Gebiedsontwikkeling Hooijpolder - Toelichting
Tekst van het document
In paragraaf 4.8 is reeds uiteen gezet dat de dichtstbijzijnde veehouderij ten opzichte van de planlocatie ligt aan de Lange Broekstraat 4, dit betreft een melkrundveehouderij. Voor melkrundveehouderijen geldt dat de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt zijn vanwege de beperkte emissies. Bovendien moet iedere veehouderij voldoen aan wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Gezien de grote afstand van de planlocatie tot veehouderijen in de omgeving, kan dus worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect volksgezondheid geen onevenredige nadelige effecten zullen optreden binnen de planlocatie.
4.14.1. Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonende
Op 7 juli 2016 is het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) gepubliceerd, dat in opdracht van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ), op advies van de Gezondheidsraad, was uitgevoerd. Uit dit onderzoek wordt duidelijk dat er sprake is van positieve en negatieve gezondheidseffecten ten gevolge van het wonen in de nabijheid van
Pagina 68 van 76
veehouderijen. Als positief wordt beschouwd dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Voor melkvee- en varkenshouderijen zijn de effecten op de volksgezondheid naar de omgeving zeer beperkt vanwege de beperkte emissies van met name fijnstof. Bedrijven waar paarden of schapen gehouden worden zijn in de onderzoeken niet meegenomen. • Endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen is wel een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Dit resulteert in de volgende negatieve effecten: Een verhoging van het risico op pneumonie (longontsteking), met name in de nabijheid van pluimveehouderijen; • Verhoogd voorkomen van luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in relatie tot dichtheid van veehouderijbedrijven rond de woning, ongeacht het type bedrijf; • Een verlaagde longfunctie na dagen en weken van verhoogde ammoniakconcentraties. De effecten worden waarschijnlijk niet door ammoniak zelf veroorzaakt maar zijn mogelijk het gevolg van omzetting in secundair fijnstof. Het VGO-onderzoek maakt duidelijk dat gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen.
Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. De emissie van stofdeeltjes met endotoxine is in zes veel voorkomende stalsystemen met vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens gemeten. Met een verspreidingsmodel is berekend of de voorgestelde endotoxinewaarde van 30 EU/m 3 werd overschreden. De onderzoekers concludeerden dat bij individuele pluimveestallen de geur en fijnstof norm niet kunnen voorkomen dat de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde, onder lokale omstandigheden, wordt overschreden. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij is gelegen aan de Lageweg 10 te Raamsdonk, betreft een vleesvarkenshouderij en stoot jaarlijks 415,64 kg aan fijnstof uit. In het kader van het endotoxinekader 2.0 dient er een afstand te worden gehouden van 130 meter. De veehouderij ligt op circa 1,4 kilometer van de planlocatie. Er wordt dus voldaan aan de afstanden zoals gesteld in het endotoxine toetsingskader. De dichtstbijzijnde pluimveehouderij is gelegen aan de Dongeweg 3 te Raamsdonk op een afstand van circa 0,9 kilometer. Conform het endotoxinekader 2.0 dient er een afstand van 463 meter te worden gehouden (5.852 kg fijnstof).
Er wordt dus voldaan aan de afstanden uit het endotoxine toetsingskader 2.0. Op 16 juni 2017 is het eerste vervolgonderzoek van dit VGO-onderzoek gepubliceerd. Dit rapport bevat een nadere analyse van de gegevens met krachtige statistische technieken wat de conclusies uit het hoofdonderzoek bevestigd en steviger onderbouwd. Er zijn sterke aanwijzingen dat (componenten van) fijnstof van geitenhouderijen mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen daarbij niet uitgesloten worden. Deze associatie is ook voor pluimveehouderijen gevonden, hetzij aanzienlijk zwakker. Uit luchtwegmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een intensieve veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. Wat betreft fijnstof is de bijdrage van de veehouderij niet te onderscheiden van de bijdrage van vele andere bronnen, zoals verkeer en (buitenlandse) industrie. In de eerste twee onderzoeken zijn de gezondheidsrisico’s onderzocht aan de hand van gegevens uit huisartsenpraktijken over de periode 2007 t/m 2013. Op 1 september 2018 is het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III’ gepubliceerd. Hierin is de actualisering voor de jaren 2014 t/m 2016 gepubliceerd.
Er is daarbij specifiek gekeken naar de associatie tussen diverse luchtwegaandoeningen en de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen. De associatie tussen het voorkomen van longontsteking en het wonen in de nabijheid van pluimveehouderijen zou namelijk mogelijk verklaard kunnen worden door de uitstoot van fijnstof en endotoxinen door deze bedrijven, al dan niet in combinatie met de al aanwezige achtergrondblootstelling. Deze veronderstelling lijkt voor geitenhouderijen echter minder voor de hand liggend, omdat de emissie van fijnstof en endotoxinen beperkt is.
Pagina 69 van 76
Uit de onderzoeksresultaten van deze tweede vervolgstudie blijft dezelfde verhoging voor het aantal longontstekingen bij omwonenden binnen een straal van 2 kilometer van geitenhouderijen zichtbaar als in de jaren daarvoor. Voor legpluimveehouderijen kan deze verhoging niet (meer) statistisch significant worden aangetoond. Voor vleeskuikenbedrijven alleen in 2014, ondanks dat de emissie van fijnstof hier relatief gezien hoger is dan van legpluimveehouderijen. Conclusie uit deze vervolgstudie is dan ook dat er meer onderzoek zal moeten plaats vinden naar de oorzaak van de associatie tussen longontsteking en het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen. Voor de beoogde ontwikkeling verandert er niets ten opzichte van de veehouderijen in de omgeving. Er wordt in alle opzichten voldaan aan de gestelde afstanden. De beoogde ontwikkeling leidt dus niet tot een verslechtering van de bestaande situatie. Daarnaast zijn er andere woningen gelegen op kleinere afstand van de omliggende veehouderijen.
Pagina 70 van 76
5. Juridische planbeschrijving In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.1. Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven.
Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.2. Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd.
Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: ▪ Enkelbestemming ‘Agrarisch’; ▪ Enkelbestemming ‘Natuur’; ▪ Enkelbestemming ‘Verkeer’; ▪ Enkelbestemming ‘Water’; ▪ Enkelbestemming ‘Wonen’; ▪ Dubbelbestemming ‘Leiding – Water’; ▪ Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’; ▪ Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’; ▪ Bouwvlak; ▪ Bouwaanduiding ‘bijgebouwen’; ▪ Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – dove gevel’; ▪ Figuur ‘hartlijn leiding – water’; ▪ Functieaanduiding ‘grondgebonden veehouderij’; ▪ Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – plattelandswoning’; ▪ Functieaanduiding ‘specifieke vorm van verkeer – erftoegangsweg’; ▪ Gebiedsaanduiding ‘overige zone – afgegraven of ontgronden terreinen’; ▪ Gebiedsaanduiding ‘overige zone – Hooijpolder’; ▪ Gebiedsaanduiding ‘wetgevingszone – aanlegvergunning landschap en cultuurhistorie’; ▪ Gebiedsaanduiding ‘wetgevingszone – wijzigingsgebied bestaand stedelijk gebied’. Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied Geertruidenberg’. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP.
Pagina 71 van 76
Enkelbestemmingen
Op de gronden waar de aanleg van nieuwe natuur plaats gaat vinden is de enkelbestemming ‘Natuur’ opgenomen. De agrarische gronden hebben de enkelbestemming ‘Agrarisch’. De gronden ter plaatse van de beoogde woonkavels zijn bestemd met de enkelbestemming ‘Wonen’.
Dubbelbestemmingen
De dubbelbestemmingen zijn overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Indien uit het archeologisch onderzoek blijkt dat er geen archeologische waarden te verwachten zijn zullen de dubbelbestemmingen omtrent archeologie nog kunnen wijzigen.
Bouwaanduidingen
De bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – dove gevel’ is opgenomen om te borgen dat bij het achterste woongebouw de achtergevel op de eerste verdieping dient te worden uitgevoerd met een dove gevel. Dit is noodzakelijk om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat omtrent het aspect geluid te kunnen garanderen. Daarnaast is de aanduiding ‘bijgebouwen’ opgenomen, waarbinnen vrijstaande bijgebouwen en overkappingen behorende bij de woningen zijn toegestaan.
Figuur
Het figuur is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan.
Functieaanduidingen
Er is een functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – plattelandswoning’ opgenomen om te borgen dat agrarische bedrijfswoning aan de Lange Broekstraat 34 ook bewoond mag worden door een derde, die geen binding met het agrarische bedrijf heeft. De aanduiding ‘grondgebonden veehouderij’ is opgenomen om te borgen dat enkel een agrarisch bedrijf met een veebezetting van 2GVE per hectare of minder is toegestaan. Op deze manier blijft de kleinschaligheid van het houden van de runderen geborgd. De erftoegangsweg is planologisch mogelijk gemaakt door de aanduiding ‘specifieke vorm van verkeer – erftoegangsweg’.
Gebiedsaanduidingen De gebiedsaanduidingen zijn overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. De gebiedsaanduiding ‘overige zone – Hooijpolder’ is opgenomen om het behoud en een samenhangend beheer van het gebied overeenkomstig het inrichtingsplan te borgen. De gebiedsaanduidingen ‘wro-zone – aanlegvergunning landschap en cultuurhistorie’ en ‘wro-zone-wijzigingsgebied bestaand stedelijk gebied’ zijn overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Tot slot is de gebiedsaanduiding ‘overige zone – afgegraven of ontgronden terreinen’ overgenomen uit het parapluplan Archeologie. 5.3. Toelichting regels De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Geertruidenberg’ en de herziening ‘Buitengebied 1e herziening’. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen. Ter borging van de aanleg en instandhouding van het gebied zijn voorwaarden in de regels toegevoegd, zoals in deze toelichting uiteengezet. De toegestane maximale inhoud van de woningen is aangepast en er is opgenomen dat twee woonfuncties per woonkavel zijn toegestaan.
Om de sloop van de overtollige agrarische bedrijfsbebouwing te verzekeren is een voorwaardelijke sloopverplichting in de regels opgenomen. Tot slot zijn bij de woonbestemming afwijkingsregels opgenomen om bij gebied passende gebruiksactiviteiten, zoals zorg, makkelijker mogelijk te maken.
Pagina 72 van 76
6. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 6.1. Financiële uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling van gebiedsontwikkeling Hooijpolder betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 6.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden (in de vorm van publicatie van het ontwerpbestemmingsplan). Ook zal vooroverleg plaatsvinden met de daartoe aangewezen instanties en zal er een omgevingsdialoog plaatsvinden.
6.2.1. Vooroverleg en omgevingsdialoog
Vooroverlegreacties Op dinsdag 12 december 2023 heeft het college van B&W besloten in te stemmen met het ontwerpbestemmingsplan en het bestemmingsplan voor vooroverleg aan te bieden aan de vooroverlegpartners. Na dit besluit is het ontwerpbestemmingsplan ter vooroverleg aangeboden aan de vooroverlegpartners zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De betreffende vooroverlegpartners zijn Provincie Noord-Brabant, Brabantse Delta, Rijkswaterstaat, Gasunie, Enexis, TenneT en Brandweer midden-west Brabant. Tijdens de vooroverlegperiode hebben de volgende vooroverlegpartners een vooroverlegreactie gegeven; Rijkswaterstaat en Provincie Noord-Brabant.
Beantwoording en aanpassing
In de vooroverlegreactie van Rijkswaterstaat wordt aangegeven dat zij geen aanleiding zien tot het maken van opmerkingen op het ontwerpbestemmingsplan. De Vooroverlegreactie wordt ter kennisgeving aangenomen en leidt niet tot aanpassingen. In de vooroverlegreacties van de Provincie Noord-Brabant wordt aangegeven dat zij aanleiding zien tot het maken van opmerkingen op het ontwerpbestemmingsplan. Zie bijlage 15. Dit bovenstaande wordt gemeld en afgestemd met de initiatiefnemer.
Provincie Noord-Brabant
De provincie staat positief tegenover de ontwikkeling van Landgoed Hooijpolder gezien de realisatie van een groot stuk natuur en het herstel van het cultuurhistorisch slagenlandschap. Echter kan geen gebruik meer worden gemaakt van de landgoedregeling gezien het feit dat het landgoed niet aangrenzend aan een natuurnetwerk Brabant (NNB) gebied. De provincie stelt dat er beter gebruik moet worden gemaakt van artikel 3.78 maatwerk met als doel omgevingskwaliteit uit de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. ▪ Slagenlandschap De historische singels steviger inzetten en ook de aanzet van de beplanting langs deze singels steviger aanzetten. ▪ Stedenbouw en Landschappelijke inpassing Enkele punten op het gebied van cultuurhistorie en natuur mogen nog verder uitgewerkt worden. Het inpassingsplan in onvoldoende concreet uitgewerkt om als goede borging voor de maatregelen te dienen.
Pagina 73 van 76
▪ Cultuurhistorie als onderdeel van de omgevingskwaliteit Te realiseren bebouwing aan het historische lint van de Lange Broekstraat graag dichter bij de straat positioneren. Dit sluit beter aan bij de historische lintbebouwing. Daarnaast graag het losstaande gebouw verder in het plangebied als afronding van de bebouwingsconcentratie beter uit te werken en te onderbouwen. ▪ Fietspad In het plan wordt enkele keren benoemd dat er de mogelijkheid is om de halve zolenlijn door te trekken door het plangebied. Hoe zou deze verbinding eruit komen te zien? Zijn er concrete plannen om die verbinding te maken? Graag verder toelichten. De vooroverleg heeft geleidt tot de volgende wijzigingen: Door de vooroverlegreactie van de provincie is het plan aangepast naar een gebiedsontwikkeling op basis van artikel 3.78 van de Interim omgevingsverordening in plaats van een Landgoed op basis van de landgoedregeling. Dit heeft geleid tot een aanpassing aan het plan. Het plan maakt 3 woonkavels mogelijk waarbinnen 2 woningen mogen worden gerealiseerd. Deze woningen mogen een maximale inhoud krijgen van 1.000 m3. Daarnaast zijn de overige aspecten welke zijn aangekaart verwerkt in de toelichting en in het landschappelijke inpassingsplan. Omgevingsdialoog Na de concept-beoordeling van de gemeente is een dialoog met de omgeving gevoerd. Het verslag van dit dialoog is bijgevoegd in bijlage 11.
6.2.2. Zienswijzen en beroep
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in de zienswijzenota. De eventuele wijzigingen t.o.v. het ontwerp zullen hierin worden verwoord. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder die tijdig een zienswijze kenbaar heeft gemaakt bij het ontwerp en belanghebbenden beroep instellen tegen het vaststellingsbesluit bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Gezien een ieder de mogelijkheid heeft om te reageren op het bestemmingsplan door het kenbaar maken van zienswijzen, wordt na afloop van de hierboven beschreven procedure het plan als maatschappelijk uitvoerbaar beschouwd.
Pagina 74 van 76
7. Bijlagen Bijlage 1: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2: Invoergegevens AERIUS berekening Bijlage 3: Rekenresultaten AERIUS berekening Bijlage 4: Quickscan flora en fauna Bijlage 5: Bodemonderzoek Bijlage 6: Rekenresultaten geurberekening Bijlage 7: Akoestisch onderzoek Bijlage 8: Mitigatieplan huismussen Bijlage 9: Invoergegevens geur Bijlage 10: Archeologisch onderzoek Bijlage 11: Verslag omgevingsdialoog Bijlage 12: Vormvrije MER-beoordelingsnotitie Bijlage 13: Nader onderzoek huismussen Bijlage 14: Berekening Maatwerk omgevingskwaliteit Bijlage 15: Vooroverlegreactie provincie
Pagina 75 van 76
Pagina 76 van 76