Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
41/75
'Leiding - Gas'. Er is op deze locatie conform de risicokaart echter geen gastransportleiding opgenomen, aangezien deze leiding feitelijk niet meer aanwezig is. Dit is door de Gasunie schriftelijk bevestigd, waardoor het op het perceel rustend opstalrecht waardloos kan worden verklaard. Deze dubbelbestemming heeft dan ook geen gevolgen voor de beoogde ontwikkeling. 4.4.2.3 Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt op dit moment ontsloten via de Edward Poppelaan in Etten-Leur. Deze weg sluit aan op de Don Boscolaan en de Hoevenseweg, die vervolgens aansluit op het verdere wegennetwerk van Etten-Leur zoals de N640. Dit biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht.
Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen woningen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De ontwikkeling bestaat uit het realiseren van starterswoningen en patiowoningen waarbij vanuit kan worden gegaan dat de bewoners zelfredzaam zullen zijn. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het spoor geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Uit het advies van de brandweer Midden- en West Brabant (bijlage 6) blijkt dat de transportstroom van gevaarlijke stoffen groter is dan de in het Basisnet aangegeven hoeveelheden. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen.
De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. 4.4.2.4 Beoordeling en advies vanuit gemeente en brandweer Gemeente en veiligheidsregio kunnen instemmen met de onderbouwing omtrent het aspect externe veiligheid. Het advies van de brandweer Midden- en West Brabant is als bijlage 6 toegevoegd. Samenvattend wordt geadviseerd de navolgende maatregelen toe te passen: De genoemde bouwkundige maatregelen bij kernwaarde 3c toch afwegen mede gelet op de overschrijdingen van het risicoplafond uit 2015; Bouwwerken en omgeving bieden bescherming; door bouwkundige maatregelen aan het gebouw zoals een ballastlaag van betontegels op het dak, een
42/75
steenachtige gevel en brandwerend glas dit is effectief voor stralingswarmte bij het vrijkomen en ontsteken van het gas. Centraal afsluitbare ventilatie beschermt mensen in voldoende mate voor toxische stoffen en rook. De genoemde bouwkundige maatregelen in combinatie met de geluidswerende maatregelen verbeteren de zelfredzaamheid van de bewoners van de 11 patiowoningen en 12 starterswoningen. De bouwkundige maatregelen zijn conform het huidige Bouwbesluit. De nieuwe bewoners dienen door middel van een meterkastkaart of de website www.vrmwb.nl geïnformeerd te worden over de risico's van het spoor en mogelijke handelingsperspectieven. 4.4.3 Conclusie Het projectgebied bevindt zich in het invloedsgebied van het spoortraject Roosendaal – Breda. Omdat de afstand van het projectgebied tot dit spoortraject kleiner is dan 200 meter, is hiervoor een QRA uitgevoerd om het groepsrisico te bepalen. Uit de QRA blijkt dat het groepsrisico zowel in de huidige als de toekomstige situatie kleiner is dan de oriëntatiewaarde en dat het met minder dan 10% toeneemt ten opzichte van de huidige situatie. Om deze reden is een beknopte verantwoording opgesteld voor het groepsrisico. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het projectgebied als voldoende worden beschouwd.
De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.5
Kabels en leidingen
4.5.1 Normstelling en beleid Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Voor het aspect externe veiligheid ten aanzien van leidingen wordt verwezen naar paragraaf 4.4. 4.5.2 Toetsing en conclusie In paragraaf 4.4.2 is beschreven dat in het zuidelijk gedeelte van het projectgebied een dubbelbestemming 'Leiding - Gas' van toepassing is. Er is op deze locatie conform de risicokaart echter geen gastransportleiding opgenomen, aangezien deze leiding feitelijk niet meer aanwezig is. Dit is door de Gasunie schriftelijk bevestigd, waardoor het op het perceel rustend opstalrecht waardeloos kan worden verklaard en er geen belemmeringen ten aanzien van de planvorming zijn. Binnen het projectgebied en in de directe omgeving zijn verder geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.6
Archeologie en cultuurhistorie
4.6.1 Normstelling en beleid Erfgoedwet In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit
43/75
verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Besluit ruimtelijke ordening Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de ruimtelijke onderbouwing een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het projectgebied.
Beleid provincie Noord-Brabant De provincie ziet het Brabantse erfgoed als belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Daarom heeft ze haar ruimtelijk erfgoed opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). De CHW is vastgesteld in 2010 en op kleine onderdelen aangepast in de herziening 2016. Beleid gemeente Etten-Leur In oktober 2010 heeft de gemeenteraad een actualisatie van het archeologiebeleid, de archeologische beleidskaart en de Erfgoedverordening vastgesteld. De beleidskaart is gebaseerd op de laatste archeologische stand van zaken en de actuele inzichten over dit onderwerp. De beleidskaart is leidend voor lokale projecten. 4.6.2 Toetsing 4.6.2.1 Archeologie Het projectgebied heeft een oppervlakte van 7.544 m2 en ligt op de archeologische beleidskaart van de gemeente Etten-Leur in een zone waarvoor is aangegeven dat hier de eerste stap in de Archeologische Monumentenzorg reeds gezet is en dat hiervoor mogelijk een vervolgonderzoek noodzakelijk is. De archeologische beleidskaart met daarbij de aanduiding van het projectgebied is weergegeven in figuur 4.3.
44/75
Figuur 4.3 Archeologische beleidskaart Etten-Leur (Bron: Gemeente Etten-Leur) Het projectgebied grenst aan het Juvenaatterrein, waarvoor de regio-archeoloog in december 2019 heeft geadviseerd dat geen archeologisch onderzoek meer nodig is. Voor voorliggend project aan Edward Poppelaan 14 wordt door de regio-archeoloog via een adviesmemo (bijlage 7) nu aangegeven dat dit advies 1-op-1 overgenomen kan worden. Dit betekent concreet dat het projectgebied voldoende is onderzocht en in het kader van de voorgenomen ontwikkeling nader onderzoek niet nodig is. 4.6.2.2 Cultuurhistorie Cultuurhistorische waarden In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de beeldbepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. In figuur 4.4 is onderhavig projectgebied weergegeven in een uitsnede van de CHW. Te zien is dat er geen beeldbepalende cultuurhistorische elementen aanwezig zijn binnen het projectgebied. Onderhavig planvoornemen heeft derhalve geen negatieve effecten op cultuurhistorische elementen, waarmee het aspect cultuurhistorie niet van verdere invloed is.
45/75
Figuur 4.4 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart met aanduiding projectgebied (Bron: Provincie Noord-Brabant) 4.6.3 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7
Geluid
4.7.1 Normstelling en beleid De Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit vormen het wettelijk kader voor de beoordeling van geluid voor wegen, windturbines en bedrijven. In de Wet geluidhinder zijn normen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai (industrieterreinen) opgenomen. In het Activiteitenbesluit zijn normen voor individuele inrichtingen en windturbines opgenomen. Daarnaast heeft de gemeente nog beleid ten aanzien van evenementen. 4.7.2 Toetsing Het projectgebied ligt binnen de wettelijke geluidzone (Wgh) van de Concordialaan, Spoorlaan, Stationsplein, Anna van Berchemlaan en de spoorlijn Breda – Roosendaal. Om deze reden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder is in het kader van een goede ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie een beschouwing gegeven van de niet gezoneerde Edward Poppelaan. Het akoestisch onderzoek is opgenomen als bijlage 8.
Uit het onderzoek blijkt dat: de geluidbelasting ten gevolge van de gezoneerde en niet gezoneerde wegen lager is dan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB; de geluidbelasting ten gevolge van het railverkeer ten hoogste Lden = 65 dB is en daarmee hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 55 dB en de maximale waarde van Lden = 68 dB wordt niet overschreden; maatregelen om de geluidbelasting terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn of op overwegende
46/75
bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke en financiële aard stuiten; er wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid; het laten vaststellen van hogere waarden vanwege het railverkeer nodig is. Hogere waarden Vanwege het railverkeer is het vaststellen van hogere grenswaarden noodzakelijk zoals opgenomen in tabel 4.1 en figuur 4.5. Voor de starterswoningen zijn voor de woningen op de begane grond hogere waarden op basis van een geluidbelasting van 60 dB noodzakelijk. Voor de woningen op de verdiepingen zijn hogere waarden noodzakelijk op basis van een geluidbelasting van 65 dB. Voor de patiowoningen zijn hogere waarden noodzakelijk gebaseerd op belastingen variërend van 56 t/m 63 dB. Deze hogere waarden dienen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Etten-Leur te worden vastgesteld. Tabel 4.1 Benodigde hogere waarden vanwege railverkeer
Figuur 4.5 Visuele weergave vast te stellen hogere waarden Lden in dB vanwege het railverkeer
47/75
4.7.3 Conclusie Het aspect geluid vormt na vaststelling hogere waarden Wet geluidhinder vanwege railverkeer geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.8
Bodem
4.8.1 Normstelling en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. 4.8.2 Toetsing en conclusie 4.8.2.1 Verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in de grond Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in de grond uitgevoerd. Het bijbehorende onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage 9.
Hierna volgt een beknopte samenvatting. Doel van het onderzoek is het verkrijgen van een inzicht in de actuele bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie en op basis hiervan na te gaan of de bodemkwaliteit een belemmering kan opleveren voor de voorgenomen (bouw)plannen ter plaatse. Het veldwerk is uitgevoerd in juni en juli 2021. Bij de uitgevoerde grondboringen zijn op basis van zintuiglijke beoordeling plaatselijk (boringen 05, 08 en 19) sporen baksteen aangetroffen in de bovengrond. Ter plaatse van boring 03 zijn de sporen baksteen aangetroffen tot een diepte van 130 cm-mv en ter plaatse van boring 10 zijn, naast sporen baksteen, sporen kolengruis aangetroffen in het traject van 0 - 50 cm-mv. Tenslotte zijn ter plaatse van boring 15 (nabij de vijver) laagjes grind aangetroffen in het traject van 0 - 40 cm-mv. De aangetroffen bijmengingen worden niet aangemerkt als zijnde asbestverdacht. Bij het graven van de gaten ter plaatse van de twee asbestverdachte druppellijnen zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Voor de maaiveldinspectie ter plaatse van de druppellijnen geldt dat een inspectie efficiency van 100% is behaald. In het opgegraven materiaal ter plaatse van de druppellijn van de schuur zijn sporen baksteen en zwakke bijmengingen met grind en sintels aangetroffen en plaatselijk tevens sporen glas.
In het opgegraven materiaal ter plaatse van de aanbouw zijn bijmengingen met grind, baksteen en beton
48/75
aangetroffen. Wet bodembescherming Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond niet verontreinigd is, met uitzondering van de bovengrond ter plaatse van boring 10 (met bijmengingen kolengruis) waar sprake is van een lichte verontreiniging met cadmium, lood, zink en som PCB. De ondergrond is niet verontreinigd. Het grondwater is plaatselijk (peilbuis 12) licht verontreinigd met barium, zink en som xylenen. Ter plaatse van peilbuis 05 is het grondwater niet verontreinigd. Besluit bodemkwaliteit Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond, met uitzondering van de bovengrond ter plaatse van boring 10, voldoet aan de klasse achtergrondwaarde volgens het generieke beleid. Ter plaatse van boring 10 voldoet de bovengrond aan de klasse industrie voor toe te passen grond. Wel gelden op basis van de gemeten PFAS gehalten enige beperkingen voor het toepassen van de grond. Voor de bovengrond ter plaatse van het noord/noordwestelijke deel van de locatie (MM01 en locatie boring 10) geldt geen beperking voor het toepassen van de grond op landbodem, wel dient bij toepassing in een grondwaterbeschermingsgebied de gebiedstoets te worden uitgevoerd. De grond mag niet worden toegepast in een oppervlaktewaterlichaam. De bovengrond ter plaatse van het zuid/zuidoostelijke deel van de locatie (MM02) mag niet worden toegepast in oppervlaktewater en onder de grondwaterstand.
De grond is toepasbaar in zones met bodemkwaliteitsklasse wonen. Voor een formeel oordeel van de toepassingsmogelijkheden van de vrijkomende grond (hergebruik) dient voldaan te worden aan hetgeen wat beschreven staat in de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit (aanwezigheid bodemfunctiekaart en/of AP04 onderzoek inclusief PFAS). Vooralsnog dienen voor de overtollige grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, de eisen van het binnen de gemeente van toepassing zijnde beleid in acht genomen te worden. Asbest Er is ter plaatse van de druppellijn van de schuur (MMG01+G02) een gewogen gehalte asbest aangetroffen van 77 mg/kg d.s. Het aangetroffen gehalte asbest overschrijdt de waarde voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.). De asbest die is aangetroffen betreft een niet-hechtgebonden vorm. Er is een gehalte respirabele vezels aangetroffen van 28 mg/kg. Ter plaatse van de druppellijn van de aanbouw (MMG03+G04) is een gewogen gehalte asbest aangetroffen van 23 mg/kg d.s. Het aangetroffen gehalte asbest overschrijdt de waarde voor nader onderzoek niet. De asbest die is aangetroffen betreft een niet-hechtgebonden vorm, er zijn geen respirabele vezels aangetroffen. Toetsing hypothese Gezien de verkregen resultaten van het onderzoek dient de gestelde hypothese "niet verdachte locatie" formeel gezien verworpen te worden.
Gezien de geringe overschrijdingen en het van nature voorkomen van verhoogde achtergrondgehaltes in het grondwater is het echter gerechtvaardigd de gestelde hypothese te accepteren. Algemeen
49/75
Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat binnen de huidige functieklasse geen gebruiksbeperkingen hoeven te worden gesteld aan de onderzoekslocatie. De verkregen resultaten geven, met uitzondering van de druppellijn van de schuur, geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Ter plaatse van de druppellijn van de schuur is mogelijk asbest in de grond aanwezig boven de interventiewaarde. Om het gehalte asbest ter plaatse nader te bepalen dient een nader onderzoek naar asbest te worden uitgevoerd. In de tussentijd dient te worden opgemerkt dat ter plaatse sprake is van de aanwezigheid van respirabele vezels in de bovengrond. Het betreden en roeren van de grond ter plaatse van de druppellijn wordt derhalve afgeraden om zo de risico's op blootstelling te minimaliseren. Ook wordt geadviseerd de begroeiing ter plaatse (gras) niet te verwijderen. 4.8.2.2 Aanvullend asbestonderzoek In lijn met het advies uit het verkennend bodemonderzoek is een nader onderzoek asbest in de bodem ter plaatse van een voormalige druppellijn uitgevoerd, opgenomen als bijlage 10.
Doel van het onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de concentratie asbest in de bodem ter plaatse van de voormalige druppellijn en op basis hiervan na te gaan of deze asbestconcentratie aanleiding voor aanvullende (sanerings)maatregelen in het kader van de bouwplannen. Het veldwerk is uitgevoerd in juni 2023. Zintuiglijk is bij de maaiveldinspectie en bij het graven van de sleuven geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. Geconcludeerd kan worden dat in de grond geen asbest is aangetroffen. De bij het verkennend onderzoek aangetroffen asbestconcentratie wordt middels onderhavig onderzoek niet bevestigd. Niet uitgesloten is dat bij de sloopwerkzaamheden grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden, waardoor er geen asbest meer wordt aangetroffen. Gezien de verkregen resultaten van het onderzoek mag de gestelde hypothese "verdachte locatie" verworpen worden. De verkregen resultaten vormen geen belemmering voor de realisatie van toekomstige bouwplannen ter plaatse. Geadviseerd wordt de resultaten van het onderzoek bij de aanvraag om omgevingsvergunning te voegen. 4.8.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.9
Ecologie
4.9.1 Normstelling en beleid Bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met een omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van de verlening van de omgevingsvergunning.
50/75
Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. 4.9.1.1 Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Bijzondere nationale natuurgebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan welke afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend verleend worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan een omgevingsvergunning worden verleend, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2.
het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Bijzondere nationale natuurgebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) kan naast de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook gebieden aanwijzen als Bijzonder nationaal natuurgebied wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) / Natuurnetwerk Brabant (NNB) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. De provincie Noord Brabant hanteert daarvoor het begrip Natuurnetwerk Brabant (NNB).
Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
51/75
4.9.1.2 Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en de bescherming van overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten.
Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee, voor het op of in de bodem brengen van meststoffen en voor agrarische beregening uit grondwater. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening.
Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat.
52/75
4.9.2 Toetsing 4.9.2.1 Gebiedsbescherming De beoogde ontwikkeling dient getoetst te worden aan de eisen uit de Wet natuurbescherming, waarbij mogelijk gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 een rol spelen. Figuur 4.6 laat de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-netwerk zien. Niet alle Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen gebied met verzuringsgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied ‘Ulvenhoutse Bos’. De minimale afstand van dit Natura 2000-gebied tot het projectgebied bedraagt circa 11,4 kilometer. De andere Natura 2000-gebieden met verzuringsgevoelige habitats liggen op (nog) grotere afstand.
Figuur 4.6 Locatie beoogde ontwikkeling ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: AERIUS calculator) Met het rekenmodel Aerius (versie 2022) is een berekening uitgevoerd om de mogelijke gevolgen van de ontwikkeling voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen, daarbij zijn de realisatiefase en gebruiksfase (na oplevering van de beoogde ontwikkeling) beschouwd. In de onderzoeksmemo zoals opgenomen als bijlage 11, wordt achtereenvolgens ingegaan op de gehanteerde uitgangspunten, de resultaten en de conclusie. Voor de verkeersgeneratie is gerekend met de gegevens uit paragraaf 2.2.3.2 van deze ruimtelijke onderbouwing. De rekenbladen voor de realisatie- en de gebruiksfase met bijbehorende in- en uitvoergegevens vanuit AERIUS zijn opgenomen in de bijlagen 12 (realisatiefase) en 13 (gebruiksfase). Uit de berekeningen met AERIUS Calculator (versie 2022) voor de realisatie- en gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekeningen zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebied in de realisatie- en gebruiksfase uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. 4.9.2.2 Soortenbescherming Quickscan In het kader van het aspect soortenbescherming is begin 2023 een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd.
Bijbehorende rapportage is opgenomen als bijlage 14.
53/75
Op basis van de quickscan wordt geconcludeerd dat in het projectgebied beschermde soorten kunnen voorkomen, namelijk broedvogels met jaarrond beschermde nesten, vleermuizen, steenmarter en de Alpenwatersalamander. Door de voorgenomen werkzaamheden en het nieuwe gebruik van de locatie kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen, amfibieën en de steenmarter verloren gaan en kunnen nestplaatsen van jaarrond beschermde vogelsoorten hun functionaliteit verliezen. Daarom is nader onderzoek nodig conform de landelijk geldende protocollen om aan- of afwezigheid van deze soorten vast te stellen. Voor verblijfplaatsen van vleermuizen kan worden aangesloten bij het Soortenmanagementplan (SMP) van de gemeente Etten-Leur. Door te werken volgens de richtlijnen van een Ecologisch Werkprotocol wordt het doden van vleermuizen voorkomen. Door het realiseren van nieuwe voorzieningen voor vleermuizen in de nieuwbouw, blijft het plangebied beschikbaar als verblijfplaats voor vleermuizen op lange termijn. Zo kan aan de voorwaarden worden voldaan die de provincie heeft gesteld in haar generieke ontheffing (onderdeel van het SMP) aan de gemeente Etten-Leur.
Indien uit het onderzoek blijkt dat beschermde soorten aanwezig zijn, dan is er sprake van een ontheffingsplicht, omdat negatieve effecten en daarmee een overtreding van verbodsbepalingen niet te voorkomen zijn (verblijfplaatsen/nesten worden vernietigd). Het is verder nodig om enkele voorzorgsmaatregelen toe te passen bij de werkzaamheden ten aanzien van broedvogels en vleermuizen, om zeker te zijn dat geen dieren worden verstoord of gedood. Deze maatregelen zijn goed uitvoerbaar en zorgen voor het voorkomen van negatieve effecten. Andere beschermde soorten komen met zekerheid niet voor in het projectgebied. Nader onderzoek Uit de quickscan blijkt dat het voorkomen van de alpenwatersalamander, steenmarter, roek en essentieel foerageergebied van vleermuizen niet op voorhand was uit te sluiten. Daarom is een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd naar deze soorten in de periode maart-juli 2023. Bijbehorende rapportage is opgenomen als bijlage 15. Uit de resultaten blijkt dat er een roekenkolonie aanwezig is in en rond het plangebied. Het merendeel van de nesten ligt op het naburige perceel. Door de voorgenomen kap van enkele bomen gaat echter één roekennest verloren. Tevens is de alpenwatersalamander aanwezig op het terrein. Voortplanting vindt plaats in de vijver en in een vijverbak. Deze laatste wordt verwijderd.
Er gaat zodoende voortplantingsbiotoop van de alpenwatersalamander verloren. Tevens is de eekhoorn waargenomen, maar nesten van de eekhoorn ontbreken. Essentieel leefgebied gaat niet verloren. De steenmarter is niet waargenomen, zodat het voorkomen van deze soort kan worden uitgesloten. Essentieel foerageergebied van vleermuizen is niet aanwezig. 4.9.3 Conclusie en vervolg Uit de resultaten blijkt dat door de voorgenomen werkzaamheden een roekennest en leefgebied van de alpenwatersalamander verloren gaat. Daarbij worden verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden. Daarom is door de initiatiefnemer een ontheffing bij de provincie Noord-Brabant aangevraagd. In dat kader is een activiteitenplan opgesteld (bijlage 16). Er zijn mitigerende en compenserende maatregelen nodig. Voor overige beschermde soorten treden geen effecten op, of zijn deze door het nemen van mitigerende maatregelen te voorkomen.
54/75
Een dergelijke ontheffing is redelijkerwijs te verkrijgen. De alpenwatersalamander komt algemeen voor in Noord-Brabant en een ruimtelijke ontwikkeling is een geldig wettelijk belang voor het verkrijgen van een ontheffing. De roek is voldoende flexibel om in de groenzone die grotendeels behouden blijft, een ander nest te bouwen. Dat doen ze vaker, aangezien veel nesten in de winter uit de bomen waaien. Hiermee kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch uitvoerbaar is. De omgevingsvergunning ten behoeve van afwijken van het bestemmingsplan kan op basis hiervan worden aangevraagd en onder de in deze conclusie beschreven voorwaarden worden verleend. Hiermee is het (doen) gebruiken van gronden en bouwwerken, het bouwen en/of slopen en het uitvoeren van een werk binnen het plangebied enkel toegestaan nadat uit het nader ecologisch onderzoek en activiteitenplan volgende maatregelen en/of betreffende ontheffingen of vergunningen zijn uitgevoerd en/of verkregen. Het aspect ecologie vormt hiermee geen belemmering om onder voorwaarden de vergunning te verlenen.
4.10 Luchtkwaliteit 4.10.1 Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij een ruimtelijke ontwikkeling uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.2 weergegeven. Tabel 4.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
55/75
een project valt in een categorie die is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. 4.10.2 Toetsing Door de ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeer van 146,1 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). Hierbij wordt uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 5%. In de nibm-tool (versie 2022) is 2024 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,15 µg/m³ en van fijnstof van 0,03 µg/m³ (figuur 4.7). Geconcludeerd kan worden dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Nader onderzoek is hierdoor niet noodzakelijk.
Figuur 4.7 Resultaten NIBM-tool 2022 (Bron: InfoMil) In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. De Spoorlaan is de maatgevende weg. Uit de tool (figuur 4.8 en bijbehorende tabellen 4.3 t/m 4.5) blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is ter plaatse van het projectgebied als gevolg van de ontwikkeling (met bijbehorende toename van het benoemde gehalte stikstof en fijnstof in de lucht) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
56/75
Figuur 4.8 Toetspunt directe omgeving projectgebied (Bron: Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit) Tabel 4.3 Concentraties NO2
Tabel 4.4 Concentraties PM10
57/75
Tabel 4.5 Concentraties PM2,5
4.10.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.11 Water 4.11.1 Normstelling en beleid In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant
58/75
Vigerend is het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) van 22 december 2021. Het RWP is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Het RWP is op 22 december 2021 in werking getreden. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. De provincie heeft de koers voor de komende jaren niet alleen bepaald. In dialoogsessies hebben vele partners en belanghebbenden actief meegedacht. Naast de Brabantse waterschappen, terreinbeherende organisaties (TBO’s), de Vereniging Industriewater, drinkwaterbedrijven, de Brabantse Milieu Federatie, Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (ZLTO) en verschillende onderwijsinstellingen, waren ook een groot aantal gemeenten aangesloten. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren.
Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. Beleid waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het gaat dan om het waterkwantiteits en –kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Het waterschap heeft een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De Legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel.
Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij de uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van
59/75
verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. In de Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak, via een afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: 'benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06'. Het gebruik van uitlogende (bouw)materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC wordt ten zeerste afgeraden in verband met de negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Door middel van de verplichte watertoets ziet het waterschap toe op de uitvoering van het beleid. Hiermee wordt gewaarborgd dat bij nieuwe ontwikkelingen het waterbeheer wordt meegenomen.
Hemelwaterverordening Etten-Leur De gemeenteraad van Etten-Leur heeft op 6 december 2022 de 'Hemelwaterverordening Etten-Leur' vastgesteld. Deze nieuwe verordening gaat in op het gemeentelijke beleid met betrekking tot de opvang en verwerking van hemelwater en vormt een aanvulling op het VGRP. De Hemelwaterverordening past ook een nieuwe compensatieregel toe, waarmee 60 liter waterberging per vierkante meter verharding en bebouwing moet worden gerealiseerd. De regels uit de Hemelwaterverordening dienen in acht genomen te worden en hieraan moet worden voldaan. Na afgifte van de ontwerp-verklaring van geen bedenkingen door de gemeenteraad gaat onder andere de ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage. Dan moet duidelijk zijn dat aan de Hemelwaterverordening wordt voldaan 4.11.2 Toetsing 4.11.2.1 Bestaand systeem Uit de kaarten behorende bij de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 volgt dat het projectgebied niet is gelegen binnen de beschermde gebieden. Het projectgebied is alleen onderdeel van het grondwaterdeelgebied 'westelijke zandgronden'. Er is derhalve geen specifiek beschermingsregime uit de Keur van toepassing. Binnen het projectgebied is geen oppervlaktewater aanwezig dat beschermd is op basis van de Keur. Het plangebied ligt ook niet binnen de keurzone van een waterkering.
In figuur 4.9 is een uitsnede te zien van het plangebied in relatie tot de informatie die beschikbaar is via de Watertoets Viewer van het waterschap Brabantse Delta.
60/75
Figuur 4.9 Uitsnede Watertoets Viewer met aanduiding projectgebied (Bron: Waterschap Brabantse Delta) 4.11.2.2 Uitgangspunten waterhuishouding Het projectgebied heeft een oppervlakte van 7.544 m2. De gronden direct ten noorden van het projectgebied (figuur 4.10) met een oppervlakte van 78 m2 worden ingezet ten behoeve van ontsluiting van de westelijke patiowoningen en de parkeerplaatsen. Over de eigendomsstructuur van deze gronden worden afspraken met de gemeente gemaakt en in de anterieure overeenkomst opgenomen. Aangezien deze gronden functioneel bij het projectgebied worden betrokken worden deze in het kader van de waterparagraaf ook meegenomen in de onderbouwing en compensatieopgave. In het kader van de waterparagraaf wordt derhalve uitgegaan van een oppervlak van 7.622 m2.
61/75
Figuur 4.10 Betrokken gronden ten behoeve van de ontsluiting (Bron: Atelier2Architecten) Ten behoeve van de ontwikkeling is een waterhuishoudkundig plan opgesteld, opgenomen als bijlage 17. Bij het opstellen van dit plan is van het volgende uitgegaan: Vuilwater Er worden 23 woningen gerealiseerd; Er kan / mag op het DWA (vuilwater)riool in de Edward Poppelaan aangesloten worden; Minimale diameter 250 mm Verhang 1:250 Minimale dekking 1,20 m Bestaande rioleringsgegevens conform uitsnede / afbeelding van gemeentelijke gegevens, aangeleverd op 22-5-2023. In de Omgang is alleen een hemelwaterriool aanwezig. Hemelwater Conform de Hemelwaterverordening van de gemeente Etten-Leur, dient over het gehele verharde oppervlak in de toekomstige situatie een compensatievoorziening (waterbuffer) getroffen te worden. Het toekomstige totale verhard oppervlak bedraagt 3.595 m2. Er wordt uitgegaan van de toekomstige oppervlaktes zoals weergegeven in tabel 4.6. Tabel 4.6 Overzicht verharde oppervlakken en oppervlak van de vijver (Bron: IDVerde)
62/75
De benodigde berging bedraagt bij een bergingseis van 60 mm, 216 m3. Hemelwater wordt in principe niet rechtstreeks aangesloten op het gemeenteriool, alleen de overloopvoorziening van de waterbuffer. De (over)capacteit van het hemelwaterriool is niet bekend. Dimensionering op 160 l/s/ha. Overig De grondwaterstand is uit de aangeleverde gegevens niet betrouwbaar vast te stellen. De gegevens lopen sterk uiteen. We gaan uit van een gemiddeld hoogste grondwaterstand van NAP 5,20+m (ca. 1 m – m.v.) Hierbij wordt aan de minimale droogleggingseisen voldaan (weg 0,70 m, bebouwing met kruipruimte 1,0 m). De aanwezige vijver aan de oostzijde wordt gehandhaafd en mag gebruikt worden voor waterberging. De vijver wordt door het grondwater gevoed, er wordt een peil van max. 1,0 m – mv. aangehouden (GHG). Er wordt aangenomen dat het toekomstige wegpeil ca. 6,60 m + NAP wordt. Dit sluit aan bij de bestaande hoogtes. Voor de bodem is een doorlatendheid van 0,50 m of meer per dag aangenomen. In de omgeving is de grondslag vooral zandig, maar er komen ook leemlagen voor. Vanwege de onzekere doorlaatcapaciteit, is voorzien in een vertraagde afvoer naar het HWA riool. Deze is op de GHG hoogte gelegen, zodat de poel niet structureel leegloopt in het HWA riool. Op 0,30 m beneden maaiveld is een slok op voorziening door middel van een roosterdeksel getroffen. (zie principedetail op tekening).
Deze wordt benut bij extremere neerslag dan 60 mm. 4.11.2.3 Ontwerp Op basis van de uitgangspunten is een schetsontwerp ten aanzien van de waterhuishouding gemaakt, weergegeven in figuur 4.11 en bijlage 18.
63/75
Figuur 4.11 Schetsontwerp waterhuishouding (Bron: IDVerde) Hierna wordt per aspect het ontwerpplan toegelicht. Waterberging De aanwezige vijver wordt gebruikt voor de berging van hemelwater. Het wateroppervlak van de poel bedraagt ca. 306 m2. De 216 m3 hemelwater die geborgen dient te worden, veroorzaakt een peilstijging van ca. 70 cm. Gezien de GHG van 1,0 m – mv bedraagt de waakhoogte 0,30 m bij volledige vulling. De berging van het HWA riool is hierbij buiten beschouwing gelaten, omdat dit bij een dekking van 1,20 m onder de GHG ligt en derhalve niet meegerekend wordt. De vijver wordt voorzien van een slokop (put met roosterdeksel) en vertraagde afvoer die aangesloten wordt op het HWA riool. Hemelwaterriool Het hemelwater van de nieuw te realiseren rijbaan wordt ingezameld met (straat) kolken (h.o.h. 15-20 m) en een HWA riool. De daken worden eveneens aangesloten op het HWA riool. De hoofdstreng van het HWA riool loost rechtstreeks op de poel. Het totale oppervlak op het HWA riool bedraagt 3325 m2. Hierbij zijn de splitpaden niet meegerekend, omdat deze niet via het riool afwateren. Bij een intensiteit van 160 l/s/ha bedraagt het debiet 53,2 l/s. Voor de bepaling van het hydraulische verhang wordt uitgegaan van de helft van de peilstijging bij aanvang van de bui. Tevens wordt uitgegaan van de langste transportafstand tot de poel. Het hydraulische verhang bedraagt ca.
0,65 m (0,30m waakhoogte + 0,35 m peilstijging) / 140 m = 1:215, Volgens de Kennisbank Riolering heeft een buis met een diameter van 300 mm bij dit verhang een capaciteit van 60 l/s. De minimale diameter van 315 mm voldoet.
64/75
Vuilwater Het vuilwater van het meest westelijke woonblok, voert via een nieuw te realiseren DWA riool af naar het gemeentelijke riool. Hiervoor dient een put ingevoegd te worden. Naar verwachting is een aansluiting op de bestaande inspectieput niet of lastig te realiseren. Voor de oostelijke 2 woonblokken is geen DWA riool aanwezig in de openbare weg. Hiervoor dient een nieuwe DWA streng, gerealiseerd te worden. Deze ligt bij voorkeur op openbaar gebied zodat geen zakelijk recht gevestigd hoeft te worden en e.e.a. bereikbaar is voor beheer en onderhoud. Aangenomen is dat de DWA aansluitingen van de woningen aan de voorzijde (straatzijde) van de woningen komen, dit is het meest gebruikelijk. Hiervoor is een verzamelstreng met een tweetal inspectieputten voorzien. In overleg met de gemeente Etten-Leur dient vastgesteld te worden waar / of deze in te passen is. Ook hiervoor dient een inspectieput in het bestaande stelsel toegevoegd te worden. Tevens wordt op particulier terrein vlak voor de aansluiting op het gemeentelijk riool een inspectieput aangebracht (erfscheidingsput). De minimale diameter van 250 mm heeft bij een halve buisvulling ruim voldoende capaciteit voor het DWA van de woonblokken. 4.11.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de nadere uitwerking van het plan.
4.12 Trillingen 4.12.1 Normstelling en beleid Treinpassages kunnen resulteren in trillinghinder in gebouwen nabij een spoorlijn. Op basis van trillingmetingen en overdrachtsberekeningen van de trillingsoverdracht kan worden bepaald of er noodzaak is tot trillingbeperking. Het onderzoeksgebied van trillingen bij spoorwegen ligt vrijwel altijd binnen een afstand van ongeveer 100 meter vanaf de bron. Buiten dit gebied treden vrijwel nooit voelbare trillingen op. In deel B van de SBR-richtlijn (opgesteld door Stichting Bouwresearch), bekend als 'richtlijn Hinder voor personen in gebouwen (door trillingen)' zijn specifieke richt- en streefwaarden opgenomen voor de beoordeling van trillinghinder door weg- en railverkeer. Dit zijn geen wettelijke richtlijnen. Indien uit onderzoek blijkt dat trillingsreducerende maatregelen noodzakelijk zijn, dan zijn in principe drie mogelijkheden tot maatregelen, te weten bij de bron, bij de overdacht en bij het gebouw. Maatregelen bij de bron en in het overdrachtgebied zijn zeer kostbaar en moeilijk realiseerbaar. Bij het gebouw zelf kunnen relatief eenvoudige maatregelen worden genomen. Dit kan in de vorm van het inpakken van de fundatie of door toepassing van een trillingdempende isolatie in de fundatie, waarbij de bodemtrillingen worden geïsoleerd van de bovenliggende constructie.
4.12.2 Toetsing 4.12.2.1 Verkennend trillingsonderzoek In het kader van de beoogde ontwikkeling, waarbij de beoogde woningen met een afstand van 30 tot 90 meter op relatief korte afstand van het spoor gesitueerd worden, is een verkennend trillingsonderzoek uitgevoerd. Bijbehorend rapport is opgenomen als bijlage 19 bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Het doel van het onderzoek is te bepalen of de trillingen als gevolg van het treinverkeer kunnen leiden tot
65/75
hinder voor personen in de nieuw te bouwen woningen. Om dat vast te kunnen stellen zijn ter plekke trillingsmetingen op maaiveld uitgevoerd en is een prognose van de in de woningen te verwachten trillingssterkte opgesteld. Bij de uitvoering van de trillingsmetingen en de beoordeling van de berekende trillingssterkte is gebruik gemaakt van de SBR meet- en beoordelingsrichtlijn deel B “Trillingen; hinder voor personen in gebouwen (SBR-B). De SBR-B geeft streefwaarden voor de trillingssterkte in gebouwen ter voorkoming van hinder en is in Nederland algemeen geaccepteerd ter beoordeling van de mate van trillingshinder. Op basis van metingen ter plekke en een empirische prognose zijn de te verwachten trillingen in de nieuwbouw berekend. Deze zijn beoordeeld aan de hand van SBR-B en aan gebruikelijke regels in bestemmingsplannen. De conclusies uit het onderzoek luiden samenvattend als volgt: 1. De locatie van het bouwplan is zodanig dat hinder door trillingen als gevolg van treinverkeer is te verwachten als in het ontwerp van de appartementen en de patiowoningen géén rekening met de aanwezige trillingen wordt gehouden. De hoogste te hanteren streefwaarden worden met een factor 1,9 overschreden. 2.
Als bij het ontwerp van de vloerconstructie in de toekomstige gebouwen, rekening gehouden wordt met de aanwezige trillingsbelasting, kan de overschrijding van de hoogste te hanteren streefwaarde beperkt worden tot maximaal een factor 1,4 voor het appartementenblok dicht bij het spoor. Voor de patiowoningen (verder van het spoor) zijn de te verwachten trillingsniveaus in dat geval acceptabel mits alle mogelijke trillingsreducerende maatregelen zijn getroffen. Indicatief moet de vloer-eigenfrequentie daarbij verhoogd worden naar circa 20 Hz. Om dat te realiseren is het nodig een substantieel kleinere overspanning en/of een dikkere vloer te kiezen dan normaal gesproken nodig. 3. Verwacht wordt dat met aanvullende maatregelen (anders dan een hogere vloer-eigenfrequentie) ook in het appartementsgebouw kan worden voldaan aan de streefwaarden voor bestaande situaties. Mogelijke maatregelen kunnen daarbij bestaan uit: a. Verzwaring van het fundament en/ of de gebouwconstructie. b. De fundering ontkoppelen van de bodem (en alleen via de palen gekoppeld). c. Toepassing van een trillingsisolerend scherm in de bodem tussen gebouw en spoor. d. Toepassing van trillingsisolatie onder het gebouw. Verwacht wordt dat de kans klein is dat met haalbare maatregelen aan de SBR-B streefwaarden voor nieuwe situaties kan worden voldaan.
Dat kan geaccepteerd worden maar alleen als mogelijke trillingsreducerende maatregelen worden getroffen. 4. De gemiddelde trillingssterkte Vper voldoet ruimschoots aan de SBR-B A3 streefwaarden. Reden daarvoor is dat voelbare trillingen alleen worden veroorzaakt door goederentreinen en niet door de veel vaker passerende reizigerstreinen. Aanbevolen wordt om een gedetailleerdere prognose van de te verwachten trillingen op te stellen op basis van een Eindige Elementen Methode (EEM) rekenmodel van het gebouw (en de bodem tussen gebouw en spoor). Op basis daarvan kan een nauwkeuriger prognose worden opgesteld en kan de effectiviteit van maatregelen worden berekend. In lijn met de SBR-B kan op basis van het verwachte trillingsreducerende effect, in combinatie met de praktische haalbaarheid, worden afgewogen welke maatregelen doelmatig en kosteneffectief zijn en welke niet. Daarmee wordt voorkomen dat niet-doelmatige en onnodig dure maatregelen worden getroffen.
66/75
4.12.2.2 Aanvullend trillingsonderzoek De mogelijke trillingshinder die door treinenpassages kunnen ontstaan in de toekomstige woningen aan de Edward Poppelaan is onderzocht met een combinatie van ter plekke uitgevoerde trillingsmetingen en een dynamisch EEM-rekenmodel van de toekomstige gebouwen. Met de berekeningen is onderzocht welke maatregelen nodig zijn om de trillingshinder te beperken of te voorkomen. De berekende trillingsniveaus zijn daarbij getoetst aan gebruikelijke regels in bestemmingsplannen zoals ook gehanteerd in bestemmingsplan ‘Stationsplein 21-25’ van de gemeente Etten Leur. De rapportage van het aanvullend trillingsonderzoek is opgenomen als bijlage 20. Puntsgewijs luiden de conclusies als volgt: Met het originele ontwerp van de patiowoningen wordt, zonder extra maatregelen, voldaan aan de SBR-B streefwaarden voornieuwe situaties. Met het originele ontwerp van de startersappartementen wordt, zonder maatregelen, niet voldaan aan de SBR-B streefwaarden voor nieuwe en bestaande situaties. Conform het voorgestelde toetsingskader moeten maatregelen worden getroffen. De initiatiefnemer heeft besloten de volgende maatregelen aan het bouwkundig ontwerp van het appartementencomplex te treffen: 1. De voor- en achtergevel worden dragend uitgevoerd (214 mm kalkzandsteen). De stabiliteitswanden worden verwijderd. 2.
De funderingsbalk aan de voorzijde wordt breder uitgevoerd (600 mm in plaats van 400 mm). 3. Bij elke voorgevel wordt in het midden onder de fundering een extra paal geplaatst. 4. De ribcassettevloer op de begane grond wordt vervangen door een 260 mm kanaalplaatvloer. Door het treffen van bovengenoemde maatregelen wordt ruimschoots voldaan aan de SBR-B streefwaarde voor bestaande situaties. Er resteert een minimale overschrijding van de SBR-B streefwaarden voor nieuwe situaties met maximaal 10%. Aangezien niet aan de SBR streefwaarden wordt voldaan moeten verdere maatregelen worden overwogen. De mate van hinder is bij de minimale overschrijding beperkt om de volgende redenen: 1. De overschrijding treedt maximaal 2 keer per week op en is met maximaal 10% dermate laag dat deze door mensen niet kan worden onderscheiden van trillingen die net wel aan de streefwaarde voldoen. 2. De overschrijding treedt op over maximaal 10% van het vloeroppervlak van een woning. 3. Er wordt ruim (met een marge van 45%) voldaan aan de SBR-B streefwaarden voor bestaande situaties. Dat betekent dat mensen na verloop van tijd aan de trillingen gewend zullen raken en er geen hinder meer van zullen ondervinden. In het algemeen is het oordeel dat de mate van trillingshinder minimaal is en dat de doelmatigheid van aanvullende maatregelen beperkt is: de hinder die ermee kan worden voorkomen is minimaal.
Ter bepaling van de kosteneffectiviteit zijn in hoofdstuk 4.3 van het onderzoek aanvullende trillingsreducerende maatregelen besproken en overwogen. Op basis daarvan heeft de initiatiefnemer geconcludeerd dat geen van de maatregelen kosteneffectief is. Voorgesteld wordt de resterende, minimale mate van trillingshinder te accepteren volgens het voorgestelde toetsingskader: Met een dynamische berekening is aangetoond dat wordt voldaan aan de SBR-B streefwaarden voor bestaande situatie en uit de beoordeling van mogelijk aanvullende maatregelen blijk dat