Wijziging omgevingsplan Woongebied - Haansberg-Oost - motivering_toelichting
Tekst van het document
Figuur 3.3 Kaart Masterplan Haansberg (Bron: gemeente Etten-Leur) Verkeer en parkeren In Haansberg staan fietsers en voetgangers op 1, en is de auto is te gast. Woonstraten hebben een 30 km-inrichting, parkeren gebeurt op loopafstand, er komt een nieuwe bushalte en er komen hubs waar diverse voorzieningen gecentraliseerd zijn. De voet- en fietsstructuur zorgt voor een veilige en comfortabele verbinding met het centrum, het station, Vosdonk, het buitengebied en andere bestemmingen in Etten-Leur. Deze structuren nodigen de toekomstige bewoners uit om de auto te laten staan en te voet of met de fiets naar de bestemming te gaan.
35/82
De gemeentelijke wens is om het autobezit in deze wijk te beperken. Het aantal parkeerplaatsen in Haansberg moet passen bij het karakter en de behoeften van de afzonderlijke buurten. Geparkeerde auto's worden zoveel mogelijk uit het straatbeeld gehouden. Bij enkele woningen kunnen mensen parkeren op een oprit op eigen terrein. Voor de overige woningen en bezoekers worden langs de interne ontsluiting centrale parkeerplaatsen aangelegd waardoor de auto op loopafstand (maximaal 150 meter) van de woning of aan de rand van de wijk kan worden geparkeerd. Daarnaast wordt gestimuleerd om voor langere ritten te kiezen voor het openbaar vervoer of een (elektrische) deelauto. Waterhuishouding In het ontwerp voor heel Haansberg is aandacht voor periodes van langdurige droogte en hevige en/of langdurige neerslag. Er wordt ingezet op een robuuste waterstructuur dat het overtollige water in het hele plangebied vasthoudt. Hierdoor zal de druk op het afvoersysteem (Laaksche Vaart) op de afvoerpieken afnemen. Verharding wordt beperkt tot het noodzakelijke, met voorkeur voor waterdoorlatende opties zolang dit niet leidt tot hinder (struikelgevaar). Waar verharding niet nodig is, wordt gekozen voor groen. In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op het aspect water.
Toetsing en conclusie Zoals in paragraaf 2.2 en de verschillende paragrafen in hoofdstuk 4 beschreven wordt met de ontwikkeling van Haansberg-Oost invulling gegeven aan de principes uit het masterplan. 3.6.3
Woonzorgvisie 2024-2029
Op 22 april 2024 is de Woonzorgvisie Etten-Leur door de gemeenteraad van de gemeente Etten-Leur vastgesteld. Een woonzorgvisie die vooral gericht is op de kwalitatieve invulling van het woonbeleid in relatie met de bestaande woningvoorraad en nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in Etten-Leur. Uit de Woonzorgvisie blijkt o.a. dat Etten-Leur een hoge instroom van gezinnen kent. Het (blijven) aantrekken van gezinnen past binnen de gemeentelijke ambitie om gelaagdheid in de bevolkingsopbouw te behouden. In de visie is aangegeven dat een dak boven je hoofd een basisbehoefte is. De gemeente vindt het belangrijk dat de woonwensen en behoeften van Etten-Leurenaren zoveel mogelijk binnen de gemeente kunnen worden vervuld. In de visie staat de koers hoe de gemeente de komende 5 jaar deze uitdagingen het hoofd wil bieden. Nieuwbouw is een kwalitatieve aanvulling. Uitgangspunten zijn: Betaalbare woningen voor iedereen, ten minste 2/3 van wat er nog wordt gebouwd; Nieuwbouw huur en koop om doorstroming te realiseren, zeker voor eigen inwoners; Vernieuwende woonvormen, vooral bouwen wat er nog niet is; Woningen voor (urgente) aandachtsgroepen, vooral betaalbare huurwoningen. Met een divers programma wordt invulling gegeven aan deze uitgangspunten. Toetsing en conclusie Het planvoornemen voldoet aan de Woonzorgvisie Etten-Leur.
De beoogde ontwikkeling bestaat uit het realiseren van maximaal 150 woningen waarvan minimaal 20% sociale huurwoningen, minimaal 35% betaalbaar (middeldure huur/koop en goedkope koop) en circa 45% duur. Het beoogde woningbouwprogramma draagt tevens bij aan de diversiteit van de woningvoorraad. In totaliteit draagt het initiatief bij aan de levendigheid van Etten-Leur.
36/82
3.6.4 Groenplan Openbaar groen draagt bij aan de leefbaarheid en kwaliteit van de leefomgeving. Etten-Leur wordt er een aantrekkelijkere plek door. Bij duurzaamheid, klimaat en biodiversiteit is groen een onmisbaar onderdeel. Ook is groen, vaak in combinatie met water, belangrijk bij ontmoeten, gezondheid, recreatie en herkenbaarheid van de leefomgeving. Om alle voordelen van groen in Etten-Leur te behouden en uit te breiden, beschikt de gemeente over een groenplan. Daarin zijn visies, beleid, uitgangspunten en afspraken vastgelegd over het beschermen, behouden, versterken en aanpassen van openbaar groen. De looptijd van het plan is van 2024 tot en met 2033. De belangrijkste ambities in het groenplan gaan over het toevoegen van groen en vergroten van de biodiversiteit in de openbare ruimte. Dit wordt gedaan door verharding om te vormen naar groen en gras om te vormen naar meer biodiverse beplanting of bloemenmengsels. Bij binnenstedelijke herontwikkelingen met voldoende ruimte of uitbreidingen van het stedelijk gebied geldt de groene oppervlaktenorm en de bomennorm als ondergrens. Bij een bomennorm gaat het niet alleen om het aantal bomen maar meer ook om de omvang, oftewel het boomkroonvolume of boomkroonbedekkingsgraad. Toetsing en conclusie In het groenplan is rekening gehouden met de ontwikkeling van diverse groengebieden zoals in Haansberg.
Verder zal bij de landschappelijke uitwerking invulling gegeven worden aan de vereisten van het groenplan. 3.6.5
Beschermde bomenlijst 2014
De bijzondere en waardevolle houtopstanden, laanstructuren en losse bomen staan op Beschermde bomenlijst. Toetsing en conclusie Bomen langs de Haansberg hebben op een hoogte van 1,3 meter een omtrek van 0,8 meter of meer. Daarom staan ze op de beschermde bomenlijst. Voor de kap van enkele bomen om de ontsluiting van Haansberg-Oost te realiseren, wordt afzonderlijk een vergunning aangevraagd. Bij het afgeven van deze vergunning wordt altijd een herplantplicht opgelegd.
37/82
Hoofdstuk 4 4.1
Aspecten fysieke leefomgeving
Algemeen
4.1.1 Beoordelingskader Een besluit tot wijzigen van met omgevingsplan kan niet worden genomen als de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een instructieregel tenzij ontheffing is verkregen van de instructieregel. In paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 is ingegaan op de instructieregels van het Rijk en de provincie. Voor zover de instructieregels betrekking hebben op een thema van de fysieke leefomgeving, wordt in voorliggend hoofdstuk aan deze instructieregels getoetst. Daarnaast zijn er thema's die met het oog op een 'ETFAL' relevant zijn om bij de belangenafweging te betrekken (zie paragraaf 1.1). Ook die thema's met de gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden in voorliggend hoofdstuk afgewogen. 4.1.2 Afweging instructieregels Bkl Hierna wordt de toetsing van het project aan de instructieregels beschreven. Op de relevante onderdelen van het beoordelingskader wordt uitgebreider ingegaan. Tabel 4.1. Instructieregels Bkl Thema Dienstenrichtlijn
Omgevingsveiligheid
Afdelingen en paragrafen Bkl § 5.1.1. Algemene bepalingen artikel 5.1a.
Geluid door activiteiten Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen
§ 5.1.2. Waarborgen van de veiligheid § 5.1.3. Beschermen van de waterbelangen § 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht § 5.1.4.2. Geluid door activiteiten § 5.1.4.2a. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Geluid rond luchthavens
§ 5.1.4.3. Geluid rond luchthavens
Water Luchtkwaliteit
Trillingen § 5.1.4.4. Trillingen Slagschaduw van windturbines § 5.1.4.4a. Slagschaduw van windturbines
38/82
Relevant voor de ontwikkeling Nee, het project voorziet niet in (de huisvesting van) diensten anders dan diensten die als beroep of bedrijf aan huis worden uitgevoerd en binnen iedere reguliere woning zijn toegestaan. Ja, zie paragraaf 4.17. Ja, zie paragraaf 4.5. Ja, zie paragraaf 4.10. Ja, zie paragraaf 4.11. Wel voor wegen, maar niet voor spoorwegen en industrieterreinen, zie paragraaf 4.12. Nee, het plangebied ligt niet binnen de geluidcontour van een luchthaven. Nee, zie paragraaf 4.14. Nee, in de omgeving van het plangebied komen geen windturbines voor.
Bodemkwaliteit Geur Cultureel erfgoed (aardkunde, archeologie en cultuurhistorie)
§ 5.1.4.5. Bodemkwaliteit § 5.1.4.6. Geur § 5.1.5. 5 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Landschappelijke kwaliteiten § 5.1.5. Beschermen van Kust, PKB-Waddenzee en landschappelijke of Waddengebied stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Ladder voor duurzame § 5.1.5.4. Ladder voor duurzame verstedelijking verstedelijking Nationale belangen binnen de § 5.1.6. Behoud van ruimte voor fysieke leefomgeving toekomstige functies; § 5.1.7. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten Aanwijzing § 5.1.7a. Gebruik van bouwwerken woningbouwcategorieën Toegankelijkheid openbare § 5.1.8. Bevorderen van de buitenruimte toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen
Ja, zie paragraaf 4.16. Ja, zie paragraaf 4.13. Ja, zie paragraaf 4.19.
Nee, het plangebied igt niet binnen of nabij de genoemde gebieden.
Ja, zie paragraaf 3.2.3. Ja, zie paragraaf 3.2.3.
Ja, zie paragraaf 3.2.3 (onder kopje ladder voor duurzame verstedelijking) Ja, zie paragraaf 3.2.3.
4.1.3 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Daarnaast zijn er thema's die vanuit het oogpunt van ETFAL relevant zijn om bij de belangenafweging te betrekken. Deze thema's komen terug in tabel 4.2. Tabel 4.2. Thema's in het kader van ETFAL Thema Wettelijk kader Relevant voor de ontwikkeling Gezondheid § 5.1.4. Bkl behandelt enkele thema's Ja, paragraaf 4.4. in het kader van gezondheidsbescherming. Gezondheidsbevordering volgt uit provinciaal en/of gemeentelijk beleid. In het kader van ETFAL is een integrale benadering nodig. Gezondheidsrisico's vanwege In het kader van ETFAL in de Nee, het plangebied ligt niet binnen 2 km veehouderijen belangenafweging betrokken. van een geitenhouderij of endotoxine invloedssfeer van een varkens- of pluimveehouderij (zie ook paragraaf 4.13.2).
39/82
Spuitzones vanwege In het kader van ETFAL in de gewasbeschermingsmiddelen belangenafweging betrokken. Mobiliteit en parkeren In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken. Natuurbescherming NNN Afdeling 7.3 van het Bal.
Nee, zie paragraaf 4.4. Ja, zie paragraaf 4.6.
Ecologie: gebiedsbescherming Ecologie: soortenbescherming Ecologie: houtopstanden Schaduw- en windhinder
Afdeling 11.1 van het Bal.
Nee, het plangebied ligt niet binnen Natuur Netwerk Nederland, zie paragraaf 4.8. Ja, zie paragraaf 4.8.
Afdeling 11.2 van het Bal.
Ja, zie paragraaf 4.9.
Afdeling 11.3 van het Bal. In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.
Lichthinder
In het kader van ETFAL wel in de belangenafweging betrokken. In het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken.
Ja, zie paragraaf 3.6.5. Nee, gezien de aard en omvang van het project is schaduw- en windhinder of windgevaar niet te verwachten Ja, zie paragraaf 4.15.
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
4.2
Ja, zie paragraaf 4.3.
M.e.r.-beoordeling
4.2.1 Toetsingskader In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een wijziging van het omgevingsplan project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn m.e.r-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en m.e.r.-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de m.e.r.(beoordelings)-plicht geldt. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag. In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning.
40/82
4.2.2 Toetsing De ontwikkeling van maximaal 150 woningen in Haansberg-Oost betreft een activiteit uit kolom 1 van Bijlage V van het Ob en valt onder categorie J11 Stedelijk ontwikkelingsproject (zie tabel 4.3). In kolom 2 is aangegeven dat geen directe mer-plicht geldt. Uit kolom 3 blijkt dat wel een mer-beoordelingsplicht geldt. Tabel 4.3. Fragment Bijlage V. bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van dit besluit (aanwijzing projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt)
Voor de ontwikkeling van 1.425 tot 1.450 woningen in Haansberg-Oost en Haansberg-Zuid, aangevuld met een centrale groenblauwe parkzone en bijbehorende voorzieningen is een aanmeldnotitie plan-mer-beoordeling opgesteld (zie bijlage 5). Ook is een doorkijk gegeven naar de ontwikkeling van Haansberg-Noord (1.150 woningen). Deze aanmeldnotitie plan-mer-beoordeling biedt een beoordeling van de milieuthema's op hoofdlijnen, passend bij het abstractieniveau van het gebiedsprogramma. Uit de beoordeling blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling geen aanzienlijke negatieve milieugevolgen met zich meebrengt. Waar mogelijk aanzienlijk (negatieve) milieueffecten zijn gesignaleerd, kunnen deze met mitigerende en compenserende maatregelen afdoende worden beperkt of voorkomen. De noodzakelijke nadere onderzoeken en de (mogelijk) noodzakelijke mitigerende maatregelen moeten als voorwaarden in het gebiedsprogramma landen. De mogelijk aanvullende mitigerende maatregelen betreffen optionele aanbevelingen, waar de gemeente een keuze in kan maken. Ook cumulatief is er geen sprake van aanzienlijk (negatieve) milieueffecten die het doorlopen van een plan-mer-procedure noodzakelijk maken.
4.2.3 Conclusie De conclusie is dat er in deze fase van plan- en besluitvorming (het gebiedsprogramma) vanuit de resultaten van de mer-beoordeling geen noodzaak bestaat om een (volledige) plan-mer-procedure te doorlopen voor het Gebiedsprogramma Haansberg, waarin Haansberg-Oost is meegenomen. Op basis van de ingediende aanmeldnotitie en deze plan-mer-beoordeling heeft het college dan ook op 4 november 2025 besloten dat: er geen sprake is van aanzienlijke (negatieve) gevolgen voor het milieu en waar deze wel zijn gesignaleerd, deze met mitigerende en compenserende maatregelen afdoende moeten worden beperkt of voorkomen, en geen milieueffectrapport (MER) hoeft te worden gemaakt.
41/82
Voor het besluit wordt verwezen naar bijlage 6.
4.3
Duurzaamheid
4.3.1 Toetsingskader Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening moet worden gehouden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen zoals onder andere de energietransitie, mobiliteit en herbruikbaarheid. De gemeente Etten-Leur heeft op dit moment geen beleid op het gebied van duurzaamheid en in het Omgevingsplan gemeente Etten-Leur zijn dan ook geen regels over duurzaamheid opgenomen. In afdeling 5.4 van de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant zijn instructieregels opgenomen voor duurzame energie. Deze regels hebben echter betrekking op windturbines, zonneparken. In artikel 5.55 van de verordening zijn regels opgenomen voor een duurzame stedelijke ontwikkeling. in paragraaf 3.3.2 is hieraan al getoetst. 4.3.2 Toetsing De insteek van de gemeente is om te streven naar Het Nieuwe Normaal (HNN) als ondergrens voor biobased bouwen. HNN is een eenduidige taal met haalbare én ambitieuze circulaire prestaties voor de bouwsector. Deze nieuwe, gedragen standaard draagt op twee manieren bij aan de versnelling van de transitie naar een circulaire bouweconomie: een eenduidige taal op circulair bouwen: wanneer we spreken over ‘circulair bouwen’, gaat het om de combinatie van de indicatoren; een haalbaar en ambitieus prestatieniveau op de verschillende indicatoren.
De gemeente kan echter geen strengere eisen stellen dan in het Bbl opgenomen. Niet aan alle eisen van HNN kan worden voldaan. Hier wordt wel langzaam naartoe gewerkt. Energie Bij de ontwikkeling van nieuwe woningen moet met verschillende energiebehoeftes rekening gehouden worden. Het betreft energie ten behoeve van het verwarmen en koelen van de woningen als ook voor het bereiden van warm water. Verder is er behoefte aan elektriciteit voor huishoudelijk gebruik en in toenemende mate ook voor mobiliteit. Om te bepalen welk energieconcept in het plan het meest passende is, zullen verschillende opties worden overwogen, overeenkomstig de vastgestelde kaders (zie bijlage 2): warmtevoorziening via bodemgekoppelde warmtepompen en mogelijk in schaalbare, (klein-)collectieve systemen. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de ambities van de gemeente Etten-Leur. Openbare ruimte De nieuw aan te leggen openbare ruimte en de te planten bomen vormen beleefbaar groen. Dit is groen wat bijdraagt aan de gezondheid van de nieuwe bewoners door er naar te kijken, maar ook door er doorheen te kunnen wandelen en elkaar te kunnen ontmoeten. Het nieuw aan te leggen groen zal de biodiversiteit in het
42/82
gebied sterk verbeteren. Daarnaast levert een versterking van groen een bijdrage aan het tegengaan van hittestress. Door de aanleg van dit groen en het watersysteem kan daarnaast hemelwater worden vastgehouden bij drogere periodes en vertraagd worden afgevoerd bij natte periodes (piekbuien). Het plan geeft hiermee invulling aan meerdere klimaatvraagstukken en is daarmee klimaatadaptief. Voor de verlichting in de openbare ruimten zal gebruik worden gemaakt van energiezuinige en afgeschermde LED-armaturen en wordt ingezet op het vermijden van oververlichting (zie ook paragraaf 4.15). Bouw De woningen worden gebouwd volgens de eisen van 'Bijna Energieneutraal Gebouw' (BENG), die sinds 2021 als norm gelden. Waar het kan zullen groene daken ook bijdragen aan een effectief waterbeheer door regenwater op te vangen en te vertragen. Er zijn verschillende mogelijkheden om hemelwater op te vangen en af te voeren. Bij de bouw worden lichte kleuren voor zonnige gevels toegepast om hittestress tegen te gaan. Met horizontale en verticale luiken kan het glasoppervlak, de warmtelast en het uitzicht worden gereguleerd. Luiken en deuren bieden een goede uitdaging om een oud kenmerk van de boerderij en schuurtype op een eigentijdse manier toe te passen. Er worden natuurlijke materialen toegepast: biobased en circulair. Bij de oostelijke kopgevels wordt een groene gevel toegepast.
De groene gevel bevordert de biodiversiteit door het gebruik van de juiste planten en het creëren van habitats voor lokale fauna. 4.3.3 Conclusie Het aspect duurzaamheid is voldoende meegenomen in de planvorming.
4.4
Gezondheid
4.4.1 Toetsingskader Een doel van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 van dit artikel wordt benadrukt dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Daarbij gaat het volgens paragraaf 5.1.4 van het Bkl in ieder geval om: kwaliteit buitenlucht; geluid door activiteiten; geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen; trillingen; slagschaduw van windturbines; bodem; geur. Naast het beschermen van de gezondheid kunnen ruimtelijke ontwikkelingen ook bijdragen aan het bevorderen
43/82
ervan. Dit kan bijvoorbeeld door ruimte te creëren voor groen, beweging, ontmoetingsplekken, gezonde mobiliteit en aanpassingen aan het klimaat. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn hierover geen instructieregels opgenomen. Gemeenten hebben de vrijheid om zelf beleid te maken dat gericht is op het bevorderen van gezondheid bij nieuwe ontwikkelingen. Op agrarische percelen kan sprake zijn van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van deze middelen en de volksgezondheid. Als gevolg van die afweging kan het nodig zijn om een spuitvrije zone aan te houden tussen gevoelige functies zoals woningen en percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies (zoals woningen) en agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Uit diezelfde jurisprudentie volgt dat het mogelijk is om deze afstand te verkleinen indien daaraan een deugdelijke, locatiespecifieke motivering ten grondslag ligt. 4.4.2 Toetsing In paragraaf 4.1 is in tabel 4.1 al aangegeven of deze thema's voor dit project relevant zijn.
De thema's die relevant zijn, worden in de verschillende paragrafen in dit hoofdstuk behandeld. Kort samengevat kan het volgende worden geconstateerd. Tijdens de bouwfase kunnen tijdelijke verstoringen optreden in onder meer luchtkwaliteit, geluid en trillingen. Deze gezondheidseffecten zijn minimaal gelet op de tijdelijkheid en de maatregelen die worden genomen om de hinder zoveel mogelijk te beperken. In paragraaf 4.10.3 is geconcludeerd dat het project niet in betekenende mate een bijdrage levert aan de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit in de omgeving is bovendien aanvaardbaar voor de nieuwe functies. De beoogde ontwikkeling heeft ook positieve effecten op de gezondheid. Er is ruimte voor bewegen en ontmoeting (samenleven zones). Tussen de woonvelden zijn groene ruimten voorzien. Groen heeft een positief effect op de gezondheid van mensen. In dat groen wordt ook rekening gehouden met waterberging voor de opvang van overtollig regenwater. Deze groene ruimten met waterbergingen hebben een positief effect op hittestress en koele plekken. De geurbelasting ter plaatse vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De woningen worden op een grotere afstand dan 50 meter gebouwd zodat het aspect gewasbeschermingsmiddelen geen belemmering vormt. 4.4.3 Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
Het plan heeft ook positieve effecten op de gezondheid.
44/82
4.5
Water
4.5.1 Toetsingskader Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding in een gebied. Ze kunnen gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Daarom moet rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen (weging van het waterbelang). Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn: bescherming van primaire waterkeringen (artikel 5.38 Bkl); behoud waterveiligheid kust (artikel 5.40 Bkl); behoud waterveiligheid grote rivieren (artikel 5.46 Bkl); IJsselmeergebied (artikel 5.49 Bkl). Deze zijn voor het plangebied niet relevant. Paragraaf 5.3.1., 5.3.2. en 5.3.3 van de provinciale verordening bevatten instructieregels over waterveiligheid en waterberging, maar deze hebben geen betrekking op het toekomstig woongebied Haansberg. Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer (waterkwantiteits en kwaliteitsbeheer) in het plangebied. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. In dit waterbeheerprogramma richt het waterschap die koers vooral op duurzaamheid en het beperken van de gevolgen van de klimaatverandering.
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Voorkomen moet worden dat regenwater snel verdwijnt in het riool of in de sloot. In de waterschapsverordening van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 2.2, vijfde lid: ‘Het is verboden zonder omgevingsvergunning water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam’). De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de beleidsregel ‘Hydrologische uitgangspunten bij de regels Waterschapsverordening voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Het verbod uit artikel 2.2 van de waterschapsverordening is van toepassing tenzij: het afkoppelen van het bestaand verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of; de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak.
de toename van het verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel. benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m)
45/82
Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; de afvoer mag niet meer bedragen dan 2/l/s/ha; de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m2 of groter is, wordt vanuit het waterschap compenserende maatregelen geëist. Wanneer er sprake is van een plan met een toename van verhard oppervlak groter dan 10.000 m² komt men in het vergunningentraject terecht en wordt er samen met initiatiefnemer en de gemeente bekeken hoe er compensatie kan plaatsvinden. De gemeente Etten-Leur heeft bij nieuwe ontwikkelingen de ambitie dat waterbergingsvoorzieningen zodanig zijn ontworpen dat zij neerslag van een bui van minimaal 60 mm per m² kunnen opvangen. Dit is opgenomen in de Hemelwaterverordening. 4.5.2
Toetsing
In bijlage 4 is een uitgebreide rapportage opgenomen met de zogenoemde "waterparagraaf" waarin de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen voor het project zijn gegeven. Die paragraaf vormt daarmee de basis voor het vastleggen van het wateraspect en de weging van het waterbelang zoals dat in de omgevingswet is opgenomen. De gemeente hanteert in haar hemelwaterverordening een minimale bergingsnorm van 60 mm neerslag per m² verhard oppervlak. In het kader van klimaatadaptatie wordt voor dit plangebied een ambitieniveau van totaal 70 mm per m² gehanteerd. Binnen het ontwerp wordt uitgegaan van een gedeelde verantwoordelijkheid tussen particulier en openbaar terrein. De particulieren met vrijstaande woningen dienen de bergingsopgave van 60mm op eigen terrein in te vullen via oplossingen zoals bergingsvoorzieningen, groene daken of verlaagde groenzones. De resterende opgave (10mm) van deze woningen en de overige particuliere woningen (70mm), inclusief de berging voor de verharding in de openbare ruimte, wordt gerealiseerd binnen het openbaar gebied. Het waterschap ondersteunt het gemeentelijk beleid en is gericht op het lokaal vasthouden en verwerken van hemelwater.
De beleidsregel van Waterschap Brabantse Delta is bij een toename van > 500 m² (in dit geval ruim 40.000m²) dat een compensatie van 60 mm per m2 toename verhard oppervlak wordt gehanteerd. De compensatie in de vorm van een bergingsvoorziening dient boven de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) te liggen. Deze compenserende maatregelen worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. De waterberging in het plan is schaalbaar ontworpen en afgestemd op een bui van 70 mm, conform de gemeentelijke ambitie voor Haansberg-Oost. Berekeningen tonen aan dat binnen het plan voldoende capaciteit
46/82
beschikbaar is, mits een deel van de bewoners ook hun eigen verantwoordelijkheid nemen voor het verwerken van hemelwater op eigen perceel. De benodigde bergingscapaciteit is als volgt bepaald: 60 mm op verharding (eis) particulier terrein vrijstaande woningen Elke vrijstaande woning wordt geacht 60 mm neerslag per m² verhard oppervlak op eigen terrein te verwerken. 60 mm op verharding particulier terrein. De 60 mm neerslag per m² verhard oppervlak wordt bij de overige particuliere terreinen wordt opgevangen in de openbare ruimte. Aanvullend 10 mm (ambitie) op particulier terrein. Om te anticiperen op piekbuien wil de gemeente in het openbaar gebied rekening houden met een aanvullende 10mm vanaf de particuliere terreinen op te vangen in de openbare ruimte. 60 mm (eis) +10 mm (ambitie) =70 mm op openbaar oppervlak Voor de verharding in de openbare ruimte geldt een volledige opvangverplichting van 70 mm per m². Dit wordt vertaald naar bergingsvoorzieningen binnen het openbaar gebied. Uit de rapportage blijkt dat de toename aan verharding ruim 40.000 m2 bedraagt. Hiervoor zijn de beoogde woningen voor 100% meegerekend en de tuinen voor 75%. Totaal gaat dit om een netto verhardingsoppervlak van 3,1 hectare. Van deze 3,1 hectare is 1,2 hectare particulier terrein voor vrijstaande woningen waar het water op eigen terrein geborgen dient te worden.
Deze 1,2 hectare vraagt om 567 m3 waterberging op particulier terrein (60mm). Het verhard oppervlak van de overige particuliere terreinen bedraagt 1,9 hectare. Om te anticiperen op piekbuien wil de gemeente in het openbaar gebied rekening houden met een aanvullende 10mm afkomstig van dit oppervlak. De verharding in de openbare ruimte bedraagt 1,3 hectare, dit wordt voor 100% meegerekend in de berekening. Daarmee komt de bergingsopgave in de openbare ruimte op ongeveer 2.159 m3. Van de bestaande woningen/kavels is een analyse gemaakt welke kavels nabij een vervallen B-watergang aanwezig zijn. Van deze kavels is 4-19% van het totale areaal voor 60mm meegerekend in de benodigde bergingsopgave om te zorgen dat deze functioneel blijven. Dit resulteert in een opgave van bijna 67 m3. Het totaal te bergen volume in de openbare ruimte bedraagt daardoor bijna 2.220 m3. In het plan wordt geen grootschalig nieuw open oppervlaktewater gerealiseerd. De watergangen in en rondom Haansberg-Oost worden functioneel verbonden en vanuit ecologisch oogpunt kan het meerwaarde bieden om bestaande (zogenoemde "A- en B"-) watergangen uit te voeren met flauwere taluds, mits de beschikbare ruimte dit toelaat. Dit wordt in het verdere ontwerp nader bekeken. Het waterbergingssysteem is ingericht op tijdelijke buffering van hemelwater, niet op continue doorstroming of afvoer.
Binnen het plan wordt rekening gehouden met fluctuerende grondwaterstanden, die in natte perioden kunnen oplopen tot circa 0,5 meter onder het maaiveld. Daarom worden de waterbergingen zodanig ontworpen dat de bodem van deze voorzieningen boven de GHG blijft. Hierdoor behouden ze hun bergingsfunctie, ook bij een tijdelijk hoge grondwaterstand. Indien op specifieke locaties de afstand tot de GHG onvoldoende is, wordt gekozen voor bovengrondse buffering of ondiepere voorzieningen.
47/82
Bij de uitwerking van het watersysteem wordt rekening gehouden met bestaande particuliere afwateringsstructuren. Concreet betekent dit dat afwatering van particuliere percelen die momenteel uitkomen op watergangen die komen te vervallen of worden vergraven, worden aangesloten op het nieuwe systeem van waterbergingen. In gevallen waarbij de afwatering van bestaande percelen rechtstreeks is aangesloten op een blijvende watergang – zoals bij de woningen aan de Pilsestraat – blijft deze aansluiting gehandhaafd.
Figuur 4.1. Toekomstig watersysteem (bron: bijlage 4) Het waterschap is in het proces actief betrokken geweest en heeft aanvullende wensen geuit ten aanzien van profiel, ligging en onderhoud van waterbergingsvoorzieningen. In de regels is aangesloten bij de regeling zoals opgenomen in de gemeentelijke Hemelwaterverordening. 4.5.3 Conclusie Provinciale instructieregels over waterveiligheid en - waterberging hebben geen betrekking op het toekomstig woongebied Haansberg-Oost. Het waterschap is in het proces actief betrokken geweest en met deze instantie zijn afspraken gemaakt.
4.6
Mobiliteit, verkeer en parkeren
4.6.1 Toetsingskader Er zijn geen specifieke instructieregels vanuit het Bkl voor mobiliteit en parkeren. Wel is duurzame mobiliteit onderdeel van de provinciale instructieregel voor stedelijke ontwikkeling. De beoordeling vindt plaats binnen de kaders van de gemeentelijke mobiliteitsvisie en het mobiliteitsplan (zie ook paragraaf 3.3.2). De ontwikkeling van Haansberg-Oost geeft invulling aan de ambities uit de Mobiliteitsvisie Etten-Leur 2040, het Mobiliteitsplan en het Masterplan Haansberg. Deze beleidsstukken zetten in op een bereikbare, veilige, duurzame en inclusieve gemeente, waarbij leefkwaliteit en mobiliteitsgelijkheid centraal staan. De ambities voor de openbare ruimte zijn een prettige groene omgeving waar veel ruimte is om te bewegen, te ontmoeten en te ontspannen, die bijdraagt aan onze gezondheid en uitnodigend is voor alle bewoners, jong en oud. Voor verkeer en mobiliteit hanteert de gemeente het STOMP-principe (Stappen, Trappen, OV, deelmobiliteit, Privéauto), waarin de auto niet langer de dominante rol heeft in de openbare ruimte, zodat ruimte ontstaat voor
48/82
de ambities. Daarnaast ondersteunt dit de ambitie voor mobiliteitsgelijkheid door ruimte te bieden voor verandering in mobiliteitsgedrag. 4.6.2 Toetsing Hoofdlijnen van de aanpak Autoluwe inrichting en prioriteit voor actieve mobiliteit Haansberg-Oost wordt ingericht volgens het STOMP-principe: lopen, fietsen en openbaar vervoer krijgen voorrang. De wijk wordt ontworpen vanuit de menselijke maat, met aantrekkelijke, directe en veilige loop- en fietsroutes en voorzieningen zoals scholen, winkels en OV-haltes op loop- en fietsafstand. Dit voorkomt onnodige verplaatsingen en stimuleert een modal shift van auto naar duurzame vervoerswijzen. Parkeren vindt plaats op loopafstand van de woningen en aan de rand van Haansberg Oost. Bereikbaarheid en verkeersveiligheid In paragraaf 2.2 is de ontsluitingstructuur van Haansberg-Oost beschreven. Het woongebied is goed bereikbaar voor alle modaliteiten, met een maximumsnelheid van 30 km/uurin het woongebied. De verkeersstructuur ontmoedigt doorgaand autoverkeer. De verkeersstructuur ontmoedigt doorgaand autoverkeer. Autoverkeer kent toegankelijkheid, maar geen doorgankelijkheid, zodat verplaatsingen per voet en fiets over directe verbindingen de voorkeur krijgen. Dit versterkt leefbaarheid en veiligheid. Op de 2 lusvorminge woonstraten wordt éénrichtingsverkeer ingesteld.
Parkeren afgestemd op werkelijke behoefte Voor Haansberg-Oost is bewust gekozen voor een lagere parkeernorm van gemiddeld 1,2 parkeerplaats per woning, aangevuld met 0,15 voor bezoekers. Deze norm valt binnen de bandbreedte van kennisinstituut CROW en sluit aan bij het feitelijke autobezit in Etten-Leur (gemiddeld 1,18 auto per huishouden volgens CBS). Daarnaast is rekening gehouden met 6% extra voor lease- en bedrijfswagens. De lagere norm is mogelijk dankzij het STOMP-principe en de inrichting van de wijk als autoluwe leefomgeving. Parkeren vindt plaats op maximaal 150 meter van de woning. Dit draagt bij aan de ambitie om alternatieve vervoerswijzen en behoefte naar deelmobiliteit te stimuleren. Een behoefte maakt levensvatbaarheid van deelmobiliteit mogelijk. De gemeente geeft ruimte voor aanbieders van deelmobiliteit. Nadere uitwerking Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling Autoverkeer van en naar Haansburg-Oost wordt in zuidelijke richting afgewikkeld via een tijdelijke alternatieve ontsluitingsweg tevens bouwstraat. In noordelijke richting wikkelt het autoverkeer af via de wegen Sander, Aletta Jacobslaan, Rijksdijk-Plantijnlaan. Door de knip in de Haansberg ter hoogte van de tijdelijke ontsluitingsweg, kan de Haansberg in zuidelijke richting alleen worden gebruikt door langzaam verkeer.
Omdat 'omdat op dit moment nog onduidelijk is wanneer de tijdelijke ontsluitingsweg wordt vergund (en daarmee ook het besluit om een knip aan te brengen kan worden uitgevoerd) wordt ontsluiting van Haansberg-Oost via de straat Haansberg als volwaardig alternatief gezien. De straat Haansberg heeft voldoende capaciteit om de verwachte verkeerstoename (circa 1.400 mvt/etmaal) op een verkeersveilige manier af te wikkelen.
49/82
Hoewel de gemeente het STOMP-principe hanteert, wordt voor de beoordeling van de verkeerseffecten in de fase dat de woonwijk volledig is ontwikkeld, gerekend met “worst-case” verkeersgeneratiecijfers van het CROW. Dat betekent met 8,6 verkeersbewegingen van personenwagens per woning per dag. 2 Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat op de noordelijke lus 47 woningen worden ontsloten. Aangesloten bij de (koop-) categorieën wordt met gemiddeld aantal van 8,2 en respectievelijk 7,8 verkeersbewegingen, een toename van 188 voertuigen (376 bewegingen) voorzien. Op de zuidelijke lus worden vooralsnog 103 woningen ontsloten, waarvan: 8 woningen vrijstaand; 35 woningen '2/3 of 4 woningen -onder-een kap'; 60 rijwoningen. Aangesloten bij de gelijknamige (koop-) categorieën wordt met gemiddeld aantal van respectievelijk 8,2 / 7,8 en 7,1 verkeersbewegingen, een toename van 382 voertuigen (764 bewegingen) voorzien. Openbaar vervoer Aan de rand van Haansberg, aan de Hoevenseweg, komen twee bushaltes. Er rijden verschillende buslijnen langs deze haltes. Regulier openbaar vervoer door de wijk is niet mogelijk (met een grote bus). Lijn 311, die nu over de Hoevenseweg rijdt, zal niet door Haansberg gaan rijden. Parkeren In onderstaande figuur zijn de locaties van het parkeren geduid.
Figuur 4.2 Parkeren in Haansberg Oost (bron: gemeente) 4.6.3 Conclusie De mobiliteitsaanpak voor Haansberg-Oost is een concrete toepassing van de gemeentelijke ambities: een veilige, duurzame, leefbare en inclusieve woonomgeving waarin de auto niet centraal staat. Door het STOMP-principe, een lagere parkeernorm en aandacht voor actieve mobiliteit en OV vormt mobiliteit geen belemmering, maar juist een kans om de beleidsdoelen te realiseren.
4.7
Openbare ruimte en ondergrond
In deze paragraaf wordt ingegaan op kabels en leidingen, riolering en afvalvoorzieningen.
50/82
4.7.1 Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de volgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Grondroeringsregeling De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke ‘mechanische grondroering’ bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. 4.7.2 Toetsing Planologisch relevante hoogspanningsverbindingen zijn niet in Haansberg-Oost aanwezig.
Uit raadpleging van het omgevingsloket blijkt dat in het plangebied geen planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen aanwezig zijn. Echter uit raadpleging van leidingenkaarten blijkt dat er aan de noordzijde van het nieuwe woongebied Haansberg-oost een 150mm stalen hogedruk gasleiding van Enexis ligt. Enexis heeft bevestigd dat een belemmeringstrook van 2 meter aan weerszijden van de leiding aangehouden moet worden. In deze strook mogen ook geen bomen worden geplant. Met deze vereisten is in het stedenbouwkundig plan rekening gehouden.
51/82
Figuur 4.3. Ligging hogedruk gasleiding (bron: gemeente Etten-Leur) Aan de zuidwestzijde van het plangebied , aan de westzijde van de weg Haansberg, ligt sinds eind jaren '80 een hoofdtransportleiding voor drinkwater van Brabant Water. De leiding, van asbestcement met een diameter van 600 mm met bijbehorende beschermingszone van 5 meter aan beide zijden, vormt geen belemmering of aandachtspunt voor de ontwikkeling van het plangebied. Het omgekeerd is evenmin het geval. Parallel aan de weg Haansberg, Sander en Pilsestraat liggen verschillende kabels en leidingen, zoals plaatselijke rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen. Deze zijn echter niet planologisch relevant. Het verplaatsen of kruisen van deze leidingen is relatief eenvoudig. Het vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het gebied. 4.7.3 Conclusie Er zijn geen hoogspanningsverbindingen en de aanwezige planologisch relevante leidingen vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
52/82
4.8
Ecologie: gebiedsbescherming
4.8.1 Toetsingskader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bal en het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels, niet zijnde instructieregels, komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Daarnaast bevat het Bkl regels over het Natuur Netwerk Nederland. Natura 2000-gebieden Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Denk hierbij aan de depositie van stikstof in een Natura 2000-gebied maar ook aan andere gevolgen, bijvoorbeeld door geluid en licht die door de activiteit worden veroorzaakt. Als een ontwikkeling plaatsvindt in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied, dan moet onderzoek uitwijzen of de ontwikkeling significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening.
In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld worden. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen. 4.8.2 Toetsing Gebiedsbescherming Natura 2000 Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied (zie figuur 4.4). Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn 'Hollands Diep' en het 'Ulvenhoutse Bos'. Hollands Diep bevindt zich op circa 12,5 kilometer ten noorden van het plangebied. Het Ulvenhoutse Bos bevindt zich op circa 12 kilometer ten oosten van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De gevolgen voor verzuring en vermesting zijn niet op voorhand uit te sluiten. Daarom is onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie, voor zowel de aanleg- als gebruiksfase. De rapportage van het onderzoek is opgenomen in bijlage 7. Er is alleen een projectberekening uitgevoerd, hetgeen wil zeggen dat er niet wordt gesaldeerd met de stikstofemissie in de referentiesituatie (gebruik landbouwgrond).
Hierna zijn enkele belangrijke uitgangspunten vermeld die in het onderzoek zijn gehanteerd. Aanlegfase Om de effecten als gevolg van de bouwwerkzaamheden inzichtelijk te maken is 'worst case' aangenomen dat
53/82
de werkzaamheden binnen een jaar (rekenjaar 2027) plaatsvinden gedurende 260 werkdagen. Er rijden ongeveer 10 zware vrachtwagens (waaronder bijvoorbeeld betonmixers) per woning. Er komen 40 bestelbussen/personenwagens per dag. Het bouwverkeer komt uit of vertrekt via Haansberg over een tijdelijke bouwstraat in zuidwestelijke richting; zodra het verkeer de rotonde ter hoogte van de Hoevenseweg/Kattestraat heeft bereikt, gaat het verkeer op in het heersende verkeersbeeld. Voor het stationair draaien van vrachtwagens op de bouwplaats wordt een emissiebijdrage opgenomen van 1 kg NOx per woning. Gedurende 260 werkdagen per jaar zullen 3 vrachtwagenbewegingen per werkdag door het woongebied rijden. Gebruiksfase De verkeersintensiteiten als genoemd in paragraaf 4.6.2 zijn gehanteerd. Omdat de beschikbaarheid van schoon, dan wel elektrisch bouwmaterieel op voorhand niet is in te schatten, is in het onderzoek gerekend met de inzet van zowel diesel- als elektrisch aangedreven bouwmaterieel. Omdat de aanleg van Haansberg-Oost een volledig jaar in beslag zal nemen, wordt het gelijktijdig plaatsvinden van aanleg- met de gebruiksfase niet mogelijk geacht. Een cumulatieve berekening is daarom niet uitgevoerd. Uit de berekeningen blijkt dat dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr. voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase.
Op grond van de Omgevingswet voor het onderdeel Natura 2000-gebieden vormt stikstofdepositie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project. Het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000 activiteit is voor onderhavig project niet aan de orde.
54/82
Figuur 4.4. Ligging plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebieden 'Hollands Diep' en het 'Ulvenhoutse Bos' (lichtgroen) (Bron: (Bron: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, bewerking Rho adviseurs) Natuurnetwerk Brabant Het plangebied ligt niet in een gebied dat begrensd is in het kader van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) (zie 4.4). Het dichtstbijzijnde gebied ligt op ongeveer 700 meter ten noorden van het plangebied. Dit is natuurgebied N14.02 Hoog- en laagveenbos. De geplande activiteit ligt op voldoende afstand van deze gebieden en heeft geen negatief effect op de natuurwaarden van de gebieden die zijn begrensd in het kader van het Natuurnetwerk Brabant.
Figuur 4.5. Ligging plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natuurnetwerk Brabant (Bron: Provincie Noord-Brabant, bewerking Rho adviseurs) 4.8.3 Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot directe effecten op Natura 2000-gebieden. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuur Netwerk Brabant. Het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000 activiteit is voor onderhavig project niet aan de orde.
55/82
4.9
Ecologie: soortenbescherming
4.9.1 Toetsingskader Een ontwikkeling die mogelijke gevolgen heeft voor van beschermde dieren of planten, is een flora- en fauna-activiteit. Het is in beginsel verboden om zonder vergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten. Door de brede definitie van een flora- en fauna-activiteit is het eigenlijk altijd nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. Er zijn immers nauwelijks aanleg-, sloop- en bouwactiviteiten denkbaar waarbij vooraf is uitgesloten dat deze mogelijke gevolgen hebben voor beschermde soorten. Zo kan een herontwikkeling waarbij oude gebouwen worden gesloopt ten behoeve van nieuwbouw, gevolgen hebben voor vleermuizen die in die oude gebouwen nestelen. Ten aanzien van de ontwikkeling is het nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de ontwikkeling zal worden verricht of in de directe nabijheid van die locatie. Dit is de quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig. Voor sommige flora- en fauna-activiteiten is een omgevingsvergunning nodig.
De vergunningplicht is geregeld in § 11.2.2 (omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn), § 11.2.3 (omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn), § 11.2.4 (omgevingsvergunning andere soorten) en § 11.2.5 (overige bepalingen omgevingsvergunning). In deze paragrafen worden vergunningplichtige en vergunningvrije activiteiten aangewezen. Er geldt een specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit waarbij maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal). In 2019 is in opdracht van de gemeente ecologisch onderzoek uitgevoerd in het stedelijk gebied. Dit heeft geresulteerd in een Soortenmanagementplan (SMP). In april 2021 vorig jaar heeft de provincie op basis van het SMP aan de gemeente een generieke ontheffing voor de gebouwbewonende soorten verleend wanneer maatregelen voor de betreffende soorten worden genomen. Eén van deze maatregelen kan zijn dat nieuwbouw natuurinclusief wordt uitgevoerd. Dit is nodig om een plus te realiseren op verblijf- en nestplaatsen die door onder meer verduurzaming en renovatie van woningen verloren gaan. In het ontwerp kan rekening worden gehouden met de volgende voorwaarde: alle mogelijke geschikte ruimtes in het design van de nieuwbouw geschikt maken voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen.
Zeker het open houden van de spouwmuur is belangrijk voor de borging van kraamverblijfplaatsen van vleermuizen.
56/82
4.9.2 Toetsing Onderzoeken 2024 en 2025 Voor de ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoek bestaat uit een bureaustudie en uit veldwerk dat op 24 juni 2024 heeft plaatsgevonden. Vervolgens is van 15 augustus 2024 tot en met 11 juli 2025 aanvullend onderzoek uitgevoerd. Beide onderzoeksrapporten zijn opgenomen in bijlage 8. De conclusies van deze onderzoeken zijn hierna kort weergegeven. Quickscan flora en fauna 2024 Vogels Boomvalk: zal niet in het gebied broeden en er ook niet foerageren. Buizerd: zal in de bomen binnen het plangebied tot broeden kunnen komen en zal het plangebied gebruiken als foerageergebied. Inspectie wees uit dat er geen nesten aanwezig zijn binnen het plangebied. Gierzwaluw: zal in de huizen binnen het plangebied tot broeden komen en zal het plangebied gebruiken als foerageergebied. Gelet op het feit dat de gebouwen in het plangebied geen onderdeel zijn van de ingreep, zijn er geen gevolgen voor de soort. Grote gele kwikstaart: heeft stromend water nodig (beken, riviertjes e.d.), wat niet in het plangebied aanwezig is. Havik: kan in de bosjes binnen het plangebied tot broeden komen en zal het plangebied gebruiken als foerageergebied. Inspectie wees uit dat er geen nesten aanwezig zijn binnen het plangebied. Huismus: zal in de huizen binnen het plangebied tot broeden komen en zal het plangebied gebruiken als foerageergebied.
Gelet op het feit dat de gebouwen in het plangebied geen onderdeel zijn van de ingreep, zijn er geen gevolgen voor de soort. Kerkuil: zal in de schuren binnen het plangebied tot broeden komen en zal het plangebied gebruiken als foerageergebied. Gelet op het feit dat de gebouwen in het plangebied geen onderdeel zijn van de ingreep, zijn er geen gevolgen voor de soort. Ransuil: zal in de bomen binnen het plangebied tot broeden komen en zal het plangebied gebruiken als foerageergebied. Aanvullend onderzoek zal uit moeten wijzen of de soort aanwezig is binnen het plangebied. Roek: zal in de bomen binnen het plangebied tot broeden komen en zal het plangebied gebruiken als foerageergebied. Broedt aan de rand van het plangebied rond Haansberg nr 27. Het aantal nesten is niet bekend en zal onderzocht moeten worden. Sperwer: zal in de bomen binnen het plangebied tot broeden komen en zal het plangebied gebruiken als
57/82
foerageergebied. Aanvullend onderzoek zal uit moeten wijzen of de soort aanwezig is binnen het plangebied. Steenuil: zal in de schuren en bomen binnen het plangebied tot broeden komen en zal het plangebied gebruiken als foerageergebied. Aanvullend onderzoek zal uit moeten wijzen of de soort aanwezig is binnen het plangebied. Wespendief: zal niet in het gebied broeden en er ook niet foerageren. Zwarte wouw: zal niet in het gebied broeden en er ook niet foerageren. Broedvogels met jaarrond beschermd nest (categorie 5) Daarnaast zijn er categorie 5-vogelsoorten, waarvan de nesten alleen jaarrond zijn beschermd, als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. De directe omgeving kent voldoende alternatieven om deze soorten een alternatief te bieden. Overige broedvogels De beplanting op de onderzoekslocatie kan onderdak bieden aan algemene broedvogelsoorten. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Ow zijn te voorkomen. Vaatplanten Er zijn geen soorten aangetroffen tijdens het veldwerk, noch biotoop dat deze soorten zou kunnen herbergen. Reptielen Er zijn geen soorten aangetroffen tijdens het veldwerk. Vervolgactie is dus niet noodzakelijk.
Amfibieën Aangezien er mogelijk geschikt voortplantingswater in de woonwijk aanwezig is (in de vorm van vijvers in de tuinen of de vijverpartij aan de Thorbeckelaan), is er de noodzaak om aanvullend onderzoek te doen als de hakhoutwallen verdwijnen en hiermee het landhabitat van beide salamandersoorten (mogelijk) komt te vervallen. Het plangebied vormt ook wellicht geschikt landhabitat en voortplantingshabitat voor algemene amfibiesoorten als bruine kikker en gewone pad. Vissen In het terrein is gekeken naar de geschiktheid van de biotoop. Er zijn geen geschikte watergangen aanwezig. Vervolgactie is dus niet noodzakelijk. Insecten Het plangebied is (mogelijk) geschikt als leefomgeving voor de hiervoor genoemde beschermde grote vos en de teunisbloempijlstaart. Het kan op voorhand niet uitgesloten worden of de waardplanten van deze soorten aanwezig zijn. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk om aan te tonen of uit te sluiten of deze soorten in het plangebied aanwezig zijn en wat de impact van de ingreep zal zijn. De overige soorten (bosbeekjuffer, gevlekte witsnuitlibel en grote weerschijnvlinder) zijn niet te verwachten in het plangebied en er kan derhalve volstaan worden met de algemene zorgplicht.
58/82
Houtopstanden In algemene zin is het mogelijk dat bij een voorgenomen ontwikkeling sprake is van het verloren gaan van houtopstanden die beschermd zijn conform artikel 11.16 Bal. In een dergelijk geval kan er sprake zijn van een meldingsplicht en herplantplicht. Op de locatie zijn houtopstanden aanwezig die vallen onder artikel 11.16 Bal van de OW. Indien deze worden gekapt, zal er met de provincie overlegd moeten worden hoe deze te compenseren. Aanvullend onderzoek 2025 Er zijn geen vleermuizen, broedvogelnesten, strikt beschermde amfibieën of overige zoogdieren zoals eekhoorns aangetroffen. De werkzaamheden kunnen daarom doorgang vinden zonder dat mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn. Voor marterachtigen geldt dat er geen sprake is van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van marterachtigen. Hierdoor zijn geen mitigerende maatregelen nodig en hoeft geen vergunning te worden aangevraagd. Toevoegend worden negatieve effecten op de soort en beschermde functies voorkomen door het behoud van de aanwezige bomen. Volgens het Rapport Houtige opstanden, Haansberg Oost (EcoDat BV, 2024) blijkt uit de toekomstschets van de groen-blauwstructuur (bijlage 2) dat de meeste groenstructuren behouden blijven of worden teruggebracht. De uiteindelijke inrichting laat zien dat er groenstroken worden geïntegreerd binnen de nieuwe woonwijk.
Gezien de toekomstige situatie en het feit dat de boommarter geen permanente rust- of verblijfplaats heeft in het gebied, maar het slechts gebruikt als doorgangsroute, is er geen sprake van een overtreding van de OW. De werkzaamheden kunnen daarom doorgang vinden zonder dat mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn. Wel blijft de zorgplicht van kracht.
4.9.3 Conclusie Het aanvragen van een vergunning voor een flora- en fauna-activiteit is niet aan de orde. Daarnaast dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van onder andere algemene grondgebonden zoogdieren.
4.10 Luchtkwaliteit 4.10.1 Toetsingskader Onder de Omgevingswet is het niet meer in alle gevallen nodig om te toetsen aan luchtkwaliteit. Wel moet bij het toelaten van specifiek aangewezen activiteiten (te weten de aanleg of wijziging van een wegtunnelbuis en de aanleg van een autoweg of autosnelweg) de bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) altijd worden beoordeeld. In het geval wanneer een ontwikkeling in of nabij een aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof plaatsvindt kan in de volgende gevallen onderzoek naar de luchtkwaliteit nodig zijn: de aanleg of wijziging van wegen, vaarwegen en spoorwegen; activiteiten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen en spoorwegen; milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht Onderzoek is in deze gevallen in beginsel niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Woonwijken zijn NIBM als het gaat om maximaal:
59/82
1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg; 3.000 woningen bij 2 of meer ontsluitingswegen. Er zijn geen provinciale instructieregels met betrekking tot luchtkwaliteit die van belang zijn voor de ontwikkeling van Haansberg-Oost. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden onderzocht wat de (indicatieve) luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie is. 4.10.2 Toetsing De beoogde ontwikkeling heeft geen betrekking op de aanleg of wijziging van een autoweg, autosnelweg of tunnel voor het wegverkeer. De gemeente Etten-Leur is aangewezen als aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof vanwege wegverkeer. Ten behoeve van de planontwikkeling Haansberg, inclusief Haansberg-Oost, is een onderzoek luchtkwaliteit uitgevoerd (ze bijlage 9). Hierbij is nagegaan of met de woningbouwontwikkeling wordt voldaan aan de luchtkwaliteitseisen uit de Omgevingswet. Uit het onderzoek blijkt dat de aan de omgevingswaarden wordt voldaan. Daarnaast zijn de concentratiebijdragen van NO2 en PM10 ten gevolge van het project minder dan 1,2 ug/m3. Hiermee draagt het project niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. 4.10.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering om het plan in ontwikkeling te brengen.
4.11 Geluid door activiteiten 4.11.1 Toetsingskader Geluid door activiteiten speelt in twee spiegelbeeldige situaties een rol: 1. de situatie waarin een nieuwe activiteit mogelijk gemaakt wordt die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw; het kan hierbij gaan om het geluid door meerdere activiteiten; 2. de situatie waarin met de activiteit een geluidgevoelig gebouw wordt gerealiseerd waarop geluid wordt veroorzaakt door een bestaande activiteit die geluid veroorzaakt. Daarnaast zal de omgevingsvergunning of een wijziging omgevingsplan moeten waarborgen dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is. Dit kan door de standaardwaarden voor het toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw (zie tabel 5.65.1 van het Bkl) en grenswaarden voor het toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen (tabel 5.65.2 van het Bkl) in de omgevingsvergunning op te nemen. 4.11.2 Toetsing Het perceel Haansberg 80 (ten noorden van het plangebied) is in het bestemmingsplan Buitengebied (2013) bestemd tot Bedrijf met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - kassen- en serrebouwbedrijf'. Ter plaatse is uitsluitend een kassen- en serrebouwbedrijf toegestaan. Het perceel waarop dit bedrijf was gevestigd, is recent gesplitst.