Bijlage 4 Toelichting met bijlagen
Tekst van het document
Wel dient er vanwege de beperkte mogelijkheden tot infiltratie rekening gehouden te worden dat er een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater kan worden aangebracht, evenals een overloopconstructie om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Indien het noodzakelijk/gewenst is om de capaciteit van de benodigde waterberging te verlagen kan er toepassing worden gegeven aan bijvoorbeeld groene daken of waterdoorlatende/passerende verharding, mits deze zodanig gedimensioneerd worden dat deze voldoende (infiltratie)capaciteit hebben. Tevens kan overwogen worden om het hemelwater op te vangen en te hergebruiken. Dit bijvoorbeeld voor de beregening van groenvoorzieningen tijdens drogere perioden of het gebruik van het op te vangen hemelwater voor stofbestrijding, toiletspoeling of zelfs douche- of drinkwater, etc. Goed functionerende systemen met voldoende capaciteit zijn daarbij van belang. Eén en ander in overeenstemming met het beoogde bedrijf. Gezien voorgaande wordt geadviseerd om het voorgeschreven waterhuishoudkundig plan en het ontwerp en de aanleg van de betreffende bergings- c.q. infiltratievoorziening uit te laten voeren door een op dit gebied ervaren (civieltechnisch) specialist. Op deze wijze moet voorkomen worden dat de toekomstige waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder de bergings- c.q.
infiltratievoorziening, onjuist gedimensioneerd is, op de verkeerde diepte worden aangelegd, onvoldoende functioneert of dat de bergings- c.q. infiltratiecapaciteit na verloop van tijd terugloopt. Van belang bij de civieltechnische uitwerking van de hemelwaterbergingsvoorziening is ook dat deze gereinigd kan worden. Voor het overige wordt geadviseerd om bij het ontwerp en de bouw rekening te houden met de toepassing van niet-uitloogbare materialen voor het behoud van een goede waterkwaliteit. Specifieke aandacht wordt gevraagd in verband met het opslaan van mogelijk uitloogbare materialen en het eventueel hiervan afstromend regenwater, zodat hierdoor geen verontreinigd hemelwater in de bodem infiltreert. Dit moet ten alle tijden voorkomen worden. Tevens wordt geadviseerd een veilig bouwpeil te hanteren, zodat mogelijke wateroverlast bij extreme buien en bij stijgingen van het grondwater zoveel als mogelijk wordt voorkomen. Vanzelfsprekend dient daarbij rekening gehouden te worden met de bestaande bouw en hoogteverschillen van het terrein ter plaatse en in de directe omgeving.
47
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
4.9.5 Conclusie Middels onderhavige waterparagraaf is onderzocht wat de waterhuishoudkundige consequenties zijn van de beoogde ontwikkeling aan de Centraleweg 9 te Geertruidenberg. Het relevante waterbeleid is tegen het licht gehouden om te beoordelen wat de belangrijke uitgangspunten zijn met betrekking tot het aspect water. Daarnaast is beoordeeld in hoeverre er mogelijk sprake kan zijn van belemmeringen ten aanzien van eventuele beschermingszones. Ook is beoordeeld en berekend wat de (indicatieve) maatgevende bergingsopgave ter plaatse van het plangebied zal zijn ten gevolge van de toename van verharding van het plan. Gebleken is dat het plangebied niet is gelegen in of nabij een beschermd gebied in het kader van de Keur. Wel is gebleken dat er diverse beschermde oppervlaktewaterlichamen van categorie A en B ter plaatse van het plangebied zijn gelegen, evenals beschermingszones van een primaire waterkering (zowel beschermingszone A en B). Bij de ontwikkeling van het plangebied dient rekening gehouden te worden met een vergunningsplicht voor verschillende activiteiten en werken welke ter plaatse van deze zones plaats zullen vinden. Indien voldaan kan worden aan de hiervoor gestelde voorwaarden zijn er geen directe belemmeringen met oog op het planvoornemen.
Daarnaast is er een watertoets uitgevoerd om te bepalen wat de maatgevende bergingscapaciteit voor het op te vangen hemelwater dient te zijn als gevolg van de toename van het verhard oppervlak. Op basis van de indicatieve verhardingsopgave ten gevolge van het op te stellen bestemmingsplan blijkt een toename van het verhard oppervlak van circa 36.600 m². Gezien deze toename van het verharde oppervlak en de hydrologische situatie het naar verwachting niet toelaat om het overtollige hemelwater afkomstig van deze verharding ter plaatse te laten infiltreren, dient een waterwetvergunning te worden aangevraagd bij en een waterhuishoudkundig plan te worden overlegd aan het waterschap. Hierbij dient zoveel mogelijk rekening gehouden te worden met betrekking tot de opvang en het zoveel mogelijk vasthouden van hemelwater alvorens deze wordt afgevoerd naar de omgeving. Hiertoe kan worden aangesloten bij de hydrologische uitgangspunten voor de afvoer van hemelwater zoals gesteld in de algemene regels van waterschap Brabantse Delta. De berekende maatgevende waterbergingscpaciteit met oog op de versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de toename van het verharde oppervlak bedraagt in totaal circa 2.196 m³. Daarnaast worden diverse bestaande watergangen gedempt met een inhoud van 1.221,6 m3 welke gecompenseerd dienen te worden.
Er worden voldoende mogelijkheden gezien om dit ter plaatse van het plangebied te realiseren. Omdat het om een relatief groot terrein en een aanzienlijke bergingsopgave gaat, is het advies om de waterberging van het terrein centraal te regelen en te verwerken in het op te stellen waterhuishoudkundig plan. Bergingsvoorzieningen in de groenzones/onbebouwde delen van het terrein en/of bergingsvoorzieningen/opvangkoffers onder de terreinverharding kunnen hierbij als oplossingsrichtingen worden aangedragen. Indien het gewenst is om de capaciteit van de benodigde waterberging te verlagen kan er toepassing worden gegeven aan bijvoorbeeld groene daken, waterdoorlatende/passerende verharding en/of hergebruik van hemelwater. Voor wat betreft de toekomstige aansluiting van de riolering zal worden aangesloten bij de vereisten van het dan geldende gemeentelijke rioleringsplan van gemeente Geertruidenberg, waarbij zoveel mogelijk scheiding van verschillende afvalwaterstromen plaats zal vinden. Geadviseerd wordt om het voorgeschreven waterhuishoudkundig plan en het ontwerp en de aanleg van de betreffende bergings- c.q. infiltratievoorziening uit te laten voeren door een op dit gebied ervaren (civieltechnisch) specialist om te voorkomen dat de toekomstige waterhuishoudkundige voorzieningen onjuist worden gedimensioneerd is.
Voor het overige wordt geadviseerd om bij het ontwerp, de bouw en voor wat betreft de opslag van materialen rekening te houden met de toepassing van niet-uitloogbare materialen en een veilig bouwpeil. In het kader van de ontwikkeling zijn de initiatiefnemer en de gemeente Geertruidenberg overeengekomen dat zij de verplichting op zich nemen om de compenserende maatregelen als gevolg van de toename van het verhard oppervlak, de te dempen watergangen en afwenteling te
48
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
realiseren. Dit op eigen gemeentegronden buiten het plangebied, binnen het peilgebied van het betreffende project. Hiermee worden negatieve waterhuishoudkundige effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling voorkomen. De gronden in het plangebied met de bestemming ‘Groen’ en de dubbelbestemming ‘Waterstaat – waterberging’ zijn voor dit doel beschikbaar. 4.10 Flora en fauna Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Met ingang van 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) ingegaan. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wnb staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. 4.10.1 Gebiedsbescherming Er is geen ruimtebeslag op het NNN.
Gezien de ligging, industriële omgeving met zwaar transport en fabrieken en afstand van 95 meter (oost) en 250 meter (west) het NNN-gebied en het plangebied, worden indirecte negatieve effecten zoals verstoring en verontreiniging op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN eveneens uitgesloten. Er is geen nadere NNN-toetsing benodigd. De locatie ligt buiten beschermde Natura 2000-gebieden. De meest nabijgelegen stikstofgevoelige habitat ligt in het natura 2000-gebied ‘Biesbosch’ (gebiedsnummer 112) op een afstand van circa 6,8 kilometer. Omdat het plangebied buiten beschermde gebieden ligt zijn directe effecten, zoals areaalverlies en versnippering, uitgesloten. Tevens kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Wel zijn voor zowel de gebruiks- als aanlegfase berekeningen van de stikstofdepositie op de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden verplicht. Door Tritium Advies zijn deze berekeningen uitgevoerd. Zie bijlage 7 bij deze toelichting.
De conclusie van de berekeningen is als volgt: “Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator 2023.0.1 blijkt dat er ten gevolge van het plan op basis van de planologisch toegestane verkeersbewegingen plús inschatting van te verwachten inzet van mobiele werktuigen en stookinstallaties conform de opgave van de opdrachtgever geen sprake is van een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie (intern salderen). Het plan wordt derhalve haalbaar geacht, in overeenstemming met de uitspraak Raad van State in de zaak Logtsebaan is geen vergunning nodig voor intern salderen. Een vergunning in het kader van de Wnb ten aanzien van het aspect stikstofdepositie is derhalve niet aan de orde. Bij een aanvraag milieuvergunning of ik het kader van een melding zal op basis van de daadwerkelijke activiteiten de berekening verder verfijnd kunnen worden om uit te sluiten dat er sprake is van een toename van stikstofdepositie waarbij significant negatieve effecten in Natura 2000gebieden kunnen plaatsvinden, maar de berekening toont aan dat het plan haalbaar is.” Conclusie Het planvoornemen tast geen Natura 2000 gebieden. Voor het aspect gebiedsbescherming is dan ook geen sprake is van strijdigheid met de Wet natuurbescherming.
4.10.2 Soortbescherming Omdat het plangebied heringericht wordt voor het planvoornemen is het relevant om te bezien of dit al dan niet effect heeft op beschermde soorten. Door Vebego is in dit kader een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De quickscan is bijgevoegd bij deze toelichting (bijlage 8) en kent de navolgende conclusie: “Binnen het plangebied is geschikt biotoop aangetroffen voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen: algemene broedvogels, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en vissen. In onderstaande tabel is
49
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
per soortgroep aangegeven of er nader onderzoek nodig is en mogelijk een ontheffing nodig is in het kader van de Wet natuurbescherming. Soortgroep Vaatplanten Algemene Broedvogels
Vogels met jaarrond beschermde nesten
Grondgebonden zoogdieren
(Kleine) marterachtigen
Vleermuizen foerageergebied
Vleermuizen vliegroutes
Vleermuizen verblijfplaatsen Reptielen Amfibieen
Beschermde soorten/functies Nee Ja, er is broedbiotoop aanwezig voor algemene broedvogels Ja, er is foerageergebied aanwezig vogels met jaarrond beschermde nesten Ja, het plangebied vormt foerageergebied alsook leefgebied voor door provincie vrijgestelde soorten als de veldmuis en het konijn Mogelijk, potentieel rust, verblijfplaatsen aanwezig ten noorden van de agrarische percelen Ja, niet essentieel gezien de gelijkwaardige alternatieven in de westelijke en noordoostelijke omgeving Nee, geen essentiële gezien de lijnvormige elementen (bomenrijen, watergangen, gebouwen) in de directe omgeving. Mogelijk, enkel in het bedrijfspand. Het bedrijfspand wordt niet gesloopt. Nee
Nader onderzoek nodig? Nee Nee
Ja, het plangebied omvat leefgebied voor door provincie vrijgestelde soorten als de bruine kikker en gewone pad
Nee, foerageergebied is niet essentieel
Ontheffing Wet natuurbescherming nodig? Nee Nee, indien maatregelen worden genomen om vernietiging van nesten en verstoring van broedende vogels te voorkomen Nee
Nee
Nee, indien er rekening wordt gehouden met de algemene zorgplicht (artikel 1.11). Het betreft naast foerageergebied ook leefgebied voor door provincie algemeen vrijgestelde dieren bij ruimtelijke ordening.
Ja
Afhankelijk van de resultaten van het nader onderzoek dient een ontheffingsaanvraag te worden gedaan.
Nee, het betreft geen essentieel foerageergebied
Nee
Nee, mits tijdelijke verstoring wordt voorkomen door uitsluitend overdag te werken of door gebruik te maken van gerichte verlichting waarbij het omliggend groen en het open water onverlicht blijven. Nee, mits tijdelijke verstoring wordt voorkomen door uitsluitend overdag te werken of door gebruik te maken van gerichte verlichting waarbij het omliggend groen, gebouwen en het open water onverlicht blijven. Nee
Nee
Nee
Nee
Nee, indien er rekening wordt gehouden met de algemene zorgplicht (artikel 1.11). Het betreft namelijk leefgebied voor door provincie algemeen vrijgestelde dieren bij ruimtelijke ordening.
Nee
50
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Vissen
Ja
Afhankelijk van de resultaten van het nader onderzoek dient een ontheffingsaanvraag te worden gedaan.
Ongewervelden
Mogelijk, potentieel verblijfplaatsen en leefgebied van grote modderkruiper in de categorie-B waterlopen aanwezig. Nee
Nee
Nee
Invasieve exoten
Nee
Nee
Nee
Uit bovenstaande tabel blijkt dat nader onderzoek benodigd is voor de volgende soorten/soortgroepen: Kleine marterachtigen – nader onderzoek naar de aan/afwezigheid van rust, - verblijfplaatsen van kleine marterachtigen ter hoogte van de stobbewallen, takkenrillen, struwelen en betonplaat ten noorden van de agrarische percelen Grote modderkruiper – nader onderzoek naar de aan/afwezigheid van de soort en van verblijfplaatsen en/of leefgebied van de soort in de categorie-B waterlopen op de agrarische percelen. Om te kunnen beoordelen of het planvoornemen beschermde soorten aantast is aanvullend onderzoek nodig naar kleine marterachtigen en de grote modderkruiper. Het onderzoek is in opdracht gegeven. Alvorens gestart kan worden met werkzaamheden in het plangebied moet aangetoond zijn dat geen sprake is van de aantasting van beschermde soorten. Omdat de Wet natuurbescherming hierop van kracht is en de beoogde werkzaamheden vergunningplichtig zijn is het aanvullend niet nodig om dit traject te borgen via een voorwaardelijke verplichting o.i.d. in het juridisch bindende gedeelte van dit bestemmingsplan. Zorgplicht Voor alle soorten geldt de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb).
Deze zorgplicht houdt kort gezegd in dat een ieder die weet dat zijn handelen of nalaten negatieve gevolgen zal hebben voor flora en fauna, verplicht is dit handelen achterwege te laten of maatregelen te nemen die de negatieve gevolgen kunnen voorkomen, beperken of ongedaan maken. Zo dient het plangebied tijdig onaantrekkelijk gemaakt te worden als leefgebied voor de kwetsbare soorten die mogelijk in het plangebied kunnen voorkomen en dienen de werkzaamheden bij voorkeur plaats te vinden buiten kwetsbare perioden van deze soortengroepen. Als tijdens de sloop-, bouw- en aanlegwerkzaamheden beschermde soorten worden aangetroffen, moeten dusdanige maatregelen worden genomen dat de schade aan deze soorten zo veel mogelijk wordt beperkt. Conclusie Het aspect soortbescherming vormt – mits het aanvullend onderzoek wordt uitgevoerd en eventueel een ontheffing Wet natuurbescherming wordt aangevraagd en positief beoordeeld + de algemene zorgplicht in acht wordt genomen - geen belemmering voor het planvoornemen. 4.10.3 Houtopstanden Binnen het plangebied is een beschermde houtopstand aanwezig, zoals opgenomen in hoofdstuk 4, art. 4.1 van de Wet natuurbescherming. Het plangebied en de te vellen bomen liggen buiten de gestelde grenzen van de bebouwde kom houtopstand van de gemeente Geertruidenberg.
Vanwege bovenstaande is er sprake van een verstorende ingreep en een meldingsplicht en herplantplicht.
51
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
4.11 Verkeer en parkeren Verkeer Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren – kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Het CROW geeft in tabellen A7, A8 en A9 op basis van het type werkmilieu adviezen over de te verwachte verkeersgeneratie van het te ontwikkelen bedrijventerrein. Voor de beoogde bedrijvigheid is uitgegaan van het netto oppervlakte (circa 77% van het bruto-oppervlak) terrein met type werkmilieu ‘I Gemengd terrein’.
Het plangebied is ontsloten op de Centraleweg (niet zijnde de N623), een ruim gedimensioneerde 60km/uur-weg, die vrijwel direct op de N623 (eveneens Centraleweg) aantakt. De Centraleweg (niet zijnde de N623) ontsluit enkele bedrijven en is doodlopend, verder is de Heulweg waaraan weinig functies zijn gelegen aangesloten op de Centraleweg (niet zijnde de N623). Ook als sluiproute is de Centraleweg (niet zijnde N623) niet interessant, omdat via deze route alleen met een omweg naar een bestemming gekomen kan worden. De Centraleweg (niet zijnde N623) is daarom alleen relevant voor bestemmingsverkeer. Er is gezien voorgaande voldoende capaciteit aanwezig om het verkeer dat het planvoornemen genereert (circa 700 mvt/etmaal) te ontsluiten en af te wikkelen via omliggende wegen (voorkeursroute: niet door de kern). Conclusie met betrekking tot het initiatief Verkeer vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Parkeren De gemeente Geertruidenberg hanteert bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen haar Parkeerbeleidsplan ‘Parkeren doen we zo!’ voor het bepalen van de benodigde parkeervoorzieningen. In dit beleidsplan zijn parkeernormen opgenomen waarmee het benodigde aantal parkeerplaatsen kan worden berekend. Het plangebied is gelegen in ‘rest bebouwde kom’ en kent de functies ‘kantoor zonder baliefunctie’ en ‘bedrijf (loods, opslag, transportbedrijf)’.
De parkeernormen behorende bij deze functies zijn respectievelijk 1,8 – 2,3 per 100 m2 BVO en 0,8 – 1,3 per 100 m2 BVO. Het kantoor zonder baliefunctie heeft binnen het plangebied een perceelsoppervlakte van 9.285 m2 en kent 1854 m2 BVO, dit resulteert in een parkeerbehoefte van worst-case 42,6 parkeerplaatsen. De rest van het plangebied wordt ingevuld voor de functie ‘bedrijf (loods, opslag, transportbedrijf)’. De oppervlakte van dit gedeelte van het plangebied is 4,82 hectare (48.215 m2). Niet meer dan maximaal 50% van dit perceel zal worden bebouwd. Wat resulteert in een parkeerbehoefte van worstcase 313,39 parkeerplaatsen. Om deze totale worst-case parkeerbehoefte in te vullen is een oppervlakte van circa 8.750 m2 nodig. Het terrein is voldoende groot om deze worst-case parkeerbehoefte in te vullen.
52
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Om te borgen bij de uiteindelijke invulling van het plangebied in de parkeerbehoefte wordt voorzien is in de regels van dit bestemmingsplan een koppeling gemaakt met het gemeentelijke Parkeerbeleidsplan ‘Parkeren doen we zo!’ en haar rechtsopvolgers. Hiermee is geborgd dat bij een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit ‘Bouwen’ moet worden getoetst aan het parkeerbeleidsplan en een vergunning alleen verleend kan worden als voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Conclusie met betrekking tot het initiatief Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor het initiatief.
4.12 Kabels en leidingen In het plangebied is een hoogspanningslijn gelegen. Het beleid voor elektromagnetische velden is opgenomen in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4), de Toekomstagenda Milieu en de beleidsnota Nuchter Omgaan met Risico's, beslissen met gevoel voor onzekerheden (2004). Het ministerie van Infrastructuur en milieu heeft het beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen uitgewerkt in een advies van oktober 2005. Dit advies is verder toegelicht in een brief van november 2008. Dit houdt in dat er bij nieuwbouwplannen of het realiseren van nieuwe hoogspanningslijnen voorkomen dient te worden dat er gevoelige bestemmingen terecht komen in een zone waar het magnetische veld gemiddeld over een jaar hoger is dan de norm van 0,4 microtesla. Dit is in onderhavige situatie het geval binnen 30 meter van de hoogspanningslijn. Binnen die zone is geen sprake van een gevoelige functie (een gebouw waar meer dan 14 uur per dag wordt verbleven). Bovendien geldt in onderhavige situatie dat alleen volwassenen1 in het plangebied aanwezig zijn, omdat het een bedrijventerrein met hoge milieucategorie zonder bedrijfswoningen betreft. Verder geldt dat het plangebied zodanig wordt ingericht dat de hoogspanningslijn geen fysieke belemmering vormt voor het planvoornemen of andersom.
Uit voorgaande blijkt dat zowel de hoogspanningslijn zelf (fysiek) als de straling vormt geen belemmering voor het planvoornemen. In de vigerende situatie is de hoogspanningslijn via een dubbelbestemming beschermd. Deze dubbelbestemming is in het juridisch bindende gedeelte van dit bestemmingsplan overgenomen. Conclusie met betrekking tot het initiatief Het aspect leidingen vormt geen belemmering voor het initiatief. 4.13 Milieueffectrapportage In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat dat gemotiveerd dient te worden hoe rekening is gehouden met diverse ruimtelijke belangen. In artikel 3.1.6, lid 5 van het Bro wordt verwezen naar enkele milieuaspecten die in de toelichting terug dienen te komen. Daarbij wordt ook verwezen naar de milieueffectrapportage (m.e.r.). Dit is een wettelijk instrument dat als doel heeft milieuaspecten volwaardig te betrekken in de ruimtelijke afweging die gemaakt wordt bij ruimtelijke plannen en besluiten. Er zijn in beginsel drie afzonderlijke situaties die kunnen leiden tot een m.e.r.plicht: a. Er is een passende beoordeling nodig in het kader van de Wet natuurbescherming; b. Het bestemmingplan is genoemd in kolom 3 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportrage; c.
Het bestemmingplan is genoemd in kolom 4 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van he Besluit milieueffectrapportage.
Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D valt, kan een project belangrijke nadelige 1 Uit onderzoek blijkt dat de langdurig verblijf (meer dan 14 uur per dag) binnen een zone waar 0,4 microtesla aan de orde is effect kan hebben op de gezondheid van kinderen tot 14 jaar.
53
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die beneden de drempelwaarden vallen, moet dan ook een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Beoordeling initiatief In dit geval is geen passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. Drempelwaarden Besluit m.e.r. Het initiatief voorziet in de toevoeging van circa 4,26 hectare bedrijventerrein, verder voorziet het planvoornemen in de verwerking van afval. Voor dergelijke activiteiten zijn activiteit D 11.2 en D 18.1 uit de bijlage van het Besluit m.e.r. relevant. Het gaat daarbij respectievelijk om de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen en om de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, anders dan bedoeld onder D 18.3, D18.6 of D18.7.
Hierbij is respectievelijk een milieueffectrapportage verplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer of in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een installatie met een capaciteit van 50 ton per dag of meer. Het initiatief valt ver onder de drempelwaarde van 200.000 m2 bedrijfsvloeroppervlakte, ook is de oprichting van een installatie voor de verwijdering van afval met een capaciteit van 50 ton per dag of meer niet aan de orde. Dit is via de regels van dit bestemmingsplan ook uitgesloten. 2. Ligging binnen een gevoelig gebied In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een 'gevoelig gebied'. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Onderhavige locatie is niet gelegen binnen een 'gevoelig gebied' zoals gedefinieerd in het Besluit m.e.r. In de hoofdstukken 3, 4 en 5 van deze toelichting is reeds aangegeven dat het plan gelet op de aard, omvang en ligging geen negatieve effecten heeft ten opzichte van dergelijke gevoelige gebieden. 3.
Belangrijke milieugevolgen Via een m.e.r.-aanmeldnotitie is voor het planvoornemen afgewogen of sprake is van belangrijke milieugevolgen. Hieruit blijkt dat hiervan geen sprake is. Het college van burgemeester en wethouders heeft op basis van deze m.e.r.-aanmeldnotitie besloten dat het niet nodig is om voor het planvoornemen een m.e.r.-procedure te doorlopen. Conclusie met betrekking tot het initiatief Gelet op de hierboven beschreven beoordeling is het niet nodig een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
54
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Hoofdstuk 5
5.1
Toelichting op de regels
Algemeen
Het bestemmingsplan bevat regels die het juridisch instrumentarium geven voor het regelen van het gebruik van de gronden en opstallen én bepalingen over de toelaatbaarheid van bebouwing. Het bestemmingsplan kan worden verbeeld op papier, en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting heeft geen bindende werking en maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan. Wel heeft zij een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. De Wet ruimtelijke ordening biedt zowel de mogelijkheid om een globaal bestemmingsplan te maken als de mogelijkheid van een gedetailleerd bestemmingsplan. In het bestemmingsplan “Centraleweg 9, Geertruidenberg” is gekozen voor een globale regeling, omdat de exacte indeling van het plangebied nog niet bekend is. Voor de opzet van de regels is aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan ‘Gasthuiswaard’. De regels bestaan uit vier hoofdstukken. Dit zijn de inleidende regels (artikelen 1 en 2), de bestemmingsregels (artikelen 3 tot en met 8), de algemene regels (artikelen 9 tot en met 15) en de overgangs- en slotregels (de artikelen 16 en 17). Bij de regels horen twee bijlagen, te weten een staat van bedrijfsactiviteiten en een akoestisch onderzoek In de volgende paragraaf worden de diverse artikelen uit de regels en de bijlage toegelicht.
5.2
Regels
Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard om verschillen in interpretatie te voorkomen. Artikel 2: Wijze van meten Dit artikel geeft aan op welke manier het meten van in de regels genoemde begrippen moet plaatsvinden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels De in dit hoofdstuk geregelde bestemmingen zijn achtereenvolgens: Artikel 3: Bedrijventerrein De regels in dit artikel regelen dat het plangebied als deels als bedrijventerrein in de categorieen 2 tot en met categorie 4.2 gebruikt kan worden en deels in categorie 1. Ook zijn bijbehorende voorzieningen toegelaten zoals parkeervoorzieningen en water- en waterhuishoudkundige voorzieningen. Verder zijn in dit artikel bouwregels opgenomen. Artikel 4: Groen De regels in dit artikel regelen dat het gronden met deze bestemming zijn bestemd voor groene en blauwe functies. Artikel 5: Leiding - Hoogspanningsverbinding
55
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Door het plangebied ligt een hoogspanningsleiding, deze wordt inclusief de bijbehorende belemmeringenstrook via deze dubbelbestemming beschermd. Artikel 6: Waarde – Archeologie 6 In het plangebied zijn mogelijk nog archeologische waarden aanwezig. Het gaat om een lage verwachting, welke via deze dubbelbestemming worden beschermd. Bij grondwerkzaamheden dieper dan 50 centimeter en groter dan 50.000 m2 aan oppervlakte is archeologisch onderzoek vereist. Artikel 7: Waterstaat – waterberging In het plangebied is ter plaatse van deze dubbelbestemming een waterberging gepland, deze kan door deze dubbelbestemming gerealiseerd en in stand gehouden worden. Artikel 8: Waterstaat – waterkering In het plangebied ligt een waterkering, deze wordt inclusief de bijbehorende beschermingszone via deze dubbelbestemming beschermd. Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk geeft een aantal gebruikelijke algemene regels. Het betreft achtereenvolgens: Artikel 9: Anti-dubbeltelregel Artikel 10: Algemene bouwregels Artikel 11: Algemene gebruiksregels Artikel 12: Algemene aanduidingsregels In dit artikel is een aanduiding opgenomen om de verplaatsing van de bedrijfsactiviteiten te garanderen van de Kartuizerstraat 75 in Raamsdonksveer naar Centraleweg 9 in Geertruidenberg.
Specifiek is via de gebiedsaanduiding ‘overige zone - te beëindigen bedrijfsbestemming’ geregeld dat de vigerende bedrijfsactiviteiten van Van der Pluijm ter plaatse van Kartuizerstraat 75 in Raamsdonksveer binnen 4 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan ‘Centraleweg 9, Geertruidenberg’ ter plaatse van de gebiedsaanduiding moeten zijn beëindigd. Ook mogen na die periode geen nieuwe bedrijfsactiviteiten meer worden uitgevoerd. Artikel 13: Algemene afwijkingsregels Artikel 14: Algemene wijzigingsregels Artikel 15: Algemene procedureregels Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 16: Overgangsrecht Dit artikel regelt het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik van gronden en bouwwerken. Artikel 17: Slotregel Dit artikel regelt de formele titel waaronder het bestemmingsplan kan worden aangehaald. Bijlage 1: Staat van bedrijfsactiviteiten In deze bijlage zijn de bedrijfsactiviteiten genoemd die volgens de regels toelaatbaar zijn. De lijst is opgesteld vanuit de typering van het plangebied als een gemengd gebied.
56
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Bijlage 2: Akoestisch onderzoek industrielawaai Deze bijlage betreft het voor het planvoornemen uitgevoerde akoestisch onderzoek, waaraan in de regels wordt gerefereerd.
57
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid In de Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.12) wordt voorgeschreven dat tegelijk met het vaststellen van een bestemmingsplan een exploitatieplan vastgesteld moet worden voor het plangebied of delen ervan, tenzij: -
het kostenverhaal anderszins verzekerd is;
-
er geen noodzaak tot het stellen van locatie-eisen of eisen aan type woningbouw is;
-
er geen noodzaak is voor het bepalen van een tijdvak of fasering.
In artikel 6.2.1 Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Het planvoornemen waarop onderhavige toelichting betrekking heeft betreft een 'bouwplan' conform artikel 6.2.1 Bro. Er moet met die reden, mits het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, een exploitatieplan vastgesteld worden. In onderhavige situatie zijn de kosten via een anterieure overeenkomst anderszins verzekerd. Het vaststellen van een exploitatieplan is daarom niet nodig. 6.2 Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Omgevingsdialoog De initiatiefnemer is in gesprek met de omgeving over zijn planvoornemen. Het gaat dan om de eigenaren van de naastgelegen begraafplaats, Heulweg 3, Beestenboel, VARO en Ramefa, Er zijn (nog) geen bezwaren geuit. Richting de vaststelling van dit bestemmingsplan is nog ruimte om eventuele (nog te maken) afspraken te verwerken/verankeren. 6.2.2 Vooroverleg Op dinsdag 12 december 2023 heeft het college van B&W besloten in te stemmen met het ontwerpbestemmingsplan en het bestemmingsplan voor vooroverleg aan te bieden aan de vooroverlegpartners. Na dit besluit is het ontwerpbestemmingsplan ter vooroverleg aangeboden aan de vooroverlegpartners zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
De betreffende vooroverlegpartners zijn Provincie Noord-Brabant, Brabantse Delta, Rijkswaterstaat, Gasunie, Enexis, TenneT en Brandweer midden-west Brabant. Tijdens de vooroverlegperiode hebben de volgende vooroverlegpartners een vooroverlegreactie gegeven; Waterschap Brabantse Delta, Rijkswaterstaat, Gasunie en Brandweer midden-west Brabant. Beantwoording en aanpassing In de vooroverlegreactie van de Gasunie wordt aangegeven dat zij geen aanleiding zien tot het maken van opmerkingen op het ontwerpbestemmingsplan. De Vooroverlegreactie wordt ter kennisgeving aangenomen en leidt niet tot aanpassingen. In de vooroverlegreacties van het Waterschap, Brandweer midden-west Brabant en Rijkswaterstaat wordt aangegeven dat zij aanleiding zien tot het maken van opmerkingen op het ontwerpbestemmingsplan. Zie bijlage 1. Rijkswaterstaat Rijkswaterstaat constateert dat de gemeente voornemens is een bedrijfsuitbreiding toe te staan aan de Centraleweg 9 te Geertruidenberg, in directe nabijheid van Noordergat waar Rijkswaterstaat de waterkwaliteit en waterkwantiteit in beheer heeft. Indien er (extra) lozingen op het Noordergat
58
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
(Donge/Amertak) plaatsvinden zal in het kader van de waterkwaliteit en waterkwantiteit een melding AB of melding BLBI vereist zijn. Dit bovenstaande wordt gemeld en afgestemd met de initiatiefnemer. Zodoende heeft de opmerking niet geleid tot aanpassingen in het ontwerpbestemmingsplan. Waterschap Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. In het bestemmingsplan wordt aangeven dat een waterhuishoudkundig plan en het ontwerp van bergings- c.q. infiltratievoorzieningen nog moet worden opgesteld. Het plangebied betreft een laaggelegen gebied waarvan bekend is dat hier regelmatig wateroverlast optreedt. Er wordt verzocht dan ook om de waterhuishoudkundige uitwerking, voordat de plannen verder in procedure worden gebracht, verder door te spreken met het waterschap. Er zal in beeld moeten worden gebracht hoe met de waterberging in het gebied wordt omgegaan zonder dat afwenteling op de omgeving plaatsvindt. Planregels en verbeelding Er wordt verzocht de beschermingszone van de waterkering op te nemen als dubbelbestemming en de bouwmogelijkheden hier te beperken.
Hier wordt gehoor aan gegeven en de dubbelbestemming wordt zowel op de verbeelding ‘Dubbelbestemming waterstaat - waterkering toegevoegd’ als in de regels Artikel 8: Waterstaat – waterkering’ toegevoegd. Naar aanleiding van de vooroverlegreactie is er inmiddels overleg geweest met de initiatiefnemer en het Waterschap. Het Waterschap geeft aan dat de waterproblematiek rondom het gebied Gasthuiswaard groter is dan de Centraleweg 9. Een integraal plan is dan ook wenselijk. Het gebied loopt namelijk geregeld onder water. Echter is de gemeente Geertruidenberg van mening dat er in dit geval specifiek moet worden gekeken naar de ontwikkeling aan de Centraleweg 9 en niet de gehele wateropgave voor de gehele polder. In samenspraak met een hydroloog is er een waterbergingsgebied aan de zuidkant van het plangebied gesitueerd/ingetekend welke deels op de grond van de initiatiefnemer ligt en deels op grond van de gemeente Geertruidenberg. Deze strook wordt ook toegevoegd op de verbeelding als Enkelbestemming groen zuidkant plangebied met dubbelbestemming waterstaat - waterbergingsgebied en beschreven in de planregels onder Artikel 4: ‘Groen’, Artikel 7: ‘Waterstaat – waterberging’, zodoende is de waterberging juridisch verankerd in het bestemmingsplan. Voor de gevraagde integrale aanpak gaat de gemeente Geertruidenberg verdere afstemming hebben met het Waterschap.
Brandweer midden-west Brabant Samenvattend advies Op basis van de afstanden tot aan de openbare weg en de bedrijfsactiviteiten zijn er mogelijk op eigen terrein ook bluswatervoorzieningen noodzakelijk. In nader overleg met ons dient de bluswaterbehoefte op eigen terrein te worden bepaald. Mogelijk kan de toets bluswatervoorziening een onderdeel zijn van de melding dan wel omgevingsvergunning in het kader van de activiteit milieu. Naar aanleiding van bovenstaande vooroverlegreacties zal met het oog op de omgevingsvergunning in gesprek gegaan worden met de Brandweer midden-west Brabant ten behoeve van de
59
Toelichting "Centraleweg 9, Geertruidenberg" 24 april 2024 vastgesteld
bluswaterbehoefte. In het bestemmingsplan heeft de vooroverlegreactie niet geleidt tot wijzigingen. 6.2.3 Inspraak De gemeente is wettelijk niet verplicht om een voorontwerpbestemmingsplan te maken en daar een inspraakprocedure voor te volgen. Het gemeentelijke beleid voor de toepassing van inspraak bij ruimtelijke plannen biedt de mogelijkheid om gemotiveerd af te zien van inspraak. In dit geval is niet gekozen voor het opstellen van een voorontwerpbestemmingsplan, waardoor de terinzagelegging/een inspraakprocedure ervan eveneens niet aan de orde is. 6.2.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan is op grond van de Wet ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht voor iedereen voor 6 weken ter inzage gelegd. Tegelijkertijd is het plan elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website en de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl. Burgemeester en wethouders hebben de terinzagelegging vooraf meegedeeld in het plaatselijke blad, in het Gemeenteblad en op de gemeentelijke website. Iedereen kon zijn zienswijze schriftelijk of mondeling over het ontwerpbestemmingsplan bij de gemeenteraad naar voren brengen tijdens de terinzagelegging. Er zijn twee zienswijzen ontvangen, beide van Tennet. Deze zienswijzen zijn via de nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen (bijlage 10 bij deze toelichting) van een beantwoording voorzien.
De zienswijzen hebben geleid tot de navolgende wijzigingen aan het bestemmingsplan: -
de regels van de dubbelbestemming ‘Leiding – hoogspanningsverbinding’ zijn vervangen voor de standaardregels van Tennet.
Verder zijn nog enkele kleine ambtshalve wijzigingen doorgevoerd, onder andere naar aanleiding van een vooroverlegreactie van Waterschap Brabantse Delta. De wijzigingen naar aanleiding van de vooroverlegreactie van het waterschap zijn als volgt: -
de watertoets (bijlage 6) en paragraaf 4.9 van deze toelichting zijn aangepast;
-
in het zuiden van het plangebied heeft een strook van 10 meter de bestemming ‘Groen’ met de dubbelbestemming ‘Waterstaat - waterberging’ gekregen in plaats van de bestemming ‘Bedrijventerrein’ en de daarbij behorende bouw-, functie- en maatvoeringsaanduidingen.
-
in het oosten van het plangebied is ter hoogte van de waterkering en bijbehorende beschermingszone de dubbelbestemming ‘Waterstaat – waterkering’ toegevoegd.
Voor een overzicht van alle ambtshalve wijzigingen wordt verwezen naar de nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen. Gezien voorgaande is het bestemmingsplan door de gemeenteraad gewijzigd vastgesteld.
60
BAKKER
MILIEUADVIEZEN WAALWIJK Industrieweg 77 5145 PD Waalwijk Tel: 06-51583837 Email: o.bakker4@upcmail.nl
Opdrachtgever: Van der Pluijm BV Kartuizerstraat 75 4941 ED Raamsdonksveer
Rapport Verkennend bodemonderzoek Centraleweg 9, Geertruidenberg NOVEMBER 2022
BM/28107-2022
Gespecialiseerd in het verrichten van bodemonderzoek. IBAN: NL27INGB0006778864. K.v.K. Tilburg inschrijvingsnr.: 18132686
INHOUDSOPGAVE:
blz 1.
INLEIDING EN DOELSTELLING
1
2.
ACHTERGRONDINFORMATIE 2.1 Terreinsituatie en historie 2.2 Bodemopbouw en geohydrologie
1 1 2
3.
ONDERZOEKSPROGRAMMA 3.1 Algemeen 3.2 Veldwerkzaamheden 3.3 Laboratoriumonderzoek
3 3 3 3
4.
ONDERZOEKSRESULTATEN 4.1 Bodemopbouw en veldwaarnemingen 4.2 Analyseresultaten
6 6 6
5.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
10
BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5.
Regionale situering onderzoekslocatie (1:12.500) Situatieschetsen met locaties boringen en peilbuizen Gegevens grondboringen en peilbuizen Analyserapporten Toetsingstabellen
BM/28107-2022 (V.O. Centraleweg 9, Geertruidenberg)
1 1.
INLEIDING EN DOELSTELLING In opdracht van Ronnie vander Pluijm BV is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het terrein Centraleweg 9 te Geertruidenberg, kadastraal bekend sectie A, nummers 2602, 2773, 2771, en 2772. Het doel van het onderzoek is vast te stellen of de grond en/of het grondwater ter plaatse van het perceel verontreinigingen bevatten welke een belemmering of beperking zouden kunnen vormen bij de aankoop van het terrein en eventuele toekomstplannen. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de terreinsituatie van de onderzoekslocatie. Hoofdstuk 3 beschrijft de uitgevoerde werkzaamheden. Hoofdstuk 4 geeft de resultaten van het onderzoek weer. In hoofdstuk 5 zijn de conclusies en aanbevelingen opgenomen. NB: Bakker Milieuadviezen heeft het bodemonderzoek uitgevoerd onder certificaat BRL SIKB 2000 conform de onderliggende protocollen 2001 en 2002. Middels ondertekening van het voorliggende rapport wordt verklaard dat er geen sprake is van eigendom van het te onderzoeken onroerend goed en tevens dat het bodemonderzoek onpartijdig en onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd. De uitvoerend veldwerker is O. Bakker.
2.
ACHTERGRONDINFORMATIE.
2.1
Terreinsituatie en historie. De onderzoekslocatie is gelegen aan de westzijde van de Centraleweg. De plaats van de locatie ten opzichte van de omgeving is op bijlage 1 weergegeven. Het onderzochte terrein heeft een oppervlakte van circa 3.5 hectare. Voor historische informatie is de opdrachtgever, de eigenaar, TOPO-tijdreis, de website Omgevingsrapportage en het eigen bodemonderzoeksarchief geraadpleegd. Terreinbeschrijving.
-
-
-
Het onderzoeksterrein omvat de volgende perceelsdelen: Op de percelen A 2602 en 2773 bevindt zich een kantoorpand, dat al enige tijd leeg staat. Het centraal gelegen pand ligt wat hoger dan het omringende terrein. Het buitenterrein is aan de noordelijke en de zuidelijke zijde bijna geheel voorzien van een asfaltverharding. Over het terrein liggen eveneens geasfalteerde rijbanen in een cirquitachtige vorm. Het overige buitenterrein is plantsoen. Het gehele terrein rondom het kantoor ziet er goed onderhouden uit. Het perceel A 2771 ligt ten westen van het kantoorgedeelte en dit betreft geheel grasland. Dit terrein ligt duidelijk lager dan het hierboven beschreven hoofdterrein. Over dit grasland ligt van west naar oost een grotendeels bestaande sloot die echter op het oostelijke uiteinde gedempt is met vermoedelijk terreineigen grond. Dit grasland is verhuurd aan een agrarisch bedrijf. Het derde te onderscheiden terreindeel is perceel A 2772. Dit perceel is bijna geheel omringd door sloten. Op dit terrein van circa 4500 m2, dat ook duidelijk hoger ligt dan het zuidelijk aangrenzende grasland, ligt grotendeels een toplaag van gebroken puin. Bij de terreininspectie zijn geen duidelijke bodemverdachte kenmerken waargenomen (geen morsingen, afvaldump, verzakkingen, zwerfasbest, brandplekken). Er is geen sprake van asbesthoudende daken.
V.O. Centraleweg 9, Geertruidenberg
Bakker Milieuadviezen
2 Huidig gebruik. Het kantoorpand heeft momenteel geen concreet gebruik. Het westelijke weiland wordt verhuurd aan een agrarisch bedrijf. Het perceel A 2772 heeft geen concreet gebruik. Voormalig gebruik. Op TOPO-tijdreis is te zien dat het hoofdgebouw dateert van begin jaren '80. Daarvoor was er sprake van grasland en landbouw. In het verleden is hier en in de omgeving geen sprake geweest van boomgaarden, waarmee de bodem niet niet verdacht is op bestrijdingsmiddelen als DDT en Drins. Toekomstig gebruik. Bedrijfsbestemming. Calamiteiten. Geen gegevens van bekend. Ophogingen/dempingen/stort. Naar later bleek lopende onderhavig onderzoek is perceel A 2772 in het verleden vermoedelijk opgehoogd met havenslib/baggerspecie. Boven- en ondergrondse tanks. Direct ten zuiden van de bebouwing staat een bovengrondse (vermoedelijk dubbelwandige) tank voor huisbrandolie op een betonvloer tegen de zuidgevel van een losstaand gebouw (vermoedelijk de technische ruimte). Deze tank staat op een degelijke betonvloer, die echter direct omringd wordt door onverhard terrein. Enkele meters verder ligt ook nog een ondergrondse tank, die al in het verleden buiten gebruik is gesteld. Naast de bovengrondse tank bevindt zich een RVS-kast met daarin het vulpunt van de ondergrondse tank. Omgeving. Het perceel ligt op een industrieterrein. Ten westen is overwegend sprake van agrarische grond.
Verder staan er veel hoogspanningsmasten in de directe omgeving. Bodemonderzoeken locatie en omgeving. Er zijn bij de geraadpleegde bronnen geen bodemonderzoeken bekend op onderhavig terrein. Op basis van Omgevingsrapportage Noord-Brabant zijn er aan de overzijde van de weg wel diverse bodemonderzoeken uitgevoerd en tevens heeft daar een bodemsanering plaatsgevonden. De verontreinigingen op dat terrein aan de overzijde hebben zich niet verplaatst tot onderhavig terrein.
V.O. Centraleweg 9, Geertruidenberg
Bakker Milieuadviezen
3 Hypothese. Op grond van de verkregen informatie is uitgegaan van een grotendeels onverdachte locatie voor wat betreft de parameters uit het NEN-5740-pakket. Als verdachte deelterreinen zijn beschouwd de gedeeltelijke slootdemping op het grasland en de locaties van de onder- en bovengrondse tanks. Lopende het onderzoek bleek dat het opgebrachte havenslib op perceel 2772 ook als verdacht diende te worden aangemerkt.
2.2
Bodemopbouw en geohydrologische situatie. Informatie over de bovenste 1.20 meter van de ongeroerde bodem ter plaatse is verkregen via de bodemkaart van Nederland. Het bodemtype valt onder de zogenoemde jongere kleien en zanden (formaties van Duinkerke en Tiel) op veen. De grondwaterstroming is in deze regio westelijk tot noordwestelijk gericht.
V.O. Centraleweg 9, Geertruidenberg
Bakker Milieuadviezen
4 3.
ONDERZOEKSPROGRAMMA.
3.1
Algemeen. Het onderzoek is opgezet volgens de NEN 5740+A1, paragraaf 5.1, 5.4 en 5.6, "Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek" (Nederlands Normalisatie-Instituut, april 2016). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd volgens de BRL SIKB 2000 en de onderliggende protocollen 2001 en 2002.
3.2
Veldwerkzaamheden. Op 7 en 10 oktober 2022 zijn op de onderzoekslocatie de aanvankelijke voorgestelde veldwerkzaamheden verricht. Nadien heeft nog nader onderzoek plaatsgevonden. Voor het boren is een Edelmanboor en een zuigerboor gebruikt. De locaties van de boringen en de peilbuizen zijn weergegeven in bijlage 2. Er zijn uiteindelijk 63 boringen verricht. Vier boringen zijn voorzien van een peilbuis. Diverse boringen zijn 1.5 a 2 m diep en de overige boringen zijn 0.5 a 1 m diep uitgevoerd. De uitkomende grond is zintuiglijk onderzocht op de aanwezigheid van eventuele verontreinigingen en beschreven. De beschrijvingen van de boorprofielen zijn opgenomen in bijlage 3.
3.3
Laboratoriumonderzoek De chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters zijn uitgevoerd in het geaccrediteerde laboratorium AL-West. Grond. Diverse monsters zijn alleen onderzocht op minerale olie. Van de overige grondmonsters zijn een groot aantal mengmonsters samengesteld, waarvan de samenstelling, het betreffende terreindeel en de bijbehorende resultaten zijn weergegeven in paragraaf 4.2. Deze monsters zijn onderzocht op: Zware metalen: Barium, Cobalt, Molybdeen, koper, kwik, lood, nikkel en zink. De meeste metalen komen van nature reeds in lage concentraties in de bodem voor en worden daarbij niet aangemerkt als een verontreiniging. Verontreinigingen met zware metalen kunnen onder andere worden aangetroffen op terreinen van bedrijven waar met metaaloplossingen (bijv. galvanische bedrijven) en metaalpigmenten (keramische industrie) wordt gewerkt en voorts op stookplaatsen, in sintelverhardingen en in combinatie met puin in de bodem. In stedelijke gebieden blijkt vaak sprake van een diffuse (niet zeer sterke maar over een groot gebied verspreide) verontreiniging met zware metalen, voornamelijk lood en in mindere mate koper en zink; Polychloorbifenylen (PCB). Minerale olie. Minerale olie is een verzamelnaam voor de verschillende soorten aardolieprodukten zoals benzine, gasolie en petroleum.
Minerale olie kan als verontreiniging worden aangetroffen bij tankstations, ondergrondse opslagtanks e.d.; Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Polycyclische aromatische koolwaterstoffen is een verzamelnaam voor teerachtige produkten welke bestaan uit twee of meer aromatische ringen. Verontreinigingen met polycyclische aromaten kunnen worden aangetroffen op voormalige gasfabrieksterreinen, bij asfaltmolens, op stookplaatsen, in combinatie met verontreinigingen met aardolieprodukten en bij aanwezigheid van kooldeeltjes, sintels en asfalt in de grond. Diffuse verontreinigingen met polycyclische aromaten tengevolge van depositie vanuit de lucht komen eveneens voor. Voor onderzoek naar bodemverontreiniging met polycyclische aromaten worden bepaalde stoffen geanalyseerd. De zogenaamd VROM-reeks welke is opgenomen in het toetsingskader uit de Leidraad Bodembescherming omvat 10 stoffen (10 PAK
V.O. Centraleweg 9, Geertruidenberg
Bakker Milieuadviezen
5 van VROM). NB: Diverse monsters zijn extra onderzocht op chroom. Grondwater. Het grondwater is geanalyseerd op het standaardpakket voor grondwater. Dit pakket bestaat uit de volgende parameters: benzeen, tolueen, ethylbenzeen,xyleen, naftaleen en styreen; vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (13); cobalt, barium, molybdeen, cadmium, koper, kwik, lood, nikkel, zink; minerale olie; tribroommethaan; dichloorpropanen(1,1-1,2-1,3).
V.O. Centraleweg 9, Geertruidenberg
Bakker Milieuadviezen
6 4.
ONDERZOEKSRESULTATEN
4.1
Bodemopbouw en veldwaarnemingen. Uit de boorbeschrijvingen (bijlage 3) blijkt dat de bodem ter plaatse van het grasland bestaat uit overwegend kleiige en moerige maar ook zandige bodemsoorten. Op het terrein van het kantoor wordt onder het asfalt een laag puingranulaat en vervolgens onverdacht zand aangetroffen met in de ondergrond weer kleiige grond. Rondom de ondergrondse tank is tot 3 m-mv sprake van zand. Op het kadastrale perceel A 2772 bevindt zich onder een 30 a 40 cm dikke laag gebroken puin blauwgrijze en donkergrijze kleiige grond die als voormalig havenslib is aangemerkt (mede op basis van metalengehalten). Op het gehele terrein is niet of nauwelijks sprake van puinhoudende grond. Middels het onderzoek is geconstateerd dat er bij de RVS vulpuntbak kennelijk een morsing met diesel heeft plaatsgevonden. Op de datum van grondwatermonstername (28 oktober 2022) werd grondwater op wisselend 0.4 m-mv (grasland) tot 1.9 m-mv (bij tanklocatie) aangetroffen. De overige veldwaarnemingen staan in bijlage 3.
4.2
Analyseresultaten De analyserapporten zijn opgenomen als bijlage 4. Voor de beoordeling van de analyseresultaten wordt gebruik gemaakt van onderstaande normen: Achtergrondwaarde AW 2000. Deze waarde geeft het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. Dit komt overeen met het niveau waarbij de functionele eigenschappen, die de bodem voor mens, dier en plant heeft, zijn veiliggesteld. Interventiewaarde: Deze waarde geeft het verontreinigingsniveau aan waarboven sprake kan zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierbij is sprake van een zodanige bodemverontreiniging, dat de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant kunnen verminderen. De interventiewaarden zijn gebaseerd op een uitgebreide studie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), naar zowel de humaan- als ecotoxicologische effecten van bodemverontreinigende stoffen. Er is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging indien in meer dan 25 m3 grond of in meer dan 100 m3 grondwater sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde door een of meer parameters. Tussenwaarde: Voor de waarde voor nader onderzoek, de tussenwaarde genaamd, wordt het gemiddelde van de AW 2000 en de interventiewaarde gehanteerd.
De genoemde waarden zijn voor een aantal stoffen afhankelijk gesteld van de percentages lutum en organische stof van de grond. De berekening van deze waarden voor de bepaalde of geschatte percentages is opgenomen in bijlage 5.
V.O. Centraleweg 9, Geertruidenberg
Bakker Milieuadviezen
7 In het hierna volgende overzicht staan per geanalyseerd monster de overschrijdingen van de toetsingswaarden als volgt weergegeven: > AW overschrijding achtergrondwaarde AW 2000 (lichte verontreiniging); >T overschrijding tussenwaarde (matige verontreiniging); >I overschrijding interventiewaarde (ernstige verontreiniging). Grondresultaten grasland (perceel A 2771) Mengmonster
Bodemlaag
Gehalte > AW
Gehalte > T
Gehalte > I
1+2+3+4
bovengrond 0-50 cm
kwik,lood
-
-
5 t/m 14
bovengrond 0-50 cm
cadmium,koper,kwik, lood,PAK
-
-
15 t/m 23
bovengrond 0-50 cm
koper,kwik, lood PAK
-
-
1.2+5.2+9.2
ondergrond 50-100 cm
-
-
-
12.2+18.2+21.2
ondergrond 50-100 cm
-
-
-
24+25
bovengrond 0-50 cm slootdemping
kwik,lood,zink,PAK PCB
koper
-
Grondresultaten kantoorterrein (perceel A 2602 en 2773) Mengmonster
Bodemlaag
Gehalte > AW
Gehalte > T
Gehalte > I
36+37+39+40+42+43
bovengrond 0-50 cm oostzijde terrein
-
-
-
44-47+49+50+52
bovengrond 0-50 cm westzijde terrein
-
-
-
36.5+39.4+47.4 +51.3
ondergrond 1-2 m-mv humeuze klei
Cadmium,kwik,lood nikkel
-
-
36.3+39.3+43.3 +47.3
ondergrond 1-1.5 m humusarm zand
-
-
-
53 t/m 56
zand onder asfalt en gebroken puin
-
-
-
Indicatief onderzoek naar asbest in puinhoudende grond. Naar aanleiding van de plaatselijk aanwezige zwakke puinbijmengingen is er een indicatief onderzoek naar asbest uitgevoerd. Dit hield in dat bij de enkele boringen, waar puinresten in de bovengrond zijn aangetroffen, grond verzameld is in een emmer. Het verzamelmonster had een drooggewicht van tenminste 10 kg. Uit het analyserapport blijkt dat het asbestgehalte 13 mg/kgds bedraagt. Dit gehalte ligt ruim beneden de waarde voor nader onderzoek. Zoals vermeld was dit asbestonderzoek indicatief (niet officieel).
V.O. Centraleweg 9, Geertruidenberg
Bakker Milieuadviezen
8 Grondresultaten opgehoogd perceel A 2772 (ca 4000 m2) Mengmonster
Bodemlaag
Gehalte > AW
Gehalte > T
Gehalte > I
57+58
bodemlaag 0-50 cm onder puinlaag
kobalt,koper,kwik lood,nikkel, olie PAK, PCB
-
Chroom, zink cadmium
Onderstaande monsters zijn alleen onderzocht op cadmium, chroom en zink 57.3
100-150 onder puinlaag
Zink
-
-
58.3
100150 onder puinlaag
-
Zink
-
59
0-50 onder puinlaag
-
-
Chroom, zink Cadmium
60
0-50 onder puinlaag
-
Cr, Zn, Cd
61
0-50 onder puinlaag
cadmium,chroom
62
0-50 onder puinlaag
-
59.2+60.2
50-100 onder puinlaag
-
-
Cr, Zn, Cd
61.2+62.2
50-100 onder puinlaag
-
-
Cr, Zn, Cd
59.3+60.3+61.3
100-150 onder puinlaag
Cadmium
Chroom,zink
-
Cr, Zn, Cd
Resultaten olie-analyses (onderzoek bij onder- en bovengrondse tanks) In onderstaande tabel staan de resultaten van de uitgevoerde olie-analyses. Monsternr. Diepte in m-mv
oliegehalte
BOTOVAgehalte
27.5+28.5 (2-2.5m)
< 35
< 175
190
2595
5000
29.5+30.5 (2-2.5)
< 35
< 175
"
"
"
29+30 (0-0.5)
100
500
*
"
"
"
31.2 (0.5-1)
1440
7200
***
"
"
"
32.5 (2-2.5)
5060
28300
***
"
"
"
33.5+34.5+35.5 (2-2.5)
< 35
< 175
"
"
"
V.O. Centraleweg 9, Geertruidenberg
AW 2000
Tussenwaarde
I-waarde
Bakker Milieuadviezen
9 Grondwater. In onderstaande tabel staan de overschrijdingen in het grondwater weergegeven. Peilbuis
Gehalten > Streefwaarde
> Tussenwaarde
> Interventiewaarde
1 (grasland)
Barium
-
-
24 (grasland)
Barium
-
-
27 (ondergrondse tank)
barium
-
-
36 (parkeerterrein)
molybdeen
-
-
V.O. Centraleweg 9, Geertruidenberg
Bakker Milieuadviezen
10 5.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN.
Op basis van het hierboven beschreven bodemonderzoek kan voor de onderzoekslocatie het volgende worden geconcludeerd: Graslandperceel A 2771 (ca 1.45 ha) -
De bovengrond is in 3 mengmonsters onderzocht en blijkt licht verontreinigd met diverse metalen (cadmium, koper, lood, kwik). Deze bovengrond is extra onderzocht op chroom en op OCB (vroegere bestrijdingsmiddelen) maar deze extra stoffen zijn niet verhoogd aangetroffen;
-
In de ondergrond, die in 2 mengmonsters is onderzocht, zijn alle parameters uit het standaard NEN-5740pakket in gehalten beneden de AW 2000 aangetroffen. Deze grond is dus geheel schoon;
-
Het grondwater uit de peilbuizen 1 en 24 bevat alleen een licht verhoogd gehalte aan barium;
-
Een klein deel van de sloot over het midden van het terrein is gedempt. Deze dempingsgrond bevat een matig verhoogd kopergehalte. Omdat dit mengmonster uit 2 deelmonsters bestond is geen uitsplitsing uitgevoerd, mede omdat dit een zeer klein bodemvolume betreft.
Kantoorterrein A 2602 en 2773 (1.7 ha) -
De bovengrond is in 3 mengmonsters onderzocht en deze blijkt geheel schoon voor alle parameters uit het standaardpakket en voor chroom;
-
De ondergrond is in 2 mengmonsters onderzocht. Een mengmonster van zandige grond van 1-1.5 m-mv is geheel schoon. Een ondergrondmengmonster van kleiige grond bleek licht verontreinigd met kwik, cadmium, lood en nikkel. Dit heeft geen consequenties;
-
Het grondwater uit peilbuis 36 bevat alleen een licht verhoogd gehalte aan barium.
Locatie onder- en bovengrondse tank. -
-
Op deze locatie zijn 9 boringen verricht. Bij 7 boringen was de uitkomende grond schoon. Bij de boringen 31 en 32 (aan weerszijden van de vulpuntkast) is wel duidelijk een verontreiniging waargenomen. De onverdachte ondergrond op grondwaterniveau (ca 2m-mv) is in 3 mengmonsters onderzocht (29+30, 27+28 en 33+34+35) en blijkt geheel schoon voor minerale olie. Ter plaatse van boring 32 is de bodem vanaf maaiveld tot tenminste 2.3 m-mv verontreinigd met minerale olie. Deze boring is zintuiglijk en analytisch afgeperkt middels de boringen 33, 34 en 35. Het grondwater uit peilbuis 27 is schoon voor olie en aromaten.
V.O. Centraleweg 9, Geertruidenberg
Bakker Milieuadviezen
11 Met havenslib/baggerspecie opgehoogd perceel A 2772 (ca 4500 m2) -
Dit perceel is grotendeels bedekt met een laag gebroken puin van 35 a 40 cm. Daaronder bevindt zich alleen bij boring 56 zand tot 1.3 m-mv. Bij de andere boringen (57 t/m 63) bevindt zich hieronder donkergrijze matig humeuze klei die zintuiglijk als waarschijnlijk havenslib/baggerspectie is beoordeeld. Dit is bevestigd met diverse laboratoriumanalyses. Deze grond (voormalig slib) blijkt sterk verontreinigd met cadmium, zink en chroom en licht tot matig met bijna alle andere metalen en met PAK, olie en PCB. De sterke verontreiniging is grofweg aangetroffen in een laagdikte van 1 meter. De bodemlaag daaronder is in 2 individuele monsters (57.3 en 58.3) en in een mengmonster (59.3+60.3+61.3) onderzocht. Bij deze 3 analyses is geen sterke verhoging aangetroffen. Echter vanwege het cadmiumgehalte is deze grond in het kader van het Besluit Bodemkwaliteit (BBK) niet toepasbaar. Uitgaande van een oppervlak van ca 4500 m2, dat niet overal sterk verontreinigd is kan grofweg gesteld worden dat zich hier ongeveer 4000 m3 sterk verontreinigde grond bevindt. Daarnaast is er dus nog een volume grond dat niet sterk verontreinigd is maar in het kader van het BBK niet herbruikbaar is. Opgemerkt wordt dat deze verontreiniging immobiel is en geen belemmering vormt voor een bedrijfsbestemming