaiveld. De GLG is NAP + 17,8 m. De GLG van het plangebied circa 1,5 m tot 1,8 m beneden maaiveld ligt. Er is door Kragten een waterhuishoudkundig plan opgesteld voor deze ontwikkeling om beter inzicht te geven in het watersysteem binnen het plangebied, zowel nu als na realisatie van het plan. Dit plan met datum 4 oktober 2023 en projectnummer GLM023 behoort als bijlage bij deze toelichting. 5.2.2.5 Omgang met hemelwater Binnen het plangebied worden twaalf woningen en een ontsluitingsweg met parkeerplaatsen gerealiseerd. Er is hiermee sprake van een toename van verharding met een omvang van circa 4.813 m².
Dit is nader gespecificeerd in navolgende tabel.
Crijns Rentmeesters bv
44
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
Tabel 7: Verhard oppervlak na deze herbestemming (Kragten)
De bergingscapaciteit dient 60 mm te bedragen en de voorziening dient gerealiseerd te worden boven de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). In navolging van her verwacht verhard oppervlak is sprake van een bergingsopgave van 289 m². Dit is nader gespecificeerd in navolgende tabel.
Tabel 8: Beoogde waterbergingsopgave (Kragten)
In het ontwerp voor herinrichting van het plangebied is ruimte opgenomen voor waterberging op openbaar terrein. Omdat de GHG dicht bij het maaiveld staat, is er niet veel ruimte voor diepe waterberging. Hierdoor is het noodzakelijk dat in het ontwerp rekening wordt gehouden met meer oppervlak waterberging op openbaar terrein. Verder dient de voorkeursvolgorde van het waterschap in acht genomen te worden. Aangezien de GHG dicht bij het maaiveld ligt, zijn in dit plangebied enkel bovengrondse oplossingen relevant. Bovendien heeft de gemeente Geldrop-Mierlo voorkeur voor realisatie van bovengrondse voorzieningen om te voldoen aan de wateropgave. De uitwerking van de hemelwaterinfiltratievoorzieningen binnen het plangebied zijn toegelicht en uitgewerkt in het waterhuishoudkundig plan dat als bijlage bij deze toelichting behoort. De tabel met de samenvatting uit dit rapport is hierna opgenomen.
Crijns Rentmeesters bv
45
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
Tabel 9: Samenvatting te realiseren waterberging
Met deze inrichting wordt 387 m³ berging worden gerealiseerd. Dit voldoet ruim aan de bergingseis van 289 m³. Er is nog een mogelijkheid om het systeem robuuster te maken door de ruimte rondom de greppel volledig te verlagen zodanig dat dit met een maaimachine gemaaid kan worden of het toepassen van groene parkeerplaatsen. Het is belangrijk dat de waterbergende voorzieningen na afloop van een regenbui weer voldoende snel beschikbaar zijn voor een volgende regenbui. De gemeente stelt dat een waterbergende voorziening binnen 24 uur weer volledig beschikbaar moet zijn; het waterschap stelt dat een waterbergende voorziening na vijf droge dagen weer volledig beschikbaar moet zijn. Hierin zit een behoorlijk verschil ten aanzien van de leegloop. Uit het infiltratieonderzoek (bijlage 1) volgt dat het matig fijne zand dat zwak tot matig siltig is een goede doorlatendheid heeft, terwijl het zeer fijne zand een matige doorlatendheid heeft. De meeste bodemlagen bestaan uit het zeer fijne zand, waardoor vooral rekening gehouden dient te worden met de lagere doorlatendheid van dit zand (rekenwaarde van 0,25 m/d). Mogelijk is het dus nodig om ter plekke van de infiltratievoorzieningen bodemverbetering toe te passen om de leegloop te verbeteren. Voor deze locatie geldt de volgende volgorde: - leegloop door infiltratie.
- daar waar infiltratie onvoldoende snel gaat, leegloop naar de B-watergang. - er mag worden geloosd met een maximale leegloop van 2 l/s/ha. In het basisrioleringsplan, dat in een latere fase volgt, wordt gerekend aan de leeglooptijden. De meeste bodemlagen bestaan echter uit het zeer fijne zand, waardoor in dit project vooral rekening gehouden dient te worden met de lagere doorlatendheid van dit zand (rekenwaarde van 0,25 m/d). Hierom wordt aanbevolen om ter plekke van infiltratievoorzieningen grondverbetering toe te passen om de doorlatendheid vergroten. Verder is in dit plan rekening gehouden met een groot gedeelte van het park dat verlaagd wordt en is hierdoor meer ruimte voor waterberging gecreëerd dan wat vanuit de bergingseis nodig is. Hierdoor is er een groter oppervlak beschikbaar waarin het water in de bodem kan infiltreren. Voor het geval de bergingsinhoud ter plaatse van de voorzieningen overbelast raakt (om welke reden dan ook) dient een overstortmogelijkheid (escape) te worden voorzien. Deze wordt voorzien richting de B-waterloop. Het waterplan is besproken met het waterschap. Met dit waterplan is sprake van een goede omgang met hemelwater binnen het plangebied.
Crijns Rentmeesters bv
46
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
5.2.2.6 Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt etcetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. 5.2.2.7 Afvalwater De woningen worden met een nieuwe aansluiting gekoppeld aan de bestaande infrastructuur in de omgeving. Dit past binnen de capaciteit.
5.3 Cultuurhistorie 5.3.1
Beleidskader
Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een ruimtelijk plan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt.
5.3.2
Toets
5.3.2.1
Omgeving
Inleiding Het plangebied is gelegen in een omgeving met cultuurhistorische waarden. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart waarop de ligging van het plangebied is aangeduid.
Crijns Rentmeesters bv
47
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
Plangebied Figuur 23 : Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
Gemeentelijke monumenten Aan de Genoenhuizerweg zijn drie gemeentelijke monumenten gelegen. Dit betreft de panden aan: Genoenhuizerweg 2, Genoenhuizerweg 5 en Genoenhuizerweg 7. Dit betreft langgevelboerderijen met een woon-stalhuis. De boerderij aan Genoenhuizerweg 2 betreft een langgevelboerderij uit de jaren 1920-1930. Aan Genoenhuizerweg 5 is een boerderij aanwezig uit 1849. Het oorspronkelijke bouwjaar dateert uit de 17e eeuw. De langgevelboerderij aan Genoenhuizerweg 7 stamt uit 1878. Navolgende figuur geeft een beeld van deze boerderijen.
Figuur 24: Beeld van gemeentelijke monumenten aan de Genoenhuizerweg 2,5 en 7
Het plangebied is tegenover en naast de gemeentelijke monumenten gesitueerd. De woning aan Genoenhuizerweg 6 is opgericht in 1994 en is niet cultuurhistorisch waardevol. De woning wordt niet verbouwd of herbouwd. De woning wordt herbestemd van een bedrijfswoning naar een burgerwo-
Crijns Rentmeesters bv
48
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
ning. De nieuw te realiseren woningen worden achter de bedrijfswoning aan een nieuwe ontsluitingsweg opgericht. Deze ontwikkeling leidt niet tot aantasting van de gemeentelijke monumenten aan Genoenhuizerweg 2,5 of 7. Cultuurhistorisch waardevolle vlakken Het plangebied is gelegen binnen het cultuurhistorisch vlak dat de oude ontginningen Zes gehuchten omvat. Dit is een kleinschalig gebied met een aaneenschakeling van kleinere oude akkers met een esdek en openheid, beemdgronden (oude hooi- en weilanden), kampjes en enkele kleine loofbosjes. Veel perceelsscheidingen worden nog gemarkeerd door greppels en (resten van) houtwallen. Het is een gebied met relatief veel zandpaden. De percelering kan deels nog dateren uit de Late Middeleeuwen (periode 1250-1500), toen delen van het gebied werden ontgonnen vanuit enkele verspreid gelegen hoeven. De kampjes zijn van latere datum. De oudste kampjes dateren waarschijnlijk uit de 17e eeuw. Midden in het gebied liggen de buurtschappen Riel (beschermd dorpsgezicht) en Gijzenrooi. Deze buurtschappen kennen nog relatief veel oude (langgevel)boerderijen. Ook kent het gebied veel oude bomen en (restanten van) hakhout. 5.3.2.2 Plangebied Het plangebied is gelegen binnen het cultuurhistorisch vlak oude ontginningen Zes gehuchten.
Met dit plan wordt een bedrijfsterrein herbestemd, waarbij met de herinrichting van het perceel sprake is het realiseren van een meer rafelige dorpsrand in plaats van de harde strakke dorpsrand die er nu is. De woningen worden landschappelijk ingepast met een forse groenbestemming. De beoogde herontwikkeling heeft geen negatief effect op de cultuurhistorische waarden in de omgeving van het plangebied, maar versterken deze juist door aan te sluiten bij een meer kleinschalige herindeling van het terrein en realisatie van een langzaamverkeersverbinding van het plangebied naar de omgeving.
5.4 Archeologie 5.4.1
Beleidskader
5.4.1.1 Wettelijk kader Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed: roerend (cultuurgoederen en verzamelingen) en onroerend (monumenten en archeologie). De Erfgoedwet kent nieuwe bepalingen voor gemeenten. Zo kunnen gemeenten een gemeentelijke erfgoedverordening vaststellen en dienen gemeenten een erfgoedregister bij te houden. 5.4.1.2
Gemeentelijke beleid
Archeologisch beleidskaart Het archeologisch beleid van de gemeente Geldrop-Mierlo is vastgelegd in het Beleidsplan Archeologische monumentenzorg gemeente Geldrop-Mierlo Tevens heeft de gemeente een archeologische verwachtingskaart opgesteld. Hierna is een uitsnede weergegeven van de archeologische beleidskaart. De ligging van plangebied is daarop aangeduid.
Crijns Rentmeesters bv
49
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
Plangebied
Figuur 25: Uitsnede archeologische verwachtingenkaart waarop de ligging van het plangebied is aangeduid
5.4.2
Toets
De gronden binnen de voorzijde van het plangebied zijn voorzien van ‘categorie 2’; gebied van archeologische waarde’. De gronden achter de bedrijfswoning zijn voorzien van de aanduiding ‘categorie 3; gebied hoge verwachting’. Op grond van deze aanduidingen is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Binnen het plangebied is archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek met datum 1 mei 2023 en rapportnummer 23010081 behoort als bijlage bij deze toelichting. De conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek is hierna samengevat opgenomen. “Conclusie Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied op een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden of löss ligt, binnen het historisch agrarische gebied van het buurtschap Zesgehuchten. Ten zuidoosten van het plangebied ligt een dekzandrug. Gezien de ouderdom van het landschap is het mogelijk dat bewoning in het plangebied heeft plaatsgevonden vanaf het Paleolithicum, in het bijzonder omdat het plangebied in het overgangsgebied lijkt te liggen tussen een hoger gelegen dekzandrug en een natte laagte. De resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum zullen in de wat lager gelegen delen te verwachten zijn (in het noordwesten), terwijl resten uit de periode Neolithicum-Late Middeleeuwen zich hoger op de rug bevinden (in het zuidoosten).
Er bevindt zich waarschijnlijk ook een oud bouwlanddek in het plangebied, waarmee eventueel aanwezige archeologische resten goed bewaard kunnen zijn gebleven. De verwachting op archeologische resten uit de periode Paleolithicum-Late Middeleeuwen is daarom hoog. Ook is er op de oudst geraadpleegde kaart uit het begin van de 19e eeuw bebouwing zichtbaar in het zuiden van het plangebied. Hiervan zijn daar bewoningsresten te verwachten of resten van eventuele voorgangers, die teruggaan tot in het begin van de Nieuwe tijd. Daar geldt daarom een hoge verwachting op bewoningsresten uit de Nieuwe Tijd. Voor de rest van het plangebied geldt een lage verwachting op (bewonings)resten uit de Nieuwe Tijd. Wel kunnen er sporen van landgebruik worden aangetroffen.
Crijns Rentmeesters bv
50
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
Onderin de boringen vanaf 40-65 cm -Mv (19,08-18-76 m NAP) is dekzand aanwezig. Dit zand is ten dele verspoeld. Hierop ligt een oud bouwlanddek, dat bestaat uit humeus zand. In de top van het dekzand zijn sporen van de oude, oorspronkelijke bodem aanwezig, in de vorm van B, BC en C-horizonten. Dit wijst erop dat de top van het dekzand, als archeologisch relevant niveau nog zodanig intact is gebleven, dat daarin nog grondsporen van resten uit de periode Neolithicum-Nieuwe tijd aanwezig kunnen zijn. De hoge verwachting uit het bureauonderzoek is hiermee bevestigd. Alleen de top van het dekzand is enigszins aangetast, waarmee intacte resten uit het Paleolithicum en het Mesolithicum niet worden verwacht. Advies Aan de hand van het onderzoek blijkt dat in het hele plangebied een hoge archeologische verwachting geldt voor de periode Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen. Voor het zuiden van het plangebied geldt op basis van het bureauonderzoek een hoge archeologische verwachting op archeologische resten uit de Nieuwe Tijd. Deze archeologische waarde dient in het nieuwe bestemmingsplan te worden uitgewerkt. In het kader van de toekomstige werkzaamheden wordt geadviseerd om in het kader van de vergunningverlening bodemingrepen die beneden 30 cm -Mv reiken vooraf te laten gaan door een proefsleuvenonderzoek (IVO-P, protocol 4003).
Dit onderzoek heeft daarbij als doel om de aanwezigheid van archeologische resten aan te tonen dan wel uit te sluiten (Inventariserend veldonderzoek, karterende fase). Voor een gravend onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk, die op voorhand door de bevoegde overheid (gemeente Geldrop-Mierlo) moet worden goedgekeurd. In navolging van dit onderzoek blijft een archeologische dubbelbestemming gehandhaafd binnen het plangebied totdat het plangebied archeologisch kan worden vrijgegeven.
5.5 Flora en fauna 5.5.1
Beleidskader
5.5.1.1 Inleiding Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet vervangt de wetten: Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. Zowel in de voorgaande als nieuwe wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming). 5.5.1.2 Gebiedsbescherming De Wnb voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, de Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Vogel- en Habitatrichtlijn is bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het vereist dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in deze Vogel- en Habitatrichtlijngebieden.
Crijns Rentmeesters bv
51
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
5.5.1.3 Stikstofdepositie Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient vastgesteld te zijn of een ontwikkeling leidt tot een effect op een Natura 2000-gebied. Een project is uitvoerbaar indien vast staat dat de ontwikkeling geen effect heeft (stikstofdepositie <0,00 mol/ha/j) op een Natura-2000 gebied. Dit dient te worden aangetoond middels een Aerius-berekening.
5.5.2
Toets
5.5.2.1
Gebiedsbescherming
Natura-2000 gebieden Het dichtstbij het plangebied gelegen Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van circa 1,5 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Dit betreft het Natura 2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux. Het Natura 2000-gebied Strabrechtse Heide & Beuven is gelegen ten zuidoosten van het plangebied op een afstand van circa 2,0 kilometer. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de kaart met de ligging van deze Natura-2000 gebieden ten opzichte van het plangebied.
Plangebied Figuur 26: Ligging plangebied ten opzichte van Natura-2000 gebieden
Doordat het plangebied buiten het Natura 2000-gebied ligt, kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Gezien de relatief grote afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000gebied is het redelijkerwijs uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebied als gevolg van effecten van verdroging, versnippering, mechanische en optische verstoring en verstoring door licht, geluid en trilling door de voorgenomen plannen. NNB-gebieden Het plangebied maakt geen deel uitmaakt van het NNB. Het dichtstbijzijnde gebied dat deel uitmaakt van het Rijksdeel ligt op circa 90 meter afstand ten westen van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het Provinciaal deel ligt circa 40 meter ten westen van het plangebied. De ligging van het NNB in de omgeving van het plangebied is weergegeven in navolgende figuur.
Crijns Rentmeesters bv
52
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
Figuur 27: Ligging NNB-gebieden ten opzichte van het plangebied
Het plangebied behoort niet tot het NNB. Gezien de afstand van het plangebied tot het NNB en gezien de aard van de voorgenomen plannen is het uit te sluiten dat de voorgenomen plannen een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB. 5.5.2.2 Stikstofdepositie-onderzoek Door NOX Advies is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd met een Aerius-berekening voor de bouw- en gebruiksfase. Dit onderzoek met datum 27 juni 2023 behoort als bijlage bij deze toelichting. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit het uitgevoerde onderzoek: “Uit dit onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van dit plan vrijkomt in zowel de bouw- als gebruiksfase leidt tot een depositieresultaat van 0,00 mol N/ha/jaar. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura2000-gebieden uit te sluiten en vormt het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura2000-gebieden. Een passende beoordeling is derhalve niet aan de orde. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmeringen voor de bestemmingsplanprocedure.” 5.5.2.3 Soortenbeoordeling Door Starro is een quick scan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek met datum 21 maart 2021 behoort als bijlage bij deze toelichting. De conclusies uit dit onderzoek voor wat betreft gebiedsbescherming zijn opgenomen in paragraaf 5.5.2.1 van deze toelichting.
De conclusie voor wat betreft soortenbescherming is hierna opgenomen. “Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen plannen niet leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming, mits: 1. De werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de broedperiode van vogels en wanneer geen broedgevallen aanwezig zijn."
Crijns Rentmeesters bv
53
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
5.6 Geluid 5.6.1
Beleidskader
De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de wet is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wet geluidhinder van toepassing. De wet niet geldt voor 30km wegen en voor woonerven. Er dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.6.2
Toets
Door de Omgevingsdienst is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. Uit dit onderzoek blijkt dat er sprake is van een geluidbelasting van minder dan 48 dB. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen het plangebied.
5.7 Agrarische bedrijvigheid 5.7.1
Beleidskader
5.7.1.1 Inleiding Bij besluitvorming omtrent geurgevoelige objecten dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? 5.7.1.2 Woon- en leefklimaat Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), omdat het een grote veehouderij betreft, dan wel omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. 5.7.1.3 Belangenafweging Als gevolg van de voorgestelde herontwikkeling mogen omliggende veehouderijbedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en, indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn, de realisatie van deze uitbreidingsplannen.
5.7.2
Toets
In de omgeving van het plangebied zijn geen voor geur gevoelige objecten gelegen. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de kaart met het woon- en leefklimaat waarop de ligging van het plangebied is aangeduid. Er is tevens geen sprake van een geurcontour van een bedrijf met een aan te houden vaste afstand van 100 meter.
Crijns Rentmeesters bv
54
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
Plangebied
Figuur 28: Uitsnede kaart met achtergrondbelasting geur en woon en leefklimaat, waarop de ligging van het plangebied is aangegeven
Er zijn geen veehouderijen gelegen binnen de wijde omgeving van het plangebied. De ontwikkelingen binnen het plangebied zijn hiermee niet belemmerend voor veehouderijen. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling worden veehouderijen dan ook niet verder in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd dan in de huidige situatie.
5.8 Gezondheid 5.8.1
Beleidskader
5.8.1.1 Endotoxinen De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. 5.8.1.2 Geitenhouderijen Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, meer kans dan gemiddeld hebben op longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige bestemmingen. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen.
Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming het risico op longontsteking mee te wegen. Op ba-
Crijns Rentmeesters bv
55
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
sis van de onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. Tot een afstand tot twee kilometer is er sprake van een vergroot risico. 5.8.1.3 Gewasbeschermingsmiddelen In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige bestemming in de nabijheid van agrarische bestemmingen aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden.
5.8.2
Toets
5.8.2.1 Endotoxinen Er zijn geen veehouderijen gelegen binnen grote afstand tot het plangebied. Er is geen sprake van een endotoxinen contour in de omgeving van het plangebied. 5.8.2.2 geitenhouderijen Binnen een straal van 2 kilometer rondom het plangebied is geen sprake van een geitenbedrijf. Dit aspect vormt dan ook geen bezwaar voor de beoogde woningbouw. 5.8.2.3 Gewasbeschermingsmiddelen Het plangebied is gelegen binnen een bestaande woonwijk. In de omgeving zijn geen gronden gelegen waar gebruik gemaakt wordt van gewasbeschermingsmiddelen. Dit aspect vormt dan ook geen bezwaar voor de beoogde woningbouw.
5.9 Bedrijven en milieuzonering 5.9.1
Beleidskader
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. De (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die planologisch mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het kan in gemengde gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt hieronder verstaan.
Crijns Rentmeesters bv
56
Bestemmingsplan ‘Genoenhuizerweg 6 Geldrop’ - toelichting
5.9.2
Toets
5.9.2.1 Gebiedstypering Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom maar in een omgeving waar diverse bedrijfsbestemmingen gelegen zijn en direct nabij de belangrijke ontsluitingsweg Gijzenrooiseweg. Desondanks wordt uitgegaan van de categorisering ‘rustige woonwijk’. 5.9.2.2 Garagebedrijf Hoog Geldrop 107 In de omgeving van het plangebied is aan Hoog Geldrop 107 een garage bedrijf gelegen. De richtafstand volgens de VNG-publicatie voor handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven (SBI 451, 452 en 454), in een rustige omgeving bedraagt ten hoogste 30 meter. De planlocatie is tegen het autobedrijf aangelegen. De afstand tussen de beoogde woningen en het bedrijf is hiermee kleiner dan de gestelde richtafstand. Op basis van de beoordeling volgens stap 1 van de VNGpublicatie kunnen de volgende conclusies getrokken worden: voor het garagebedrijf is op grond van de activiteiten en bijbehorende richtafstand tot woningen vanwege de nieuwbouw, mogelijke milieuc.q. geluidhinder te verwachten. In dat geval dient middels een nader onderzoek aangetoond te worden of sprake is van mogelijke milieu- c.q. geluidhinder bij het plan en of de inrichting niet beperkt gaat worden in de bedrijfsactiviteiten. Door de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd.