Wijziging omgevingsplan Woongebied - Haansberg-Oost - motivering_toelichting
Tekst van het document
Hoewel daardoor op het voorste perceel, dat gekeerd is naar de weg en naar het plangebied, geen bedrijfsmatige werkzaamheden meer (kunnen) worden uitgeoefend, zal nog steeds rekening moeten worden gehouden met de planologische mogelijkheid ervan.
60/82
Het bedrijf moet voldoen aan de geluidvoorschriften (van Hinderwetvergunning via Activiteitenbesluit nu in het tijdelijk omgevingsplan). De woning Sander 6 is hierbij bepalend, de afstand van deze woning (gevel) tot aan de uitrit bedraagt circa 20 meter. De activiteiten zijn beperkt van omvang en moeten binnen in het bedrijfsgebouw plaatsvinden. De afstand van de woning van Sander 6 tot aan de geprojecteerde woningen bedraagt ruim 40 meter. Er zijn geen klachten over geluidhinder ontvangen, gelet op de aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten kan aan de geluidsvoorschriften in het tijdelijk deel van het omgevingsplan worden voldaan. Het bedrijf wordt door de ontwikkeling dan ook niet verder beperkt in zijn activiteiten, voor de geprojecteerde woningen is een goed woon – en leefklimaat geborgd. Het plangebied ligt niet binnen de geluidzone industrielawaai van het industrieterrein ‘Bedrijventerrein Vosdonk’. Wel zijn in de omgeving enkele bedrijven aanwezig op niet geluidgezoneerde bedrijfspercelen. Hiervoor geldt per bedrijf een standaardwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde, en is de grenswaarde afhankelijk van de geluidisolatie van de woning. 4.11.3 Conclusie Geluid door activiteiten staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.12 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen 4.12.1 Toetsingskader Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.2a instructieregels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Hierin wordt beschreven dat een omgevingsplan rekening moet houden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op nieuwe geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en erin voorziet dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden volgens tabel 4.5. In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht: Tabel 4.5. Standaardwaarden en grenswaarden geluid per geluidbronsoort
In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht. Dat is alleen mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarden te voldoen en de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van
61/82
stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel. Bij het overschrijden van de standaard- of grenswaarden wordt het gecumuleerde geluid beoordeeld en het gezamenlijk geluid bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan. Voor het effect van verkeersgeneratie door het plan wordt getoetst aan artikel 5.78af Bkl (indirecte akoestische effecten geluid). 4.12.2 Toetsing Het plangebied ligt binnen de geluidaandachtsgebieden van de weg Haansberg en de toekomstige ontsluitingswegen in Haansberg Oost. Dit zijn/worden alle gemeentewegen. Rijks- en provinciale en spoorwegen liggen te ver van het plangebied om relevant te zijn voor geluid. Akoestisch onderzoek vanwege ontwikkeling Haansberg Uit akoestisch onderzoek dat voor heel de ontwikkeling van Haansberg is uitgevoerd (zie bijlage 10), blijkt dat geluid afkomstig van wegverkeerslawaai binnen dit gebied enigszins toeneemt (zie figuur 4.5). De verklaring hiervoor is een toename van verkeersintensiteiten en de realisatie van nieuwe wegen. Nabij het zuidelijke deel van de Haansberg neemt het wegverkeerslawaai juist af, omdat de weg hier wordt doorgeknipt.
Figuur 4.6. Rekenresultaten wegverkeerslawaai in referentiesituatie (links) en plansituatie (rechts) op 5m hoogte (bron: Akoestisch onderzoek Haansberg Etten-Leur, 26 september 2025) Binnen het overgrote deel van het plangebied kan worden voldaan aan de standaardwaarde, zo ook in Haansberg – Oost. Nergens wordt de grenswaarde overschreden.
62/82
Figuur 4.7. Hoogste toename wegverkeerslawaai op geselecteerde bestaande woningen (bron: Akoestisch onderzoek Haansberg Etten-Leur, 26 september 2025) Het wegverkeerslawaai neemt toe op een aantal gevels van bestaande woningen, waaronder op die van woningen langs de Haansberg, ter hoogte van het plangebied Haansberg-Oost. Op het grootste deel van de rekenpunten neemt het wegverkeerslawaai met niet meer dan 1 dB toe, wat geen merkbaar verschil is. Hiermee wordt ook voldaan aan Artikel 5.78af Bkl. Op de woning Haansberg 54 valt de toename in de categorie >10 dB, op de woning Haansberg 58 in de categorie 2-5 dB en op de woning Goorstraat 4 in de categorie 0 – 2 dB. Akoestisch onderzoek vanwege ontwikkeling Haansberg-Oost en tijdelijke alternatieve ontsluitingsweg Er komen nu woonstraten in Haansberg-Oost bij. Op deze straten gaat een maximum snelheid gelden van 30 km/uur. Rondom deze straten geldt een geluidaandachtsgebied van 100 meter. Ook wordt voor de ontsluiting van dit deelgebied een tijdelijke alternatieve ontsluitingsweg richting de Floralaan-Hoevenseweg aangelegd (zie ook paragrafen 1.1. en 2.2). De akoestische gevolgen van deze nieuwe ontwikkelingen (aangegeven in figuur 2.4) zijn aanvullend berekend.
In bijlage 11 is een akoestisch onderzoek opgenomen, waarin het geluid op nieuwe geluidgevoelige gebouwen en het geluid op bestaande geluidgevoelige gebouwen is beoordeeld. Nieuwe geluidgevoelige gebouwen Uit de berekeningen blijkt dat het geluid op nieuwe geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan 53 dB, waarmee overal aan de standaardwaarde wordt voldaan. Hiermee wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl, en kan worden gesteld dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Nieuwe wegen Uit de berekeningen blijkt dat het geluid op bestaande woningen op enkele punten hoger is dan 53 dB. Deze
63/82
geluidbelasting wordt bijna volledig veroorzaakt door de bestaande weg Haansberg. De woningen waar deze waarden zijn berekend vallen buiten de afbakening van het onderzoeksgebied van de interne ontsluitingsweg, en beide varianten van de tijdelijke ontsluitingsweg. Op de woningen die binnen het onderzoeksgebied vallen wordt wel aan de standaardwaarde voldaan. Hiermee wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl, en kan worden gesteld dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Indirecte hinder Uit analyse van de verkeersgegevens in de wijdere omgeving blijkt dat vrijwel nergens de verkeersintensiteit toeneemt met meer dan 40%, wat onder gelijke uitgangspunten overeenkomt met een toename van 1,5 dB. Alleen op de weg 'Sander' ligt dit percentage hoger. Hier neemt de verkeersintensiteit met een factor 2,3 toe. Echter geldt dat in zowel de referentiesituatie als de plansituatie de verkeersintensiteit lager ligt dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal, waardoor het buiten het toepassingsbereik van artikel 5.78af (lid 1a) valt. Haansberg Oost met bestaand wegennetwerk, Etten-Leur In het voorgaande onderzoek is gerekend met de aanleg van een tijdelijke alternatieve ontsluitingsweg.
Omdat op dit moment nog onduidelijk is wanneer de tijdelijke ontsluitingsweg wordt vergund (en daarmee ook het besluit om een knip aan te brengen kan worden uitgevoerd) is aanvullend akoestisch onderzoek uitgevoerd waarbij het bestaande wegennetwerk, via de wegen Haansberg en Sander, in stand wordt gehouden. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 12. In de basis is uitgegaan van het verkeersonderzoek dat ook is gehanteerd voor de mer-beoordeling. Het plan zorgt voor in totaal 750 motorvoertuigen per etmaal en er is aangenomen dat het verkeer zich dan gelijkmatig over de wegen Sander en Haansberg verdeeld. dat betekent dat de verkeersintensiteiten op beide wegen met niet meer dan 375 voertuigen per etmaal toenemen. Een toename van 375 voertuigen op een verkeersintensiteit van een minimum van 2.500 voertuigen (Bkl artikel 5.78ae toepassingsbereik) leidt tot een toename van ca. 0,6 dB. Hiermee kan worden gesteld dat zonder meer aan de 1,5 dB-norm van Artikel 5.78af van het Bkl kan worden voldaan. 4.12.3 Conclusie Als gevolg van de ontwikkeling van het gehele woongebied Haansberg, neemt het wegverkeerslawaai toe op een aantal gevels van woningen langs de Haansberg, waaronder ter hoogte van het plangebied Haansberg-Oost.
Op de woning Haansberg 54 valt de toename in de categorie >10 dB, op de woning Haansberg 58 in de categorie 2-5 dB en op de woning Goorstraat 4 in de categorie 0 – 2 dB. Voor het overige en voor de nieuwe woningen wordt overal voldaan aan de standaardwaarde. De grenswaarde wordt nergens overschreden. Voor de bestaande en de nieuwe woningen geldt dat aan het Bkl wordt voldaan zonder aanvullende voorwaarden. Uit de aanvullende akoestische berekeningen vanwege de nieuwe wegen in Haansberg-Oost en de tijdelijke alternatieve ontsluitingsweg blijkt dat het geluid afkomstig van deze wegen op nieuwe geluidgevoelige gebouwen voldoet aan de standaardwaarde. Ook in de situatie dat er geen verkeersknip in de weg Haansberg wordt gerealiseerd en dat het verkeer over het bestaande wegennet wordt afgewikkeld, blijkt dat er nauwelijks sprake is van een geluidtoename op de gevel van bestaande woningen.
64/82
Op basis van de resultaten van de drie genoemde akoestische onderzoeken wordt geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorgenomen omgevingsplanwijziging voor de ontwikkeling Haansberg Oost stuit niet op akoestische belemmeringen of aandschtspunten, ook niet wanneer het bestaande wegennetwerk in stand wordt gehouden.
4.13 Geur 4.13.1 Toetsingskader In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur opgenomen (§ 5.1.4.6 van het Bkl). De algemene regels met betrekking tot geur zijn op grond van artikel 5.90 van het Bkl van toepassing op het toelaten: op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die geur veroorzaakt op een geurgevoelig gebouw; of van een geurgevoelig gebouw waarop geur wordt veroorzaakt door een (bestaande) activiteit, anders dan het wonen. In artikel 5.91 Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies). 4.13.2 Toetsing Het perceel Haansberg 80 (ten noorden van het plangebied) is in het bestemmingsplan Buitengebied (2013) bestemd tot Bedrijf met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - kassen- en serrebouwbedrijf'. Ter plaatse is uitsluitend een kassen- en serrebouwbedrijf toegestaan. Het perceel waarop dit bedrijf was gevestigd, is recent gesplitst. Hoewel daardoor op het voorste perceel, dat gekeerd is naar de weg en naar het plangebied, geen bedrijfsmatige werkzaamheden meer (kunnen) worden uitgeoefend, zal nog steeds rekening moeten worden gehouden met de planologische mogelijkheid ervan.
Op grond van de Staat van bedrijfsactiviteiten die in het bestemmingsplan Buitengebied is opgenomen, kan geen inschatting worden gemaakt van de (richt)afstand die ten opzichte van woningen moet worden aangehouden. Op grond van de Staat van bedrijfsactiviteiten die in het bestemmingsplan Bedrijventerrein Vosdonk wordt gebruikt en de daaraan ten grondslag liggende VBG-publicatie Bedrijven en milieuzonering geldt een maximale richtafstand van 100 meter. Maatgevend milieuaspect is geluid. Daarbij is uitgegaan van een constructiewerkplaats in een gesloten gebouw. Voor de overige milieuaspecten (geur, stof, gevaar) gelden richtafstand van 30 meter. In de nabijheid van het plangebied waren verschillende veehouderijen gevestigd. Inmiddels zijn deze allemaal beëindigd. Op het perceel Haansberg 29 was in 2006 al geen vee meer aanwezig. Het bedrijf is omgeschakeld naar een vollegrondtuinbouwbedrijf. Het bedrijf heeft nog wel een vergunning op grond van de (voorheen geldende) Wet milieubeheer voor het houden van vee. Het agrarisch bouwvlak is inmiddels omgezet in een woonbestemming. Daarmee behoeft geen rekening meer te worden gehouden met aspect geur vanwege deze voormalige bedrijfslocatie. De omliggende gronden hebben nog wel een agrarische bestemming en zijn in gebruik voor
65/82
vollegrondtuinbouw. Op de kaart die in figuur 4.8 is opgenomen, staat nog dat er 2 bestaande veehouderijbedrijven zijn, namelijk Haansberg 25 en 27. Het bedrijf Haansberg 25, een melkveehouderijbedrijf is inmiddels door de gemeente Etten-Leur aangekocht ten behoeve van de ontwikkeling van de woonwijk Haansberg. Het bedrijf Haansberg 27 was in 2006 een stoppend bedrijf met hobbymatig wat jongvee en zoogkoeien. De locatie heeft in het omgevingsplan (tijdelijk deel: bestemmingsplan Buitengebied) een woonbestemming.
Figuur 4.8. Veehouderijen in de omgeving van de projectlocatie (blauw gemarkeerd) (bron: ODZOB) Uit de kaart van de ODZOB (omgevingsdienst Zuidoost-Brabant), die inzicht geeft in de achtergrondbelasting (cumulatieve geurbelasting) voor geur, blijkt dat de kwaliteit van de leefomgeving ter plaatse van het toekomstig woongebied Haansberg-Oost 'goed' is (tussen 1,5-3,5 OuE/m3) (zie figuur 4.9).
66/82
Figuur 4.9. Achtergrondbelasting projectlocatie (blauw gemarkeerd) en omgeving (bron: ODZOB) 4.13.3 Conclusie De geurbelasting ter plaatse vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.14 Trillingen 4.14.1 Toetsingskader In § 5.1.4.4 van het Bkl zijn instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit. Volgens artikel 5.80, eerste lid, Bkl is een trillinggevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. De instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen.
67/82
Gemeenten kunnen in die gevallen zelf bepalen of en zo ja, welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels van het Bkl zijn wel van toepassing als in het omgevingsplan een trillingaandachtsgebied langs het spoor is vastgelegd. Het omgevingsplan bevat geen lokale regels voor trillinghinder. 4.14.2 Toetsing Het plangebied ligt niet binnen een trillingaandachtsgebied van een spoorlijn. In de omgeving zijn evenmin andere activiteiten bekend die trillinghinder kunnen veroorzaken. De bouw van woningen kan zorgen voor enige trillinghinder in het geval dat er wordt geheid. In dat geval worden afspraken gemaakt met ontwikkelende partijen en vastgelegd in de anterieure overeenkomsten die de gemeente met hen zal afsluiten. Het beperken van overlast en voorkomen van schade bij nieuwbouw door onder andere trillinghinder is voor de gemeente en voor ontwikkelende partijen en hun aannemer(s) daarbij het uitgangspunt. Als er risico aanwezig is op schade, dan zal voor de opname van de werkzaamheden een opname worden gemaakt. Aannemers zullen een zogenoemde Construction All Risk (CAR) verzekering moeten hebben om schade af te dekken die wordt veroorzaakt tijdens de bouw.
4.14.3 Conclusie Het plangebied ligt niet in de nabijheid van activiteiten waarbij structureel trillingen vrijkomen en voorziet hier in beginsel zelf ook niet in.
4.15 Lichthinder 4.15.1 Toetsingskader Duisternis is een omgevingskwaliteit die van groot belang is voor veel diersoorten. Ook de mens functioneert beter bij een ongestoord dag- en nachtritme. Het beperken van kunstlicht en voorkomen van lichthinder is een afwegingscriterium bij ontwikkelingen en activiteiten. Lichthinder wordt deels geregeld in het Besluit Activiteiten Leefomgeving, waarbij op grond van de zorgplicht regels aan bepaalde activiteiten worden gesteld. Het gaat daarbij om het gebruik van gebruik van assimilatiebelichting met bepaalde een verlichtingssterkte. Het plangebied is in het provinciaal beleid niet gelegen in een speciaal aangewezen gebieden waarin de duisternis extra aandacht krijgt. Voor het gebruik van de woningen of het woongebied gelden geen instructieregels. In de omgevingsvisie Etten-Leur is de ambitie opgenomen om lichthinder te voorkomen/beperken. Het aspect dient in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties van belang te worden beoordeeld.
68/82
4.15.2 Toetsing Etten-Leur maakt deel uit van de Brabantse stedenrij. In dit sterk verstedelijkt gebied vindt veel emissie van kunstlicht naar de nachtelijke hemel plaats. Ten noorden van Etten-Leur neemt de emissie aanmerkelijk af.
Figuur 4.10. Lichtemissie omgeving Etten-Leur De voorgenomen woningbouwontwikkeling leidt onvermijdelijk tot enige toename van lichtemissie. Daarom is specifiek voor Haansberg-Oost een verlichtingsplan opgesteld waarmee de toename van verlichting wordt beperkt. De volgende uitgangspunten liggen hieraan ten grondslag: lichtpunthoogte 4 meter; hoofdwegen, parkeerplaatsen en functionele voetpaden die direct naar woningen lopen, verlichten; recreatieve voetpaden niet verlichten; slimme verlichtingsarmatuur toepassen: biedt smartlighting-mogelijkheden waardoor led-verlichting duurzamer wordt (sensoren, dim-functie en vier segmenten waardoor lichthinder wordt voorkomen; In woonstraten wordt dimregime 4A toegepast. In parken wordt ook met een sensor gewerkt. De bijdrage van koplampen van voertuigen is van tijdelijke aard en fluctueert gedurende de dag en nacht. In een woonwijk is doorgaans sprake van een beperkte verkeersintensiteit, zeker in de nachtelijke uren, waardoor het effect van voertuiglicht als verwaarloosbaar wordt beschouwd. Gevelverlichting is particulier van aard en zal naar verwachting eveneens beperkt en functioneel worden toegepast.
4.15.3 Conclusie Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat de voorziene ontwikkeling niet leidt tot een zodanige toename van lichtemissie dat sprake is van aantasting van het karakter van de omgeving, verstoring van het uitzicht of nadelige effecten op de gezondheid en nachtrust van omwonenden en evenmin verstoring van beschermde diersoorten, denk aan vleermuizen (zorgplicht).
69/82
4.16 Bodemkwaliteit 4.16.1 Toetsingskader Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers: het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen). Om een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein.
Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie kunnen worden (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving, waaronder regels over nazorg van de bodem na saneren, regels over graven in de bodem en regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico.
Voorafgaande aan de voorbereiding van deze ontwikkeling is het omgevingsplan nog niet gewijzigd, daarom gelden op grond van artikel 22.30 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (de zogenoemde Bruidsschat) de interventiewaarden bedoeld in bijlage IIA van het Bal als grenswaarden voor de bouw van bodemgevoelige gebouwen.
70/82
4.16.2 Toetsing Ten behoeve van het bestemmingsplan Haansberg-Oost uit 2008 zijn in het plangebied al verschillende bodemonderzoeken uitgevoerd. Deze bodemonderzoeken zijn veelal uitgevoerd in verband met aankoop van grond door de gemeente. Daaruit blijkt dat de bodem rondom de bebouwing aan de Haansberg over het algemeen licht is verontreinigd met PAK en enkele zware metalen. De ondergrond is over het algemeen niet verontreinigd. De agrarische grond, achter de woningen ten oosten van de Haansberg, is over het algemeen niet verontreinigd. In het freatisch grondwater in het hele gebied worden diverse zware metalen in een concentratie boven de streefwaarde aangetroffen. Dat is niet uitzonderlijk voor deze regio. Voor de huidige voorgenomen ontwikkeling van Haansberg-Oost zijn geen bodemonderzoeken uitgevoerd. Wel is een inventarisatiekaart gemaakt waarin alle percelen zijn beschreven die onderdeel zijn van het plangebied, daarin is ook aangegeven of er onderzoeken uitgevoerd zijn/nog uitgevoerd moeten worden. Dat onderzoek zal in het kader van de omgevingsvergunning geschieden. 4.16.3 Conclusie Actueel bodemonderzoek wordt uitgevoerd ten behoeve van de vergunningaanvragen.
4.17 Omgevingsveiligheid 4.17.1 Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving in § 5.1.2. Deze paragraaf gaat in de eerste plaats over de veiligheidsrisico's van branden, rampen en crises (artikel 5.2). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen.
Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg
71/82
van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken. Kwetsbare functies Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico's wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties.
Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen: Hoeveel personen zijn in dat gebouw c.q. op die locatie gelijktijdig aanwezig? Wat is de aanwezigheidsduur van die personen? In hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident. Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan. In de omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant zijn uit oogpunt van veiligheid instructieregels opgenomen voor regionale waterkeringen. 4.17.2 Toetsing Er worden met deze wijziging van het omgevingsplan ten hoogste 150 woningen mogelijk gemaakt. De woningen en het woongebied zijn daarmee beperkt kwetsbare gebouwen en locatie.
Uit raadpleging van voor publiek beschikbare data blijkt dat het plangebied niet ligt in een veiligheidscontour van een milieubelastende activiteit. Heel Etten-Leur ligt wel binnen een gifwolkaandachtsgebied van de Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V. op het haven- en industrieterrein Moerdijk, een Seveso-inrichting waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn.
72/82
Figuur 4.11. Relevante PR-contouren en aandachtsgebieden (bron: Portaalatlas veiligheid) Bij ongevallen met toxische stoffen is het van belang, dat de alarmering snel verloopt en dat er snel voor wordt gekozen om de bevolking te waarschuwen met het advies: ramen en deuren en ventilatieopeningen sluiten. Daarbij is het ook van belang dat de brandweer snel ter plaatse van het ongeval is om een inschatting te maken van de situatie. De motivatieplicht ten aanzien van het groepsrisico moet zich beperken tot relevante gevallen. Dit is het geval als het GR de oriënterende waarde (bijna) overschrijdt of wanneer sprake is van een aanzienlijke toename (>10%) van het aantal slachtoffers. Beide zijn niet het geval. Binnen het aandachtsgebied wonen en verblijven enkele honderdduizenden mensen. Het plangebied voegt daar enkele honderden aan toe, ofwel minder dan 1 promille. 4.17.3 Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een veiligheidscontour van een milieubelastende activiteit, maar wel binnen een gifwolkaandachtsgebied. Het aantal mensen dat in het plangebied gaat verblijven is dusdanig klein dat de situatie niet relevant voor de beoordeling van het aspect externe veiligheid.
73/82
4.18 Ontplofbare oorlogsresten 4.18.1 Toetsingskader In de Tweede Wereldoorlog hebben vele gevechtshandelingen in de gemeente Etten-Leur plaatsgevonden. Tijdens de meidagen van 1940 werd het centrum van Etten en delen van Leur zwaar gebombardeerd door Duitse vliegtuigen. In aanloop naar de bevrijding werden diverse strategische doelen door geallieerde jachtbommenwerpers beschoten of gebombardeerd met vliegtuigbommen en raketten. Tijdens de bevrijding vonden diverse beschietingen plaats. Deze waren voornamelijk rondom de rivier De Mark gelokaliseerd, waarachter de Duitse bezetter een verdedigingslinie had geformeerd. Om die reden is de gemeente een risicogemeente voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (OO). Een deel van de hierbij gebruikte munitie is niet gedetoneerd en mogelijk in de bodem achtergebleven. De gemeente blijft nu en in de toekomst te maken houden met het onschadelijk maken van deze explosieven. 4.18.2 Toetsing Voor de gehele gemeente is in 2021 een vooronderzoek uitgevoerd naar OO. Delen van het grondgebied zijn daarin op basis van het geanalyseerde feitenmateriaal gekwalificeerd als verdacht op de aanwezigheid van OO (zie figuur 4.12). Voor de locaties waar OO kunnen worden aangetroffen wordt verwezen naar de Bodembelastingkaart. Daaruit blijkt dat er voor de ontwikkeling van Haansberg-Oost vanwege OO geen belemmering is te verwachten.
Figuur 4.12. Fragment kaart ruimingen en mijnen
74/82
4.18.3 Conclusie Het aspect OO vormt geen belemmering voor het ontwikkelen van het gebied Haansberg-Oost voor woningbouw.
4.19 Cultureel erfgoed 4.19.1 Toetsingskader Algemeen Cultureel erfgoed (en werelderfgoed is onderdeel van de fysieke leefomgeving. Voor het behoud van cultureel erfgoed zijn er internationaalrechtelijke verplichtingen die nopen tot toetsing vooraf van activiteiten die cultureel erfgoed kunnen aantasten. Onder cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving wordt verstaan: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet". Dat andere cultureel erfgoed is roerend cultureel erfgoed (in de Erfgoedwet gedefinieerd als 'cultuurgoederen'), zoals historische schepen in een historische haven, of immaterieel cultureel erfgoed dat aan een specifieke plek gebonden is, zoals het molenaarsambacht. De instructieregels van het Rijk staan in artikel 5.130 Bkl. In dit artikel is bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Hierbij wordt rekening gehouden met bepaalde aspecten van cultureel erfgoed die zien op: 1.
het voorkomen van ontsiering, beschadiging, sloop of verplaatsing van op grond van het omgevingsplan beschermde gemeentelijke monumenten en beeldbepalende of karakteristieke panden en het bevorderen van het gebruik hiervan; 2. het voorkomen van aantasting van: a. de omgeving van rijksmonumenten en op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten; b. het karakter van in het omgevingsplan beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen; 3. het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. Voor cultureel erfgoed zijn in de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant instructieregels opgenomen, maar die zijn niet van belang voor dit project. Archeologie Het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg staat in het teken van het behoud en het beheer van het archeologisch erfgoed. Op gelijke voet staat het streven naar het gebruik van het archeologisch erfgoed als inspiratiebron voor de ruimtelijke inrichting. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. In ruimtelijke planvorming dient rekening te worden gehouden met het archeologisch erfgoed.
Voor archeologisch waardevolle terreinen en voor gebieden met een (middel)hoge verwachtingswaarde voor archeologisch erfgoed moeten bij voorgenomen ruimtelijke activiteiten de
75/82
archeologische waarden door middel van een vooronderzoek in kaart worden gebracht. Gestreefd moet worden naar behoud ter plaatse door middel van inpassing. Alleen in het uiterste geval, als behoud ter plaatse niet mogelijk is, kan worden overgegaan tot archeologische opgravingen. De gemeenteraad van Etten-Leur heeft op 11 oktober 2010 het beleid ter bescherming van het archeologisch erfgoed vastgesteld, inclusief een gemeentelijke archeologische beleidskaart. Het archeologisch beleid en de beleidskaart zijn echter niet verwerkt in het bestemmingsplan Groot-Sander' (zie paragraaf 1.3). De gemeenteraad heeft vervolgens op 22 april 2024 een nieuwe archeologische beleidskaart vastgesteld en ook besloten om die kaart te verwerken in het omgevingsplan. 4.19.2 Toetsing cultuurhistorie Uit de provinciale Cultuurhistorische kaart blijkt dat in het plangebied geen beschermde monumenten en beeldbepalende of karakteristieke panden aanwezig zijn. Evenmin is sprake van een beschermde stads- of dorpsgezicht of beschermd cultuurlandschap.
Figuur 4.13. Cultuurhistorische waardevolle objecten, het plangebied is rood aangegeven (Bron: Provincie Noord-Brabant, bewerking Rho adviseurs) Het aspect cultuurhistorie vormt overigens wel een inspiratiebron voor de in het plangebied te ontwikkelen bebouwing. Verwezen wordt naar het beeldkwaliteitsplan Haansberg-Oost dat is opgenomen in bijlage 3.
76/82
4.19.3 Toetsing archeologie Het plangebied Haansberg-Oost is op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden gekarteerd als een gebied met een 'hoge trefkans op het aantreffen van archeologische waarden'. Op de archeologische beleidsadvieskaart voor de gemeente Etten-Leur uit 2000 is het plangebied 'Haansberg-Oost' aangeduid als een gebied met een 'middelmatige archeologische verwachting' met een matige kwetsbaarheid in verband met de aanwezigheid van een esdek op deze locatie. Ter voorbereiding van het bestemmingsplan Haansberg-Oost (vastgesteld 26 mei 2008, maar niet in werking getreden, zie paragraaf 1.3) is een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd3. Doel van dit onderzoek was het toetsen van de archeologische verwachting door een inventarisatie te maken van eventueel aanwezige resten en/of vindplaatsen in het plangebied. Het doel van het bureauonderzoek is met behulp van bestaande bronnen een specifiek archeologisch verwachtingsmodel voor het onderzoeksgebied op te stellen. Bij het inventariserend veldonderzoek is dit model in het veld getoetst en zo nodig bijgesteld. Tijdens het veldonderzoek (in 2006) zijn 46 boringen verricht. In het plangebied zijn geen archeologische waarden aangetroffen. Er zijn twee vondsten gedaan. Het betreft echter mestaardewerk, of materiaal dat in verstoorde context is aangetroffen.
Geen van de vondsten duidt een vindplaats in situ aan. Op basis van de resultaten van het karterende booronderzoek is voor het onderzoeksgebied een archeologische verwachtingskaart opgesteld (zie figuur 4.14). Het gehele plangebied Haansberg-Oost heeft een lage archeologische verwachting gekregen (in geel en blauw weergegeven). De verwachting is dat bij de geplande bodemingrepen hier geen archeologische resten zullen worden verstoord. Planaanpassing en vervolgonderzoek zijn dan ook niet nodig.
Figuur 4.14. Archeologische verwachtingen Haansberg-Oost (Bron: BAAC)
77/82
Met de regio-archeoloog is overlegd of de uitgevoerde onderzoeken inderdaad voldoende zijn. Op 15 september 2025 heeft die geconcludeerd dat het gebied voldoende is onderzocht en geadviseerd het plangebied vrij te geven. De werkingsgebieden 'archeologische waarde 2, 3 en 4' zoals nu opgenomen in het omgevingsplan worden aangepast naar 6. Het gebied is ook aangeduid op de archeologische beleidskaart van 2024, maar die kaart is door het uitgevoerde bureau- en inventariserend veldonderzoek niet meer relevant voor de afweging. 4.19.4 Conclusies In het gebied zijn geen cultuurhistorische waarden en te beschermen archeologische waarden aanwezig. Het aspect cultureel erfgoed vormt dan ook geen belemmering. Het wordt overigens wel gebruikt als inspiratiebron voor de in het plangebied te ontwikkelen bebouwing. Het hele plangebied wordt voorzien van 'archeologische verwachtingswaarde 6' (geen archeologische verwachtingswaarde).
78/82
Hoofdstuk 5 5.1
Economische en maatschappelijkeuitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Op basis van een analyse waarin uitgeefbare grond en openbare ruimte zijn bepaald, is voor dit project een raming van de benodigde investeringen opgesteld. Daarnaast is een risicoanalyse nadeelcompensatie uitgevoerd op basis waarvan een schatting gemaakt kan worden van eventuele waardeverminderingen van aanliggende percelen als gevolg van realisatie van de met deze wijziging mogelijk gemaakte ontwikkelingen. De opbrengsten worden bepaald door het programma van de te realiseren woningen. Op basis van de realisatie van het programma worden te maken kosten gedekt door de opbrengsten. Dit betekent dat de grondexploitatie de financieel-economische uitvoerbaarheid aantoont. Voor het plan is een exploitatieopzet opgesteld waaruit blijkt dat het plan economisch uitvoerbaar is.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Voor de ontwikkeling van Haansberg-Oost moet het omgevingsplan worden aangepast. Participatie is door de komst van de Omgevingswet een belangrijk onderdeel geworden van een ruimtelijke procedure. Bij het wijzigen van het omgevingsplan moeten alle belanghebbenden worden betrokken en hun belangen worden afgewogen. Op 11 juni 2024 heeft de gemeenteraad ingestemd met de visie op Haansberg, diverse infrastructurele maatregelen rondom Haansberg en de startnotitie 'ontwikkeling deelgebied 1 woningbouwlocatie Haansberg-Oost'. In de startnotitie is uitgegaan van participatieniveau 'mening vragen en meedenken in het ontwerp'. Dit is vormgegeven door middel van verschillende bewonersavonden, omgevingstafels en Haansbergdagen. Verslagen van de verschillende participatiemomenten zijn terug te vinden op www.haansbergetten-leur.nl. 5.2.1 Bewonersavonden De eerste informatieavond werd gehouden op 3 juli 2024. Op deze eerste avond zijn belangstellenden geïnformeerd over de plannen en zijn de eerste reacties, adviezen, tips en zorgen van omwonenden en stakeholders opgehaald tijdens groepsgesprekken. Op de tweede informatieavond op 17 september 2024 is nader ingegaan op vragen en is de opzet van de nieuwe wijk gepresenteerd met bijbehorende kaders en uitgangspunten. Het tweede deel van de avond bestond uit een informatiemarkt.
Op deze markt werd het schetsontwerp gepresenteerd waarover in discussie kon worden gegaan. De derde bewonersavond werd gehouden op 3 december 2024. Op deze avond werd een herziene versie van het schetsontwerp gepresenteerd met kaders voor de ontwikkeling. Uit de gesprekken en reactieformulieren kwamen nog verschillende aandachtspunten naar voren. Naar aanleiding hiervan is het plan op enkele punten aangepast. De kaders zijn op 6 januari 2025 aan de gemeenteraad aangeboden en op 17 februari 2025 vastgesteld.
79/82
5.2.2 Omgevingstafels De doelstelling is Haansberg verkeerskundig en infrastructureel op orde te brengen, vooruitlopend op de woningbouwplannen. Hiervoor zijn maatregelpakketten opgesteld. Deze zijn besproken tijdens verschillende omgevingstafels 'verkeerskundig op orde'. Tijdens de eerste omgevingstafel op 27 februari 2024 was er nog geen vaststaand ontwerp, maar werden vragen en opmerkingen verzameld. Tijdens de tweede tafel op 14 mei 2024 zijn ideeën en maatregelen rondom de ontsluiting Hoevenseweg - Haansberg (straat) verkend en is teruggekomen op de vele vragen en opmerkingen van de eerste omgevingstafel. Op 10 september 2024 is de derde omgevingstafel over verkeer georganiseerd. Op de agenda stond met name het punt van de verkeersmaatregelen in en rondom Haansberg-Oost zoals de knip in de straat Haanberg. 5.2.3 Haansbergdagen Op woensdag 3 september 2025 bezochten zo'n 450 inwoners en belangstellenden de Haansbergdag 'Verplaatsen en verblijven'. Tijdens deze Haansbergdag werd de invulling van de buitenruimte gepresenteerd en werden de eerste schetsen getoond van het beeldkwaliteitsplan Haansberg-Oost. Ook hier konden belangstellenden op reageren. Reacties verschilden. Omwonenden blijven kritisch en hebben nog een aantal nieuwe suggesties gedaan over de invulling van de buitenruime en de spreiding van de woningen in de verkavelingsopzet.
Potentiële kopers waren overwegend positief. Op de Haansbergdag 'Wonen en werken' (10 december 2025) is dieper ingegaan op het thema wonen en hebben ontwikkelaars en bouwers hun ideeën gedeeld. Ook is het definitieve beeldkwaliteitsplan gepresenteerd. Naast bovenstaande momenten zijn ook verschillende 1-op-1-gesprekken gevoerd met omwonenden en besprekingen met andere overheidsinstanties zoals de provincie en de gemeente Halderberge. 5.2.4 Conclusie Tijdens het participatietraject hebben diverse bewonersavonden plaatsgevonden en zijn omgevingstafels en Haansbergdagen georganiseerd. Dit om belanghebbenden te informeren en mee te laten denken. Op deze manier is inzicht verkregen behoeften en wensen van de omgeving én toekomstige bewoners. De input heeft geleid tot diverse acties, nadere uitwerking en aanpassing van de stukken, waardoor het plan beter aansluit op de behoefte van belanghebbenden.
80/82
Hoofdstuk 6
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
In dit hoofdstuk wordt gemotiveerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij de wijziging van het omgevingsplan sprake is van een ETFAL. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd. Voor de beoordeling van de ETFAL zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de activiteiten, zowel kwalitatief als kwantitatief nader onderzocht in deze motivering. Afweging De beoogde ontwikkeling betekent een belangrijke uitbreiding van het woningaanbod in Etten-Leur. Hiermee wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de woningbehoefte van Etten-Leur. Verder is het project in overeenstemming met de relevante beleidsuitgangspunten / instructieregels op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 4 is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de geldende milieu wet- en regelgeving. Daaruit blijkt dat er de volgende aandachtspunten zijn: (veiligheidsafstanden) gasleiding; (inspanning) natuurinclusief bouwen en duurzaamheid; (behoud van) aanwezige bomen; (in acht nemen) zorgplicht wet natuurbescherming; (beperken van) lichtvervuiling; voldoende (waterberging).
Geen van deze aandachtspunten vormen een belemmering voor de ontwikkeling van het gebied met woningbouw. Al met al kan worden geconcludeerd dat voor de ontwikkeling van de woonwijk sprake is van een ETFAL. De ontwikkeling is daarom aanvaardbaar binnen het huidige beleidskader en levert een positieve bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied.
81/82
Eindnoten
1. Het stedenbouwkundig plan en voorlopig ontwerp openbare ruimte zoals weergegeven in figuur 2.4 dateert van september 2025. Aan de tekening kunnen geen rechten worden ontleend. Bij uitwerking naar definitief ontwerp kunnen er nog onderdelen worden gewijzigd. 2. Voor het akoestisch onderzoek (zie paragraaf 4.14) wordt gerekend met 75 woningen op elke lus en gemiddeld (afhankelijk van woningtype) met 5 motorvoertuigen per woning per etmaal. De verkeersgeneratie per woning is weliswaar lager dan de verkeersgeneratiecijfers van het CROW, maar door de parkeerhubs aan het begin van de lussen zal de intensiteit op de lussen lager zijn. 3. Inventariserend Archeologisch veldonderzoek (karterende fase), plangebied Haansberg-Oost gemeente Etten-Leur (projectnummer 06.237A), Onderzoeks- en adviesbureau BAAC bv, oktober 2006
82/82