Bijlage 2a - VABP Veerse Toren - Regels & Toelichting
Tekst van het document
Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden?
Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', etc. Doorwerking plangebied In het kader van het onderzoek naar het planvoornemen dienen de externe veiligheidsrisico’s ten gevolge van activiteiten in de directe omgeving te worden geïnventariseerd. Externe veiligheidsrisico’s kunnen ontstaan door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen en over transportroutes (weg, spoor en water) en het gebruik of de opslag van gevaarlijke stoffen bij inrichtingen. In de
Hoofdstuk 4
50
Quickscan Externe Veiligheid Veerse Toren6 zijn de risicobronnen geïnventariseerd en is beoordeeld of de genoemde risicobronnen mogelijk een belemmering vormen voor de invulling van het plangebied. De rapportage is opgenomen als bijlage 17 bij deze toelichting. Transport over waterwegen Ten aanzien van de veiligheidsrisico’s in het plangebied als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het water zijn uitsluitend waterwegen van belang waar vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer is toegestaan. Het maximale invloedsgebied van gevaarlijke stoffen die over water vervoerd worden 1.070 meter bedraagt (GT3-stoffen). Binnen een afstand van 1.070 meter van het plangebied bevindt zich geen waterweg waarover structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico’s als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen over waterwegen vormen geen belemmeringen voor de planvorming. Transport over wegen Ten aanzien van de veiligheidsrisico’s in het plangebied als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg zijn uitsluitend de transportassen van belang waar structureel vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer is toegestaan. In beginsel zijn dit A- en N-wegen, binnen een straal van 4 km rondom het plangebied. Voor het plangebied zijn de rijkswegen A27 en A59 binnen een straal van 4.000 meter mogelijk relevant.
A27 Op circa 400 meter ten oosten van het deel van het plangebied waar bouwvlakken zijn geprojecteerd, bevindt zich de rijksweg A27 (wegvak B134). Deze weg is opgenomen in Basisnet. Gelet op de ruimtelijke scheiding is het plaatsgebonden risico en het plasbrandaandachtsgebied van deze weg geen aandachtspunt voor de planvorming. Aangezien het plangebied op meer dan 200 meter van de weg is gelegen, is het ook niet noodzakelijk de invloed van de planvorming op de hoogte van het groepsrisico kwantitatief inzichtelijk te maken. Op grond van de jaarintensiteiten van Rijkswaterstaat (juni 2019) blijkt dat over de A27 ter hoogte van het plangebied sprake is van LF1-, LF2-, LT1-, LT2-, GF2- en GF3-transporten. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van toxische vloeistoffen (LT1, LT2). Voor de risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over deze weg (toxisch scenario) kan worden aangesloten bij de standaard verantwoording van de gemeente Geertruidenberg. A59 De noordzijde van het plangebied grenst aan de rijksweg A59 (wegvak B102). Ook deze weg is opgenomen in Basisnet. Uit Bijlage I Tabel Basisnet weg van de Regeling basisnet volgt dat voor deze weg ter hoogte van het plangebied een PR10-6-contour geldt van 9 meter. Er is geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied.
De (geprojecteerde) bebouwing binnen het plangebied bevindt zich niet binnen de PR10-6-contour. Aangezien het plangebied is gelegen binnen een afstand van 200 meter van deze weg, dient de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico door middel van een RBMII-berekening inzichtelijk te worden gemaakt. Op grond van de jaarintensiteiten van Rijkswaterstaat (juni 2019) blijkt dat over de A59 ter hoogte van het plangebied sprake is van LF1-, LT1-, LF2-, LT2-, GF2- en GF3-transporten. De (geprojecteerde) bebouwing binnen het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van brandbare gassen (GF3) en
6
Quickscan Externe Veiligheid Veerse Toren – Kragten Omgevingsadvies (7 juni 2021) 20210607-BRO103-RAP-EV-QS 1.0
Hoofdstuk 4
51
toxische vloeistoffen (LT1, LT2). De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over deze weg (BLEVE- en toxisch scenario) moeten worden meegenomen in een verantwoording van het groepsrisico. Er kan niet worden volstaan met de standaard verantwoording van de gemeente Geertruidenberg. In verband met de voorgenomen ontwikkeling zijn de externe veiligheidsrisico’s door het transport van gevaarlijke stoffen over rijksweg A59 berekend. De rapportage7 is opgenomen als bijlage 18 bij deze toelichting. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies benoemd. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Groepsrisico In zowel de huidige als toekomstige situatie is het groepsrisico kleiner dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde. De verdere verantwoording van het groepsrisico kan achterwege blijven. Wel dient het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. In de toelichting bij het besluit dient in elk geval in te worden gegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Plasbrandaandachtsgebied De A59 heeft geen plasbrandaandachtsgebied en vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Transport over spoor Ook ten aanzien van de veiligheidsrisico’s in het plangebied als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor zijn uitsluitend spoorwegen van belang waar vervoer van gevaarlijke stoffen in bulkvervoer is toegestaan. Binnen een afstand van 4 kilometer van het plangebied zijn geen spoorlijnen aanwezig waarover structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico’s als gevolg van transporten met gevaarlijke stoffen over het spoor vormen geen belemmering voor het plan. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Buisleidingen Ten oosten van het plangebied op circa 550 meter is de buisleiding A-531 gelegen met de bijbehorende 1% letaliteitsafstand van 240 meter en 100% letaliteitsafstand van 110 meter. De buisleiding ligt op voldoende afstand, de risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen geen belemmering voor het plan. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Inrichtingen Het invloedsgebied van de inrichting ELD B.V., gevestigd aan de Zeilmakerijweg 1 te Oosterhout, reikt tot over het plangebied. De afstand tussen het plangebied en deze inrichting bedraagt circa 3,4 kilometer. Uit de informatie van de signaleringskaart blijkt dat voor deze inrichting in 2016 een risicoberekening is uitgevoerd. De oriëntatiewaarde van het groepsrisico is hierbij niet overschreden.
Gelet op het feit dat het plangebied zich aan de rand van het invloedsgebied bevindt, op een afstand van meer dan 3 kilometer, is het niet aannemelijk dat de planvorming invloed heeft op de hoogte van
7
Adviesgroep AVIV, Externe veiligheid / Ontwikkeling Hotel Raamsdonksveer. 224882 Adviesgroep AVIV BV (22 april 2022)
Hoofdstuk 4
52
het groepsrisico. Het plangebied ligt deels binnen het invloedsgebied van een inrichting. Gelet op de afstand tussen deze inrichting en het plangebied heeft de planvorming geen invloed op de hoogte van het groepsrisico van deze inrichting. Er kan worden volstaan met de standaard verantwoording van de gemeente Geertruidenberg.
4.7 Ecologie Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de herbestemming van een watertoren tot hotel, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De quickscan flora en fauna is opgenomen in bijlage 8 van deze toelichting. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Biesbosch”, bevindt zich op circa 3,4 kilometer afstand ten noordwesten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een hotel met bijbehorende parkeerplaats en landschappelijke inpassing betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Een toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is niet uit te sluiten. Derhalve is er een stikstofdepositieberekening uitgevoerd.
De resultaten van de berekening, evenals de rekenresultaten gegenereerd door AERIUS zijn opgenomen in de als bijlage 9 toegevoegde Notitie ‘AERIUS-berekening Veerse Toren te Raamsdonksveer’. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen depositie hoger is dan 0,00 mol / ha / jaar bij omliggende Natura 2000-gebieden voor zowel de bouw- als gebruiksfase. Negatieve effecten op Natura 2000 kunnen worden uitgesloten.
Hoofdstuk 4
53
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Binnen het plangebied bevinden zich onderdelen van het NNB (zie figuur 4.3). Het betreft het natuurbeheertype “N16.04 Vochtig bos met productie”.
Bij de werkzaamheden gaat een deel van het NNB verloren. Om de NNB ter plaatse te kunnen verwijderen dient een compensatieplan geschreven te worden. Dit compensatieplan is opgenomen als bijlage 7 bij deze toelichting. In deze rapportage zijn allereerst de kenmerken en waarden ter plaatse beschreven. Tevens is hierin beschreven hoeveel oppervlakte NNB aangetast wordt, en hoe deze wordt gecompenseerd. In het Compensatieplan en in paragraaf 3.2.2 is ingegaan op de herbegrenzing en compensatie van het NNB en hoe aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan waardoor de herbegrenzing doorgang kan vinden. Ter compensatie van het verlies aan ecologische waarden zal er financieel gecompenseerd worden. In totaal zal € 68.945,- gecompenseerd moeten worden.
Figuur 4.3 Ligging NNB (groen) ten opzichte van perceel plangebied (rood omlijnd)
Hoofdstuk 4
54
Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Bij de kap van het opgaand groen gaan (onderdelen van) houtopstanden verloren. Voor de kap van de bomen dient melding te worden gemaakt bij de provincie Noord-Brabant. Hiervoor dient de gekapte oppervlakte herplant te worden. Aangezien herplant plaats gaat vinden op een andere locatie dient ook een ontheffing te worden aangevraagd, waarbij aangegeven wordt hoeveel en waar gekapt en herplant gaat worden, en op welke (bosbouwkundig verantwoorde) wijze dit plaats gaat vinden.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb) Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb) Komen soorten van de beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend.
In tabel 4.9 is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Conclusie Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen: Met betrekking tot de sloop zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Hiertoe is een nader vleermuisonderzoek uitgevoerd. Uit dit nadere onderzoek volgt dat binnen en in de directe omgeving van het plangebied geen rust- en verblijfplaatsen van een vleermuissoort zijn
Hoofdstuk 4
55
waargenomen. Overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming met betrekking tot een vleermuissoort is uitgesloten. Er hoeft geen ontheffing te worden verkregen, noch zijn er enige vervolgstappen noodzakelijk met betrekking tot deze soort(groep)en. Het nader onderzoek is opgenomen als bijlage 23; Ten aanzien van vleermuizen dient het verlichtingsplan in overleg met een ter zaken kundige ecoloog tot stand te komen om verlichting gericht en uitschijnend op opgaand groen zoveel mogelijk te vermijden; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten. De kap van het opgaand groen dient buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart t/m half augustus; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen depositie hoger is dan 0,00 mol / ha / jaar bij omliggende Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op Natura 2000 kunnen worden uitgesloten. Ten behoeve van het NNB is een compensatieplan opgesteld (zie bijlage 7). Een melding en ontheffing is noodzakelijk met betrekking tot het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet).
Hoofdstuk 4
56
Soortgroep
Algemeen
Potentieel
Sprake van
Vervolgtraject /
Bijzonderheden /
aanwezig
overtreding
maatregelen
opmerkingen
Ja
Te
Plangebied buiten
Globale broedseizoen
voorkomen
broedseizoen bouwrijp maken
loopt van maart tot half
of controle vooraf
augustus -
Broedvogels
Jaarrond
Nee
Nee
-
Ja
Mogelijk,
Vervolgonderzoek naar
Afhankelijk van de
maar na
gebruik van gebouw door
invulling van de
nader
vleermuizen. Hieruit volgt dat
werkzaamheden zal
onderzoek
vleermuizen niet aanwezig
wordenbepaald in
uitgesloten
zijn.
hoeverre het treffen van
beschermd VerblijfVleermuizen
plaatsen
maatregelen dan wel het aanvragenvan een ontheffing aan de orde is Foerageerhabitat
Vliegroutes
Ja
Ja
Te
Verlichtingsplan in overleg
Bij het opvolgen van
voorkomen
met een ter zaken kundige
deze maatregelen is een
ecoloog opstellen om
overtreding omtrent
verlichting gericht en
foerageergebied en
uitschijnend op opgaand
vliegroutes uitgesloten
Te voorkomen
groen te vermijden Grondgebonden zoogdieren
Ja
Te
Zorgplicht afdoende
voorkomen
Heeft betrekking op een soort als de egel
Reptielen
Nee
Nee
-
-
Amfibieën
Ja
Te
Zorgplicht afdoende
Heeft betrekking op een
voorkomen Vissen
Ja
Te
soort als de gewone pad Zorgplicht afdoende
voorkomen
Fauna in de gelegenheid te stellen tijdig weg te komen
Ongewervelden
Nee
Nee
-
Vaatplanten Nee Nee Tabel 4.9 Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen
-
4.8 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Hoofdstuk 4
57
Doorwerking plangebied Ten behoeve van de gewenste herontwikkeling van de Veerse Toren en het omliggende gebied tot hotellocatie is een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 uitgevoerd8. Het doel van het onderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit op de locatie en daarmee mogelijke verontreinigingen in grond en grondwater te signaleren welke consequenties kunnen hebben voor de geplande herontwikkeling van de locatie en nieuwbouw van een hotel. De belangrijkste resultaten uit het verkennend bodemonderzoek worden in deze toelichting besproken, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 10 bij deze toelichting. De gestelde hypothese dat de locatie als ‘onverdacht’ beschouwd kan worden ten aanzien van chemische parameters is niet juist gebleken op basis van de aangetoonde licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen in de zintuigelijk baksteen- en kolengruishoudende laag in de ondergrond. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter een representatief beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Bovendien vormen de gemeten gehalten in de ondergrond geen belemmering voor het toekomstig gebruik. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen zijn voor de geplande herontwikkeling van de locatie en nieuwbouw van een hotel.
4.9 Water Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal, waterschapsnaar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Naast dit beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant (2016 – 2021) ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Het ‘PMWP’ staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Verder dient rekening gehouden te worden met de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant in verband met het inwerking treden van de Omgevingswet.
Voor het grotere oppervlaktewater zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Brabantse Delta. De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan
8
Lycens, Verkennend bodemonderzoek Oosterhoutseweg 18 te Raamsdonksveer, 2022-0023-003 versie 1.0, d.d. 16 mei 2022
Hoofdstuk 4
58
beschreven in het waterbeheer-plan “Grenzeloos verbindend” en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied, voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’. De drie Brabantse waterschappen De Dommel, Aa en Maas en Brabantse Delta hebben hiervoor een gezamenlijke Keur opgesteld. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet een vergunning aanvragen. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels.
Afhankelijk van de werkzaamheden in het oppervlaktewater kan een vergunning benodigd zijn. Bij grote nieuwbouwlocaties en afkoppeling van hemelwater kan als richtlijn 60 mm waterberging aangehouden worden. Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(her/ver)bouwplannen worden door de bevoegd overheid getoetst en gekeurd. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het beleid van de gemeente Geertruidenberg is er voornamelijk gericht op het afkoppelen van nieuwbouw en het verhard oppervlak binnen de gemeente beperkt te houden. Hierdoor kan de gemeente zicht klimaatrobuust opstellen tegen de verwachten gevolgen van de klimaatverandering. Bij voorkeur wordt hemelwater bovengronds en zichtbaar verwerkt, bijvoorbeeld door de aanleg van wadi’s of oppervlaktewater. Doorwerking plangebied Bij de herontwikkeling van het plangebied is het noodzakelijk om hydrologisch neutraal en klimaatrobuust te ontwikkelen. Het is verplicht om het huidige (grond)watersysteem in kaart te brengen en de mogelijke effecten van het planvoornemen te beoordelen en hoe er met de toekomstige (afval)waterstromen wordt omgegaan, zodat wateroverlast vermeden kan worden. Derhalve heeft Aeres Milieu een waterparagraaf opgesteld en een infiltratie onderzoek uitgevoerd.
De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 11 bij deze toelichting. Grondwater Voor de nieuwbouw rond de watertoren is voldoende drooglegging benodigd om wateroverlast in de toekomst te vermijden. Hierbij is o.a. de bestaande hoogteligging van belang. Rond de watertoren ligt het plangebied op circa 2,2 m +NAP en loopt af in oostelijke richting naar 1,2 m +NAP langs de Oosterhoutseweg. Ten westen van de afrit, richting het water, ligt het plangebied op circa 0,2 m +NAP. De afrit zelf loopt af van oost (4,1 m +NAP) naar noord (+1,8 m +NAP). De Oosterhoutseweg kruist de A59 doormiddel van een brug (7,5 m +NAP) en passeert de afrit op circa 4,2 m +NAP.
Hoofdstuk 4
59
Tijdens het veldwerk (d.d. 13 juli 2021) zijn diepe boringen (max. 4,3 m-mv) geplaatst om de lokale bodemopbouw vast te stellen. Hieruit blijkt dat de toplaag uit matig humeus, matig kleiig, matig fijn zand bestaat. Deze laag heeft een dikte van circa 0,5 m in het westelijk deel en 2,0 m in het oostelijk deel van het plangebied. Deze laag wordt opgevolgd door een sterk zandige kleilaag van gemiddeld 1 meter dik. Uiteindelijk gaat de bodem over in een zwak siltige, zeer fijne zandlaag met een lichtgrijze kleur. Een uitzondering hierop is het zuidelijke deel van het plangebied waar de toplaag overgaat in een kleilaag vanaf circa 0,4 m met een dikte van 1,7 meter. Vervolgens gaat de bodem over in een sterk kleiige veenlaag tot circa 3,0 m-mv. Raamsdonksveer ligt in het peilbesluit van Oosterhout-Waalwijk, dat is vastgesteld door het Waterschap Brabantse Delta. Binnen dit peilbesluit ligt het plangebied in het peilvlak Karthuizer Polder met een zomerpeil van -0,65 m NAP en een winterpeil van -0,90 m NAP. Het grondwaterniveau zal meer of min dezelfde peil aanhouden als het peilbesluit, echter dit kan lokaal verschillen. Het plangebied kent een relatief hoge ligging in de omgeving en heeft daardoor een diepe ontwateringsdiepte. Bij eenzelfde bouwpeil als bestaand is derhalve geen grondwateroverlast te verwachten.
Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied en in de omgeving zijn geen grondwateronttrekkingen of -verontreinigingen bekend. Oppervlaktewater Langs afslag 34 is momenteel een B-watergang aanwezig (onderhoud door Rijkswaterstaat). Ook loopt er rond het terrein van de watertoren een watergang zonder status. Deze zijn ook zichtbaar op afbeelding 3. Ten westen van het plangebied ligt de Nionplas. Deze is eigendom van de gemeente Geertruidenberg en heeft geen leggerstatus. Het plangebied ligt binnen de beschermingszone van de regionale waterkering die langs de Kloosterweg ligt (noordelijk van de A59). Bij werkzaamheden binnen deze beschermingszone dient voldaan te worden aan aanvullende maateregelen zoals beschreven in de Keur. Tevens is rondom de plas een beschermingszone voor de waterhuishouding aanwezig. De beschermingszone zoals aangegeven op de leggerkaart betreft de zone vanuit de regionale kering die aan de noordzijde van de A59 nabij de Oude Oosterhoutseweg ligt. De taluds van het de rijksweg en het viaduct vormen nu de beëindiging van de kering. Als gevolg van de reconstructie van het knooppunt worden deze taluds al grotendeels veranderd en vinden er al diverse verlagingen en ophogingen plaats. De ingrepen in het maaiveld die met de inrichting van het terrein rondom het hotel gemoeid zijn zullen dan ook beperkt van invloed zijn.
Bij verdere uitwerking van het plan wordt over de invloed met het waterschap overleg gevoerd. Afvalwater De huidige bebouwing is aangesloten op een gemengd rioolstelsel van de gemeente. Bij nieuwbouwprojecten wordt zoveel mogelijk ingezet op het scheiden van afval- en hemelwater, zodat de druk op het stedelijk waterbeheer verminderd en alleen vuilwater wordt gezuiverd in de RWZI. Bij de nieuwbouw / renovatie zal een gescheiden rioolstelsel worden aangelegd, zodat het vuilwater apart kan worden aangeboden aan de gemeente. Door de bestemmingswijziging tot een hotel/horeca gelegenheid met circa 150 hotelkamers, zal de vuilwaterstroom toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Naar verwachting zal de totale vuilwaterstroom circa 20-25 m3/dag bedragen met piekmomenten in de ochtend en avond (gebruik sanitaire voorzieningen). Hiervoor dient het
Hoofdstuk 4
60
toekomstig stelsel op eigen terrein voorzien te worden. Afhankelijk van de bestaande capaciteit dient de bestaande gemeentelijke riolering aangepast te worden. Voor de wijziging aan de aansluiting dient bij de gemeente Geertruidenberg tijdig een aanvraag te worden ingediend. Hemelwater Het afkoppelen en infiltreren van neerslag levert een positieve hydrologische bijdrage, mits de juiste milieuhygiënische maatregelen worden getroffen. Bij nieuwe ontwikkelingen dient hemelwater, afkomstig van ‘schoon’ afvoerend oppervlak, waar mogelijk, ter plaatse geïnfiltreerd te worden. Momenteel is het plangebied deels verhard met bebouwing, parkeerplaatsen en de afslag van de A59. Rondom zijn enkele watergangen aanwezig die het hemelwater verwerken. Zover bekend is een gedeelte ook aangesloten op het rioolstelsel. Door het verhard oppervlak komt het hemelwater versneld tot afvoer en zal daardoor versneld verwerkt moeten worden (riool/oppervlaktewater/infiltratie). Het landelijke beleid is erop gericht om zo min mogelijk verhard oppervlak aan te brengen bij nieuwbouw of herinrichting van percelen en het streven naar lokale verwerking van het hemelwater. Bij een toename in verharding zal gecompenseerd moeten worden volgens het geldende beleid. Voor de hemelwaterverwerking is een overzicht gemaakt van de bestaande verhardingen.
De huidige verharding is vastgesteld op basis van topografische kaarten en satellietbeelden, waarbij de afrit is meegerekend in de huidige verharding. De verwachte toekomstige verharding is ingeschat op basis van de concept regiekaart. Hierbij is er onder andere vanuit gegaan dat de parkeerplaatsen volledig verhard zijn en een deel van de buitenruimte verhard zullen zijn. Tabel 4.10 geeft de verschillen in verharding tussen de huidige en toekomstige situatie weer.
Tabel 4.10 Bijkomend verhard oppervlakte
Het planvoornemen zal leiden tot een verhardingstoename van circa 9.282 m2. Volgens het beleid van het Waterschap Brabantse Delta dient voor deze toename een watercompensatie te worden aangelegd. Hierbij dient gerekend te worden met een bui van 60 mm en gevoeligheidsfactor 1, wat overeenkomt met een bergingseis van circa 557 m3. De Brabantse Keur stelt de volgende minimale eisen aan een hemelwatervoorziening: De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG); De afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen. Uit het infiltratieonderzoek blijkt dat er in het zuid- en oostelijk deel een matige tot goede infiltratiesnelheid aanwezig is. Het is mogelijk om een infiltratievoorziening te realiseren binnen het plangebied. Wel gaat de voorkeur uit naar bovengrondse voorzieningen met enige grondverbetering of mogelijkheden tot (nood)overloop naar het bestaand oppervlaktewater gezien de aanwezige
Hoofdstuk 4
61
bodemopbouw met een tussengelegen kleiig pakket. Daarnaast is het door de ligging nabij de Nionplas mogelijk om eventueel hierin de watercompensatie in te passen waardoor geen aanvullende voorziening op het perceel aangelegd dient te worden. In overleg met de gemeente in relatie met de nieuwbouw kan deze plas hiervoor ook uitgebreid worden. Binnen het plangebied zijn verschillende mogelijkheden om het hemelwater te verwerken. Er is afdoende ruimte om de benodigde berging in te passen. De afmetingen zijn afhankelijk van uiteindelijke voorkeuren, gekozen locatie en type voorziening. Hieronder volgt een overzicht van de mogelijkheden en deze zijn in figuur 4.4 gevisualiseerd: Toepassing waterdoorlatende parkeervakken / bestrating (granulaatfundering ca. 600- 850 m3); Aanvulling met greppels rondom of infiltratiekratten (of Rockflow, grindkoffers, ect.) onder de parkeerplaats; Aanleg van een wadi in het centrale deel, waarbij het hemelwater kan infiltreren, eventueel met grondverbetering/ Toepassing groendak / daktuin met bergend vermogen op het nieuwe hotelgebouw; Grindpalen naar de verzadigde ondergrond; (Deels) gefilterd afvoeren naar de plas en deze uitbreiden op eigen perceel (in overleg met de gemeente); Combinatie van bovenstaande voorzieningen.
Vooralsnog gaat het plan uit van de toepassing van waterdoorlaatbare parkeerplaatsen en een eventuele overloopvoorziening tussen de nieuwbouw en Napoleonroute.
Figuur 4.4 Maatregelen ten behoeve van de waterberging (bron: BRO)
Bij de uiteindelijke hemelwatervoorziening moet worden voldaan aan de geldende eisen, zoals deze beschreven staan in de Keur. Gezien de aanwezige kleilagen en plaatselijk slechte doorlatendheid dient voldoende berging ingepast te worden met een noodoverloop naar het oppervlaktewater.
Hoofdstuk 4
62
Binnen het plangebied is afdoende ruimte aanwezig om waterberging lokaal in te passen met een overloop naar het bestaand oppervlaktewater noordwestelijk of de grote plas (in overleg met de gemeente). Door het in acht nemen van de genoemde randvoorwaarden en aandachtspunten in deze rapportage, de ruimte binnen plangebied voor een hemelwatervoorziening en de beperkte invloed op het waterhuishoudkundige systeem, kan er vanuit een hydrologisch opzicht positief worden ontwikkeld. Bij het definitieve bouwplan dient de uiteindelijke hemelwatervoorziening opgenomen te zijn. Het omliggend terrein dient zo aangelegd te worden dat excessief water kan afstromen naar het oppervlaktewater of nabijgelegen groen. Bij het eventueel aanbrengen van groene daken dient de extra massa in beschouwing te worden genomen. Opgemerkt wordt dat een groen dak aanvullende positieve effecten heeft op de isolatiewaarde, biodiversiteit en verlaging van de hittestress. De B- watergang ter plaatse van het plangebied voorziet in de afkoppeling van hemelwater vanuit de op/ - afrit. Bij de sloop van de afrit verliest deze zijn functie en kan naar verwachting gedempt worden. In deze B-watergang is een bepaalde bergingscapaciteit aanwezig. Deze zal gecompenseerd worden in het peil-gebied. Dit wordt uitgewerkt in het buitenruimteplan.
De aanrijroute voor de A-watergang ten westen van het plangebied blijft beschikbaar in de nieuwe situatie. Via de nieuwe parkeerplaats zal een aansluiting worden gemaakt vanaf de Napoleonroute naar het pad aan de Noordzijde van de plas. Eventueel benodigde vergunningen worden niet middels deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Wanneer een bronnering nodig is voor de bouwwerkzaamheden of bij ingrepen op de plaatselijke waterhuishouding (lozing/infiltratie of werkzaamheden in (de buurt van) een watergang), moeten vergunningen/meldingen aangevraagd worden middels het Omgevingsloket.
4.10 Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die naar verwachting in 2023 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2023 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden.
Gemeentelijke beleidskaart De gemeente Raamsdonksveer heeft haar archeologisch beleid vertaald in een paraplubestemmingsplan. Volgens het Parapluplan Archeologie wat op 11 februari 2021 door de gemeente is vastgesteld, kent de noordoostelijke helft van het plangebied de dubbelbestemming
Hoofdstuk 4
63
‘Waarde-Archeologie 4’ en het zuidwestelijke gedeelte van het plangebied ‘Waarde-Archeologie 5’ met de gebiedsaanduiding ‘overige zone – afgegraven of ontgronden terreinen’. ‘Waarde-Archeologie 4’ komt overeen met een hoge archeologische verwachting, deze verwachting omvat dekzandruggen en kleine dekzandvlaktes. Hiervoor geldt dat voor verstoringsoppervlakten groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm onder het maaiveld archeologisch onderzoek is vereist. ‘Waarde-Archeologie 5’ komt overeen met een middelhoge archeologische verwachting. Deze categorie omvat oeverkanten, het gebied rondom het Oude Maasje, de zone langs de Donge, middeleeuws cultuurlandschap bij AMK-terreinen. Kartuizerklooster, Dryas terras en de grote doorbraakkreek op het Dryas terras. Hiervoor geldt dat voor verstoringsoppervlakten groter dan 1.000 m2 en dieper dan 50 cm onder het maaiveld, een archeologisch onderzoek dient uit te wijzen dat de archeologische waarden niet worden aangetast. Een deel van het plangebied staat op de beleidskaart aangegeven als afgegraven of ontgronde terreinen. Voor deze gebieden geldt de norm omtrent het eisen van archeologisch onderzoek in de desbetreffende dubbelbestemming. Daarnaast kan rekening worden gehouden met bestaande verstoring en in welke mate een nieuwe bodemverstoring de archeologische lagen betreft.
Bij activiteiten in deze gebieden die een verdergaande bodemverstoring inhouden dan de verstoring die in de normen is vrijgesteld van archeologisch onderzoek, wordt in overleg met de gemeente bepaald of archeologisch onderzoek nodig is (maatwerk). Daarbij dient de diepte van de veronderstelde bodemverstoring aangetoond te worden in relatie tot de veronderstelde diepteligging van de hoogst liggende archeologisch relevante bodemlaag (schriftelijk indien ontvankelijk of boringen). Doorwerking plangebied Het oppervlak en de verstoringsdiepte van de geplande bodemingrepen in het gebied overschrijden de vrijstellingsgrenzen voor beide categorieën waardoor archeologisch onderzoek verplicht is. In het parapluplan wordt voor deze gebieden een bureauonderzoek gevraagd, gevolgd door in Inventariserend Veldonderzoek verkennende fase om de bodemopbouw in beeld te brengen en de archeologische verwachting te staven. Derhalve is in eerste instantie een bureauonderzoek uitgevoerd9. Bureauonderzoek archeologie Het bureauonderzoek is opgenomen in bijlage 12 van deze toelichting, de belangrijkste resultaten worden onderstaand besproken. Geadviseerd wordt om binnen het plangebied een vervolgonderzoek uit te voeren door middel van verkennende boringen.
Het onderzoeksgebied heeft een oppervlak van ca 3,20 hectare waarvan een groot deel (ca 13.086 m2) door zandwinning is afgegraven (westelijk gedeelte van het plangebied). Hier worden dan ook geen intacte archeologische resten verwacht en wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. De twee andere zones (ca. 776 m2/2.763 m2) met afgravingen of ontgrondingen moeten wel worden onderzocht om deze met zekerheid af te kunnen schrijven. Ook het deel van het plangebied buiten de afgegraven of ontgronde gebieden (ca. 16.038 m2) moet nader worden onderzocht. In totaal betreft dit ca 1,96 hectare waardoor binnen het plangebied 12 boringen gezet dienen te worden.
9
Lycens, Bureauonderzoek Veerse Toren, Oosterhoutseweg, Raamsdonksveer. 2021-0422 Lycens Archeologisch Rapport 46 versie 1.0. d.d. 15 juli 2021
Hoofdstuk 4
64
Het bureauonderzoek is voorgelegd aan de bevoegde overheid, in dit geval de gemeente Geertruidenberg. Aangegeven is dat met het door het onderzoeksbureau gegeven selectieadvies, vervolgonderzoek in de vorm van verkennende boringen te doen uitvoeren binnen het omschreven plangebied met uitzondering van het gedeelte dat door zandwinning is afgegraven, kan worden ingestemd. Monumentenhuis Brabant adviseert dat laatstgenoemde gedeelte wordt vrijgegeven voor de voorziene planontwikkeling en (bouw)vergunning wordt verleend door de Gemeente Geertruidenberg onder voorwaarde, dat bij eventuele toevalsvondsten hiervan melding wordt gedaan conform art. 5.10 van de Erfgoedwet, die vanaf 1 juli 2016 van kracht is. Inventariserend veldonderzoek Naar aanleiding van het bureauonderzoek en het selectieadvies van de gemeente Geertruidenberg is er een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. De rapportage10 is opgenomen als bijlage 13 bij deze toelichting, onderstaand zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Het verkennend booronderzoek heeft aangetoond dat het archeologisch relevante niveau, de top van de pleistocene afzettingen, deels nog intact is binnen het plangebied. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen een beekdal en de top van het dekzand. Voor de twee zones gelden twee verschillende adviezen (zie figuur 4.5).
In het westelijke deel van het plangebied (boring 1) is een beekdal aanwezig. Aangezien in beekdalen geen sprake is van een vondst- of sporenniveau, maar van zogeheten ‘puntvondsten’ (losse vondsten), kan deze zone het beste worden onderzocht door de geplande bodemingrepen archeologisch te begeleiden. Voor een archeologische begeleiding is een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk. In de top van het pleistocene dekzand worden resten verwacht uit het laat-paleolithicum en mesolithicum. Vindplaatsen uit deze periode kenmerken zich door vondststrooiingen en ondiepe sporen zoals haardkuilen. Daar waar de top van het dekzand is verdwenen worden daarom geen resten meer verwacht, voor deze zone wordt dan ook vrijgave geadviseerd. In boringen 6, 7, 11 en 12 (oostelijk deel van het plangebied) is nog sprake van een B-horizont in de top van het dekzand. Voor deze zone wordt daarom geadviseerd een karterend booronderzoek uit te voeren om vast te stellen of er sprake is van een archeologische vindplaats, zie ook figuur 4.5.
10
Lycens, Inventariserend veldonderzoek (IVO-O) Veerse Toren, Oosterhoutseweg, Raamsdonksveer. 2021-0422 Lycens Archeologisch Rapport 119 versie 1.1. d.d. 13 april 2022
Hoofdstuk 4
65
Figuur 4.5 Advies vervolgonderzoek (bron: Inventariserend veldonderzoek Lycens)
Over de bevindingen en aanbevelingen uit het verkennend booronderzoek dient contact opgenomen te worden met de bevoegde overheid, in dit geval de gemeente Geertruidenberg. De gemeente zal een selectiebesluit nemen. Vooralsnog is een dubbelbestemming opgenomen ter bescherming van het archeologische bodemarchief. Bij vergunningverlening kunnen de resultaten uit de uitgevoerde onderzoeken betrokken worden bij de afweging of, waar en op welke wijze archeologische vervolgonderzoeken uitgevoerd dienen te worden.
4.11 Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Hoofdstuk 4
66
Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Doorwerking plangebied Het plangebied is volgens de CHW verder gelegen in ‘de Baronie’. De Baronie is onderdeel van het dekzandplateau dat doorsneden wordt door beken. De Aa of Weerijs en de Mark bevinden zich in het westelijk deel. In het oostelijke gedeelte ligt de breuklijn die de westgrens vormt van de Roerdal Slenk. In het zuiden stromen 't Merkske, de Chaamse beken en de Strijbeekse beek. Het zandlandschap bestaat uit een grofmazige mozaïek van oude en jonge zandontginningen en bossen. Kenmerkend voor de oude zandontginningen zijn dorpen en buurtschappen zonder open akkercomplexen en bijhorende groenstructuren. Bij de uitwerking van het landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met het cultuurhistorische landschap. Niet alleen in gebouwde zin wordt er een hoog ambitieniveau gehanteerd, ook de landschappelijke inrichting rondom de watertoren en de plas krijgt een kwalitatieve impuls, zie hiervoor bijlage 4 het landschappelijk inpassingsplan. De Watertoren is door de Rijksdienst van het Cultureel Erfgoed aangewezen als Rijksmonument.
In al een vroeg stadium van de planontwikkeling is er door Hylkema Erfgoed een onderzoek gedaan naar de herbestemmingsmogelijkheden van de Watertoren11. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 15 van deze toelichting. In dit onderzoek is er o.a. een bouwhistorische verkenning en bouwtechnisch onderzoek gedaan. Tevens is er onderzoek gedaan naar de herbestemmingsmogelijkheden. De resultaten zijn mede het vertrekpunt geweest voor het schetsplan voor de herontwikkeling. In de rapportage wordt op basis van het huidige schetsplan geconcludeerd dat de transformatie van de watertoren in combinatie met nieuwbouw de monumentale waarde zoveel mogelijk lijkt te respecteren en vergeleken met de huidige situatie lijkt te versterken. In het destijds huidige schetsontwerp werd nog niet gedetailleerd ingegaan op de watertoren, daarom is in de rapportage een advies opgenomen, waarbij de handreiking van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed is toegespitst op de cultuurhistorische waarden van de watertoren in Raamsdonksveer. In de rapportage is geadviseerd om bij een nadere invulling rekening te houden met een aantal opgesomde adviezen/opmerkingen: Het karakteristieke reservoir; Oude trappen en technische voorzieningen; Bestaande vensters terugbrengen.
Eventuele nieuw aangebrachte vensters moeten het effect van de oorspronkelijke vensters niet teniet doen; Duurzaamheid en condensvorming; Nieuwe toevoegingen / ingrepen die nodig zijn voor een herbestemming worden bij voorkeur reversibel uitgevoerd. Als dit niet mogelijk is dan dienen de monumentale waarden zo veel mogelijk gerespecteerd te worden. Deze adviezen zijn meegenomen bij de definitieve uitwerking van het schetsplan. De watertoren is een Rijksmonument van algemeen belang. De toren heeft cultuurhistorische waarde al bijzondere illustratie van de ontwikkeling van de watervoorziening in Noord-Brabant. Voorts is het object van belang als voorbeeld van de typologische ontwikkeling van de betonnen watertoren. Het gebouw heeft architectuurhistorische waarde vanwege de plaats die het inneemt binnen het werk van
11
Hylkema Erfgoed, Herbestemmingsonderzoek Watertoren Raamsdonksveer, 0751, d.d. 5 februari 2019
Hoofdstuk 4
67
de architect Sangster en vanwege het bijzondere materiaalgebruik. De watertoren heeft ensemblewaarde als beeldbepalend gebouw in het open landbouwgebied ten zuiden van het dorp Raamsdonkveer. Tot slot bezit de watertoren architectuurhistorische zeldzaamheid: als voorbeeld van het werk van Sangster is het zeldzaam geworden. Zoals in paragraaf 3.1.1 reeds beschreven is er in het kader van de voorgenomen ontwikkeling overleg plaatsgevonden met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) via de Stichting Monumentenhuis Brabant. Het verslag (d.d. 26 november 2019) is opgenomen als bijlage (bijlage 6). Aandacht wordt gevraagd voor de omgang met de watertoren, zowel met betrekking tot het interieur als het exterieur. Hierover heeft in juli 2021 nader (voor)overleg met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed plaatsgevonden. RCE staat positief ten opzichte van de herbestemming van de watertoren. Er zijn enkele opmerkingen gedaan, bij verder planuitwerking zal hier, waar mogelijk, rekening mee worden gehouden. Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van Provincie Noord-Brabant is het plangebied aangeduid als Complex van cultuurhistorisch belang (Provinciaal cultuurhistorisch belang). De watertoren van Raamsdonksveer is gebouwd in 1925 en ontworpen door architect Hendrik Sangster. De toren heeft een hoogte van 43,85 meter en één waterreservoir van 300 m³.
Deze watertoren, rijksmonument, heeft een achthoekige schacht met koepel een hoge plint, donkere pilasters en horizontale lijsten. Na een grondige renovatie, rond 1990, is de watertoren in gebruik genomen door een kunstuitleen voor bedrijven en instellingen in Nederland en België. Er is dus sprake van een cultuurhistorisch waardevol terrein. Derhalve is door Cuijpers Advies een cultuurhistorisch waarderapport opgesteld12 van de oude watertoren die bekend staat als de ‘Veerse Toren’. Dit cultuurhistorische waarderapport is opgenomen als bijlage 14 bij deze toelichting. De ‘Veerse Toren’ is een markant gebouw, dat velen herkennen en dat de kruising van de A27 met de A59 markeert. De toren staat ook op een markante plek, waar verschillende belangrijke gebeurtenissen uit de lokale en de Nederlandse geschiedenis zich hebben afgespeeld. In de rapportage, welke is opgenomen in de bijlagen wordt hier nader op ingegaan. Eén van die belangrijke gebeurtenissen is het aanleggen van de route Parijs-Breda-Amsterdam, in opdracht van Napoleon. Waartoe onder meer in 1812 een nieuwe verbinding werd aangelegd tussen Breda-Teteringen en Raamsdonksveer, de huidige Oosterhoutseweg. Dergelijke “Napoleonsbanen” waren geweldige verbeteringen in het wegennet. Met het planvoornemen wordt naast de renovatie van het Rijksmonument, ook deze historische Napoleonroute met talud weer zichtbaar gemaakt.
De oorspronkelijke napoleonsroute tussen Donge en Triangel wordt door het toevoegen van bomenrijen weer herkenbaar gemaakt. De ontwikkeling draagt hiermee bij aan het behouden en versterken van de cultuurhistorische waarden van het plangebied. Het aspect cultuurhistorie is voldoende onderbouwd en beoordeeld en vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.12 Gezondheid Aangezien het om een functie gaat waar sprake is menselijk verblijf (met relatief veel mensen) is de beoogde ontwikkeling in het kader van gezondheid als een ‘gevoelige’ functie te beschouwen.
12
Cuijpers Advies, De Veerse Toren, Markering van een historisch landschap, 12151-v1.1, d.d. 7 mei 2021
Hoofdstuk 4
68
Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient er ook te worden ingegaan op de afstand van het plangebied tot de percelen die in gebruik zijn door de tuinbouwbedrijven en de daarbij behorende spuitzones. Ondanks dat er geen wettelijke afstand is voorgeschreven voor een spuitzone, wordt een afstand van 50 meter tussen een (fruit)boomgaard en een gevoelige bestemming (wonen) in het algemeen tot uitgangspunt genomen vanwege mogelijk vrijkomende drift bij het bespuiten van fruitbomen. In de omgeving van het plangebied zijn geen tuinbouwbedrijven gelegen. Hoogspanningslijnen Ten westen van het plangebied lopen twee hoogspanningslijnen. De dichtstbijzijnde hoogspanningslijn betreft de lijn Geertruidenberg-Eindhoven en voor deze hoogspanningslijn geldt een indicatieve zone van 100 meter aan beide zijden van de hoogspanningslijn. De andere hoogspanningslijn betreft de lijn Oosteind-Geertruidenberg en voor deze hoogspanningslijn geldt een indicatieve zone van 70 meter aan beide zijden van de hoogspanningslijn. Gezien de hoogspanningslijnen op minstens 1 kilometer afstand liggen van het plangebied, vormen de lijnen geen belemmering voor onderhavig plan.
Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Of daadwerkelijk advies wordt ingewonnen bij de GGD is een afweging van het bevoegd gezag. Globale toetsing aan het stappenplan wijst uit dat de planlocatie buiten de richtafstanden ligt die aangehouden moeten worden rondom varkens- en pluimveehouderijen en endoxotinen. Derhalve, alsmede de achtergrondconcentratie (zie paragraaf 4.5), is er geen reden om een advies van de GGD te vragen. Het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 hoeft niet doorlopen te worden. Een advisering van de GGD hoeft niet te worden gevraagd voor dit plan. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico op deze locatie. Dit onderdeel zorgt dan ook niet voor belemmeringen. Geitenhouderijen Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 km van het plangebied liggen geen geitenhouderijen.
Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico Varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Voor de locatie geldt dat er geen sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Er zijn geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen wat betreft gezondheidsaspecten.
4.13 M.E.R.-plicht Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een hotel met restaurant mogelijk. Een bestemmingsplan hiervoor kan op twee wijzen m.e.r.-plichtig zijn.
Hoofdstuk 4
69
Wet milieubeheer De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D 10 van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen”. Voor ontwikkelingen die betrekking hebben op onderstaande punten geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een activiteit die betrekking heeft op: 250.000 bezoekers per jaar; Een oppervlakte van 25 hectare of meer of; Een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied. Het hotel krijgt 150 kamers. Bij een bezettingsgraad van de kamers van 70% en het aantal personen per kamer van 1,6 (Horwath/Hosta, 2020) komt het aantal bezoekers van het hotel op jaarbasis neer op circa 61.320. Hierbij moet wel gesteld worden dat er géen correctie is toegepast op verblijfsduur langer dan 1 nacht. Dit aantal ligt ruim onder de drempelwaarde. Daarnaast blijft de ontwikkeling van het hotel ruim onder drempelwaarden met betrekking tot het aantal hectares. De ontwikkeling valt voor de functies en activiteiten restaurant en congres primair onder onderdeel D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.
Hiervoor is het volgende opgenomen: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling (met inbegrip van de bouw van een winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2. Daarnaast zal ook het totaalaantal bezoekers op jaarbasis van het gehele complex niet boven de 250.000 uitkomen. Voor de restaurantfunctie kan uitgegaan worden van 120.000-150.000 gasten per jaar. Hieronder bevinden zich evenwel ook hotelgasten, die reeds ter plekke zijn. Indien hiervoor een correctiefactor van ten minste een derde (33%) wordt gehanteerd is een reële worst-case inschatting van het aantal gasten dat uitsluitend het restaurant bezoekt nog circa 100.000 op jaarbasis. Voor de congresfunctie zijn geen landelijke cijfers bekend. De meeste van de bezoekers zullen ook eten/slapen in het restaurant/hotel. Wanneer wordt uitgegaan van een bezetting van 50 personen per 200 vergaderdagen (excl. weekend en vakanties) die geen gebruik maken van een hotel en/of restaurant, komt het aantal bezoekers voor de congresfunctie op 10.000 op jaarbasis en zou nog steeds niet boven de drempelwaarde uitgekomen worden. Met 61.320 hotelgasten, 100.000 restaurantgasten en 10.000 congresgasten komt het totaal aantal bezoekers op jaarbasis op 171.320.
Hiermee komt het aantal bezoekers van het gehele complex per jaar ruim onder de drempelwaarde van 250.000. Tevens blijft de ontwikkeling van het hotel ruim onder de drempelwaarden met betrekking tot het aantal hectares. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Er dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. De aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen in bijlage 19 van deze toelichting.
Hoofdstuk 4
70
Gezien het vorenstaande en de opgestelde aanmeldnotitie en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. Derhalve wordt aanbevolen een gemeentelijk besluit voor te bereiden waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming ten behoeve het bestemmingsplan Veerse Toren Raamsdonksveer geen milieueffectrapportage wordt vereist. Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht.