210701 Raamsdonk, Lageweg 5 en Lageweg 10.pdf
Tekst van het document
sprake van een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige toename van de achtergrondconcentratie. De norm voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat volgens de provincie Noord-Brabant zal daarmee in geen geval worden overschreden. Conclusie Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse van de locaties Lageweg 5 en Lageweg 10 is geen sprake van onevenredige toename van de achtergrondconcentratie van fijnstof en/of stikstofoxiden.
4.1.4 Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.. Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen: Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. Woonwagenstandplaatsen. Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
De bescherming van verschillende objecten tegen door inrichtingen (zoals bedrijven) veroorzaakt geluid is geregeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betreft geluidsgevoelige gebouwen (zoals woningen) en terreinen. Daarmee sluit het Activiteitenbesluit aan bij het begrippenkader van de Wgh. Het Activiteitenbesluit milieubeheer biedt geluidsgevoelige objecten in algemene zin bescherming tegen het geluid veroorzaakt door de toestellen, installaties, werkzaamheden en activiteiten binnen en ten behoeve van inrichtingen, waaronder laden en lossen. Dit besluit geeft hiertoe geluidsnormen. 4.1.4.1 (Spoor)Wegverkeerslawaai Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel op de gevel van een woning). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 op de gevel decibel mogelijk.
Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen. Lageweg 5 Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een woning of andere geluidsgevoelige bestemming. Hiermee kan verdere toetsing op het gebied van (spoor)wegverkeerslawaai 52
achterwege blijven en kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai. Lageweg 10 Met de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 is geen sprake van het oprichten van een woning of andere geluidsgevoelige bestemming. Hiermee kan verdere toetsing op het gebied van (spoor)wegverkeerslawaai achterwege blijven en kan worden gesteld dat met de hier voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai. Conclusie Met de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse van de locaties Lageweg 5 en Lageweg 10 is geen sprake van onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai. 4.1.4.2 Industrielawaai Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Lageweg 5 Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van mogelijk geluidshinder veroorzakende inrichtingen of installaties. Er wordt ter plaatse niet voorzien in ventilatoren en/of andere installaties met draaiende onderdelen.
Tevens zal het aantal verkeersbewegingen, zoals nader is aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) niet in onevenredige mate toenemen. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving. Lageweg 10 Met de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 vinden binnen de hier aanwezige inrichting wijzigingen plaats. De hier voorgenomen ontwikkeling leidt daardoor mogelijk tot een toename van de geluidsbelasting op de omgeving. Om te onderzoeken of de op omliggende geluidsgevoelige objecten veroorzaakte geluidsbelasting aan de geldende normen blijft voldoen, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In het akoestisch onderzoek is de gewenste situatie voor de locatie Lageweg 10 in een model vertaald. Vervolgens is conform het toetsingskader geluid uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' berekend welke geluidsbelasting wordt veroorzaakt op een punt, gelegen op 50 meter ten noorden, oosten, zuiden en westen van de inrichting.
Daarnaast is de geluidsbelasting berekend die veroorzaakt wordt op de relevante omliggende geluidsgevoelige objecten wordt veroorzaakt als het gaat om: het langtijdgemiddelde geluidsniveau als gevolg van de representatieve bedrijfssituatie; de maximale geluidsniveaus als gevolg van de maatgevende piekbronnen; de indirecte hinder als gevolg van het inrichtingsgebonden verkeer op de openbare weg. De resultaten van de berekeningen zijn weergegeven in onderstaande tabellen.
53
Tabel 4.7: resultaten berekening langtijdgemiddelde geluidsniveau richfafstand VNG-publicatie. Bron: Agrifirm NWE Exlan Advies.
Tabel 4.8: resultaten berekening langtijdgemiddelde geluidsniveau nabijgelegen woningen. Bron: Agrifirm NWE Exlan Advies.
Tabel 4.9: resultaten berekening maximaal geluidsniveau richtafstand VNG-publicatie. Bron: Agrifirm NWE Exlan Advies.
Tabel 4.10: resultaten berekening maximaal geluidsniveau nabijgelegen woningen. Bron: Agrifirm NWE Exlan Advies.
T abel 4.11: resultaten berekening indirecte hinder. Bron: Agrifirm NWE Exlan Advies. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 13 van deze toelichting. Gezien de resultaten van het akoestisch onderzoek wordt er niet in alle windrichtingen op 50 meter uit de inrichtingsgrens voldaan aan de richtwaarden voor de dag-, avond- en/of nachtperiode uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In dit geval kan echter wel geconcludeerd worden dat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Gezien het volgende brengen de overschrijdingen van de richtwaarden ter plaatse van de beoordelingspunten op 50 meter uit de inrichtingsgrens geen geluidhinder met zich mee: 54
Volgens de resultaten van het akoestisch onderzoek geldt voor de geluidsgevoelige bestemmingen/objecten nabij de inrichting dat ter plaatse daarvan wel aan de geluidnormen wordt voldaan; Ter plaatse van de beoordelingspunten op 50 meter uit de inrichtingsgrens is geen sprake van geluidgevoelige bestemmingen/objecten en deze zijn er planologisch gezien ook niet mogelijk. De grond ter plaatse van de punten, gelegen op 50 meter ten noorden, zuiden en westen van deze grens is in gebruik en bestemd als bouw- en grasland. Het punt dat op 50 meter ten oosten van de grens ligt, valt nog binnen het agrarisch bouwvlak van de veehouderij aan de Lageweg 3. De bestaande bedrijfswoning is echter ter plaatse van een ander gedeelte van het vlak aanwezig en herbouw van de bedrijfswoning is planologisch niet toegestaan; Voor alle vier de windrichtingen geldt dat geluidgevoelige bestemmingen/objecten zich op een afstand van een paar honderd meter of meer bevinden. Hiermee zijn de afstanden dermate veel groter dan 50 meter, dat die afstanden in alle vier de windrichtingen zullen zorgen voor voldoende afname van de geluidbelasting op die geluidgevoelige bestemmingen/objecten om beneden de richtwaarden uit de VNG-publicatie te blijven.
Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder voor geluidsgevoelige objecten in de omgeving. Conclusie Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse van de locaties Lageweg 5 en Lageweg 10 is geen sprake van onevenredige geluidshinder voor geluidsgevoelige objecten in de omgeving.
4.1.5 Woon- en leefklimaat Wanneer sprake is van het oprichten van gevoelige objecten of wanneer een inrichting wordt opgericht welke mogelijk hinder aan gevoelige objecten in de omgeving veroorzaakt is het van belang te onderzoeken of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een ontwikkeling kan niet plaatsvinden indien het niet aannemelijk is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. 4.1.5.1 Woon- en leefklimaat op de locatie Wanneer bij een ontwikkeling sprake is van het oprichten van gevoelige objecten op het gebied van geur, fijnstof en/of geluid dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is op beide locaties geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten, waarmee verdere toetsing op dit gebied achterwege kan blijven. Conclusie Met de voorgenomen ontwikkelingen is ter plaatse van de locaties Lageweg 5 en Lageweg 10 sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.1.5.2 Woon- en leefklimaat in de omgeving Als bij een ontwikkeling wordt voorzien in een inrichting welke mogelijk leidt tot milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse van de betreffende gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.
Als niet aan de richtafstanden wordt voldaan die volgens de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' voor betreffende inrichting van toepassing zijn, dient op het gebied van geur, fijnstof en/of geluid nader te worden onderzocht of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de toetsing van de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse van de locaties Lageweg 5 en Lageweg 10 aan de richtafstanden uit de genoemde VNG-publicatie wordt verwezen naar de paragraaf 55
"Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1). Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling op beide locaties geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geurhinder aan de omgeving. Ook zal er zoals nader aangetoond in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3), op beide locaties sprake zijn van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Ten slotte zal zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.4), op beide locaties geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidshinder aan de omgeving. Conclusie De voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse van de locaties Lageweg 5 en Lageweg 10 zullen geen onevenredig nadelige invloed hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige objecten in de omgeving. Gesteld kan worden dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.
4.1.6 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven. Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen. 4.1.6.1 Risicovolle inrichtingen Lageweg 5 Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi. In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn. Er zijn nabij de locatie geen mogelijke risicovolle inrichtingen gelegen.
56
Figuur 4.6: Uitsnede Risicokaart. Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO). Lageweg 10 Ook nabij de locatie Lageweg 10 bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. De ter plaatse gevoerde intensieve varkenshouderij is ook geen risicovolle inrichting. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. De locatie Lageweg 10 ligt niet binnen het invloedsgebied van bedrijven welke onder het Bevi vallen. Conclusie Risicovolle inrichtingen leiden vanuit het oogpunt van externe veiligheid niet tot belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse van de locaties Lageweg 5 en Lageweg 10. 4.1.6.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevt zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. Lageweg 5 De locatie is binnen het invloedsgebied van een gasleiding gelegen. Het groepsrisico dient daarmee nader te worden gemotiveerd. Dit is nader omschreven in de paragraaf "Groepsrisico" (paragraaf 4.1.6.3). Lageweg 10 57
Ter plaatse van het zuidoostelijke gedeelte van de planlocatie Lageweg 10 en aan de overkant van de Lageweg is een aardgastransportleiding van de Gasunie gelegen. Aangezien de gronden waar ze zijn gelegen in de gewenste situatie buiten het bouwvlak blijven vallen en hiervoor een plaatsgebonden risicocontour van 0 meter van toepassing is, worden met de voorgenomen ontwikkeling geen (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt binnen de plaatsgebonden risicocontour van deze leidingen. De inventarisatieafstand van de richting het zuiden lopende aardgastransportleiding ligt op 95 meter van het hart van de leiding. Hierdoor is een groot gedeelte van de planlocatie Lageweg 10 binnen het invloedsgebied van die leiding gelegen. Het groepsrisico dient daarmee nader te worden gemotiveerd. Dit is nader beschreven in de paragraaf "Groepsrisico" (paragraaf 4.1.6.3). Conclusie Transport en buisleidingen leiden vanuit het oogpunt van externe veiligheid en plaatsgronden risico niet tot belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse van de locaties Lageweg 5 en Lageweg 10. Vanuit het oogpunt van groepsrisico is een nadere motivering noodzakelijk. 4.1.6.3 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen.
Lageweg 5 De planlocatie is binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Hiermee dient het groepsrisico nader te worden verantwoord. Het is van belang te onderzoeken of de personendichtheid binnen het invloedsgebied onevenredig toeneemt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe verblijfsruimten en zal geen sprake zijn van een onevenredige groei van het personeel. Hiermee zal de personendichtheid niet in onevenredige mate toenemen, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van het groepsrisico. Voor de beperkte verantwoording van het groepsrisico wordt verwezen naar de 'Standaard verantwoording groepsrisico, gemeente Geertruidenberg 2019' die als bijlage 14 bij deze toelichting is opgenomen. Lageweg 10 Een groot gedeelte van de planlocatie Lageweg 10 is zoals benoemt in paragraaf 4.1.6.2 gelegen binnen het invloedsgebied van een aardgastransportleiding. Hiermee dient het groepsrisico nader te worden verantwoord. Het is van belang te onderzoeken of de personendichtheid binnen het invloedsgebied toeneemt. Met de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten, want in de nieuwe bedrijfsbebouwing zijn geen verblijfsruimten voorzien.
Daarnaast breidt de intensieve varkenshouderij ter plaatse niet in zo'n omvang uit dat sprake is van groei van het personeel. Hiermee kan gesteld worden dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een toename van de personendichtheid ter plaatse van de locatie Lageweg 10 en daardoor geen toename van het groepsrisico met betrekking tot de aanwezige aardgastransportleidingen. Voor de beperkte verantwoording van het groepsrisico wordt verwezen naar de 'Standaard verantwoording groepsrisico, gemeente Geertruidenberg 2019' die als bijlage 14 bij deze toelichting is opgenomen. Conclusie Buisleidingen leiden vanuit het oogpunt van externe veiligheid en groepsrisico niet tot belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse van de locaties Lageweg 5 en Lageweg 10.
58
4.1.7 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Dit is echter vooral van belang wanneer inrichtingen worden opgericht waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen zullen verblijven. Lageweg 5 Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een inrichting waarin gedurende een groot deel van de dag mensen verblijven. Er wordt een reeds bestaande stal uitgebreid. De uitbreiding is voornamelijk voor extra dierplaatsen. De voorzieningen in de stal waarin de agrariër doorgaans aanwezig is zijn reeds aanwezig. Er wordt niet voorzien in een nieuwe melkstal. Daarmee is geen sprake van een nieuwe ruimte waarin doorgaans langdurig mensen verblijven. Daarnaast worden uitsluitend nieuwe voorzieningen voor opslag van voer- en/of mest opgericht.
Ook dit betreffen geen voorzieningen waarin mensen langdurig verblijven. Wel is sprake van een uitbreiding van het bouwvlak, maar deze betekent geen gebruikswijziging ten opzichte van het huidige gebruik. Het is momenteel agrarisch in gebruik en blijft agrarisch in gebruik. Hiermee kan worden aangenomen dat de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt is voor de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging. Lageweg 10 De voorgenomen ontwikkeling voor de locatie Lageweg 10 voorziet in een uitbreiding van de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen en een vormverandering van het bouwvlak ten behoeve van de ter plaatse aanwezige en bestemde intensieve varkenshouderij. Zodoende betekent deze ontwikkeling geen gebruiksverandering van de locatie. Hiermee kan worden aangenomen dat de bodemkwaliteit ter plaatse van deze planlocatie geschikt is voor de voorgenomen functie en bestemmingswijziging. Hiermee kan worden gesteld dat de bodemkwaliteit de voorgenomen functie en bestemmingswijziging ter plaatse van de locatie Lageweg 10 niet in de weg zal staan. In het kader van dit bestemmingsplan is geen bodemonderzoek noodzakelijk. Mogelijk is er in het kader van de procedure omgevingsvergunning milieu nog wel een nulsituatie-onderzoek nodig ter plaatse van de uitbreiding van de bedrijfsgebouwen ten behoeve van de intensieve varkenshouderij en de opslag van gevaarlijke stoffen.
Conclusie Vanuit het oogpunt van de bodemkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen functie en bestemmingswijziging ter plaatse van zowel de locatie Lageweg 5 als Lageweg 10.
4.1.8 Lichthinder In melkveestallen wordt de laatste jaren steeds meer verlichting toegepast. Tezamen met hogere goot- en nokhoogtes en de toepassing van open zijgevels kan dit leiden tot meer lichtuitstoot naar de omgeving. Omwonenden kunnen hier hinder van ondervinden, met name in de avonduren. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat een lichtbron effecten kan hebben op de flora en fauna in de omgeving. Om overlast te voorkomen dient daarom lichthinder zoveel mogelijk te worden tegengegaan. Lageweg 5 Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van een bestaande stal. De uitbreiding vindt 59
plaats tussen bestaande bebouwing op het erf, waarmee de uitstraling van licht naar buiten toe minimaal is. De omringende bebouwing zorgt namelijk al voor een afschermende werking. In de stal zullen de lichtbronnen ook hoger opgehangen worden dan de goothoogte van de stal, waarmee de lichtuitstraling naar buiten zeer beperkt blijft. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zal, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing ter plaatse. Hierbij zal de aan te leggen erfbeplanting ook nog een afschermende werking hebben. De lichtuitstraling naar buiten toe is daarom met de voorgenomen ontwikkeling zeer minimaal. De landschappelijke inpassing is opgenomen in het landschappelijk inrichtingsplan, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting. Hiermee zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige lichthinder aan de omgeving. Lageweg 10 De voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 heeft betrekking op uitbreiding van een intensieve varkenshouderij. Doordat bij dit type veehouderij sprake is van gesloten dakvlakken en gevels en veel lagere goot- en nokhoogtes, speelt het aspect lichthinder hierbij eigenlijk geen rol.
Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van Lageweg 10 geen sprake zal zijn van een onevenredige lichthinder voor de omgeving. Conclusie Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse van de locaties Lageweg 5 en Lageweg 10 is geen sprake van onevenredige lichthinder voor de omgeving.
4.1.9 Directe ammoniakschade Bij een intensief varkens- of pluimveebedrijf kan sprake zijn van directe ammoniakschade. Dit is de schade die ammoniak uit de stallen van dergelijke bedrijven kan veroorzaken aan gewassen die verbouwd worden nabij de stal. In het Activiteitenbesluit milieubeheer is ammoniakschade echter niet opgenomen omdat dit wordt gezien als bedrijfsschade in plaats van als milieuschade. Het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek heeft in 1981 het rapport "Stallucht en Planten" opgesteld. Hierin worden de gevolgen van ammoniak uit dergelijke bedrijven op verschillende gevoelige planten en/of bomen uiteengezet. In dit rapport zijn richtafstanden opgenomen tussen de stallen en gevoelige planten en/of bomen. Indien gewenst kan in het bestemmingsplan rekening gehouden worden met de in het rapport genoemde afstanden tussen bedrijfsmatige boomkwekerijen en de stallen. In 1996 is het rapport aangevuld met het rapport "Effecten van ammoniak op planten in de directe omgeving van stallen, update van een risicoschatting" van het Instituut AB-DLO van het voormalige Ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij (LNV). In november 1998 is door middel van een mailing aan de Nederlandse gemeenten algemene bekendheid aan dit rapport gegeven.
Tevens is de bijbehorende notitie "Risico van gewasschade in de directe omgeving van ammoniakbronnen" van AB-DLO van 23 juli 1997 bekend gemaakt. De vraag is in hoeverre ook dit rapport en deze notitie bij de beoordeling van directe ammoniakschade afkomstig van een vergunningplichtige inrichting betrokken dient te worden. Hierover heeft de Raad van State een uitspraak gedaan waaruit blijkt dat deze notitie bij beoordeling van plannen of projecten ten behoeve van een varkens- en/of pluimveebedrijf niet gehanteerd hoeft te worden. De richtafstanden uit het rapport "Stallucht en Planten" kunnen echter toegepast worden bij ontwikkeling van een dergelijk intensief veehouderijbedrijf. Het rapport "Stallucht en Planten" geeft richtafstanden van 50 meter tussen stallen en gevoelige planten en bomen (zoals coniferen) en 25 meter tussen stallen en minder gevoelige planten en bomen. Lageweg 5 60
Aan de Lageweg 5 is geen sprake van een intensieve veehouderij. Tevens is nabij de locatie aan de Lageweg 5 geen bedrijfsmatige boomkwekerij gelegen welke directe ammoniakschade zouden kunnen ondervinden van de uitgevoerde melkrundveehouderij ter plaatse. Er is daarmee geen sprake van mogelijke directe ammoniakschade. Lageweg 10 Nabij de planlocatie Lageweg 10 zijn geen bedrijfsmatige boomkwekerijen gelegen welke directe ammoniakschade zouden kunnen ondervinden van de hier gevoerde intensieve varkenshouderij. Met de hier voorgenomen ontwikkeling zal dus geen sprake zijn van directe ammoniakschade. Conclusie Met de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse van de locaties Lageweg 5 en Lageweg 10 is geen sprake van mogelijke directe ammoniakschade.
4.1.10 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen: 1.
Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten; of 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. 4.1.10.1 Lageweg 5 De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van een melkrundveehouderij. Vanuit de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geldt een drempelwaarde voor een toename met 200 melkkoeien en 140 stuks jongvee (D.14, onder 7°). Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een toename van de veestapel met 43 melkkoeien. Daarmee worden de drempelwaarden niet overschreden. Ook de totale bedrijfsomvang met 200 melkkoeien en 117 stuks jongvee zal de drempelwaarden niet overschrijden. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. De bijlage maakt onderscheid in de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Hieronder wordt hier nader op ingegaan. De voorgenomen ontwikkeling betreft een project van geringe omvang.
Het aantal te houden dieren zal de drempelwaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige omvang niet overschrijden. Er zijn geen andere 61
projecten in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten. Er is binnen het project slechts gering sprake van gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De productie van afvalstoffen beperkt zich tot een geringe hoeveelheid mest en/of reststoffen. Onevenredige verontreiniging en hinder is, gelet op de geringe bedrijfsomvang, ook niet te verwachten. Er worden enkel reguliere stoffen en technologieën gebruikt. Gelet hierop is er geen verhoogd risico op ongevallen. De locatie is niet gelegen in een gebied dat, gelet op de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde kwetsbaar is voor een nieuwe kleinschalige invulling van een bestaand erf. Er zullen met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) en de paragraaf "Archeologie en cultuurhistorie" (paragraaf 4.3), geen natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad. De potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer gering en lokaal. Zoals nader aangetoond in de paragrafen "Milieuzonering", "Geur", "Luchtkwaliteit", "Geluid", "Woon- en leefklimaat", "Externe veiligheid" en "Bodem" (paragraaf 4.1.1 t/m 4.1.7) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige hinder op het gebied van milieu.
Daarnaast is, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) geen sprake van aantasting van natuurlijke en landschappelijke waarden. Een uitzondering hierop vormt de toename van ammoniakemissie uit de dierverblijven en ammoniakdepositie op beschermde natuurgebieden in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling zal geen nadelige effecten op beschermde natuurgebieden tot gevolg hebben. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Gebiedsbescherming" (paragraaf 4.2.1.1). Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling aan de Lageweg 5 is een vormvrije aanmeldingsnotitie milieueffectrapportage opgesteld, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 15 van deze toelichting. Daaruit blijkt dat met de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige effecten op het gebied van milieu worden verwacht. De gemeente Geertruidenberg heeft op 23 maart 2021 op basis van de aanmeldingsnotitie besloten dat geen aanvullende milieueffectrapportage nodig is. Voor het besluit op de aanmeldingsnotitie wordt verwezen naar bijlage 16 van deze toelichting (het besluit op de aanmeldingsnotitie maakt deel uit van het besluit het ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen). 4.1.10.2 Lageweg 10 Als gevolg van de hier voorgenomen ontwikkeling zal het aantal gehouden vleesvarkens ter plaatse van de locatie Lageweg 10 met 1.581 stuks toenemen, en het aantal gehouden gespeende biggen met 672 stuks.
Het aantal gehouden zeugen ter plaatse blijft gelijk. Met de voorgenomen ontwikkeling worden de drempelwaarden vanuit de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. van 2.000 vleesvarkens en 3.750 gespeende biggen dus niet overschreden. Derhalve is om de ter plaatse voorgenomen ontwikkeling te beoordelen op de mogelijke nadelige milieueffecten een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld en voorafgaand aan dit plan voorgelegd aan de gemeente. Voor deze beoordeling wordt verwezen naar bijlage 17 van deze toelichting. In de vormvrije m.e.r.-beoordeling zijn voor de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 de effecten bepaald wat betreft onder meer de milieuaspecten ammoniak, geurhinder, luchtkwaliteit en geluidshinder. Daarbij is gebleken dat in de gewenste situatie voldaan wordt aan de wettelijke normen voor ammoniak, geur, fijnstof en geluid. Op basis van de beoordeling en de daartoe uitgevoerde onderzoeken kan worden geconstateerd dat met de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 geen sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu'. Hoewel sprake is van enig effect, is het effect echter niet zodanig dat aanleiding bestaat voor een m.e.r.-procedure.
De gemeente Geertruidenberg heeft op 18 december 2017 naar aanleiding van de voorgelegde vormvrije m.e.r.-beoordeling besloten dat geen milieueffectrapportage opgesteld hoeft te worden voor plannen of besluiten die betrekking hebben op de ter plaatse van de locatie Lageweg 10 voorgenomen ontwikkeling. Voor dit besluit wordt verwezen naar bijlage 18 van deze toelichting. Conclusie 62
De voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse van de locaties Lageweg 5 en Lageweg 10 hebben geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het is daarom niet noodzakelijk om ten behoeve daarvan een milieueffectrapportage op te stellen en een m.e.r.-procedure te volgen.
4.2
Ecologie
4.2.1 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming. 4.2.1.1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht.
Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Lageweg 5 Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000 gebied. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Langstraat) is gelegen op een afstand van ongeveer 3,2 kilometer van de locatie. Dit gebied bevat voor stikstof gevoelige soorten. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.
63
Figuur 4.7: Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: Aerius Calculator. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een uitbreiding van de veestapel. Echter zal bij de voorgenomen ontwikkeling gebruik worden gemaakt van nieuwe, emissie-arme stalsystemen. Op basis van de nieuwe stalsystemen en de emissies daarvan zal, zoals blijkt uit de volgende tabel, niet toenemen of zelfs in (zeer) beperkte mate afnemen. Hiermee is geen sprake van een toename van de ammoniakemissie, waarmee eveneens geen sprake zal zijn van een toename van de ammoniakdepositie op de betreffende gebieden.
64
Tabel 4.12: Tabel emissies ammoniak huidige en gewenste situatie. Bron: DLV Advies. Naast de emissie van ammoniak is ook de uitstoot van stikstofoxiden van belang. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen. Er is daarmee geen sprake van een structurele toename van de uitstoot van stikstofoxiden. Tijdens de bouwwerkzaamheden kunnen mogelijk stikstofoxiden vrijkomen door middel van machines en werktuigen. Dit is echter zeer beperkt. Gezien de beperkte hoeveelheid verkeersbewegingen op het bedrijf en de zeer beperkte hoeveelheid machines en werktuigen die tijdens de bouw aanwezig zullen zijn zal, mede gezien de relatief grote afstand tot het dichtstbijzijnde gebied, geen sprake zijn van een toename van de stikstofdepositie op het betreffende gebied als gevolg van een toename van de uitstoot van stikstofoxiden, ook niet tijdelijk tijdens de bouwfase. Om aan te tonen wat het projecteffect is op de betreffende gebieden is met het rekenprogramma Aerius Calculator een berekening gemaakt. Uit deze berekening, waarvan de resultaten zijn opgenomen in de rapportage die is toegevoegd als bijlage 19 bij deze toelichting, blijkt dat het projecteffect van de voorgenomen ontwikkeling niet groter zal zijn dan 0,00 mol per hectare per jaar.
Er is daarmee geen sprake van een significant effect op de betreffende gebieden. Verder kunnen aspecten als licht, geluid en trillingen nog mogelijk van invloed zijn op de betreffende 65
gebieden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een structurele uitstoot van geluid en/of trillingen. Voor wat betreft de uitstraling van licht worden maatregelen getroffen om de lichtuitstraling naar buiten zoveel mogelijk te beperken. Daarnaast zal de voorgenomen landschappelijke inpassing leiden tot een afscherming van de lichtuitstraling naar de betreffende gebieden toe. Daarnaast is de locatie op een dusdanig grote afstand van de betreffende gebieden gelegen (ruim 3 kilometer) dat deze aspecten in de betreffende gebieden niet merkbaar zullen zijn. Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad. Lageweg 10 Zoals te zien in de volgende figuur is ook de locatie Lageweg 10 niet gelegen in een Natura 2000 gebied. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Langstraat) is gelegen op een afstand van ongeveer 3,3 kilometer van deze locatie.
Figuur 4.8: Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: Aerius Calculator. Aangezien de ter plaatse gevoerde intensieve varkenshouderij ammoniakemissie veroorzaakt die over grotere afstanden leidt tot een bepaalde depositie van ammoniak op deze gebieden, is de ter plaatse voorgenomen ontwikkeling mogelijk van invloed op Natura 2000 gebieden. Echter, in dit geval is geen sprake van significante nadelige effecten op Natura 2000 gebieden. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 neemt de veroorzaakte ammoniakemissie af en daardoor neemt ook de depositie van ammoniak afkomstig van de ter plaatse gevoerde intensieve varkenshouderij af. Dit blijkt uit de gemaakte Aerius-verschilberekening, waarin de gewenste situatie vergeleken is met de vergunde situatie. Voor de vergunde situatie is uitgegaan van de geldende natuurvergunning die de ter plaatse gevestigde intensieve varkenshouderij op 22 juni 2015 verkregen heeft op grond van toen nog de Natuurbeschermingswet 1998. 66
Voor de vervaardigde Aerius-verschilberekening wordt verwezen naar bijlage 20 van deze toelichting. Naast de emissie van ammoniak is ook de uitstoot van stikstofoxiden van belang. Die uitstoot wordt ten eerste veroorzaakt door de verkeersbewegingen naar, vanaf en ter plaatse van de locatie Lageweg 10. Daarnaast kunnen tijdens de bouwwerkzaamheden mogelijk stikstofoxiden vrijkomen door middel van machines en werktuigen. Gezien de beperkte hoeveelheid verkeersbewegingen naar en vanaf de locatie van het bedrijf, de zeer beperkte hoeveelheid machines en werktuigen die tijdens de bouw aanwezig zijn en de relatief grote afstand tot de Natura 2000 gebieden zal geen sprake zijn van een toename van de stikstofdepositie op die gebieden als gevolg van een toename van de uitstoot van stikstofoxiden. Ook niet tijdelijk tijdens de bouwfase. De verkeersbewegingen naar, vanaf en ter plaatse van de locatie Lageweg 10 waarvan in de bestaande en gewenste situatie sprake is, zijn meegenomen in de gemaakte Aerius-verschilberekening. Aangezien de details rond de bouwfase van de uitbreiding van de bedrijfsgebouwen nu nog onvoldoende duidelijk zijn, vindt de berekening en toets van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door de uitstoot van stikstofoxiden in deze fase plaats in het kader van de procedure omgevingsvergunning bouw.
Verder kunnen aspecten als licht, geluid en trillingen nog mogelijk van invloed zijn op de betreffende gebieden. De locatie Lageweg 10 is echter op een dusdanig grote afstand van de betreffende gebieden gelegen (ruim 3 kilometer) dat deze aspecten in de betreffende gebieden niet merkbaar zullen zijn. Gelet op het voorgaande zal met de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 geen sprake zijn van aantasting van Natura 2000 gebieden. Conclusie Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse van de locaties Lageweg 5 en Lageweg 10 is geen sprake van significante nadelige effecten op Natura 2000-gebieden. 4.2.1.2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.
Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen van meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Lageweg 5 Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. Lageweg 10 Bij de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de hier voorgenomen ontwikkeling. Conclusie 67
De voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse van de locaties Lageweg 5 en Lageweg 10 hebben geen invloed op beschermde houtopstanden. 4.2.1.3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitatrichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming.
Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorgplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn.
Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Lageweg 5 De grond op de locatie bestaat voornamelijk uit landbouwgrond en grasland en is door beweiding en 68
maaien regelmatig in beroering. Hiermee is het aannemelijk dat zich binnen het projectgebied geen beschermde soorten planten bevinden. Binnen het projectgebied is weinig tot geen opgaande beplanting aanwezig. Hiermee is ter plaatse onvoldoende gelegenheid voor dieren om zich te verschuilen en zijn onvoldoende voedselbronnen aanwezig. Hiermee is het aannemelijk dat zich binnen het projectgebied geen beschermde diersoorten zullen bevinden. Binnen het projectgebied zijn geen broedplaatsen van vogels aanwezig. De werkzaamheden zullen daarnaast buiten het broedseizoen plaatsvinden. Er zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van sloop van bebouwing en/of het dempen van sloten. Het is daarmee niet aannemelijk dat soorten worden geschaad die zich in bebouwing en/of sloten hebben gevestigd. Op basis hiervan kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een mogelijke aantasting van (leefgebieden van) beschermde soorten flora en fauna. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal beweiding blijven plaatsvinden. Dit heeft een positief effect op de mogelijke ontwikkeling van broed- en weidevogels. Daarnaast zal bij de voorgenomen ontwikkeling worden voorzien in een goede landschappelijke inpassing, waarbij landschappelijke elementen worden aangelegd.
Met de aanleg van nieuwe landschappelijke elementen en beplanting ontstaan er meer mogelijkheden voor soorten flora en fauna om zich ter plaatse te kunnen ontwikkeling. Hiermee heeft de voorgenomen ontwikkeling eerder een positief effect op de mogelijke ontwikkeling van soorten flora en fauna. Lageweg 10 De voorgenomen ingrepen ter plaatse van de locatie Lageweg 10 zijn niet van invloed op beschermde planten en/of diersoorten: De gronden waar de nieuwe stallen en luchtwassers gebouwd gaan worden, zijn te midden van het bestaande bouwperceel gelegen. Daardoor zijn deze gronden in de huidige situatie al bebouwd en verhard of regelmatig in beroering door intensief agrarisch gebruik. Hiermee is het aannemelijk dat zich ter plaatse van die gronden geen beschermde soorten planten bevinden; In de bestaande stal die gesloopt gaat worden, verblijven geen specifiek beschermde vogelsoorten zoals de huismus, steenuil, kerkuil of boerenzwaluwen. Daarnaast is dit gebouw ook niet geschikt voor vleermuizen, want het heeft geen spouwmuur en is ook niet van een geschikt dakbeschot voorzien. Omdat ook geen sprake is van het dempen van sloten, is het niet aannemelijk dat soorten worden geschaad die verblijven in aanwezige bebouwing en/of sloten; De opgaande beplanting die aanwezig is ter plaatse van de locatie, blijft behouden.
Indien nodig kunnen de sloop- en bouwwerkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden. Daarmee is het niet aannemelijk dat eventuele verblijfplaatsen van beschermde diersoorten te midden van deze beplanting verstoord zullen worden. Op basis hiervan kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een mogelijke aantasting van (leefgebieden van) beschermde soorten flora en fauna. Conclusie Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse van de locaties Lageweg 5 en Lageweg 10 is geen sprake van negatieve effecten op beschermde soorten flora en fauna.
4.2.2 Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op. 69
Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Het beheer van het NNN is in handen van de provincies. De provincie Noord-Brabant heeft ten aanzien van het beheer van de NNN gebieden specifieke voorwaarden vastgelegd en heeft de NNN-gebieden vastgelegd in het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Lageweg 5 Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN/NNB gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN/NNB-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 174 meter.
Figuur 4.9: Uitsnede kaart NNN. Bron: Provincie Noord-Brabant. Op een dergelijke afstand (binnen 250 meter) van een NNN/NNB gebied kan een ruimtelijke ontwikkeling nadelige effecten hebben. Dit is voornamelijk het geval als sprake is van een te hoge geluidsbelasting, een grote uitstoot van fijnstof, structurele en frequente trillingen en/of structurele lichtuitstraling. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een ontwikkeling met een onevenredige geluidsbelasting. Daarnaast is geen sprake van structurele of frequente trillingen. Tevens is sprake van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de achtergrondconcentratie van fijnstof. Voor wat betreft de lichtuitstraling naar buiten toe worden maatregelen getroffen om deze zoveel mogelijk te beperken. Daarnaast zal de voorgenomen landschappelijke inpassing ook een afschermende werking hebben op de lichtuitstraling van de staluitbreiding. Omdat de staluitbreiding midden op het erf plaatsvindt is de lichtuitstraling naar buiten toe tevens minimaal, omdat deze al grotendeels wordt afgeschermd door bestaande bebouwing. Gezien het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg. Lageweg 10 70
Zoals te zien in de vorige figuur is de planlocatie Lageweg 10 net buiten het NNN/NNB gelegen. De strook gronden met bestaande dichte opgaande beplanting die aan de noordkant aan de planlocatie grenst, behoort namelijk tot het NNN/NNB. De hier aanwezige ecologische waarde is die van een houtwal/-singel: een vrijliggend, aaneengesloten lijnvormig landschapselement, waarbij de begroeiing beheerd wordt als hakhout. Door de ligging van de locatie Lageweg 10 buiten het NNN/NNB heeft de hier voorgenomen ontwikkeling geen afname van areaal NNN/NNB tot gevolg en staat deze niet in de weg aan het behoud en een duurzame ontwikkeling van de aangrenzend gelegen houtwal/-singel en de andere nabijgelegen tot het NNN/NNB behorende landschapselementen en gebieden. Gezien het volgende heeft de ter plaatse voorgenomen ontwikkeling ook geen negatieve effecten op de ecologische waarden en/of kenmerken van het NNN/NNB: De ontwikkeling betreft een uitbreiding van een bestaande intensieve varkenshouderij binnen het bestaande bouwperceel; Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een onevenredige toename van de geluidsbelasting op de omgeving of structurele of frequente trillingen; De uitstoot van fijnstof naar de omgeving neemt af met de voorgenomen ontwikkeling.
Gezien het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 geen nadelige invloed hebben op tot het NNN/NNB behorende gebieden. Conclusie Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse van de locaties Lageweg 5 en Lageweg 10 is geen sprake van nadelige effecten op tot het NNN/NNB behorende gebieden.
4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. Lageweg 5 Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen gelegen.
71
Figuur 4.10: Uitsnede kaart Wav-gebieden. Bron: Provincie Noord-Brabant. Gezien de locatie niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen is gelegen zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van deze gebieden onevenredig worden aangetast. Lageweg 10 Zoals te zien in de vorige figuur is ook de locatie Lageweg 10 niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen gelegen. Gelet hierop zal met de ter plaatse voorgenomen ontwikkeling geen van deze gebieden onevenredig worden aangetast. Conclusie Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse van de locaties Lageweg 5 en Lageweg 10 is geen sprake van onevenredige aantasting van Wav-gebieden.
4.3
Archeologie en cultuurhistorie
4.3.1 Archeologie Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden. Gemeenten stellen ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden een eigen beleid op over de omgang met archeologie. Onderdeel van dit beleid is een weergave van de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem in een archeologische verwachtingskaart.
Als het gaat om bescherming van archeologie in (het kader van) bestemmingsplannen is voor de gemeente Geertruidenberg de op 30 november 2017 vastgestelde 'Nota Archeologie gemeente Geertruidenberg' bepalend. 72
Lageweg 5 Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie vanuit de archeologische verwachtingskaart gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'lage verwachting'.
Figuur 4.11: Uitsnede archeologische verwachtingskaart. Bron: Gemeente Geertruidenberg. Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 50.000 m² en dieper dan 50 centimeter onder maaiveld. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een ontwikkeling van meer dan 50.000 m² en dieper dan 50 centimeter onder maaiveld, waarmee aanvullend onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Hiermee kan worden gesteld dat bij de bodemverstoring vanwege de voorgenomen ontwikkeling de kans op het aantreffen van archeologische resten gering is. Lageweg 10 Zoals te zien in de vorige figuur is het noordelijke gedeelte van de locatie Lageweg 10 volgens de archeologische verwachtingskaart gelegen in gebied waarvoor een 'hoge verwachting' geldt wat betreft de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem. Ten aanzien van gebieden met een hoge verwachtingswaarde stelt de 'Nota Archeologie gemeente Geertruidenberg' uit 2017 dat nader onderzoek noodzakelijk is bij bodemingrepen over een oppervlakte van meer dan 100 m² en dieper dan 50 centimeter onder maaiveld. Voor het zuidelijke gedeelte van de locatie is sprake van een 'lage verwachting'.
De voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 voorziet in een aantal bodemingrepen van meer dan 100 m² en dieper dan 50 centimeter onder maaiveld ter plaatse van het gedeelte waar sprake is van een 'hoge verwachting'. De twee nieuw te bouwen stallen met oppervlaktes van 757,7 m2 en 1.308,5 m2 en de nieuw te bouwen garage met een oppervlakte van 158 m2 zijn hier beoogd (zie figuur 4.13). Omdat de beoogde ontwikkeling mede gezien eerdere en bestaande bodemverstoringen gepaard gaat met een extra bodemverstoring van meer dan 100 m2 in het gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde, is volgens de 'Nota Archeologie gemeente Geertruidenberg' archeologisch onderzoek nodig. Daarom zijn er in de planregels en op de verbeelding dubbelbestemmingen opgenomen ter bescherming van archeologische (verwachtings)waarden. Zie ook figuren 4.12 en 4.13.