Gebiedsontwikkeling Hooijpolder - Toelichting
Tekst van het document
Verder dienen binnen een bouwperceel alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen te worden geconcentreerd. Dit wordt voor de woonkavels geborgd middels een bouwvlak waar de woongebouwen in gesitueerd moeten worden en een bouwaanduiding waar de bijgebouwen in gesitueerd moeten worden. Voor de bestaande rundveehouderij wordt dit geborgd middels een bouwvlak dat enkel op de resterende bebouwing is gelegen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er sprake is van de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit en zorgvuldig ruimtegebruik. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: ▪ de ondergrond ▪ de netwerklaag ▪ de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen.
Pagina 30 van 76
Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door de gebiedsontwikkeling te combineren met de aanleg van nieuwe natuur, die bovendien wordt opengesteld voor publiek. Daarnaast zal de cultuurhistorische waarde van het landschap worden hersteld. Tot slot zullen de emissies afkomstig van het melkveebedrijf aan de Lange Broekstraat 34 gereduceerd worden en zullen verouderde en rommelige agrarische opstallen en sleufsilo’s verwijderd worden. Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9) Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap.
Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Voor de realisatie van woonkavels is in artikel 3.78 van de Iov nadrukkelijk bepaald dat artikel 3.9 (kwaliteitsverbetering van het landschap) niet van toepassing is. De gebiedsontwikkeling voorziet al in voldoende kwaliteitsverbetering. Conform artikel 3.78 dient namelijk al te worden voorzien in het versterken van de omgevingskwaliteit. De locatie aan de Lange Broekstraat 34 blijft een agrarische bestemming behouden, enkel de bedrijfswoning wordt omgezet naar een plattelandswoning. Voor de totale ontwikkeling is de realisatie van landschappelijke inpassing derhalve voldoende en is geen berekening kwaliteitsverbetering noodzakelijk. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied via de nog te realiseren nieuwe natuur, groene inpassing van nieuwe knooppunt Hooipolder is verbonden aan bestaande natuurgebieden die NNB begrenst zijn. De gebiedsontwikkeling dient derhalve als stapsteen voor in wijdere omgeving voorkomende flora en fauna.
De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd door de opname van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. Wonen in stedelijk gebied (artikel 3.42) – Duurzame stedelijke ontwikkeling Het initiatief moet getoetst worden aan artikel 3.42 ten aanzien van het omzetten van de agrarische bedrijfswoning aan de Lange Broekstraat 34 naar een plattelandswoning. Artikel 3.42 bevat de voorwaarden voor de ontwikkeling van woonfuncties binnen Stedelijk gebied. Er is getoetst aan de gestelde voorwaarden uit artikel 3.42 van de Iov:
Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Er wordt geen nieuwe woning mogelijk gemaakt. De agrarische bedrijfswoning aan de Lange Broekstraat 34 wordt omgezet naar een plattelandswoning. In paragraaf 3.3.2 is getoetst aan de woonvisie, waaruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling past binnen de regionale afspraken.
Pagina 31 van 76
In lid 2 van artikel 3.42 van de Iov zijn voorwaarden opgenomen waaraan een duurzame stedelijke ontwikkeling dient te voldoen. Aan deze voorwaarden wordt hieronder getoetst:
Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving;
Door het toevoegen van één plattelandswoning op deze locatie te combineren met het houden van minder dieren en het verwijderen van overtollige agrarische bebouwing en voorzieningen wordt de omgevingskwaliteit bevorderd met een veilige en gezonde leefomgeving.
b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden;
Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied. Door het gebruiken van de bestaande stal en de bestaande bedrijfswoning wordt hergebruik van leegkomende bebouwing zoveel mogelijk benut.
c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; De woning zal mogelijk worden voorzien van toekomstbestendige energievoorzieningen.
d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water;
Door het verwijderen van verharding en bebouwing zal er op eigen terrein meer ruimte zijn om water te laten infiltreren in de bodem. Bovendien zorgt een vermindering van de erfverharding ter plaatse voor het tegengaan van hittestress.
e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit;
Door het ontwikkelen van de woning nabij Raamsdonk en Raamsdonksveer zijn alle dagelijkse voorzieningen per fiets of te voet bereikbaar. Daarnaast kunnen eventueel laadpalen voor elektrische auto’s op eigen terrein worden gerealiseerd. Hierdoor wordt invulling gegeven aan duurzame mobiliteit en een gezonde leefomgeving.
f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. De voorgenomen ontwikkeling staat een duurzame, concurrerende economie niet in de weg. Uit bovenstaande blijkt dat aan artikel 3.42 van de Iov voldaan kan worden voor het omzetten van de agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning. Artikel 3.78 – Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit In artikel 3.68 van de Iov is opgenomen dat alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan. In artikel 3.78 van de Iov kan hiervan worden afgeweken en zijn voorwaarden opgenomen voor realisatie van woonkavels in het landelijk gebied. Dit is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
Lid 1 Een bestemmingsplan kan voor een concreet initiatief nieuwvestiging mogelijk maken als: a. de ontwikkeling volledig tot doel heeft een versterking te geven van de omgevingskwaliteit en voor dat doel de middelen genereert;
De omgevingskwaliteit wordt versterkt door de woonkavels met woongebouwen van allure te combineren met de aanleg van nieuwe natuur, welke openbaar toegankelijk wordt gesteld. Bij de ontwikkeling van de natuur en cultuurhistorie is rekening gehouden met de waarden en functies in het gebied. De ontwikkeling van de woongebouwen staat ten dienste van de aanleg en realisatie van natuur, recreatie en cultuurhistorie. Daarnaast wordt de cultuurhistorische waarde van de omgeving versterkt en wordt het cultuurhistorisch waardevol gebied terug gebracht.
Pagina 32 van 76
b. de realisering van de onder a bedoelde versterking van omgevingskwaliteit niet op een andere wijze is verzekerd;
Het versterken van de omgevingskwaliteit is niet verzekerd door middel van een andere wettelijke verplichting of vanwege deelname aan een regeling. Er is geen subsidie ontvangen voor de aanleg van natuur.
c. de ontwikkeling door meerwaardecreatie aanzienlijk bijdraagt aan algemene belangen zoals sloop van overtollige bebouwing, de aanleg van natuur en bos, de verbetering van het woonen leefklimaat, het terugdringen van de emissie van milieuhinderlijke stoffen of het behoud van cultuurhistorische waarden; In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door de gebiedsontwikkeling Hooijpolder te combineren met de aanleg van nieuwe natuur, die bovendien wordt opengesteld voor publiek. Het plangebied is via de nog te realiseren nieuwe natuur, groene inpassing van nieuwe knooppunt Hooipolder verbonden aan bestaande natuurgebieden die NNB begrenst zijn. De gebiedsontwikkeling dient derhalve als stapsteen voor in wijdere omgeving voorkomende flora en fauna. Daarnaast zal de cultuurhistorische waarde van het landschap worden hersteld. Tot slot zullen de emissies afkomstig van het melkveebedrijf aan de Lange Broekstraat 34 gereduceerd worden en zullen verouderde en rommelige agrarische opstallen en sleufsilo’s verwijderd worden. De beoogde ontwikkeling draagt dus bij aan algemene belangen. In het landschappelijk inpassingsplan, welke als bijlage 1 is toegevoegd, en in hoofdstuk 2 wordt de inrichting van de ontwikkeling nader onderbouwd.
d. de ontwikkeling en de versterking van omgevingskwaliteit passen binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 3.77 ;
Dat de ontwikkeling en de versterking van de omgevingskwaliteit passen binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied blijkt uit de toetsing aan de Omgevingsvisie van Geertruidenberg, welke is opgenomen in paragraaf 3.3.1 van deze toelichting. Daarnaast is in hoofdstuk 2 uitgebreid uiteengezet dat de nieuwe woningen en de nieuwe natuur passen binnen de omgeving vanuit cultuurhistorisch, landschappelijk en bodemkundig oogpunt.
e. is onderbouwd dat de activiteit volhoudbaar is naar de toekomst, bezien vanuit duurzaamheid en economisch oogpunt;
Het ontwikkelen van grote woongebouwen met allure in ruil voor de aanleg van natuur blijkt bij verschillende gebieden al succesvol. Ook in de toekomst zal het naar verwachting mogelijk blijven om het gebied te kunnen financieren. Het plangebied zal dus onderhouden blijven. Er zijn verschillende mogelijkheden opgenomen om in de toekomst nieuwe verdienmodellen te genereren om de beheerderskosten van de gebiedsontwikkeling te kunnen blijven bekostigen, zoals het exploiteren van een bed & breakfast of het creëren van een workshopruimte aan huis.
f.
de ontwikkeling past binnen de uitgangspunten, belangen en doelen die deze verordening beoogt te beschermen; en In deze paragraaf, paragraaf 3.2.2 van de toelichting, is uitgebreid getoetst aan de uitgangspunten die zijn gesteld in de Interim omgevingsverordening. Daaruit blijkt dat de ontwikkeling past binnen de uitgangspunten en de belangen en doelen die de verordening beoogt te beschermen.
g. bij de uitwerking van het plan deskundigen worden betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit , onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is. De uitwerking van het plan wordt in breed overleg met deskundige betrokken partijen, waardoor de provincie, nader ingevuld.
Lid 2 De bijdrage aan het versterken van omgevingskwaliteit betreft maatwerk waarbij in ieder geval de volgende aspecten in acht worden genomen en juridisch vastgelegd: a. als de activiteit de realisatie van een woning betreft:
Pagina 33 van 76
1. wordt de woning opgericht op een aanvaardbare locatie in Landelijk gebied;
Twee van de drie kavels sluiten op aanvaardbare locaties aan bij het lint van Raamsdonk aan de Lange Broekstraat. De derde kavel ligt wat verder van de Lange Broekstraat, maar sluit aan waarbij vroeger de Vlaaikensstraat gelopen heeft. De Vlaaikensstraat sloot vroeger aan op de Engelse Wal. In het geheel is dit verder weggelegen kavel te zien als een bijzondere afronding van de bebouwingsconcentratie aan de Engelse Wal/Vlaaikensstraat. Op basis van de gebiedsanalyse in paragraaf 2.2 is bepaald waar in het gebied de woonkavels gesitueerd moesten worden. Voor wat betreft de voorste woongebouwen wordt uitgegaan van een boerderijtypologie passend bij veenontginningen, bestaande uit twee bouwmassa’s als voor- en achterwoning parallel aan de perceelsrichting. Het achterste woongebouw wordt uitgevoerd als een traditionele woonboerderij. Dit is verder uitgewerkt in de beeldkwaliteitsparagraaf in paragraaf 2.4.3. In de regels van het bestemmingsplan wordt geborgd dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen aan de ruimtelijke verschijningsvorm van de woongebouwen in het belang van de realisering van deze beeldkwaliteitsparagraaf.
2. is de fysieke tegenprestatie, die is gericht op het versterken van omgevingskwaliteit , qua omvang gelijk aan de tegenprestatie voor een ruimte-voor-ruimtekavel; en
De fysieke tegenprestatie voor het mogelijk maken van 3 woonkavels met 6 woonfuncties wordt verplicht ingezet ten behoeve van het bij het gebied passende natuurontwikkeling. Daarnaast wordt ingezet op het behoud van de aanwezige waarden in het gebied. Dit is nader uitgewerkt in paragraaf 4.3. Er is een berekening bijgevoegd in bijlage 14 waarin de kwaliteitsverbetering van de omgeving is weergegeven.
3. is in overleg met de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte onderzocht of de ontwikkeling van een ruimte-voor-ruimtekavel tot de mogelijkheden behoort;
De mogelijkheid om ruimte-voor-ruimtetitels aan te schaffen voor onderhavige ontwikkeling is in eerste instantie onderzocht samen met de gemeente. Echter heeft de gemeente hierop gereageerd dat zij liever niet werken met ruimte-voor-ruimtetitels voor de beoogde ontwikkeling. De gemeente heeft hierbij aangegeven dat zij de voorkeur hebben dat er omgevingskwaliteit plaatsvindt binnen de gemeente, binnen hetzelfde gebied. Derhalve is de ontwikkeling momenteel een grote veehouderij verkleinen en natuur toevoegen binnen hetzelfde gebied.
Lid 4 Bij de toepassing van dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing: a. artikel Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik , onder a; b. artikel Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap ; en c. artikel Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied , eerste Lid , onder a. Geconcludeerd wordt dat de gebiedsontwikkeling Hooijpolder past binnen de regels van de Iov. Conclusie Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
Pagina 34 van 76
3.3. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke omgevingsvisie, de woonvisie en het bestemmingsplan.
3.3.1. Omgevingsvisie Geertruidenberg
In de op 3 juni 2021 door de gemeenteraad vastgestelde omgevingsvisie is beschreven waar de gemeente Geertruidenberg voor staat en waar we naar toe willen in de toekomst. De combinatie van ‘thema’s’, ‘waarden’ en ‘ambities’ bepaalt de mogelijkheden voor nieuwe initiatieven in de verschillende gebieden binnen de gemeente. In de Omgevingsvisie worden keuzes gemaakt en prioriteiten gesteld voor de opgave waar de gemeente voor staat. De ambities zijn gericht op: ▪ Een toekomstbestendige en groene gemeente. ▪ Een ondernemende gemeente. ▪ Een gezonde en veilige gemeente. ▪ Een levendige gemeente. Van toepassing op onderhavige ontwikkeling zijn met name de thema’s ‘Groene omgeving’ en ‘Wonen’. De locatie is gelegen binnen de gebieden ‘Raamsdonk’ en ‘Agrarisch gebied met waarden’, zie Afbeelding 25.
Groene omgeving
Vooral in de twintigste eeuw is er veel gebouwd in Nederland. Dit is ten koste gegaan van natuur. De gemeente wil natuur en kenmerkende landspatronen in stand houden. Dit betekent dat de gemeente inzet op de cultuurhistorische waarde van het landschap beschermen. Uit de omgevingsvisie blijkt dat het de wens is om de relatie tussen de lintbebouwing van Raamsdonk en het achterliggend landschap te behouden en waar mogelijk te versterken. Ook de inzet op het behouden en realiseren van natuurwaarden wordt van groot belang geacht bij nieuwe ontwikkelingen. Nieuwe ontwikkelingen (in het buitengebied) zijn mogelijk mits zij passen in het gemeentelijk beleid en de gemeentelijke regels én op een passende manier in het landschap geplaatst kunnen worden.
Wonen
In de omgevingsvisie is opgenomen dat de gemeente Geertruidenberg een toename van de woningbehoefte van 690 woningen verwacht in de periode 2020-2030. De gemeente gaat zich inzetten om te komen tot een Programma Wonen, waarbij in beeld wordt gebracht hoe lokale vraag en aanbod beter op elkaar kunnen aansluiten. In de Omgevingsvisie staan verschillende woningbouwprojecten waar de gemeente zich in het woonbeleid op wil gaan richten. De ontwikkeling van dit gebied (circa 6 woningen) is tevens als woningbouwproject opgenomen.
Agrarisch gebied met waarden
Het agrarische gebied met waarden ligt rondom Raamsdonk en heeft cultuurhistorische, landschappelijke en/of natuurwaarden. In dit gebied worden mogelijkheden gezien voor nieuwe activiteiten, zoals toerisme, bedrijvigheid en wonen. De aanwezige waarden dienen daarbij wel behouden te blijven of het liefst versterkt te worden. Bovendien is het de wens om in dit gebied het fiets- en wandelnetwerk sluitend te maken.
Raamsdonk
Raamsdonk is een kern in het buitengebied met een hechte samenleving. De waarden in dit gebied zijn agrarisch en rustiek. Het dorp ligt midden in een fraaie landelijke omgeving. Hier is het buitengevoel bepalend voor de identiteit. Een groot deel van het dorp bestaat uit lintbebouwing met typische boerderijen. Een aantal van deze boerderijen is nog daadwerkelijk in gebruik als boerderij. In de woongebieden wordt gestreefd naar zo min mogelijk overlast van geluid en vervuilde lucht.
Beoogde ontwikkeling
Met het beoogde initiatief wordt een gebied ontwikkeld met 3 woonkavels met twee woonfuncties. De bestaande rundveehouderij aan de Lange Broekstraat 34 wordt grotendeels gesaneerd. Er blijft slechts
Pagina 35 van 76
één stal behouden voor de huisvesting van circa 30 bijzondere grazers, die gebruikt zullen worden voor de extensieve begrazing van het ontwikkelingsgebied. Door de melkveehouderij te saneren zullen geluidsoverlast en vervuilde lucht worden verminderd. Om de natuurlijke en cultuurhistorische waarde van het gebied te versterken wordt een besloten slagenlandschap gecreëerd door langs de watergangen elzen- en wilgensingels aan te planten. Hierdoor ontstaat een smalle strookvormige percelering. De smalle langgerekte percelen zelf behouden een open karakter. De lager gelegen percelen worden vernat en verschraald ten behoeve van natuurvorming. De hoger gelegen delen blijven in gebruik als (land)bouwgrond. Hiermee wordt aangesloten bij de oorspronkelijke situatie. Om de historische verbindingsroute tussen de Vlaaikensstraat en de Engelse wal in ere te herstellen wordt een recreatief, openbaar toegankelijk, wandelpad aangelegd. Daarnaast wordt ook het fietspad door het plangebied vanaf de Halve Zolenlijn doorgetrokken. Door het herstellen van de cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden, het realiseren van een wandel- en fietsnetwerk en het verbeteren van het woonen leefklimaat past de beoogde ontwikkeling binnen de gemeentelijke omgevingsvisie.
Afbeelding 25: Uitsnede kaart Omgevingsvisie gemeente Geertruidenberg
3.3.2. Woonvisie
Voor het gemeentelijk woningbouwbeleid is de Woonvisie Geertruidenberg 2017 het belangrijkste beleidsdocument, met hierin een doorkijk naar de ontwikkelingen en de visie daarop voor de komende jaren. Het algemene doel van de woonvisie is het realiseren van een goed woonklimaat dat bijdraagt aan het vestigingsklimaat, de vitale gemeenschappen en het behouden en versterken van een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Er wordt ingespeeld op de verdere bewustwording van de inwoners met betrekking tot hun eigen verantwoordelijkheid aangaande hun woontoekomst. Het stimuleren van initiatieven uit de gemeenschappen, aanspreken op en actief inzetten van kennis en talenten door de inwoners is het uitgangspunt. In de Woonvisie wordt de actuele informatie over de woningmarkt vertaald naar speerpunten voor het gemeentelijk beleid. De volgende speerpunten zijn geformuleerd: ▪ Beschikbaarheid: zorgen voor voldoende woningen voor verschillende doelgroepen, ▪ Betaalbaarheid: De relatie tussen inkomen en woonlasten moet in balans zijn, ▪ Duurzaamheid: De woningen verduurzamen is één van de grootste uitdagingen, ▪ Woonkwaliteit: De woonwensen en kwaliteit van wonen verbeteren met betrekking tot het aanpassen van de bestaand woningvoorraad en realisatie van nieuwbouw, ▪ Transformatie: Transformatie van binnenstedelijk en buitengebied,
Pagina 36 van 76
▪ ▪
Leefbaarheid: Naast de woning is ook de locatie en de omgeving belangrijk voor een aangenaam leefklimaat, Langer thuis wonen: Toekomstbestendig maken van woningen van senioren.
Het woningbouwprogramma voor Geertruidenberg - dat eveneens is opgenomen in de woonvisie voorziet in 530 nieuwbouwwoningen in de periode 2017-2021. Dit aantal correspondeert met de vorige bevolkings- en woningbehoefteprognose van Noord-Brabant. Voor de gemeente Geertruidenberg is in de provinciale indicatie voor 2020-2040 een indicatieve toename van de woningvoorraad vastgesteld van 690 woningen. De te realiseren 530 nieuwbouwwoningen van 2017-2021 in de gemeente Geertruidenberg zijn gedifferentieerd naar kern en woningtype. Er zijn circa 30 woningen voorzien als gevolg van leegkomende gebouwen, herbestemming of transformatie. De beoogde ontwikkeling betreft een transformatie-project. Er zullen bestaande overtollige agrarische bedrijfsgebouwen en voorzieningen verwijderd worden en er zal nieuwe natuur worden gerealiseerd worden om de woonkavels te kunnen realiseren. Deze transformatie van het buitengebied zal bijdragen aan het versterken van de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarde van de omgeving. Er zullen bovendien minder dieren worden gehouden in de beoogde situatie, waardoor de emissies zullen verminderen en het woon- en leefklimaat in de omgeving zal verbeteren.
De toename van 6 woonfuncties past binnen de gemeentelijke omgevingsvisie (de agrarische bedrijfswoning betreft al een woonfunctie, maar er wordt enkel geborgd dat deze ook door derden, die geen binding met het agrarische bedrijf hebben, bewoond mag worden). De meeste woningen worden in gebruik genomen door de houder van de bestaande rundveehouderij en zijn familie, waaruit blijkt dat er een concrete behoefte aan de woningen is. De beoogde ontwikkeling past derhalve binnen de woonvisie.
3.3.3. Bestemmingsplan
Zoals reeds in de inleiding van voorliggende toelichting is beschreven zijn voor het plangebied het moederplan ‘Buitengebied Geertruidenberg’, aldus vastgesteld d.d. 28 april 2011, en de herziening ‘Buitengebied 1e herziening’, aldus vastgesteld d.d. 5 november 2015, vigerend. Binnen deze plannen hebben de gronden van het plangebied een agrarische bestemming met een bouwvlak ter plaatse van de bestaande rundveehouderij. De waterlopen zijn aangeduid met de enkelbestemming ‘Water’. Om het gebruik van de bestaande agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning planologisch te borgen en de woonkavels mogelijk te maken is een herbestemming noodzakelijk. Hiervoor worden geen binnenplanse mogelijkheden geboden. Er is derhalve een maatwerkoplossing noodzakelijk. In overeenstemming met de gemeente Geertruidenberg wordt daarom een partiële herziening van het bestemmingsplan voorbereid.
Pagina 37 van 76
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectenrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: • Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. • Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.
Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen negatief effect heeft op Natura 2000-gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Categorie D11.2 is mogelijk van toepassing bij onderhavig initiatief. Deze categorie betreft een stedelijk ontwikkelingsproject wat 2.000 of meer woningen omvat. Uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (van 15 maart 2017; ECLI:NL:RVS:2017:694, van 31 januari 2018; ECLI:NL:RVS:2018:348, van 17 april 2019; ECLI:NL:RVS:2019:1253 en van 11 maart 2020; ECLI:NL:RVS:2020:729) blijkt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Uit deze uitspraken volgt eveneens dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.
In de beoogde situatie is sprake van het realiseren van 3 woonkavels ten behoeve van 6 woonfuncties. Daarnaast wordt het bestaande melkveebedrijf gesaneerd en in een bestaande stal zullen 30 speciale runderen gehuisvest kunnen worden, die voor de begrazing van het gebied zullen zorgen. De agrarische bedrijfswoning aan de Lange Broekstraat 34 wordt omgezet naar een plattelandswoning. De overtollige agrarische bedrijfsgebouwen en voorzieningen worden verwijderd. Het saneren van de rundveehouderijlocatie zal een positief effect hebben op het milieu. Ook de aanleg van (nieuwe) natuur zal bijdragen aan het versterken van het milieu. Hierdoor hoeft de beoogde ontwikkeling niet te worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarbij is van belang dat de emissies afkomstig van de melkveehouderij voor een groot deel zullen verdwijnen, er zal nieuwe natuur worden gerealiseerd en de omvang van de nieuwe bebouwing zal beperkt zijn in verhouding tot de bestaande te verwijderen agrarische bedrijfsbebouwing. Daarnaast kan het plan gezien worden als een landinrichtingsproject (categorie D9).
Uit deze toelichting bij het bestemmingsplan kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van relevante gevolgen voor het milieu zoals bedoeld in artikel 7.16 en 7.17 Wet milieubeheer en het maken van een milieueffectrapport voor de besluitvorming over het project is dan ook niet noodzakelijk. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Daarnaast is tevens een vormvrije MERbeoordelingsnotitie bijgevoegd bij onderhavige toelichting, zie bijlage 12.
Pagina 38 van 76
4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: ▪ Beschrijving waterrelevant beleid; ▪ Bestaande waterhuishoudkundige situatie; ▪ Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
4.2.1. Waterrelevant beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: ▪ Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; ▪ Een betere waterveiligheid door preventie; ▪ Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.
Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 3.2.3 liggen er binnen de Iov geen werkingsgebieden voor wat betreft het aspect water op de planlocatie. Er zijn derhalve geen voorwaarden waar in het kader van de Iov aan getoetst dient te worden. De wijze waarop de provincie omgaat met water, is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 3 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Het RWP is op 22 december 2021 in werking getreden. Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we dat het doel om moet; we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem. Doel van RWP:
Pagina 39 van 76
▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Voldoende water Schoon water Veilig water Vitale bodem Klimaatadaptatie
Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun RWP stelt. Waterschap De doelstelling van het waterbeheerplan Brabantse Delta (2022-2027): Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer. Dat waterbeheer draagt bij aan een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. In 2050 is Nederland aangepast om de negatieve gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Ambitie: Samen werken met de omgeving aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap voor de regio Midden- en West-Brabant. Belangrijke onderwerpen waarvoor het Brabantse Delta doelen voor opgesteld heeft: ▪ Gezond water; ▪ Voldoende water; ▪ Water voor duurzame ontwikkeling; ▪ Waterveiligheid; Het realiseren van de ambities wordt bereikt aan de hand van zes beleidskeuzes: 1. Water als drager voor een vitale regio 2. Evenwicht in het water- en bodemsysteem 3. We werken samen 4. We werken duurzaam 5. We werken veerkrachtig en vernieuwend 6. We prioriteren op basis van verplichtingen en mogelijkheden De waterveiligheid wordt verbeterd door het verkleinen van de kans op overstroming én het verkleinen van de mogelijke gevolgen. Om deze aspecten in samenhang te behandelen worden de drie lagen van het concept meerlaagsveiligheid gebruikt: 1.
Preventie door sterke waterkeringen 2. Ruimtelijke inrichting minder kwetsbaar maken 3. Crisisbeheersing
4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de bestaande situatie bestaan de gronden binnen het plangebied hoofdzakelijk uit agrarische gronden. Het hemelwater dat neerkomt op deze gronden infiltreert ter plaatse in de bodem. Overtollig water wordt opgevangen in perceelsloten (B- en C-watergangen), welke vervolgens afwateren via de A-watergang die door het plangebied stroomt. In Afbeelding 26 zijn de A- en B-watergangen in de omgeving van het plangebied duidelijk weergegeven.
Pagina 40 van 76
Afbeelding 26: Uitsnede Legger oppervlaktewaterlichamen Waterschap Brabantse Delta
Het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard dat ontstaat op de bestaande rundveehouderij aan de Lange Broekstraat 34 wordt geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er vanuit deze inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt onder afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende percelen en watergangen. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.
4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie
Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. De watergangen in het plangebied worden als zodanig in stand gehouden. De nieuwe inrit maakt gebruik van een bestaande overkluizing. Verder zullen de beschermingszones ten opzichte van watergangen in acht worden genomen. Dit is als zodanig geborgd in de regels van het plan. De Awatergangen binnen het plangebied zijn bestemd met de bestemming ‘Water’. Binnen 5 meter van die bestemming worden geen nieuwe obstakels, zijnde bebouwing dan wel landschapselementen, mogelijk gemaakt. Het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard dat ontstaat op de rundveehouderij aan de Lange Broekstraat 34 blijft geloosd worden op het gemeentelijk riool. De nieuwe woningen dienen te worden aangesloten op het gemeentelijk riool. Dit zal op kosten van de houder van de bestaande rundveehouderij worden aangelegd. Afwatering van hemelwater via het gemeentelijk riool moet ten allen tijden worden voorkomen en versnelde afvoer van hemelwater op het oppervlaktewatersysteem moet zoveel mogelijk worden beperkt.
Hiertoe kan middels de Keur van Waterschap Brabantse Delta worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Bij voorkeur wordt er voor gezorgd dat het hemelwater alsnog kan infiltreren in de bodem, eventueel via mitigerende maatregelen zoals een retentievoorziening. Een dergelijke voorziening dient te worden voorzien van een leegloopvoorziening, zodat het hemelwater gedoseerd kan worden afgevoerd naar het oppervlaktewatersysteem. De Keur schrijft voor dat mitigerende maatregelen nodig zijn indien sprake is van een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2.
Pagina 41 van 76
De grootte van de retentievoorziening moet in dat gevel worden berekend conform de rekenregel die in de nieuwe Algemene regels van de Keur van de Brabantse waterschappen is geïntroduceerd. Deze rekenregel luidt als volgt: Benodigde compensatie (m3) = toename verhard oppervlak (m2) x ‘gevoeligheidsfactor’ x 0,06 (m) De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m 3/ha) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule. De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart die bij de Keur is gevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval Brabantse Delta, verdeeld in drie categorieën. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼ (Laag), ½ (Gemiddeld) en 1 (Hoog). Zoals uit Afbeelding 27 blijkt is er op het plangebied een gevoeligheidsfactor van 1 (Hoog) van toepassing.
Afbeelding 27: Uitsnede keurkaart ‘Verhard oppervlak’ waterschap Brabantse Delta
Met het initiatief wordt circa 1.450 m² overtollige bebouwing van de bestaande rundveehouderij gesaneerd. Hier komen drie woongebouwen met bijbehorende bijgebouwen voor terug. De omvang van de woongebouwen is gemaximaliseerd op 1.000 m3. Dit komt neer op circa 200 m2 verhard oppervlak per woning. Per woning is daarbij maximaal 150 m2 aan bijgebouwen toegestaan. Verder zal ook een gedeelte van de tuinen bij de woongebouwen voorzien worden van erfverharding. Dit wordt geschat op 500 m2 per woonkavel. De bestemming ‘Verkeer’ heeft een oppervlakte van circa 1.280 m². Derhalve is voor de erftoegangsweg uitgegaan van een verhard oppervlak van 1.280 m². Op basis van deze getallen zou er in totaliteit sprake zijn van een toename in verhard oppervlak van 3.430 m2. Dit is overzichtelijk weergegeven in Tabel 1.
Pagina 42 van 76
Tabel 1: Overzicht verhard oppervlak Oppervlaktes Afname Bestaande rundveehouderij Woongebouwen Bijgebouwen Erfverharding Erftoegangsweg Totaal
Toename -1.450 m2
-1.450 m2
1.200 m2 (6 x 200 m2) 900 m2 (6 x 150 m2) 1.500 m2 (3 x 500 m2) 1.280 m² +4.880 m2
Er zijn diverse manieren om invulling te geven aan de vereiste compensatieplicht, middels een retentievijver/sloot, een (ondergronds) infiltratie transportriool, een wadi, infiltratiekratten of grindkoffers. Voor wat betreft het hemelwater dat terecht komt op de erfverharding en onder afschot afvloeit naar omliggende gronden binnen het plangebied zijn geen mitigerende maatregelen nodig, mits kan worden aangetoond dat het hemelwater op die percelen infiltreert en niet afvloeit naar buren of het oppervlaktewatersysteem. Op basis van de (voorlopig) bepaalde onderdelen van de rekenregel kan voor wat betreft de toename in bebouwd oppervlak per woning de volgende rekensom worden gemaakt: Benodigde compensatie per woning = 358 m2 x 1 x 0,06 = 21,5 m3 Op de woonkavels is voldoende ruimte om te voorzien in deze benodigde bergingscapaciteit. Aangezien nog niet duidelijk is hoe de beoogde woningen incl. bijgebouwen en tuinen vormgegeven worden en dus ook nog niet bekend is hoeveel verhard oppervlak er uiteindelijk per woonkavel zal worden aangebracht, wordt de afkoppeling van het hemelwater per woning uitgewerkt in de aanvraag omgevingsvergunning bouw. Dit wordt met een voorwaarde vastgelegd in de regels van het plan. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3.
Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; ▪ Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.
Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel
Pagina 43 van 76
beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Natuur Netwerk Brabant’ van de Iov is binnen het plangebied geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 28. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.
Afbeelding 28: Uitsnede kaart Natuur Netwerk Brabant (paragraaf 3.2.3) Iov, plangebied met plusteken weergegeven
Het plangebied is via de nog te realiseren nieuwe natuur, groene inpassing van nieuwe knooppunt Hooipolder verbonden aan bestaande natuurgebieden die NNB begrenst zijn. De gebiedsontwikkeling dient als stapsteen voor in wijdere omgeving voorkomende flora en fauna. Met de ontwikkeling van de natuurpercelen zal een verhoging van de diversiteit aan planten- en dierenleven tot stand komen. Het gebied is in de huidige situatie niet aantrekkelijk en van weinig toegevoegde waarde voor biodiversiteit en ecologie. In de beoogde situatie wordt natuur ontwikkeld die hetzelfde karakter heeft als de oostelijk (Westelijke Langstraat) en westelijk (Nionplas en Donge) gelegen delen van het NNB. Op grote schaal gezien vormt het gebied daarmee een versterking en aanvulling op de keten van (relatief) natte gebieden. In onderstaande afbeelding is de onderlinge relatie opgenomen, hieruit blijkt duidelijk dat het gebied een robuust element gaat vormen in een gebied dat nu nog een leemte is tussen de westelijke en oostelijk gelegen gebieden.
Pagina 44 van 76
Afbeelding 29: Weergave onderlinge relatie NNB-gebieden
Daarnaast vormt het gebied een aanvulling op de ecologische verbindingszone (EVZ) langs de Donge. Hoewel het niet direct aan deze EVZ ligt zorgt het binnen de wijdere omtrek wel voor robuuster groen dan nu het geval is. De afstand tot het noordoostelijk gelegen stukje NNB (zandput) is nog groot maar de kans bestaat dat in combinatie met het Zuiderafwateringskanaal een iets betere verbinding tussen de noordelijke en zuidelijke EVZ ontstaat zodat migratie bevorderd wordt en de geïsoleerde ligging van de zandput wordt verminderd.
Afbeelding 30: Ecologische verbindingszones rond het plangebied
Pagina 45 van 76
Middels een verschralings- en vernattingsbeheer wordt regulier agrarisch land omgevormd tot natuurdoeltype Kruiden- en Faunarijk grasland. Diverse soorten ruigte en struweel kunnen in dit grasland voorkomen. Het wordt meestal extensief beweid of gehooid. Het beheertype is onder andere van belang voor vlinders en andere insecten, vogels en kleine zoogdieren. Tevens centraal in het plangebied aanplant van een Rivier en Beekbegeleidend bos. Het beheertype is van belang voor diverse soortgroepen, zoals broedvogels. De in het gebied te realiseren houtwallen, en bomenrijen met els en wilg bieden bescherming aan kleine zoogdieren en vogels. Met beoogde ontwikkeling blijven de bestaande elementen behouden en worden de natuurwaarden versterkt. Inrichting is kenmerkend voor het slagenlandschap.
4.3.2. Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Biesbosch, Langstraat en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.
Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Biesbosch, dat op een afstand van circa 3,6 kilometer ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht
Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt is middels het rekenprogramma AERIUS een verschilberekening gemaakt tussen de uitgangssituatie en de gebruiksfase en de realisatiefase van de beoogde situatie van het initiatief. De uitgangspunten voor deze verschilberekening zijn uiteengezet in Bijlage 2. In Bijlage 3 zijn de rekenresultaten van deze verschilberekeningen opgenomen. Hieruit blijkt dat de
Pagina 46 van 76
stikstofdepositie van het plan niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Ook volgt uit de AERIUSverschilberekeningen dat de stikstofdepositie afneemt ten opzichte van het bestaande, planologisch legale gebruik. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan.
Overige storingsfactoren
Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Biesbosch leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.
Conclusie
Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Lange Broekstraat, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren bebouwing en ter plaatse van de te slopen bebouwing, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding.
Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Op 20 juni 2022 is door Brabant Eco een quickscan flora en fauna uitgevoerd, waarbij is gecontroleerd of er beschermde soorten in het kader van flora & fauna aanwezig zijn, zie Bijlage 4. Op basis van de
Pagina 47 van 76
uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er huismussen en algemeen beschermde broedvogels in het plangebied voorkomen. Het erf functioneert aantoonbaar als leefgebied voor diverse soorten dieren, waaronder de huismus. Voor de overige soortgroepen, waaronder vleermuizen, uilen en gierzwaluw zijn geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Met de herontwikkeling is er de mogelijkheid om meer groenstructuren aan te planten waardoor foerageermogelijkheden voor onder andere huismussen worden verbeterd. Door de locatie na de bouw geheel planologisch in te passen en natuurinclusief te bouwen zal het leefgebied van de voorgenoemde soorten worden verbeterd. Voor de huismussen is een mitigatieplan geschreven om overtreding van de verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming te voorkomen, waardoor een ontheffingsaanvraag niet noodzakelijk zal zijn. Door het uitvoeren van gepaste maatregelen wordt voldaan aan de zorgplicht/ zorgvuldig handelen, het behoud van de functionaliteit van de verblijfplaats en de waarborging van de lokale staat van instandhouding van de huismus. In het opgestelde mitigatieplan zijn de maatregelen onderbouwd en gedocumenteerd, zie Bijlage 8. Er heeft een nader onderzoek huismussen plaats gevonden in april en mei 2023.
Het doel van het aanvullend onderzoek is te onderzoeken of het plangebied deel uitmaakt van het functionele leefgebied van huismussen en zo ja, met welke functie. In de te behouden woning en meest oostelijke te behouden stal zijn huismussen waargenomen. De sloop van de twee stallen zal geen nesten of ander essentieel onderdeel van het leefgebied van huismussen aantasten. Volgens het uitgevoerde onderzoek is het voorkomen van nesten van huismussen in de te slopen stallen uitgesloten. Ook maken deze geen essentieel onderdeel uit van het leefgebied van huismussen. De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling en bijbehorende werkzaamheden. Een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming voor het uitvoeren van de plannen is dan ook niet nodig. Het volledige onderzoek is bijgevoegd in bijlage 13. Als laatste zullen onderstaande aandachtspunten in acht genomen worden: • Voor algemeen voorkomende broedvogels (waarvan het nest gedurende broedperiode
•
•
beschermd is) dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden: o Voer eventuele snoeiwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit. Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven. o Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden te worden totdat de werkzaamheden zijn afgerond. o Indien werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, dient door een deskundig ecoloog onderzocht te worden of broedende volgens ter plaatse aanwezig zijn. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van algemene soorten als konijn, egel en diverse muizensoorten worden vergraven. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten: o Indien er verstoring plaatsvindt, dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels), maar ook voor volgens om verkeersslachtoffers te voorkomen. Werk vanaf één zijde ben bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een gepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten. o Kunstmatige verlichting werkt verstorend op zoogdieren en andere fauna. Werk daarom niet tussen zonsondergang en zonsopkomst.
o Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken of groenelementen, zoals bosschages en ruigtes (met name voor vleermuizen). Gelet op de algemene zorgplicht dienen voorafgaand aan de werkzaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt altijd voor alle planten- en diersoorten.
Pagina 48 van 76
Ook voor mogelijke aanwezigheid van egel en vestiging van de rugstreeppad dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Voorkom opslag van materialen waaronder dieren kunnen gaan verblijven. Het ontstaan van poeltjes en plassen op het terrein dient gedurende het zomerhalfjaar (vanaf april) te worden voorkomen. Als deze soorten worden waargenomen, dienen zij zichtzelf in veiligheid te kunnen brengen. Indien een soort die niet in de quickscan wordt genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen, zodat de wet niet wordt overtreden. o
•
Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de gebiedsontwikkeling moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.