Bijlage 1a BP Het Veerse Dok_Toelichting
Tekst van het document
Daarbij moet cumulatie met andere geluidbronnen van industrielawaai worden betrokken. Bij een geluidzone van een geluidgezoneerd industrieterrein is dit al het geval: alle bedrijven en ook lege kavels zijn hierin vertegenwoordigd. Tevens zijn er geen relevante bronnen van industrielawaai die niet op het geluidgezoneerd industrieterrein zijn gelegen. Geluidbelasting als gevolg van de nabijheid van bedrijventerrein Gasthuiswaard ten opzichte van het plangebied wordt derhalve acceptabel geacht.
Ligging plangebied (blauwe cirkel) ten opzichte van de geluidzone (oranje contour) vanwege het bedrijventerrein Gasthuiswaard.
Ten noordoosten is op circa 140 meter van het plangebied een bedrijfsbestemming gelegen (Aakschipper 10). Het betreft hier een perceel voor onder meer bedrijven die
Bestemmingsplan “Het Veerse Dok”
53
zijn genoemd in bijlage 1 (Staat van bedrijfsactiviteiten) onder de categorieën 1 en 2. Hiervoor geldt dat een afstand van 30 meter tot gevoelige functies aangehouden moet worden. Voor het perceel met horecabestemming (Café Berende), gelegen op circa 180 meter ten noordoosten van het plangebied, geldt dat een afstand van 10 meter tot gevoelige functies aangehouden moet worden. In beide gevallen wordt derhalve ruimschoots aan de richtafstanden voldaan. Ten zuidoosten van de locatie bevindt zich een perceel met een bedrijfsbestemming. Op dit perceel zijn bedrijven tot en met categorie 3 toegestaan. Daarom moet een richtafstand van 100 meter tot woningen aangehouden worden. De afstand tot de locatie tot het plangebied is minimaal 120 meter, waardoor deze bedrijfsbestemming niet voor belemmeringen zorgt. Tot slot kennen binnen het plangebied zelf de gronden aan Kartuizerstraat 4-6 thans een bedrijfsbestemming. Op deze locatie mogen categorie 1 en 2 bedrijven worden gevestigd, waardoor een afstand van 30 meter tot gevoelige functies aangehouden moet worden. Een jachthaven met diverse voorzieningen is conform de Lijst van bedrijfsactiviteiten van de VNG brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ een categorie 3.1 bedrijf, waardoor een afstand van 50 meter tot gevoelige functies aangehouden moet worden.
Door de transformatie van het plangebied ten behoeve van woningbouw worden deze milieubelastende functies uit de woonomgeving weg gehaald, wat ten goede komt aan het woon- en leefklimaat van de bestaande omliggende woningen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor het onderhavige plan. De bedrijven vormen geen belemmering voor de nieuwe woningen en de woningen vormen geen belemmering voor een toekomstige ontwikkeling van de bedrijven. 4.6 4.6.1
Ecologie Natuurgebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb.
54
Gemeente Geertruidenberg
Beoordeling en conclusie Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘De Biesbosch’, bevindt zich binnen 3 kilometer afstand ten noorden van het plangebied. Dit betreft een gebied dat beschermd is krachtens Europese regelgeving. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Gezien aard, omvang en effectbereik van het voornemen en daar het plangebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied, is van directe schade geen sprake. Op het aspect stikstofdepositie wordt in navolgende paragraaf ingegaan. Het plangebied valt buiten het Natuurnetwerk Brabant (NNB-gebieden). Binnen een straal van 500 meter bevindt zich de rivier de Donge die aangewezen is als Natuurnetwerk Nederland en Natuurnetwerk Brabant. De Donge geldt als een ecologische verbindingszone binnen het Natuurnetwerk. Dit betreft een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. Dit netwerk van verbindingszones mag niet door een ingreep worden aangetast. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Brabant ter plaatse, zijn daarmee op voorhand uit te sluiten.
Gelet op de geruime afstand van het plangebied tot de ecologische verbindingszone is redelijkerwijs uit te sluiten dat de voorgenomen ingreep in het plangebied enige invloed kan hebben op de kwaliteit van deze ecologische verbindingszone. Aantasting van deze natuurgebieden kan gezien aard en omvang van de voorgenomen ingreep alsmede uiteindelijke bestemming redelijkerwijs worden uitgesloten. 4.6.2
Stikstof Toetsingskader Het plangebied is gelegen binnen een afstand van 3 kilometer van het Natura 2000gebied ‘De Biesbosch’. Dit betreft een gebied dat beschermd is krachtens Europese regelgeving. De bescherming is opgenomen in de Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming). Aangetoond dient te worden dat met zekerheid geen significant negatieve effecten op dit gebied optreden als gevolg van de onderhavige ontwikkeling. Alleen indien geen sprake is van een significant negatief effect kan een project doorgang vinden. Voor een groot aantal potentiële effecten kan worden beredeneerd dat geen sprake is van een significant negatief effect. Voor het aspect stikstofdepositie kan dit echter niet op voorhand worden gesteld. Derhalve dient aan de hand van een berekening met het programma AERIUS de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald. Beoordeling In februari 2023 is door De Roever Omgevingsadvies voor onderhavige ontwikkeling een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (en in april 2024 geactualiseerd conform de meest recente versie van de Aerius-calculator). Rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 6. Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar.
Er is daarmee geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Significant negatieve effecten op Natura
Bestemmingsplan “Het Veerse Dok”
55
2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het plan. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming. 4.6.3
Flora en fauna Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Door Veldbiologische Werken is in september 2020 een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek, is een inschatting gemaakt van de aanwezige natuurwaarden en is beoordeeld of het plan (negatieve) effecten kan hebben op beschermde soorten (effectenanalyse). Rapportage van de quickscan is als bijlage 7 toegevoegd en de conclusies zijn navolgend opgenomen.
Uit de bevindingen van het veldonderzoek, het literatuur- en bronnenonderzoek en toetsing van de resultaten van dit onderzoek aan de Wet natuurbescherming en de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, blijkt dat de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden wetsovertredend kunnen zijn ten aanzien van vleermuizen. Voor andere soortgroepen valt het redelijkerwijs uit te sluiten dat de geplande ingreep een overtreding vormt ten aanzien van de Wet natuurbescherming dan wel Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, mits wordt voldaan aan de in de rapportage beschreven voorwaarden. Aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid, soort, aantal en functioneel gebruik van het plangebied ten aanzien van vleermuizen dient plaats te vinden conform het geldige Vleermuisprotocol. In algemene zin moet ook de Zorgplicht in acht worden genomen. Deze Zorgplicht geldt met name ten aanzien van broedgevallen van alle Vogelsoorten. Aangezien alle vogels tijdens het broeden zijn beschermd, kunnen werkzaamheden tijdens het broedseizoen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Waarbij wordt opgemerkt dat er geen vaste periode in het jaar voor het broedseizoen kan worden aangegeven. Voor aanvang van de werkzaamheden dient het plangebied gecontroleerd te worden op aanwezigheid van broedende Vogels en Egel.
Ook tijdens de werkzaamheden dient regelmatige controle op aanwezigheid van broedende Vogels plaats te vinden.
56
Gemeente Geertruidenberg
Op verzoek van de toetsende instantie, Omgevingsdienst West- & Midden Brabant, heeft een aanvulling plaatsgevonden op de uitgevoerde quickscan Wet natuurbescherming. Nadere toelichting hierop is aangeleverd ten aanzien van mussen en de bever. De aanvulling is als bijlage 8 gevoegd bij onderhavige toelichting. In 2021 heeft tevens aanvullend onderzoek naar vleermuizen binnen en in de nabijheid van het plangebied plaatsgevonden. Rapportage hiervan is bijgevoegd als bijlage 9 bij onderhavige toelichting. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat vleermuizen geen functioneel gebruik maken van de gebouwen of bebouwing binnen de planlocatie. Bij de voorgenomen werkzaamheden is het redelijkerwijs uit te sluiten dat vleermuizen worden verstoord of geschaad. Overtreding van de Wet natuurbescherming is redelijkerwijs uit te sluiten. Uit de bevindingen blijkt dat de omgeving van de planlocatie wel gebruikt wordt als foerageergebied. Derhalve dient de Zorgplicht wel in acht genomen te worden voor alle aanwezige soorten.
Deze Zorgplicht betekent: ▪ Lijnvormige elementen zoals bomenrijen blijven behouden (geen openingen > 20 m.); ▪ Werkzaamheden vinden plaats bij daglicht, start u voor zonsopkomst of werkt u tot na zonsondergang voorkomt u dan dat bouwverlichting, geluid en / of trillingen nabij de bomenrijen verstorend optreedt voor Vleermuizen in de periode van 15 april t/m 15 oktober; ▪ Er wordt geen gebruik gemaakt van bouwverlichting in de actieve periode van Vleermuizen (zonsondergang tot zonsopkomst in de periode 15 april t/m 15 oktober. Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor onderhavig plan. 4.7
Water Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027, in werking getreden op 22 december 2021. Het RWP is gebaseerd op de Waterwet en sorteert voor op de Omgevingswet. Het RWP stelt doelen voor 2027, op weg naar de ambitie van 2050: ‘Brabant heeft in 2050 een klimaatbestendig en veerkrachtig wateren bodemsysteem en is bestand tegen extremen’. Het RWP bevat de ambitie, opgaven, doelen en de aanpak, inclusief de zeven leidende principes bij het tot stand komen van
Bestemmingsplan “Het Veerse Dok”
57
een klimaatbestendig en veerkrachtig water- en bodemsysteem. Deze ambitie vergt een nieuwe manier van denken en handelen, waarbij de draagkracht van het water- en bodemsysteem leidend is voor het gebruik van gronden. De provincie toetst aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Beleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap’. Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer. In het Waterbeheerprogramma neemt het waterschap de kerntaken als uitgangspunt. Die taken zijn: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Het waterschap kijkt bij het plannen en uitvoeren van die kerntaken zo integraal mogelijk naar alle wateropgaven. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. De ambitie hierbij luidt: ‘We werken samen met de omgeving aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterlandschap voor de regio Midden- en West-Brabant’. Om deze ambitie te bereiken worden de volgende generieke beleidskeuzes gehanteerd:. 1.
Water als drager voor een vitale regio; 2. Evenwicht in het water- en bodemsysteem; 3. We werken samen; 4. We werken duurzaam; 5. We werken veerkrachtig en vernieuwend; 6. We prioriteren op basis van verplichtingen en mogelijkheden. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur waterschap Brabantse Delta 2015 bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de NoordBrabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015.
In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of;
58
Gemeente Geertruidenberg
c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. d. de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; b. de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; c. daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Voor het overige zijn er in de keur diverse regels opgenomen om gebieden met een specifieke functie te beschermen, zoals de attentiegebieden en invloedsgebieden Natura 2000. Er geldt een specifiek beschermingsregime, afhankelijk van het type gebied en de ligging in of nabij een beschermd gebied.
Uitsnede zoneringskaart waterschap Brabantse Delta met het plangebied aangeduid met een gele ster. Bron: Kaart Beschermde gebieden Keur, 2021.
Beoordeling De Keur kent diverse verbodsbepalingen voor handelingen in het watersysteem. Deze handelingen mogen enkel worden verricht indien een waterwetvergunning is verleend, of indien wordt voldaan aan algemene regels. Uit de kaarten behorende bij de Keur
Bestemmingsplan “Het Veerse Dok”
59
waterschap Brabantse Delta volgt dat de locatie niet gelegen is binnen een beschermd gebied. Van de totale oppervlakte van het plangebied van circa 14.450 m 2 bedraagt het oppervlakte land circa 7.350 m2. Het aan wal gelegen deel van het plangebied is reeds vrijwel volledig verhard. De verhardingstoename ten gevolge van het planvoornemen zal daarom niet meer dan 500 m² bedragen. Volgens de eisen van waterschap Brabantse Delta behoeft in dat geval niet te worden voorzien in de aanleg en instandhouding van een retentievoorziening. Ten aanzien van de vastgestelde leggerkaart van het Waterschap Brabantse Delta volgt dat in het plangebied sprake is van een waterstaatswerk (primaire waterkering) en daarmee de locatie ook deels gelegen is binnen beschermingszones A en B. Met een waterstaatswerk wordt een oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk bedoeld. Een waterkering is een kunstmatige hoogte, natuurlijke hoogte of gedeelte daarvan met ondersteunende kunstwerken, die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben en als dusdanig geregistreerd zijn in de legger. Een beschermingszone is een aan waterstaatswerk grenzende zone zoals vastgelegd in de legger, waarin ter bescherming van dat werk voorschriften en beperkingen kunnen gelden. Beschermingszone A is een aan waterkering grenzende beschermingszone zoals vastgelegd in de legger.
Beschermingszone B is een aan beschermingszone A grenzende beschermingszone zoals vastgelegd in de legger. Op navolgende afbeelding worden deze zones ten opzichte van het plangebied met geel (waterkering), lichtgroen (beschermingszone A) en donkergroen (beschermingszone B) aangegeven.
Uitsnede vastgestelde legger primaire keringen met het plangebied rood omkaderd aangeduid. Bron: Waterschap Brabantse Delta, 2021.
In artikel 3.3 van de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 wordt bepaald dat het verboden is zonder vergunning gebruik te maken van een primaire of regionale waterkering of bijbehorende beschermingszone A, met uitzondering van compartimenteringskeringen, door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder
60
Gemeente Geertruidenberg
handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Ook is het verboden zonder vergunning in het profiel van vrije ruimte werken te plaatsen, te wijzigen of te behouden. In artikel 3.5 wordt voorts bepaald dat het verboden is zonder vergunning, gebruik te maken van beschermingszone B behorende bij primaire waterkeringen door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: a. bouwwerken te plaatsen, aan te passen of te verwijderen die een afdichtende bodemlaag doorsnijden; b. ontgravingen uit te voeren of ophogingen aan te brengen; c. seismische onderzoeken te verrichten; d. werken met een overdruk van 10 bar of meer te plaatsen en te hebben; e. explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen te hebben; f. leidingen te leggen. In het ontwerp van onderhavig plan is alle nieuwe bebouwing buiten de kernzone van de waterkering gesitueerd. De beschermingszones A en B bepalen respectievelijk de bouwmogelijkheden onder voorwaarden en ruime bouwmogelijkheden. Dit is zorgvuldig afgestemd met het waterschap en verwerkt in het ontwerp van het voorgenomen initiatief. Op de verbeelding van onderhavig bestemmingsplan is ter plaatse van de waterkering een dubbelbestemming opgenomen, waarmee de waterkeringsdoeleinden gewaarborgd zijn.
Om te verzekeren dat mensen en dieren op doelmatige wijze geëvacueerd kunnen worden zal er bij verdere planuitwerking een evacuatieplan worden opgesteld. Ten tijde van het vooroverleg is er afstemming geweest met de veiligheidsregio over evacuatiemogelijkheden en crisismanagement. Hierover zullen later in het proces in overleg met gemeente en veiligheidsregio verdere afspraken gemaakt worden. Binnen het bouwplan wordt het huishoudelijke afvalwater (DWA) gescheiden van het regenwater (RWA). Dit gescheiden rioleringsstelsel wordt aangesloten op het bestaande gemengde rioleringsstelsel in de omgeving. In de toekomst kan aangesloten worden op een eventueel gescheiden rioleringsstelsel, mocht deze in de omgeving worden aangelegd. Het (afval)water dat voor de nieuwe woningen afgevoerd moet worden bevat geen chemische stoffen die schadelijk zijn voor het water in het openbaar riool. Ook geeft het af te voeren water geen stankoverlast en bevat het water geen snel bezinkende- en/of grove afvalstoffen. Van een verontreiniging van het rioolwater door toedoen van het afvalwater is dan ook geen sprake. Ook voor het hemelwater kan worden gesteld dat de afvoer op een dusdanige manier plaatsvindt dat er geen sprake is van verontreiniging en er geen bezwaren zijn om deze af te voeren op het bestaande rioolstelsel.
Tevens kan de aan te leggen groenvoorziening (tuinen) binnen onderhavig project gebruikt worden als een natuurlijke locatie voor berging. Ten aanzien van het materiaalgebruik van de bebouwing worden geen uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC toegepast. Dit om verontreiniging van het hemelwater te voorkomen. De ontwikkeling heeft hierdoor geen mogelijke schadelijke gevolgen voor de (grond)waterkwaliteit. Op basis van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant geldt dat het plangebied ligt binnen de werkingssfeer van het ‘Rivierbed’. Dit houdt in dat een bestemmingsplan
Bestemmingsplan “Het Veerse Dok”
61
dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling een verantwoording bevat dat de activiteiten en functies niet kwetsbaar zijn ten aanzien van de waterdiepte en de frequentie van overstromen, is verzekerd dat mensen en dieren op doelmatige wijze geëvacueerd kunnen worden en is verzekerd dat de permanente aanwezigheid van mensen hoogwatervrij kan plaatsvinden. In paragraaf 3.3.3 is deze toetsing reeds opgenomen. In het ontwerp van onderhavig initiatief wordt hier rekening mee gehouden. Notitie – Veilige ontwikkeling 'Het Veerse Dok' Ten behoeve van onderhavige planontwikkeling en ter onderbouwing van de beantwoording van de binnengekomen inspraakreacties op het voorontwerp bestemmingsplan heeft Sweco in oktober 2023 een notitie opgesteld ten aanzien van de buitendijkse ligging van, en daarmee de directe invloed van het watersysteem op Het Veerse Dok en de verschillende uitdagingen die dit met zich meebrengt voor het ontwerp. Deze notitie is als bijlage 1 gevoegd bij onderhavige toelichting. Het primaire doel van deze studie is om het inzicht te geven in het waterveilig ontwikkelen van Het Veerse Dok. De notitie levert hiermee een bijdrage aan aanpassingen en toevoegingen aan het ontwerp bestemmingsplan. De verdiepende analyse is gemaakt in verband met diverse inspraakreacties op het voorontwerp bestemmingsplan.
Het doel van de notitie is inzicht geven in te verwachten waterstanden als gevolg van zeespiegelstijging en klimaatverandering, zodat de ontwikkeling veilig kan plaatsvinden. De notitie bevat een overzicht van de resultaten van de berekeningen en vervolgens een blik op de toekomst, waarin verschillende onderwerpen worden besproken die op het Veerse Dok van toepassing zijn en invloed kunnen hebben. Uit de rapportage volgt dat de voorgenomen ontwikkeling veilig wordt geacht indien er aan de voorwaarden wordt gehouden die in de notitie staan beschreven. Dit hangt af van de keuzes die gemaakt moeten worden wat betreft de hoogte van het maaiveld en de hoogte van de eerste woonlaag. Op het gebied van waterveiligheid, rekening houdend met de waarschijnlijke dijkhoogte in 2100, zal de minimale woonlaag 4,63 m+NAP moeten worden. Dit betreft de vloerhoogte van de bouwlaag van woningen waarop de verblijfsruimten (slaap-, woon-, eet- of badkamer) gesitueerd zijn. Daarnaast is het van belang dat het gebied zo ingericht wordt dat, bij het toch overstromen van het maaiveld bewoners kunnen evacueren en dat schade en hersteltijd beperkt is. Maatregelen kunnen zijn het verhogen van vlucht- en evacuatiewegen, vitale en kwetsbare functies hoger aanleggen maar ook het maken van afspraken over evacuatie met de veiligheidsregio en gemeente.
Naast dat de ontwikkelingen onder voorwaarden veilig zijn is het belangrijk om aan te geven dat er een sterk bewustzijn moet zijn, en in dit geval ook is, voor de onzekerheden in de toekomst. Met onderhavig bestemmingsplan invulling wordt op volgende wijze concreet invulling gegeven aan de voorwaarden die Rijkswaterstaat en waterschap Brabantse Delta aan de inrichting van het gebied stellen: ▪ Met berekeningen (zie bijlage 1) is aangetoond wat, op basis van klimaatprojecties, mogelijke waterstanden zijn in de toekomst als gevolg van klimaatverandering. De bouwhoogte van de ontwikkeling is aangepast naar deze berekeningen. De begane grond van woningen en het maaiveld kunnen overstromen in extremere situaties. De begane grond van woningen zo ingericht dat het bestand is tegen overstromingen;
62
Gemeente Geertruidenberg
▪
▪
Er is afstemming geweest met de veiligheidsregio over evacuatiemogelijkheden en crisismanagement. Hierover zullen later in het proces in overleg met gemeente en veiligheidsregio verdere afspraken gemaakt worden; De eerste verdieping blijft droog bij overstromingen die voorkomen 1 per 1000 jaar. Daarmee kunnen mensen veilig in hun woning verblijven tijdens een overstroming van het maaiveld. In de voorlopige ontwerpen is rekening gehouden met het plaatsen van vitale voorzieningen op droge hoogte zodat deze blijven functioneren of snel na de overstroming weer functioneren.
Water en Bodem sturend Ten tijde van de terinzagelegging van het voorontwerp bestemmingsplan is op 25 november 2022 de brief “Water en Bodem sturend” naar de Kamer gestuurd. Het kabinet wil bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Gelet op de aard en ligging van onderhavig initiatief is derhalve in het ontwerp bestemmingsplan op de volgende wijze rekening gehouden met de uitgangspunten uit deze kamerbrief. Niet afwentelen Niet afwentelen op toekomstige generaties, andere gebieden of functies en ook niet afwentelen van privaat naar publiek. Niet afwentelen kan betekenen: ▪ Veiligheidsopgave voor toekomstige generaties niet vergroten (binnen en buiten het plangebied). Aan de hand van berekeningen (zie bijlage 1) is aangetoond wat, op basis van klimaatscenario’s, mogelijke waterstanden zijn in de toekomst. Hier is rekening mee gehouden bij het bepalen van veilige woonniveaus. Er wordt een woonniveau gehanteerd van 4,63 m+NAP. Deze hoogte vloeit voort uit overleg met Waterschap Brabantse Delta en indicatieve berekeningen (zie bijlage bij notitie ‘veilige ontwikkeling’). ▪ Waterbergingsmogelijkheden niet verkleinen. Uit indicatieve berekeningen komt naar voren dat de invloed van bouwen in dit gebied op het watersysteem beperkt is.
▪ Dijkversterkingsmogelijkheden niet beperken: Zie notitie ‘veilige ontwikkeling’ en beantwoording 4b op de inspraakreactie van de provincie. Meer rekening houden met extremen Houdt bij dit uitgangspunt rekening met: ▪ Extreme afvoeren ▪ Extreme neerslag ▪ Extreme zeespiegelstijging ▪ Extreme dijkversterkingen Rekening houden met deze extremen betekent in dit geval vooral rekening houden met extreme afvoeren, extreme zeespiegelstijging en de aan deze twee gerelateerde dijkversterking. In bouwhoogten wordt hiermee rekening gehouden, zie bovenstaand. Zie ook beantwoording 4b op inspraakreactie van de provincie voor verdere toelichting. Meerlaagseveiligheid Naast dijken en keringen aanleggen, wil het Rijk ook meer aandacht voor de ruimtelijke inrichting om gevolgen van een overstroming te beperken en voor crisisbeheersing en
Bestemmingsplan “Het Veerse Dok”
63
herstel van schade. Voor dit uitgangspunt kan dit onder andere betekenen (zie ook beantwoording 3a op de inspraakreactie van de provincie): ▪ Beschermen: Er is ruimte gehouden met mogelijk benodigde ruimte voor dijkversterking in de toekomst. Dit door rekening te houden met de beschermingszone A en B en door woningen en maaiveld hoger aan te leggen. ▪ Ruimtelijke keuzes: Er is rekening gehouden met de hoogte van het maaiveld en vloerpeil van de eerste woonlagen van woningen en gebouwen. Het maaiveld kan in extreme gevallen overstromen maar is zo ingericht dat dit niet tot schade en overlast leidt. ▪ Evacuatie: er wordt overlegd met de veiligheidsregio en de gemeente over hoe evacuatie in het gebied vormgegeven kan worden. De eerste woonlaag van woningen blijft ook bij extreme waterstanden droog (zie bijlage 1), men kan daarmee verticaal evacueren. Andere woningen zijn drijvend. Bij het ontwerp is rekening gehouden met extreme waterstanden. ▪ Herstel: Schade wordt in dit ontwerpplan onder andere geminimaliseerd doordat er rekening is gehouden met de locatie van de vitale infrastructuur, zoals de meterkast op voldoende hoogte. In paragraaf 3 van bijlage 1 is bovendien ingegaan op de verschillende structurerende keuzes uit de brief ‘Water en Bodem sturend’ die betrekking op buitendijks bouwen.
Op basis van de meest recente inzichten omtrent meerlaagse veiligheid (MLV) kunnen overigens nu vijf in plaats van drie aspecten beschouwd worden:
•
•
•
64
Preventie o Dit gaat in de regel over de aanleg keringen en het doen van maatregelen aan de waterzijde om de belastingen op een kering/ gebied te verlagen. o Het betreft hier een buitendijkse ontwikkeling met gegeven waterstanden, mogelijke ingrepen in de rivier (stroomopwaarts of stroomafwaarts) zijn niet bekend Gevolgbeperkingen o Gevolgen van mogelijke extreem hoge waters of zelfs waterstanden daarboven kunnen genomen worden. Om overlast van extreem hoog water te voorkomen, kan er door adaptief te bouwen (bouwvoorschriften meenemen over bijvoorbeeld vloerpeil, elektra, waterdichte deuren tot opdrijvende wanden bij lage inritten) rekening gehouden worden met extremen. Crisis management o Belangrijk aspect is wanneer er toch evacuatie nodig is deze geborgd is door middel van bijvoorbeeld tijdige waarschuwing en het gebruik maken van de
Gemeente Geertruidenberg
•
•
evacuatieroute. Dit geeft mogelijk voorwaarden mee aan de sterkte en hoogte van de verhoogde dam waarover de uitrijweg ligt. Herstel (na in/-overstroming) o Mocht er een hoog water geweest zijn, ofwel een minder hoog water waarbij schade is ontstaan aan de infrastructuur kan deze zodanig aangelegd worden dat snel herstel mogelijk is. Waterbewustzijn o De ontwikkelaar en de gemeente kunnen bij alle (toekomstige) bewoners proactief de risico’s van buitendijkse ontwikkelingen onder de aandacht te brengen. Gebruikers van buitendijks gebied zijn en blijven zelf verantwoordelijk voor het risico op schade als gevolg van hoogwater.
Ruimtelijk afwegingskader Voor het toetsen van ruimtelijke ontwikkelingen aan de ideeën over water en bodem sturend is door het ministerie een ruimtelijk afwegingskader opgesteld. Aan de hand van het boomdiagram volgt op welke wijze water en bodem sturend is en zal zijn. Uit de beslisboom volgt dat een bewuste afweging in het kader van het watersysteem voor de locatiekeuze gemaakt moet worden, met name ingegeven door het aspect veiligheid.
In vervolg op de kamerbrief Bodem en Water sturend geldt dat het plangebied op basis van het “Ruimtelijk afwegingskader (klimaatadaptieve gebouwde omgeving)” (Bron: Ministerie I&W, 2024) gelegen is binnen het zone ‘Ja, mits: grote opgave’. Ontwikkelen vraagt hier naast inrichting volgens de maatlat om een grote aanvullende inspanning om klimaatadaptief te bouwen. De risicoklasse ‘ja, mits’ geeft in verschillende gradaties
Bestemmingsplan “Het Veerse Dok”
65
aan dat er risico’s zijn vanuit het water- en bodemsysteem. Omdat Nederland geen uniform land is, kunnen de verschillen lokaal groot zijn. Met aanvullende regionale en lokale informatie kan een goede afweging gemaakt worden om te komen tot de best mogelijke locatiekeuze vanuit het water- en bodemsysteem. Hoewel het ruimtelijk afwegingskader enkel wordt toegepast op projecten en gebiedsontwikkelingen waar op 1-1-2025 nog geen bestemmingsplan is, en dus voor onderhavige ontwikkeling niet van toepassing is, wordt in dit plan nader ingegaan op de relevante afwegingen ten aanzien van de waterveiligheidsaspecten. Hoogwaterveiligheid Het plangebied is gelegen aan dijktraject 35-2 (rode cirkel). Beide plaatjes (Dijktracé en ontwikkeling) over elkaar gelegd geeft het rechtse plaatje:
Uit de boordelingsrapportage 35-2 blijken hier al damwanden in de grond aanwezig te zijn en samen met de kademuur voor de huidige bescherming te zorgen.
[bron; boordelingsrapportage 35-2] Het gecombineerde vakoordeel is geel. Geel is: “Voldoet aan de ondergrens en mogelijk aan de signaleringswaarde”. Dit wordt ingegeven door de hoogte van de keermuur. De damwanden rond het plangebied voldoen ruim.
66
Gemeente Geertruidenberg
[bron; boordelingsrapportage 35-2] Dit plan staat derhalve een toekomstige dijkversterking niet in de weg. Grote verzwaringen zijn niet voorzien, mogelijk wat hoogte tekort oplossen, de nieuwe klimaatscenario’s geven ook geen verontrustend beeld. Het deel ‘Damwand Jachthaven en Meerpaal 1’ wordt niet beïnvloed. Het deel ‘Kademuur Jachthaven’ en ‘Damwand Jachthaven en Meerpaal 3’ is de versterking minimaal gegeven het veiligheidsoordeel. Er zijn op het tracé volgens het rapport ook damwanden in eigendom van de/een gemeente en mogelijk de keermuur ook. Waterveiligheidsnormering gaat in de basis over het binnendijkse gebied. Vanuit de norm kunnen waterstanden afgeleid worden die met een bepaalde frequentie 1/100 – 1/300 -1/1000 k-etc. kunnen voorkomen bij een gekozen klimaatscenario en waarop de waterkering beoordeeld/ontworpen kan worden. Het rapport [bron: Eerste Beoordeling Primaire Keringen Overstromingskans Veiligheidsoordeel Dijktraject 34-1] is in samenwerking met Rijkswaterstaat de beoordelingsrapportage van dijktraject 34-1 uitgevoerd. De signaleringswaarde* van dit traject is 1/1000 per jaar. De ondergrenswaarde* van de norm is 1/300 per jaar. Dit is het gebied ten noorden van de projectlocatie.
Volgens rapport [Eerste Beoordeling Primaire Keringen Overstromingskans Veiligheidsoordeel Dijktraject 35-2] is de signaleringswaarde van de norm van dit traject 1/3000 per jaar. De ondergrenswaarde van de norm is 1/1000 per jaar. Dit zijn de dijken die bescherming bieden aan onder meer Raamsdonkveer, wat op een lager maaiveld ligt dan het plangebied en een hogere economische waarde / kans op slachtoffers hebben dan dijktraject 34-1. *De signaleringswaarde geeft bij overschrijding de beheerder het signaal dat deze op termijn versterkt moet worden. Hij kan starten met de voorbereidingen. Dat is noodzakelijk omdat het voorbereiden en uitvoeren van versterkingsmaatregelen in de
Bestemmingsplan “Het Veerse Dok”
67
praktijk een aantal jaren duurt. De ondergrens is de wettelijke waarborg van de veiligheid. [ bron; Helpdesk water]. Omdat het hier een buitendijks gebied betreft wat nu al reeds op een hoogwatervrij terrein ligt gelden er in principe geen normen, het aanhouden van de norm die direct voor het binnenliggend gebied ligt is dan voor de hand liggend. Maar beter is het om te kijken naar de werkelijk en berekende waterstanden gegeven de bijzondere ligging van dit gebied. Wat betreft communicatie en waterveiligheidsbewustzijn is er in 2012 een handreiking gemaakt die gaat over communicatie over de veiligheidssituatie in buitendijkse gebieden. Het goed informeren van burgers en bedrijven over de overstromingsrisico’s van buitendijkse gebieden is een verantwoordelijkheid van gemeenten. De risico’s voor de mensen die buitendijks wonen en werken zijn relatief laag. Dat geldt ook als het klimaat verandert, mits alle partijen bij ruimtelijke ontwikkelingen goed rekening houden met de kans op overstromingen. De kans op slachtoffers blijft dan gering, het veiligheidsniveau hoog. [Bron: Brochure Waterveiligheid buitendijks (brochure_waterveiligheid_buitendijks_tcm309-332427),2012]. Waterkwaliteit en waterkwantiteit Rijkswaterstaat geldt gelet op onderstaande kaartbeelden als bevoegd gezag ten aanzien van de waterkwaliteit en waterkwantiteit.
Ten aanzien van de bescherming van de waterkwaliteit geldt dat er met onderhavig bestemmingsplan juridisch-planologisch gezien geen risicovolle milieubelastende
68
Gemeente Geertruidenberg
activiteiten mogelijk worden gemaakt. Ten opzichte van de bestaande situatie geldt dat de bestemmingswijziging van jachthaven naar wonen niet voor een verslechtering van de waterkwaliteit zal zorgen. Zie onderstaand ten aanzien van het aspect drinkwaterwinning. Het plangebied valt buiten de Bgr, maar binnen het gebied voor de waterkwaliteit en waterkwantiteit die Rijkswaterstaat heeft aangeduid. Op de bovenstaande kaarten is zichtbaar dat niet het gehele plangebied valt binnen deze zones. Enkel het water valt er binnen , dus: drijvende steigers met meerpalen, drijvende woningen en het lozen op oppervlaktewater zullen de onderwerpen zijn waar rekening mee moet worden gehouden. Alle bebouwingen op het land vallen buiten de zone. Drinkwaterwinning Het plangebied is gelegen binnen de ‘zes uur zone’, zoals gedefinieerd door Rijkswaterstaat. Deze beschermingszone van het innamepunt Bergsche Maas, van Waterwinningbedrijf Brabantse Biesbosch (WBB), waar oppervlaktewater wordt ingenomen voor de bereiding van drinkwater, is gebaseerd op een 6-uur contour, rekening houdend met stroming en wind. Tevens geldt dat binnen deze contour extra preventieve en curatieve maatregelen nodig kunnen zijn vanwege calamiteiten. Er is contact met Evides en samen zal gekeken worden naar het nader vormgeven van een risicoanalyse.
Uitgangspunt is dat de bestemmingswijziging van ‘jachthaven’ naar een woonbestemming niet voor een verslechtering van de waterkwaliteit zorgt. Ter onderbouwing van dit uitgangspunt is in overleg met Evides een risicoanalyse uitgevoerd ten aanzien van de risico’s tijdens de bouwfase en bewoningsfase met een nadere onderbouwing en uitwerking van mitigerende maatregelen om de risico’s voor het innamepunt weg te nemen. Deze notitie is als bijlage 10 opgenomen bij deze toelichting. Uit de analyse volgt dat de totale emissies naar het oppervlaktewater zullen afnemen. De belangrijkste reden is de reductie van het aantal recreatievaartuigen (antifouling / motoremissies / afval).
Bestemmingsplan “Het Veerse Dok”
69
Conclusie Gesteld kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor het voorliggende plan. 4.8
Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (waaronder bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (art. 38a t/m 41 Monumentenwet 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn.
Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Beoordeling Op basis van de ‘Archeologische verwachtingswaardenkaart gemeente Geertruidenberg’ ligt het plangebied voor het grootste gedeelte binnen een gebied zonder archeologische verwachting (reeds onderzocht en geheel vrijgegeven). Enkel een noordoostelijk deel ligt binnen een gebied aangeduid met een ‘middelhoge verwachting’. De beleidsmatige vertaling voor deze gebieden gaat uit van een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstoringen over een oppervlakte groter dan 1.000 m2 en dieper dan 50 cm. Deze grenswaarde zal ten behoeve van de beoogde twee vrijstaande woningen op het perceel Kartuizerstraat 4-6 vermoedelijk niet worden overschreden. In het bestemmingsplan “Parapluplan Archeologie” kent het noordoostelijke deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’. De voor ‘Waarde – Archeologie 5’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (verwachte) archeologische waarden. De betreffende dubbelbestemming kan worden gehandhaafd. Conclusie Archeologische waarden vormen geen belemmering voor de realisatie van het project en de huidige dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ blijft gehandhaafd voor het noordoostelijke deel van het plangebied.
70
Gemeente Geertruidenberg
Cultuurhistorie Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) 2010, herziening 2016. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart met het plangebied aangeduid met rode contour. Bron: Provincie Noord-Brabant, 2021.
Beoordeling Uit de Cultuurhistorische Waardenkaart volgt dat de locatie is gelegen binnen de regio van provinciaal cultuurhistorisch belang de ‘Baronie’. Dit is de regio die zich uitstrekt vanaf Baarle-Nassau tot en met Raamsdonksveer en van Breda tot en met Zundert. Het
Bestemmingsplan “Het Veerse Dok”
71
gebied wordt gekenmerkt door een oud, plaatselijk goed bewaard gebleven cultuurlandschap met tal van oudere en jongere landgoederen. Er is een provinciale strategie opgesteld voor de volledige regio. Onderhavig initiatief is kleinschalig van aard en kent niet het schaalniveau waarop de cultuurhistorische waarden ontwikkeld, behouden of versterkt kunnen worden ter verwezenlijking van de regionale ambitie. Deze ligging heeft derhalve geen invloed op het initiatief. De nabijgelegen Gasthuiswaard, evenals de dijk langs het Zuidergat, betreft in het kader van historische geografie een ‘Lijn van hoge waarde’. Historische geografie is de ruimtelijke neerslag van de aanpassingen die de mens in de loop der eeuwen heeft gedaan aan de natuurlijke omgeving. Historische lijnen zijn bijvoorbeeld dijken, dammen, wallen, paden, wegen (waaronder zandwegen, klinkerwegen en kasseiwegen), spoorwegen, kanalen en sloten. Deze dijken ondergaan verder geen wijziging als gevolg van onderhavig plan, waardoor geen afbreuk wordt gedaan aan deze waarde. Conclusie Het voornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de omgeving van het besluitgebied. 4.9
Bodem Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied is in verband met de voorgenomen herinrichting van de locatie in februari 2021 door MILON bv een verkennend bodem-, waterbodem- en asbestonderzoek uitgevoerd.
Het doel van het verkennend (water)bodemonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de bodemopbouw en de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond, het grondwater en de sliblaag. Het doel van het verkennend asbestonderzoek is om, met een relatief geringe onderzoeksinspanning, na te gaan of de verdenking van verontreiniging van de bodem met asbest terecht is en een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem. De uitkomsten worden navolgend samenvattend besproken. De volledige rapportage is in bijlage 11 opgenomen bij deze toelichting.
72
Gemeente Geertruidenberg
Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodem- en waterbodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Ter plaatse zijn diverse parameters licht verhoogd aangetoond. Daarnaast is een beperkte grondverontreiniging met PAK-gehaltes boven de interventiewaarde aangetroffen en een olieverontreiniging in de grond en het grondwater ter plaatse van een olieafscheider. Voor de voorgenomen herinrichting dienen deze verontreinigingen te worden gesaneerd. Daarnaast geldt voor de olieverontreiniging de zorgplicht en dienen maatregelen genomen te worden om de verontreiniging zoveel mogelijk ongedaan te maken. Bij eventuele graaf- en baggerwerkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de aangetroffen gehalten. Het is niet toegestaan om zonder melding bij het bevoegd gezag en saneringsplan te graven in ernstig verontreinigde bodem. Tijdens het asbestonderzoek is geen asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen. Plaatselijk is een marginaal verhoogd gehalte asbest aangetroffen. De gemeten gehalte ligt zeer ruim onder de grens voor naderonderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten is geen sprake van een asbestverontreiniging. Conclusie Op basis van de bevindingen uit het uitgevoerde bodem-, waterbodem- en asbestonderzoek dient voorafgaand aan de voorgenomen herinrichting de bodemverontreiniging te worden verwijderd.
Vervolgens is de bodem geschikt voor het beoogde gebruik. Er zal worden overgegaan tot sanering. De kosten hiervoor zijn verwerkt in de exploitatie. 4.10 Geurhinder en veehouderijen Toetsingskader Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daardoor getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan zou kunnen worden aan de eisen die de milieuregelgeving stelt. De normen op grond van de Wet geurhinder en veehouderij gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of geen concentratiegebied en binnen of buiten de bebouwde kom). De standaard geurnormen volgens de Wet geurhinder en veehouderij zijn in navolgende tabel opgenomen.
Ligging geurgevoelig object Concentratiegebied Geen concentratiegebied
Bestemmingsplan “Het Veerse Dok”
Binnen kom
bebouwde 3 ouE/m3 2 ouE/m3
Buiten bebouwde kom 14 ouE/m3 8 ouE/m3
73
De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. Beoordeling Voorgrondbelasting De gemeente Geertruidenberg is niet gelegen in een concentratiegebied, waardoor in de gemeente binnen de bebouwde kom, en daarmee voor het plangebied, voor een geurgevoelig object conform de Wet geurhinder en veehouderij voor de voorgrondbelasting een standaardnorm van 2 ouE/m3 geldt. In de omgeving van het plangebied is de dichtstbijzijnde veehouderij gelegen op circa 1880 meter afstand. Het betreft hier een schapenhouderij aan de Kerklaan 19 te Raamsdonksveer. Gelet op deze ruime afstand ten opzichte van het plangebied wordt een acceptabel woon- en leefklimaat gewaarborgd en wordt de veehouderij niet in haar belangen geschaad. Achtergrondbelasting Het plangebied is gelegen in een gebied waar op basis van de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant sprake is van een zeer goed woon- en leefklimaat.
Gezien er in de omgeving slechts beperkt veehouderijen aanwezig zijn en gelet op de ruime afstand hiervan tot het plangebied, biedt deze kaart een acceptabele indicatie van de kwaliteit van de leefomgeving, met de geurbelasting weergegeven in ouE/m3. De achtergrondbelasting ter hoogte van het plangebied is zeer goed (0-3 ouE/m3). Gelet op de kwalificatie van het woon- en leefklimaat, is binnen het plangebied ten aanzien van geurhinder afkomstig van veehouderijen een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd.
Indicatie achtergrondbelasting geur. Bron: ODZOB, 2022.
74
Gemeente Geertruidenberg
Geitenhouderijen Op basis van het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies). Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bioaerosolen’ (RIVM, 2017) blijkt dat bewoners binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij een verhoogde kans hebben op longontsteking. Op bovenstaande kaart zijn alle veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer van het plangebied weergegeven. Binnen deze straal bevinden zich momenteel echter geen veehouderijen met het bedrijfstype ‘Geiten’ of veehouderijen met een ander primair bedrijfstype waar tevens geiten worden gehouden. Op basis van art. 2.71 en 3.47 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is omschakeling naar of nieuwvestiging van een geitenhouderij uitgesloten. Eventuele gezondheidsaspecten vanwege geitenhouderijen zijn derhalve niet van invloed op het ruimtegebruik binnen het plangebied.
Veehouderijen gelegen binnen een straal van 2 km van het plangebied. Bron: Kaartbank Provincie Noord-Brabant, 2021.
Conclusie Ten aanzien van geurhinder afkomstig van veehouderijen is een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied gewaarborgd. Omgekeerd hindert onderhavig planvoornemen omliggende veehouderijen niet in hun bedrijfsvoering. 4.11 Verkeer en parkeren 4.11.1 Verkeer De realisatie van woningen brengt verkeersbewegingen met zich mee en zorgt voor een parkeerbehoefte. Dit zijn belangrijke aandachtspunten bij de afweging van de herontwikkeling. De woningen dienen goed bereikbaar te zijn en mogen niet leiden tot
Bestemmingsplan “Het Veerse Dok”
75
een onevenredig hoge druk op de lokale verkeersstructuur. Teneinde de verkeersgeneratie te bepalen die gepaard gaat met de nieuwbouw, dienen de meest recente kengetallen uit de ASVV van het CROW te worden geraadpleegd. De planlocatie is gelegen in een gebied aangeduid als ‘rest bebouwde kom’ en te typeren als ‘matig stedelijk’ (bron: ‘Parkeerbeleidsplan Parkeren doen we zo!’, gemeente Geertruidenberg). De verkeersgeneratie per woning in de rest bebouwde kom verschilt per type woning: Type woning
Min.
Max.
Koop, huis, vrijstaand
7,8
8,6
Koop, huis, twee-onder-een-kap
7,4
8,2
Koop, huis, tussen/hoek
6,7
7,5
Koop, appartement, duur
6,7
7,5
Koop, appartement, midden
5,2
6,0
Koop, appartement, goedkoop
4,5
5,3
Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie. Bron: Online Kennisbank CROW, 2022.
Aan de hand van deze cijfers genereert het plan op basis van het stedenbouwkundig plan maximaal (5 x 8,6) + (4 x 7,5) + (16 x 7,5) + (34 x 6,0) = 397 voertuigbewegingen per etmaal (vpe). In de huidige situatie is echter sprake van een jachthaven met maximaal 190 ligplaatsen. Met het verdwijnen van die functie, verdwijnen derhalve ook de bijbehorende verkeersbewegingen. Op basis van de kencijfers voor parkeren en verkeersgeneratie van het CROW geldt voor een jachthaven in een gebied aangeduid als ‘rest bebouwde kom’ en te typeren als ‘matig stedelijk’ een verkeersgeneratie van 26,6 per 100 ligplaatsen. Dit betekent in onderhavig geval in een afname van (26,6 x 1,9 =) 50,54 vpe. Daarvoor in de plaats komen de genoemde verkeersbewegingen voor de woningen. Per saldo levert dit een verkeersgeneratie op van (397 – 50,54 =) 346,46 vpe. In het mobiliteitsplan van de gemeente Geertruidenberg wordt een bovengrens van 2.500 mvt/etmaal gehanteerd voor een erftoegangsweg. Een dergelijk lage toename aan vpe vanwege onderhavig planvoornemen vormt derhalve geen probleem ten aanzien van afwikkeling van verkeersstromen. Het terrein wordt in de bestaande situatie middels twee inritten op de Kartuizerstraat ontsloten; één voor de jachthaven en één voor het perceel Kartuizerstraat 4-6.
In de toekomstige situatie zal het terrein worden ontsloten via de Kartuizerstraat, middels maximaal twee inritten. 4.11.2 Parkeren Toetsingskader Met de inwerkingtreding van de “Reparatiewet BZK” op 29 november 2014 is het verplicht om het parkeren te reguleren middels de bestemmingsregeling. In de bestemmingsregeling kan worden opgenomen dat bij aanvraag om omgevingsvergunning (voor het bouwen en / of afwijken) dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde parkeernormen. In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ dient echter al bij vaststelling van een bestemmingsplan inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de aldus benodigde parkeerplaatsen feitelijk duurzaam kan worden voorzien (ECLI:NL:RVS:2017:1036, r.o. 5.3). Het aantal
76
Gemeente Geertruidenberg
benodigde parkeerplaatsen wordt definitief bepaald aan de hand van het op het moment van aanvraag van de omgevingsvergunning vigerende gemeentelijke parkeernormen.
Beoordeling Voor het bepalen van de parkeervraag hanteert de gemeente Geertruidenberg de normen zoals opgenomen in het ‘Parkeerbeleidsplan Parkeren doen we zo!’. De parkeernormen hierin zijn afgeleid uit de landelijke richtlijn van het CROW: ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. De gemeente Geertruidenberg valt in stedelijkheidsklasse 3 ‘matig stedelijk’ en blijkens de gebiedsindeling zoals opgenomen in het parkeerbeleidsplan ligt onderhavig plangebied in een gebied aangeduid als ‘rest bebouwde kom’. De berekening van de parkeerbehoefte van de nieuw te bouwen woningen conform gemeentelijke parkeernormen is derhalve in onderstaande tabel opgenomen. Het aandeel bezoekers van 0,3 parkeerplaats per woning is hierbij al meegenomen in de parkeernorm. Type woning
Aantal
Norm
Totaal
Waterwoningen (koop, vrijstaand)
5
2,6
13
Hoek- en tussenwoningen
4
2,3
9,2
Koop etage duur
16
2,4
38,4
Koop etage midden
34
2,2
74,8
Totaal
59
135,4
Bron: ‘Parkeren doen we zo!’ Parkeerbeleidsplan Gemeente Geertruidenberg.
Conform gemeentelijke normen bestaat op basis van het beoogde woningbouwprogramma een parkeerbehoefte van in totaal afgerond 135 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen dienen te worden voorzien binnen het plangebied. Het parkeren onder de woningen is hier vanwege de buitendijkse ligging een goede oplossing. Het wonen vindt zodoende boven het parkeren plaats, op de veilige hoogte boven het extreem hoogwaterpeil. Op onderstaande afbeelding wordt weergegeven waar de voorziene parkeerplaatsen in het plan worden gerealiseerd. Hiervan worden 117 parkeerplaatsen in het plangebied gerealiseerd en zijn de overige 18 parkeerplaatsen beschikbaar in het openbaar gebied (conform raadsbesluit heeft de gemeente toestemming gegevens om in openbaar gebied in de omliggende wijk parkeerplaatsen op te vangen). Hierbij geldt de volgende berekening om de parkeerbalans sluitend te maken. Gerealiseerd aantal parkeerplaatsen Op maaiveld Kartuizerstraat Onder 4 kadewoningen Onder appartementen Beschikbaar in openbaar gebied Totaal
Bestemmingsplan “Het Veerse Dok”
Totaal 51 6 4 56 18 135
77
Conclusie Om te borgen dat voorzien wordt in voldoende parkeerplaatsen overeenkomstig het parkeerbeleidsplan is in de regels van onderhavig bestemmingsplan een dynamische parkeerregeling opgenomen. Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ zal concreet inzichtelijk moeten worden gemaakt waar de parkeerplaatsen worden gerealiseerd en wat de concrete parkeereis bedraagt. Het op het moment van aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bouw geldt de toets aan de op dat moment vigerende parkeernormen. 4.12 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer 1. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; 1.
‘Leidingen die deel uitmaken van een inrichting’ zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer).