BP Parkzicht Raamsdonksveer
Tekst van het document
Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.“ De definitie van een gemengd gebied is: “Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden en hogere milieunormen rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten meestal bepalend.“ Onderzoek In de beoogde situatie worden een school en kinderopvang gerealiseerd. Hiermee wordt een milieuhinderlijke functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. In de omgeving zijn er woningen, sportfuncties en een tankstation aanwezig. Verder ligt op enige afstand de Eendrachtsweg en (iets verder weg) de snelweg A59.
Het gebied en de eerstelijns woonbebouwing aan de Parklaan kan daarom worden gezien als 'gemengd gebied'.
36/108
Volgens de VNG-brochure vallen een school en kinderopvang in milieucategorie 2. Met betrekking tot een 'rustige woonwijk' geldt voor geluid een richtafstand van 30 meter. In 'gemengd gebied' bedraagt de richtafstand 10 meter. De afstand van de dichtstbijzijnde woning tot de beoogde school bevindt bedraagt circa 27 meter afstand, zodat aan de richtafstand voldaan. De buitenspeelplaats ligt dichterbij, maar voldoet eveneens aan de richtafstand van 10 meter. Verder geldt dat momenteel de locatie al een sportbestemming heeft en is een sportcentrum en sportterrein al mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan. Deze functies vallen volgens de VNG-brochure in milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 30 meter in een 'gemengd gebied'. Bij een onderwijs- en sportfunctie is geluid het maatgevend milieu-aspect. Naast dat er aan de voor de school/kinderopvang aan de richtafstand wordt voldaan, geldt dat met het mogelijk maken van de school en kinderopvang zeer lagere milieucategorie wordt toegestaan. Naast dat een IKC een milieuhinderlijke functie betreft, is het tevens een andere geluidsgevoelig gebouw. Het IKC komt naast het bestaande tenniscomplex. Voor een tennisbaan met verlichting geldt een richtafstand van 30 meter in 'gemengd gebied'. Aan deze richtafstand wordt voldaan.
Daarnaast geldt dat de maatgevende gebruiksperiode van tennisbanen met name in de avondperiode en weekenden is, in een periode dat het IKC niet wordt gebruikt. Ten zuidwesten van het plangebied ligt een tankstation (geen LPG). De richtafstand bedraagt 10 meter in 'gemengd gebied'; hieraan wordt voldaan. Onderzoek geluid Op het maatgevende aspect (geluid) heeft de gemeente door Econsultancy een aanvullende onderzoek (zie bijlage 2) laten verrichten. Het onderzoek richt zich enerzijds op het zoveel mogelijk beperken van geluidhinder voor omliggende geluidsgevoelige objecten en anderzijds op het inzichtelijk maken van de akoestische situatie ter plaatse van de basisschool en het kinderdagverblijf als gevolg van de activiteiten van de tennisvereniging (TPV Raamsdonksveer). In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de realisatie van de basisschool, kinderdagverblijf en de sporthal voldoet aan de richtwaarden uit de VNG-publicatie en grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Op basis van de maximale invulling van de representatieve bedrijfssituatie gelden er geen akoestische belemmeringen. Als gevolg van de activiteiten van de naastgelegen tennisvereniging wordt de richtwaarde uit stap 2 voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van de VNG-publicatie overschreden. Het treffen van bronen overdrachtsmaatregelen is niet wenselijk.
Het werk- en leefklimaat wordt gegarandeerd door het treffen van voldoende gevelmaatregelen. Middels een onderzoek naar de geluidwering van de gevels wordt het binnenniveau gewaarborgd. De benodigde gevelwering dient minimaal 24 dB te bedragen. Hiermee wordt de tennisvereniging voldoende zekerheid geboden dat zij haar activiteiten binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
37/108
Conclusie Voor het IKC geldt dat er wordt voldaan aan de richtafstanden, gekeken naar de omliggende woningen en uitgaande van de gebiedstypering 'gemengd gebied'. Het nieuwe gebruik heeft daarnaast een lagere milieucategorie dan het nieuwe IKC. Het naastliggend tenniscomplex wordt niet belemmerd. Wel dient rekening gehouden te worden met een gevelwering van minimaal 24 dB.
4.6
Kabels en leidingen
Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.
Onderzoek en conclusie In het plangebied bevinden zich een planologisch relevante leidingen, namelijk een rioolleiding (zie figuur 4.3). Deze zal opgenomen worden in het plan en zal worden beschermd in de planregels. Bij de voorbereiding van de uitvoering van de beoogde ontwikkeling zal geborgd worden dat deze niet gestoord worden.
Figuur 4.3 Ligging rioolleiding 38/108
4.7
Externe veiligheid
Normstelling en beleid In de huidige wetgeving zijn de begrippen risicobron, (beperkt) kwetsbaar object, plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) van belang. Het plaatsgebonden risico (PR) is een maat voor de kans per jaar dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Het GR is de kans per jaar dat een groep personen van een bepaalde grootte tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) is van toepassing op het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar, bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het groepsrisico, maar wel geldt hiervoor een verantwoordingsplicht in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Vervoer van gevaarlijke stoffen Op het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet van toepassing; het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden.
39/108
Onderzoek
Figuur 4.4 Uitsnede risicokaart met het plangebied blauw omcirkeld Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen te vinden met een externe werking (figuur 4.4). Ook vindt er in de omgeving van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het spoor of het water. Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Ten oosten bevindt zich buisleiding A-531 in beheer van de Gasunie. Het gaat om een aardgasleiding met een grootte van 18 inch en een maximale werkdruk van 66 bar. Het bijbehorende invloedsgebied is 240 meter. De beoogde ontwikkelingen bevinden zich op minimaal 890 meter en vallen hiermee niet in het invloedsgebied. Een berekening of verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Ten westen van het plangebied bevindt zich de A27 op een afstand van circa 800 gemeten van de beoogde ontwikkelingen. De afstand tot de zuidelijke gelegen A59 bedraagt circa 470 meter. Over deze wegen vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied van de A27 en A59 wordt bepaald door stofcategorie LT2 en bedraagt 880 meter. De ontwikkeling bevindt zich in het invloedsgebied van beide wegen.
Omdat de afstand echter groter is dan 200 meter, hoeven volgens het Bevt geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er kan worden volstaan met een beknopte verantwoording waarin wordt ingegaan op de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. Ook uit de stroomschema van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant kan geconcludeerd worden dat er kan worden volstaan met een standaard verantwoording. Zo is het plan in een blauwe zone gelegen van een transportroute en geldt een beperkte verantwoording op basis van het Bevt.
40/108
Beknopte verantwoording De standaard verantwoording groepsrisico 2019 van de gemeente Geertruidenberg is in bijlage 12 toegevoegd. In deze standaard verantwoording is het advies van de veiligheidsregio verwerkt. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via Parklaan. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Raamsdonksveer. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen een school, kinderopvang en sporthal gerealiseerd worden. De kinderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen.
Bij deze groep wordt ervan uitgegaan dat zij ondersteunt zullen worden door de begeleiders bij een incident. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. Ook het personeel dient geïnformeerd te worden over de verschillende risico's bij een incident. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.
Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A27 en A59. In de beknopte verantwoording is op de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied ingegaan. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechteren en wordt als aanvaardbaar gezien. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
41/108
4.8
Ecologie
Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wnb en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke Habitats en Habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een ruimtelijk plan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling of voortoets de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en Habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij'-principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: Soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; Soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; Overige soorten.
42/108
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen, zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS-vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.
De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Biesbosch welke op circa 2,6 kilometer is gelegen. Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten.
Figuur 4.5 Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Brabant ten opzichte van het plangebied (rood omcirkeld)
43/108
Om stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden door emissies van de aanleg- en gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling uit te sluiten is hier een onderzoek voor uitgevoerd. De memo voor de gebruiksfase is opgenomen in bijlage 8. De bijbehorende AERIUS-berekening is opgenomen in bijlage 9. De memo voor de aanlegfase is opgenomen in bijlage 10. De bijbehorende AERIUS-berekening is opgenomen in bijlage 11. Voor het plan wordt alleen de gebruiksfase beschouwd omdat er op 1 juli 2021 nieuwe wetgeving in werking is getreden die aangeeft dat voor de aanlegfase een vrijstelling geldt. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat voor de gebruiksfase geen depositiebijdrage binnen Natura 2000-gebieden is berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot significante negatieve effecten. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming vereist. Soortenbescherming Voor de beoogde ontwikkeling is er een ecologische quickscan uitgevoerd, zie bijlage 6. Het doel van een ecologische quickscan is om inzicht te krijgen in de aanwezigheid van beschermde gebieden, beschermde soorten flora en fauna en beschermde houtopstanden. Tevens dient dit onderzoek om te toetsen of er bij een ruimtelijke ontwikkeling kans is op overtreding van de Wet Natuurbescherming.
Vaatplanten Tijdens het veldbezoek op 23 april 2021 zijn enkel algemeen voorkomende, ruderale soorten aangetroffen. Er is geen geschikt habitat voor beschermde vaatplanten aangetroffen tijdens het veldbezoek. Negatieve effecten van de voorgenomen ontwikkeling op beschermde vaatplanten kunnen hiermee worden uitgesloten. Vleermuizen Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat er open stootvoegen aanwezig zijn in de onderste bouwlaag van de reeds gesloopte sporthal. Op basis van deze quickscan valt niet uit te sluiten dat in de achtergelegen spouw verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Met behulp van een endoscooponderzoek kan onderzocht worden of er achter de open stootvoegen geschikte ruimtes aanwezig zijn voor vleermuisverblijfplaatsen. Dit onderzoek is uitgevoerd en toegevoegd in bijlage 7. Alle stootvoegen en andere openingen zijn onderzocht met behulp van een endoscoopcamera. Uit dit onderzoek blijkt dat er zich geen ruimtes achter deze openingen bevinden die een functie kunnen vervullen als vleermuisverblijfplaats. De ruimte achter de openingen is volledig geïsoleerd. Tussen de bakstenen van de buitenmuur en het isolatiemateriaal zit geen ruimte waar vleermuizen tussen kunnen kruipen. Er zijn daarnaast geen vleermuizen of sporen van vleermuizen waargenomen, die duiden op gebruik van de bebouwing door vleermuizen.
Er is geen aanvullend jaarrond onderzoek nodig naar vleermuizen en het is niet noodzakelijk om compenserende en/of mitigerende maatregelen te treffen ten aanzien van vleermuizen. Overige zoogdieren In het veld is voor de vastgestelde, niet vrijgestelde soorten, het ecologisch belang van het plangebied bepaald. Dit betreft de soorten Bever, Bunzing en Wezel. Alle waarnemingen van deze soorten zijn gedaan op meer dan een kilometer afstand van het projectgebied. Voor beschermde soorten zoogdieren ontbreekt geschikt habitat binnen het projectgebied of de invloedssfeer van de werkzaamheden. Negatieve effecten op beschermde overige zoogdieren kunnen op voorhand worden uitgesloten.
44/108
Vogels Tijdens het veldbezoek zijn de volgende soorten waargenomen binnen het projectgebied en de directe omgeving: Ekster, Houtduif, Kauw, Koolmees, Meerkoet, Merel, Turkse tortel, Waterhoen en Zwartkop. De meeste waarnemingen zijn gedaan in het Koningspark, ten noordoosten van het plangebied. Er zijn geen mogelijkheid voor nestlocaties van gebouwbewonende soorten in de aluminium constructie van de bovenste bouwlaag. Ook de onderste bouwlaag biedt geen mogelijkheden voor nestlocaties van vogels. Er zijn geen bomen aanwezig binnen het projectgebied. De werkzaamheden beperken zich tot de sloop van de huidige bebouwing. Negatieve effecten op beschermde vogels of jaarrond beschermde nesten kunnen hiermee worden uitgesloten. Reptielen en amfibieën Er is binnen het plangebied geen geschikt habitat aangetroffen voor de beschermde en verwachtte exoten Lettersierschildpad en Roodwangschildpad. Er zijn geen voortplantingswateren of geschikt landhabitat aanwezig. Ook voor algemene, vrijgestelde soorten ontbreekt geschikt habitat. Negatieve effecten op beschermde soorten reptielen en amfibieën kunnen hiermee worden uitgesloten. Insecten, vissen en houtopstanden Wegens het ontbreken van een diverse opgaande begroeiing en waterlopen of -partijen is er geen geschikt habitat aanwezig voor insecten en vissen.
Negatieve effecten op beschermde soorten insecten en vissen kunnen worden uitgesloten. Er is geen sprake van beschermde houtopstanden, omdat er geen bomenkap zal plaatsvinden binnen het plangebied. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.9
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Onderzoek Voor de beoogde ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 3. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het krijgen van inzicht in de huidige milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en daarmee vast te stellen of er sprake is van verontreinigde stoffen in de grond en/of het freatisch grondwater. Uit de verzamelde informatie binnen het vooronderzoek (inclusief de uitgevoerde terreininspectie) is de gehele onderzoekslocatie aangemerkt als een, voor bodemverontreiniging, onverdachte locatie. Voor het verkennend bodemonderzoek conform de NEN5740 is derhalve de volgende onderzoeksstrategie aangehouden: Onverdachte (niet-lijnvormige) locatie, (ONV-NL), met een oppervlakte tot maximaal 7.200 m2.
45/108
Uit de resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek blijkt het volgende: Grond: Uit het veldonderzoek blijkt dat de bodem op de gehele onderzoekslocatie tot ca. 2,0 m-mv deels bestaat uit zand en deels uit klei. In de bovengrond, en plaatselijk in de ondergrond, zijn bijmengingen met bodemvreemde bestanddelen (baksteen, puin, slakken en asfalt) waargenomen die kunnen duiden op een eventuele aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Aangezien het aannemelijk is dat het aangetroffen puin afkomstig is van de recente sloop en/of is aangebracht als werkweg (boring 007) tijdens de recente sloop van de sporthal is het puin als 'niet asbestverdacht' beschouwd. Een asbest in bodemonderzoek is hierom achterwegen gelaten. Analytisch zijn in de bovengrond enkel ter plaatse van de boringen met bijmengingen (met baksteen en puin) lichte tot matige verontreinigingen met zware metalen en PAK en een lichte verontreiniging met minerale olie aangetoond. Vanwege de matig verhoogde gehalten PAK en lood in mengmonster MM2 is dit mengmonster uitgesplitst en zijn de deelmonsters separaat geanalyseerd op PAK en lood. Uit deze uitsplitsing is gebleken dat ook de deelmonsters slechts licht tot matig verontreinigd zijn met PAK en lood. In de sterk asfalthoudende bovengrond ter plaatse van boring 013 (MM3) is een sterk verhoogd gehalte aan nikkel aangetoond.
Na heranalyses van deze bodemlaag is het resultaat echter niet reproduceerbaar gebleken en is slechts nog een matig verhoogd gehalte met nikkel aangetoond. In de bovengrond zonder zintuigelijke bijmengingen zijn geen verontreinigingen aangetoond. In de bovengrond zijn geen PFAS-concentraties boven de detectielimiet aangetoond. In de ondergrond (0,50-1,0 m-mv) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Op locatie is een depot gelegen welke indicatief is gekeurd middels 20 grepen. In het depot zijn lichte verontreinigingen met zware metalen, PAK en minerale olie aangetoond. De indicatieve bodemkwaliteitsklasse van deze partij betreft 'industrie'. Grondwater: Tijdens de bemonstering van het grondwater zijn geen bijzonderheden waargenomen die kunnen duiden op een eventuele aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Het grondwater is tijdens de bemonstering aangetroffen op 0,90 à 1,00 m-mv; Analytisch is in het grondwater ter plaatse van beide peilbuizen licht verontreinigd met barium en xylenen. Tijdens de grondwaterbemonstering is een (licht) verhoogd troebelgehalte gemeten (>10 NTU). Het lichte gehalte aan xylenen wat hier in het grondwater is aangetroffen kan hieraan te relateren zijn en derhalve overschat. De verontreiniging met barium is waarschijnlijk te relateren aan een (van nature aanwezige) verhoogde achtergrondwaarde.
Voor onderhavige locatie bestaat geen verdenking dat door menselijk handelen barium in de bodem terecht is gekomen. Daarnaast zijn in de grond geen noemenswaardige verhoogde gehalten aan barium aangetroffen. Conclusie De hypothese ‘onverdacht' wordt op basis van de aangetroffen verontreinigingen verworpen. Er zijn lichte/matige verontreinigingen met zware metalen, PAK en minerale olie aangetoond.
46/108
De aangetoonde verontreinigingen zijn enkel aangetoond in de bodemlagen waar ook bijmengingen met bodemvreemde materialen zijn aangetroffen en zijn vermoedelijk ook hieraan te relateren. Met het oog op de ontwikkeling van het terrein wordt er geadviseerd om bij, eventueel benodigd, grondverzet de zintuigelijk verontreinigde grond apart te ontgraven (en gescheiden af te voeren) van de zintuigelijk schone grond. Grondstromen van verschillende kwaliteit mogen namelijk niet worden (op)gemengd. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat ten aanzien van de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater geen belemmeringen aanwezig zijn voor de beoogde ontwikkelingen op de locatie. De onderzoeksresultaten (geen overschrijdingen van de interventiewaarden) geven geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek of sanerende maatregelen tijdens de ontwikkeling van het terrein. Asbestonderzoek Onderdeel van de ontwikkeling is het slopen van de sportschool. Voor de sportschool is een asbestonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 4. Tijdens de inventarisatie zijn er asbesthoudende en asbestverdachte toepassingen waargenomen. Uit oogpunt van een mogelijk gevaar voor de volksgezondheid is er geen aanleiding om de aangetroffen asbesthoudende materialen direct te laten verwijderen.
Deze materialen worden echter verwijderd in het kader van de sloop of renovatie van de bouwkundige eenheid. Conclusie De puinhoudende bovengrond blijkt op basis van onderhavig onderzoek niet asbesthoudend en vormt geen belemmering voor de toekomstige ontwikkeling en het toekomstig gebruik van het terrein. De loodconcentratie is over het gehele terrein, met een toekomstig gevoelig gebruik, bepaald. In geen enkel geval wordt de GGD-norm van 100 mg/kg ds overschreden. De loodconcentratie in de bodem vormt hiermee geen belemmering voor het toekomstig gebruik. De matige verontreinigingen met nikkel, lood en PAK zijn tijdens onderhavig onderzoek niet meer aangetoond. Er zijn slechts licht verhoogde gehalten met lood en nikkel aangetoond. Met onderhavig onderzoek is aangetoond dat geen geval van sterke bodemverontreiniging aanwezig is ter plaatse van de onderzoekslocatie. Op basis van de resultaten van onderhavig bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat ten aanzien van de milieuhygiënische kwaliteit van de grond geen belemmeringen aanwezig zijn voor de beoogde ontwikkelingen op de locatie.
4.10 Water Toetsingskader Waterbeheer en watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plan en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt.
47/108
Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer (waterkwantiteits en - kwaliteitsbeheer) in het projectgebied. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. In dit waterbeheerprogramma richt het waterschap die koers vooral op duurzaamheid en het beperken van de gevolgen van de klimaatverandering. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'Hydrologische uitgangspunten bij Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen, 2015'. Per maart 2021 zijn de regels rondom afkoppeling van verhard oppervlak aangescherpt. In de Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. De toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; c. De toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; d.
De toename van verhard oppervlak groter dan 500 m² tot en met 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale compensatie conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) De voorziening voldoet aan de volgende eisen: i. De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG); ii. De afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; iii. Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen. Toetsing Huidige situatie Het plangebied bestaat uit sportvelden, tennisbanen en enkele gebouwen. De locatie is momenteel compleet verhard, zie figuur 2.7. Bodem Omdat het plangebied in de bebouwde kom ligt, is het plangebied op de Bodemkaart van Nederland niet gekarteerd. Er is in de omgeving hoofdzakelijk sprake van lemig fijn zand en hoge zwarte enkeerdgronden. Voor verdere informatie over de bodemopbouw wordt verwezen naar het bodemonderzoek, bijgevoegd in bijlage 3.
48/108
Waterkwantiteit Ten zuiden van het plangebied is een B waterlopen gelegen. Deze watergang heeft geen keurzone. Voor werkzaamheden hierin dient een watervergunning aangevraagd te worden. Het plangebied is ook geen onderdeel van een waterwin- of grondwaterbeschermingsgebied. In figuur 4.6 is een uitsnede te zien van het plangebied in relatie tot de informatie beschikbaar via het waterschap Brabantse Delta.
Figuur 4.6 Uitsnede Legger met plangebied rood omkaderd (bron: Waterschap Brabantse Delta) Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het projectgebied. Veiligheid en waterkeringen Ten zuiden van het plangebied is er sprake van een waterkering met bijbehorende beschermingszones. Het plangebied bevindt zich niet in deze zones. Afvalwaterketen en riolering De bestaande gebouwen zijn aangesloten op het gemeentelijke gemengde rioolstelsel.
49/108
Toekomstige situatie Dit bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid tot het realiseren van een nieuw kindcentrum. Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de bodem. Waterkwantiteit Watercompensatie is vanuit het waterschap Brabantse Delta verplicht bij een planvoornemen met een toename in verharding van meer dan 500 m². Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling wordt de ondergrens van 500 m² niet overschreden. Watercompenserende maatregelen zijn derhalve vanuit het waterschap niet noodzakelijk. Waterveiligheid De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Watersysteemkwaliteit en ecologie Bij het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (o.a. lood en zacht PVC) kunnen deze stoffen zich ophopen in het water(bodem)systeem. Hierdoor kan het gebruik hiervan een zeer nadelige invloed hebben op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem worden milieuvriendelijke bouwmaterialen gebruikt, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Het afvalwaterdebiet mag niet voor overbelasting van de bestaande riolering zorgen. De extra aanvoer van vuilwater verhoogt de kans op water op straat en verhoogt de mate van verontreiniging van dat water.
Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: 1. hemelwater vasthouden voor benutting; 2. (in-) filtratie van afstromend hemelwater; 3. afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; 4. afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling is er geen sprake van een toename aan verharding van meer dan 500 m², watercompensatie is derhalve niet aan de orde. In en in de omgeving van het plangebied is een watergang gelegen. Voor werkzaamheden in de beschermingszone hiervan zal een watervergunning aangevraagd worden.
50/108
4.11 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Beleid en normstelling De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen met als uitgangspunt: 'de verstoorder betaalt'. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Toetsing Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Cultuurhistorie Toetsingskader De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed.
Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten. Toetsing De beoogde ontwikkeling heeft geen betrekking op beeldbepalende objecten of te beschermen cultureel erfgoed. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen betrekking op beeldbepalende objecten of te beschermen cultureel erfgoed. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
51/108
4.12 Geur Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In de Wet geurhinder en veehouderij zijn in artikel 3 grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object. De geurbelasting van een individuele veehouderij wordt 'voorgrondbelasting' genoemd. De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of geen concentratiegebied en binnen of buiten de bebouwde kom). Onderzoek De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De geurkaart 2022 van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is redelijk recent en geeft een indicatie van de leefkwaliteit. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de kaart rooskleuriger is dan de werkelijkheid. Uit de geurkaart 2022 blijkt dat de achtergrondbelasting binnen het plangebied wordt gekwalificeerd als 'zeer goed'. De dichtstbijzijnde veehouderijen zijn op voldoende afstand gelegen.
Tussen het plangebied en de veehouderijen zijn tevens momenteel al geurgevoelige objecten gelegen waardoor deze maatgevend zijn voor de veehouderijen.
Figuur 4.7 Achtergrondbelasting plangebied (Bron: ODZOB) Conclusie Het aspect geur staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Ter plaatse van het plangebied is een aanvaardbaar verblijfsklimaat.
52/108
4.13 M.e.r.-beoordeling Toetsingskader De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor de betreffende activiteiten die niet aan de drempelwaarden voldoen, dient het bevoegd gezag na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten.
Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. Het plangebied heeft een globale grootte van 7.500 m² , waarvan circa 1.800 m² wordt bestemd voor het schoolgebouw en omringend gebied t.b.v. parkeer-, groen-, plein- en speelvoorzieningen en blijft daarmee (ruim) onder de drempelwaarde. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Deze is opgenomen in bijlage 13.
53/108
54/108
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische plantoelichting
Inleiding
Het bestemmingsplan is te typeren als een gedetailleerd plan. De methodiek van het bestemmingsplan is gebaseerd op de SVBP2012. Waar dat noodzakelijk is, wordt afgeweken van de standaard en kan specifiek toegesneden worden op de feitelijke situatie in het onderhavige plangebied. Er is, volgens de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik.
5.2
Verbeelding
In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen omdat de manier van raadplegen verschillend is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.
5.3
Opbouw van de regels
De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, in bestemmingsregels, in algemene regels en in overgangs- en slotregels. De inleidende regels bestaan uit begrippen en de wijze van meten, teneinde te voorkomen dat discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In Artikel 1 Begrippen geeft een omschrijving van in de regels gehanteerde begrippen. Als in de regels gebruikte begrippen niet in dit artikel voorkomen, dan geldt de uitleg/interpretatie conform het normale taalgebruik. In "Artikel 2 Wijze van meten" worden de te gebruiken meetmethodes vastgelegd. De "anti-dubbeltelregel" is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De "algemene bouwregels" bevatten een regeling voor bestaande maten en afmetingen opgenomen, die voor alle bestemmingen van toepassing is. De "algemene gebruiksregels" bevatten de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan. In de "algemene afwijkingsregels" wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan.
De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. 55/108
In de "overige regels" is bepaald dat bij het bouwen of het wijzigen van het bestaande gebruik voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid, waarbij getoetst wordt aan de beleidsregels Op basis van het "overgangsrecht" mogen bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet. De "Slotregel" geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
5.4
Bestemmingen
In dit bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor: 5.4.1 Maatschappelijk Het bestemmingsplan kent de enkelbestemming 'maatschappelijk', zoals vervat in artikel 3, op basis waarvan de gronden bestemd zijn voor een schoolgebouw al dan niet in combinatie met andere activiteit die vallen binnen deze bestemming. Deze gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen zoals onderwijs en kinderdagverblijf met de daarbij ondergeschikte evenementen, tuinen, erven en verhardingen, parkeervoorzieningen, en groenvoorzieningen. Hierbij behorend zijn wegen, straten, paden en overige verhardingen, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De bouwregels en de omschrijving van strijdig gebruik completeren het betreffende artikel 3. Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn bouwregels opgenomen. 5.4.2 Verkeer Deze gronden zijn bestemd voor voorzieningen voor verkeer en verblijf, (ondergrondse) afvalcontainers, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, evenementen en terrassen, en voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn bouwregels opgenomen. 5.4.3 Waarde - Archeologie 4 Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (verwachte) archeologische waarden.
Het gaat hier om (middel)hoge archeologische (verwachtings)waarden. Bouwen is toegestaan indien voor aanvullend of definitief archeologisch onderzoek (opgraven) noodzakelijk, en voor de andere op die gronden voorkomende bestemming(en), mits het bepaalde omtrent de omgevingsvergunning voor uitvoeren van werkzaamheden, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden in acht is genomen. Ter bescherming van de archeologische waarden is de mogelijkheid van een omgevingsvergunning voor uitvoeren van werkzaamheden, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden opgenomen voor bodemverstoringen dieper dan 50 cm met een oppervlakte van meer dan 100 m². Het bevoegd gezag is bevoegd deze bestemming te wijzigen of geheel of gedeeltelijk te verwijderen.
56/108
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
6.1.1 Kostenverhaal De gronden zijn in eigendom van de gemeente. De gemeenteraad heeft algemene middelen beschikbaar gesteld om de school te realiseren. Hierdoor is het kostenverhaal anderszins verzekerd. Het afsluiten van een anterieure overeenkomst is derhalve niet noodzakelijk.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1 Vooroverleg In het kader van het vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is overleg gevoerd met diverse instanties. Het voorontwerpbestemmingsplan is in dat verband toegestuurd aan de betreffende instanties waaronder het waterschap Brabantse Delta. De overlegreacties die de gemeente naar aanleiding daarvan heeft ontvangen, zijn behandeld en beantwoord met een positief advies als gevolg. Waar benodigd is de inhoud van het bestemmingsplan bijgesteld of aangevuld. 6.2.2 Inspraak Het voorontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 23 maart tot en met 3 mei ter inzage gelegen. Tijdens deze inspraakronde zijn geen reacties op het bestemmingsplan ontvangen. Het bestemmingsplan is niet aangepast naar aanleiding van de inspraak.
6.2.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken heeft van 22 juni 2023 tot 4 augustus 2023 ter visie gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen binnengekomen. Er is één ambtshalve wijziging, deze wijziging heeft betrekking op de begrenzing van het bestemmingsplan. Met de vergunningverlening van de sporthal is de begrenzing van de percelen definitief. Dit leidt er toe dat de begrenzing van het bestemmingsplan dienovereenkomstig aangepast dient te worden. Dit heeft geen gevolgen voor de omgeving van het plangebied. Het gebied krijgt daarmee de bestemming Maatschappelijk. Deze bestemming past bij het toekomstig gebruik als speelplaats van het kindcentrum.
57/108
58/108
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
Bijlage 1 Memo akoestisch onderzoek
MEMO Aan:
t.a.v.: Kenmerk: Titel: Opgesteld: Datum:
Rho Adviseurs Druifstreek 72-c 8911 LH Leeuwarden dhr. R. Koster 0006-R-23-B Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai nieuwbouw school te Raamsdonksveer ing. Aljan Gal 6 februari 2023
Inleiding In opdracht van Rho Adviseurs is door GeluidMeesters BV een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd voor een ruimtelijke procedure. Aanleiding is het voornemen tot het realiseren van een nieuw schoolgebouw aan de Parklaan in Raamsdonksveer. Het betreft de locatie van de reeds geamoveerde sporthal. De ontwikkelingslocatie is gelegen binnen de wettelijke geluidzone van 200 meter van de Parklaan. In voorliggende memo is onderzocht of ter plaatse van het te realiseren schoolgebouw kan worden voldaan aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. De wettelijke geluidzone van de zuidelijk gelegen Eendrachtsweg en de oostelijk gelegen Wilhelminalaan en Oosterhoutseweg bedraagt 200 meter en stekt zich niet uit over het plangebied. Deze wegen zijn dan ook niet nader beschouwd. Op de overige omliggende wegen, zoals de Vijfhoevenlaan en de Koningstraat geldt een snelheidsregime van 30 km/uur. Voor wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur zijn in de Wet geluidhinder geen grenswaarden opgenomen. Omdat deze wegen op grotere afstand zijn gelegen, een snelheidsregime van 30 km/uur hebben, en een lagere verkeersintensiteit dan op de aan het plangebied grenzende Parklaan zijn de 30 km/uur wegen vanuit akoestisch oogpunt akoestisch niet relevant en niet nader beschouwd.
De berekeningen zijn uitgevoerd met standaard rekenmethode II overeenkomstig het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Afbeelding 1: situatie
Toetsingskader Ten aanzien van wegverkeer is de Wet geluidhinder van toepassing binnen geluidzones langs zoneringsplichtige wegen. Elke weg is zoneringsplichtig in de zin van de Wet geluidhinder, uitgezonderd (art. 74 lid 2) wanneer de weg: 1. is gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied, of 2. waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt. Afbeelding 2: aanduiding woonerf / aanduiding 30 km/uur zone
De breedte van een geluidzone langs een weg is gedefinieerd in art. 74 lid 1 Wet geluidhinder. Een weg heeft een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg. De volgende zonebreedtes dienen in acht te worden genomen: in stedelijk gebied: − voor een weg, bestaande uit één of twee rijstroken of één of twee sporen: 200 meter; − voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken of drie of meer sporen: 350 meter; Voor de in onderhavig onderzoek betrokken weg is de in tabel 1 opgenomen zonebreedte van toepassing. Tabel 1: zonebreedte relevante wegen Wegvak (ter hoogte van ontwikkelingslocatie) Parklaan (50 km/uur)
Aantal rijstroken ≤2
Breedte van de geluidzone buiten de weg zelf [meter] Stedelijk gebied Buitenstedelijk gebied 200 meter
n.v.t.
Een schoolgebouw wordt in de Wet geluidhinder aangemerkt als “ander geluidsgevoelig gebouw” waardoor eisen aan de gevelbelasting worden gesteld. Voor een schoolgebouw kan worden overwogen om bij de beoordeling aansluiting te zoeken bij de openingstijden (bijvoorbeeld alleen dagperiode) van de school. Om geen beperking op te leggen bij verandering in toekomstig gebruik is daar in dit onderzoek geen gebruik van gemaakt. De wettelijke grenswaarden voor andere geluidgevoelige gebouwen is vastgelegd in artikel 3.1 van het Besluit geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde voor de gevelbelasting bedraagt 48 dB Lden. Indien aan deze waarde wordt voldaan zijn er geen akoestische belemmeringen. Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Is dit niet mogelijk en/of niet realistisch dan kan een verzoek tot hogere waarde worden gedaan. De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting is gereguleerd in artikel 3.2 van het Besluit geluidhinder en bedraagt 63 dB Lden voor andere geluidgevoelige gebouwen in stedelijk gebied. Titel: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai nieuwbouw school te Raamsdonksveer Kenmerk: 0006-R-23-B Versie: 1
Bladzijde 2
Bij de beoordeling van geluid afkomstig van wegen mag rekening worden gehouden met het in de toekomst stiller worden van verkeer. Dit is opgenomen in artikel 110g van de Wet geluidhinder. In artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (RMG) is de toe te passen aftrek verder ingevuld. Deze reductie bedraagt 2 tot 4 dB bij wegen met een rijsnelheid van 70 km/uur en hoger en 5 dB bij wegen met een rijsnelheid van lager dan 70 km/uur. In tabel 2 is de van toepassing zijnde normering en aftrek samengevat. Tabel 2: normering en reductie Wegvak Parklaan (50 km/uur)
Aftrek (artikel 110g Wgh.)
Voorkeursgrenswaarde
Maximale ontheffingswaarde
5 dB
48 dB Lden
63 dB Lden
Uitgangspunten Door de opdrachtgever is de verbeelding verstrekt met het bouwplan. Het betreft de tekening “Bestemmingsplan verbeelding_20220478-A3+bouwplan” van 13-12-2022. De tekening is in voorliggend onderzoek als uitgangspunt gehanteerd. In bijlage 1 is de verbeelding opgenomen. De berekeningen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer zijn uitgevoerd overeenkomstig het Reken- en meetvoorschrift Geluid 2012. Gelet op de situering is Standaardrekenmethode II toegepast met behulp van het 3d- computerrekenmodel. In de overdrachtsberekening zijn de van invloed zijnde factoren zoals geometrische uitbreiding, wegdekcorrectie, reflectie, bodemdemping en dergelijke in rekening gebracht. De relevante hoogtes van gebouwen (woningen, kantoren etc.) in de directe omgeving zijn vastgesteld op basis van openbaar raadpleegbaar kaart-/fotomateriaal. Op de grenzen van het bouwplan zijn beoordelingspunten gemodelleerd. In het bestemmingsplan is een maximale bouwhoogte van 11 meter opgenomen. In voorliggend onderzoek is ervan uitgegaan dat, binnen deze 11 meter hoogte, sprake kan zijn van drie bouwlagen. De beoordelingspunten zijn daarom gemodelleerd op 1,5; 5,0 en 8,0 meter boven plaatselijk maaiveld. Op de Parklaan is, circa 75 meter ten noorden van het plangebied, een verkeersdrempel aanwezig.
In het rekenmodel is daarvoor een obstakel ingevoerd zodat er met een optrekcorrectie is gerekend. Voor de toetsing aan de wettelijke normen dient te worden uitgegaan van de toekomstige situatie. Hieronder wordt verstaan de situatie minimaal 10 jaar na realisatie. In dit onderzoek is uitgegaan van het jaar 2035. De verkeersgegevens zijn opgevraagd bij, en verstrekt door, BrabantBrede ModelAanpak (BBMA). De verstrekte gegevens betreffen een prognose voor het jaar 2030 en 2040. Uit analyse van de gegevens blijkt dat de intensiteiten tussen 2030 en 2040 met totaal circa 1% afnemen. Om geen onderschatting te maken is in dit onderzoek de intensiteit van het jaar 2030 aangehouden. Het plan genereert extra verkeer op de omliggende wegen. Door Rho Adviseurs is in het bestemmingsplan aangegeven dat de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling in totaal zorgen voor een verkeerstoename van 536,7 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Dit bedraagt op een gemiddelde weekdag (536,7*0,9=) 483 mvt/etmaal. De factor 0,9 is overgenomen uit de Crow publicatie Verkeersgeneratie woon- en werkgebieden. Titel: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai nieuwbouw school te Raamsdonksveer Kenmerk: 0006-R-23-B Versie: 1
Bladzijde 3
Over de verkeersafwikkeling is aangegeven dat 70% (338 mvt/etmaal) van het gemotoriseerde verkeer ontsloten wordt over de Parklaan in noordelijke richting, terwijl de resterende 30% (145 mvt/etmaal) via de Parklaan en de Landonk in zuidelijke richting wordt afgewikkeld. In de tabel 3 zijn de gehanteerde intensiteiten, voertuigverdeling en uurintensiteit opgenomen. Tabel 3: gehanteerde verkeersgegevens (weekdag gemiddelden) Weg EtmaalUurintensiteit Lichte mvt intensiteit [%] [%]
Parklaan - noordelijke richting - zuidelijke richting
Middelzw. Mvt [%]
Zware mvt [%]
prognose jaar 2035
d
n
d
a
n
d
a
n
1.571 + 338 1.571 + 145
6,73 3,46 0,68 99,6 99,8 99,6 6,73 3,46 0,68 99,6 99,8 99,6
0,3 0,3
0,2 0,2
0,3 0,3
0,1 0,1
0,1 0,1
0,1 0,1
a
n
d
A
De wegdekverharding op de Parklaan bestaat uit een elementenverharding (W9a). De gedetailleerde informatie van het rekenmodel is opgenomen in de bijlagen.
Resultaten In afbeelding 3 is de geluidbelasting (inclusief aftrek art. 110g Wgh) als gevolg van het verkeer op de Parklaan inzichtelijk gemaakt. Voor een meer gedetailleerd overzicht wordt kortheidshalve verwezen naar de bijlagen. Afbeelding 3: geluidbelasting Parklaan (incl. aftr. art. 110g Wgh.)
\
Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting ten hoogste 56 dB L den bedraagt als gevolg van het verkeer op de Parklaan. Daarmee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB L den uit de Wet geluidhinder overschreden. Wel wordt ruimschoots voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB Lden.
Titel: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai nieuwbouw school te Raamsdonksveer Kenmerk: 0006-R-23-B Versie: 1
Bladzijde 4
Maatregelen In de Wet geluidhinder en het “Beleid hogere waarden Wet geluidhinder” van de gemeente Geertruidenberg is een onderzoeksplicht opgenomen naar maatregelen die kunnen leiden tot een situatie waarbij de voorkeursgrenswaarde niet overschreden wordt. Bij het treffen van maatregelen wordt daarnaast een voorkeursvolgorde genoemd voor het beheersen van geluidhinder: eerst bronmaatregelen, dan maatregelen in het overdrachtsgebied tussen bron en ontvanger en dan pas maatregelen bij het object dat de geluidbelasting ondervindt. Onderstaand wordt ingegaan op de verschillende maatregelen: Bronmaatregelen - De huidige wegdekverharding op de Parklaan bestaat uit straatstenen (elementen). Overwogen kan worden dit te vervangen door asfalt. Met geluidreducerend asfalt (bv. dunne deklaag B) kan in onderhavige situatie een reductie worden behaald van 6 dB. Dit is onvoldoende effect om de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde te reduceren. De kosten voor het vervangen van de wegdekverharding staan niet in verhouding tot de mogelijk extra kosten voor benodigde gevelisolatie. Daarnaast zal het toepassen van een reducerend type asfalt, gelet op de vele aansluitingen op de Parklaan, extra onderhoudskosten door wringing van het asfalt tot gevolg hebben. -