CConstaterende datGeertruidenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

Gebiedsontwikkeling Hooijpolder - Toelichting

De raad besluit 25 april 2024, gemeente GeertruidenbergBij agendapunt: Landgoed Hooijpolder28.433 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

4.4.1. Cultuurhistorie en aardkunde

De cultuurhistorie en aardkunde binnen het plangebied wordt beschouwd aan de hand van het wettelijk toetsingskader en het daaruit volgende provinciaal beleid. Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van plannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een plan moet voldoen.

Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van een plan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het plan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historisch (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Pagina 49 van 76

De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2023 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Provinciaal beleid De provincie Noord-Brabant ziet het ruimtelijke erfgoed als een belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Het Brabantse erfgoed is daarom opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW).

Prominent onderdeel van deze kaart is het provinciaal cultuurhistorisch belang, met name erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. Het provinciaal belang is beperkt tot het landelijk gebied, waar de provincie haar belangrijkste taak heeft. De kaartlagen ‘cultuurhistorische vlakken’ en ‘complexen van cultuurhistorisch belang’ zijn dan ook overgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord- Brabant. Uit de cultuurhistoriekaart van de Iov blijkt dat het plangebied niet is gelegen een aardkundig waardevol gebied of een complex van cultuurhistorisch belang, wel in een cultuurhistorisch waardevol gebied, zie Afbeelding 31.

Afbeelding 31: Uitsnede kaart ‘stedelijke ontwikkeling en erfgoed' Iov

Gronden die zijn gelegen in een Cultuurhistorisch waardevol gebied strekken tot behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven op de CHW. De CHW bevat tevens de meest recente erfgoedinformatie van het Rijk inclusief archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Ook alle informatie die op de CHW 2006 te vinden was is opgenomen op de nieuwe CHW, zie Afbeelding 32. Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen in de het cultuurhistorisch landschap ‘Langstraat’ en het cultuurhistorisch waardevol gebied ‘Veenontginning bij Raamsdonk’. De Lange Broekstraat is aangewezen als historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde, waar stedenbouwkundig gezien historisch waardevolle lintbebouwing voorkomt. De historische zichtrelaties tussen de lintbebouwing en het omringende slagenlandschap zijn nog grotendeels in tact gebleven. Er is tevens een historische zichtrelatie opgenomen binnen het plangebied. Met het vormgeven van het initiatief is nadrukkelijk gekeken naar het aspect cultuurhistorie in relatie tot de ontwikkeling van het omliggende landschap. Het resultaat daarvan is een zorgvuldig vormgegeven gebied dat in hoofdstuk 2 is verantwoord. De inrichting, aanleg, beheer en onderhoud

Pagina 50 van 76

(de duurzame instandhouding) van het plangebied is als voorwaardelijke verplichting aan de ontwikkeling gekoppeld en zodoende ook publiekrechtelijk geborgd. Daarmee is niet alleen rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden in de omgeving van het plangebied, maar zijn deze zelfs als uitgangspunt gehanteerd voor de ontwikkeling. Het plan heeft dus een positief effect op zowel de cultuurhistorische waarden binnen het plangebied als op het cultuurhistorisch waardevolle gebied als geheel.

Afbeelding 32: Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant

Gemeentelijk beleid Aangezien de gemeente Geertruidenberg cultureel erfgoed hoog in het vaandel heeft staan, heeft de gemeente een Erfgoednota opgesteld, d.d. 15-07-2016. Het gaat de gemeente niet alleen om het beschermen, behouden en inventariseren van het erfgoed, maar ook om het verder te kunnen benutten en toegankelijk maken bij verdere ontwikkelingen binnen de gemeente. In het gebied rond Raamsdonk is met name het slagenlandschap met de daarbij behorende openheid goed herkenbaar en bestemmingsplanmatig beschermd. In onderhavig plan is dit tevens bestemmingsplanmatig beschermd door middel van de gebiedsaanduiding ‘wro-zone – aanlegvergunning landschap en cultuurhistorie’. Deze aanduiding is overgenomen van het moederplan welke vigerend is binnen het plangebied. Daarnaast is met onderhavig plan rekening gehouden met het CKR advies van de gemeente, zoals eerder besproken. In het CKR advies wordt vermeld dat de beoogde ontwikkeling uit oogpunt van monumentenzorg voldoet en dat het positief is dat het oorspronkelijke slagenlandschap wordt versterkt.

4.4.2. Archeologie

De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. Het archeologisch beleidskader van de gemeente Geertruidenberg is vervat in de Nota Archeologie, aldus vastgesteld d.d. 30 november 2017. Deze Nota Archeologie is als uitgangspunt genomen voor het parapluplan ‘Archeologie’, welke op 11 februari 2021 is vastgesteld. Conform de archeologische

Pagina 51 van 76

verwachtingskaart behorende bij deze nota (en dus conform het parapluplan) hebben de gronden ter plaatse van de bestaande rundveehouderij aan de Lage Broekstraat 34 geen archeologische verwachtingswaarde, zie Afbeelding 33. Hier zijn de gronden reeds verstoord door het bouwrijp maken en het doen van afgravingen ten behoeve van de funderingen en mestkelders van de aanwezige agrarische bedrijfsbebouwing. Hierdoor is de kans op aanwezigheid van archeologische informatie ter plaatse nihil. De gronden ter plaatse van de beoogde woonkavels hebben een hoge archeologische verwachtingswaarde conform de archeologische verwachtingskaart, zie Afbeelding 33. Hier mogen geen bodemingrepen plaatsvinden die dieper gaan dan 50 cm onder het maaiveld én een omvang hebben die groter is dan 100 m2. Door het onderzoeksbureau Transect is een archeologisch onderzoek uitgevoerd op 21-07-2022, zie Bijlage 10. Hieruit blijkt dat op basis van het vooronderzoek verschillende verwachtingen zijn binnen het plangebied. Echter ter plaatse van de beoogde bouwvlakken is er sprake van een lage verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten. Derhalve wordt geadviseerd om de nieuwe bouwvlakken vrij te geven voor de beoogde ontwikkelingen. Mochten er in de toekomst werkzaamheden plaatsvinden buiten de beoogde bouwvlakken, dan wordt geadviseerd een aanvullend onderzoek uit te voeren.

Om dit te borgen in het bestemmingsplan is de dubbelbestemming archeologie uit de verbeelding gehaald in de bouwvlakken en er omheen is de dubbelbestemming behouden zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan van de gemeente.

Afbeelding 33: Uitsnede Archeologische verwachtingskaart gemeente Geertruidenberg

4.5. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt

Pagina 52 van 76

gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Er worden in de beoogde situatie 6 nieuwe woonfuncties in woningen mogelijk gemaakt, waar mensen langer dan 2 uur zullen verblijven. Er is daarom door Lycens B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de bodemgesteldheid ter plaatse van de nieuw te realiseren woonkavels. De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering voor het initiatief. Een nader onderzoek of nadere maatregelen worden niet noodzakelijk geacht. Het volledige bodemonderzoek is terug te vinden in Bijlage 4. Daarnaast geldt voor de Lange Broekstraat 34, de agrarische locatie, dat pas na sloop van de agrarische opstallen een bodemonderzoek uitgevoerd zal worden. De locatie van de woning loopt dan mee in dit onderzoek, voor de omgevingsvergunning bouwen zal de bodemkwaliteit zijn gecontroleerd en geschikt zijn om op te wonen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect bodem geen bezwaren zijn voor de gewenste ontwikkeling. 4.6. Spuitzones In de boomteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de planlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. De planlocatie ligt direct aansluitend aan landbouwgronden. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van de planlocatie komen geen boomgaarden voor en deze gaan binnen het gebied ook niet voorkomen. De agrarische gronden zullen namelijk gebruikt worden voor het grazen van de speciale runderen.

Daarnaast zijn de omliggende agrarische gronden (welke niet in eigendom zijn) voorzien van de gebiedsaanduiding ‘wro-zone-aanlegvergunning landschap en cultuurhistorie’ en binnen deze aanduiding is een omgevingsvergunning noodzakelijk voor boom- en fruitteelt, omdat er geen aantasting mag plaatsvinden van de voor het slagenlandschap kenmerkende verkaveling. Daarnaast valt op te merken dat de percelen niet geschikt zijn voor boom- en fruitteelt gezien het natte gronden betreft. Tevens lijkt een van de percelen welke aangrenzend is aan het plangebied in gebruik te zijn voor het houden van paarden, er ligt namelijk een paardenbak gesitueerd naast dit perceel. Hier is het zeer onwaarschijnlijk dat er bomen- en fruitteelt zal gaan plaatsvinden. Wat ook op valt te merken is dat de percelen al zeker circa 15 jaar in gebruik zijn als grasland, dat dit gaat veranderen is zeer onwaarschijnlijk. Als laatste liggen er al verschillende woonbestemmingen in het gebied en hier moet bij een eventuele oprichting van een bomen- en fruitteelt al rekening gehouden worden met 50 meter van deze bestemming in het kader van spuitzones. De percelen zijn al aan de kleine kant voor bomenen fruitteelt, maar het gedeelte wat dan in gebruik genomen zou mogen worden voor bomen- en fruitteelt wordt dan nog kleiner.

Het exploiteren van een bomen- en fruitteelt op de aangrenzende percelen is gewoonweg niet interessant. De planlocatie heeft dus in relatie tot omliggende gronden geen negatief effect van spuitzones. 4.7. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen

Pagina 53 van 76

krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid.

Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De planlocatie ligt conform de definitie in de VNG-publicatie in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de directe omgeving vindt geringe functiemenging plaats. Er bevinden zich voornamelijk burgerwoningen. Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk. Door de ligging nabij de A59 zou de locatie tevens gezien kunnen worden als omgevingstype ‘gemengd gebied’, maar als worstcase scenario is uitgegaan van ‘rustig buitengebied’. Met het initiatief worden gevoelige functies aan het plangebied toegevoegd in de vorm van de woningen. De plattelandswoning aan de Lange Broekstraat 34 is reeds als (bedrijfs)woning in gebruik. Binnen het plangebied is reeds een milieubelastende activiteit aanwezig, de rundveehouderij aan de Lange Broekstraat 34. In de beoogde situatie worden hier enkel nog 30 speciale runderen gehouden. Wat betreft veehouderijen wordt in de volgende paragraaf getoetst aan de wetgeving die specifiek van toepassing is voor veehouderijen met betrekking tot het aspect geur.

Voor de aspecten geluid en stof geldt voor een rundveehouderij een richtafstand van 30 meter (gevaar 0 meter). Het bouwvlak waar in een grondgebonden veehouderij is toegestaan, waar de stal behouden blijft ten behoeve van de grazers, ligt op een afstand van circa 31 meter van de dichtstbijzijnde woonbestemming. De dichtstbijzijnde bedrijvigheid van derden ten opzichte van het plangebied is gesitueerd aan de Lange Broekstraat 38. Hier is een glastuinbouwbedrijf toegestaan. Conform de VNG-handreiking geldt voor een glastuinbouwbedrijf een richtafstand van 30 meter wanneer gelegen in rustig buitengebied. De kortste afstand tussen het glastuinbouwbedrijf en de bouwvlakken ten behoeve van de beoogde woningen is circa 63 meter. Hierbij wordt opgemerkt dat op het gedeelte van het perceel van het glastuinbouwbedrijf dat het dichtste bij het plangebied is gelegen, de voormalige bedrijfswoning van het glastuinbouwbedrijf is gesitueerd. Deze bedrijfswoning is bestemd als plattelandswoning, zodat de woning bewoond mag worden door derden die geen functionele binding hebben met het bedrijf. In feite is de afstand van het plangebied tot het glastuinbouwbedrijf dus nog groter. Andere bedrijven zijn in de directe omgeving niet aanwezig. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de richtafstanden voor een verantwoorde afstand tussen bedrijvigheid en woningen.

Het initiatief zal hierdoor geen belemmering vormen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijvigheid in de omgeving en ter plaatse van het plangebied kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft de bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen zijn voor het initiatief.

Pagina 54 van 76

4.8. Geur De nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven zijn vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Deze regelgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Voor kleinere bedrijven - zoals de rundveehouderij aan de Lange Broekstraat 34 - zijn deze regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. Met de daarin opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de ruimtelijke ordening. Nieuwe knelpunten moeten worden voorkomen. Enerzijds betekent dit voor het initiatief dat moet worden aangetoond dat de rundveehouderij aan de Lange Broekstraat 34 in de beoogde situatie kan voldoen aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Anderzijds moet voor wat betreft de beoogde woningen in worden gegaan op de zogenaamde ‘omgekeerde werking’. De bestaande rechten van veehouderijen in de omgeving van die woningen moeten worden gerespecteerd. Bovendien zijn de geurnormen voor veehouderijen bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder.

4.8.1. Veehouderij

Het Activiteitenbesluit geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object, zoals een woning. In de geurwetgeving gelden verschillende normen, afhankelijk of de locatie al dan niet is gelegen in een concentratiegebied of binnen dan wel buiten de bebouwde kom. Verder is het soort geurgevoelig object van belang. In de geurwetgeving wordt onderscheidt gemaakt tussen twee soorten dieren, namelijk: ▪ Dieren waarvoor geen geuremissiefactor is opgenomen in de Rgv. Voor deze dieren geldt een minimaal te respecteren afstand (ook wel: vaste afstand) tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. ▪ Dieren waarvoor een geuremissie is opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). Met behulp van deze geuremissiefactor kan de geurbelasting op een geurgevoelig object worden berekend en worden getoetst aan de geurnorm. De gemeenteraad van Geertruidenberg heeft op 16 december 2010 een geurverordening en onderliggende gebiedsvisie vastgesteld, waarna deze op 31 december 2010 in werking is getreden. De geurverordening heeft betrekking op het gehele grondgebied van de gemeente. Voor de gemeente zijn geurnormen vastgesteld. Deze wijken niet af van de algemeen geldende normen.

In deze geurverordening worden de aan te houden vaste afstanden tussen veehouderijen met dieren zonder ‘geuremmissiefactor’ en geurgevoelige objecten verkleind tot 50 meter ten opzichte geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom, respectievelijk 25 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. Eenzelfde regeling geldt voor aan te houden afstanden tot (voormalige) agrarische bedrijfswoningen. Zoals reeds uiteen is gezet wordt de bestaande rundveehouderij aan de Lange Broekstraat 34 grotendeels gesaneerd. Er blijft slechts één stal behouden voor de huisvesting van circa 30 bijzondere grazers, die gebruikt zullen worden voor de extensieve begrazing van het plangebied. Runderen kunnen worden opgedeeld in verschillende categorieën: ▪ A1 Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar; ▪ A2 Zoogkoeien ouder dan 2 jaar; ▪ A3 Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar; ▪ A4 Vleeskalveren tot 8 maanden (witvleesproductie); ▪ A6 Vleesstieren en overig vleesvee van circa 8 tot 24 maanden (roodvleesproductie); ▪ A7 Fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar. Voor de categorieën A1, A2, A3 en A7 gelden geen geuremissiefactoren en voor de categorieën A4 en A6 wel. Er zal in de beoogde situatie een combinatie van de diercategorieën A2, A3, A6 en A7 worden gehouden. Dit betekent dat er voldaan moet worden aan de vaste afstanden én de geurnormen.

Uit Afbeelding 34 blijkt dat de twee meest zuidoostelijk gelegen woning in de bebouwde kom komen te liggen en de overige woningen in het buitengebied. De buitenzijde van de stal waar de grazers in

Pagina 55 van 76

gehouden zullen worden moet dus op minimaal 25 meter van geurgevoelige objecten in de omgeving zijn gelegen en het emissiepunt van de stal op minimaal 50 meter. Het dichtstbijzijnde bestaande geurgevoelige object ten opzichte van het bouwvlak waar de grondgebonden veehouderij is toegestaan is gelegen aan de Lange Broekstraat 30. De afstand tussen het bouwvlak en de woonbestemming bedraagt 32 meter. Het emissiepunt van de stal is op 50,5 meter van dit object gelegen. Er wordt in de bestaande situatie dus voldaan aan de vaste afstanden. De bouwvlakken van de beoogde woningen worden op minimaal 50 meter van de stal gesitueerd, zodat er ook in de beoogde situatie voldaan kan blijven worden aan de vaste afstanden tot aan de dierenverblijven. Om te bepalen of in de beoogde situatie ook voldaan kan worden aan de geurnormen is vanuit een worst-case scenario de geurbelasting bepaald op de dichtstbijzijnde geurgevoelige objecten in het geval dat er 30 grazers uit categorie A6 gehouden gaan worden. Voor deze diercategorie geldt op basis van de Rgv een emissiefactor van 35,6 OUe/dier/s. In totaal zou het bedrijf dan dus een geuremissie hebben van 1.068 OUe/s.

Uit de geurberekening met het rekenprogramma V-Stacks Vergunning blijkt dat de geurbelasting op het dichtstbijzijnde geurgevoelige object – zijnde de beoogde woonkavel ten westen van het bedrijf - in dat geval 1,4 OUe/m3 is, zie Bijlage 6. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de norm van 8 OUe/m3 of 2 OUe/m³ voor de woningen in de bebouwde kom.

Afbeelding 34: Uitsnede kaart ‘Aangepaste grenzen bebouwde kom Raamsdonk

Hieruit kan worden geconcludeerd dat de rundveehouderij aan de Lange Broekstraat 34 in de beoogde situatie kan voldoen aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit.

4.8.2. Omgekeerde werking

Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. De reden hiervoor is duidelijk: een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder. De ruimtelijke plannen waarvoor omgekeerde werking moet worden beoordeeld, zijn met name bestemmingsplannen waarin locaties voor woningbouw worden vastgelegd. Daarnaast mogen bestaande rechten van omliggende bedrijven niet belemmerd worden door de nieuwe ontwikkeling. Ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming moet worden nagegaan of een partij onevenredig in haar belangen wordt geschaad; de rechtspositie van de betrokkenen moet worden gehandhaafd. Voor wat besluitvorming omtrent het oprichten van nieuwe geurgevoelige objecten betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen:

Pagina 56 van 76

a. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? b. Is ter plaatse van de geurgevoelige objecten een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? Op grond van de geurwetgeving moeten veehouderijen - waar dieren worden gehouden waarvoor bij ministeriële regeling geuremissiefactoren zijn vastgesteld - geurcontouren in acht nemen ten opzichte van geurgevoelige objecten. Voor dieren waarvoor bij ministeriële regeling geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld gelden vaste afstanden. Wanneer er een nieuw geurgevoelig object wordt opgericht binnen de geurcontour of vaste afstand van een veehouderij, kan dat de ontwikkelingsmogelijkheden van die veehouderij belemmeren. Zoals reeds in voorgaande paragraaf uiteen is gezet worden de bouwvlakken van de beoogde woningen op minimaal 50 meter van de stal van de rundveehouderij aan de Lange Broekweg 34 gesitueerd, zodat de veehouderij ook in de beoogde situatie kan blijven voldoen aan de vaste afstanden. Tevens is aangetoond dat de beoogde woonkavels buiten de worst-case geurcontour van het bedrijf zijn gelegen. De dichtstbijzijnde veehouderijen buiten het plangebied zijn gelegen aan de Lange Broekstraat 4 en 37. Dit betreffen beide melkveehouderijen. Dit betekent dat de vaste afstanden van toepassing zijn.

De melkveehouderij aan de Lange Broekstraat 4 is op circa 320 meter van het plangebied gelegen. De melkveehouderij aan de Lange Broekstraat 37 is op circa 400 meter van het plangebied gelegen. Beide bedrijven zullen als gevolg van het initiatief dus kunnen blijven voldoen aan de gestelde vaste afstanden in de geurwetgeving. Bovendien zijn er in dit geval reeds bestaande geurgevoelige objecten dichter bij de veehouderijen gelegen, dan de beoogde woningen. Die objecten zijn dan ook maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderijen, niet de beoogde woningen. Hierdoor zullen bestaande geurgevoelige objecten de veehouderijen ook altijd meer belemmeren dan de beoogde geurgevoelige objecten binnen het plangebied zullen doen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in (de omgeving van) het plangebied.

4.8.3. Woon- en leefklimaat Er dient tevens bepaald te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met het realiseren van de beoogde ontwikkeling. Om dit te bepalen wordt de achtergrondbelasting berekend met het rekenprogramma ‘V-stacks gebied 2020’.Dit rekenprogramma is wettelijk voorgeschreven bij toetsing aan de normen in het kader van een vergunningsaanvraag. Van iedere veehouderij zijn de benodigde gegevens ingevoerd in het rekenprogramma. Hierbij is de vergunde geuremissie ingevoerd, samen met de gemiddelde bedrijfsgegevens van de andere invoergegevens. In Bijlage 9 is een notitie bijgevoegd met de invoergegevens voor de achtergrondberekening geur. In de invoergegevens voor de achtergrondbelasting berekening geur zijn de gegevens van de beoogde ontwikkeling mee genomen. In onderstaande Afbeelding 13 staan de verschillende individuele geurbelastingen in OUe/m3 op de rekenpunten schematisch weergegeven.

Afbeelding 35: Resultaten achtergrondberekening

Pagina 57 van 76

Met behulp van bovenstaande gegevens kan worden bepaald of er wordt voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan de hand van de geurbelasting kan het percentage geurgehinderden worden berekend. De omrekentabel voor het bepalen van het percentage geurgehinderden is opgenomen in bijlage 6 van de ‘Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij’. Voor de meest bepalende belasting geldt als vuistregel dat de voorgrondbelasting maatgevend is indien deze tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In onderstaande tabel staat weergegeven welke geurbelasting bepalend is. De resultaten van de voorgrondbelasting zijn terug te vinden in Bijlage 6. Voorgrondbelasting 1,4 1,1 1,1 1,3 1,2 0,8 0,6 0,2 0,2 0,3

Achtergrondbelasting 1,97 2,18 2,24 2,17 2,18 2,18 2,08 1,54 1,66 1,83

Bepalende belasting Voorgrond Voorgrond Achtergrond Voorgrond Voorgrond Achtergrond Achtergrond Achtergrond Achtergrond Achtergrond

Met het percentage geurgehinderden kan vervolgens het woon- en leefklimaat worden bepaald. Het RIVM hanteert bij haar milieurapportages voor het aspect geurhinder de milieukwaliteitscriteria die in onderstaande tabel zijn weergegeven.

In onderstaande tabel is weergegeven welke milieukwaliteit bij de berekende geurbelasting hoort. Zoals in onderstaande tabel te zien is kan worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Geurbelasting 1,4 1,1 2,14 1,3 1,2 2,18 2,08 1,54 1,66 1,83

Milieukwaliteit 9% (goed) 7% (goed) 6% (goed) 9% (goed) 9% (goed) 6% (goed) 6% (goed) 5% (goed) 5% (goed) 6% (goed)

Conclusie

Ten aanzien van het aspect geur zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen.

Pagina 58 van 76

4.9. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.

4.9.1. Niet in betekenende mate

Indien ontwikkelingen binnen de planlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM 10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht, hoeft een plan niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen.

Voor de volgende categorieën in de Regeling NIBM kan getoetst worden aan of een plan NIBM bijdraagt: ▪ Categorie woningbouwlocaties; ▪ Categorie kantoorlocaties; ▪ Combinatie van woningbouw en kantoren; ▪ Categorie inrichtingen. Er is dus geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. In dit geval is er sprake van een gedeeltelijke sanering van een bestaande rundveehouderij. In de bestaande situatie mogen er op het bedrijf 83 melk- en kalfkoeien en 61 stuks vrouwelijk jongvee gehouden worden. In de beoogde situatie blijft slechts één stal behouden voor de huisvesting van circa 30 bijzondere grazers. De fijnstofemissie van het bedrijf zal dus afnemen. Voor wat betreft het toevoegen van de woonkavels geldt dat hierdoor de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ zal worden aangetast. Voor woningbouwlocaties geldt namelijk dat deze NIBM zijn wanneer het netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, in geval van één ontsluitingsweg (bijlage 3A, Regeling niet in betekende mate bijdragen).

Aangezien met het initiatief slechts zes nieuwe woningen en één omzetting van een agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning mogelijk worden gemaakt, wordt dus ruimschoots voldaan aan de NIBM-grens. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.

4.9.2. Woon- en leefklimaat

Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie

Pagina 59 van 76

bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de achtergrondconcentratie stikstofdioxide NO2 geldt ook een grenswaarde van 40 μg/m³. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Uit Afbeelding 36 blijkt dat de fijnstofconcentratie PM10 op de rekenpunten voor zowel de A27 als de A59 minder bedraagt dan 35 μg/m3. Op de rekenpunten kan dus worden voldaan aan de grenswaarde van 40 μg/m3. Aangezien de rekenpunten dichter bij de A27 en de A59 zijn gelegen dan het plangebied, kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied ook kan worden voldaan aan de grenswaarde voor fijnstof PM10.

Afbeelding 36: Uitsnede NSL-monitoringskaart fijnstof PM10 (bron: www.nsl-monitoring.nl/viewer)

Uit Afbeelding 37 blijkt dat de fijnstofconcentratie PM2,5 op de rekenpunten voor zowel de A27 als de A59 minder bedraagt dan 20 μg/m3. Op de rekenpunten kan dus worden voldaan aan de grenswaarde van 25 μg/m3. Aangezien de rekenpunten dichter bij de A27 en de A59 zijn gelegen dan het plangebied, kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied ook kan worden voldaan aan de grenswaarde voor fijnstof PM2,5.

Pagina 60 van 76

Afbeelding 37: Uitsnede NSL-monitoringskaart fijnstof PM2,5 (bron: www.nsl-monitoring.nl/viewer)

Uit Afbeelding 38 blijkt dat de stikstofdioxideconcentratie op de rekenpunten voor zowel de A27 als de A59 minder bedraagt dan 35 μg/m3. Op de rekenpunten kan dus worden voldaan aan de grenswaarde van 200 μg/m3. Aangezien de rekenpunten dichter bij de A27 en de A59 zijn gelegen dan het plangebied, kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied ook kan worden voldaan aan de grenswaarde voor NO2.

Afbeelding 38: Uitsnede NSL-monitoringskaart stikstofdioxide (bron: www.nsl-monitoring.nl/viewer)

Pagina 61 van 76

Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.10. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen of industrieterreinen gelegen. In paragraaf 4.7 is reeds uiteen gezet dat de beoogde woonkavels op gepaste afstand van bedrijvigheid binnen en buiten het plangebied zijn gelegen. Het plangebied is echter wel gelegen binnen de geluidszones van de omliggende wegen. De Lange Broekstraat is een 30 km/u weg, waardoor het een niet-gezoneerde weg betreft. Dit betekent dat er in de Wgh geen eisen worden gesteld. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient de weg echter wel te worden beschouwd.

De rijkswegen A27 en A59 inclusief de nieuwe aansluiting zijn op grotere afstand gelegen, maar de geluidszones van deze autosnelwegen reiken tot 400 meter. Er is derhalve aandacht vereist voor de geluidsbelasting van deze wegen op de gevels van de nieuwe geluidsgevoelige objecten. Met het initiatief worden nieuwe geluidsgevoelige objecten opgericht in de vorm van de woningen. Bij de plattelandswoning aan de Lange Broekstraat 34 is reeds een woonfunctie toegestaan. Met betrekking tot wegverkeerslawaai dient de gevelbelasting op de woningen derhalve in beeld gebracht te worden. Er dient getoetst te worden aan de normstelling van de Wgh, rekening houdend met 2 dB aftrek op grond van artikel 110g van de Wgh. De hoogst toelaatbare geluidbelasting wordt gesteld op 48 dB. Eventueel kan een hogere grenswaarde worden afgegeven van maximaal 53 dB, indien voldaan wordt aan de criteria voor een hogere grenswaarde. Er is daarom een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai uitgevoerd door K+ Adviesgroep, zie Bijlage 7. Uit het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:

‘’In opdracht van Van Dun Advies is een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende gevelbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situaties in het kader van de Wet geluidhinder. Het bouwplan is gelegen binnen de geluidzone van de A27, A59 en de Lange Broekstraat. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat plaatselijk de voorkeursgrenswaarde en plaatselijk de maximale ontheffingswaarde van 53 dB zal worden overschreden. Daar waar de maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor de autosnelwegen wordt overschreden zal een ontwerp worden opgesteld dat voorziet in een dove gevel. Deze voorwaarde geldt plaatselijk. Hier mogen geen te openen gevelelementen worden gerealiseerd. Dit dient in de bestemmingsplan-voorschriften te worden geborgd. Daar waar de gevelbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, doch lager dan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt verzoek gedaan voor het vaststellen van een hogere toelaatbare grenswaarde. Het treffen van maatregelen om de gevelbelasting te verlagen stuit op bezwaren van verkeerskundige, landschappelijke, stedenbouwkundige en financiële aard. Bij de gemeente Geertruidenberg dient een verzoek tot vaststelling van een hogere toelaatbare waarde te worden ingediend.

Gezien de bepaalde optredende gevelbelastingen dient ermee rekening te worden gehouden dat plaatselijk zwaardere eisen worden gesteld aan de karakteristieke geluidwering van de gevel(s).’’ Mits een besluit hogere grenswaarden wordt afgegeven kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief.

Pagina 62 van 76

4.11. Verkeer en parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Daarnaast dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Het plangebied is gelegen aan de Lange Broekstraat, de verbindingsweg tussen de kernen Raamsdonk en Raamsdonksveer. De weg sluit daarnaast in westelijke richting aan op de A59. Deze ontsluitingsroute beschikt dus over voldoende capaciteit om verkeersbewegingen met voornamelijk lichte motorvoertuigen van en naar de woningen af te wikkelen. Bovendien zal het aantal verkeersbewegingen met zware motorvoertuigen van en naar de rundveehouderij aan de Lange Broekstraat 34 afnemen, omdat het bedrijf grotendeels wordt gesaneerd. De verkeersdruk op de ontsluitingsroutes zal dus per saldo niet toenemen. De nieuwe woningen worden aan de Lange Broekstraat ontsloten middels eigen opritten of een eigen erftoegangsweg. Eén van de bestaande bedrijfsinritten zal weggelaten worden. Voor de aanpassing van de inrit op openbaar terrein zal een aparte vergunningsaanvraag worden gedaan. Daarbij zal rekening worden gehouden met het behoud van de bomen langs de Lange Broekstraat. Verder dient voor wat betreft de nieuwe functies binnen het plangebied voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid.

Om de parkeerbehoefte van die functies te bepalen wordt aangesloten bij het parkeerbeleidsplan ‘Parkeren doen we zo!’ van de gemeente Geertruidenberg. Hierin zijn voor uiteenlopende functies parkeernormen vastgelegd op basis van de stedelijkheidsgraad van de gemeente en het gebied waar een locatie is gelegen. De gemeente Geertruidenberg valt in stedelijkheidsklasse 3, matig stedelijk. Het plangebied is gelegen in het deelgebied ‘buitengebied’. Voor een vrijstaande woning in het buitengebied geldt een norm van 2,8 parkeerplaatsen per woning. Bij de beoogde woningen is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in minimaal drie privé parkeerplaatsen per wooneenheid. De parkeernormen worden geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Hierdoor is verzekerd dat er binnen het plangebied voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. 4.12. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

4.12.1. Regelgeving

De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.

Pagina 63 van 76

Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn.

Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.

4.12.2. Toetsing aan beleid

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de planlocatie. Dit is inzichtelijk gemaakt middels onderstaande uitsnede van de Risicokaart Nederland, zie Afbeelding 39.

Pagina 64 van 76

Afbeelding 39: Uitsnede risicokaart Nederland

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het besluit legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het besluit heeft betrekking op het gebruik, de opslag en de productieve gevaarlijke stoffen van inrichtingen. Verder heeft het besluit betrekking op het transport van gevaarlijke stoffen en het gebruik van luchthavens. Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (de ontwikkeling van een gebied inclusief huisvesting voor bijzondere grazers) op de planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt dat er wel twee risicovolle inrichtingen zijn gelegen die mogelijk van invloed zijn op de beoogde kwetsbare objecten, zie Afbeelding 39. De eerste risicovolle inrichting betreft het bezinestation Ekelschot B.V., dat is gelegen aan de Kerklaan 15b te Raamsdonksveer. De vergunde jaardoorzet LPG voor dit tankstation is 500-1.000 m3.

Op grond van het Revi betekent dit dat de risicocontouren als volgt zijn: ▪ een PR 10-6 contour van 35 meter rondom het vulpunt; ▪ een PR 10-6 contour van 25 meter rondom het ondergrondse LPG-reservoir; ▪ een PR 10-6 contour van 15 meter rondom de afleverinstallatie; ▪ een groepsrisicocontour van 150 meter. De inrichting is op een afstand van circa 215 meter van het plangebied gelegen. De risicocontouren reiken dus niet tot de beoogde kwetsbare objecten binnen het plangebied. De tweede risicovolle inrichting is gelegen aan de Lange Broekstraat 37 te Raamsdonk, op een afstand van circa 320 meter van het plangebied. Hier is een bovengrondse propaantank van 3 m 3 aanwezig. Hiervoor geldt op grond van het Activiteitenbesluit een veiligheidsafstand van 10 meter. Aan deze afstand kan dus ruimschoots worden voldaan.

Pagina 65 van 76

Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van het Bevi geen belemmeringen zijn voor het initiatief. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Uit Afbeelding 39 blijkt dat ten noorden van het plangebied de als risicovolle transportroute aangewezen A59 is gelegen. Ten westen van het plangebied ligt de risicovolle transportroute A27. De A59 heeft ter hoogte van het plangebied – op het basisnet wegtraject knooppunt Hooipolder – afrit 37 (Waalwijk) – geen plaatsgebonden risicocontour. De A59 kent ook geen plasbrandaandachtsgebied (PAG). De plaatsgebonden risicocontour van de A27 bedraagt 12 meter. Tevens is voor de A27 sprake van een PAG van 30 meter gemeten vanaf de buitenste rijbaan van de weg. De kortste afstand tussen het bouwvlak van de noordelijke woonkavel en de buitenste rijbaan van de A59 is circa 195 meter. De bouwvlakken in het lint zijn op minimaal circa 420 meter van de A59 gelegen. De kortste afstand tussen de bouwvlakken voor de beoogde woningen en de A27 is minimaal 490 meter.

Er kunnen met het initiatief dus geen kwetsbare objecten worden opgericht binnen de plaatsgebonden risicocontour en/of PAG van een van de risicovolle transportroutes. Over rijkswegen kunnen echter stoffen worden vervoerd met een invloedsgebied dat conform de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) groter is dan 30 meter. Voor brandbare vloeistoffen reikt dit invloedsgebied tot 45 meter, voor brandbare gassen tot 355 meter en voor toxische stoffen tot 4 km. Dit betekent dat de woonkavels binnen het invloedsgebied van zowel de A27 als de A59 voor toxische stoffen zijn gelegen en dat de noordelijke woonkavel daarnaast ook binnen het invloedsgebied van de A59 voor brandbare gassen zijn gelegen. Conform het Bevt dient voor een plan binnen het invloedsgebied van een transportroute een verantwoording van het groepsrisico uitgevoerd te worden. Aangezien er binnen het plangebied geen bijzonder kwetsbare objecten worden opgericht en er met het initiatief geen grote groepen personen (>50 personen) aan het plangebied worden toegevoegd, kan hier echter worden volstaan met een beperkte groepsrisicoverantwoording. Deze is derhalve voor scenario’s met brandbare gassen en toxische stoffen opgenomen in paragraaf 4.12.3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van kracht geworden.

Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op circa 70 meter ten westen van het plangebied is de hogedruk aardgasleiding A531 van de Gasunie gelegen. Voor deze buisleiding geldt dat het plaatsgebonden risico (10 -6/j) op de leiding ligt. Desalniettemin is aan weerszijden van de leiding een belemmeringenstrook van 5 meter opgenomen ten behoeve van de instandhouding en/of bescherming van deze leiding. Binnen deze belemmeringenstrook mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden opgericht. Het plangebied is volledig buiten deze belemmeringenstrook gelegen. Het initiatief heeft dus geen negatief effect op de instandhouding en/of bescherming van deze aardgasleiding. De aardgasleiding heeft een uitwendige diameter van 457 mm en een maximale werkdruk van 66,2 bar. De leiding heeft hierdoor een 1%-letaliteitscontour van 240 meter. Wanneer er nieuwe kwetsbare objecten kunnen worden opgericht binnen deze contour moet inzicht worden gegeven in het groepsrisico. De kortste afstand tussen de bouwvlakken voor de beoogde woningen en de aardgasleiding is 310 meter. Er kunnen met het initiatief dus geen kwetsbare objecten worden opgericht binnen de 1%-letaliteitscontour van de aardgasleiding. Toetsing aan het plaatsgebonden en/of groepsrisico is derhalve niet noodzakelijk.

Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van het Bevb geen belemmeringen zijn voor het initiatief.

Pagina 66 van 76

4.12.3. Groepsverantwoording

Vanwege de ligging van de woonkavels binnen het invloedsgebied van zowel de A59 als de A27 voor toxische stoffen en de ligging van de noordelijke woonkavel binnen het invloedsgebied van de A59 voor brandbare gassen wordt hierna ingegaan op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid bij een ongeval met brandbare gassen en toxische stoffen. Scenario met brandbare gassen Een ongeval met brandbare stoffen kan resulteren in een BLEVE ‘boiling liquid expanding vapour explosion’. Een BLEVE kan worden veroorzaakt wanneer door een brand de druk in een LPG-tank oploopt. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tankwand. Wanneer er LPG vrij komt wordt deze ontstoken en ontstaat een vuurbal gevolgd door een drukgolf. De gevolgen van een BLEVE zijn afhankelijk van de afstand tussen de incident en het kwetsbare object. In principe speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk binnen het plangebied bij een BLEVE geen rol. De bestrijding van het incident vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van de beoogde kwetsbare objecten. De bestrijdbaarheid bij aanwezigheid van tankwagens uitgerust conform het LPG convenant is goed. Dit geldt niet voor andere tankwagens gevuld met gas. Deze tanks kunnen na 12 minuten exploderen. Het is voor de brandweer niet mogelijk om binnen deze tijd een effectieve koeling op te zetten. De brandweer zal defensief optreden en zich richten op het ontruimen van de omgeving.

In het kader van zelfredzaamheid in het scenario van een BLEVE is vluchten het beste handelingsperspectief. Dit betekent dat aanwezigen op tijd gealarmeerd en geïnstrueerd moeten worden en er voldoende vluchtwegen van de risicobron aflopend aanwezig moeten zijn. Alarmering kan plaats vinden via WAS sirenes, social media en/of NL Alert. Vanaf de noordelijke woonkavels kan via de nieuwe inrit van een eventuele risicobron op de A59 afgevlucht worden. Geadviseerd wordt om binnen het invloedsgebied van een BLEVE in zijn algemeenheid rekening te houden met de volgende aspecten om de zelfredzaamheid te vergroten: ▪ Ten minste één inpandige vluchtweg van de risicobron africhten; ▪ Het borgen van bluswatervoorzieningen; ▪ Risicocommunicatie en voorbereiding, waaronder het hebben van een verzamelplaats. Daar er met de ontwikkeling geen functies worden gerealiseerd die specifiek bedoeld zijn voor verminderd zelfredzame personen wordt de zelfredzaamheid hiermee als voldoende beoordeeld. Scenario met toxische stoffen Een toxisch incident met giftige gassen treedt op wanneer als gevolg van een brand toxische dampen vrijkomen. De toxische stoffen worden meegevoerd door de wind. Wanneer als gevolg van een incident op A27 en/of de A59 toxische vloeistoffen in een korte tijd uit een tankwagen stromen, vormen deze een plas. Ook dan worden toxische dampen meegevoerd door de wind.

De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Het beste advies voor zelfredzaamheid bij het vrijkomen van een toxische wolk is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe-haven-principe). Het gebouw of een ruimte binnen het gebouw moet hiervoor luchtdicht kunnen worden afgesloten om een verblijf van tenminste 4 uur mogelijk te maken. Indien een ruimte of gebouw niet als safe-haven kan worden ingericht, dient haaks op de wolk te worden gevlucht. Maatregelen die de zelfredzaamheid hierin verder kunnen vergroten zijn: ▪ Risicocommunicatie om risicobewustzijn te vergroten; ▪ Het opstellen van een bedrijfsnoodplan, met aandacht voor het toxisch scenario. Ook voor het toxisch scenario geldt dat, gezien er met de ontwikkeling geen functies worden gerealiseerd die specifiek bedoeld zijn voor verminderd zelfredzame personen, de zelfredzaamheid

Pagina 67 van 76

hiermee als voldoende wordt beoordeeld. Er kan tevens haaks van een eventuele wolk met toxische stoffen worden gevlucht.

Conclusie

Ten aanzien van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied. 4.13. Technische infrastructuur In of nabij de planlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in Afbeelding 39). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de planlocatie in beeld te brengen. 4.14. Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Er zijn al diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke relatie tussen (intensieve) veehouderij en volksgezondheid. De laatste onderzoeken dateren van 16 juni 2017 en 1 september 2018 en zijn vervolgonderzoeken op het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO), dat op 7 juli 2016 is gepubliceerd.

In dit onderzoek is endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniaksecundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. Uit de vervolgonderzoeken is o.a. gebleken dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. De dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de planlocatie welke endotoxine kan uitstoten (veehouderijen welke vleeskuikens, leghennen of varkens houdt) ligt aan de Dongeweg 3 op een afstand van circa 0,9 kilometer. Dit betreft een vleeskuikenhouderij. De afstand tussen de reeds bestaande woning aan de Lange Broekstraat 34 en de veehouderij aan de Dongeweg 3 wordt niet kleiner, aangezien het een bestaande woning betreft. Een van de te realiseren woningen komt op een afstand van circa 0,9 kilometer van de pluimveehouderij te liggen. De beoogde ontwikkeling levert derhalve geen verslechtering op ten opzichte van de bestaande situatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Geertruidenberg&id=85eeba9d-8636-4c02-9d9d-8740589cb4a4