Bijlage 4 Toelichting met bijlagen
Tekst van het document
Zeer waarschijnlijk zal dit ook niet aan de orde zijn.” De Omgevingsdienst Midden- en West Brabant heeft het uitgevoerde bodemonderzoek beoordeeld. Alvorens zij met het onderzoek in kunnen stemmen zien zij graag de navolgende aanvullingen: 1. Een nader bodemonderzoek naar de matige koperverontreiniging bij boringen 24 en 25 op perceel 2771; 2. Verduidelijken in de rapportage om welke puinhoudende grond men het in de rapportage heeft en in verband hiermee een asbest-in-grondonderzoek conform de NEN 5707 en protocol 2018 uit te voeren; 3. Het analyseren van bodemmonsters op alle parameters uit het standaardpakket bodem: 3a. het onderzoeken van de puinlaag, waarbij ook onderzoek gedaan moet worden naar het gehalte aan asbest. 3b. Het onderzoeken van het grondwater en nagaan wanneer de baggerspecie is opgebracht. 4. Grondwateronderzoek van de boringen 31 en 32 op perceel 2602 uitvoeren; 5. Inzichtelijk maken van de omvang van de verontreiniging met minerale olie in de bodem (grond en/of grondwater); 6. Inzichtelijk maken wanneer de olieverontreiniging is ontstaan; 7. Inzichtelijk maken waar het puinpad op de percelen 2604 en/of 1838 is gelegen. Hier moet asbest in puinonderzoek conform de NEN 5897 uitgevoerd worden; 8. Bodemonderzoek naar de kwaliteit van het asfalt en het puin onder het asfalt op perceel 2602 en 2773 uitvoeren als het asfalt en/of het puin geroerd wordt.
Het onderzoeksbureau heeft aangegeven deze aanvullingen te doen. Tegelijkertijd geven zij aan dat het algehele beeld van de bodemsituatie ter plaatse niet grootschalig zal wijzigen. Om er zorg voor te dragen dat e.e.a. wordt uitgevoerd zijn in de regels van dit bestemmingsplan hiervoor in verband met het bouwen en gebruiken twee voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Conclusie met betrekking tot het initiatief
23
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Bodem vormt – mits de aanbevelingen die door het onderzoeksbureau van het verkennend bodemonderzoek zijn gedaan worden uitgevoerd alsook gevolg wordt gegeven aan de beoordeling van de OMWB - geen belemmering voor het initiatief. De initiatiefnemer heeft ten aanzien van de aanbevelingen advies ingewonnen m.b.t. de kosten die dit met zich meebrengt en heeft geconcludeerd dat de haalbaarheid van het project hierdoor niet onder druk komt te staan. 4.2 Geluid Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een 'geluidgevoelig object', zoals een woning, wordt gerealiseerd moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Deze toetsing geldt ook indien een nieuwe geluidsbron wordt gerealiseerd. De Wet geluidhinder bepaalt hoe omgegaan moet worden met geluidhinder door wegverkeer, industrie en treinen. In de Wet geluidhinder is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een zone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, moet onderzoek gedaan worden naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Als een nieuwe geluidsbron mogelijk wordt gemaakt, moet gemotiveerd worden dat deze geluidsbron niet teveel geluidbelasting op gevoelige objecten veroorzaakt. Het initiatief betreft geen geluidsgevoelig object. Het initiatief maakt wel een nieuwe geluidsbron mogelijk.
Aangetoond moet dan ook worden dat de geluidsbron geen negatief effect heeft op het woon- en leefklimaat van nabijgelegen geluidgevoelige objecten. In paragraaf 4.4 Bedrijven en milieuzonering van deze toelichting is ingegaan op het aspect industrielawaai. Hieruit blijkt dat – mits een geluidwerende voorziening op een deel van de zuidelijke plangrens van 62 meter lengte en circa 5 meter hoogte (2 meter boven de hoogste geluidsbron) wordt gerealiseerd - het aspect industrielawaai afkomstig van de nieuwe geluidsbron het woon- en leefklimaat ter hoogte van deze objecten niet aantast, andersom betekent dit dat de geluidsgevoelige objecten de bedrijfsvoering van de nieuwe bedrijvigheid niet in de weg staat. Een en ander is nader gemotiveerd in paragraaf 4.4 Bedrijven en milieuzonering van deze toelichting. Conclusie met betrekking tot het initiatief Geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen of andersom voor omliggende gevoelige functies, mits conform de uitgangspunten van het onderzoek naar industrielawaai (bijlage 2 bij deze toelichting) in het plangebied een geluidwerende voorziening wordt gerealiseerd. Om dit te borgen is hiervoor in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. 4.3 Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit.
Daarin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: •
een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit
•
ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven
•
een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van desbetreffende stoffen in de buitenlucht
•
een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit)
De uitwerking van het begrip 'niet in betekende mate' staat in het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen
24
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
(luchtkwaliteitseisen)'. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als 'niet in betekenende mate' worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gericht op mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). In het besluit is geregeld dat wanneer een gevoelige bestemming binnen een onderzoekszone van een rijks- of provinciale weg wordt gevestigd of uitgebreid, een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gevoelige bestemmingen zijn functies waarbinnen kinderen, ouderen en zieken verblijven, zoals scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Een woning of ziekenhuis is geen gevoelige bestemming conform het besluit. De onderzoekszone van een rijksweg betreft 300 meter aan beide zijden van de weg, gemeten vanaf de rand van de weg. Voor een provinciale weg geldt hetzelfde, maar dan een zone van 50 meter. Goede ruimtelijke ordening Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. Beoordeling initiatief Het initiatief maakt geen nieuwe gevoelige bestemming zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteit) mogelijk. Om te beoordelen in hoeverre het initiatief voldoet aan de Wet luchtkwaliteit is door Van Empel Milieuadvies een onderzoek een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 9) en kent de navolgende conclusie. “Binnen de locatie is rekening houden met diverse activiteiten welke passen bij milieucategorie 4.2 met emissies van NOx en PM10. Na het bepalen van deze emissies is de invloed van de activiteiten op de omgeving bepaald. In het kader van luchtkwaliteit wordt voldaan aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.
De belasting blijft ruim onder de norm voor de jaargemiddelde concentratie van 40 μg/m3. De jaargemiddelde concentratie NO2 is ten hoogste 28,20 μg/m3. De jaargemiddelde concentratie PM10 is ten hoogste 15,55 μg/m3. Het maximale aantal overschrijdingsdagen blijft eveneens onder de gestelde normen. De uitstoot van NO2 blijft met 1 overschrijdingsdag ruim onder de norm van 18 dagen. Voor PM10 zijn 6 overschrijdingsdagen berekend, ruim onder de norm van 35 dagen. Hiermee kan geconcludeerd worden dat sprake zal zijn van een aanvaardbaar luchtkwaliteit.” Verder geldt dat de luchtkwaliteit op dit moment in en rondom het plangebied voor NO2 (40µg/m³) en PM10 (20µg/m³) ver beneden de maximale grenswaarden blijven. Zie de afbeelding hieronder waarop het dichtstbijzijnde meetpunt met een rode cirkel is omlijnd, waarvoor de waarden zoals in onderstaande tabel zijn opgenomen gelden.
25
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Stof
Grenswaarde
Feitelijke waarde
NO2
40 µg/m³
15,6007 µg/m³
PM10
20 µg/m³
17,2886 µg/m³
Conclusie met betrekking tot het initiatief Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. 4.4 Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals een woning, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genomen. In de VNGpublicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is. De VNG maakt in de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ onderscheid tussen de omgevingstypen 'Rustige woonwijk / rustig buitengebied' en 'Gemengd gebied'. Bij het eerste type is duidelijk sprake van functiescheiding. Bij het tweede is sprake van functiemenging en komen direct naast woningen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven.
Volgens de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ behoren gebieden, die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, eveneens tot omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de hogere milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. In de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ is aangegeven dat wanneer er sprake is van een 'gemengd gebied', de richtafstand met één afstandsstap mag worden verminderd. Dat wil zeggen dat een oorspronkelijke richtafstand van 30 meter wordt verminderd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verminderd naar 0 meter.
26
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Beoordeling initiatief Het planvoornemen bestaat uit de toevoeging van meerdere hectaren bedrijventerrein. Het gaat hier om het mogelijk maken van milieubelastende activiteiten/ inrichting, waardoor getoetst moet worden of deze functietoevoeging geen onaanvaardbare hinder veroorzaakt voor omliggende gevoelige objecten. Hiervoor heeft Tritium Advies een notitie opgesteld, op basis waarvan hetgeen hieronder is opgenomen is gebaseerd. De notitie is bijgevoegd als bijlage 3 bij deze toelichting. De beoogde bedrijfsactiviteiten in het plangebied hebben maximaal milieucategorie 4.2. Het plangebied is gelegen op/nabij een bedrijventerrein. Het bedrijventerrein ligt op redelijke afstand van meerdere gevoelige objecten (woonwijk). Op redelijke afstand, maar wel binnen het mogelijke invloedsgebied van het planvoornemen, zijn enkele bedrijfswoningen gelegen. Dit zijn gevoelige objecten voor andere inrichtingen/milieubelastende activiteiten, zoals onderhavige. Gelet op de matige tot sterke functiemenging vanwege de vele (verschillende typen) bedrijvigheid en de aanwezigheid van een woning kan gesteld worden dat sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Vanwege de milieucategorisering van de beoogde bedrijfsactiviteiten en het omgevingstype ‘gemengd gebied’ waarin het plangebied is gelegen, wordt een richtafstand van 200 meter tot omliggende gevoelige objecten/woningen geadviseerd.
In de navolgende tabel zijn de maatgevende gevoelige functies/woningen in de directe omgeving opgenomen op basis van de verschillende windrichtingen (tevens als zodanig aangeduid in figuur 2).
Uit voorgaande tabel blijkt dat de meeste gevoelige objecten (bedrijfswoningen) ruimschoots buiten de grootste richtafstand van 200 meter zijn gelegen. In totaal zijn er twee gevoelige objecten, te weten de bedrijfswoningen aan Heulweg 3 en Centralweg 13 te Geertruidenberg, welke binnen de grootste richtafstand van 200 meter zijn gelegen. Hierdoor kan niet zonder meer gesteld worden dat er ter plaatse van deze gevoelige objecten sprake is van een verantwoord woon- en leefklimaat. Gesteld kan worden dat de grootste richtafstand van 200 meter veelal is gebaseerd op het aspect ‘geluid’. Voor het aspect geluid is met die reden door Tritium Advies een onderzoek naar industrielawaai uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 4) en kent de navolgende conclusies: “Uit tussenresultaten blijkt dat zonder extra voorzieningen de geluidbelasting op de woning aan de Heulweg 3 de grenswaarde behorende bij stap 2 overschrijdt. Om de geluidbelasting voldoende te beperken dient een geluidscherm (s01) op de zuidelijke erfgrens te worden gerealiseerd conform figuur 3. Dit geluidscherm heeft aan de zuidzijde een lengte van 55 meter vanaf de hoek van de kavelgrens en aan de oostzijde een lengte van 7 meter. Deze positionering is op de afbeelding hieronder weergegeven.
27
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Dit geluidscherm dient een hoogte te hebben van 5 meter (bij uitgangspunt dat de hoogste geluidbron een bronhoogte heeft van 3 meter) en een massa van minimaal 20 kg/m2 en kierdicht te worden uitgevoerd. Mocht aannemelijk zijn dat de geluidbronnen hoger zijn dan 3 meter, dient er uit voorzorg een schermhoogte van 2 meter boven de hoogste geluidbron aangehouden te worden. Bij toepassing van het voornoemde geluidscherm blijkt uit de rekenresultaten dat de hoogst berekende etmaalwaarde 50 dB(A) bedraagt ter plaatse van de bestaande woningen. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde grenswaarde behorende bij stap 2 van het stappenplan uit de VNG-uitgave. Op de afbeelding hieronder zijn de posities van diverse maximale geluidbronnen weergegeven.
28
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Uit de berekeningen blijkt dat om nog aan stap 2 van het stappenplan te kunnen voldoen de geluidbronnen op positie pb-01 tot en met pb-04 een maximaal geluidvermogen mogen hebben van 125 dB(A) in de dagperiode, 120 dB(A) in de avondperiode en 115 dB(A) in de nachtperiode. Ter plaatse van positie pb-05 en pb-06 mogen de geluidbronnen een maximaal geluidvermogen hebben van 124 dB(A) in de dagperiode, 119 dB(A) in de avondperiode en 114 dB(A) in de nachtperiode. Ten slotte mogen ter plaatse van positie pb-07 de geluidbronnen een maximaal geluidvermogen hebben van 120 dB(A) in de dagperiode, 115 dB(A) in de avondperiode en 110 dB(A) in de nachtperiode. In een normale bedrijfssituatie van een milieucategorie 4.2 is dit een goed werkbare situatie en kan derhalve voldaan worden aan stap 2 van het stappenplan betreffende de maximale geluidniveaus.” Veel minder vaak komt het voor dat de aspecten ‘geur’, ‘stof’ of ‘gevaar’ de maatgevende aspecten zijn. Dit is slechts het geval bij een zeer beperkt aantal typen, vaak specialistische bedrijvigheid. Dergelijke bedrijvigheid is ter plaatse van Centraleweg 9 te Geertruidenberg niet beoogd en wordt dan ook niet rechtstreeks bestemd via de regels/verbeelding van dit bestemmingsplan (niet opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten).
Er zal zodoende slechts bedrijvigheid van (maximaal) milieucategorie 4.2 worden toegestaan, waarbij een maximale richtafstand van niet meer dan 100 meter voor de aspecten ‘geur’, ‘stof’ en ‘gevaar’ in ‘gemengd gebied’ geldt. Met inachtneming van een extra bufferzone van 5 meter tot aan de zuidelijke perceelsgrens van het plangebied (vanwege de afstand van 95 meter tot aan de dichtstbijzijnde woning aan de Heulweg 3). Hiermee kan alsnog worden voldaan aan de gestelde richtafstanden voor ‘geur’, ‘stof’ en ‘gevaar’. Conclusie met betrekking tot het initiatief
29
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Het plan vormt – mits de in het akoestisch onderzoek naar industrielawaai voorgestelde geluidwerende voorziening wordt gerealiseerd en doordat bedrijvigheid met een richtafstand die geldt voor ‘geur’, ‘stof’ en ‘gevaar’ in gemengd gebied niet wordt bestemd - geen belemmering voor omliggende gevoelige functies. Om dit te borgen is een voorwaardelijke verplichting voor de geluidwerende voorziening opgenomen in het juridisch bindende gedeelte van dit bestemmingsplan en is gezorgd voor een specifiek op onderhavige situatie toegespitste ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’ welke is gekoppeld aan de regels. 4.5 Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten is verbonden voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het veiligheidsbeleid in Nederland is gebaseerd op een tweetal begrippen, het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): •
Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute of nabij een inrichting verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer, de opslag en/of de handeling van gevaarlijke stoffen. Daarbij is de omvang van het risico een functie van de afstand waarbij geldt: hoe groter de afstand, des te kleiner het risico. De risico's worden weergegeven in PR risicocontouren.
•
Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van een transportroute of een inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde kan gezien worden als een streefwaarde en heeft geen juridische status. Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag wordt gemotiveerd.
Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (waaronder lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Om voldoende ruimte te scheppen tussen een risicobron en personen of objecten die risico lopen (kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Het beoordelingskader voor risicovolle inrichtingen wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), waarin de Basisnetten voor weg, spoor en water zijn vastgelegd. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Beoordeling initiatief Het planvoornemen (de ontwikkeling van 4,26 ha bedrijventerrein) is geen risicovolle inrichting, wel een beperkt kwetsbaar object (bedrijfsgebouw waarin geen grote aantallen personen gedurende de dag aanwezig zijn). Het gaat dus om de oprichting van een nieuw beperkt kwetsbaar object. Hieronder is een uitsnede van de risicokaart (www.risicokaart.nl) opgenomen, waarop de locatie met een blauwe cirkel is aangeduid.
30
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Transport over spoor en water Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een waterweg of spoorlijn. De risico’s als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen over water en spoor vormen geen aandachtspunt voor het planvoornemen. Transport over de weg Het plangebied is niet gelegen binnen een PR 10-6 -risicocontour of een plasbrandaandachtsgebied van nabijgelegen wegen waarover structureel gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De snelweg A59 is gelegen op circa 1.470 m. De snelweg A27 is gelegen op … m. Hiermee valt het plangebied binnen het invloedsgebied van deze snelwegen voor wat betreft het toxisch scenario. Voor het planvoornemen moet het groepsrisico worden verantwoord. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van de standaard verantwoording. Buisleidingen Het plangebied bevindt zich niet binnen of in de buurt van buisleidingen waar gevaarlijke stoffen mee getransporteerd worden. De risico’s voor het plangebied als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen derhalve geen aandachtspunt voor het planvoornemen. Inrichtingen In de omgeving van het plangebied komen de volgende risicovolle inrichtingen voor: - VARO Terminal Geertruidenberg, Centraleweg 42, Geertruidenberg; - Sibelco BV, Centraleweg 52, Geertruidenberg; - ELD BV, Zeilmakerijweg 1, Oosterhout.
VARO Terminal Geertruidenberg Het bedrijf VARO Terminal Geertruidenberg aan de Centraleweg 42 is aangemerkt als BEVI inrichting. Binnen deze inrichting zijn risicocontouren PR 10-6 gelegen rond de laad- en lospunten. Het plangebied ligt buiten deze plaatsgebonden risicocontouren van het bedrijf, maar wel binnen het invloedsgebied. Het groepsrisico moet worden berekend en verantwoord. N.a.v. de berekening dient de gemeente advies te vragen aan de Veiligheidsregio. Op basis van het te ontvangen advies van de veiligheidsregio en de groepsrisicoberekening dient het bevoegd gezag een verantwoording van het groepsrisico op te stellen (art 12 BEVI). Sibelco BV
31
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Op het adres Centraleweg 52 (Sibelco BV) is een propaantank aanwezig. De risicoafstand van de propaantank wordt geschat op 23 meter. De afstand tot aan het plangebied is circa 550 meter, waardoor het plangebied ruim buiten de risicoafstand van deze propaantank ligt. De aanwezigheid van de propaantank levert geen problemen op voor de planontwikkeling. ELD B.V. De inrichting voor groothandel in chemische grondstoffen en chemicaliën voor industriële toepassing is aangemerkt als BEVI inrichting. Deze inrichting is gevestigd aan de Zeilmakerijweg 1 in Oosterhout en ligt op een afstand van circa 3.000 meter van het plangebied. Het invloedsgebied kent een afstand van 3.625 meter. Het plangebied ligt hierbinnen, waardoor een verantwoording groepsrisico moet worden opgenomen. Verantwoording groepsrisico Het plangebied valt binnen het invloedsgebied van twee BEVI inrichtingen en de snelwegen A27 en A59. Voor de verantwoording van het groepsrisico in verband met de BEVI inrichting ELD B.V. en de transportroutes A27 en A59 wordt verwezen naar de Standaard Verantwoording Groepsrisico 2018 van de gemeente Geertruidenberg, welke is opgesteld door de Omgevingsdienst Midden- en WestBrabant. Zie hiervoor bijlage 5 bij deze toelichting. Conclusie met betrekking tot het initiatief Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.7 Geur De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot de veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld zijn. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van de geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet milieubeheer. Nieuwe knelpunten moeten worden voorkomen. In de Wet geurhinder een veehouderij zijn grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting die een veehouderijbedrijf op en geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning) mag veroorzaken. Tevens gelden volgens de wet minimale afstanden tot woningen van derden. De grenswaarden worden weergegeven in odour units per vierkante meter lucht (ouE/m3). Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de ligging van een veehouderijbedrijf binnen of buiten de concentratiegebieden en de ligging van de veehouderijbedrijven binnen of buiten de bebouwde kom. De gemeente Geertruidenberg heeft de 'Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Geertruidenberg' vastgesteld. Deze verordening is op 16 december 2010 vastgesteld en op 31 december 2010 in werking getreden.
De geurverordening heeft betrekking op het gehele grondgebied van de gemeente. Met de geurverordening zijn de wettelijk geldende afstanden van veehouderijen tot gevoelige objecten gehalveerd van 100 meter in de bebouwde kom naar 50 meter en voor het buitengebied van 50 meter naar 25 meter. Voor de gemeente zijn ook geurnormen vastgesteld i.v.m. dieren met geuremissiefactor. Deze wijken niet af van de algemeen geldende normen. In de afbeelding geurnormen zijn de normen opgenomen:
32
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
In de bebouwingslinten aan weerszijden van Raamsdonk geldt –evenals in het buitengebied- de wettelijke norm van 8 Ou/m3. Toetsing initiatief Het initiatief behelst een bestaand en nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk verblijf). Ter plaatse geldt een vaste in acht te nemen afstand van 50 meter tot aan veehouderijen met dieren met een vaste afstand en een geurnorm van 8 Ou/m3. Op de afbeelding hieronder afkomstig van www.brabantscan.nl van de GGD is de ligging van het plangebied meteen cirkel weergegeven. Veehouderijen in de omgeving zijn met gekleurde stippen aangeduid. De achtergrondbelasting ter plaatse is met de kleuren rood tot groen weergegeven.
Zichtbaar is dat in de nabijheid van het plangebied geen veehouderijen waarvoor een vaste afstand of geuremissiefactor zijn gelegen. De achtergrondbelasting in het plangebied is goed (0-1 OU/m3). Gezien deze resultaten is het niet nodig om de voorgrondbelasting te berekenen, het is aannemelijk dat in het plangebied geen sprake is van een overschrijding van de geurnorm van 8 Ou/m3. In het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
33
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Verder geldt dat veehouderijbedrijven door het planvoornemen niet in hun bedrijfsvoering worden geschaad, omdat tussen het plangebied en de omliggende veehouderijen andere geurgevoelige objecten zijn gelegen die voor die bedrijven maatgevend zijn. Conclusie met betrekking tot het initiatief Het aspect geur vormt geen belemmering voor het initiatief en andersom worden geurgevoelige objecten door het initiatief niet belemmerd. 4.8 Archeologie en cultuurhistorie 4.8.1 Archeologie Wettelijk en beleidsmatig kader De omgang met het archeologisch erfgoed is geregeld in de Erfgoedwet (2016). Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische resten. De Gemeente Geertruidenberg hanteert ten aanzien van archeologie de op 30 november 2017 door de raad vastgestelde Nota Archeologie. Met deze nota wordt het gemeentelijke archeologiebeleid geborgd. Toetsing initiatief Op basis van de gemeentelijke archeologische (verwachtings)waardenkaart blijkt dat voor het plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde geldt. Voor deze gebieden dient archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden bij MER-plichtige projecten, projecten vallend onder de Wro, de Wet Milieubeheer of de Tracewet en bij ontgrondingen met een planoppervlak van 5 hectare of meer.
Hierbij geldt dat er ook sprake moet zijn van een bodemverstoring dieper dan 50 cm onder het maaiveld. De cirkel op de afbeelding hieronder geeft globaal de ligging van het plangebied binnen de archeologische (verwachtings)waardenkaart weer.
34
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Het planvoornemen voorziet in de bouw van een nieuwe gebouwen met betrekking tot de bedrijfsvoering van Van der Pluijm. De exacte oppervlakte van de nieuwe bebouwing is nog niet bekend, maar deze blijft in ieder geval ruim onder de 5 hectare. Daarnaast worden geen bodemverstoringen dieper dan 50 cm onder maaiveld verwacht. Hiermee overschrijdt het planvoornemen de grenzen waarbij een archeologisch onderzoek noodzakelijk is niet. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is zodoende niet noodzakelijk. In de Nota Archeologie 2017 staat vermeld dat in nieuwe bestemmingsplannen archeologie juridisch wordt beschermd overeenkomstig het beleid in deze nota. Aanvullend hierop heeft de gemeente het parapluplan Archeologie vastgesteld waarmee het archeologische beleid voor het gehele grondgebied van de gemeente juridisch is verankerd. Ter hoogte van het plangebied geldt het parapluplan Archeologie, waarin de gronden de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 6’ hebben en deels de gebiedsaanduiding ‘overige zone – opgehoogde terreinen’. De Nota Archeologie 2017 is juist vertaald in het parapluplan Archeologie en met die reden doorvertaald in dit bestemmingsplan. Hierdoor is het aspect archeologie ook in dit bestemmingsplan juridisch gewaarborgd volgens de gemeentelijke systematiek.
Conclusie met betrekking tot het initiatief Het aspect archeologie vormt naar verwachting geen belemmering voor het initiatief, geen sprake zal daardoor zijn van verstoring van eventueel aanwezige archeologische waarden. Om te borgen dat dit daadwerkelijk het geval is in de regels en verbeelding van dit bestemmingsplan een dubbelbestemming (en gebiedsaanduiding) opgenomen om de eventueel in de bodem aanwezige archeologische waarden te beschermen. 4.8.2 Cultuurhistorie Nationaal staat het cultuurhistorisch beleid in het teken van het behoud en het beheer van de cultuurhistorische waarden. Op gelijke voet staat het streven naar het gebruik van het cultuurhistorisch erfgoed als inspiratiebron voor de ruimtelijke inrichting. Dit beleid geldt voor alle cultuurhistorische waarden, dat wil zeggen voor zowel archeologische als voor historischgeografische en historisch bouwkundige waarden. Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied. Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW 2010, herziening 2016) is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn.
Toetsing initiatief Hieronder is een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW 2010, herziening 2016) ter hoogte van het planvoornemen opgenomen. De ligging van het planvoornemen is globaal met een cirkel aangeduid.
35
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Op de CHW is af te lezen dat het plangebied ligt in de regio ‘Baronie’. De Baronie is onderdeel van het dekzandplateau dat doorsneden wordt door beken. Het zandlandschap bestaat uit een grofmazige mozaïek van oude en jonge zandontginningen en bossen. Kenmerkend voor de oude zandontginningen zijn dorpen en buurtschappen zonder open akkercomplexen en bijhorende groenstructuren. Op enkele plaatsen komen open akkercomplexen voor. De bebouwing en de akkers liggen vaak op de rand van de beekdalen, de graslanden (beemden) in het beekdal en de (voormalige) heidevelden op de hogere zandgronden. De jongere ontginningen hebben vaak een open karakter met een rationeel patroon van wegen, waterlopen en percelen. De openheid wordt onderbroken door erfbeplanting en wegbeplanting. Daarnaast komen ook meer besloten jonge zandontginningen voor, met bebouwing langs oude wegen, kleinschaligheid door de afwisseling van akkers en weiden met bosjes en losstaande bomen. Op de overgang van bos naar beekdal is een coulisselandschap ontstaan met transparante bomenrijen, gericht op de beek. De ontwikkelingsstrategie voor dit gebied is: 1. Behoud door ontwikkeling of versterking van de samenhang van de dragende structuren van de regio; 2. De cultuurhistorische waarden van de Baronie in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief ontsluiten.
Dit geldt in het bijzonder voor de cultuurhistorische landschappen; 3. Het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van de archeologische landschappen: “Beekdal van de Mark” en “Dekzandeiland Alphen-Baarle”. Met het planvoornemen vinden geen ontwikkelingen plaats welke in strijd zijn met de ontwikkelstrategieën behorende bij de Cultuurhistorische Waardenkaart. Het plangebied ligt niet binnen één van de dragende structuren van de regio en is niet aangewezen als cultuurhistorisch landschap. Op de CHW zijn ook de indicatieve Archeologische waarden (Erfgoedinformatie van het Rijk) af te lezen. Het plangebied valt niet binnen een overig cultuurhistorisch gebied. Naast het planvoornemen is wel een monument aangeduid. Het gaat hier om een begraafplaats. Het planvoornemen tast dit monument niet aan. Conclusie met betrekking tot het initiatief
36
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Het planvoornemen leidt niet tot aantasting van cultuurhistorische waarden. 4.9 Water 4.9.1 Inleiding Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de actuele waterhuishouding op de locatie. Daarnaast wordt vastgelegd aan welke watereisen de ontwikkeling moet voldoen. Ruimtelijke plannen worden onder meer getoetst aan "hydrologisch neutraal" ontwikkelen conform landelijk en lokaal waterbeleid. Met deze waterparagraaf – opgesteld door Tritium Advies, hieronder integraal overgenomen en bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 6) - wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c van het Besluit ruimtelijke ordening. 4.9.2 Nationaal waterbeleid Waterbeleid van de 21e eeuw In de afgelopen decennia heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het kabinet heeft in december 2000 voor het Waterbeleid 21e eeuw drie uitgangspunten opgesteld, te weten anticiperen in plaats van reageren, niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de drietrapsstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren en meer ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets.
Nieuwe plannen en projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Het Waterbeleid 21e eeuw richt zich primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd. Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en de mogelijke technische maatregelen die kunnen worden ingezet. De maatregelen kunnen worden ingedeeld in de voorkeursvolgorde van vasthouden, bergen en afvoeren. De doelstelling van deze maatregelen is een afvoer te realiseren die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer. Nationaal Water Programma 2022-2027 Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP), welke op 18 maart 2022 is vastgesteld. Dit doen de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gezamenlijk. In het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de Rijkswateren en -vaarwegen.
Dit staat in één programma waarmee de Rijksoverheid anticipeert op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de Rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij kijken we naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast laten we de raakvlakken zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat ons nu en in de toekomst te wachten staat. Gezien de kleinschaligheid van het initiatief en het gegeven dat het plangebied niet in de aangewezen gebieden van het Rijk zijn gelegen, zullen de rijksbelangen hieromtrent niet worden aangetast.
37
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Bovendien zijn de belangrijkste thema’s hieruit doorvertaald naar het provinciaal- en waterschapsbeleid, welke hierna worden behandeld. 4.9.2 Provinciaal beleid Regionaal water en Bodem Programma 2022-2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 van de provincie Noord-Brabant is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan en is op 22 december 2021 in werking treden. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De belangrijkste regels inzake het RWP zijn overgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Middels de themakaarten van deze verordening wordt inzicht gegeven in hoeverre er belangrijke waterhuishoudelijke thema’s op het plangebied van toepassing zijn.
Uit de uitsnede blijkt dat ter plaatse van het plangebied de volgende regels van toepassing zijn: 1. rechtstreeks werkende regels voor ‘Diep grondwaterlichaam’ 2. rechtstreeks werkende regels voor ‘Geen attentiezone waterhuishouding’ 3. instructieregels voor waterschappen voor ‘Aangewezen gebied voor peilbesluit’ 4. instructieregels voor waterschappen voor ‘Norm wateroverlast Stedelijk gebied’ Ad. 1: Ter plaatse geldt een verbod voor onconventionele koolwaterstofwinning vanwege een ‘Diep grondwaterlichaam’. Boven, in of onder een ‘Diep grondwaterlichaam’ is de onconventionele winning van koolwaterstoffen verboden. Dit is niet van toepassing op het beoogd initiatief. Ad. 2: Ter plaatse geldt een vrijstelling van een vergunningplicht ten behoeve van grondwateronttrekking. Een vergunning tot het onttrekken van grondwater ten behoeve van een bodemenergiesysteem, bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, Waterwet, is niet vereist voor een onttrekking gesitueerd in ‘Geen Attentiezone waterhuishouding’ als de te onttrekken hoeveelheid grondwater ten hoogste 10 m³ per uur bedraagt en de onttrekkingsput niet dieper is dan 30 meter minus maaiveld. Het is momenteel nog onduidelijk of er ter plaatse grondwateronttrekking plaats gaat vinden ten behoeve van bodemenergiesystemen.
38
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Ad. 3: Ter plaatse geldt een inspanningsverplichting voor het waterschap met betrekking tot het reguleren van de waterstanden van oppervlakte- en grondwateren overeenkomstig hetgeen is opgenomen in het peilbesluit. Het initiatief heeft hier geen invloed op. Ad. 4: Ter plaatse geldt een inspanningsverplichting voor het waterschap met betrekking tot een ‘Norm wateroverlast Stedelijk gebied’. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt binnen stedelijk gebied als norm een overstromingskans van 1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen en 1/10 per jaar voor overige gebieden. Het initiatief heeft hier geen invloed op. Het plangebied is voor het overige niet gelegen ter plaatse van een beschermd gebied inzake grondwater, drinkwater, boringen of andere beschermde gebieden inzake de waterhuishouding. Gezien voorgaande zijn er geen belangen vanuit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant in het geding met betrekking tot het thema ‘Water’. 4.9.2 Beleid waterschap Waterbeheerprogramma 2022 -2027 Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente Geertruidenberg en heeft hiertoe het Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 (WBP) vastgesteld.
In het WBP staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. In het WBP neemt het waterschap de volgende kerntaken als uitgangspunt: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Het waterschap kijkt bij het plannen en uitvoeren van die kerntaken zo integraal mogelijk naar alle wateropgaven: -
Klimaatadaptatie (aanpassen aan de klimaatverandering)
-
Waterveiligheid
-
Gezond water (schoon water)
-
Voldoende water
-
Vaarwegen
-
Waterketen
Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s c.q. speerpunten uit het waterbeheerplan en heeft het waterschap een verordening; de Keur en de Legger. Keur Waterschap Brabantse Delta 2015 De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015.
39
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
De ‘Keur Waterschap Brabantse Delta 2015’ bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater, die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van waterschap Brabantse Delta. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunningverlening. De keur van het waterschap is onder andere van toepassing wanneer direct of indirect wordt geloosd naar een oppervlaktelichaam. Beschermingszones en beschermde gebieden Zoals hiervoor aangegeven zijn in de keur diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en invloedsgebieden Natura-2000. Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied. Overeenkomstig de Keurkaart beschermde gebieden, zie de afbeelding hieronder, is het plangebied niet gelegen in of aangrenzend aan een beschermd gebied.
Overeenkomstig de Leggerkaart, zie de afbeelding hieronder, zijn er binnen en aangrenzend aan het plangebied diverse oppervlaktewateren gelegen welke voorzien zijn van een beschermingszone. Zo is er tussen de huidige bebouwing en de naastgelegen weilanden een categorie A-watergang gelegen en zijn er diverse categorie B-watergangen gelegen ter plaatse van het weiland zelf. Ook is het plangebied gedeeltelijk gelegen binnen de beschermingszone (A, maar met name B) van een primaire waterkering.
40
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Op basis van de Keur geldt een algemeen verbod om zonder vergunning van het waterschap oppervlaktewateren, waterkeringen en bijbehorende beschermingszones te gebruiken en daarin werken te plaatsen/uit te voeren, zoals voor het dempen van watergangen. Hierna volgen enkele voorbeelden. • Vergunning oppervlaktewaterlichamen en bijbehorende beschermingszones, ondersteunende kunstwerken en profiel van vrije ruimte Op basis van artikel 3.1 van de Keur is het verboden om zonder vergunning gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones of ondersteunende kunstwerken door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan, liggen of drijven. Ook is het verboden om zonder vergunning een oppervlaktewaterlichaam of ondersteunend kunstwerk aan te leggen. Daarnaast is het verboden om zonder vergunning in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden.
• Vergunning primaire en regionale waterkeringen en bijbehorende beschermingszone A en profiel van vrije ruimte Op basis van artikel 3.3 van de Keur is het verboden om zonder vergunning gebruik te maken van een primaire of regionale waterkering of bijbehorende beschermingszone A, met uitzondering van compartimenteringskeringen, door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Ook is het verboden om zonder vergunning in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden. • Vergunning beschermingszone B Op basis van artikel 3.5 is het verboden om zonder vergunning, gebruik te maken van beschermingszone B behorende bij primaire waterkeringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder bouwwerken te plaatsen, aan te passen of te verwijderen die een afdichtende bodemlaag doorsnijden, ontgravingen uit te voeren of ophogingen aan te brengen, seismische onderzoeken te verrichten, werken met een overdruk van 10 bar of meer te plaatsen en te hebben, explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen te hebben, leidingen te leggen.
• Verbod afvoer door verhard oppervlak Ook is het verboden om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen.
41
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Bepaald(e) gebruiken en werken zijn uitgezonderd van een vergunningsplicht, mits deze voldoen aan bepaalde voorwaarden. Deze zijn vastgelegd in de algemene regels behorende bij de Keur. Ook hanteert het waterschap beleidsregels om op eenduidige wijze te kunnen bepalen of en hoe een activiteit of handeling kan worden vergund indien er niet aan de algemene regels kan worden voldaan. Op dit moment is het nog onduidelijk welke ingrepen en gebruik er ter plaatse van de betreffende watergangen en beschermingszones plaats gaan vinden. Voor de volledigheid wordt verwezen naar de Keur, de algemene regels en beleidsregels, welke in acht dienen te worden genomen bij het ontwikkelen van het plangebied: https://www.brabantsedelta.nl/actuele-regelgeving. Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater Het waterschap stelt criteria vast waarin is opgenomen in welke gevallen versnelde afvoer van hemelwater door toename van verhard oppervlak van compenserende maatregelen moet worden voorzien. Daarmee wordt de toename van piekafvoeren op het oppervlaktewatersysteem beperkt. Het waterschap hecht er aan dat waterbelangen zo vroeg mogelijk in ruimtelijke plannen worden meegenomen.
Om dat te stimuleren is een vrijstelling verantwoord daar waar de (maatregelen in) waterparagrafen van bestemmingsplannen van na 1 januari 2019 zodanig concreet zijn dat ze getoetst kunnen worden aan de richtlijnen voor een waterhuishoudkundig plan (zoals benoemd in ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater’). Indien de compensatie voldoet aan deze criteria, is een vergunning niet noodzakelijk. In de keur is daarom opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen, tenzij: -
het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of;
-
de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of;
-
de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak.
-
de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (m³) = toename verhard oppervlak (m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06. Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: •
de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen;
•
de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben;
•
daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.
Dempen watergangen Voor wat betreft dempen van watergangen dient aangegeven te worden op welke manier en op welke plek de vermindering van het benodigde bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam wordt gecompenseerd. De compensatie moet bij voorkeur vooraf aan het dempen zijn uitgevoerd. Voor dempen in peilbesluitgebieden geldt dat demping 1:1 gecompenseerd dient te worden in hetzelfde peilgebied. Indien dit niet mogelijk is kan hier gemotiveerd van worden afgeweken en in andere gebieden worden aangelegd, in de volgende voorkeursvolgorde: 1. Compenseren in aangrenzend benedenstrooms peilgebied (met lager peil). 2. Compenseren in aangrenzend bovenstrooms peilgebied (met hoger peil), 3. Compenseren in hetzelfde bemalingsgebied.
42
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Met het afwijken van de hoofdregel (compenseren in hetzelfde gebied) wordt terughoudend omgegaan. Het uiteindelijke resultaat mag geen negatieve invloed hebben op de werking van het watersysteem. Uitzondering op de regel dat altijd gecompenseerd moet worden in peilbesluitgebieden, is als het uit oogpunt van verdrogingbestrijding gewenst is dat een watergang gedempt wordt. Er kan dan een vergunning worden verleend zonder dat compensatie van de waterberging noodzakelijk is. Daarnaast geldt voor de wijstgebieden dat compensatie van demping niet noodzakelijk is, indien demping niet leidt tot externe negatieve waterhuishoudkundige effecten. 4.9.3 Waterhuishouding plangebied In deze paragraaf worden de relevante waterhuishoudkundige systemen ter plaatse van het plangebied belicht welke van belang zijn voor de compensatieopgave en uitwerking daarvan. Hierbij is gebruik gemaakt van de beschikbare digitale gegevens, waaronder de kaarten van de Kaartbank van de provincie Noord-Brabant en bodemdata.nl. Eveneens zijn de verkennende bodemonderzoeken van bodemadviesbureau Bakker geraadpleegd (kenmerk BM/28107-2022 d.d. november 2022 en kenmerk BM/2934-2023 d.d. mei 2023).
Bodem en geohydrologie Op basis van de gegevens vanuit bodemdata.nl lijkt de bodem ter plaatse te zijn opgebouwd uit “kalkarme zeekleigronden zonder minerale eerdlaag en met meer dan 40 cm moerig materiaal beginnend tussen 40 en 80 cm. De bouwvoor bestaat uit zavel of lichte klei”. Uit de verkennende bodemonderzoeken blijkt dat de bodem ter plaatse bestaat uit zwakzandige sterk humeuze klei en dat er in de ondergrond sprake is van zowel kleiige, moerige als zandige bodemsoorten.
Uit de gegevens van de Kaartbank van de provincie Noord-Brabant en de Algemene Hoogtekaart Nederland blijkt dat het maaiveld ter plaatse erg varieert, van circa 1,20 m +NAP tot 2,50 m +NAP ter hoogte van het bestaande bouwperceel en circa 0,10 m +NAP tot 0,20 m -NAP ter hoogte van de achtergelegen weilanden.
43
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Uit de gegevens van de Kaartbank van de provincie Noord-Brabant en de GHG-kaart is te herleiden dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand ten opzichte van het maaiveld erg varieert, van circa 0,4 à 1,4 meter boven het huidige maaiveld. Uit de verkennende bodemonderzoeken blijkt dat het grondwaterniveau bij de datum van peiling eveneens erg varieerde ten opzichte van het maaiveldniveau (28 oktober 2022: 0,4 m -mv ter plaatse van weiland tot 1,9 m-mv ter plaatse van bestaande bouwlocatie, 11 april 2023: 0,45 m -mv ter plaatse van weiland).
Uit de gegevens van de Kaartbank van de provincie Noord-Brabant en de kwelkaart is te herleiden dat er ter plaatse meestal kwel van grondwater plaatsvindt.
44
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Oppervlaktewater Ter plaatse of aangrenzend aan het plangebied zijn diverse oppervlaktewateren gelegen, waaronder de categorie A- en B-watergangen zoals vastgelegd in de Legger (zie Leggerkaart vorig hoofdstuk). Alle oppervlaktewateren zijn weergegeven in de navolgende afbeelding.
Riolering Ter plaatse van de Centraleweg is voor afvalwater een drukriolering aanwezig. Hierop mag geen hemelwater worden geloosd. De bestaande bedrijfslocatie aan de Centraleweg 9 te Geertruidenberg is in de vigerende situatie reeds voor wat betreft het afvalwater afkomstig van de locatie hierop aangesloten. De hemelwaterafvoer is in de vigerende situatie aangesloten op de omliggende perceelssloten. Voor wat betreft de aansluiting van het plangebied in de toekomstige situatie op de riolering wordt aangesloten bij de vereisten van het op dat moment geldende gemeentelijke rioleringsplan van gemeente Geertruidenberg. 4.9.4 Compensatieopgave De verhardingsopgave van het te ontwikkelen plan, welke wordt afgezet tegen het relevante beleid omtrent de waterbergingsopgave als gevolg van (de toename van) het verhard oppervlak, bepaalt de te compenseren waterberging en de mogelijke oplossingsrichtingen hiervoor. Deze worden in onderhavige paragraaf belicht.
45
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Vanwege het van toepassing zijnde beleid is zowel de verhardingsopgave van de huidige als de beoogde situatie inzichtelijk gemaakt. Deze verhardingsopgave betreft een indicatie en is gebaseerd op de beschikbare luchtfoto’s en de globale uitgangspunten van het op te stellen bestemmingsplan. De verhardingsopgave is weergegeven in de tabel hieronder.
* Qua verdeling verhard/onverhard in de beoogde situatie wordt uitgegaan dat circa 40% van het terrein wordt voorzien van gebouwen/bouwwerken, circa 40% van het terrein wordt voorzien van terreinverharding en circa 20% van het terrein wordt gereserveerd voor groenvoorziening.
Uitgaande van voorgaande indicatieve verhardingsopgave neemt de totale verharding ten opzichte van de huidige situatie toe met circa 36.600 m². Vanwege de aanzienlijke toename van het verharde oppervlak en de hydrologische situatie ter plaatse het naar verwachting niet toelaat om het overtollige hemelwater afkomstig van deze verharding ter plaatse te laten infiltreren, dient een waterwetvergunning te worden aangevraagd bij en een waterhuishoudkundig plan te worden overlegd aan het waterschap. Hierbij dient zoveel mogelijk rekening gehouden te worden met betrekking tot de opvang en het zoveel mogelijk vasthouden van hemelwater alvorens deze wordt afgevoerd naar de omgeving. Hiertoe kan worden aangesloten bij de hydrologische uitgangspunten voor de afvoer van hemelwater zoals gesteld in de algemene regels van waterschap Brabantse Delta. Maatgevende berging Op basis van voorgaande dienen compenserende maatregelen te worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, dit in de vorm van een retentievoorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (m³) = toename verhard oppervlak (m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06. De toename van het verhard oppervlak als gevolg van de planontwikkeling zal circa 36.600 m² bedragen.
Conform de Keurkaart beschermde gebieden is de gevoeligheidsfactor ter plaatse van het plangebied vastgesteld op “1”. Benodigde retentiecapaciteit toename gebouwen: 21.800 m² x 0,06 x 1 = 1.308 m³ Benodigde retentiecapaciteit toename verharding: 14.800 m² x 0,06 x 1 = 888 m³ Voorgaande resulteert in een maatgevende berging van 2.196 m³. Daarbij worden vanuit de algemene regels de volgende voorwaarden voorgeschreven: -
de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen;
-
de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben;
-
daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.
Compensatie te dempen sloten In het kader van de ontwikkeling van het terrein is het wenselijk dat bepaalde watergangen in het beheer van het waterschap worden gedempt. Hiervoor dienen extra compenserende maatregelen getroffen te worden, dit overeenkomstig de van toepassing zijnde beleidsregels. De te dempen watergangen dienen 1 op 1 gecompenseerd te worden, indien mogelijk binnen hetzelfde peilgebied.
46
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Op basis van de inmeting van de bestaande sloten wordt er in totaal 1.221,6 m3 aan watergangen gedempt (zie inmeting watergangen in de bijlage van bijlage 6) welke 1 op 1 gecompenseerd dienen te worden. Dit bovenop de benodigde compensatie als gevolg van de toename van het verhard oppervlak. Afwenteling Afwenteling van overtollig water als gevolg van de beoogde ontwikkeling dient (zoveel als mogelijk) te worden voorkomen. Waar noodzakelijk dienen hier compenserende maatregelen voor getroffen te worden. Oplossingsrichtingen en adviezen Er liggen kansen om water vast te houden en te bergen overeenkomstig de bergingseis en dit tevens te realiseren op het eigen terrein. Omdat het om een relatief groot terrein en een aanzienlijke bergingsopgave gaat, is het advies om de waterberging centraal te regelen en dit te verwerken in het op te stellen waterhuishoudkundig plan. Hierbij kan gedacht worden aan bergingsvoorzieningen in de groenzones/onbebouwde delen van het terrein. Op basis van de verhardingsopgave en de gehanteerde uitgangspunten zal circa 11.400 m2 onverhard zijn. De GHG bedraagt op dit moment circa 0,4 à 0,8 m beneden maaiveld en zal bij een toekomstige terreinophoging (indien het maaiveld gelijk wordt gesteld met die van de bestaande bebouwing en haar omgeving) circa 1 à 2 meter dieper komen te liggen. Op basis van voorgaande zal hiervoor voldoende ruimte aanwezig zijn.