210701 Raamsdonk, Lageweg 5 en Lageweg 10.pdf
Tekst van het document
Lid 2: De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering 31
landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie." Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een melkveehouderij worden uitgebreid. Daarbij zal gebruik worden gemaakt van emissiebeperkende maatregelen. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de uitstoot van het bedrijf daarmee worden verminderd. Dit heeft een meerwaarde op het gebied van milieu en natuur. Het woon- en leefklimaat in de omgeving zal met de voorgenomen ontwikkeling daarmee worden verbeterd. Daarnaast zal met de voorgenomen ontwikkeling worden voorzien in beweiding van de gehouden dieren. Daarbij is sprake van begrazing en natuurlijk onderhoud van de weidegronden in de omgeving. Door de beweiding blijven de weidegronden open en bieden deze ruimte voor weidevogels. Daarmee wordt bijgedragen aan meer biodiversiteit. De nieuwe bebouwing zal volgens de huidige duurzaamheidseisen worden opgericht. Daarnaast kunnen, in goed overleg met de gemeente, mogelijkheden worden onderzocht voor het opwekken van duurzame energie, door bijvoorbeeld de aanleg van zonnepanelen. Daarmee draagt de ontwikkeling bij aan een verdere verduurzaming van de sector en wordt daarmee bijgedragen aan de energiedoelstellingen die de overheid heeft.
Tevens zal met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), worden voorzien in een goede bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. Het voorzien in een goede landschappelijke inpassing is opgenomen als een van de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van het landschap zoals zijn genoemd in artikel 3.9 van de verordening en is derhalve aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie. Voor het landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting. De landschappelijke inpassing is naar aanleiding van een reactie van de provincie verder aangevuld. Ter plaatse wordt, naast het eerder voorgestelde bosplantoen rondom de silo aan de voorzijde, eveneens voorzien in beplanting aan de achterzijde van de locatie. Een en ander is in het landschappelijk inrichtingsplan verwerkt. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee worden voorzien in meerwaardecreatie.
Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit. Gezien het voorgaande wordt voldaan aan de regels zoals zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant. 3.2.2.2 Lageweg 10 De voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 voorziet planologisch gezien in: uitbreiding van de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen ten behoeve van intensieve veehouderij ten opzichte van de bestaande oppervlakte die op grond van het geldend bestemmingsplan binnen het bouwvlak is toegestaan; een vormverandering van het in het geldend bestemmingsplan ter plaatse vastgelegde bouwvlak. Hiermee heeft de ter plaatse voorgenomen ontwikkeling geen vergroting van de oppervlakte van het bouwperceel tot gevolg, maar maakt deze op het bestaande bouwperceel, binnen het deel waar het oprichten van gebouwen is toegestaan wel een ontwikkeling mogelijk die op grond van het geldende planologisch regime niet is toegelaten.
Derhalve is met de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 in de zin van de Interim omgevingsverordening geen sprake van een uitbreiding, maar van een vestiging van een veehouderij in gebied, dat vanuit de verordening is aangewezen als 'Landelijk gebied'. De verordening maakt binnen 'Landelijk gebied' onderscheid in 'Gemengd landelijk gebied' en de 'Groenblauwe mantel'. De locatie Lageweg 10 valt binnen de 'Groenblauwe mantel'. 32
Gezien het voorgaande ligt de locatie Lageweg 10 niet in gebied, dat vanuit de Interim omgevingsverordening is aangewezen als 'Stedelijk gebied'. Het gebied waarin de locatie ligt is vanuit de verordening ook niet aangewezen als 'Beperkingen veehouderij'. De regels die artikel 2.72, artikel 3.48 en artikel 3.51 van de verordening bevatten over (vestiging van) een veehouderij zijn hiermee niet van toepassing voor (ontwikkeling van) de ter plaatse gevestigde intensieve varkenshouderij. De locatie Lageweg 10 is ook niet gelegen in gebied, dat vanuit de Interim omgevingsverordening is aangewezen als 'Stalderingsgebied'. De in artikel 2.74 en artikel 3.52 van de verordening opgenomen regels over toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren zijn derhalve niet van toepassing voor (ontwikkeling van) de ter plaatse gevestigde intensieve varkenshouderij. Omdat de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 gezien het vorige niet ziet op een geitenhouderij, zijn de uit artikel 2.71 en 3.47 van de Interim omgevingsverordening volgende verboden voor vestiging en ontwikkeling van een geitenhouderij in dit geval eveneens niet van toepassing.
Uit het volgende blijkt dat wordt voldaan aan de regels uit de Interim omgevingsverordening met betrekking tot eisen aan huisvestingssystemen van de stallen van veehouderijen (artikel 2.66 en artikel 2.69) en (vestiging van) veehouderijen in landelijk gebied (artikel 2.73, artikel 2.77, artikel 3.49 en artikel 3.50). Ad. artikel 2.66: Met de voorgenomen ontwikkeling worden de bestaande stallen ter plaatse van de locatie Lageweg 10 die niet voldoen aan de bij de Interim omgevingsverordening behorende Bijlage 2 Technische eisen huisvestingssystemen gesloopt dan wel voorzien van een nieuw huisvestingssysteem, dat wel voldoet aan de daarin opgenomen eisen voor de maximale ammoniakemissie vanuit een dierenverblijf. Ad. artikel 2.69: De nieuwe stallen die volgens de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 zijn voorzien, worden voorzien van een huisvestingssysteem dat voldoet aan de eisen voor de maximale ammoniakemissie vanuit een dierenverblijf als opgenomen in de bij de Interim omgevingsverordening behorende Bijlage 2 Technische eisen huisvestingssystemen. Ad. artikel 2.73, lid 2, sub a en b, artikel 3.49, lid 1, sub a en artikel 3.50, lid 1, sub a, onder 1: Om te bepalen of sprake is van een zorgvuldige veehouderij heeft de provincie Noord-Brabant nadere regels vastgesteld op grond van artikel 5.11 van de Interim omgevingsverordening.
Deze regels zijn opgenomen in de "Nadere regels Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij". Bij de Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij (BZV) wordt gebruik gemaakt van een scoringssysteem, waarbij op verschillende aspecten punten gehaald kunnen worden. Wanneer op elk afzonderlijk aspect de daarvoor minimaal vereiste score wordt behaald, is sprake van een zorgvuldige veehouderij. Voor de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 is de scoringstabel van de BZV ingevuld. Uit de daaruit volgende berekening blijkt dat met deze ontwikkeling op elk afzonderlijk aspect aan de minimaal vereiste score wordt voldaan, zodat ter plaatse van deze locatie sprake is van een zorgvuldige veehouderij. Voor de resultaten van de toetsing aan de BZV wordt verwezen naar bijlage 8 van deze toelichting. Ad. artikel 3.49, lid 1, sub b: In de huidige situatie is ter plaatse van de locatie Lageweg 10 een bouwvlak vastgelegd met een oppervlakte van 1,5 hectare. De voorgenomen ontwikkeling beoogt alleen een vormverandering van dit bouwvlak ter plaatse. De begrenzing wijzigt, maar het bouwvlak behoudt hierbij een oppervlakte van 1,5 hectare. De vormverandering van het bouwvlak vindt plaats binnen het bouwperceel ter plaatse van de locatie Lageweg 10. De vormverandering leidt dus niet tot vergroting van het bouwperceel.
De nieuwe bebouwing waar de hier voorgenomen ontwikkeling in voorziet, wordt ook gebouwd binnen het bouwperceel ter plaatse van de locatie Lageweg 10. Ook als gevolg hiervan is dus geen sprake van vergroting van het bouwperceel. Mede gezien het feit dat op grond van het geldend bestemmingsplan de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden, gelegen tussen de aanduiding 'bouwvlak' en de weg voor voortuinen bestemd zijn, 33
heeft het bouwperceel ter plaatse van de locatie Lageweg 10 bestaand een grotere oppervlakte dan het 1,5 hectare grote bouwvlak. De bestaande oppervlakte bedraagt circa 1,92 hectare. Aangezien deze bestaande oppervlakte met de voorgenomen ontwikkeling niet wordt vergroot, is deze van artikel 3.49, lid 1, sub b afwijkende oppervlakte toegestaan op grond van artikel 9.8, lid 2 van de Interim omgevingsverordening. Ad. artikel 2.73, lid 2, sub c, artikel 3.49, lid 1, sub c en artikel 3.50, lid 1, sub a, onder 2: Vanuit artikel 3.5, lid 2 van de Interim omgevingsverordening moet voor een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving rekening worden gehouden met zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt volgens artikel 3.6, lid 1, sub a en c onder andere in dat functies gebruik maken van bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, zoals een bestaand bouwperceel en dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen een bouwperceel geconcentreerd worden. Zoals hiervoor al toegelicht, is dit het geval bij de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10. De lagenbenadering omvat volgens artikel 3.7, lid 2 de effecten op bijv.
bodem, grondwater, veiligheid, milieu, archeologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden, infrastructuur, natuurnetwerk, de omvang van de functie en de bebouwing en bestaande en toekomstige functies. Zoals nader onderbouwd in de paragraaf "Gewenste situatie" (paragraaf 2.2), de paragraaf "Rijksbeleid" (paragraaf 3.1) en het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) heeft de voorgenomen ontwikkeling wat dit betreft geen significant negatieve effecten en zijn er wat verschillende van deze aspecten betreft juist positieve effecten. Ook is hierin onderbouwd dat de ontwikkeling niet leidt tot belemmeringen voor de bestaande of toekomstige functies in de omgeving en van het omliggende gebied. In artikel 3.8, lid 2 is aangegeven dat fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van de meerwaardecreatie deel kan uitmaken. Geconstateerd kan worden dat met de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 sprake is van meerwaardecreatie, nu als onderdeel van deze ontwikkeling hier een goede landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd op basis van het daartoe opgestelde landschappelijk inpassingsplan. Gelet hierop is de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar in de omgeving. Ad.
artikel 2.77 en artikel 3.49, lid 1, sub d: De voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 voorziet niet in het handhaven of realiseren van een voorziening voor mestbewerking. Volgens de specifieke gebruiksregels van de in dit bestemmingsplan opgenomen bestemming 'Agrarisch met waarden' is het niet toegestaan gronden of bouwwerken binnen deze bestemming te gebruiken voor het bewerken, verwerken of vergisten van eigen mest of mest van derden. Ad. artikel 2.73, lid 2, sub d, artikel 3.49, lid 1, sub e en artikel 3.50, lid 1, sub a, onder 3: Zoals toegelicht in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) en nader onderbouwd in bijlage 11 blijkt uit een berekening van de achtergrondbelasting die optreedt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 dat: de kans op cumulatieve geurhinder op geurgevoelige objecten in de bebouwde kom niet hoger is dan 12%; de kans op cumulatieve geurhinder op geurgevoelige objecten in het buitengebied niet hoger is dan 20%. Ad. artikel 2.73, lid 2, sub e, artikel 3.49, lid 1, sub f en artikel 3.50, lid 1, sub a, onder 4: Zoals toegelicht in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) ligt de fijnstofconcentratie (PM10) ter plaatse van de locatie Lageweg 10 en omliggende gevoelige objecten ruim beneden de in Interim omgevingsverordening gestelde norm van 31,2 µg/m³.
In de paragraaf is ook met berekeningen aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 zowel vanuit de inrichting als verkeersbewegingen gezien niet in betekenende mate bijdraagt aan de uitstoot van fijnstof en dus geen onevenredige toename van de achtergrondconcentratie aan fijnstof tot gevolg heeft. Hiermee is aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een achtergrondconcentratie aan fijnstof op gevoelige 34
objecten, die de in de Interim omgevingsverordening gestelde norm van 31,2 µg/m³ overschrijdt. Ad. artikel 3.49, lid 1, sub g: Zoals beschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) wordt met de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 ook een goede landschappelijke inpassing gerealiseerd. Ten behoeve daarvan is voor deze locatie door een landschapsdeskundige een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, waarin de te realiseren landschappelijke inpassing nader uitgewerkt en onderbouwd is. Hierbij is ook van de regel uit de Interim omgevingsverordening uitgegaan, dat de landschappelijke inpassing minimaal 10% van de omvang van het bouwperceel moet omvatten. Het bouwperceel ter plaatse van de locatie Lageweg 10 heeft bestaand een oppervlakte van 1,92 hectare. Gezien de hier voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot vergroting van dit bouwperceel, moet de landschappelijke inpassing ter plaatse een omvang hebben van minimaal 1.920 m2. Zoals blijkt uit het als bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen landschappelijk inpassingsplan heeft de nieuw te realiseren landschappelijke inpassing een zodanige omvang dat in combinatie met wat er bestaand aanwezig sprake wordt van een totale omvang van 2.000 m2 en dus voldaan wordt aan de eis van 10%. Ad.
artikel 2.73, lid 2, sub f, artikel 3.49, lid 1, sub h en artikel 3.50, lid 1, sub a, onder 5: De eigenaar van de locatie Lageweg 10 heeft voorafgaand aan dit plan met omwonenden een omgevingsdialoog gehouden. Hij heeft omwonenden geïnformeerd over de ter plaatse voorgenomen ontwikkeling en hen de gelegenheid hier op te reageren en wensen of bedenkingen kenbaar te maken. In het kader van de gehouden dialoog zijn vanuit de omgeving geen wensen of bedenkingen kenbaar gemaakt. Voor het verslag van de omgevingsdialoog wordt verwezen naar bijlage 9 van deze toelichting. Hiermee is voldaan aan de regels uit de Interim omgevingsverordening dat een zorgvuldige dialoog moet zijn gevoerd, gericht op het betrekken van belangen van de omgeving in de planontwikkeling. Ad. artikel 2.73, lid 2, sub g en 3.50, lid 1, sub b: In de huidige situatie is binnen de stallen ter plaatse van de locatie Lageweg 10 uitsluitend sprake van het houden van dieren op de grond. De varkens worden niet op meerdere bouwlagen gehouden. Dit blijft het geval met de ter plaatse voorgenomen ontwikkeling. Zie ook de situatietekening die als bijlage 2 bij deze toelichting is opgenomen. Verder is het volgens de specifieke gebruiksregels van de in dit bestemmingsplan opgenomen bestemming 'Agrarisch met waarden' ook niet toegestaan om binnen gebouwen meer dan één bouwlaag te gebruiken voor het houden van varkens. Ad.
artikel 3.50, lid 1, sub c: De voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 heeft geen betrekking op een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw, gericht op het in gebruik nemen als dierenverblijf. Op basis van het volgende kan geconstateerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 eveneens voldoet aan de regels uit de Interim omgevingsverordening ten aanzien van de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit en kwaliteitsverbetering van het landschap (artikel 3.5 tot en met artikel 3.9). Ad. artikel 3.5, lid 1: De zorgplicht houdt in dat een bestemmingsplan invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. De zorgplicht is nader uitgewerkt in artikel 3.5, lid 2 en artikel 3.6 tot en met artikel 3.8 van de Interim omgevingsverordening. Uit voorgaande toetsing van de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 aan artikel 2.73, lid 2, sub c, artikel 3.49, lid 1, sub c en artikel 3.50, lid 1, sub a, onder 2 van de verordening volgt dat deze ontwikkeling gelet op artikel 3.5, lid 2 en artikel 3.6 tot en met 3.8 vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving. Gelet hierop voldoet dit bestemmingsplan aan de zorgplicht. Ad.
artikel 3.9, lid 1: In de specifieke gebruiksregels van de in dit bestemmingsplan opgenomen bestemming 'Agrarisch met waarden' is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de realisatie en de instandhouding van de landschappelijke inpassing waar het in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) 35
beschreven en als bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen landschappelijk inpassingsplan voor de locatie Lageweg 10 in voorziet. Hiermee is verzekerd dat de hier voorgenomen ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied en de omgeving. Ad. artikel 3.9, lid 2: In het als bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen landschappelijk inpassingsplan voor de locatie Lageweg 10 is onderbouwd waarom de te realiseren landschappelijke inpassing passend is binnen de gewenste ontwikkeling van het landschap waarin de locatie is gelegen. De uitvoering van dit plan is geborgd door middel van de voorwaardelijke verplichting, opgenomen in de specifieke gebruiksregels van de in dit bestemmingsplan opgenomen bestemming 'Agrarisch met waarden'. Over de wijze van kwaliteitsverbetering van het landschap zijn regionaal afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn door de gemeente Geertruidenberg vastgelegd in het reglement "Kwaliteitsverbetering van het landschap 2016". Zoals nader onderbouwd in de paragraaf "Reglement kwaliteitsverbetering van het landschap 2016" (paragraaf 3.3.2) wordt met het verplicht uit te voeren landschappelijk inpassingsplan voor de locatie Lageweg 10 aan dit beleid voldaan. Hiermee worden de regionale afspraken nagekomen. Ad.
artikel 3.9, lid 3: Het in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) beschreven landschappelijk inpassingsplan voor de locatie Lageweg 10 is opgesteld om de hier voorgenomen ontwikkeling te laten voldoen aan de in artikel 3.49, lid 1, sub g van de Interim omgevingsverordening opgenomen verplichting. Een op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing is één van de genoemde maatregelen waaruit verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan bestaan. Op basis van een eerdere reactie van de provincie is de landschappelijke inpassing voor de locatie Lageweg 10 verder aangevuld met aanvullende inpassing aan de westzijde van het bedrijf om bij te dragen aan de recreatieve doelen van het gebied rondom de rivier De Donge. De aanvullingen op de landschappelijke inpassing zijn in het landschappelijk inrichtingsplan verwerkt. De locatie Lageweg 10 is behalve in 'Landelijk gebied' ook (gedeeltelijk) gelegen in gebied, dat vanuit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is aangewezen als: 'Geen attentiezone waterhuishouding'; 'Attentiezone stiltegebied'; 'Diep grondwaterlichaam'. De regels met betrekking tot de als zodanig aangewezen gebieden zijn opgenomen in artikel 2.20 tot en met artikel 2.22 en artikel 2.42 van de Interim omgevingsverordening. Ad.
artikel 2.20: Het verbod op het op onconventionele wijze winnen van koolwaterstoffen binnen als 'Diep grondwaterlichaam' aangewezen gebied is niet van toepassing. Hier is bij de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 geen sprake van. Ad. artikel 2.21 en artikel 2.22: De vrijstellingen voor grondwateronttrekkingen ten behoeve van een bodemenergiesysteem in een als 'Geen attentiezone waterhuishouding' aangewezen gebied zijn niet relevant. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 geen sprake van een bodemenergiesysteem en grondwateronttrekkingen. Ad. artikel 2.42: De hier voorgenomen ontwikkeling zal niet tot gevolg hebben dat de ter plaatse van de locatie Lageweg 10 gevoerde intensieve varkenshouderij leidt tot een geluidsbelasting van meer dan 50 dB(A) op de grens van het ten westen van de locatie gelegen stiltegebied. Zoals beschreven in de paragraaf "Industrielawaai" (paragraaf 4.1.4.2) is er voor het aspect geluid een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidsbelasting die de inrichting in de gewenste situatie veroorzaakt op de omliggende geluidsgevoelige objecten. Hieruit blijkt dat er voor de bedrijfswoning aan de Lageweg 3 al sprake is van een geluidsbelasting die ruim beneden de 50 dB(A) ligt en deze bedrijfswoning is op een veel kleinere afstand van de inrichting gelegen 36
(circa 45 meter) dan de grens van het stiltegebied (circa 160 meter). De locatie Lageweg 10 grenst tot slot aan een strook grond, die met de Interim omgevingsverordening is aangewezen als behorend tot het NatuurNetwerk Brabant/NatuurNetwerk Nederland (NNB/NNN). Omdat de strook buiten het plangebied van dit bestemmingsplan valt, is artikel 3.15 uit de verordening niet van toepassing. Wat betreft artikel 3.16 kan worden opgemerkt dat zoals nader toegelicht in de paragraaf "Natuurnetwerk Nederland" (paragraaf 4.2.2) de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 geen negatieve effecten heeft voor de ecologische waarden en kenmerken van dit als NNB/NNN aangewezen gebied. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 past binnen de regels zoals vervat in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie gemeente Geertruidenberg 2030 De gemeente Geertruidenberg heeft op 19 december 2013 de Structuurvisie gemeente Geertruidenberg 2030 vastgesteld. Deze structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen met een doorkijk naar 2030. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. Vanuit de structuurvisie zijn de locaties Lageweg 5 en Lageweg 10 gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'groenblauwe mantel' en 'open agrarisch gebied'. Binnen de groenblauwe mantel wordt ruimte geboden aan agrarische ontwikkeling, mits deze niet leiden tot belemmeringen voor de ontwikkeling van natuur, water(beheer) en/of landschap. Lageweg 5 Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van een veehouderij waarbij beweiding wordt toegepast. Door de beweiding van de gehouden dieren worden de aangrenzende weidegronden begraasd en op natuurlijke wijze onderhouden. De weidegronden blijven door de begrazing open en bieden daarmee kansen voor weidevogels. Daarnaast zal bij de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), worden voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing.
Ten behoeve van de landschappelijke inpassing is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld, waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is onderbouwd en uitgewerkt. Voor het landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting. Met de voorgenomen landschappelijke inpassing wordt een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse, waarmee de landschappelijke waarde in het gebied wordt verbeterd. Er is daarmee sprake van de ontwikkeling van een agrarisch bedrijf waarbij sprake is van een verbetering van de landschappelijke en natuurlijke waarde. Een dergelijke ontwikkeling past goed binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen voor de groenblauwe mantel. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de beleidsuitgangspunten zoals zijn opgenomen in de Structuurvisie gemeente Geertruidenberg 2030 van de gemeente Geertruidenberg. Lageweg 10 Bij de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 is sprake van een uitbreiding van de bedrijfsgebouwen ten behoeve van de hier gevoerde intensieve varkenshouderij. De ontwikkeling omvat echter geen vergroting van het bouwvlak, maar slechts een vormverandering van het bouwvlak.
Daarnaast zal bij de ter plaatse voorgenomen ontwikkeling zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2) worden voorzien in een goede, bij het gebied passende 37
landschappelijke inpassing. Ten behoeve van de landschappelijke inpassing is voor de locatie door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld, waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is onderbouwd en uitgewerkt. Met de voorgenomen landschappelijke inpassing wordt een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse, waarmee de landschappelijke waarde in het gebied wordt verbeterd. De te realiseren landschappelijke inpassing legt wel enig extra ruimtebeslag op de direct aan de locatie grenzende onbebouwde agrarische gronden. Voor het overige blijven de bestaande omliggende open weilanden dus open en bieden ze ruimte voor weidevogels. Over het geheel genomen is er dan ook sprake van ontwikkeling van een agrarisch bedrijf, waarbij sprake is van een verbetering van de landschappelijke en natuurlijke waarde. Daarmee past de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 goed binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen voor de groenblauwe mantel. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de beleidsuitgangspunten zoals zijn opgenomen in de Structuurvisie gemeente Geertruidenberg 2030 van de gemeente Geertruidenberg.
3.3.2 Reglement kwaliteitsverbetering van het landschap 2016 Vanuit het ruimtelijke beleid van de provincie is het van belang dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gepaard gaan met een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente Geertruidenberg heeft daarom het reglement kwaliteitsverbetering van het landschap 2016 vastgesteld. In het reglement is opgenomen op welke wijze en in welke mate nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen bij te dragen aan de kwaliteitsverbetering van het landschap. In het reglement wordt onderscheid gemaakt in drie verschillende categorieën nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Deze zijn als volgt: Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed. Dit zijn hoofdzakelijk ontwikkelingen die passen binnen de vigerende planologische kaders of vergunningsvrij gerealiseerd kunnen worden. Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden. Deze categorie betreft ontwikkelingen die een relatief beperkte invloed op de omgeving hebben en (traditioneel) als passend binnen en eigen aan het landelijk gebied worden beschouwd. Of ontwikkelingen die in gebieden plaatsvinden die specifiek aangewezen zijn voor bepaalde ontwikkelingen.
Categorie 3: Ontwikkelingen welke vallen onder categorie 3 zijn ruimtelijke ontwikkelingen waar vanwege de aard en/of schaal van de ontwikkeling niet meer te onderbouwen is dat deze tot categorie 1 of 2 behoren. Deze ontwikkelingen hebben over het algemeen een beduidende invloed op de omgeving door vergroting van de geldende bouwmassa/-oppervlakte, vergroting van het geldende bestemmingsvlak en/of substantiële bestemmingswijziging. Ook niet aan het buitengebied gebonden ontwikkelingen vallen in principe onder categorie 3. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in categorie 1 wordt geen aanvullende kwaliteitsverbetering geëist. Voor ruimtelijke ontwikkelingen in categorie 2 geldt dat de kwaliteitsverbetering plaatsvindt door ter plaatse te voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling in categorie 3 valt dan dient de kwaliteitsverbetering plaats te vinden door middel van een investering in de ruimtelijke kwaliteit op basis van een percentage van de met de beoogde ontwikkeling behaalde bestemmingswinst. Een deel van deze investering dient dan op of nabij de locatie zelf plaats te vinden. In het reglement is een lijst opgenomen van ruimtelijke ontwikkelingen die vallen onder categorie 1 en/of categorie 2.
Het vergroten van een agrarisch bouwvlak tot maximaal 1,5 hectare en uitbreiding van (intensieve) veehouderij tot 1,5 hectare zijn in de lijst van ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die vallen onder categorie 2 (zie hiervoor ook de uitsnede van de lijst in de volgende figuur). Bij de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van zowel de locatie Lageweg 5 als de locatie Lageweg 10 is daarmee sprake van een ruimtelijke ontwikkeling die valt onder categorie 2. Ter plaatse dient daarom te worden voorzien in een kwaliteitsverbetering van het landschap op basis van een goede landschappelijke inpassing.
38
Figuur 3.1: Uitsnede tekst Reglement kwaliteitsverbetering van het landschap 2016, gemeente Geertruidenberg. Bron: Gemeente Geertruidenberg. Bij de voorgenomen ontwikkelingen zal op beide locaties, zoals nader is omschreven in de paragraaf "Landschappelijke inpassing" (paragraaf 2.2.2), worden voorzien in een goede en bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Ten behoeve van de voorgenomen landschappelijke inpassing ter plaatse is voor beide locaties door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (zie bijlage 3 en 4). Hierin is de voorgenomen landschappelijke inpassing nader uitgewerkt en onderbouwd. Ter plaatse zal er daarmee sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing. Daarmee is in voldoende mate sprake van een kwaliteitsverbetering van het landschap. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de beleidskaders zoals zijn opgenomen in het reglement kwaliteitsverbetering van het landschap 2016 van de gemeente Geertruidenberg.
39
Hoofdstuk 4 4.1
Ruimtelijke- en milieuaspecten
Milieu
4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin deze milieuaspecten gelden en waarvan de milieucontour wordt afgeleid, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan, is mogelijk sprake van milieuhinder voor de betreffende gevoelige functies.
De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt. Lageweg 5 Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van een melkrundveehouderij. Ten aanzien van melkveehouderijen zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 100 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. Het dichtstbijzijnd gevoelig object, zijnde de agrarische bedrijfswoning aan de Lageweg 10, bevindt zich op een afstand van ongeveer 218 meter (gemeten van het bouwvlak ter plaatse van Lageweg 5 tot de voorgevel van de woning). Aangezien volgens het geldend bestemmingsplan en deze partiële herziening herbouw van deze bedrijfswoning niet is toegestaan, wordt hiermee aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal met de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige hinder worden veroorzaakt aan gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen.
Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object. Hiermee zullen geen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Lageweg 10 Bij de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 is sprake van uitbreiding van een intensieve varkenshouderij. Ten aanzien van een bedrijf in het fokken en houden van varkens zijn in genoemde handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 200 meter. Stof: 30 meter. 40
Geluid: 50 meter. Gevaar: 0 meter. Het dichtstbijzijnd gevoelig object, is de bedrijfswoning van de op de locatie Lageweg 3 gevestigde grondgebonden veehouderij. Zoals weergegeven in de volgende figuur, bevindt de voorgevel van deze bedrijfswoning zich op een afstand van circa 45 meter van het dichtstbijzijnde punt van de grens van het plangebied van dit bestemmingsplan en daarmee de inrichtingsgrens van de intensieve varkenshouderij op de locatie Lageweg 10. Dit is in dit geval de maatgevende afstand, want op grond van het ter plaatse van Lageweg 3 geldende bestemmingsplan is herbouw van de bedrijfswoning niet toegestaan.
Figuur 4.1: Situatietekening richtafstanden Lageweg 10. Bron: Agrifirm NWE Exlan Advies. Hiermee wordt niet voldaan aan de aan te houden richtafstanden op het gebied van geur en geluid. Echter op basis van het volgende kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling desondanks geen onevenredige hinder zal veroorzaken: De bedrijfswoning aan de Lageweg 3 behoort tot een andere veehouderij. Daardoor is hierop geen geurnorm van toepassing, maar alleen een minimaal vereiste afstand tussen enig emissiepunt van stallen op de locatie Lageweg 10 en de buitenzijde van de woning. Op grond van de Verordening geurhinder en veehouderij van de gemeente Geertruidenberg geldt een minimaal vereiste afstand van 25 meter. Aan deze afstand wordt ook in de gewenste situatie voldaan. Andere geurgevoelige objecten liggen wel op een afstand van meer dan 200 meter van de grens van het plangebied ter plaatse van de locatie Lageweg 10; 41
De intensieve varkenshouderij zal ook in de gewenste situatie geen zodanige geluidsbelasting veroorzaken op de bedrijfswoning aan de Lageweg 3, dat hier sprake is van het overschrijden van de geluidsnormen. Dit volgt uit de in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.4) beschreven resultaten van het verrichte akoestisch onderzoek voor de voorgenomen ontwikkeling op de locatie Lageweg 10. Met de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 zal daarom geen sprake zijn van onevenredige hinder voor gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken, mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object. De hier voorziene ontwikkeling zal daarom geen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden beperken.
Conclusie Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse van de locaties Lageweg 5 en Lageweg 10 is geen sprake van onevenredige hinder voor gevoelige objecten in de omgeving of beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen.
4.1.2 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wgv. Voor een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, is volgens de Wgv geen norm voor de geurbelasting van toepassing. Dan geldt een minimaal aan te houden afstand van: 100 meter indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom is gelegen; en 50 meter indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot aan de gevel van het geurgevoelige object.
Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt volgens de Wgv een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom. Bij gemeentelijke verordening kunnen gemeenten afwijken van de wettelijke normen. De gemeente Geertruidenberg heeft een eigen Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. Hierin zijn geen van de wet afwijkende normen voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten vastgelegd. Hiermee zijn voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten die nu geen onderdeel uitmaken van een andere veehouderij of er voor 19 maart 2000 al geen deel meer van uitmaakten, de normen uit de Wgv onverkort van toepassing. Ingevolge artikel 3, lid 1 van de Wgv is aangegeven dat een vergunning voor een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van de veehouderij op een geurgevoelig object: gelegen buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8.0 odeurunits (ouE) per m³ lucht; gelegen buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2.0 ouE per m³ lucht; 42
gelegen binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14.0 ouE per m³ lucht; gelegen binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3.0 ouE per m³ lucht. In de Verordening geurhinder en veehouderij van de gemeente Geertruidenberg zijn wel van de Wgv afwijkende minimaal aan te houden afstanden opgenomen tussen een veehouderij waar dieren met een geuremissiefactor worden gehouden en een geurgevoelig object dat deel uitmaakt van een andere veehouderij of op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij. De opgenomen minimaal aan te houden afstanden zijn: 50 meter indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom is gelegen; en 25 meter indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen. Lageweg 5 Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van een melkveehouderij waarop melkkoeien en jongvee gehouden worden. Voor melkkoeien en jongvee zijn geen geuremissiefactoren vastgelegd. Dit betekent dat voor de gewenste ontwikkeling de vaste afstanden aangehouden dienen te worden. Het dichtstbijzijnd geurgevoelig object (de agrarische bedrijfswoning aan de Lageweg 10) is gelegen op een afstand van ongeveer 218 meter van het bouwvlak voor de locatie Lageweg 5 en kan op grond van het bestemmingsplan niet op een kleinere afstand worden herbouwd.
Hiermee wordt aan de vaste afstanden voldaan en zal geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving. Ter plaatse worden, naast het melkrundvee en het jongvee, ook enkele schapen gehouden. Voor schapen zijn wel geuremissiefactoren opgenomen. Omdat het bedrijf vanwege het aantal gehouden melkkoeien milieuvergunningplichtig is dient voor de gehouden schapen een geurberekening te worden gemaakt om aan te tonen of sprake is van een onevenredige geurhinder aan de omgeving. Daarbij dient te worden aangetoond of de normen uit de Wgv worden overschreden. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een geurberekening gemaakt met het verspreidingsmodel V-stacks vergunningen. Uit deze berekening blijkt dat met de voorgenomen ontwikkeling aan de in de Wgv gestelde normen kan worden voldaan. Onderstaande tabel geeft de resultaten weer.
Tabel 4.2: Resultaten berekening voorgrond geurbelasting. Bron: DLV Advies. Voor de volledige resultaten van de uitgevoerde berekening wordt verwezen naar bijlage 10 van deze onderbouwing. Vanwege privacy overwegingen zijn de persoonsgegevens in de bijlage onherkenbaar gemaakt. Verder dient de geurbelasting uit de mestopslag inzichtelijk worden gemaakt. Hiervoor zijn geen geurnormen vastgelegd, maar gelden de vaste afstanden uit het Activiteitenbesluit Milieubeheer. Op basis van paragraaf 3.4.5 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer geldt voor de opslag van vaste mest een afstand van minimaal: 100 m ten opzichte van gevoelige objecten binnen de bebouwde kom, en 50 m ten opzichte van geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. Het dichtstbijzijnd geurgevoelig object (de agrarische bedrijfswoning aan de Lageweg 10) is gelegen op 43
een afstand van ongeveer 218 meter van het bouwvlak voor de locatie Lageweg 5 en kan op grond van het bestemmingsplan niet op een kleinere afstand worden herbouwd. Hiermee wordt aan de vaste afstanden voldaan en zal de mestopslag niet leiden tot een onevenredige geurhinder aan de omgeving. Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten aan de omgeving als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige geurhinder aan de omgeving mag veroorzaken moet, wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe (geur)gevoelige objecten eveneens worden aangetoond dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe (geur)gevoelige objecten, waarmee het woon- en leefklimaat niet verder hoeft te worden verantwoord voor de voorgenomen ontwikkeling. Lageweg 10 Bij de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 is sprake van uitbreiding van een intensieve varkenshouderij. Voor gespeende biggen, dekberen, kraam-, guste en dragende zeugen, vleesvarkens en opfokzeugen zijn verschillende geuremissiefactoren vastgelegd. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 is met het verspreidingsmodel V-stacks vergunningen een geurberekening gemaakt.
Berekend is de geurbelasting die de intensieve varkenshouderij ter plaatse in de gewenste situatie veroorzaakt op geurgevoelige objecten die nu geen onderdeel uitmaken van een andere veehouderij of voor 19 maart 2000 al geen deel meer uitmaakten van een andere veehouderij. Onderstaande tabel geeft de resultaten weer.
Tabel 4.2: Resultaten berekening voorgrond geurbelasting. Bron: Agrifirm NWE Exlan Advies. Volgens de resultaten wordt in de vergunde situatie al een hogere geurbelasting veroorzaakt op de relevante geurgevoelige objecten dan de in artikel 3, lid 1 van de Wgv vastgelegde geurnormen. Dit heeft als gevolg dat een omgevingsvergunning milieu voor de gewenste situatie ter plaatse van Lageweg 10 alleen verleend kan worden op grond van artikel 3, lid 4 van de Wgv. Dit betekent dat: een geurbelastingreducerende maatregel (GRM) moet worden toegepast; en de toename van de geurbelasting als gevolg van de wijziging van het aantal dieren niet meer mag bedragen dan de helft van de vermindering van de geurbelasting, die het gevolg zou zijn van de toegepaste geurbelastingreducerende maatregel bij het eerder vergunde veebestand. Volgens de resultaten is de berekende geurbelasting na het treffen van geurbelastingreducerende maatregelen bij het vergunde veebestand lager dan de geurbelasting in de vergunde situatie. Omdat de geurbelasting op de relevante geurgevoelige objecten in de gewenste situatie met maximaal de helft van de reductie mag toenemen, mag deze dus niet meer bedragen dan de in de vijfde kolom van bovenstaande tabel gegeven aangepaste norm.
Uit de resultaten van de gemaakte berekening volgt dat de geurbelasting op de relevante geurgevoelige objecten in de gewenste situatie nergens hoger is dan deze normen. Uit de gemaakte berekening blijkt dus dat met de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie voldaan wordt aan het bepaalde in de Wgv. Voor de volledige resultaten van de berekening wordt verwezen naar bijlage 11 van deze toelichting. De voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 is ook in overeenstemming met de door de gemeente Geertruidenberg vastgestelde Verordening geurhinder en veehouderij. De afstand tussen de gewijzigde begrenzing van het bouwvlak voor deze planlocatie en de gevels van de bestaande bedrijfswoningen aan de Lageweg 3 en Lageweg 5 bedraagt meer dan 25 meter. Daarmee wordt voldaan aan de bij verordening vastgelegde van de Wgv afwijkende minimaal aan te houden afstand tussen de 44
gevels van deze van andere veehouderijen deel uitmakende geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom en enig emissiepunt van een stal ter plaatse van de locatie Lageweg 10. Cumulatie van geur vormt op grond van de Wet geurhinder en veehouderij geen onderdeel van toetsing met betrekking tot geurhinder, maar de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vereist wel dat dit getoetst wordt. Gelet hierop is met het verspreidingsmodel V-stacks gebied ook een berekening gemaakt van de cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) die optreedt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10. In onderstaande tabel zijn de resultaten weergegeven.
Tabel 4.3: Resultaten berekening achtergrond geurbelasting. Bron: Agrifirm NWE Exlan Advies. Een geurnorm van 5,0 ouE/m3 voor de achtergrondbelasting op een buiten een concentratiegebied gelegen geurgevoelig object komt overeen met een percentage geurgehinderden van 12%. Een norm van 10,0 ouE/m3 komt overeen met een percentage geurgehinderden van 20%. Uit de resultaten blijkt dat de achtergrondbelasting op de dichtstbijzijnde in de bebouwde kom gelegen woningen de norm van 5,0 ouE/m3 niet zal overschrijden. Ook zal de achtergrondbelasting op de dichtstbijzijnde in buitengebied gelegen woningen lager zijn dan de norm van 10,0 ouE/m3. Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie voldaan worden aan de normering voor de achtergrondbelasting vanuit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Voor de volledige resultaten van de berekening wordt verwezen naar bijlage 11 van deze toelichting. Met de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 zal dan ook geen sprake zijn van onevenredige geurhinder voor geurgevoelige objecten in de omgeving. Conclusie Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse van de locaties Lageweg 5 en Lageweg 10 is geen sprake van onevenredige geurhinder voor geurgevoelige objecten in de omgeving.
4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 van de Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2).
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim 45
worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. 4.1.3.1 Luchtkwaliteit vanuit de inrichting Lageweg 5 In augustus 2009 heeft InfoMil de "Handreiking bij beoordelen fijnstof bij veehouderijen" gepubliceerd. In mei 2010 is deze vastgesteld en definitief gemaakt. Deze handleiding is bedoeld als ondersteuning voor de gemeente als bevoegd gezag, bij het beoordelen van vergunningaanvragen voor nieuwe vestigingen en uitbreidingen, die van invloed kunnen zijn op de luchtkwaliteit. De handreiking geeft op basis van rekenvoorbeelden aan wanneer een project als NIBM beschouwd kan worden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is er een toename van de veestapel van 43 melkkoeien (RAV-nummer A1.13.2). Volgens de lijst Emissiefactoren fijnstof voor veehouderij, versie 2019, bedraagt de toename van de fijnstofemissie daarmee: 43 x 148 g/dier/jaar = 6.364 g/jaar. De handreiking geeft grenswaarden ten aanzien van de totale emissie bij afstanden oplopend van 70 tot 160 meter. Bij 70 meter is de NIBM-vuistregelgrens 324.000 g/jaar oplopend tot 1.376.000 g/jaar bij 160 meter.
Dit betekent concreet dat op 70 meter elk project met een emissie minder dan 324.000 g/jaar oplopend tot op 160 meter elk project met een emissie minder dan 1.376.000 g/jaar als NIBM is aan te merken. De grenswaarden voor de verschillende afstanden zijn in de volgende tabel weergegeven.
Tabel 4.4: Tabel grenswaarden fijnstof op verschillende afstanden. Bron: ECN. De dichtstbijzijnde woning van derden (de agrarische bedrijfswoning aan de Lageweg 10) is gelegen op een afstand van ongeveer 218 meter (gemeten van het bouwvlak ter plaatse van Lageweg 5 tot de voorgevel van de woning). Hiervoor geldt een NIBM-vuistregelgrens van 1.376.000 g/jaar. In onderhavig geval is sprake van een emissie van 6.364 g/jaar. Dit is minder dan de NIBM-vuistregelgrens, waarmee de voorgenomen uitbreiding als NIBM is aan te merken. In de totale bedrijfsomvang (200 melkkoeien, 117 stuks jongvee en 35 schapen) is sprake van een fijnstofemissie van 34.046 gram per jaar. Ook dit is ruimschoots onder de NIBM-vuistregelgrens, waarmee ook de totale bedrijfssituatie is aan te merken als een NIBM-project. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof. Voor wat betreft stikstofoxiden is, middels een berekening met het rekenprogramma Aerius Calculator, aangetoond dat er geen significante toename zal zijn van de uitstoot van stikstofoxiden. Voor de resultaten van deze berekening wordt verwezen naar bijlage 19 van deze toelichting. Er is daarmee tevens geen sprake van een onevenredige toename van stikstofoxiden.
Lageweg 10 Voor het berekenen van de bijdragen van industriële, agrarische punt- of oppervlaktebronnen aan de bestaande of toekomstige concentraties is in Nederland de standaard rekenmethode 3 (SRM3) voorgeschreven. Het gaat daarbij om de stoffen die genoemd worden in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5 (luchtkwaliteitseisen). ISL3a is geschikt voor berekeningen van oppervlaktebronnen voor fijnstof en van puntbronnen voor fijnstof en NO2. Voor berekeningen aan agrarische inrichtingen zijn de emissiefactoren 46
gebruikt zoals deze bekend zijn gemaakt door het voormalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM). Voor de locatie Lageweg 10 geldt dat de gewenste situatie een afname van de emissie van fijnstof betekent ten opzichte van de huidige situatie. Daardoor kan ervan worden uitgegaan dat de ter plaatse voorgenomen ontwikkeling als NIBM kan worden aangemerkt. Om aan te tonen dat met de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 geen sprake is van een grootschalig negatief effect op de luchtkwaliteit is een ISL3a berekening gemaakt. Uit de berekening blijkt dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde wettelijke normen van 40 µg/m³ voor fijnstof en 35 dagen voor het aantal overschrijdingsdagen. Hiermee betreft de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 een project dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de negatieve effecten op de luchtkwaliteit. Voor de volledige berekening en de resultaten daarvan wordt verwezen naar bijlage 12 van deze toelichting. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof. Conclusie Vanuit de inrichtingen gezien is als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse van de locaties Lageweg 5 en Lageweg 10 geen sprake van onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof.
4.1.3.2 Luchtkwaliteit vanuit verkeersbewegingen Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. Lageweg 5 Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. De grens voor een project dat als NIBM kan worden aangemerkt is 1,2 µg/m³. Zoals in de volgende figuur te zien wordt deze grens met het totaal aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie Lageweg 5 in het worst-case scenario voor de gewenste situatie ter plaatse niet overschreden. Daarmee kan worden gesteld worden dat ook ten aanzien van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de op deze locatie voorgenomen ontwikkeling sprake is van een NIBM-project.
Tabel 4.5: Resultaten berekening NIBM-tool voor locatie Lageweg 10. Bron: Infomil. 47
Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Lageweg 10 Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van de locatie Lageweg 10 zal het aantal verkeersbewegingen van en naar deze planlocatie niet wezenlijk veranderen. Om te bepalen of het aantal verkeersbewegingen zorgt voor een in betekenende mate toenemende uitstoot van fijnstof en stikstofoxide, is met de NIBM-rekentool van InfoMil een berekening gemaakt. Hierbij is uitgegaan van het worst-case scenario voor het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie Lageweg 10 in de gewenste situatie, dat opgenomen is in het akoestisch onderzoek ten behoeve van de hier voorgenomen ontwikkeling. De grens voor een project dat als NIBM kan worden aangemerkt is 1,2 µg/m³. Zoals in de volgende figuur te zien wordt deze grens met het totaal aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie Lageweg 10 in het worst-case scenario voor de gewenste situatie ter plaatse niet overschreden. Daarmee kan worden gesteld worden dat ook ten aanzien van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de op deze locatie voorgenomen ontwikkeling sprake is van een NIBM-project.
Tabel 4.6: Resultaten berekening NIBM-tool voor locatie Lageweg 10. Bron: Infomil. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden. Conclusie Vanuit verkeersbewegingen gezien is als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen ter plaatse van de locaties Lageweg 5 en Lageweg 10 geen sprake van onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en/of stikstofoxiden.
48
4.1.3.3 Luchtkwaliteit in relatie tot provinciaal beleid Vanuit het provinciaal beleid, zoals nader is opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant geldt dat aangetoond moet worden dat een initiatief niet zal leiden tot een overschrijding van de norm voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van fijnstof en stikstofoxiden. Hierbij is het van belang te kijken naar de achtergrondconcentratie aan fijnstof en stikstofoxiden. Voor zowel fijnstof als stikstofoxiden geldt een landelijke norm voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van 40 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³). De provincie Noord-Brabant hanteert echter een strengere norm, namelijk 31,2 µg/m³. Vanuit gegevens uit de Atlas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) De gegevens in de Atlas Leefomgeving zijn gebaseerd op actuele gegevens uit de NSL Monitoringstool en geven daarmee een goed beeld van de achtergrondconcentratie ter plaatse. Lageweg 5 Op basis van de gegevens uit de Atlas Leefomgeving van het RIVM blijkt, zoals te zien in de volgende figuren, dat de achtergrondconcentratie van fijnstof ongeveer 18,4 µg/m³ bedraagt en die van stikstofoxiden ongeveer 18,7 µg/m³.
Figuur 4.2: Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof Atlas Leefomgeving. Bron: RIVM.
49
Figuur 4.3: Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden Atlas Leefomgeving. Bron: RIVM. De achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden ter plaatse is met 18,4 µg/m³ en 18,7 µg/m³ ruimschoots onder de gestelde norm van 31,2 µg/m³. Zoals is aangetoond in de voorgaande paragrafen is sprake van een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een onevenredige toename van de achtergrondconcentratie. De norm voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat volgens de provincie Noord-Brabant zal daarmee in geen geval worden overschreden. Lageweg 10 Op basis van de gegevens uit de Atlas Leefomgeving van het RIVM blijkt, zoals te zien in de volgende figuren, dat de achtergrondconcentratie van fijnstof ongeveer 18,5 µg/m³ bedraagt en die van stikstofoxiden ongeveer 18,9 µg/m³.
50
Figuur 4.4: Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof Atlas Leefomgeving. Bron: RIVM.
Figuur 4.5: Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden Atlas Leefomgeving. Bron: RIVM. De achtergrondconcentratie van fijnstof en stikstofoxiden ter plaatse is met 18,4 µg/m³ en 18,7 µg/m³ ruimschoots onder de gestelde norm van 31,2 µg/m³. Zoals is aangetoond in de voorgaande paragrafen is 51